| De crisis van de jaren 1840 in Lokeren. Bepaling van het profiel van de Lokerse gezinnen in deze crisisjaren. (Evelyn Bullaert) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Deel II: Bepaling van het profiel van de Lokerse gezinnen in de crisisjaren
B. BESPREKING VAN DE ALGEMENE GEMIDDELDEN VAN DE BESTUDEERDE WIJKEN
1. Bepaling van de relatieve welstand van de verscheidene wijken
Om de welstand van verschillende onderzochte gebieden te bepalen, kan men enerzijds een beroep doen op de belastingslijsten die een beeld geven van het bemiddelde deel van de Lokerse bevolking. Er wordt gebruik gemaakt van de lijsten met de betalers van patentbelasting, dit is een goede meter voor de industriële en commerciële activiteit op zelfstandige basis, terwijl de grondbelasting een indicator vormt voor het grondbezit in een bepaald gebied. Anderzijds vormen de armenlijsten de uitgelezen bron om de armere bevolkingslagen te abstraheren.
1.1. Patent- en grondbelasting [182]

Gemiddeld genomen betaalt een groter deel van de Lokerse bevolking patentbelasting, namelijk zo’n 30%, terwijl maar 14% van de inwoners belast wordt op grondbezit. Opgesplitst per sectie krijgt men echter een iets verschillend beeld. Op het platteland is het aandeel van de bevolking dat grondbelasting betaalt, immers even groot als het aantal inwoners dat patentbelasting moet ophoesten, beiden zo’n 17%. In de stad zijn de verschillen tussen het aantal betalers van beide fiscale heffingen veel groter. Maar liefst 49%, of bijna de helft van de Lokerse stedelijke bevolking, wordt patentbelasting aangerekend, tegenover slechts 12% grondbelasting.
De twee wijken die voor het platteland werden onderzocht kenmerken zich door tegengestelde cijfers. Daar waar de patentbelasting hogere waarden vertoont voor Puttenen Heirbrug, is het aantal betalers van grondbelasting vooral goed vertegenwoordigd in Staakte; bijna dubbel zoveel gezinnen moeten er grondbelasting ophoesten. Dit is niet verwonderlijk daar er zich voornamelijk landbouwers bevinden in Staakte en deze uiteraard gronden nodig hebben om hun gewassen te telen en hun vee te laten grazen.
Zoals reeds aangegeven betaalt maar liefst de helft van de stedelijke bevolking patentbelasting in Lokeren. Dat het aantal gezinnen dat patentbelasting verschuldigd is hogere waarden vertoont in de stad hoeft niet te verwonderen, het aantal personen dat op zelfstandige basis werkzaam is in de handel of de nijverheid is immers omvangrijker in een stedelijk gebied. Voornamelijk de Kerkstraat, waar 52% van de inwoners belast wordt, de Roomstraat met 49% patentbetalers en de Markt waar 44% van de gezinnen patentbelasting ophoest, vertonen hoge waarden. In het Knokkestraatje en de Postdreef is slechts een laag percentage van de inwoners patentbelasting verschuldigd. Wat de grondbelasting betreft springen opnieuw de Kerkstraat en de Roomstraat in het oog, terwijl de Markt wordt vervangen door de Postdreef. Opnieuw het Knokkestraatje, en deze keer ook de Luikstraat, tellen weinig belastingsbetalers onder hun inwoners. De Schoolstraat en de Voermanstraat vertonen beiden waarden die rond het gemiddelde schommelen.
Louter op basis van de belastingsgegevens kan men reeds concluderen dat voornamelijk de Kerkstraat en de Roomstraat zich kenmerken door een zekere welstand, terwijl slecht een beperkt aantal inwoners van het Knokkestraatje en de Luikstraat belasting aan de staat verschuldigd is en zich hier bijgevolg weinig vermogende lieden bevinden.
1.2. Het aantal ondersteunden tussen 1844 en 1846
Om het armere deel van de bevolking te abstraheren uit de totale Lokerse bevolking, werd gebruik gemaakt van de armenlijsten. Deze lijsten zijn echter niet allen bewaard en ook niet uniform. Voor 1844 werden lijsten van het armenbestuur teruggevonden waarin werd aangeduid welke gezinnen recht hadden op bedeling van brood. Deze broodlijsten bleven echter niet bewaard voor 1845, om in dit jaar het aandeel van de armere klasse te weten te komen werd een beroep gedaan op lijsten met de namen van de families die nood hebben aan kolen. De bedeling van kolen kan echter alleen worden bestudeerd voor het stadscentrum, er zijn in 1845 geen gegevens voorhanden die handelen over het landelijke gedeelte van Lokeren. Voor het daaropvolgende jaar, 1846, kon men opnieuw een beroep doen op de broodlijsten. Echter, deze lijsten waren niet voor alle straten voorhanden, zodat de evolutie van voornamelijk de armere gebieden niet kan worden gevolgd.
Tabel: Aantal en percentage van de gezinnen (per wijk/straat) die in 1844, 1845 en 1846 nood hebben aan brood of kolen
|
|
onderstand 1844 |
onderstand 1845 |
onderstand 1846 |
|
|||
|
|
aantal |
% |
aantal |
% |
aantal |
% |
gemidd. |
|
Staakte |
7 |
4,4 |
- |
- |
1 |
0,6 |
2,5 |
|
P. Heirbrug |
29 |
11,8 |
- |
- |
59 |
24 |
17,6 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Markt |
8 |
3,8 |
6 |
2,8 |
19 |
9 |
5,2 |
|
Luikstraat |
49 |
28,7 |
12 |
7 |
n.m. |
n.m. |
12,1 |
|
Schoolstraat |
3 |
3,2 |
3 |
3,2 |
13 |
13,7 |
6,7 |
|
Voermanstraat |
7 |
13,5 |
3 |
5,8 |
n.m. |
n.m. |
9,7 |
|
Kerkstraat |
2 |
3,1 |
2 |
3,1 |
1 |
1,5 |
2,2 |
|
Knokkestraatje |
7 |
18,9 |
8 |
21,6 |
n.m. |
n.m. |
20,3 |
|
Postdreef |
0 |
0 |
0 |
0 |
3 |
20 |
6,7 |
|
Roomstraat |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
Tot./gemidd. |
112 |
8,6 |
34 |
4,7 |
36 |
9,7 |
|

Wat 1844 betreft ontvangt gemiddeld 10% van de gezinnen steun van het bureel van weldadigheid. Vermits de crisis op dat moment nog niet in alle hevigheid woedt, en men een percentage ondersteunden tot en met 10% als het structureel arme deel van de bevolking beschouwt, kan men de 10% Lokerse behoeftigen eveneens als de structurele armen definiëren.[183]
Het aantal ondersteunde gezinnen ligt in 1844 hoger in de stad, zo’n 11%, dan op het platteland, zo’n 9%. Als belangrijkste redenen kan men enerzijds aanhalen dat de landbouwersgezinnen makkelijker aan voedsel kunnen geraken en op die manier beter in staat zijn om het hoofd boven water te houden. Anderzijds speelt ook de efficiëntere organisatie van de onderstand in de stad een niet onbelangrijke rol, bepaalde gezinnen zullen zich immers in een stedelijke omgeving vestigen om op die manier meer van de steun van het armenbestuur te kunnen genieten.
Reeds in 1844 stijgt het percentage ondersteunden in Puttenen Heirbrug uit boven de 10%. In deze armere wijk rekenen op dat moment reeds 12% van de gezinnen op steun van het bureel van weldadigheid. Dit is vier maal zoveel als het aantal families dat in Staakte wordt geholpen. Het feit dat slechts 3% van de gezinnen uit de typische landbouwwijk wordt ondersteund, toont aan dat de armoede in Staakte in 1844 nog zeer gering te noemen is.
Het stedelijke centrum kenmerkt zich door grote verschillen tussen de straten onderling. Men kan een duidelijk verband aanduiden tussen het aantal belastingplichtigen en het percentage ondersteunde gezinnen binnen eenzelfde straat. In straten waar een aanzienlijk deel van de bevolking grond- of patentbelasting betaalt, blijft het aantal gezinnen dat overleeft dankzij de giften van het armenbestuur eerder beperkt. Anderzijds zullen gebieden met een omvangrijke groep ondersteunde families slechts weinig belastingbetalers onder hun inwoners tellen.
Vooral de Luikstraat herbergt een aanzienlijk percentage ondersteunde gezinnen. Reeds in 1844 is 29% van de families in mindere of meerdere mate afhankelijk van de bedelingen van het bureel van weldadigheid. Dit is dan ook de enige straat die een armoedepercentage vertoont dat aansluit bij de algemene gemiddelden die voor de jaren 1840 voor Oost – Vlaanderen worden opgegeven, namelijk 25 à 30%.[184] Ook in het Knokkestraatje moet voor de eigenlijke crisissituatie reeds 19% van de families een beroep doen op het armenbestuur. Men kan deze straten, waar het aantal belastingbetalers ronduit pover te noemen is, dan ook zonder enige twijfel bij de arme wijken van Lokeren onderbrengen. Toch moet men er zich van bewust zijn dat het algemene armoedepercentage in Lokeren lager ligt dan elders. In de Roomstraat en de Postdreef hoeft geen enkele familie steun aan te vragen bij het bureel van weldadigheid. Slechts 3% van de gezinnen die woonachtig zijn in de Kerkstraat hebben nood aan onderstand, dit is een te verwaarlozen getal. In de middenklasse – wijken, met de name de Markt, de School- en Voermanstraat, bedraagt het percentage ondersteunde gezinnen zo’n 6%.
De bepaling van het aantal ondersteunden in
1845 is, zoals reeds vermeld, gebaseerd op de lijsten waarop het aantal gezinnen
met recht op kolen staat aangeduid. Dit percentage ligt lager dan het aantal
gezinnen dat onderstand ontvangt in de vorm van brood.
Bijgevolg kan men de waarden van 1844 en 1845 moeilijk met elkaar vergelijken en
is de geschetste evolutie van het percentage ondersteunden niet accuraat. Deze
cijfers zijn echter wel geschikt om de verhouding tussen de verschillende
stadswijken te bestuderen
Opnieuw worden het Knokkestraatje en hoewel dit jaar in iets mindere mate, de Luikstraat gekenmerkt door een hoog percentage ondersteunde families. Nog steeds overleeft ongeveer één vijfde van de inwoners van het Knokkestraatje dankzij de hulp van het bureel van weldadigheid. Het aantal gezinnen dat in de Luikstraat behoefte heeft aan kolen ligt beduidend lager dan diegenen die niet zonder de bedeling van brood kunnen. Toch vormt de 7% ondersteunde gezinnen van de Luikstraat het tweede hoogste percentage van alle onderzochte straten.
Ook in 1845 worden de Postdreef, de Roomstraat en de Kerkstraat gekenmerkt door een laag percentage ondersteunden. In dit eerste eigenlijke crisisjaar heeft nog steeds geen enkel gezin in de Postdreef of de Roomstraat nood aan ondersteuning, in de Kerkstraat is nog steeds slechts 3% van de inwoners ten laste van het armenbestuur. Het aantal huishoudens dat in 1845 recht heeft op kolen kent op de Markt en in de Schoolstraat en Voermanstraat eenzelfde, lage waarde als in de rijkere gebieden.
Het aantal ondersteunde gezinnen wordt voor 1846 eveneens berekend aan de hand van de broodlijsten. Behalve het feit dat niet voor alle straten cijfers voorhanden zijn, vertonen deze lijsten ietwat vreemde kenmerken waardoor extra waakzaamheid geboden is. Immers, de personen die in 1844 als structurele armen worden aangeduid zijn in deze lijsten nauwelijks terug te vinden. Bijgevolg kan men zich vragen stellen over de betrouwbaarheid van deze armenlijsten. Men kan deze documenten echter ook beschouwen als bijkomende lijsten waarop enkel de conjuncturele armen worden aangeduid, als een soort van aparte lijst waarop enkel de extra ondersteunden tengevolge van de crisis worden ingeschreven.
Het totale aantal ondersteunden vertoont een hogere waarde in 1846 dan in 1844. Hoewel de crisis in Lokeren eerder een beperkte omvang kent, kan men een verzwaring van de levensomstandigheden niet ontkennen; dit leidt uiteraard tot een stijgend aantal armen en ondersteunden. Bovendien is er een duidelijk verschil merkbaar met 1844, het percentage landelijke behoeftigen is immers uitgestegen boven het aantal ondersteunden in de steden. Dit fenomeen moet echter genuanceerd worden vermits er een enorme discrepantie bestaat tussen de twee onderzochte plattelandswijken. Het aantal ondersteunde gezinnen in Staakte vertegenwoordigt nog geen procent van het totale aantal inwoners, terwijl meer dan 24% van de families in Puttenen Heirbrug ten laste is van het bureel van weldadigheid. Het grote verschil tussen beide wijken en het feit dat de plattelandscasus maar gebaseerd is op twee wijken maant aan tot voorzichtigheid. Daarenboven moet eveneens rekening worden gehouden met het feit dat de crisis in Lokeren niet zo zwaar heeft toegeslagen. De misoogsten zijn immers binnen de perken gebleven en vermits de wevers en spinsters niet zo’n groot aandeel hebben in de Lokerse bevolking, is ook het aandeel van de bevolking wiens inkomen halveerde beperkt gebleven. Deze gegevens tonen aan dat het hogere percentage landelijke ondersteunden meer dan waarschijnlijk het gevolg is van de beperkte basis waarop deze cijfers steunen.
Vermits in 1846 niet voor alle stedelijke straten het aantal ondersteunden bekend is, kan men geen optimale verhouding schetsen tussen de verschillende stadsdelen. Vermits de gegevens voor de Luikstraat en voor het Knokkestraatje ontbreken is het niet mogelijk om de evolutie van het arme stadsdeel te volgen in de eigenlijke crisisjaren. Zowel de Kerkstraat als de Roomstraat slagen erin om hun welstand te handhaven tijdens de crisis van de jaren 1840. Nog steeds kunnen alle gezinnen van de Roomstraat de crisis de baas zonder te hoeven aankloppen bij het armenbestuur. In de Kerkstraat is het percentage ondersteunden terug gedaald naar het niveau van 1844, zodat slechts één gezin een beroep moet doen op de bedelingen van het bureel van weldadigheid. De Postdreef ondergaat echter een opmerkelijke stijging van het aantal behoeftigen: in 1846 is 20% van de inwoners afhankelijk van onderstand. Zoals steeds voor de Postdreef, moet ook dit cijfer met de nodige reserves worden gehanteerd. Immers, de drie gezinnen die nu nood hebben aan onderstand, maken op een totaal van slechts 15 uiteraard een levensgroot verschil.
2.1. Omvang van de actieve bevolking [185]

Het algemene gemiddelde van alle onderzochte wijken toont aan dat 64% van de bevolking een beroep uitoefent. In vergelijking met het begin en het einde van de 19e eeuw kan dit als een eerder hoog percentage worden beschouwd. Zowel in de eerste decennia van de 19e eeuw als rond 1890 was immers slechts twee vijfden van de Lokerse bevolking aan het werk.[186] Het feit dat in de jaren 1840 drie vijfden van de bevolking een job heeft is voornamelijk te verklaren door de precaire levensomstandigheden van dat moment. De lagere lonen die zowel in de landbouw als de textielsector worden uitbetaald, maken het noodzakelijk dat een maximaal aantal arbeidskrachten wordt ingezet om het familiale inkomen op peil te houden..[187] Deze bevindingen van De Vlieger kunnen echter worden ontkracht door te verwijzen naar De Belder & Vanhaute die beweren dat men pas van betrouwbare beroepstellingen kan spreken wanneer 60 à 65% van de potentieel actieve bevolking ook effectief aan het werk is.[188] Rekening houdend met deze redenering kan men de cijfers van De Vlieger voor het begin en het einde van de 19e eeuw als onbetrouwbaar beschouwen; het zogenaamd hogere percentage dat door hem wordt beschreven voor 1846 is meer dan waarschijnlijk het gevolg van hiaten in de vergelijkende bronnen van het begin en het einde van de eeuw.
Het percentage actieve personen vertoont duidelijk hogere waarden op het platteland dan in de stad. In de buitenwijken is gemiddeld 72% van de bevolking actief, terwijl in het stedelijke centrum 59% van de inwoners een beroep uitoefent. Ook De Vlieger beschrijft een hoger aandeel actieven in de landelijke wijken, bovendien is de discrepantie tussen stad en platteland groter geworden ten opzichte van het begin van de eeuw.
Wat de landelijke wijken betreft kenmerkt vooral Staakte zich door een hoog percentage actieven, maar liefst 77% van de inwoners van deze wijk is officieel aan het werk.
Het typisch landelijk karakter van dit gebied vormt de voornaamste verklaringsfactor, de hoge arbeidsintensiteit op het platteland is immers algemeen bekend. Ook Puttenen Heirbrug, met een actieve bevolking van 68%, stijgt uit boven de algemene gemiddelden. Men kan dan ook concluderen dat de geregistreerde activiteitsgraad op het platteland veel hoger ligt dan de gemiddelde 60%.
In de stedelijke gebieden oefent drie vijfden van de bevolking een job uit, dit cijfer komt perfect overeen met de vooropgestelde gemiddelden voor de jaren 1840. De straten onderling vertonen echter grote verschillen. Maar liefst 80% van de bevolking in de Postdreef is actief, dit vormt meteen ook het hoogste percentage voor alle onderzochte wijken. De beperkte basis waarop deze gegevens gestoeld zijn, maant echter aan tot een kritische ingesteldheid. Ook het Knokkestraatje, waar 74% van de bevolking tewerkgesteld is, scoort hoog boven de algemene gemiddelden. Behalve de Voermanstraat, met een actieve bevolking van 62%, kenmerken alle andere straten zich door een activiteitsgraad die net onder het gemiddelde ligt, namelijk zo’n 57 à 58%.
Een verband tussen het percentage van de actieve bevolking en de welstand van een bepaalde wijk is moeilijk te achterhalen. Wat de activiteitsgraad betreft kennen de arme(re) en de meer welgestelde wijken zowel hoge als lage percentages actieven, zodat een correlatie tussen beide gegevens niet kan worden aangetoond.
2.2. Globaal procentueel aandeel van de actieve bevolking in de verscheidene arbeidssectoren[189]

De bekomen resultaten van mijn onderzoek worden vergeleken met de resultaten van De Vlieger, die in 1961 eveneens de beroepsstructuur van de Lokerse gezinnen onderzocht.[190] Vermits zijn studie over het totale Lokerse grondgebied handelt, terwijl mijn studie zich beperkt tot twee secties, en omdat het aantal onderzochte personen in de plattelandssectie (1971 personen waarvan 1412 actief) minder omvangrijk is dan het aantal bestudeerde stedelingen (1860 actieven op een totaal van 3150), kunnen zich eventueel beperkte afwijkingen voordoen.
Wanneer men de globale verdeling van de actieve bevolking over de verschillende arbeidssectoren bekijkt, springt het overwicht van het aantal tewerkgestelden in de textielsector onmiddellijk in het oog. Bijna één derde van de Lokerse bevolking, meer bepaald 31%, verdient zijn boterham in deze nijverheidstak. Binnen de textielsector vormen de kantwerksters de grootste groep, 32% van alle textielnijveraars beoefent immers het speldenwerk. De spinners en spinsters zijn eveneens goed vertegenwoordigd, met name 28% van alle personen werkzaam in de textielsector spint om zijn/haar boterham te verdienen. De derde belangrijkste groep wordt gevormd door de wevers en weefsters, zij nemen 16% van alle textielarbeiders voor hun rekening. Dat de kantwerksters in 1846 de belangrijkste groep vormen binnen de textielsector, hoeft niet te verwonderen. Ook Jacquemyns beschrijft immers dat reeds in 1846 een groot aantal spinsters op kantwerken is overgeschakeld omdat de concurrentie met het mechanische spinnen onhoudbaar wordt.[191] De berekeningen van De Vlieger kennen de textielsector een nog belangrijker aandeel in de totale actieve bevolking toe, meer bepaald 34%.[192] Wanneer men enkel het aandeel van de spinsters en wevers berekent ten opzichte van de totale bevolking, bekomt men een percentage van 13%. Dit ligt iets hoger dan de berekeningen van Jacquemyns, die het voor het arrondissement Sint – Niklaas op 9,26% houdt.[193] Het feit dat mijn berekeningen slecht betrekking hebben op een deel van het Lokerse grondgebied, geldt als voornaamste verklaring van deze discrepantie.
Na de textielsector volgt de landbouw als tweede grootste werkgever voor de Lokerse bevolking, met name 13% van de actieve inwoners zijn landbouwers. Het percentage bekomen door De Vlieger ligt echter 10% hoger.[194] Dit verschil kan worden verklaard door het overwicht aan stedelijke gegevens binnen deze studie.
Het feit dat de beroepscategorie ‘dienstpersoneel’ in dit onderzoek een derde plaats inneemt, en 12% van de totale arbeidersbevolking tewerkstelt, terwijl men aan de hand van de resultaten van De Vlieger het dienstpersoneel pas een zesde plaats kan toekennen, is niet te verklaren door de verschillen die zich voordoen tussen de stedelijke en de landelijke wijken.[195] Immers, het percentage ligt voor beide delen van Lokeren even hoog. Ook een verschillende interpretatie van het begrip ‘dienstpersoneel’ kan worden uitgesloten daar in beide gevallen zowel de meiden en de knechten als het personeel in de andere arbeidssectoren wordt meegerekend. Deze dienstmeiden en dienstknechten vertegenwoordigen de belangrijkste groep binnen het totale aantal personeelsleden, zij worden gevolgd door het dienstpersoneel dat tewerkgesteld is in de landbouw.
De kledingnijverheid stelt 10% van het totale aantal actieven tewerk en vormt hiermee de vierde grootste arbeidssector. Hoewel De Vlieger slechts een percentage van 7% kledingarbeiders bekomt, kan men deze sector ook in zijn studie op een vierde plaats terugvinden.[196] Binnen het kledingbedrijf is het aandeel van de kleermakers met 19% het grootst. De naaisters, die 16% van alle kledingarbeid(st)ers vertegenwoordigen, vormen eveneens een aanzienlijke groep. De derde plaats is voorbehouden voor de schoenmakers, zij zijn goed voor 14% van alle arbeiders in de kledingsector. Hoewel algemeen wordt gesteld dat de linnenblekers veelvuldig voorkomen in Lokeren, hebben zij slechts een aandeel van 10% in de kledingnijverheid.
Wanneer men bovenstaande percentages optelt, kan men concluderen dat meer dan de helft van de Lokerse bevolking werkzaam is in de textielindustrie, de landbouw, de kledingnijverheid of als dienstpersoneel.
Verder vertoont ook het percentage handelaars een vrij hoge waarde, namelijk 9%. Het aantal dagloners en arbeiders bedraagt slechts 7%. Deze waarde duidt opnieuw op een verschil met de bevindingen van De Vlieger, in zijn studie hebben de arbeiders en dagloners immers een aandeel van 10% in de actieve bevolking en vormen zij de derde grootste arbeidscategorie.[197] Mijn cijfers vertonen echter geen afvlakking van het ene percentage ten opzichte van het andere: de waarde voor het platteland wordt bij de berekening van het gemiddelde immers niet omlaag gehaald door het getal voor de stad. Verder zal echter blijken dat er, wat het aantal arbeiders en dagloners betreft, aanzienlijke verschillen bestaan tussen de onderzochte gebieden.
Van een bijzonder beperkte omvang is het aantal fabrikanten en personen met een vrij beroep. Ook het percentage arbeiders tewerkgesteld in de metaalsector is eerder beperkt te noemen. Deze tendens is eveneens bij De Vlieger waar te nemen.
De sociale stratificatie van de verschillende beroepssectoren zoals deze door De Vlieger werd opgesteld, geeft aan dat vooral het aandeel van de fabrikanten binnen de actieve bevolking de uitgelezen parameter vormt om de rijkdom van een bepaald gebied te bestuderen, in Lokeren nemen ze echter nog geen procent van de actieven voor hun rekening. Het aantal grondeigenaars en renteniers, een bevolkingsgroep waarvan men eveneens een zeker graad van welstand mag verwachten, kenmerkt zich door een waarde van amper 3%. Ook het percentage personen dat een vrij beroep uitoefent, een arbeidssector die eveneens voor een zekere welstand zorgt, is zeer miniem en vertegenwoordigt nog geen percent van de totale arbeidersbevolking. Men kan hieruit besluiten dat het percentage ‘echte rijken’ eerder beperkt is in Lokeren.
2.3. Vergelijking tussen stad en platteland van het procentueel aandeel van de actieve bevolking in de verscheidene arbeidssectoren[198]

In deze paragraaf wordt het aandeel van de verschillende beroepscategorieën vergeleken voor de stad en het platteland. De resultaten van mijn studie en de bevindingen van De Vlieger worden opnieuw naast elkaar gelegd en eventuele discrepanties worden aangeduid.
Op het platteland vormt de textielsector, de belangrijkste werkgever en stelt 31% van de actieve plattelandsbevolking tewerk. Het grootste aantal van deze textielarbeiders is aan de slag als spinsters, meer bepaald 46%. De wevers vertegenwoordigen 20% van de totale bevolking werkzaam in de textielnijverheid, de kantwerkers nemen maar 12% voor hun rekening.
Landbouw volgt slechts als tweede belangrijkste sector, 30% van de plattelandsbewoners verdient immers zijn brood via landbouwactiviteiten. De grootte van deze arbeidssector wordt overwegend bepaald door de landbouwers zelf, de andere beroepen die zich in deze categorie bevinden, zoals veesnijders en herders, komen nauwelijks voor.
Deze rangorde is op zijn minst opmerkelijk te noemen. De resultaten van De Vlieger die als vergelijkingsmateriaal worden gebruikt, vertonen eerder de volgorde die in een landbouwgebied verwacht wordt: de landbouw vormt hier de belangrijkste sector en verschaft 41% van de bevolking een inkomen, terwijl slechts één vierde van de actieve inwoners werkzaam is als textielarbeider.[199]
De enorme discrepantie tussen mijn resultaten en de bevindingen van De Vlieger kan, zoals verder nog meer in detail zal worden besproken, worden verklaard door de verschillende basis waarop deze cijfers worden berekend. De Vlieger onderzocht immers het volledige Lokerse grondgebied, en bijgevolg alle landbouwzones, terwijl mijn studie zich beperkt tot landelijke twee wijken. Om een duidelijk contrast te bekomen, werd er bovendien voor geopteerd om binnen deze sectie zowel een typische landbouwwijk als een ‘volkswijk’ te bestuderen. Vermits Puttenen Heirbrug, de zogenaamde volkswijk, totaal andere kenmerken vertoont dan de traditionele landbouwwijk Staakte, en bovendien omvangrijker is wat het aantal gezinnen betreft, wordt het typische landelijke profiel van de Lokerse buitenwijken hierdoor afgezwakt. Bijgevolg kan men dan ook stellen dat de waarden en de rangorde van de verschillende beroepssectoren op het platteland correcter zijn bij De Vlieger, zij sluiten immers nauwer aan bij de verwachtingen en de algemene gemiddelden voor een landbouwgebied. Verder zal echter nog blijken dat, wanneer men enkel de resultaten voor Staakte bekijkt, deze vrij nauw aansluiten bij De Vliegers bevindingen.
In de landelijke wijken vertegenwoordigt de arbeidssector ‘dienstpersoneel’ 12% van de actieve landbouwbevolking, deze sector bestaat voornamelijk uit dienstmeiden en –knechten. De arbeiders en dagloners vormen met 9% tewerkgestelden eveneens een omvangrijke groep. De resultaten van De Vlieger dichten de arbeiders en dagloners (13%) een belangrijker aandeel in het totale aantal actieven toe dan het dienstpersoneel (5%).[200] Opnieuw zijn de verschillen vrij groot: het percentage dienstpersoneel is in mijn studie meer dan dubbel zo groot als in De Vliegers onderzoek, terwijl het aantal arbeiders en dagloners 4% lager ligt. Een verschil in interpretatie van de begrippen arbeider en dienstpersoneel kan aan de basis van deze discrepantie liggen.
Ook de vijfde plaats in de rangorde wordt in beide studies door een andere arbeidscategorie ingenomen. In mijn studie staat het kledingbedrijf met 5% tewerkgestelden op deze plaats, terwijl de door De Vlieger bekomen resultaten deze plaats voorbehouden aan de handelaars.[201] 28% van de kledingarbeid(st)ers bestaat uit linnenblekers, de naaisters vertegenwoordigen 19% en de kleermakers zijn goed voor 17% van het totale aantal personen werkzaam in de kledingsector.
De bekomen resultaten voor de stedelijke gebieden vertonen wel de nodige gelijkenissen met de cijfers van De Vlieger. Uiteraard zijn er wel een aantal verschillen met de landelijke wijken te bespeuren.
In het stadscentrum is de textielsector met stip de belangrijkste werkverschaffer, 31% van de actieve stedelijke bevolking heeft een job als textielarbeider. Dit percentage sluit perfect aan bij het cijfer voor de landelijke wijken, maar het ligt wel 13% lager dan de waarde die De Vlieger heeft berekend, met name 44%.[202] Een eventuele verklaringsfactor kan worden gevonden in de verschillende omvang van de onderzochte gebieden. Mijn studie focust zich voornamelijk op de eigenlijke kern binnen het stadscentrum, terwijl het niet onwaarschijnlijk is dat zich in de stadsrand, die door mij niet wordt bestudeerd, de meeste textielarbeiders bevinden. In de eigenlijke kern vindt men eerder typische stedelijke beroepen terug, zoals handelaars en fabrikanten. Maar liefst 48% van het totale aantal textielarbeiders in de stadskern is werkzaam als kantwerkster. Wevers en spinsters vertegenwoordigen beiden ongeveer hetzelfde aandeel: 14% van de actieve bevolking werkzaam in de textielsector zijn spinsters, de wevers nemen 13% voor hun rekening. Hoewel de textielnijverheid in beide stadsdelen de belangrijkste sector vormt, bemerkt men een verschil in verdeling van de textielarbeiders over de verscheidene beroepen. Daar waar op het platteland de spinsters het belangrijkste aandeel hebben binnen de textielnijverheid, vormen de kantwerksters in de stad de meest omvangrijke groep.
Ook het kledingbedrijf kan in het stedelijke centrum als belangrijke arbeidssector worden gecatalogeerd. 13% van de actieve stedelingen verdient zijn boterham met een job in deze sector. De Vlieger bekomt een gelijkaardig percentage en ook hij kent de kledingnijverheid een tweede plaats toe in de stad.[203] Het belang van de verschillende beroepen binnen de kledingssector in de stad is verschillend ten opzichte van die op het platteland. In het stadscentrum vormen de kleermakers met 20% de belangrijkste beroepsgroep. Zij worden gevolgd door de naaisters die in de stad 15% van alle kledingarbeid(st)ers vertegenwoordigen. De schoenmakers stellen 14% van alle personen met een baan in het kledingbedrijf tewerk. Wat opvalt voor het stedelijke gebied is dat de tweede belangrijkste arbeidsector veel minder omvangrijk is dan de belangrijkste beroepscategorie, terwijl op het platteland textiel en landbouw respectievelijk 31% en 30% vertegenwoordigen. Deze tendens wijst op een grotere versnippering van de stedelijke actieve bevolking over de verschillende arbeidssectoren.
In tegenstelling tot het platteland kenmerkt de stad zich door een hoog percentage personen werkzaam in de handel, meer bepaald 12%. De Vliegers berekeningen houden het bij slechts 5% handelaars.[204] Binnen deze categorie zijn de winkeliers duidelijk in de meerderheid, zij hebben dan ook een aandeel van 41%. De kooplui vestigen zich met 22% op een tweede plaats en tenslotte baat 18% van alle stedelijke handelaars een herberg uit.
Het percentage stedelijke inwoners tewerkgesteld als dienstpersoneel vertoont een even hoge waarde als het aantal personeelsleden in de buitenwijken, namelijk zo’n 12%. Toch bevindt deze arbeidssector zich in de stad pas op een vierde plaats, terwijl hij op het platteland als derde belangrijkste werkgever kan worden beschouwd. Het omvangrijke aantal stedelijke handelaars kan als oorzaak worden aangehaald. Net zoals voor het platteland kenmerken de resultaten van De Vlieger zich ook voor de stad door een lager percentage dienstpersoneel, namelijk zo’n 6%. Opnieuw kan een verschil in interpretatie aan de basis liggen.
6% van de stedelijke actieve bevolking mag zich arbeider of dagloner noemen, dit vormt een lager percentage dan op het platteland. De Vlieger beschrijft een aandeel van 7% arbeiders en dagloners, in de door hem opgestelde rangorde komt deze categorie op de vierde plaats, vóór het dienstpersoneel.
Bepaalde arbeidssectoren komen nauwelijks voor in Lokeren, opnieuw kan men verschillen opmerken tussen het stedelijke centrum en de buitenwijken. Het platteland kenmerkt zich door een totale afwezigheid van fabrikanten en vrije beroepen. De meubelsector vertegenwoordigt slechts 0,2% van de actieve plattelandsbevolking, amper 0,3% van de inwoners zijn ambtenaren of bedienden en ook de metaalnijverheid met een aandeel van 0,4% actieven kent een zeer beperkte omvang.
Minst vertegenwoordigd in het stadscentrum is de landbouw, slechts 0,7% van de stedelijke bevolking staat als landbouwer genoteerd. De zogenaamde ‘andere beroepssectoren’, waaronder drukker, lucifermaker en olieslager, nemen slechts 1% van de actieve stedelijke bevolking voor hun rekening.[205] De vrije beroepen, de fabrikanten en de metaalsector zijn ook in de stad slechts in zeer beperkte mate aanwezig, ze stellen elk minder dan 2% van de stedelijke inwoners tewerk.

2.4. Bepaling van het belang van de beroepssectoren in de verschillende Lokerse wijken
2.4.1. Staakte en Puttenen Heirbrug op het platteland [206]
Meer dan de helft van de bevolking in Staakte is werkzaam in de landbouw, meer bepaald 51%. 18% heeft een baan in de textielsector, 71% van de textielarbeiders is tewerkgesteld als spinster, de wevers vertegenwoordigen 23%. In deze landelijke wijk verwerft met andere woorden 90% van de inwoners die werken in de textielsector een inkomen via de typische huisnijverheid. Als derde belangrijke arbeidssector kan men het dienstpersoneel onderscheiden, de meiden en knechten samen met het landbouwpersoneel zijn goed voor 15% van de actieve bevolking in Staakte.
In Puttenen Heirbrug vormt de textielsector de belangrijkste werkgever, 41% van de werkende klasse heeft een baan in deze sector. 37% onder hen zijn spinsters, de wevers hebben een aandeel van 26% en 14% van de textielarbeiders is aan de slag als kantwerkster. Voornamelijk de spinsters en de wevers zijn goed vertegenwoordigd, maar het percentage kantwerksters ligt veel hoger in deze volkswijk dan in Staakte, waar ze nauwelijks voorkomen. Hoewel nog steeds sterk aanwezig, vertoont het percentage spinsters in Puttenen Heirbrug een duidelijk lagere waarde dan in Staakte.
Slechts 12% van de actieve bevolking is werkzaam in de landbouw, wat als een zeer laag percentage voor een landbouwwijk kan worden beschouwd. Dit beperkte aantal zorgt voor een afvlakking van het algemene gemiddelde van de onderzochte plattelandssectie, waardoor, zoals reeds eerder werd aangegeven, de bekomen resultaten een enorme discrepantie vertonen met de cijfers van De Vlieger. Het typische landbouwprofiel dat De Vlieger beschrijft wordt wel bevestigd door de waarden die voor Staakte gelden. In dit gebied vormt de landbouw de meest omvangrijke arbeidssector, gevolgd door de textielnijverheid die onmiddellijk een veel lager percentage actieven tewerkstelt.
De arbeiders en dagloners zijn met zo’n 10% eveneens goed vertegenwoordigd in Puttenen Heirbrug. De dagloners zijn in de meerderheid en hebben een aandeel van 54%, de arbeiders zijn goed voor 46%.
Het opzet van dit onderzoek om ook binnen de landbouwsectie twee totaal verschillende gebieden te onderzoeken om op die manier contrasten te kunnen aantonen, is geslaagd. Ondanks het feit dat Puttenen Heirbrug zich bij de landelijke wijken situeert, vertoont dit gebied een totaal ander profiel dan de typische landbouwwijken.
2.4.2. Het stadscentrum

De gegevens in verband met patent- en grondbelasting en de opsomming van de ondersteunde personen tonen aan dat vooral de inwoners van de Luikstraat en het Knokkestraatje het moeilijk hebben tijdens de jaren 1840. Het feit dat vooral de eerder inferieure beroepscategorieën een grote omvang kennen in deze straten, bevestigt deze these.[207]
De Luikstraat en het Knokkestraatje kenmerken zich door een oververtegenwoordiging van de textielsector. Bijna de helft van de inwoners, meer bepaald 48%, is er gemiddeld werkzaam in deze beroepscategorie.[208] In de Luikstraat is 44% van de actieven tewerkgesteld als textielarbeider, in het Knokkestraatje is dit maar liefst 62%. Het kantwerken, dat vaak als een typisch armenberoep wordt beschouwd, komt in beide straten het meeste voor. 38% van de inwoners van de Luikstraat actief in de textielnijverheid beoefent het speldenwerk, in het Knokkestraatje is dit 31%. 25% van de textielarbeiders uit de Luikstraat zijn wevers, dit beroep heeft in het Knokkestraatje een aandeel van 28%. De spinsters komen reeds minder voor: slechts 10% in de Luikstraat en 13% in het Knokkestraatje. Het hoge percentage kantwerksters verraadt dat een aantal spinsters reeds heeft besloten om zich om te scholen tot kantwerkster.

Gemiddeld voor deze twee straten verdient 14% van de actieve bevolking zijn of haar brood in de kledingsector. Specifiek voor de Luikstraat is dit eveneens 14%, het Knokkestraatje vertoont een iets lagere waarde, namelijk 12%. In de Luikstraat zijn voornamelijk de kleermakers, met 24% van alle kledingarbeiders, goed vertegenwoordigd. Zij worden gevolgd door de schoenmakers die een aandeel van 19% voor hun rekening nemen. Voor het Knokkestraatje kan men geen overwicht van een bepaald beroep aanduiden. Wat echter wel opvalt is dat de inwoners voornamelijk zogenaamde ‘inferieure kledingberoepen’ uitoefenen, zoals blekersknecht, kleermakersgast en wasvrouw.
De arbeiders en dagloners kennen een gemiddelde waarde van 10%. Zij vertonen een hoger percentage in het Knokkestraatje, 11%, dan in de Luikstraat, 9%. Ondanks het feit dat deze wijken als arm kunnen worden gedefinieerd, ligt het aantal arbeiders veel hoger dan het aantal dagloners; respectievelijk 66% ten opzichte van 34%.
De Markt, de Schoolstraat en de Voermanstraat worden als zogenaamde ‘middenklasse – wijken’ beschouwd. Ook in dit gebied vormt de textielnijverheid de belangrijkste arbeidssector, maar er is geen sprake van oververtegenwoordiging: 30% van de actieve inwoners uit de middenklasse - wijken heeft een baan in deze beroepsgroep.[209] In de onmiddellijke omgeving van de Markt verdient 24% van de werkende inwoners een inkomen als textielarbeider, meer dan de helft van hen, met name 56%, is werkzaam als kantwerkster. De wevers kennen een aandeel van 16%, de spinsters vormen met 12% het derde belangrijkste beroep binnen de textielsector.
In de Schoolstraat ligt het aantal textielarbeiders hoger en nemen ze 35% van de actieve bevolking uit de middenklasse - wijken voor hun rekening. Opnieuw zijn de kantwerksters het sterkst vertegenwoordigd, meer bepaald 54% houdt zich bezig met het speldenwerk. Daarna volgen de wevers met 21% en de spinsters met 13%.
Het hoogste aantal personen tewerkgesteld in de textielsector bevindt zich in de Voermanstraat. Maar liefst 45% van de inwoners van deze straat zijn werkzaam in deze sector. De verschillende beroepen binnen deze categorie vertonen niet dezelfde rangorde als voor de andere straten. De kantwerksters, die een aandeel van 55%kennen, vindt men terug op de eerste plaats; in dit gebied stijgt het aantal spinsters, met 20%, echter uit boven het aantal wevers die een percentage van 18% vertonen.
Hoewel het kantwerken traditioneel als een eerder ‘armenberoep’ wordt beschouwd, kent het ook in deze middenklasse – wijken een hoog aantal beoefenaars. De door Jacquemyns beschreven tendens, dat een groot aantal spinsters reeds in 1846 omwille van de zware concurrentie met het mechanische spinnen is overgeschakeld op het kantwerk, komt ook hier duidelijk tot uiting.[210]
Ook voor deze wijken vormt de kledingsector de tweede belangrijkste sector, de kledingnijveraars vertegenwoordigen immers 14% van de actieve bevolking. Het aantal Marktbewoners werkzaam in deze sector sluit perfect aan bij het algemene gemiddelde. De linnenblekers vertegenwoordigen 18%, de kleermakers kennen een percentage van 14% op de Markt. In de Schoolstraat, waar het kledingbedrijf 15% van de actieve bevolking tewerkstelt, zijn de schoenmakers met een aandeel van 24%in de meerderheid. De naaisters volgen met 21%. De Voermanstraat kent 13% kledingnijveraars. In deze straat vormen de kleermakers de grootste groep (32%), terwijl de schoenmakers 16% van de actieven werkzaam in de kledingsector vertegenwoordigen. In deze wijken komen de inferieure kledingberoepen veel minder voor dan in de armere gebieden, een linnenbleker staat immers hoog in aanzien en ook de schoen- en kleermakers worden beschouwd als degelijke ambachtslui.
Twaalf procent van de actieve bevolking uit de middenklasse - wijken heeft een job in de handel. De Markt is, met 13%, het best vertegenwoordigd. De kooplieden nemen het grootste deel voor hun rekening, meer bepaald 35%. Ook de herbergiers zijn met 34% ruimschoots vertegenwoordigd. De handelaars hebben in de Schoolstraat een aandeel van 11% in de actieve bevolking, zij baten bijna allemaal, meer bepaald zo’n 80%, een herberg uit. In de Voermanstraat is het percentage handelaars, met slechts 6%, beperkter. Ook in deze straat heeft één bepaald beroep een duidelijk overwicht, met name de kooplui die 67% van de bevolking werkzaam in de handel vertegenwoordigen. In twee van de drie straten vormen de kooplieden de omvangrijkste groep, ook zij genieten een zekere maatschappelijke status.

De gemiddelden voor de drie welgestelde straten samen wijzen erop dat het dienstpersoneel de belangrijkste arbeidsector vormt in dit gebied, maar liefst 21% van de actieve bevolking is – in het overgrote deel van de gevallen - werkzaam als dienstmeid of – knecht.[211] Dit gegeven kan echter op twee verschillende manieren worden geïnterpreteerd. Enerzijds kan men er vanuit gaan dat een hoog percentage van de actieve bevolking uit de welgestelde wijken werkzaam is in deze eerder inferieure beroepsgroep, dit is echter vrij onwaarschijnlijk. Anderzijds, en dit vormt een meer plausibele verklaring, doet een groot aantal gezinnen in dit gebied een beroep op meiden en knechten. Het percentage dienstpersoneel kan bijgevolg een aanduiding zijn van de welstand van een bepaald gebied, meer bepaald van het aantal gezinnen dat in staat is zich één of meer personeelsleden te permitteren.
Vooral in de Kerkstraat scheert het percentage dienstpersoneel hoge toppen, met name 26%. In de Roomstraat vertegenwoordigt deze beroepsgroep 19% van de totale actieve bevolking. Het aandeel meiden en knechten kent in de Postdreef slechts een aandeel van 10%, vermits er in deze straat maar een beperkt aantal gezinnen voorkomen weegt dit percentage niet zwaar door op het algemene gemiddelde.
Twintig procent van de actieven is tewerkgesteld in de arbeidssector ‘handel’. De Roomstraat kenmerkt zich, met 22%, door het hoogste percentage handelaars. 81% onder hen zijn winkeliers, terwijl de kooplieden maar een aandeel van 16% hebben. De Kerkstraat volgt met 20%. Ook in deze straat zijn de winkeluitbaters in de meerderheid en vertegenwoordigen ze 69% van de actieve bevolking. Eén vierde van de handelaars uit de Kerkstraat is werkzaam als koopman. Het laagste percentage welgestelde actieven tewerkgesteld in de handel bevindt zich in de Postdreef, slechts 15%. Alle handelaars in deze straat baten een herberg uit.
De textiel- en kledingsector vertegenwoordigen beide 12% en komen, in tegenstelling met de andere gebieden, niet respectievelijk op de eerste en de tweede plaats, maar pas op de derde plaats. In de Postdreef heeft toch nog 27% van de bevolking een baan als textielarbeider, binnen deze arbeidssector zijn de spinsters met 45% in de meerderheid. In de Roomstraat (8% textielarbeiders) en de Kerkstraat (11% textielarbeiders) daarentegen vormen de kantwerksters de meest omvangrijke groep. Ze vertegenwoordigen in de Roomstraat maar liefst 71% van de bevolking werkzaam in de textielnijverheid en in de Kerkstraat 42%. De rangorde van de onderscheiden beroepen binnen de textielsector verschilt voor de diverse straten. Het feit dat het percentage kantwerksters ook in dit welgestelde gebied hoog oploopt, is te verklaren door het feit dat het aantal welgestelden in deze wijken een beperkte zeer rijke groep vormt, die zwaar doorweegt op de algemene gemiddelden, terwijl nog een aanzienlijk deel van de inwoners van deze wijken het niet zo breed heeft.
Ook de kledingsector kent het hoogste aantal werknemers in de Postdreef, met name 20%, waarvan de helft tewerkgesteld is als naaister. In de Roomstraat zijn 13% kledingnijveraars aan het werk, de naaisters zijn met 38% ook hier het best vertegenwoordigd. De Kerkstraat vertoont ietwat andere kenmerken, slechts 9% van de actieve bevolking is tewerkgesteld als kledingarbeider en bovendien vormen niet de naaisters, maar de kleermakers de voornaamste groep.
Tussen de bestudeerde gebieden zijn een aantal belangrijke verschillen aan te duiden. De textielsector is in alle wijken goed vertegenwoordigd en is, behalve in de welgestelde straten, de voornaamste werkverschaffer. Op het platteland vormen de spinsters de belangrijkste groep, terwijl in de stad het overgrote deel van de textielarbeiders werkzaam is als kantwerkster. Uiteraard bevinden de meeste landbouwers zich op het platteland, in de stedelijke wijken komen ze weinig voor.
Specifiek voor het stadscentrum verschilt de rangorde van de verscheidene arbeidssectoren per wijk. In de armere straten vindt men eerder ‘inferieure beroepsgroepen’ zoals textiel, kleding en arbeiders en dagloners terug. De textiel- en kledingssector zijn ook in de middenklasse – wijken nog goed vertegenwoordigd, maar het aantal handelaars valt evenmin te onderschatten. De welgestelde wijken vallen op door het hoge percentage dienstpersoneel. De handelaars vormen de tweede belangrijkste beroepsgroep, terwijl de textiel- en kledingsector pas op een derde plaats terug te vinden zijn. Men kan concluderen dat ook de omvang en de status van de arbeidssectoren een duidelijke correlatie vertonen met de welstand van een bepaald gebied.