| Het plurale verzet. De controverse over de feodale productiewijze in Latijns-Amerika. (Matthias Lievens) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Inleiding
“De mensen maken hun eigen geschiedenis, maar zij maken die niet uit vrije wil, niet onder zelfgekozen, maar onder rechtstreeks aangetroffen, gegeven en doorgeleverde omstandigheden. De traditie van alle dode geslachten drukt als een zware last op de hersenen van de levenden”[1]. Deze bekende frase van Marx geldt uiteraard ook voor de kennisproductie. Het is uitgaande van de overgeleverde culturele, ideologische en wetenschappelijke noties, en hun confrontatie met de empirie en de praxis, dat de kennisproductie kan aanvangen. Wanneer men iets wil zeggen over de koloniale economie in Latijns-Amerika, dient men dan ook de theorieën en categorieën hieromtrent, zoals de notie productiewijze, door te werken.
Het debat ter zake leidt aan verschillende euvels. Maar daar moeten we door om te zien wat overblijft van de intuïties die binnen de theoretische problematiek van de productiewijzetheorie worden geïntroduceerd, en om iets interessants te kunnen zeggen over de case die we op het einde gaan bespreken, namelijk de koloniale slavenproductiewijze in Bahia in Brazilië.
We gaan uit van het debat Frank versus Laclau, en daaraan gekoppeld dat tussen Wallerstein en Brenner. Dit debat, waarin vooral gefocust wordt op de kwestie van de ‘analyse-eenheid’ en van de verhouding tussen productie- en circulatiesfeer, gebruiken we als opstapje om in een tweede hoofdstuk een korte bespreking te geven van de sterk door Althusser geïnspireerde productiewijzetheorie. Vanuit een immanente kritiek op deze theoretische benadering, introduceren we in het derde hoofdstuk een alternatieve, radicaal-empirische invulling van de bekende ‘historisch materialistische’ noties zoals productiewijze, productiekrachten en productie-verhoudingen, tegen het geweld van abstracte conceptuele schema’s in. Dit empirisme wordt vervolgens in het vierde hoofdstuk verder uitgediept door uitgaande van een deconstructie van de noties ‘economische wetmatigheden’ of ‘bewegingswetten’ theoretische ruimte te openen om het radicaal contingente karakter van de geschiedenis en de ontwikkeling van maatschappijen te denken, door een sterke nadruk te leggen op de fundamentele onbepaaldheid, openheid en creativiteit van de klassenstrijd, in de meest ruime betekenis van het woord. In een laatste hoofdstuk pogen we een aantal van de daardoor verworven inzichten te lezen in de koloniale slavenproductiewijze in Bahia. Daarbij interpreteren we op onze eigen manier het materiaal dat door Schwartz wordt aangereikt in zijn omvattend werk over de slavernij in Bahia[2].
Eén van de centrale preoccupaties van de voorliggende tekst is een uitweg te vinden uit het latente evolutionisme dat de marxistische theorie van bij haar aanvang heeft gecontamineerd, en tegelijk het idealisme van de Althusseriaanse scheiding tussen kenobject en reëel object te vermijden. Dit kan volgens ons enkel door de cruciale assumptie van de marxiaanse maatschappelijke ontologie te benadrukken dat de klassenstrijd de motor is van de maatschappelijke dynamiek.
Het marxisme deed reeds een verwoede poging het traditionele unilineaire schema van de opeenvolging van productiewijzen zoals dat werd geconcipieerd door de tweede internationale en de stalinisten, te overstijgen[3]. Plekhanov en Wittfogel probeerden zo een bilineair model te concipiëren, waarbij de Aziatische en slavenproductiewijze naast mekaar zouden coëxisteren, terwijl anderen de Aziatische productiewijze voor de klassieke situeerden in een unilineair geschiedenismodel, zoals Chesneaux[4].
De kiem van het probleem van het evolutionisme is gesitueerd in de verhouding tussen de logische orde van de concepten en de historische orde. Terwijl veel klassieke marxisten de verstrengeling van beide verdedigden, poogden de althusserianen die eenheid van logica en geschiedenis uiteen te halen om te breken met elk evolutionisme. Hun demarche kon echter niet anders dan resulteren in een vorm van idealisme waarin het reëel object onbemiddeld komt te staan tegenover het kenobject, dat een door de theoreticus geconstrueerd karakter krijgt. Op die manier komen ze in een rationalisme terecht waarin los van enige dialectiek met de praxis of de empirie concepten worden ontwikkeld, die niet anders dan verdinglijkende machtsgrepen op de werkelijkheid kunnen zijn (zie hoofdstuk twee).
Onze stelling is nochtans dat er een andere mogelijkheid is het probleem van het evolutionisme te ontwijken, zonder in idealisme te vervallen. De demarche die we hier voorstellen in de in dit werk centrale hoofdstukken drie en vooral vier, komt neer op een deconstructie van de logische orde doorheen de benadrukking van het feit dat vanuit een bepaalde articulatie van productiekrachten en –verhoudingen geen logische orde te denken valt. En dat is zo omwille van de fundamentele contingentie, de openheid, creativiteit en onbepaaldheid van de concrete, historische klassenstrijd. Daardoor is het principieel onmogelijk los ervan het concept van een productiewijze te ontwikkelen, zonder dat dit een gewelddadige greep op de sociale realiteit zou inhouden. Het pendant van dit inzicht is dat een productiewijze steeds concreet empirisch moet worden onderzocht, en dat een beperking van de ‘theorie’ tot een bepaald aantal productiewijzen vervangen wordt door een proliferatie van concrete productiewijzen, die niet gehypostaseerd kunnen of mogen worden in een abstracte substantiële theorie zonder dat deze een gewelddadig karakter aan zou nemen. Wittgensteiniaans geformuleerd, kunnen de concrete productiewijzen hoogstens met mekaar verbonden worden in termen van een aantal ‘familiegelijkenissen’. Elke hypostasering ervan in een abstracte theorie neigt het concept productiewijze te reïficeren, om vervolgens in de empirische toepassing ervan in vormen van essentialisme te vervallen.
De fetisjismekritiek van Marx komt precies hierop neer, aan te tonen dat achter elke maatschappelijke verhoudingen reële menselijke acties zitten. Op het niveau van sociale totaliteiten zoals klassen geldt niet het onderscheid tussen structuur en initiatief. Wat Marx precies wil laten zien is dat het kapitaal als verhouding een menselijk-maatschappelijke verhouding is, die dagelijks opnieuw aangemaakt wordt doorheen de menselijk-maatschappelijke praxis. Deze is constitutief voor een geheel van maatschappelijke productieverhoudingen. Dit humanisme willen we koppelen aan een belangrijke intuïtie van het zogeheten autonome marxisme, waarin het verzet van de onderdrukten, ook en vooral op microniveau, wordt benadrukt als de motor van de maatschappelijke verandering. Dit laat ons ook toe elke functionalistische afwijking te vermijden, en materiële verklaringen, in termen van de concrete maatschappelijke omwentelende praxis, naar voor te schuiven in plaats van functionele.
In wat volgt proberen we dus niet louter de logica en de geschiedenis uiteen te halen om het evolutionisme te overstijgen, maar willen we de logica precies laten ontploffen, deconstrueren. Door deze demarche worden de marxiaanse concepten een heuristiek voor het opsporen van de loci van de klassenstrijd, van het open conflict tot de vele verzetsstrategieën op microniveau, die door het klassieke marxisme onder de mantel der abstracte theorie worden geveegd. Het is precies daardoor dat deze concepten ook een instrument kunnen worden in de klassenstrijd.
Een viertal gevolgen van deze ‘mild postmoderne’ interpretatie van het marxisme moeten vooraf geëxpliciteerd worden
Ten eerste impliceert het ernstig nemen van de klassenstrijd ook de erkenning van de multidimensionaliteit ervan. Engels benadrukte al die verschillende dimensies in de Duitse Boerenoorlog. Hij onderscheidde expliciet drie vormen van klassenstrijd: de politieke, economische en de theoretische strijd[5]. Op een meer subtiel cultureel niveau gaan wij ook de vormen van cultureel verzet benadrukken van slaven tegen hun culturele overheersing, net als bijvoorbeeld de culturele statuslogica die de ‘kapitalistische’ rationaliteit van winstmaximalisatie doorsnijdt. Een dergelijke brede visie van de klassenstrijd is tegelijk een belangrijke invalshoek om de valstrik te vermijden van de reïficatie van de maatschappelijke totaliteit in ‘relatief autonome’ deelgebieden, zoals in de Althusseriaanse benadering.
Ten tweede noopt deze benadering ons weg van de grote schema’s over het wereldsysteem te speuren naar de maatschappelijke praxis op het lokale of micro-niveau. Het is immers daar dat doorheen een concrete, historische strijd de concrete productiewijze gestalte krijgt.
Ten derde verkrijgen de marxiaanse concepten een fluïditeit die maakt dat het traditionele basis/bovenbouw onderscheid op de helling wordt gezet. De radicaal-empirische invulling van de notie ‘productieverhoudingen’ bijvoorbeeld als alle verhoudingen waaronder concreet wordt geproduceerd, veronderstelt de erkenning dat ook ideologische verhoudingen zoals het racisme productieverhoudingen zijn.
En tenslotte betekent de beklemtoning van de klassenstrijd een (her)politisering van de marxistische theorie, die in haar klassieke vormen vaak het politieke (machts-)karakter van concrete verhoudingen bedekte onder een economisch of technologisch determinisme. Dat maakt het mogelijk haar tegelijk te denken in termen van haar wetenschappelijke, en haar politieke merites.
1.Frank versus Laclau, Wallerstein versus Brenner
1.1.Frank
André Gunder Frank is één van de belangrijkste auteurs die in brede zin te situeren is binnen het marxisme en die poogt te breken met de stadiatheorie van de geschiedenis[6]. Cruciaal in zijn theoretische demarche is de notie van onderontwikkeling, die niet het gevolg is van een positionering op een ‘lagere trap in de grote historische evolutie’, maar de andere zijde is van de ontwikkeling van de metropool in het wereldsysteem in zijn totaliteit. Volgens Frank is de onderontwikkeling van de periferie dus niet een oorspronkelijke toestand of stadium in de economische ontwikkeling. Het is een noodzakelijk product van de contradictorische kapitalistische ontwikkeling, en zal blijven bestaan zolang dat kapitalisme gehandhaafd blijft. Onderontwikkeling is m.a.w. een historisch product, te situeren vanaf de inclusie van de periferie, in Franks analyses is dat vooral Latijns-Amerika, in het mercantiel kapitalistisch systeem in de 16de eeuw.
Er is dus helemaal geen sprake van een unilineaire ontwikkeling zoals in de klassieke moderniseringstheorie of het stalinisme. De historische specificiteit van de periferie heeft daarentegen te maken met de articulatie tussen metropool en satelliet, waarbij de ontwikkeling van de ene zijn premisse vindt in de onderontwikkeling van de ander.
Op die manier rekent Frank niet enkel af met het evolutionisme, maar ook met de dualistische theorie van de economieën uit de periferie. De dualistische benadering stelt dat in Latijns-Amerika twee sectoren te onderscheiden zijn, een moderne kapitalistische sector enerzijds, en een geïsoleerde, feodale sector van subsistentieproductie anderzijds, die beide een autonome dynamiek kennen, waarbij de stagnerende subsistentiesector ten hoogste kan functioneren als arbeidsaanbod voor de kapitalistische sector[7]. Onder andere W.A. Lewis was een aanhanger van deze gedachte.
Frank bestrijdt deze idee met klem. Ze onderschat namelijk de graad van commercialisatie van de rurale gebieden, en ze simplificeert de relatie tussen de twee sectoren. Volgens hem penetreerde het kapitalisme van bij het begin de ganse samenleving. De Latijns-Amerikaanse economie is complex en intern gestructureerd en geïntegreerd in de markteconomie. De productie in de meest afgelegen gebieden is commercieel nog verbonden met de metropool.
Cruciaal is bij Frank dus de nadruk op het feit dat de maatschappelijke structuur gedetermineerd wordt door haar inbedding in commerciële verhoudingen, en dat die verhoudingen als het ware van buitenaf hun invloed uitoefenen. Onderontwikkeling heeft op die manier niet te maken met de binnenlandse economische, politieke, culturele, sociale structuur van een land, maar is volledig bepaald door de inschakeling in een geheel van verhoudingen die gekenmerkt zijn door de (commerciële) satelliet-metropool tegenstelling.
De kapitalistische penetratie (dit wil bij Frank zeggen: de handelsverhoudingen van de markt) leidde volgens Frank b.v. van buiten uit tot de vernietiging van de prekapitalistische productiewijzen. Hij stelt bijgevolg dat Latijns-Amerika deel uitmaakte van het wereldkapitalisme sinds de verovering in de zestiende eeuw. Door de commerciële integratie in het kapitalistisch wereldsysteem worden de klassenverhoudingen automatisch en volledig tot kapitalistische getransformeerd.
Voor de studie van het specifiek mechanisme dat enerzijds ontwikkeling en anderzijds onderontwikkeling produceert baseert Frank zich bij zijn analyse van de metropool-satelliet verhouding op de theorie van het economisch surplus van Baran[8]. Dat surplus is niet op te vatten in de zin van de marxiaanse meerwaarde, maar is, zoals Franks nadruk op de commerciële verhoudingen al doet vermoeden, een commercieel surplus.
Baran maakt een onderscheid tussen het actueel surplus en het potentieel surplus. Het eerste is het deel van de productie van de meerwaarde dat gespaard wordt en geïnvesteerd. Het potentieel surplus daarentegen is het surplus waarvan de productie verhinderd wordt door de monopoliestructuur van de economie en door verspilling in luxeconsumptie, wat volgens Baran uiteindelijk ook te maken heeft met die monopoliestructuur. Onderontwikkeling vindt plaats door de onteigening van het actueel surplus en het verkleinen van het potentieel surplus onder invloed van de monopoliestructuur van de economie.
Frank herkent die monopoliestructuur heel duidelijk in zijn analyses van de Chileense economie[9]. Chili werd gedurende de mercantiele periode geconfronteerd met een extern monopolie door haar lokalisatie in de economische structuur van het wereldsysteem, en met een intern monopolie door de binnenlandse economische structuur. De periferie heeft dus nooit enige vorm van concurrentiekapitalisme gekend, maar was volgens Frank monopolistisch gedurende de hele kapitalistische geschiedenis, en was steeds gekenmerkt door een grotere monopolistische concentratie dan de ontwikkelde landen. Die monopolisering kan verschillende vormen aannemen (bezit van mijnen en grond, monopolie wat betreft koopkracht, controle van de opslag, het transport of de verzekering, controle op het aanbod van productiefactoren,…), maar komt steeds neer op de politieke en economische controle door buitenlandse belangen, vaak geruggesteund door politiek-militaire macht.
De hacienda bijvoorbeeld moest in zekere zin autarkisch kunnen bestaan, d.w.z. in het eigen overleven kunnen voorzien. Daarnaast moest ze zowel de regionale als de Europese markt bevoorraden, en haalde ze zelf daaruit de regionale ambachtelijke en Europese luxegoederen. Dat deze transacties verliepen via bemiddeling van monopolistische kooplieden, knaagde aan de winst die de hacendado maakte. Dit wil zeggen, de ongunstige ruilvoet veroorzaakte een waardetransfer naar het centrum, wat de gerealiseerde winst van de hacendado verminderde.
Op die manier is het wereldsysteem gekenmerkt door een keten waarlangs het surplus langs ongelijke ruilverhoudingen wordt toegeëigend[10]. Die keten begint bij de metropool, tot de regionale centra, de lokale centra, de grote grondeigenaars of handelaars, de kleine boeren en pachters en tenslotte de landloze boeren. Een steeds kleiner groepje mensen slaagt er zo in (een deel van) het economisch surplus ten koste van velen toe te eigenen.
Doordat de submetropool zelf een satellietstatus heeft t.o.v. de koloniale metropool, blijft haar ontwikkeling beperkt. Wanneer de band met dat koloniale centrum verzwakt, is er meer perspectief op ontwikkeling[11]. De meest onderontwikkelde regio’s daarentegen zijn deze die het nauwst gelinkt zijn met de metropool.
De productie van onderontwikkeling gebeurt in twee bewegingen: niet alleen is er het wegdraineren van het surplus, maar ook wordt een ‘kapitalistische’ structuur opgelegd, zowel wat de externe als de interne verhoudingen van een economie betreffen. Aan de interne economische structuur van de satelliet wordt de voor het kapitalisme typische contradictie tussen satelliet en metropool opgelegd. Wanneer een land een satellietstatus krijgt, gaat de metropool-satelliet structuur ook het binnenlandse economische, politieke en sociale leven organiseren.
In Chili bijvoorbeeld worden Santiago en Valparaíso zelf metropolen tegenover hun satellieten, de mijnen, de handels-, landbouw-, en militaire centra, die op hun beurt micrometropolen vormen tegenover microsatellieten als kleinere steden, landbouwvalleien en latifundia. Doorheen die keten is de kleinste microsatelliet verbonden met de grootste macrometropool. De aard en de graad van de banden tussen de schakels variëren en moeten empirisch onderzocht worden. Maar alle hebben ze gemeenschappelijk dat het mechanismen zijn waarlangs het surplus wordt toegeëigend.
De metropool-satelliet verhouding werd vanaf de zestiende eeuw in Latijns-Amerika geïntroduceerd door middel van wapengeweld, en werd ook later op die manier gehandhaafd. De interne structuur die uit de transformatie van Latijns-Amerika resulteerde, is het product van invloeden uit de metropool of uit de metropool-satelliet verhouding. De economie in de satelliet wordt door Frank niet gekarakteriseerd als feodaal, maar als koloniaal, d.w.z. georiënteerd op de markt van de metropool. Kenmerkend voor de koloniale economie is de productie voor de markt. Die marktoriëntatie conditioneert alle productieve activiteiten. Het is de exportsector die de dynamische sector van de economie vormt, en die belangen creëert in de binnenlandse metropool die de afhankelijkheidsstructuur in stand houden.
Zo werden de haciendas van Spanjaarden of creolen de plaats waar textiel, graan en vee werd geproduceerd, waarvoor vanuit de interne satelliet hout, brandstof, voedsel en kledij werd geleverd[12]. Grond werd verkregen door ‘merced’, verovering, verdrijving, fraude, dus door koloniale machinaties. Rechten op land werden o.a. door de koning toegekend aan stadsbewoners, die eigenaars waren van monopolistische rechten inzake handel, mijnlicenties, transport, etc.
De meest onderontwikkelde regio’s zijn diegene met de nauwste link met de metropool, zoals de plantages, die Frank beschouwt als kapitalistische ondernemingen in gedegenereerde vorm[13]. Plantages en hacienda’s zijn vormen van latifundia, die louter commerciële responsen zijn op de toenemende vraag uit de metropool, en niet beschouwd kunnen worden als de overleving van oude instituties. Latijns-Amerika kende nooit een feodale economie[14].
De latifundia, die sinds de 16de eeuw Latijns-amerika tekenen, zijn volgens Frank kapitalistisch. Dit wil volgens hem zeggen dat het fundamentele economische feit de warenruil is, wat deze economische vorm onderscheid van de vermeende geslotenheid van een feodale economie[15]. Frank verwerpt dan ook analyses van de perifere economieën in termen van autarkie, geslotenheid, feodalisme, subsistentie-economie. Het is duidelijk dat de Spanjaarden niet kwamen om gesloten economische systemen op te zetten. Colombus werd immers gesteund door de handelsburgerij en niet in de eerste plaats door de feodale heren. Drie criteria lijkt Frank naar voor te schuiven in zijn argumentatie waarom hij de Latijns-Amerikaanse koloniale economie kapitalistisch noemt[16]. Primo, er is een mechanisme van accumulatie en herinvestering van kapitaal aan de gang. Secundo, het gaat om een stelsel van uitgebreide warenproductie, en het is niet enkel de productie voorbij de subsistentiebehoeften die als waren wordt verkocht. Tertio, er is een duidelijke tegenstelling tussen kapitaal enerzijds en arbeiders anderzijds.
Sinds de 16de eeuw gaat het dus om open, afhankelijk kapitalistische exporteconomieën. Die afhankelijkheid en onderontwikkeling bestaan vanaf de verovering zelf, al drie eeuwen voor de onafhankelijkheid van b.v. Chili.
De politieke conclusie die Frank hieraan verbindt, is dat een nationalistische oplossing niet adequaat is, en het noodzakelijk is die structuur te breken en tegelijk het socialisme te vestigen. Er is geen ruimte voor een nationale staatskapitalistische ontwikkeling onafhankelijk van het imperialisme. Er is geen nationale burgerij die onafhankelijk genoeg is om een nationale bevrijdingsstrijd te voeren[17].
Ook in Bahia, de regio waarop in deze tekst wordt gefocust, lijkt op het eerste gezicht deze structuur aanwezig te zijn. De suikerplantages waren er fundamenteel op export gericht, en werden geconfronteerd met handelsmonopolies. De introductie van het vlotensysteem bijvoorbeeld leidde tot het volledig verdwijnen van de al beperkte concurrentie onder scheepvaarders, wat de planters slecht gezind waren[18]. Dat veranderde immers de verhouding tussen handelaars en de planters in het nadeel van deze laatste.
1.2.Wallerstein
Ook Wallerstein hanteert een handelsgecentreerde benadering zoals die van Frank[19]. Het kapitalisme ontstond volgens hem met de expansie van de handel en de commerciële specialisatie in de 16de eeuw. In het midden van de 17de eeuw ontwikkelt zich zo een opdeling in centrum, semi-periferie en periferie, een verhouding die wordt gehandhaafd door het centrum. Die opdeling correspondeert met een machtsverschil tussen de respectievelijke staten. Dit machtsonevenwicht is de mogelijkheidsvoorwaarde van mechanismen van ongelijke ruil die toestaan dat een surplus wordt toegeëigend door het centrum. Op die manier verschijnt hier opnieuw de stelling dat de ontwikkeling van het centrum als voorwaarde en fundament de onderontwikkeling van de periferie heeft.
Vóór het ontstaan van het wereldsysteem spreekt Wallerstein over wereldimperia, waar de beperktheid van de economische ontwikkeling veroorzaakt is door de onproductieve absorptie van het economisch surplus door de bureaucratie. De opheffing van dit wereldimperium is de voorwaarde voor de moderne economische ontwikkeling, die volgens Wallerstein mogelijk is doordat regionale specialisatie een efficiëntere productie mogelijk maakt. Cruciaal is dat volgens Wallerstein verschillende systemen van arbeidscontrole zo worden gedistribueerd per regio, in verhouding tot de regionale demografische distributie en de natuurlijke ressources. Dit proces geeft aanleiding tot het machtsverschil tussen staten, waardoor een politieke structuur tussen centrum en periferie ontstaat die de arbeidsdeling handhaaft.
De onderontwikkelde naties gaan zich specialiseren in landbouwproductie. Volgens Wallerstein is loonarbeid geen essentieel kenmerk van het kapitalisme, maar is het slechts één van de mechanismen waarmee arbeidskracht wordt gerekruteerd. Alternatieven zijn slavernij, het ‘tweede feodalisme’, share-cropping, pachterschap. Al die verschillende wijzen van arbeidscontrole zijn volgens Wallerstein kapitalistisch, gezien de aard van de wereldeconomie waarin die gesitueerd zijn. De verschillende vormen die de arbeidscontrole aanneemt moeten verklaard worden in termen van de handelsverhoudingen en comparatieve voordelen.
1.3.Kritiek
1.3.1.Reductionisme, functionalisme, mechanisme, individualisme
Het eerste probleem met deze benadering is dat ze neigt naar een vorm van reductionisme op twee vlakken:
-Alle maatschappelijke verhoudingen worden bij Frank gedacht in termen van de tegenstelling metropool/satelliet. De inzet van het debat bestaat erin meer verfijnde theoretische onderscheidingen te introduceren dan bij b.v. Frank het geval is. De verhouding satelliet-metropool onverminderd en op gelijke wijze toepassen zowel op de verhouding tussen koloniale metropool en het regionale centrum in de periferie als op de lokale verhouding tussen latifundista en kleine boeren, is zeer discutabel, en dreigt wel eens de specificiteit van die heel concrete verhoudingen, met al hun culturele, sociale, economische en politieke implicaties over het hoofd te zien.
-De interne structuur van een maatschappijformatie wordt verklaard in termen van de commerciële verhoudingen waarin ze is ingebed. Een eigen interne dynamiek en strijd kan binnen dat model nauwelijks gedacht worden. Frank en Wallerstein komen zo in een mechanistische, neo-functionalistische theorie wat betreft de uitbuitingsverhoudingen en klassenstructuur in de periferie[20]. De klassenverhoudingen die daar ontstaan lijken er immers te zijn omdat ze functioneel zijn t.a.v. de metropool in het wereldsysteem. Er is geen enkele aandacht voor het eigene van de interne dynamiek, voor het feit dat de economische vormen in de periferie steeds ook de uitkomst zijn van een strijd binnen die periferie.
De handelsgerichte benadering van Frank en Wallerstein noemt Brenner ‘neo-smithiaans’[21]. Volgens hem blijft de analyse van Wallerstein en Frank, ondanks hun kritiek op zijn optimisme, schatplichtig aan de individualistisch-mechanische assumpties van het model van Adam Smith[22]. Wanneer Smith stelde dat door het openen van de markt op onmiddellijke en automatische wijze economische ontwikkeling zou volgen, stellen zij daarentegen dat de markt economische onderontwikkeling produceert. Maar de onderliggende assumptie is dezelfde: veranderde klassenverhoudingen zijn het onmiddellijke gevolg van eisen tot surplusproductie vanuit de wereldmarkt. De ontwikkeling van een mondiaal mercantiel systeem is een unitair proces dat zowel ontwikkeling in de metropool als onderontwikkeling in de satelliet produceert. Nochtans kan volgens Brenner handel als zodanig de transformatie van klassenverhoudingen niet bepalen, zoals o.a. Wallerstein en Sweezy menen[23]. Frank leek er vanuit te gaan dat door de wereldmarkt bijna ex nihilo een bepaalde maatschappijstructuur ontstond in de satellieten, in functie van de markt[24]. Het probleem is er daarentegen in de eerste plaats één van de zelftransformatie van de bestaande klassenverhoudingen en slavernij doorheen de klassenstrijd, eventueel onder invloed van de context van commerciële verhoudingen.
Wanneer de markt in een bepaalde mate leidt tot de ontwikkeling van de productiekrachten, vereist die ontwikkeling volgens Sweezy en co op een bepaald punt de reorganisatie van de productieve verhoudingen. Op die manier wordt de introductie van vrije loonarbeid een technisch-economische aanpassing in plaats van het gevolg van een bepaalde strijd. Het klassensysteem van loonarbeid wordt dus een nevenproduct van de individuele acties van productie-eenheden in de poging tot een efficiëntere controle van de arbeid.
Zoals we zullen zien, is ook in Bahia gebruik gemaakt van vormen van loonarbeid als strategie voor de controle van de arbeid. Hierin hebben Wallerstein en Sweezy gelijk. Maar dat kan, zoals we zullen zien, zeer moeilijk worden verklaard in termen van de druk vanuit de wereldmarkt. We zullen laten zien dat de specifieke aard van de arbeidscontrole in de eerste plaats voortvloeit uit een strijd binnen de plantages zelf. Daarbij leidt de introductie van vormen van loonarbeid als respons op strategieën van verzet van de slaven niet tot een fundamentele wijziging van de klassenverhoudingen, maar gaat het enkel om een strategie van klassenoverheersing in een door slavernij gedomineerd stelsel. Er bestaat immers nog geen arbeidsmarkt als zodanig. De halfslachtige aard van de loonarbeid in kwestie is duidelijk in de verloningsvorm (vaak in natura…). De fundamentele wijziging van de klassenverhoudingen zal enkel mogelijk blijken onder invloed van de openlijke bevrijdingsstrijd van de slaven. De introductie van alternatieve vormen van arbeidscontrole moet daarentegen gezien worden als antwoord op hun talrijke microstrategieën van verzet (weglopen, gewapende strijd, sabotage…).
1.3.2.Productieverhoudingen
De klassieke discussie over de feodale (dit is de positie van de stalinisten) dan wel kapitalistische (Frank e.a.) aard van de Latijns-Amerikaanse economie lijdt volgens Laclau aan het euvel dat beide klassieke posities argumenteren op het niveau van de warenruil, en de sfeer van de productie in haar eigenheid miskennen[25]. Beide hanteren als criterium de mate van integratie in de markteconomie, waarbij de ene het gebrek aan integratie beklemtoond, en de andere precies de afhankelijkheid van de inclusie in het wereldkapitalisme.
Franks inbreng in de discussie is niet gespaard van die conceptuele problemen. Impliciet definieert hij kapitalisme als productie voor de markt, met als motief de winst, die toegeëigend wordt door de niet-producent. Feodalisme daarentegen wordt vaag gedefinieerd als een gesloten of subsistentie-economie[26].
De cruciale notie van productieverhoudingen verdwijnt daardoor uit het vizier[27]. In Franks bijzonder brede definitie van kapitalisme wordt elke verhouding tussen uitbuiter en uitgebuite via commerciële mechanismen een kapitalistische verhouding. Het kapitalisme gaat m.a.w. bijna terug op de neolithische revolutie! Het model van Frank en Wallerstein hebben er moeite mee de historische specificiteit van bepaalde maatschappelijke verhoudingen te zien. Zo blijft de omwenteling in West-Europa die begon eind 18de eeuw moeilijk te denken in Franks kader. Nochtans laat Mandel op dat moment de eerste lange golf van de kapitalistische ontwikkeling beginnen[28]. Het is vanaf dan dat de commodificatie van de arbeidskracht veralgemeend wordt, met als gevolg een systeem van veralgemeende warenproductie, en dat de dwang tot de productie van relatieve meerwaarde en kapitaalaccumulatie de grondslag legde voor de hedendaagse ecologische en sociale crisis.
Marx dacht het kapitalisme, hoewel hij die term nooit gebruikte, in de eerste plaats in termen van een specifieke productiewijze. De hoofdtrekken ervan bestaan erin dat er een scheiding is tussen de onmiddellijke producent en de productiemiddelen, waarbij de arbeider gedwongen is zijn arbeidskracht te verkopen. Dit veronderstelt dus het bestaan van een arbeidsmarkt, d.w.z. de commodificatie van de arbeidskracht. In de slaveneconomie waarop we in de case van Bahia zullen focussen, is die scheiding tussen de onmiddellijke producent en de productiemiddelen er ook, en is niet de arbeidskracht, maar de arbeider als zodanig gecommodificeerd. Dit heeft specifieke gevolgen die we hieronder zullen bespreken.
Noodzakelijk voor de kapitalistische ontwikkeling van de productiekrachten is dus de aan de kapitalistische productiewijze kenmerkende ‘vrije’ loonarbeider, in de dubbele betekenis van vrij van persoonlijke dominantie zoals in slavernij, en vrij van de productiemiddelen[29], en de functionering van een arbeidsmarkt en de creatie van een arbeidsreserveleger.
Frank en Wallerstein denken met hun model dat uitgaat van de winstmaximerende mercantiele rationaliteit niet het belang van de productieverhoudingen. Bij Frank hangt dit samen met zijn inspiratie die hij haalt bij Baran. Deze verklaart niet hoe de uitbuiting of de monopoliestructuur tot stand komen, noch wat de mechanismen van de surplustoe-eigening zijn. Hij focust enkel op het gebruik van het surplus, en niet op de voorwaarden van de toe-eigening ervan, waardoor het belang van de productieverhoudingen aan de kant wordt geschoven, en daarmee dus ook de klassenanalyse. De metropool-satelliet tegenstelling is op die manier een conflatie van spatiale entiteiten en sociale klassen.
1.3.3.Het ritme van de ontwikkeling van de productiekrachten
Samen met de verwaarlozing van de productieverhouding ziet Frank een andere fundamentele kwestie over het hoofd. Hij ziet de dynamiek van de kapitalistische productiewijze niet gelegen in de kapitaalaccumulatie door innovatie in het centrum, maar louter in de transfer van het surplus uit de periferie naar het centrum, naast het opleggen van een bepaalde arbeidsdeling (grondstofproductie in de satellieten) en exportafhankelijkheid van de periferie in functie van het centrum.
De specificiteit van de kapitalistische productiewaarde bestaat erin dat deze de ontwikkeling van de productiekrachten niet op een bepaald niveau of ‘stadium’ brengt[30], maar ze een bepaald ontwikkelingsritme oplegt[31]. Ze is gekenmerkt door een systematische tendens tot economische groei doorheen de productie van relatieve meerwaarde, mogelijk gemaakt door de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit (vandaar dan ook dat die systemische groeidwang ons vandaag in een enorme ecologische crisis bracht). Prekapitalistische productiewijzen daarentegen expanderen enkel binnen bepaalde limieten omdat ze gefocust zijn op de productie van absolute meerwaarde[32]. Het is precies dat proces van de productie van relatieve meerwaarde dat Wallerstein en Frank over het hoofd zien bij hun analyse van het kapitalisme. Zij hebben een louter kwantitatieve visie op economische ontwikkeling, die zich beperkt tot de incorporatie van de wereld binnen het systeem, specialisatie en surplustransfer, maar incorporeren niet de accumulatie via innovatie, maar enkel de productie in functie van winst op de markt.
In de kapitalistische productiewijze bepaalt de klassenstructuur van de hele economie dat de reproductie van de productie-eenheden afhankelijk is van hun capaciteit om de productie te doen toenemen, dus te accumuleren, waartoe de ontwikkeling van de productiekrachten noodzakelijk is. Het probleem van de oorsprong van het kapitalisme is dus het probleem van de oorsprong van de vrije loonarbeid en de commodificatie van de arbeidskracht en productiemiddelen, en niet de oorsprong van de wereldmarkt, waarvan het systeem van de vrije arbeidskracht als manier van arbeidscontrole, zou afgeleid zijn.
1.4.Laclau: de feodale productiewijze
De belangrijkste kritiek gaat dus over het vraagstuk of zeer verschillende productievormen zomaar over een kam geschoven kunnen worden. Het kleine boerendom, de hacienda’s en andere plantages allemaal ‘kapitalistisch’ noemen, is op veel kritiek gestoten van een hele reeks auteurs. Vaak lijkt het alsof het debat eigenlijk verwordt tot een soort conceptueel fetisjisme, namelijk over de correcte definitie van bepaalde noties zoals kapitalisme, productiewijze etcetera. Vaak wordt gesteld dat er geen echte onenigheid is, maar dat het gaat om een tamelijk steriel debat over de karakterisering van de maatschappijformaties in kwestie. Dat is bijvoorbeeld de opvatting van Banaji, die stelt dat zowel Frank als Laclau een kritiek formuleren op het dualisme, en de primauteit van de wereldmarkt erkennen[33]. Nochtans is er een reëel belang in de discussie wanneer die wordt gefocust op een analyse van de klassenstrijd die zich binnen die structuur afspeelt. Het belang van Laclau zijn bijdrage bestaat er precies in te benadrukken dat niet enkel de commerciële metropool-satelliet verhouding, maar ook de productieverhoudingen zelf als strijdverhoudingen in de analyse moeten worden betrokken, en een extra onbepaaldheid in de maatschappelijke dynamiek brengen.
De niet-kapitalistische productieverhoudingen in Latijns-Amerika zijn volgens Laclau perfect compatibel met de oriëntatie van de productie op de wereldmarkt[34]. Meer zelfs, die verhoudingen worden versterkt door de productie voor die markt. De toename van de vraag uit de wereldmarkt leidde immers tot het succes van de haciendas en de toename van het surplus dat op die wijze kon worden gerealiseerd. In die zin kan de dwang van de wereldmarkt zelfs leiden tot wat men de ‘herfeodalisering’ of ‘second servitude’ is gaan noemen. Laclau ontwaart b.v. op het eind van de 19de eeuw een toenemende landbouwproletarisering.
Deze wordt gedacht naar het model van de zogeheten ‘tweede golf van horigheid’ waarbij Oost-Europese boeren die in de vijftiende eeuw nog vrij waren hun lot zagen veranderen in de loop van de zestiende eeuw en voor de tweede keer horig werden[35]. Het gaat hier om herfeodalisering, de herinvoering van het feodaal stelsel. Dit had te maken met de ingrijpende conjuncturele tegenslagen aan het begin van de zestiende eeuw waardoor Oost-Europa werd teruggeworpen tot de koloniale status van grondstoffenproducent. Een tweede golf van horigheid was daarvan het meest in het oog lopend facet. De oorzaak hiervan ligt enerzijds in externe factoren, zoals de enorme toename van de West-Europese vraag naar voedsel en grondstoffen. Intern speelde de wedloop tussen staat, stad en landadel, waarbij de laatste bijna overal op een sleutelpositie zat. Beslaglegging op arbeidskracht (en ook vruchtbare grond) was de motor achter het succes van de feodale heren. Dit kon slechts doorheen een periode van intense sociale strijd die leidden tot het mislukken van de boerenopstanden. Deze economische eenheden zijn dus niet strikt autarkisch, gezien ze ‘van bovenaf’ openstonden.
De intensificatie van de serviele verhoudingen zijn een antwoord van de prekapitalistische instituties op toegenomen handelsmogelijkheden. Op dit niveau moet de articulatie van de prekapitalistische landbouwonderneming met de kapitalistische productieverhoudingen in andere sectoren worden gedacht. De ‘feodale’ heer was een radertje in het handelskapitalistisch systeem.
Ook de Latijns-Amerikaanse landheren zijn geen kapitalisten in de mate dat ze niet uit alle macht zochten hun productiekosten omlaag te krijgen, omdat alles vanzelf ging, en maakten zich nauwelijks druk om hun gronden te verbeteren. Ze zagen af van iedere reële investering en stelden zich zoveel mogelijk tevreden met hun horigen als leveranciers van gratis arbeidskracht. Pas vanaf 1820 werd deze specifiek kapitalistische rationaliteit geïntroduceerd[36].
Het affirmeren van het feodale karakter van de productieverhoudingen in de Latijns-Amerikaanse landbouw is niet een terugvallen op de klassieke dualistische thesen volgens Laclau. Volgens die thesen is er nauwelijks een connectie tussen de moderne en traditionele sector.
In plaats daarvan moeten de twee als intern gerelateerd worden beschouwd. De moderniteit van de ene is precies een functie van de achterlijkheid van de ander. Op een meer lucide manier dan bij Frank komt Laclau opnieuw met de stelling van de ontwikkeling van onderontwikkeling op de proppen, maar nu gebaseerd op productie- in plaats van op marktverhoudingen[37].
In plaats van die vaagheid die berust op het onderscheiden van één enkele contradictie, die tussen satelliet en metropool die gekenmerkt is door de transfer van het surplus zoals dat door Baran werd begrepen, moet volgens Laclau een onderzoek gebeuren naar de concrete afhankelijkheidsrelaties in concrete productiewijzen[38]. Hij geeft het voorbeeld van de middeleeuwse ongelijke ruilverhoudingen tussen West-Europa en het Oostelijk gebied rond de Middellandse Zee, waarbij er een dispariteit bestond wat betreft de prijsniveaus ten voordele van West-Europa, waardoor het surplus van de oostelijke middellandse zee kon worden geabsorbeerd in het westen. Deze concrete contradictie is duidelijk een andere dan de loonverhouding in de productiesfeer. De Europese expansie tijdens de mercantilistische periode moet volgens Laclau beschouwd worden als een uitbreiding van dit proces op wereldschaal. Door haar monopoliepositie kon Europa de warenprijzen in het overzeese imperium bepalen ten voordele van zichzelf. Dit gaf aanleiding tot een versterking van de extra-economische dwang in de periferie en de verhoging van de uitbuiting van de arbeidskracht.
Het kapitalistisch tijdperk van de Europese expansie daarentegen is gebaseerd op een ander soort afhankelijkheidsverhouding dan deze. Volgens Laclau is het het mechanisme van de nivellering van de winstvoet dat een cruciale rol gaat spelen in het wegdraineren van het surplus naar het centrum.
De accumulatievoet van het kapitaal is afhankelijk van de winstvoet, de cruciale economische variabele. Die winstvoet is op haar beurt volledig bepaald door de meerwaarde en de organische samenstelling van het kapitaal. De toename van die laatste is de mogelijkheidsvoorwaarde voor de expansie van de kapitalistische productiewijze. De toename van de technologie leidt tot een toename van de productie van relatieve meerwaarde, van het arbeidsreserveleger en tot de daling van de lonen, maar tegelijk tot een tendentiële daling van de winstvoet.
Cruciaal is nu dat productie-eenheden met een lage techniek of met een buitensporige uitbuiting van de arbeidskracht een tegengewicht bieden voor de dalende winstvoet door de toename van de organische samenstelling van het kapitaal in de industriële sectoren.
In die zin speelt de hacienda met haar lage organische samenstelling van het kapitaal, de extra-economische dwang en het grote arbeidsreserveleger dat arbeidskracht goedkoop maakt, een cruciale rol in het op peil houden van de winstvoeten in het centrum. De expansie van de kapitalistische productiewijze in het centrum is op die manier gefundeerd op de niet-kapitalistische productiewijzen in de periferie.
Opgemerkt moet worden dat er echter op de wereldmarkt als zodanig geen nivellering van de winstvoet plaatsgrijpt[39]. Er is immers geen perfecte kapitaalmobiliteit op internationaal niveau. Dat is precies de mogelijkheidsvoorwaarde opdat er ongelijke ruil zou kunnen bestaan: een nivellering van de winstvoet zou immers gepaard gaan met gelijke productieprijzen. Wat wel gebeurt, en daar wees Marx op in het derde deel van Het Kapitaal, is dat de hogere koloniale winsten worden gerepatrieerd en voor zover er geen monopolies bestaan, deelnemen aan de nivellering van de winstvoet in het moederland[40].
1.5.Analyse-eenheid
Een van de cruciale problemen in de discussie is de kwestie van de analyse-eenheid. Frank denkt op de eerste plaats op het niveau van de wereldeconomie, waarbij het criterium voor de uitbuitingsverhoudingen de ruil is. Met die ruilverhoudingen zijn verder verschillende lagere vormen van uitbuiting compatibel. De echte uitbuiting vindt volgens Frank plaats tussen economische systemen, die hij positioneert aan de hand van de tegenstelling metropool/satelliet. Laclau daarentegen, argumenteert dat Frank daardoor de specificiteit mist van de uitbuiting, die zich in de eerste plaats op het niveau van de productie afspeelt. Uitbuiting hangt samen met een bepaalde productiewijze, met bepaalde productieverhoudingen. De voorwaarde waaronder we slechts kunnen spreken van kapitalistische uitbuiting is dat er vrije loonarbeid bestaat.
De discussie over of nu het wereldsysteem dan wel de productiewijze of productieverhoudingen de geschikte analyse-eenheid vormen, is een steriele discussie. Alle verschillende niveaus moeten uiteindelijk in de analyse worden betrokken, en niet slechts één ten koste van de andere. Laclau en de theorie over de articulatie van productiewijzen hebben een voetje voor op Frank omdat ze de twee vermelde niveaus (het economisch systeem en de productiewijze) pogen te integreren. Wat echt van belang is in de discussie, en onderliggend is aan de kwestie van de analyseniveaus, is het vraagstuk van de verhouding tussen de productie- en circulatiesfeer.
1.6.Verhouding tussen productie en circulatiesfeer
De cruciale vraag is of het feit van de dominantie van het handelskapitaal in het wereldsysteem vanaf de 16de eeuw zoals Frank meent als voldoende oorzaak kan gedacht worden voor de vorm die de binnenlandse economische structuur van de koloniën aanneemt. Hoewel Marx de kracht van het handelskapitaal erkent, meent hij dat het op zich niet kan instaan voor de transformatie van de bestaande productiewijze: “all development of merchant's capital tends to give production more and more the character of production for exchange-value and to turn products more and more into commodities. Yet its development (…) is incapable by itself of promoting and explaining the transition from one mode of production to another”[41].
Daarentegen is het perfect mogelijk dat de dominantie van het handelskapitaal gepaard gaat met niet-kapitalistische productiewijzen, zoals de koloniale slavenproductiewijze zoals we die hierna zullen bespreken. “The independent and predominant development of capital as merchant's capital is tantamount to the non-subjection of production to capital, and hence to capital developing on the basis of an alien social mode of production which is also independent of it. The independent development of merchant's capital, therefore, stands in inverse proportion to the general economic development of society”[42].
Niettemin is het onweerlegbaar dat het ontstaan van het mercantiele stelsel een enorme impact heeft gehad op perifere stelsels. Soms slaagde het erin zich succesvol te articuleren met de bestaande productiewijze (b.v. Rey zijn analyse over de articulatie van de slavenhandel met de verwantschapsproductiewijze[43]). Soms, zoals in de Bahiaanse slavenproductiewijze, vond een radicale transformatie van de bestaande maatschappelijke verhoudingen plaats waar doorheen een vaak bloedige strijd nieuwe productievormen konden opgezet worden. Deze zijn voor een deel importproducten van de kolonisatoren, maar kunnen daar geenszins toe gereduceerd worden.
De vraag waarrond het Frank/Laclau debat draait, heeft dus te maken met het relatieve belang van de productie- en circulatiesfeer in de ontwikkeling van de perifere maatschappijformaties.
Marx zelf stelt in de inleiding van de Grundrisse dat “productie, distributie, ruil en consumptie (…) alle leden van een totaliteit zijn, onderscheiden binnen een eenheid. De productie is het dominante moment zowel ten aanzien van zichzelf, voorzover zij antithetisch gedefinieerd wordt, als ook ten opzichte van de andere momenten”. “Een specifieke productie determineert dus een specifieke consumptie, distributie en ruil alsmede specifieke verhoudingen tussen deze verschillende momenten”[44]. Vandaar de nadruk die vele marxisten leggen op de verklarende prioriteit van de productiesfeer, wat aanleiding gaf tot de productiewijze-benadering. Daarbij wordt echter vaak over het hoofd gezien dat er “wisselwerking plaatsvindt tussen de verschillende momenten. Dat is het geval bij ieder organisch geheel”[45]. Dit betekent dat concreet moet worden nagegaan hoe de verhouding van het belang van ruil en van productie is in de onderontwikkeling van de periferie. Dat kan niet a priori op theoretische wijze gebeuren, maar enkel a posteriori, empirisch. Dit is een intuïtie waaraan o.a. Mandel trouw is. Hij stelt bijvoorbeeld dat “zowel vóór de Eerste Wereldoorlog als ook tussen de twee wereldoorlogen in, de ongelijke ruil kwantitatief ondergeschikt was aan de rechtstreekse productie en directe overdracht van de koloniale surpluswinsten. In dit tijdperk waren de koloniale surpluswinsten de hoofdvorm van de uitbuiting van de Derde Wereld door de metropolen, de ongelijke ruil een nevenvorm.”[46] We zullen argumenteren dat de bepaling van het belang van productie- en ruil niet kan berusten op een bepaalde economische rationaliteit, of op zogeheten ‘bewegingswetten’ van een bepaalde productiewijze, maar dat beide fundamenteel strijdverhoudingen zijn, en dus onbepaald blijven. Een empirische analyse van die verhoudingen moet dus in de plaats komen van het postuleren van theoretische entiteiten als ‘bewegingswetten’.
De commerciële verhoudingen hebben dus wel degelijk een invloed op de structurering van de productiewijze. “The extent to which products enter trade and go through the merchants' hands depends on the mode of production, and reaches its maximum in the ultimate development of capitalist production, where the product is produced solely as a commodity, and not as a direct means of subsistence. On the other hand, on the basis of every mode of production, trade facilitates the production of surplus-products destined for exchange, in order to increase the enjoyments, or the wealth, of the producers (here meant are the owners of the products). Hence, commerce imparts to production a character directed more and more towards exchange-value”[47].
Ook het zogeheten neomarxisme en de theorie van het perifeer kapitalisme (Samir Amin) gaan uit van die organische eenheid van beide sferen en brengen een zekere convergentie tot stand tussen productionistische en circulationistische benaderingen. Volgens hen kunnen de kapitalistische ruilverhoudingen worden gemedieerd door niet-kapitalistische productievormen (b.v. familiale landbouw). Het kapitalistische wereldsysteem veronderstelt niet dat het kapitaal een directe controle heeft over het productieproces waarbij de arbeid gescheiden is van de productiemiddelen.
Dit is in tegenstelling tot de articulatie-benadering, die stelt dat de persistentie van de prekapitalistische productiewijze de expansie van de kapitalistische productiekrachten blokkeert, en dat de mogelijkheid dat de niet-kapitalistische productiewijze de kapitalistische productieverhoudingen mediëren uitgesloten is in de mate dat ze onafhankelijke reproductievoorwaarden heeft[48]. De reproductievoorwaarden van de lokale productiewijze zouden zich dan op een ander niveau of ‘analyse-eenheid’ bevinden dan wanneer beschouwd vanuit de wereldsysteemanalyse. In deze tekst wordt echter gefocust op de slavenproductiewijze in Bahia, waar de reproductievoorwaarden bij uitstek samenhangen met de commerciële verhoudingen van de slavenhandel. Dat betekent dat de reproductie van de lokale productiewijze geenszins los gezien kan worden van de verhoudingen op de wereldmarkt.
1.7.Hegemonie van mercantiele klasse
Rey en Dupré stelden terecht dat het bestaan van markten onvoldoende was voor de transformatie van een ‘traditionele’ samenleving. Het bestaan van een marktvraag creëert op zich geen ‘homines economici’. Ook in Bahia leek de indigene bevolking niet op een volgens de kolonisten ‘rationele’ manier te reageren op de marktmogelijkheden.
Bij dat soort mislukte articulaties, zoals in Bahia het geval was, blijkt een flinke portie geweld en een cultureel offensief noodzakelijk te zijn om de lokale productiewijzen te transformeren of te vernietigen en de productiekrachten te produceren die inzetbaar zijn in het koloniale project.
De alomtegenwoordige mercantiele rationaliteit in de periferie kan daarom volgens Kahn niet anders begrepen worden dan in termen van de relatieve hegemonie van een mondiale handelaarsklasse[49]. Het bestaan van een markt mag niet genaturaliseerd worden. De eigenlijke oorzaak ervan moet gezocht worden in bepaalde maatschappelijke verhoudingen, in casu de verhouding tussen handelaars, grondeigenaars en boeren.
Kahn suggereert op die manier dat het bestaan van serviele arbeidssystemen in de periferie niet het gevolg is van de rationaliteit van de wereldmarkt als zodanig, maar van de hegemonie van de Europese mercantiele klasse[50]. Deze zou erin slagen de kolonialen die zich in de periferie settelen, aan zich te binden via mechanismen van leningen en schuld, slavenhandel of via interventies van het staatsapparaat, en zo de winstmaximerende rationaliteit algemeen ingang te doen vinden.
Het is ook de hegemonie van de mercantiele klasse die ervoor zorgt dat er handelsbarrières bestaan, waardoor de monopolies blijven bestaan. Dit klopt grotendeels voor Bahia, waar bijvoorbeeld het vlotensysteem de planters bijzonder afhankelijk maakt van de mercantiele klasse met haar monopolies. Ook qua klassenachtergrond hebben vele planters in Bahia hun oorsprong in de handelsburgerij of anders in lagen van nieuwe christenen, die in Portugal een lage status hebben, maar door hun nieuwe rijkdom zich in de kolonie de traditionele, adellijke vormen van sociale legitimiteit wensen aan te meten[51]. Pas later worden meer planters echte Brazilianen in plaats van immigranten, hoewel de band met Europa sterk blijft, vooral bij belangrijke families. Met hun deels mercantiele achtergrond brengen ze hun eigen culturele rationaliteiten mee.
Dat de mercantiele klasse echter de hegemonie had in Bahia, is bijzonder discuteerbaar. Zo is het pas vanaf 1700 dat haar politieke en maatschappelijke status werkelijk gaat wegen, naast de predominantie van de planterklasse[52]. Politieke activiteit in Bahia was in de eerste plaats de plicht en het privilege van de planters. De ‘câmara’ of gemeenteraad, waar werd beslist over prijzen, belastingen, wegenbouw of slavencontrole, werd bijvoorbeeld gedomineerd door de belangen van de suikerplanters, en veel minder door die van de handelaars[53]. Daardoor vormden de planters het machtigste segment in de maatschappij, enkel beperkt door de koninklijke magistraten, hoewel deze laatsten weinig controle hadden op het leven in de engenhos.
Anderzijds kwam de stimulans tot economische ontwikkeling wel vanuit het koloniale staatsapparaat. In 1533 voerde koning Don João III het captaincy-systeem in[54]. Daartoe werd de kuststreek verdeeld in 15 percelen die aan een aantal Portugese edelen werden gegeven, die een aantal rechten en privileges kregen in ruil voor de plicht tot kolonisatie en economische ontwikkeling. Door de moeilijke verhouding met de inheemse bevolking en de verwaarlozing door de edelen in kwestie, mislukte dit donatorio-systeem aanvankelijk. De weinige successen hingen af van voldoende kapitaalsinvestering (afhankelijk van de handelaarsklasse) en de goeie ingesteldheid van de donatorio. Het waren vooral zij die dichte banden hadden met de mercantiele klasse[55].
Daarnaast zijn er ook sterke culturele barsten in de vermeende mercantiele hegemonie. Hoewel de suikerindustrie en de winst daarop het dagelijks leven van de planters volledig tekenden, bestond hun centrale preoccupatie daarnaast in het verwerven van adellijk prestige en titels. De winsten uit de suikerproductie vormden daar het middel toe, maar soms doorsneed de sociale statuslogica de economische winstrationaliteit, zodat soms in het licht van deze laatste irrationele beslissingen werden genomen (ut infra).
Om niet in een vorm van functionalisme te vervallen, dient verder te worden verklaard hoe de handelaarsklasse concreet een bepaalde rationaliteit kan opleggen aan de periferie (b.v. in Bahia via stimulansen uit het staatsapparaat), wat de precieze mechanismen zijn van de mercantiele hegemonie (b.v. de gemeenschappelijke culturele en sociale achtergrond, de mechanismen van leningen en schuld). We zullen zien dat de hegemonie van de mercantiele klasse in Bahia zeker niet volledig is, maar sterk wordt doorkruist door andere sociale, niet-mercantiele rationaliteiten, en door het belangrijke conflict tussen planters en handelaars over allerlei modaliteiten van de ruil.
De hegemonie van de mercantiele klasse over de lokale dominante klasse verhindert trouwens ook niet dat de vormen waaronder de arbeid in de periferie wordt gesubsumeerd, verschillen. De concrete maatschappelijke structuur is ook een gevolg van de strijd en het verzet van de lokale dominante klasse (in Bahia de planters) tegen de handelaars, en van de onmiddellijke producenten (de slaven) tegen de lokale elite.
1.8.Conclusie
In de 16de eeuw bestond weinig vrije arbeid zoals Marx die concipieerde voor de kapitalistische productiewijze. De handelskapitalistische verhoudingen die er bestonden lieten toe het surplus toe te eigenen dat in niet-kapitalistische arbeidsverhoudingen was voortgebracht[56]. Ook volgens Hobsbawm was het pas de algemene crisis van de Europese economie in de 17de eeuw die de transitie inzette naar de kapitalistische productiewijze[57]. Dus kan de zestiende eeuwse handel bezwaarlijk het kapitalisme als productievorm hebben geïntroduceerd in Latijns-Amerika. Men kan niet voorbij de lokale structuur en haar eigen dynamiek, die wat Bahia betreft fundamenteel bepaald is door de slavenverhouding, en al haar culturele, sociale en politieke implicaties.
Het debat gaat over de vraag hoe de maatschappelijke dynamiek begrepen en verklaard kan worden. Wij zullen een poging doen om van binnen de productiewijze-benadering uit beide grote verhalen (de articulatietheorie en de benadering van Frank) te deconstrueren, en te wijzen op het belang van de microcontexten en de culturele, politieke, economische strategieën die daarbinnen door de betrokkenen worden gehanteerd. Dit gaan we doen doorheen een kritiek van de klassieke notie productiewijze, om de onderliggende problematiek binnen te brengen in een radicaal empirische benadering, die tegelijk het belang van het open en onbesliste strijdkarakter van de productieverhoudingen benadrukt.
De discussie rond de notie productiewijze barstte vooral uit in de jaren ’60 en stond centraal in de zogeheten nieuwe economische antropologie[58]. Dit debat is snel verworden tot een bijzonder technisch en steriel debat over de definitie van concepten. Eén van de discussiepunten gaat over de vraag naar de verhouding tussen maatschappijformatie en productiewijze (het onderscheid komt van Althusser). Bestaat de maatschappijformatie uit een articulatie van verschillende productieverhoudingen (Laclau, Rey), of uit één productiewijze (Balibar, Hindess en Hirst, Roxborough), of is de productiewijze een abstract concept waarvan de maatschappijformatie de concrete pendant is en die dus geen empirische referent heeft (Alavi, Banaji[59])? Hoe moet de productiewijze geconceptualiseerd worden? Als articulatie van productiekrachten en –verhoudingen (Balibar, Hindess en Hirst), of ook als geheel van bewegingswetten, reproductiemechanismen, en een bepaalde articulatie met de politiek-juridische en ideologische bovenbouw (Wolpes ‘extended concept’)? In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op deze discussie. De Althusseriaanse invloed erin heeft gezorgd voor het nogal steriel karakter van het debat en vaak de onvruchtbaarheid ervan voor concrete analyses. De uiteenzetting van de productiewijzetheorie is dan ook de aanloop naar een kritiek ervan en naar een uiteenzetting van een radicaal empirische invulling van Marx’ concept.
2.1.Balibar en Althusser
Het zijn Althusser en Balibar die met hun maatschappijformatie/productiewijze onderscheid de basis hebben gelegd voor een ganse theoretische stroming die we vandaag kennen als de productiewijzebenadering. Vanuit synchroon opzicht zien Althusser en Balibar de maatschappelijke structuur als een articulatie van onderscheiden praktijken, waarbij ze in de maatschappijformatie drie fundamentele ‘instanties’ onderscheiden, namelijk de economische basis, de politiek-juridische bovenbouw, en het maatschappelijk bewustzijn[60]. Op die manier willen ze op zoek gaan naar de invariante elementen die aan elke maatschappelijke structuur toebehoren. Ze laten zo de geschiedenis verschijnen als een opeenvolging van ‘standen’ van die structuur, gekoppelde aan de respectievelijke productiewijzen.
Op die manier onderscheidt Balibar een aantal elementen die invariant zijn aan elke productiewijze: de arbeider, de productiemiddelen (het arbeidsobject en arbeidsmiddel), de niet-arbeider[61]. Die elementen definiëren samen enerzijds de eigendomsconnectie (de maatschappelijke verhouding waarbinnen de meerarbeid wordt toegeëigend) en anderzijds de reële of materiële toeëigeningsconnectie (de maatschappelijke verhouding waarbinnen de natuur wordt toegeëigend), die samen het concept van de productiewijze vormen. Het concept productiewijze refereert dus naar de combinatie van twee verhoudingen en hun interdependentie. Door het spel van die combinatie van elementen in hun twee verhoudingen is een reconstructie van de concepten van alle productiewijzen mogelijk, zelfs als die nooit hebben bestaan. Dit is het programma dat door Hindess en Hirst werd opgepikt (ut infra).
Op basis daarvan is het echter onmogelijk de transitie tussen productiewijzen te denken, dat veronderstelt namelijk een theorie van de reproductie, die circulatie-, distributie- en consumptiewijze omvat. Een productiewijze als combinatie van elementen is statisch, en moet gedynamiseerd worden aan de hand van het concept van reproductie: daardoor worden geïsoleerde productie-eenheden in een systemische relatie tot mekaar gebracht.
2.2.Hindess en Hirst
Hindess en Hirst sluiten aan bij Balibars benadering voor de productie van het concept productiewijze, maar verwerpen tegelijk het project om een algemene theorie van productiewijzen op te stellen[62]. Ze kiezen voor een beperkte rol voor het concept productiewijze, om elke vorm van idealisme en teleologie te vermijden. Zo reproduceert een productiewijze niet haar eigen eeuwige voorwaarden noch de voorwaarden van haar supersessie (dat laatste zou een teleologie impliceren), maar heeft ze haar bestaansvoorwaarden in de andere instanties van de maatschappijformatie.
In naam van een eigenaardig anti-idealisme radicaliseren de auteurs Althusser en introduceren ze op de meest flagrante wijze het onderscheid tussen theoretisch en reëel object. Ze verwerpen de klassieke benadering waarin een particuliere productiewijze wordt gerepresenteerd als een variant van een algemene structuur, die staat voor de productie in het algemeen, en die zich manifesteert in verschillende realisaties van die structuur, waarbij de verschillende combinaties van de elementen van die structuur de verklaring zou uitmaken van reële historische effecten. Dit leidt volgens de auteurs tot idealisme omdat het verschil tussen concepten gezien zou worden als oorzaak van de differentiatie in het reële, wat een vorm van idealisme is. De structuur van de geschiedenis zou immers de structuur van relaties tussen ideeën zijn. In de geschiedenis zou een rationele orde aanwezig zijn, waarin historische fenomenen de uitdrukking zijn van een bepaalde idee. Adequate kennis van een bepaald historisch fenomeen zou identiek zijn met haar essentie (d.w.z. de idee die uitgedrukt wordt in de fenomenen). Daardoor zou de structuur van de geschiedenis de structuur van de relaties tussen ideeën zijn, de historische beweging zou het effect zijn van de contradicties van essenties. Het opzetten van een geschiedenisfilosofie die de geschiedenis als een rationele orde ziet, verklaart de fenomenen immers in termen van de essenties die ze uitdrukken, of die essenties nu ‘Geist’ zijn of productiekrachten- en verhoudingen. Een wetenschappelijke benadering moet volgens de auteurs komaf maken met de expressieve, teleologische causaliteit, die een vorm is van essentialisme.
Er bestaan echter wel algemene concepten. Er is bijvoorbeeld het algemeen concept productiemiddel, waarvan de functie is de voorwaarden te specifiëren waaraan een concept moet voldoen om het concept te zijn van een particuliere productiewijze. Die algemene concepten zijn het theoretisch productiemiddel voor de concepten van bepaalde productiewijzen, die kunnen worden geconstrueerd (niet gededuceerd) uit algemene concepten. In de hierna volgende kritiek op het althusserianisme gaan we in op de scheiding tussen ideëel en reëel object die zo in naam van het anti-idealisme door Hindess en Hirst wordt geïntroduceerd.
Op die wijze specifieert het concept productiewijze de condities van een concept om het concept te zijn van een bepaalde productiewijze. Productiewijze wordt door Hindess en Hirst gedefinieerd als “een gearticuleerde combinatie van productiekrachten en productieverhoudingen, gestructureerd door de dominantie van de productieverhoudingen”[63]. Die laatste definiëren immers de particuliere wijze van toe-eigening van de meerarbeid en de distributie van de productiemiddelen. Zo vindt in de kapitalistische productiewijze de toe-eigening via ruil plaats, waarbij de meerarbeid de vorm van meerwaarde aanneemt, en zijn de productiemiddelen in handen van de kapitalistische klasse. Die meerarbeid is noodzakelijk aanwezig in alle productiewijzen, die enkel onderling verschillen met betrekking tot de specifieke toe-eigeningswijze.
Productiekrachten worden gedefinieerd als verschillende combinaties van de persoonlijke activiteit van de mens (arbeid), het subject en het instrument van de arbeid. Ze zijn dus een articulatie van deze elementen, en vallen niet samen met de elementen zelf[64].
Die productiekrachten zijn in een bepaalde productiewijze gearticuleerd met de productieverhoudingen. Dit wil zeggen dat het niet om een gewone juxtapositie gaat, en dat geen definitie van de productiekrachten of –verhoudingen mogelijk is onafhankelijk van de productiewijze waarin beide worden gecombineerd. Daaruit concluderen Hindess en Hirst dat wanneer uit de wijze van toe-eigening van de meerarbeid niet de productiekrachten kunnen worden gededuceerd, dat die wijze van toe-eigening dan niet het concept van een bepaalde productiewijze kan definiëren. Bijgevolg is de Aziatische productiewijze niet te beschouwen als een aparte productiewijze, omdat de toe-eigening door middel van belasting en rente geen productieverhouding zou zijn in de zin dat ze geen deel uitmaakt van een gearticuleerde combinatie van productiekrachten en -verhoudingen.
Het omgekeerde, een deductie van de productieverhoudingen uit de productiekrachten, is onmogelijk. Uit de technische differentiatie van het arbeidsproces kan nooit de maatschappelijke arbeidsdeling worden gededuceerd. Hoewel we de Althusseriaanse benadering van productiewijzen zullen verwerpen, is de idee dat van de technische voorwaarden van de productie niet de productieverhoudingen kunnen worden afgeleid, een belangrijk inzicht. Ook Schwartz, de auteur waar we voor onze case Bahia te rade gingen, vervalt af en toe in die richting. Ook bij Meillassoux zijn impliciet de productiekrachten dominant, vooral dan de exploitatiewijze van de grond. Hij onderscheidt twee productiewijzen. In de eerste, in jagers/plukkerssamenlevingen, is het land subject van de arbeid. Daar is het product onmiddellijk beschikbaar door het land. In de tweede is het land instrument van arbeid. Met andere woorden, de verhouding ten opzichte van het land is bepalend. Meillassoux lijkt te suggereren dat uit de vorm van de exploitatie van de grond de productieverhoudingen kunnen worden gededuceerd. De meerarbeid, die in de door Meillassoux geanalyseerde zelfvoorzienende landbouwgemeenschappen wordt geproduceerd door de juniors, wordt toegeëigend door de senioren. De macht van de senioren steunt volgens de auteur op hun kennis van de productietechniek die relatief complex is. De groep is afhankelijk van de technische vaardigheid en kennis van de leider.
Ook Terray gaat uit van een unitaire correspondentie tussen productiekrachten en –verhoudingen, waarbij de productiewijze wordt geïdentificeerd in termen van de productiekrachten, die vooral bepaald zijn door de manieren waarop de menselijke coöperatie in de arbeid wordt georganiseerd[65]. Op die manier reduceert hij net als Meillassoux, die de nadruk niet legde op vormen van coöperatie, maar op de exploitatie van de grond, de economie tot de dominantie van de technologie.
In het volgende hoofdstuk zullen we argumenteren dat productieverhoudingen en –krachten niet onderscheiden kunnen worden zoals hier het geval is. Hier worden duidelijk twee verhoudingen onderscheiden (de reële toe-eigeningsrelatie, zeg maar de relatie tussen mensen en natuur, en de maatschappelijke toe-eigeningsrelatie, tussen mensen onderling), die daarna onderling ‘gearticuleerd’ worden. We zullen argumenteren dat een subtielere benadering ook productiekrachten als een productieverhouding ziet. Dit staat tevens beter toe de strategieën van microverzet op de plantage te denken.
Het Althusseriaanse model van de articulatie van ‘instanties’ wordt door de auteurs verder gedacht op het niveau van de maatschappijformatie. Daarbij is de economische instantie bepalend, maar kent haar mogelijkheidsvoorwaarden in de andere niveaus[66]. Het concept maatschappijformatie omvat volgens de auteurs de productiewijze samen met haar economische, politieke en ideologische mogelijkheidsvoorwaarden. De mogelijkheidsvoorwaarden van de dominante productieverhoudingen kennen aan elk niveau een bepaalde mate van effectiviteit en interventiewijze toe[67]. De productiewijze definieert de structuur van de economische sociale verhoudingen, die op hun beurt de rest als hun mogelijkheidsvoorwaarde bepalen.
Hindess en Hirst deden er alles aan om niet in vormen van functionalisme of teleologie te vervallen. Toch komen ze daardoor terecht in circulaire redeneringen. Ze zien bijvoorbeeld enerzijds de bovenbouw als bestaansvoorwaarde van de economische structuur, en anderzijds houden ze vast aan de idee van de determinatie in laatste instantie door de economische structuur. Die twee zijn enkel te verzoenen door middel van een teleologie. Dat gaat de auteurs in kwestie later de stelling doen aannemen dat de verschillende niveaus van de maatschappelijke structuur noodzakelijk niet corresponderen, en dat leidt hen weg van het historisch materialisme naar een soort systemisch pluralisme[68]. De andere weg die overblijft is het historisch materialisme en haar fundamentele concepten op een andere wijze te definiëren dan de traditionele (en althusseriaanse) interpretatie, zoals wij in het volgende hoofdstuk zullen doen.
2.3.Laclau
Ernesto Laclau is in de discussie over het concept productiewijze belangrijk omdat hij precies één van de grondleggers is van het debat over de Latijns-amerikaanse koloniale productiewijze. Hij definieert een productiewijze als “een geïntegreerd geheel van sociale productiekrachten en productieverhoudingen gelinkt aan een bepaald type van eigendom van de productiemiddelen”[69]. Onder het geheel van de productieverhoudingen is de verhouding die bepaald is door de eigendom van de productiemiddelen dus essentieel. Die determineert de distributie van het economisch surplus en de arbeidsdeling. Deze laatste is de basis van de mogelijkheid tot de expansie van de productiekrachten.
Een productiewijze is dus een logische en wederzijds gecoördineerde articulatie van
-een bepaald type van eigendom van de productiemiddelen
-een bepaalde vorm van de toeëigening van het economisch surplus
-een bepaalde graad van de ontwikkeling van de arbeidsdeling
-een bepaald niveau van de ontwikkeling van de productiekrachten[70].
Deze vormen samen een totaliteit, waarbinnen de eigendom van de productiemiddelen beslissend is.
De feodale productiewijze is volgens Laclau deze waarbij het economisch surplus wordt geproduceerd door arbeidskracht die onderworpen is aan buiteneconomische dwang, toegeëigend door de niet-arbeider, en waarbij de eigenaar van de productiemiddelen de onmiddellijke producent is. De (feodale) productieverhoudingen in Latijns-Amerika bestaan volgens hem zoals reeds vermeld niet exogeen t.o.v. het kapitalisme, maar ze zijn een intrinsiek gestructureerd deel van een breder systeem. Het was, net zoals de ‘second servitude’ i