| Het plurale verzet. De controverse over de feodale productiewijze in Latijns-Amerika. (Matthias Lievens) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
4.De onzin van de economische theorie
Door het belang van de klassenstrijd te beklemtonen, en te benadrukken dat maatschappelijke verhoudingen steeds praktische verhoudingen zijn tussen mensen zelf, willen we in dit hoofdstuk noties als ‘economische rationaliteit’ of ‘bewegingswetten’ deconstrueren. De alomtegenwoordige strijd en het verzet introduceren in de ontwikkeling van productiewijzen immers een fundamentele contingentie, die enkel in empirisch concrete termen gevat kan worden. Daarbij impliceert de deconstructie van de ‘bewegingswetten’ het opgeven van het idee van de homoficiëntie van een productiewijze, namelijk de idee dat haar logica steeds uniform is.
4.1.Castoriadis’ kritiek op de marxistische economische theorie
Cornelis Castoriadis voert een deconstructie door van de marxistische economische theorie, en daarmee in feite van elke economische theorie. Zijn demarche is in deze context bijzonder interessant, omdat ze de weg wijst om ook de klassieke productiewijzebenadering te deconstrueren en binnen te brengen in een meer hedendaagse antropologische problematiek met haar aandacht voor agency, verzet, machtsuitoefening op het microniveau, enzovoort. Ze opent een perspectief waarin het mogelijk wordt de onbepaaldheid en creativiteit van de geschiedenis te denken, dat oog heeft voor het door en door politiek karakter van de sociale verhoudingen en daarbij de aandacht richt op het microniveau. De kritiek die Castoriadis doorvoert is des te interessanter omdat het om een inmanente kritiek gaat. Het gaat om een radicaal doordenken van het marxisme dat hem ertoe brengt te focussen op het politieke in de theorie, en zo radicaal breekt met elk economisch of ander determinisme en zelfs met de mogelijkheid van een economische theorie.
Castoriadis stelt dat de theorie die Marx uiteenzet in Het Kapitaal enkel mogelijk is op basis van de uitsluiting van twee elementen, namelijk van de evolutie van de techniek, en van de klassenstrijd[141]. En dat is cruciaal, want die twee elementen zijn immers de basis van de creativiteit in de geschiedenis, die maakt dat het onmogelijk is strikte ‘wetten’ te formuleren, iets waar de vaak al te positivistische tekst van Het Kapitaal wel op gericht is.
Als de arbeidskracht een waar is, heeft ze een bepaalde ruilwaarde en een bepaalde gebruikswaarde. Punt is echter dat in tegenstelling tot andere waren die de kapitalist koopt, zoals bijvoorbeeld kolen, hij niet weet hoeveel output hij er zal kunnen uit halen. Om economische wetten te formuleren, is het noodzakelijk om, zoals Marx lijkt te doen, te veronderstellen dat de kapitalist de maximale output zal kunnen uitpersen uit de arbeidskracht gegeven een bepaalde stand van de techniek. Dit impliceert dat de arbeider volledig passief is en zich laat uitbuiten. Er is dus geen echte strijd, de arbeider is gedoemd te verliezen. Deze visie ziet de strijd en het ganse verzet op microschaal op de werkvloer over het hoofd. Onafhankelijk van die strijd is het in feite onmogelijk de gebruikswaarde van de arbeidskracht te bepalen. De strijd codetermineert eigenlijk de ruilwaarde van de arbeidskracht, aangezien ze het loonniveau bepaalt. Het loon is te beschouwen als een soort ruilterm, een bepaalde hoeveelheid geld die staat tegenover een bepaalde output, die onbepaald is, want het gevolg van een strijd die op vele terreinen, tot op het microniveau toe, wordt gevoerd.
Op die manier voert Castoriadis een weerlegging door van de theses over de stijgende organische samenstelling van het kapitaal en van de tendentiële daling van de winstvoet. Dit komt neer op een immanente kritiek van Marx’ theorie. Marx suggereerde zelf al dat het loon deels bepaald wordt door morele en traditionele overwegingen, en door de klassenstrijd[142]. Maar consequent doorgedacht leidt dit tot de fundamentele onvoorspelbaarheid van elke economische dynamiek.
Het benadrukken van het politieke karakter van microverhoudingen waarbinnen de concrete productie gebeurt, en van het onbepaalde karakter van de uitkomst van de strijd die binnen die verhoudingen plaatsvindt, maakt dat op een a priori theoretische wijze geen uitspraak kan worden gedaan over de maatschappelijke economische ontwikkeling. Of bijvoorbeeld in de slaveneconomie een ‘second servitude’ plaatsvindt, hangt op een bepalende manier af van de concrete strijd die zich afspeelt op de ‘werkvloer’. Wanneer het verzet hevig is, zal bij de controle van de arbeid moeten worden gezocht naar andere overheersingsmechanismen, waarbij bijvoorbeeld meer loonarbeid wordt ingezet (ut infra). Er is geen enkele aanwijzing in de productieverhoudingen zelf waaruit kan worden geconcludeerd, zoals bijvoorbeeld Brenner doet, dat een verhoging van de druk uit de wereldmarkt automatisch zal resulteren in een poging van de heersende klasse tot verhoging van de absolute meerwaarde, en niet van de relatieve. Dit hangt precies af van het krachtenveld op het microniveau dat bepalend is voor de vraag of de meester de arbeidsdag onbeperkt kan verlengen of intensiveren.
Dit versterkt de eis van een empirische benadering, aangezien geen enkel a priori theoretisch schema kan bepalen hoe de micro-politieke strijd zal uitmonden in een bepaalde vorm van controle van de arbeid. Deze intuïtie van Castoriadis sluit ook aan bij het zogeheten autonoom marxisme, dat een cruciale rol weggelegd ziet voor de concrete strijd op het microniveau voor de ontwikkeling van de arbeidscontrole, de productiekrachten, enzovoort. Het is vanuit die benadering dat we de maatschappelijke verhoudingen in Bahia zullen proberen te denken.
4.2.Productieverhoudingen als strijdverhoudingen
In vele antropologische analyses van structuralistische snit (ook die geïnspireerd op Althusser) wordt Marx’ stelling over het hoofd gezien dat “de mensen hun eigen geschiedenis maken, maar ze maken die niet uit vrije wil, niet onder zelfgekozen, maar onder rechtstreeks aangetroffen, gegeven en overgeleverde omstandigheden”[143]. Door de nadruk op die ‘agency’ tegenover de structuur gaan hedendaagse antropologen meer oog hebben voor vormen van verzet, strijd, enzovoort. Op die manier wordt ook de creativiteit van de geschiedenis zichtbaar, de onbepaaldheid en multipliciteit ervan.
De onvoorspelbaarheid van die vormen van verzet en ‘agency’ kan niet worden gedacht binnen de althusseriaanse träger-theorie[144]. Op die manier blijven voor Althusser vormen van verzet op microniveau buiten zijn ‘theoretische problematiek’. Hij kan met zijn beschouwing van de individuen als ‘dragers’ van de maatschappelijke verhouding moeilijk oog hebben voor het exces dat mensen ertoe drijft in verzet te gaan, op vanuit de pure structuur van de maatschappelijke verhoudingen onvoorspelbare wijzen, en hoe op die manier de concrete productiewijze vorm krijgt vanuit die praktische dynamiek.
Marx’ humanisme doortrekken gaat echter verder dan het erkennen van de dialectiek tussen structuur en actie. In feite is die tegenstelling structuur/actie een valse oppositie. De fundamentele demarche van Marx bestaat erin doorheen een kritiek van de fenomenale verschijningsvormen en de categorieën die daarmee samenhangen de reïficatie te overstijgen en aan te tonen hoe praktische sociale verhoudingen eraan ten grondslag liggen. Want “wat is de maatschappij, hoe ook haar vorm moge zijn? Het product van het wederzijdse handelen van de mensen”[145]. Die ontmaskering van de menselijke activiteit en relaties als fundament van het sociale heeft ook als doel “deze versteende verhoudingen tot dansen (te) dwingen door ze hun eigen melodie voor te zingen”[146]. Dit is de kern van Marx’ humanisme, waarbij er geen tegenspraak is tussen een politiek en een theoretisch humanisme, zoals bij Althusser het geval is.
Er is dus niet enerzijds een ‘structuur’ waartegenover handelende mensen staan. De productiekrachten en –verhoudingen zijn geen items die meer basaal zouden zijn dan de menselijk-maatschappelijke handelingen, waarvoor ze de context of structuur zouden vormen. Die ‘items’, de maatschappelijke verhoudingen, zijn acties. Het is precies het doel van Marx die verhoudingen van hun versteendheid te ontdoen door aan te tonen dat het om menselijke acties gaat. Het is de collectieve menselijke praxis die bepaalde maatschappelijke verhoudingen (re)produceert. Uiteraard geldt dit enkel wanneer dit wordt gedacht op het niveau van totaliteiten zoals klassen[147]. Voor individuen geldt wel de problematiek van structure/agency. Zij worden wel geconfronteerd met “bepaalde materiële en van hun vrije wil onafhankelijke grenzen, vooronderstellingen en condities (waarbinnen ze) werkzaam zijn”[148].
Deze conceptie heeft als gevolg dat de productieverhoudingen niet op een a priori wijze gedacht kunnen worden los van de collectieve en individuele acties en het verzet die deze verhoudingen constitueren. Punt is dat wanneer die productieverhoudingen gedacht moeten worden als strijdverhoudingen, het onmogelijk wordt ze te theoretiseren in abstracto. Dan moet het denken van die verhoudingen gebeuren doorheen een concrete empirische analyse ervan, waarin rekenschap wordt gegeven van het creatief vermogen van de klassenstrijd die vele vormen aanneemt en zich op allerlei niveaus en sferen afspeelt.
Conclusie
Op die manier wordt komaf gemaakt met noties zoals ‘bewegingswetten’ en de vermeende homoficiëntie van een productiewijze. Die homoficiëntie houdt volgens Foster-carter letterlijk in: ‘having the same effect’[149]. Het is vooral Rey die volhoudt dat het kapitalisme overal dezelfde bewegingswetten heeft.
Op basis van het voorgaande moeten we stellen dat we niet enkel kunnen spreken van multipele culturele ‘herinventies’ van kapitalisme, maar ook van ‘vele kapitalismen’[150] (hetzelfde geldt voor andere productiewijzen) als gevolg van differentiële contingente strijdvormen.
Op die manier wordt ook elk evolutionisme vermeden. Bijvoorbeeld de idee dat de koloniale productiewijze louter transitioneel is, zoals Rey doet, veronderstelt dat die productiewijze noodzakelijk wordt omgevormd tot de kapitalistische, dat ze de zaden in zich bevat van het kapitalisme. Die dynamiek is nochtans fundamenteel contingent, afhankelijk van klassenstrijd, en op nauwelijks afleidbaar uit de verhoudingen van de koloniale productiewijze zelf.
5.De koloniale slavenproductiewijze
5.1.Persoonlijke afhankelijkheid en geweld
Marx werkte geen samenhangende theorie uit van de niet-kapitalistische productiewijzen[151]. Slechts verspreid over zijn ganse oeuvre vinden we opmerkingen over de feodale of koloniale productiewijzen, die ons hier interesseren. De feodale en andere productiewijzen bestaan volgens hem[152], maar hij werkt de zaak niet uit.
In de Duitse Ideologie bespreekt hij onder de noemer feodalisme vooral de Europese middeleeuwse productiewijze, met de klemtoon op de verhouding tussen stad en platteland, die tegelijk een oppositionele en correspondentieverhouding is, en waarbij de ontwikkeling in de richting van het stedelijk kapitaal gaat. In de Grundrisse onderscheidt hij drie verschillende perspectieven: de Duitse gemeenschap, de corporatieve verhoudingen berustend op de eigendom van de arbeidsinstrumenten, en de persoonlijke dominantieverhoudingen[153]. In Het Kapitaal tenslotte geeft hij een verbrokkelde analyse van de feodale productiewijze bedoeld om het contrast met de kapitalistische te duiden, en van die laatste haar genese en historiciteit duidelijk te maken. Van belang is dat hij hier de notie ‘extra-economische’ dwang lanceert. Die notie is gebruikt door onder andere Laclau en andere auteurs die schreven over de koloniale maatschappijformaties.
De centrale tegenstelling die Marx markeert is die tussen sociale ordes gebaseerd op verhoudingen van persoonlijke afhankelijkheid, en de onpersoonlijke, ‘objectief afhankelijke verhoudingen’ van het kapitalisme. Hij maakt dit onderscheid om de specificiteit van het kapitalisme te duiden, waar de heerschappij over mensen plaatsvindt doorheen de heerschappij over de dingen.
Wat overblijft van Marx’ analyse is het belang van die persoonlijke afhankelijkheidsverhoudingen[154] en van de niet-economische dwang. Het is in die termen dat Laclau de ‘feodale’ productiewijze in Latijns-amerika typeert, wat onmiddellijk aanleiding geeft tot een inflatie van het begrip ‘feodaal’, met haar evolutionistische connotaties.
Daarbij komt een extra probleem voor de slavenproductiewijze zoals we die in Bahia observeren. De definitie die Laclau geeft, veronderstelt de klassieke marxistische visie dat de onmiddellijke producenten de productiemiddelen zelf bezitten, en dat daarom buiteneconomische dwang moet worden gebruikt om de meerarbeid te kunnen toe-eigenen. Dit geldt echter niet op de plantage, waar de planter de meeste productiemiddelen bezit. Het feit dat een aantal slaven over wat eigen materiaal beschikken, heeft enkel te maken met de strijd tussen planters en slaven en met de daaruit resulterende mechanismen van klassenoverheersing, waarbij de eersten door de slaven wat instrumenten te gunnen hen beter kunnen controleren en aan zich binden. Het onderscheid tussen een slaaf en een lijfeigene bestaat erin dat de laatste een onafhankelijk producent is in economische termen, terwijl de eerste werkt onder arbeidsvoorwaarden die een ander toebehoren[155]. Deze scheiding van de arbeider van zijn arbeidsvoorwaarden betekent zowel dat de onmiddellijke producent is gescheiden van zijn productiemiddelen, als dat hij niet in de mogelijkheid is de maatschappelijke arbeidsinstrumenten zelf in te zetten[156]. Die situatie geldt dus niet enkel vervuld voor de oppositie tussen de ‘vrije’ loonarbeider en de productiemiddelen (als kapitaal), maar ook tussen de meester en de geïmporteerde slaaf in Bahia. De slaaf is echter slechts vrij in één betekenis, namelijk vrij van de controle over de productievoorwaarden. Hij is niet vrij in de zin dat hij vrij zijn arbeidskracht kan verkopen. De vorm van coöperatie in de slavenkolonie berust dus in tegenstelling tot de coöperatie bij de ‘jagersvolken’ of landbouwgemeenschappen op het ontbreken van de controle van de productievoorwaarden en op het losmaken van de “navelstreng van de stam of gemeenschap”[157].
Dat geweld noodzakelijk is om de slavenproductiewijze in stand te houden, hangt samen met het verzet van de slaven dat endemisch is aan de plantage-economie. Dat heeft niet enkel te maken met de platte en zichtbare uitbuiting van de slaven, maar ook met het cruciale probleem van de culturele articulatie. De dwang op de plantage te werken, de mogelijkheid mensen te commodificeren veronderstelt een specifieke culturele code (b.v. een bepaald beeld van de mens, die als zodanig verkoopbaar is, los hangt van zijn sociale, culturele en ecologische context). Het is opvallend hoe, zoals we verder zullen zien, de vorm die het slavenverzet aanneemt, precies sterk die culturele dimensie in zich draagt.
In die zin beantwoordt het ‘feodale’ karakter (in Laclaus betekenis) van de koloniale productiewijze in Bahia niet aan een of andere economische rationaliteit, noch is het één van de mogelijke manieren van arbeidscontrole die werd ‘gekozen’ door de heersende klasse, maar is het de uitdrukking en het resultaat van de historische ontwikkeling van de klassenverhoudingen in de periferie, waarop Brenner terecht de nadruk lgde. Een bepaalde arbeidsorganisatie is niet het product van een soort universele “rationaliteit van winstmaximalisatie”, noch van de “wil” van een klasse, maar de uitkomst van een strijd met verschillende belangen en machten, op verschillenden niveaus (ook het microniveau), en in verschillende dimensies (b.v. ook het culturele verzet), en is dus fundamenteel afhankelijk van de concrete historische condities[158]. De uitkomst van die strijd is dan ook niet uniform, maar resulteert in verschillende methodes van arbeidscontrole, die gaat van dwang, slavernij, vormen van loonarbeid, etcetera. Het voordeel dat bepaalde economische vormen hebben voor het kapitaal in het centrum geldt dus geenszins als verklaring ervoor[159]. Het functionalisme moet worden verworpen.
Ook hier is een cruciaal kenmerk dat Marx in de feodale productiewijze onderscheidde manifest, namelijk de concrete zichtbaarheid van de meerarbeid. Niet-kapitalistische productiewijzen zijn transparanter in vergelijking met de kapitalistische. De feodale lijfeigene weet bijvoorbeeld wanneer hij voor zichzelf werkt en wanneer voor de heer[160]. Dit komt omdat de productie er één is van gebruikswaarden. “Here, the domination of the producers by the conditions of production is concealed by the relations of dominion and servitude, which appear and are evident as the direct motive power of the process of production.”[161]. “Bij de slavenarbeid schijnt zelfs het deel van de arbeidsdag, waarin de slaaf alleen de waarde van zijn eigen bestaansmiddelen vervangt, waarin hij in feite dus voor zichzelf werkt, arbeid voor zijn meester te zijn. Alle arbeid van de slaaf schijnt onbetaalde arbeid te zijn.”[162]
André Gunder Frank heeft gelijk als hij stelt dat de productiewijzen in de Latijns-amerikaanse koloniën niet op te vatten zijn als gesloten systemen. Hij definieerde het feodalisme precies op die manier. Die benadering liet hem toe te beweren dat de Latijns-Amerikaanse koloniale economieën onmogelijk feodaal konden zijn, gezien hun fundamentele oriëntatie naar de metropolen. Maar verder kon hij zeer weinig zeggen over de concrete verhoudingen binnen de productiesfeer. De beklemtoning van de productiewijze geeft ons die mogelijkheid wel.
5.2.Bahia
5.2.1.Inleiding
De Braziliaanse koloniale economie was fundamenteel gekenmerkt door vormen van gedwongen arbeid, handelskapitalisme en geïmporteerde Iberische heerlijke tradities en attitudes[163]. Het ging om een multiraciale en sterk gestratificeerde samenleving, waarbij de statushiërarchie niet enkel bepaald werd door de arbeidsverhoudingen, maar ook op beslissende wijze door juridische, culturele en religieuze codes.
De centrale economische entiteit in Bahia was de ‘engenho’ of suikerplantage, een groot tropisch of semitropisch landgoed dat hoofdzakelijk gecultiveerd werd door gedwongen of slavenarbeid, en waarbij werd geproduceerd voor de wereldmarkt. In de engere betekenis van het woord betekent ‘engenho’ suikermolen. De eigenaars ervan, de planters, werden ‘senhores de engenho’ genoemd en stonden tegenover de ‘lavradores de cana’, diegene die de productie van het suikerriet zelf domineerden, de natuurlijke risico’s droegen, en in een afhankelijkheidsverhouding stonden ten opzichte van de senhores de engenho.
Hoewel door bepaalde lokale planters gepoogd werd ook inkomsten te halen uit rijst, tabak of cacao, bleef suiker het belangrijkste (export)gewas in Bahia, dat in de 18de eeuw de belangrijkste suikerstreek was in Brazilië.
Reeds in de middeleeuwen kende het Iberisch schiereiland vormen van slavernij van cultureel of etnisch onderscheiden groepen, die gevangen genomen werden in de context van de oorlog tussen christenen en moslims[164]. Toen na de reconquista dit aanbod van slaven opdroogde, werd de Portugese handel met West-Afrika in goud en kruiden aangevuld met de import van Afrikaanse slaven naar Portugal.
Op basis van die ervaring werden allerlei experimenten uitgevoerd, onder andere de slavenregimes op de suikerplantages op de Antillen en langs de Braziliaanse kust[165]. Voor een stuk vloeide ook het specifieke karakter van de Latijns-amerikaanse plantages voort uit het feit dat ze van bovenaf zijn opgelegd of van buiten uit zijn geïmporteerd. Volgens Braudel bijvoorbeeld waren plantages in veel sterkere mate dan de domeinen uit de tweede golf van horigheid kapitalistische creaties[166]. Ze werden van op afstand geregeld in de koloniale metropolen. Alle noodzakelijke ingrediënten voor het opzetten van de plantages moesten uit de oude wereld komen: de meesters (de blanke kolonisten), de arbeidskracht (Afrikaanse slaven), zelfs de planten moesten werden geïmporteerd. Toch zullen we laten zien hoe de concrete structuur van de slavenproductiewijze niet los kan gezien worden van allerlei strijdverhoudingen met de inheemse bevolking en de geïmporteerde slaven.
5.2.2.Een rechtsvoll definitie van eigendom
In het vierde hoofdstuk argumenteerden we dat bezitsverhoudingen niet los gedacht kunnen worden van de juridische verhoudingen. In de koloniale situatie in Bahia was dat zeker het geval. In 1533 organiseerde koning Don João III het captaincy systeem, waarbij het kustgebied van Bahia in 15 percelen werd ingedeeld en aan een twaalftal Portugese edelen werd geschonken, die rechten en privileges kregen over hun dominion in ruil voor de plicht tot het koloniseren van hun gebied en de ontwikkeling van de economie[167]. Elke donatorio verdeelde zijn land verder onder kolonisten, waarbij de engenhos het belangrijkste deel uitmaakten. Het eigenaarschap was gebaseerd op een middeleeuwse Portugese grondtitel, de ‘carta de sesmaria’.
De engenhos werden gekenmerkt door drie types van eigenaarschap, namelijk eigendom in handen van de staat, van (religieuze) corporaties, en tenslotte vooral van private eigenaars. De molens kregen een legale bescherming als ondeelbare eigendom, zodat ze in de erfenis als een eenheid werden doorgegeven. Enkele planter lineages slaagden er op die manier in controle te verwerven over een groot aantal molens, en domineerden ook het lokale politieke en maatschappelijke leven. De manier waarop de private eigendom van de productiemiddelen werd geïnstitueerd, kan met andere woorden niet los gezien worden van de juridische orde.
Op een vergelijkbare manier was de hacienda of grote veeteelt- en landbouwuitbating in Mexico ontstaan uit de mercedes of schenkingen in grond waarmee de vice-koning of de autencia conquistadores, pobladores of stichters van steden, militairen, de weduwen en wezen ervan begiftigden[168]. Deze giften bestonden uit een of meerdere caballerías van elk 43 hectare grond, en ook estancias, hetzij weide-, water- of salitrerechten, naast mijnrechten.
Opnieuw is het verwerven van eigendom niet op een rechtsvrije manier te begrijpen, d.w.z. op een manier die abstractie maakt van het juridische en dit louter ziet als uitdrukking of symptoom van iets anders. De specificiteit van de bezitsvorm in kwestie is van belang voor de eigendom, en is geconstitueerd doorheen een juridische verhouding.
Op dezelfde manier kan geen abstractie worden gemaakt van het oligarchisch streven dat in de Spaansamerikaanse maatschappij aanwezig was. De toepassing van het mayorazgo, waarbij het grondbezit overging in handen van één enkel bevoorrecht erfgenaam, en de welbewuste planning en juridische regulering van huwelijken instaureren een specifieke eigendomsverhouding, waarvan de verklaring niet kan los van de juridische, culturele en politieke dimensies ervan. Meer zelfs, de verhouding tussen bezitsrelaties enerzijds en juridische en culturele relaties zien als een externe verhouding tussen ‘instanties’, gaat voorbij aan de specificiteit van de productieverhoudingen in kwestie, en is een poging om het voor het westen (slechts) op het eerste zicht toepasselijke onderscheid tussen basis en de verschillende niveaus van de bovenbouw, toe te passen.
Ook de encomienda kan niet begrepen worden zonder de juridische institutie ervan in rekening te brengen. Deze had niet te maken met grondbezit, maar met rechten op arbeid[169]. Na de Spaanse verovering werden grond en Indianen onder de Spanjaarden verdeeld. Het verwerven van die Indianen was cruciaal om b.v. de mijnondernemingen van voldoende werkkrachten te voorzien[170]. Zwarte slaven waren relatief duur en niet geschikt voor alle taken. Zij konden niet gemakkelijk hard werk leveren op grote hoogtes, waar de meeste mijnen lagen.
Sedert 1549 mocht de encomienda in zijn oorspronkelijke vorm in Mexico geen Indiaanse werkkrachten meer opleveren, waardoor dit systeem vervangen werd door het zogeheten repartimiento-systeem. Dit houdt een gedwongen tewerkstelling in volgens beurtrol waarbij groepen Indianen werk moesten leveren op de mijnen, naar het model van de precolomiaanse coatequitl bij de Azteken of de mita bij de Incas[171].
De constitutie van de productieverhoudingen kunnen met andere woorden niet los gezien worden van de politiek-juridische verhoudingen. Een Althusseriaan zou hier theoretische kopstanden moeten uithalen om aan te tonen dat de economische ‘instantie’ determineert dat het politiek-juridische niveau ‘domineert’, omdat hij per se het onderscheid tussen basis en bovenbouw en tussen de verschillende ‘instanties’ wil volhouden.
Dit wordt nog meer theoretisch gespook als men vaststelt, dat eens de eigendom geïnstitueerd, in althusseriaanse termen de dominantie- en determinatieverhoudingen samen lijken te vallen in de slavenproductiewijze. Het staatsapparaat komt inderdaad tussenbeide, maar net als in kapitalisme om b.v. opstanden neer te slaan. De ‘extra-economische’ dwang komt niet van de staat, maar van het economische ‘niveau’ (de planter en zijn trawanten). Het gaat om dwang die uitgevoerd wordt door de planters, maar niet economisch is in de zin dat het geen systemisch economische dwang is zoals het geval is wanneer de arbeidskracht gecommodificeerd is en er een echte arbeidsmarkt bestaat. Het donatorio-systeem dat vanaf 1530 werd ingevoerd in de Portugese kolonies, bestond er bijvoorbeeld in dat de concessionarissen het recht van taxatie, politie en zelfs rechterlijke macht bezaten[172]. Daarmee kwam hen een belangrijk deel van de staatsmacht toe[173]. Dit schijnbaar samenvallen van de dominantie- en determinatieverhoudingen zou ook Althusserianen ertoe moeten doen besluiten dat het hier om een kapitalistische productiewijze gaat, wat de op Althusser geïnspireerde articulatietheoretici echter bij uitstek niet zullen doen.
5.2.3.Organisatiecategorieën van samenleving
Slaaf versus vrije
De rol van de koloniale slavenproductiewijze had ook een belangrijke invloed op de vorming van de Braziliaanse samenleving in haar geheel. De principes van de suikersamenleving werden breed gedeeld, werden creatief aangepast aan nieuwe situaties en werden gesanctioneerd door de kerk en de staat. De belangrijkste conflicten die werden uitgevochten binnen het staatsapparaat wortelden in fundamentele belangentegenstellingen uit de suikerproductie.
Het slavenkarakter van de Braziliaanse maatschappij had niet louter te maken met het feit dat de voornaamste arbeidskracht bestond uit slaven, maar was ook bepaald door het feit dat de juridische distinctie tussen slaaf en vrije er een centrale rol speelde, en zodoende het belangrijkste hiërarchiserende principe gebaseerd was op slavernij en ras. Er was een sterke tendens tot reductie van de complexe sociale werkelijkheid tot het dualisme meester/slaaf, of noble/commoner[174], dat zelfs voorbijging aan de complexiteit van het geïmporteerde katholieke thomistische wereldbeeld met de drie standen van koning en adel, clerus en gewone burgers.
Zonder het fundamentele juridische onderscheid tussen slaaf en vrije, kan de concrete vorm die de productieverhoudingen en de daarmee gepaard gaande overheersingsmechanismen aannamen, niet begrepen worden. Zo hadden slaven niet het recht om contracten aan te gaan, over hun leven of eigendom te beschikken, zich te verdedigen tegen misbruik of te getuigen tegen vrijen,…[175] Anderzijds is het juridische onderscheid als zodanig geen voldoende heuristiek om koloniaal Brazilië te begrijpen, maar moet het worden beschouwd als intern gerelateerd aan de andere dan de juridische verhoudingen die de productieverhoudingen definiëren. Zo waren er net zo goed slaven die eigen voedsel kweekten, het surplus konden vermarkten en geld accumuleren, als er juridisch vrijen waren die slachtoffer waren van discriminatie, dwangarbeid, lage verloning,…[176] En dit afhankelijk van de concrete klassenstrijd, waarin het juridische één dimensie was. Op die manier vormden slaven en vrije arbeiders twee punten op een continuüm van mensen die gescheiden bleven van de productiemiddelen.
Het Portugese geïdealiseerde concept van de sociale hiërarchie, dat werd bekrachtigd door de theologie, had een sterke invloed op de vorm van de Braziliaanse samenleving en vooral op de definitie van de terminologie van de sociale organisatie. De suikerplanters aspireerden bijvoorbeeld de titels en privileges van de traditionele adel, die in het imaginaire een dominante positie bekleedde en niet werkte maar leefde op aristocratische wijze van de rente. Door zich te onthouden van die manuele arbeid, maar ook door (meestal tevergeefs) naar addelijke titels te streven, militaire ordes te verwerven, of hun religieuze of raciale zuiverheid te beklemtonen[177], konden de planters ‘distinctieprofijt’ (Bourdieu) halen. Desalniettemin bleven de in de periferie geboren blanken in de ogen van de metropool altijd verdacht en onzuiver[178].
Economische rationaliteit
De stelling van Kahn over de hegemonie van de mercantiele klasse (ut supra) die leidde naar een doorgedreven kapitalistische economische rationaliteit bij de planters, werd zeer sterk doorkruist door andere klassen- en statuslogica’s. Onafgezien van het feit dat suiker harde business was, in functie van de hoogste winst, speelden ook een aantal andere preoccupaties die te maken hadden met sociale en politieke privileges of de status die samenhing met het planterschap en het eigendom van slaven[179].
Bijvoorbeeld leidde het stijgend aantal engenhos in de jaren 1660 tot schaarste aan riet en brandstoffen in de molens, wat de prijzen ervan opdreef en een crisis veroorzaakte onder de engenhos[180]. Dit leidde tot een veranderende krachtsverhouding tussen de lavradores en de senhores de engenho. In plaats van hiervan te profiteren in functie van maximale winst, bestond de eerste preoccupatie van de lavradores erin van de zwakte van de senhores de engenho gebruik te maken om zelf de titel van senhor de engenho te verwerven. Ze staken zich in zware schulden om zelf eigenaar te worden van een molen en zo van een mogelijkheid van sociale mobiliteit te profiteren. Op die manier stond de sociale statuslogica haaks op de economische kapitalistische rationaliteit, zoals o.a. Frank die als omnipresent beschouwt in de plantage-economieën.
De hang naar adellijke titels was opmerkelijk onder de planterklasse. Aangezien ze bijzonder moeilijk erfelijke adelstand konden verwerven, werden op artificiële manier vormen van adellijkheid geproduceerd door genealogische geschiedenissen te schrijven waarin de voorvader als vroege kolonist als nobel figuur verscheen[181].
Ook de haciendas waren gekenmerkt door andere logica’s dan de pure kapitalistische winstlogica. Ze waren vaak weinig winstgevend. Een gezegde gold dat ‘hacienda no es negocio’[182]. Ze dienden dan ook vooral het sociaal prestige van de eigenaar. De kapitalistische mentaliteit die Frank meent te onderscheiden in de Latijnsamerikaanse satelliet moet dus bijzonder genuanceerd worden. De haciendas brachten veeleer een mensentype voort, el hombre a caballo, die paradeerde als charro, maar een echte ondernemersgeest ontbeerde. Het kapitalisme verschijnt op die manier niet enkel als een economisch systeem, maar zoals Marshall Sahlins betoogde[183], tegelijk altijd ook als een culturele keuze.
Racisme als productieverhouding
De standenstructuur in Bahia was een juridisch construct[184], dat een sterke invloed had op de wensen en aspiraties van de verschillende klassen in de maatschappij. De koloniale realiteit modificeerde echter de Portugese organisatieprincipes onder invloed van de lokale verhoudingen en strijd. Bijvoorbeeld verwaterde het onderscheid tussen adel en gewone burgers, omdat tegenover de indigene bevolking elke Portugees werd beschouwd als potentieel adellijk en bevrijd van handenarbeid. Op die manier ontstonden nieuwe indelingen die zich inpassen in de verhoudingen op de plantage en samenvallen met opdelingen op basis van huidskleur en cultuur. Doorheen het cultuurcontact ontstond zo een alternatief standensysteem uit een hybridisering van het Europese systeem en de lokale koloniale realiteit. Verschillende onderscheiden van stand, functie, corporatie, religie, cultuur en huidskleur tendeerden zo in het koloniale imaginaire naar een congruentie in één tweedeling: de Afrikaanse slaven, die heidens, zwart en niet geaccultureerd waren versus de vrije blanken, geaccultureerd en gedefinieerd in termen van functie of stand[185]. Het plantageregime creëerde die rang niet ex nihilo, maar uit de interferentie van gehybridiseerde culturele en sociale concepties in de strijdverhoudingen op het niveau van de productie.
De Europeanen tendeerden er op die manier toe alle Indiaanse en Afrikaanse groepen reductief te definiëren in termen van één gemeenschappelijke terminologie, en de interne culturele verschillen tussen pakweg een índio, een gentio de terra en een negro de Guiné, te verwaarlozen[186]. De categorieën in termen waarvan het sociale werd gedefinieerd, waren sterk bepaald door de aard van de landbouwonderneming. Zowel voor Indianen (‘negros da terra’) als Afrikanen (‘negros de Guiné’) werd de notie ‘negro’ gehanteerd, dat werd gedacht als synoniem voor ‘slaaf’ en slaafsheid impliceert. Dat woordgebruik zegt iets over de koloniale perceptie van Indianen en Afrikanen, die niet louter op hun huidskleur werden vastgepind, maar ook werden gecategoriseerd volgens hun sociale en culturele positie ten opzichte van de Portugese kolonisatoren. Bijvoorbeeld werden Indianen die niet als slaven werkten, maar wel onder Portugese controle stonden, ‘índios aldeados’, ‘forros’ of ‘índios sob a administração’ genoemd[187].
In die zin was het racisme een constitutief element in de productieverhoudingen. In de constitutie van de productieve verhouding tussen enerzijds de plantage- en haciendahouders, blanken, en anderzijds hun werkkrachten is de culturele dimensie niet weg te denken. Het zou van een bijzonder reductionisme getuigen het racisme als ‘bovenbouwfenomeen’ weg te verklaren in termen van prejuridische eigendomsverhoudingen. We hebben productieverhoudingen open opgevat als alle verhoudingen waaronder wordt geproduceerd, en die in de analyse betrokken moeten worden om de specifieke vorm waaronder wordt geproduceerd, de productiewijze, te begrijpen. Deze productieverhoudingen zijn niet gefundeerd op de bezitsverhoudingen, want bezit is precies al een (productie-)verhouding die een gans machtsstelsel veronderstelt op het niveau van het juridische, de ideologie, het staatsapparaat, maar ook op het microdomein zelf, waar de ontmoeting en hybridisering tussen de (blanke) planter en de slaaf plaatsvindt.
Eind 16de eeuw was de arbeidskracht in Bahia raciaal gemengd. Tegen begin 17de eeuw werd de transitie naar Afrikaanse slaven gemaakt. Die overgang heeft vooral te maken met de Portugese percepties van de capaciteiten van Indianen en Afrikanen, en niet met het feit dat Afrikanen meer ‘voorbestemd’ of geschikt zouden zijn voor slavernij[188]. De structurering van de arbeidskracht in de plantagesamenleving volgens kleur of herkomst, ondanks het feit dat ze in de samenleving als geheel tot één groep (de negros) werden gehomogeniseerd, is opvallend[189]. De verloning bijvoorbeeld verschilt systematisch tussen zwarten en Indianen. De Portugezen lieten in elk geval de ‘markt’ niet vrij spelen. Opvallend is dat dit fenomeen ook algemener geldt: in Mexico in de 16de eeuw, Brazilië 17de eeuw of Carolina 18de eeuw gelden overal gelijklopende opinies over Indianen en Afrikanen[190]. Dit uit zich ook in de prijzen van de slaven.
Dit verklaren in termen van productiviteitsverschillen reduceert de bijzondere dynamiek van vormen van racisme die constitutief waren voor de structurering van de productieverhoudingen in Bahia. In de Europese perceptie werd immers een onderscheid gemaakt tussen blanken, die managementtaken konden opnemen, zwarten, die als slaven op het veld werkten, en Indianen die allerlei neventaken mochten doen, wat samenhing met allerlei vooroordelen en stereotypen. Ondanks hun manifeste vaardigheden werden Indianen als inferieur beschouwd. Dat dit deels met het heviger verzet van de Indianen te maken heeft, is duidelijk, maar anderzijds is het opvallend hoe de toenemende bloedvermenging dat onderscheid tussen zwarten en Indianen grotendeels wegnam, wat wijst op de sterk ideologische bepaaldheid van die verloningsverschillen. Omwille van hun gevoeligheid voor Europese ziektes, historische gebeurtenissen en de culturele percepties van Europeanen en Indianen, werden zij later vervangen door geïmporteerde Afrikanen. De ‘verkwisting’ door Indianen, hun ‘luiheid’ en gebrek aan interesse in winst en surplus scheen de Europeanen irrationeel, een teken van gebrek aan humaniteit, die de kolonisten zouden importeren[191]. Dat idee, dat geworteld is in de mislukking van de combinatie met de indigene productiewijze, bleef na het installeren van het plantage-systeem meespelen in de perceptie van de Indiaanse bevolking door de planters.
5.2.4.De mislukte combinatie met de lokale productiewijze
Volgens Rey poogt het kapitaal de wereld te transformeren naar haar eigen beeld, maar botst het daarbij op de niet-kapitalistische productiewijzen, waarmee het bepaalde articulatieverhoudingen aangaat. Door de articulatie met het handelskapitaal in de ruil kan de niet-kapitalistische productiewijze worden versterkt, samen met de macht van de prekapitalistische heersende klasse, en wordt de ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze tegelijk geblokkeerd. Dit schema gold min of meer (afgezien van de problemen met zijn althusseriaanse inslag), voor de door Rey geanalyseerde West-Afrikaanse verwantsschapssamenlevingen.
Waar die articulatie echter mislukt, moeten de voorwaarden van het kapitaal opgelegd worden van buiten uit: de lokale dominante klasse moet aan de kant geschoven worden, en de indigene samenleving gereorganiseerd, via militair en administratief geweld: dit is men de koloniale productiewijze gaan noemen, waarvan de suikerplantages in Bahia een eminent voorbeeld zijn.
Bahia werd oorspronkelijk bevolkt door Indianen, zoals de Tupiniquia en de Tupinambá, die het gros van de slavenpopulatie van Bahia zouden uitmaken[192]. Zij hadden een subsistentie-landbouw waarvan de overschot werd verhandeld met de Europeanen. De Tupinambá hechtten echter weinig belang aan dat surplus, waardoor ze weinig betrouwbaar schenen in de ogen van de Europeanen. Het Indiaanse antwoord op de Europese vraag werd bepaald door reciprociteitsverhoudingen, ‘domestic productiewijze’, een statussysteem dat niet op economische capaciteiten was gebaseerd, en de onderschikking van de economische dimensie aan andere vormen van sociale organisatie. De onmogelijke articulatie van de Europese economische eisen en de inheemse Indiaanse productiewijze noopte de Europeanen ertoe die productiewijze te breken en de Indianen tot slavenarbeid te dwingen.
Opvallend is hoe articulatietheoretici de culturele ‘compatibiliteit’ als mogelijkheidsvoorwaarde voor de articulatie van productiewijzen onderschatten. Nochtans is deze hier cruciaal. De eerste commerciële activiteiten van de Indiaanse bevolking bestond in de export van hout[193]. Het kappen van bomen was bij de Tupinambá een bij uitstek mannelijke vorm van communale arbeid, die makkelijk te integreren is in de traditionele levenspatronen. De Indianen kapten het hout en brachten het naar de kust, waar ze het ruilden voor sieraden en andere handelsgoederen. Die inpasbaarheid van de Europese economische eisen in het traditionele leven verdween toen met de introductie van het donatorio systeem en de toekenning van eigendomsrechten aan de Portugese adel in de jaren 1530 nieuwe eisen werden gesteld aan de Indianen. Landbouw was immers vrouwenwerk. Toch zullen we zien dat de Indianen niettemin dit cultureel kwaad verkozen boven de missioneringsijver van de Jezuïeten op hun aldeias.
Een tweede bron van spanning op de ruilverhouding bestond erin dat de Indianen zelf duurdere ijzeren goederen begonnen te eisen in ruil voor hun arbeid, waarmee ze hun productieve kracht konden verhogen door bijvoorbeeld ijzeren bijlen te maken, wat voor hen meer tijd zou vrijmaken om zich met rituelen bezig te houden[194]. Productie en consumptie waren er louter deel van andere aspecten van de sociale organisatie zoals verwantschapsverhoudingen. Een “economie” als op zich staande structuur bestaat niet in de ‘primitieve’ samenleving[195].
Die in de ogen van de Portugezen ‘irrationale’ attitude en de onderlinge concurrentie van een toenemend aantal kolonisten voor arbeid deed het ruilsysteem dat de Indiaanse productiewijze articuleerde met de eisen van de kolonisten, ineenstorten.
5.2.5.Primitieve accumulatie/ Destructie natuurlijke economie
De oorsprong van de koloniale slavenproductiewijze is dus, net als die van de kapitalistische productiewijze niet theoretisch, maar enkel historisch te begrijpen in termen van een concrete, contingente strijd. In dit geval is ze de resultante van de confrontatie van het kolonisatieproject met de mislukte articulatie met de indigene productiewijze.
De vernietiging van de indigene productiewijze kan worden vergeleken met het proces van primitieve accumulatie dat door Marx in Het Kapitaal wordt beschreven[196]. Het gaat hier om het bijzonder gewelddadig proces waarbij de productiemiddelen en de arbeidskracht, die voorheen niet een verschijningswijze vormden van het kapitaal, nu wel kapitaal worden. Dit wordt gefaciliteerd door de voorafgaande maatschappijstructuur en door een belangrijke rol voor het geweld. Bijvoorbeeld kon uit de specifiek westerse feodale structuur relatief gemakkelijk de privé-eigendom van de grond ontstaan uit het stelsel van feodale rechten. Daardoor werd grond in toenemende mate geconcentreerd in de handen van landheren en werden de kleine boeren geproletariseerd. Door de toenemende arbeidsdeling die dit met zich meebrengt (o.a. tussen stad en platteland), ontstaan ruilverhoudingen die dit proces nog versnellen (stedelijke warenproductie concurreert de eenvoudige warenproductie van de agrarische bevolking kapot, etc.). Door het verhuren van een deel van de grond door de landheren aan pachters, kon zo in b.v. Engeland een stelsel van kapitalistische landbouw ontstaan[197].
Barbara Bradby hanteert de notie ‘natuurlijke economie’ als verzamelterm voor systemen van slavernij, feodaliteit, primitief communisme en patriarchale landbouwsystemen[198]. Gemeenschappelijk aan die systemen is dat er een interne vraag bestaat voor de producten en dat de maatschappijformatie wordt gereproduceerd via niet-economische middelen. Het eerste impliceert dat de kapitalistische productiewijze noodzakelijkerwijze eerst die interne vraag moet openbreken om te kunnen gedijen, en het tweede dat extra-economische actie noodzakelijk is om de gebondenheid van de productiemiddelen en de arbeidskracht te breken. Dit proces vormt een zinvolle heuristiek om de introductie van het plantagesysteem in Bahia te begrijpen.
Het feit dat geweld wordt gebruikt is in principe niet logisch noodzakelijk, maar hangt af van specifieke condities[199]. Dat het zo’n belangrijke rol speelt in het ontstaansproces van de plantage-economie is tegelijk een anti-evolutionistisch, en anti-functionalistisch argument, omdat het een materiële oorzaak aanduidt, en geen verwijzing naar de noden van de metropool.
Het kapitaal heeft volgens het klassieke marxisme drie destructiemethoden:
-Het eerste middel, dat gebruikt is in Bahia, is bruut geweld en dwang. Net zoals de eerste verkoop van de arbeidskracht volgens Marx niet anders kan dan met gebruik van geweld[200], gaat ook de tewerkstelling van de Indianen op de plantages niet automatisch. Rey analyseerde dit proces aan de hand van het voorbeeld van de door hem onderzochte Afrikaanse lineage samenleving. Daar versterkte de handel in eerste instantie de bestaande productieverhoudingen, in tweede instantie gaat een koloniale fase instaan voor de (gewelddadige) creatie van vrije loonarbeiders, waardoor tenslotte een arbeidersklasse ontstaat.
-Een tweede methode is de interventie van het staatsapparaat via bijvoorbeeld taxatie, die de reproductie bemoeilijkt, en de scheiding tussen producent en grond tot stand brengt.
-Een derde is de ondermijning van de lokale productiewijze door de introductie van goedkope waren[201]. Volgens Bradby zijn ook veel gevallen waar geen extra-economische dwang is gebruikt om de plattelandsbevolking te verdrijven en zo een beschikbare arbeidskracht te produceren. Zij argumenteert dat de vernietiging van de kloof tussen het externe contact en de interne ontwikkeling van het kapitaal ook gedicht kan worden via waarde-analyse van de ruil van equivalenten.
De weigering van de Indianen op voorspelbare manier te reageren op de ‘objectieve’ marktvoorwaarden bracht de Portugezen ertoe drie disciplineringstechnieken toe te passen. Primo, de dwang in het slavensysteem. Secundo, de acculturatie en detribalisatie door de Jezuïeten, die indigene kleine boeren wilden creëren, die in staat zijn om een soort landbouwproletariaat te worden. Dit soort culturele mechanismen worden in vele structuralistische marxistische analyses uit het oog verloren. Tertio, de trage integratie in een kapitalistische zelfregulerende markt van individuele loonarbeiders. Bepaalde vormen van loonarbeid werden gehanteerd als mechanisme van arbeidscontrole op de plantages, zoals verder nog zal blijken. In de 16de-17de eeuw werden deze verschillende technieken quasi tegelijk toegepast[202].
5.2.6.De productieverhoudingen
Het primaat van de eigendom van de productiemiddelen, die de mediatie zou vormen voor de controle van de arbeid, in de kapitalistische productiewijze, is niet zomaar over te plaatsen op de niet-kapitalistische productiewijze die hier in het geding is. Meillassoux stelde dat er niet één element is waarvan de ‘evolutie’ de verschillende economische ‘stadia’ kenmerkt[203]. De middelen van sociale controle variëren, en bestaan niet altijd in de controle van de productiemiddelen. Hij beschreef bijvoorbeeld hoe voor een op verwantschap gebaseerde productiewijze de controle over de fysiologische reproductiemiddelen van de arbeidskracht belangrijker is dan de controle over de productiemiddelen[204].
Op de plantage speelde de bezitsverhouding uiteraard een belangrijker rol dan in de door Meillassoux beschreven productiewijze. Toch verschilde ze fundamenteel van de kapitalistische productiewijze. Op de plantage waren de productiekrachten immers een extensie van het menselijk lichaam, eerder dan middelen om de menselijke arbeid te subsumeren. In de kapitalistische productiewijze was de arbeider louter een aanhangsel van de machine, in tegenstelling tot de slavenproductiewijze. Daar werd, en dit bij uitstek tijdens het werk op het suikerrietveld, de eenheid van arbeider en instrument bewaard, in tegenstelling tot de eenheid van instrument en arbeidsobject zoals in het kapitalisme. Ook voor de molen gold dit, omdat hier nog niet echt sprake kan zijn van de reële subsumptie van de arbeid: de molen bleef een instrument dat beheerst werd door de ‘collectieve arbeider’. Dit impliceert dat andere mechanismen dan de louter technisch-organisatorische dimensie van het productieproces noodzakelijk zijn om de arbeid te controleren.
Arbeidscontrole
De cruciale kwestie bij de totstandkoming van de specifieke productieverhoudingen in de slavenproductiewijze zijn de wijzen waarop de controle van de arbeidskracht wordt georganiseerd door de planterklasse, wat steeds een gevolg is van een veelheid van strategieën langs beide kanten. We hebben reeds geargumenteerd dat het concept van een productiewijze niet in abstracto kan worden gedacht, omdat de specificiteit van de productieverhoudingen ervan het gevolg zijn van een veelheid aan contingente, empirische vormen van strijd. De empirie weerspreekt op dit vlak in zekere zin de hardnekkigste theoretische abstracties over slavenarbeid.
Het klassieke model van de productieverhoudingen in een slavenmaatschappij gaat ervan uit dat deze elke vorm van complexe techniek onmogelijk maken. Die complexiteit veronderstelt immers wijzen van arbeidscontrole die subtieler zijn dan de brute dwang van de slavensystemen. Nochtans bleek de slavernij in Bahia helemaal niet tegengesteld te zijn aan elke vorm van technische innovatie, zoals werd aangenomen in het klassieke marxisme.
Ook Immanuel Wallerstein stelde dat slaven niet inzetbaar zijn bij complexe taken die bepaalde vaardigheden veronderstellen. In dat geval zouden andere methodes van arbeidscontrole dienen te worden gebruikt, zoniet zou de lage kost van het slavensysteem zich vertalen in een bijzonder lage productiviteit.
De theoretische reden hiervoor heeft te maken met de wijze van klassenoverheersing zoals die in abstracto wordt gedacht met betrekking tot de slavenproductiewijze en de moeilijkheid die de slaaf/meester verhouding met zich meebrengt voor de introductie van nieuwe complexere technieken[205]. Wanneer de controle van de arbeid gebeurt via dwang, is theoretisch gezien coöperatie en complexe techniek moeilijk toepasbaar, omdat de onmiddellijke producenten geen enkel belang hebben bij het productieproces en het welslagen ervan[206]. Om complexe instrumenten in te zetten is brute dwang geen adequate manier voor de controle van de arbeid.
Dit blijkt bijvoorbeeld uit de problemen die rezen bij de introductie van de stoommachine in de kolonies. Die machine bleek niet de verhoopte extra winst te genereren, volgens de planters omwille van het ‘gebrek aan aandacht’ van de slaven. Daardoor leidde de introductie van technologie niet tot een verhoging van de productiekrachten, wat tegelijk bevestigt dat elk technologisch determinisme uit den boze is. Technologie dient relationeel bepaald te worden (conform Marx’ filosofie van de interne relaties), het is geen op zichzelf staande werkelijkheid die ‘relatieve autonoom’ is en ‘in laatste instantie’ (Engels’ formules[207], overgenomen door de Althusserianen) de ‘bovenbouw’ ‘determineert’. De technologie kan enkel doorheen en als maatschappelijke verhouding als productiekracht fungeren, daarzonder betekent het niets. Materiële dingen worden immers pas een productiekracht wanneer ze maatschappelijke kenmerken aannemen[208].
In de suikerplantage zien we desalniettemin in de praktijk een geheel van complexe technieken en processen aan het werk. Brute dwang was er altijd aanwezig, maar het bleek ook noodzakelijk andere methodes aan te wenden om vakkundige arbeid af te dwingen. In Bahia werden ook vaak slaven ingezet voor managementtaken of complexe arbeid[209]. Tot één tiende van de slaven op het suikerbedrijf had taken waarvoor bepaalde vaardigheden noodzakelijk waren[210]. Blijkbaar slaagden de planters er toch in om de antithese tussen het slavensysteem enerzijds en de eisen van een embryonale industriële organisatie en technologie anderzijds in bepaalde mate te overstijgen.
Soms werden ‘vrije’ loonarbeiders gebruikt voor de meest veeleisende taken, maar soms ook niet. Dat betekent dat het plantagestelsel en de slavernij niet zo rigide bleken als in de theoretische schema’s. Vaak slaagde men erin slaven in te zetten voor complexere taken, zelfs wanneer dit een zekere afhankelijkheid impliceerde van hun vaardigheden. Dit heeft te maken met het feit dat de productieverhoudingen op de plantage nooit louter als brute dwangverhoudingen kunnen gedacht worden, maar dat, zoals we zullen zien, de planters er ook steeds in slaagden ondanks het verzet ertegen, een zekere culturele hegemonie te installeren, waardoor collaboratie en negotiatie mogelijk werd.
De manier waarop aan slavenmanagement gedaan was dus complexer dan louter het hanteren van brute dwang. Vanaf de zeventiende eeuw onderschreven vele planters de zogenaamde ‘drie-p theorie’ waarin een combinatie werd gemaakt van pau (de roede), pão (brood) en pano (kleding)[211]. De pure fysieke dwang als negatief incentief was een noodzakelijk element in het regime van klassenoverheersing, maar werd, deels onder invloed van de Jezuïeten en anderen die de situatie van de slaven wilden verbeteren (zonder het slavenstelsel evenwel te willen afschaffen of de vermeende inferioriteit van slaven in vraag te stellen), en door het verzet van de slaven zelf, aangevuld met meer subtiele en zachte vormen van arbeidscontrole. Op die manier werden onder andere huisvesting en kledij gemanipuleerd als incentieven, net als beloningen met alcoholische bijproducten van de suikerindustrie[212]. Ook bepaalde straffen golden als minder brute overheersingsmechanismen. Als straf voor verzet of weglopen, dienden slaven bijvoorbeeld het helse werk in de oven op te nemen[213]. Anderzijds werden mechanismen van schijnbare ‘sociale mobiliteit’ ingevoerd. In elk stadium van het arbeidsproces waren opzichters en ploegbazen noodzakelijk. Zowel slaven als niet-slaven konden deze rol opnemen[214]. Van hen hing grosso modo het succes van de engenho af, wat op zich het belang bewijst van dwangmechanismen voor economisch welslagen, in plaats van andere factoren zoals technologie, coöperatiewijzen etcetera. Deze managers en technici kregen soms een loon, maar nog vaker ontvingen ze een bepaald percentage van de gerealiseerde productie[215].
Andere mechanismen om de productiviteit te stimuleren en de belangen van de slaven te alliëren met die van de planters bestonden erin quota’s in te stellen[216]. Wanneer de quota was behaald, kon men daarna gedurende zijn ‘vrije tijd’ voor de eigen subsistentie instaan. Op die manier werd ook het arbeidsritme beter beheerst.
Op deze manieren slaagden de planters erin het stelsel van dwangarbeid flexibeler te maken, en een betere controle op de arbeid en de arbeidsproductiviteit te verwerven. Dit moet gerelateerd worden aan een cruciale intuïtie van het (autonoom) marxisme: de idee namelijk dat het verzet en de strijd van de slaven de motor is van die ontwikkelingen (zie verder hieronder). Op microniveau wordt hier de stelling bevestigd dat “de klassenstrijd de motor van de geschiedenis is”[217]. Net zoals het de klassenstrijd in het kapitalisme is die de lonen opdrijft en op die manier het pad effent voor de introductie van de machine, die voordien aan de kant bleef omdat extensief gebruik van arbeid voordeliger bleef[218].
In zekere zin kwam hier ook al de complexe vorm van coöperatie op de proppen, die in het industrieel kapitalisme algemeen wordt, en waarvan Marx zegt dat in de sporadische toepassing ervan in de koloniale productie ze nog steeds afhankelijk blijft van de “directe verhouding van heerser en knecht”[219]. Het inzetten van een groot aantal arbeiders resulteert in een homogeen arbeidsproduct, wat de nivellering impliceert van de verschillen in vaardigheden: “de in waarde uitgedrukte arbeid is arbeid van maatschappelijk gemiddelde kwaliteit, dus de uiting van een gemiddelde arbeidskracht”[220].
De conclusie hiervan is ambigu. Enerzijds dient de klassieke these weersproken te worden volgens dewelke slavernij onmogelijk samen kan gaan met enige complexiteit in de arbeidsinstrumenten en de coöperatie. Anderzijds zien we dat een bepaalde ontwikkeling van de productiekrachten o.i.v. de markt (volgens Frank, Sweezy, Wallerstein), de klassenstrijd (autonoom marxisme) of van de gecombineerde ontwikkeling (Trotsky), gepaard gaat met andere vormen van arbeidscontrole. Deze dienen in de eerste plaats om de arbeid beter aan zich te binden en een echte wijziging van de productieve verhoudingen uit te stellen. De antagonistische aard van de verhoudingen worden met bepaalde sectoren van de arbeidskracht verzacht door de constructie van collaboratieverhoudingen, met als doel de arbeidskracht in zijn geheel beter aan zich te kunnen binden, om een fundamentele transformatie van de verhoudingen te vermijden. Dit toont aan dat het onmogelijk is dat de handel gradueel de klassenverhoudingen ontbindt. De werkelijke dissolutie ervan kan enkel gebeuren doorheen het conflict, waarvan de slavenproductiewijze doortrokken is. De stelling dat onder invloed van de markt de productieve verhoudingen langzaam aan kunnen ontbinden, is in Wallersteins werk terug te vinden. Net zoals zijn theorie over de technologische innovatie, hanteert Wallerstein in deze een kwantitatieve opvatting over de verandering van de maatschappelijke verhoudingen[221]. Tegelijk kan deze strategie slechts beperkte resultaten genereren wat betreft de introductie van nieuwe technieken.
5.2.7.Productiekrachten en techniek
Balibar heeft gelijk als hij een belangrijk onderscheid tussen productiewijzen situeert niet in het ‘ontwikkelingsniveau’ van de productiekrachten (een formulering die overigens suggereert dat er een unilineaire ontwikkeling zou zijn), maar in een bepaald ritme van ontwikkeling ervan[222]. Op dit vlak is een duidelijk onderscheid tussen de kapitalistische productiewijze (waarin een voortdurende overgang plaatsvindt van manuele naar mechanische arbeid) en de koloniale slavenproductiewijze zoals we die in Bahia vinden.
De marktmogelijkheden werden er vooral beantwoord met extensieve groei, het in gebruik nemen van extra grond en arbeidskrachten, of extra molens, en niet via de introductie van nieuwe technieken[223]. Dit bevestigt voor een stuk Brenners these dat de mogelijkheid van winst in deze niet-kapitalistische productieverhoudingen niet automatisch leidt tot innovatie, zoals dat in het kapitalisme wel het geval is. Daar resulteert de klassenstrijd in een rusteloze zoektocht bij het kapitaal naar de automatisering van de productie en de uitstoot van arbeidskrachten. Het antwoord van de planters op het verzet is daarentegen niet de uitstoot van de arbeidskracht via de automatisering van de productie, maar ligt in de verbetering van het systeem van arbeidscontrole. Gaandeweg werden ook wel nieuwe uitrustingen en managementtechnieken toegepast, maar de fundamentele technieken in de suikerproductie bleven constant, wat van de suikerindustrie een ‘conservatieve’ industrie maakte[224]. Zoals gezegd in vorige paragraaf, bestonden er wel een aantal complexere technieken en coöperatiewijzen. Die bleven veelal beperkt en resulteerden in een fragmentatie van de vormen van arbeidscontrole onder invloed van het verzet van de slaven, eerder dan in een transformatie van de totaliteit van de productieverhoudingen.
Ondanks de beperkte experimenten met technologische innovaties, vooral geïmporteerd uit het centrum[225] (dit zullen we straks gecombineerde ontwikkeling noemen), heeft de toename van de productie dus in de eerste plaats te maken met het uitbreiden van het aantal productie-eenheden, en met de intensifiëring van het slavensysteem. We zien dus dat de vormen van verzet en strijd in de koloniale slavenproductiewijze niet leiden naar de tendensen zoals we die aan het werk zien in de kapitalistische productiewijze, met haar klemtoon op de productie van relatieve meerwaarde. Integendeel vond in Bahia eind de 18de eeuw met de hernieuwde mogelijkheden die zich voor de suikerindustrie boden, geen transformatie, maar een uitdieping en radicalisering van het slavensysteem plaats, waarin een toegenomen uitbuiting moest leiden tot een vergroting van de absolute meerwaarde, wat het gevolg was van vormen van verzet en op haar beurt leidde tot verhevigd verzet.
Daarbij komt dat gegeven de noodzaak van een zekere dwang om het surplus te garanderen, een deel van het surplus niet wordt geaccumuleerd, maar in plaats van te dienen voor de uitgebreide reproductie, wordt gespendeerd aan onproductieve arbeid[226]. Op die manier verdwijnt een deel van de meerwaarde in Bahia in het aanstellen van opzichters en in de jacht op weglopers.
Hierboven hebben we geargumenteerd dat productiekrachten in feite een attribuut zijn van de geassocieerde individuen, van een bepaalde maatschappelijke verhouding. Op die manier is een bepaalde vorm van arbeidsdeling, bijvoorbeeld die tussen arbeiders en opzichters, tegelijk een verhouding waaronder wordt geproduceerd en een productiekracht, die door de kennis en het toezicht van de opzichters toelaat de productiviteit op te drijven. Die bepaalde productieverhouding wordt echter tegelijk een belemmering voor de verdere ontwikkeling van de productiekracht. Deze moet immers omwille van het dwangmatige karakter van de verhouding zelf van de opzichter tegenover de slaaf, noodzakelijk binnen bepaalde marges blijven. En dit heeft niet alleen te maken met de specificiteit van de verhouding tussen opzichter en slaaf, maar ook met die tussen opzichter en senhor de engenho, die weinig controle had op die zelf gecreëerde klasse van opzichters. Deze hadden weinig incentief tot innovatie, maar des te meer tot grotere uitbuiting en dwangmatige controle van de slaven onder hun hoede. De planters gaan dan ook het feit dat ze de gevangenen zijn van de sociale verhoudingen die ze zelf hebben gecreëerd, en waarvan de slechte concurrentiepositie tijdens slechte economische conjuncturen duidelijk wordt, verwijten aan die managementlaag[227]. Enkel een subtieler opvatting over de notie productieverhoudingen dan de klassiek marxistische laat ons toe ook die verhouding tussen planters en managers in het plaatje te betrekken als productieverhouding die mee de dialectiek van de productieve krachten bepaalt.
De mechanismen die worden toegepast om de arbeidskracht te controleren hebben te maken met de controle over de productievoorwaarden (enerzijds de controle van de productiemiddelen, anderzijds de mogelijkheid om die in gang te zetten, wat een systeem van controle vooronderstelt) door de heersende klasse in haar poging de productie te maximeren. Deze verhouding is onderscheiden van de extractie van surplus die in de voorgaande haar mogelijkheidsvoorwaarde heeft, maar binnen het kader blijft van de slavenproductiewijze zolang het verzet van die arbeidskrachten niet leidt tot het in vraag stellen van die verhouding van surplusextractie als zodanig. Dat betekent ook dat de pogingen om het surplus te vergroten in de eerste plaats bestaan in het vergroten van de absolute in plaats van de relatieve meerwaarde.
Loonarbeid
De specificiteit van de suikerproductie noopte de planters tot de inzet van een groot aantal arbeidskrachten, en van een maatschappelijk gedifferentieerde arbeidskracht. Voor bepaalde taken waren immers bepaalde vaardigheden en ervaring noodzakelijk, vooral voor het werk aan de molen[228]. Die taken van management, techniek, artisanale productie,… gebeurden voor een deel door loonarbeiders, wat voor die opdrachten tegelijk een efficiënte manier van controle van de arbeid is[229]. Ondanks het gebruik van vormen van loonarbeid bleef de slavenarbeid echter de matrix van de sociale verhoudingen en contamineerde en devalueerde alle andere vormen van arbeid(scontrole): zo werd ook loonarbeid gepercipieerd als een vorm van arbeid zoals de slavenarbeid.
De lonen bleven zeer stabiel, en werden sterk bepaald door moralistische concepties van het rechtvaardig loon[230]. Ook Marx erkende het belang van de moraal en de traditie in de loonvorming[231]. Het grote belang ervan voor de lonen in de plantage-economie heeft m.i. echter in de eerste plaats te maken met het ontbreken van een echte zelfregulerende arbeidsmarkt.
Daarbij is de loonverhouding niet te vergelijken met de kapitalistische loonverhouding, maar is het vaak eerder één strategie onder vele, om efficiënter de arbeid te controleren. De schijnbare loonverhouding op de plantage mag bijvoorbeeld niet doen vermoeden dat het niet om een persoonlijke afhankelijkheidsverhouding gaat. Via verschillende mechanismen trachtte de senhor de engenho immers de arbeidskracht persoonlijk aan zich te binden, van hem afhankelijk te maken. Dit gebeurde bijvoorbeeld door een voorschot op het ‘loon’ te geven, waardoor de Indiaan steeds vaster in de greep van de senhor raakte en in de praktijk niet meer van het landgoed weg kon.
Hetzelfde gebeurde ook op de Mexicaanse haciendas[232]. Naast de schuldplicht was ook de toekenning van een stuk grond voor eigen bewerking ginder een middel om de peones aan de hacienda te binden. In ruil moesten zij dan een aantal dagen gratis werk leveren of een deel van de oogst afstaan. De parallel met de servitude-verhouding in feodaal Europa is snel gemaakt. De hacienda bood de peones tevens bescherming van buiten uit[233]. Vooral haciendas die door de kerk werden beheerd boden een erg paternalistische vorm van bescherming en begeleiding.
5.2.8.Combinatie van productiewijzen
Het latifundia-systeem wordt door verschillende auteurs benaderd als een vorm van articulatie of combinatie van verschillende productiewijzen. Volgens Rey gaat het om een systeem dat bestaat uit een articulatie van een productiewijze die dicht staat bij het systeem van de grondrente (dat enkel wordt toegepast in de productie van cash crops) en een traditionele productiewijze (subsistentiegewassen), waar de eigenaar niet intervenieert