Een onderzoek naar de vele facetten van het beroep van de Leuvense landmeter tijdens de Oostenrijkse Nederlanden. (Dirk Van Nijverseel)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Algemene Inleiding.

 

Het historisch onderzoek naar de landmeter heeft steeds in de marge van de geschiedenis gestaan en was meestal heel gefragmenteerd. Sinds het Algemeen rijksarchiefeind op het einde van de jaren negentig begon met zijn reeks ‘Cartografische en iconografische bronnen voor de geschiedenis van het landschap in België’ is het onderzoek echter in een stroomversnelling terechtgekomen. In deze reeks werden verschillende oude kaartboeken gepubliceerd, zoals dat van de Augustijnenabdij te Leuven, de abdij van Averbode, Grimbergen, Affligem, Park en niet te vergeten de prachtige wandkaarten van het hertogdom Aarschot. In deze werken werden de kaarten in handschrift, die deel uitmaakten van deze kaartboeken in al hun glorie aan het grote publiek ten toon gesteld en er was inderdaad grote belangstelling voor. Toch verkreeg men maar sporadisch gedetailleerde informatie over het beroep van de landmeter zelf en omdat deze publicaties zich meestal baseerden op één bron kon er van globale beeldvorming geen sprake zijn.

 

In deze verhandeling wordt een poging ondernomen om dieper in te gaan op de verschillende facetten van het landmeterberoep en wordt een reconstructie ondernomen van de activiteit der landmeters voor een grotere regio. Omwille van de beperkte omvang van een licentiaatverhandeling moet er een afbakening van het onderzoeksterrein gebeuren. In overleg met Prof. Dr. Van Ermen heb ik besloten om mij toe te spitsen op de activiteiten van de landmeters die actief waren in de regio Leuven tijdens de Oostenrijkse Nederlanden (1714 – 1795). In deze inleiding zullen nu de gebruikte bronnen, de verschillende vragen die aan de hand van deze bronnen worden gesteld en de mannier waarop deze bronnen werden gebruikt, verder worden toegelicht.

In het eerste hoofdstuk wordt de institutionele inrichting van het landmeterberoep tijdens de achttiende eeuw onderzocht. De nadruk ligt hier op de manier waarop zowel de centrale overheid als ook het lokale stadsbestuur het beroep de van landmeter hebben gereglementeerd. Er wordt gekeken aan welke criteria iemand moest voldoen eer hij de titel van landmeter mocht aannemen, voor welke zaken een landmeter bevoegd was en hoe hij zich, in de praktijk, van zijn taakmoest kwijten.

 

Aangezien aan dit onderwerp nog maar weinig historische literatuur is gewijd vormen de ordonnanties van de centrale overheid en de lokale “costuymen” of “statuyten”, de basis van dit hoofdstuk. Zowel in het beging van de zeventiende als in het begin van de achttiende eeuw vaardigde de centrale overheid een ordonnantie uit waarin bepaalde aspecten van het beroep werden bepaald. Deze bronnen werden volledig uitgegeven door het Algemeen Rijksarchief. Het tabularium van de centrale bibliotheek te Leuven heeft deze ook in haar bezit. Deze ordonnanties werden teruggevonden in de reeks ‘Recueil des ordonnances’:

 

BRANDTS, V. Recueil des ordonnances des Pays-Bas. Règne de Albert et Isabelle, 1597-1621. Deel II. Brussel, 1909-1912.

GACHARD. Recueil des ordonnances des Pays – Bas Autrichiens. Troisième série, 1700 – 1794. Deel I. Brussel, 1860.

 

In het “statuyt” uit 1730, dat werd uitgevaardigd door het stadsbestuur van Leuven, en handelde over de problematiek inzake buurschap, werd ook het beroep van de landmeter gereglementeerd en werd er vastgelegd in welke zaken hij, voor de regio Leuven bevoegd, was.

Dit statuut werd uitgegeven in:

 

CASIER, C. Coutumes du pays et duché de Brabant. Quartiers de Louvain et de Tierlemont. Brussel, 1884.

 

In het tweede hoofdstuk dat opgedeeld is in twee delen wordt een poging ondernomen om een reconstructie te doen van de activiteiten, verricht door landmeters, tijdens de Oostenrijkse Nederlanden. In het eerste deel van het hoofdstuk wordt van iedere landmeter nagegaan wanneer hij zijn carrière begon, hoeveel kaarten hij heeft opgetekend van de regio Leuven, wie de opdrachtgever was en met welk doel de kaart werd vervaardigd. Dit is natuurlijk niet voor iedere landmeter of kaart mogelijk geweest.

 

De informatie over de benoeming van de landmeter bevindt zich in zijn patentbrief. Een deel van deze brieven bevindt zich te Brussel in het Algemeen Rijksarchief in het fonds van de Geheime raad, Oostenrijkse Nederlanden. Dit fonds is geïnventariseerd, maar bevat geen patentbrieven van landmeters uit de regio Leuven. De patentbrieven die hier onderzocht moesten worden bevonden zich in het Algemeen Rijksarchief (afdeling anderlecht) fonds Raad van Brabant, Admissie brieven. De patentbrieven van de hier onderzochte landmeters bevonden zich temidden van dit omvangrijke fonds. De Admissie brieven van de Raad van Brabant zijn nog niet geïnventariseerd. En het was onbegonnen werk om hierin op zoek te gaan naar informatie over de Leuvense landmeter. Dit probleem kon echter worden omzeild door een onderzoek van de medianaatregisters van de griffier van Brabant. In deze registers, die deel uitmaken van het fonds ‘Raad van Brabant’, werd de benoemingsdatum van iedere advocaat, notaris, griffier, landmeter enz. die beëdigd werd door de Raad van Brabant genoteerd. Op deze manier kon voor sommige landmeters toch wat persoonlijke informatie worden achterhaald.

 

Op uitzondering van de kaarten in handschrift die werden gepubliceerd in de reeks ‘Cartografische en iconografische bronnen voor de geschiedenis van het landschap in België’, is dit hoofdstuk bijna volledig gebaseerd op bronnenmateriaal.

 

De verschillende kaarten in handschrift bevonden zich niet in één fonds of één archief, waardoor een zoektocht in de archieven noodzakelijk werd, om alle kaarten terug te vinden. Het Algemeen Rijksarchief bezit het grootste aantal kaarten in handschrift. De kaarten zijn ondergebracht in twee fondsen. Het eerste fonds ‘Kaarten en plattegronden in handschrift, eerste reeks’ werd geïnventariseerd door Rijksarchivaris Gachard en later aangevuld met de inventaris van Charles Piot. Het fonds ‘Kaarten en plattegronden in handschrift, Tweede reeks’ dat pas recentelijk werd geïnventariseerd door Luc Janssens, is de grootste informatiebron die in dit hoofdstuk werd gebruikt. Spijtig genoeg zijn deze kaarten in handschrift enkel en alleen te bezichtigen via microfilm in de leeszaal van het Algemeen Rijksarchief; Om deze heb ik hen niet kunnen fotograferen waardoor ze niet in bijlage konden worden opgenomen.

 

Naast de kaarten in handschrift, die zich bevinden in het Algemeen Rijksarchief, bezit ook het Stadsarchief te Leuven een mooie collectie kaarten en plattegronden. Deze worden ontsloten in de inventaris Cuvellier in het fonds ‘kaarten en plattegronden’. Toch bleken niet alle kaarten te zijn opgenomen in het hierboven genoemde fonds en af en toe konden kaarten worden ontdekt in andere dossiers, meestal ging het dan om een bijgevoegd plan opgesteld ter verduidelijking. Van het Stadsarchief werd wel de toelating verkregen om de kaarten te fotograferen waardoor u ze terugvindt in bijlage 2.

 

Ook onze eigen Alma Mater, de Katholiek Universiteit van Leuven, bezit in het omvangrijke universiteitsarchief, dat wordt bewaard op het tabularium van de centrale bibliotheek, een mooie verzameling kaarten. Er is echter geen apart fonds ‘Kaarten en plannen’ en de kaarten zitten verspreid in de verschillende fondsen die het archief rijk is. Er werden kaarten teruggevonden die van toepassing waren voor deze verhandeling in het fonds ‘Archief oude universiteit Leuven’en het fonds ‘Arenberg’. Danzij de steun van Guido Cloet zijn ook deze kaarten opgenomen in bijlage 2.

 

Al deze kaarten werden opgesteld met een bepaalde reden, het is dan ook steeds mijn betrachting geweest om dat doel te achterhalen. In de meeste gevallen werd in de inzet van de kaart de opdrachtgever vermeld en soms werd er ook aangehaald waarom de kaart in kwestie werd vervaardigd, maar meestal volstond dit niet. Vele kaarten werden opgesteld omwille van een proces waarin landmeters als deskundige optraden. In het Algemeen Rijksarchief, Afdeling Anderlecht, kunnen vele van deze processen worden teruggevonden in het fonds ‘Raad van Brabant, Processen der gemeenten’. Al deze kaarten waren door verloop van tijd uit hun dossier gelicht en spijtig genoeg was in vele gevallen de referentie naar het desbetreffende proces verloren gegaan. Om deze reden heeft dit deel van mijn onderzoek slechts in enkele gevallen bijkomende informatie opgeleverd.

 

Het tweede deel van dit hoofdstuk heeft zich toegespitst op de onteigening van gronden tussen 1750 en 1756 voor de aanleg van de Leuvense vaart. Het Stadsarchief van Leuven heeft twee dozen in zijn bezit namelijk nr. 3919 en 3920 waarin alle opmetingen, die werden verricht in het kader van de onteigeningen voor de aanleg van de Leuvense vaart, werden gebundeld. Op basis van deze gegevens was het mogelijk om een overzicht te geven, voor de gemeenten binnen de regio Leuven, van de opmeting van zowel de eerste als de tweede onteigening.

 

In het derde hoofdstuk wordt nagegaan op basis van drie landmeterhandschriften uit de zeventiende en achttiende eeuw hoe de landmeter in de praktijk te werk ging om van een opmeting tot een verluchte kaart te komen. Twee van deze landmeterhandschriften werden reeds uitgegeven en van bijkomende commentaar voorzien. Het oudste is echter een origineel, dat dateert van rond het midden van de zeventiende eeuw en bevind zich in het tabularium van de centrale bibliotheek te Leuven.

 

a. VAN LAERE, R. Een Haspengouws landmeterhandschrift uit de 18e eeuw. Hasselt, 1984.

b. HARMSEN, T. W. De beknopte Lant – Meet – Konst. Beschrijving van de Dordtse landmeter Mattheus van Nispen. Delft, 1978.

c. Sems, J., Dou, J. en Cardinael, S. Practijck des landmetens: leerende alle rechte ende kromzydige landen, bosschen boomgaerden, ende andere velden meten, soo wel met behulp des quadrants, als sonder het selve. Amsterdam, 1650 ?.

 

In dit derde hoofdstuk wordt de vraag gesteld hoe een landmeter een opmeting volbracht, welk instrumentarium hij daarvoor gebruikte en hoe hij de verzamelde gegevens overbracht op kaart.

 

In hoofdstuk vier wordt na een kort overzicht van de gebruikte lengte- en oppervlaktematen tijdens het Ancien Régime, het gebruik van de oppervlaktemaat op basis van de Leuvense voet onderzocht. Het vertrekpunt hier is een studie verricht door J.J. Hoebanx in 1993 onder de titel ‘La conversion par le cadastre des mesures brabançonnes anciennes en mesures métriques’. Deze gegevens zijn niet volledig, voor het hertogdom Brabant en zeker niet voor de regio Leuven. Ze zullen worden aangevuld met informatie uit een werkje[1] opgesteld in 1821, door G.A.M. Wirix, en informatie die werd teruggevonden in de vele kaarten in handschrift. Het doel van dit hoofdstuk was om een antwoord te vinden op de vraag, waar de verschillende Leuvense roedes gebruikt werden. In bijlage 4 vindt men een overzicht van deze maten, visueel weergegeven.

 

 

Hoofdstuk 1: De institutionele inrichting van het beroep van de “landtmeter”.

 

1. Inleiding

 

Het optreden van Landmeters in onroerende goederen is zeer oud, zowel op het gebied van afpaling, grensbepaling of schatting van goederen. In onze streken worden landmeters vermeld vanaf de twaalfde eeuw. Hoe zij ook genoemd worden, zij zijn sinds de Middeleeuwen betrokken bij alle gevallen van buurt twisten, van stedelijke en landelijke erfdienstbaarheden, zoals de oude wetten en costumen van ons land het getuigen”.[2]

 

Zo begonnen Jean Mosselmans, landmeter – expert, en Philippe Godding, professor emeritus aan de UCL, hun inleiding voor de uitgave van het ‘Statuyt vanden meerers van de stadt Brussel’ ter gelegenheid van het 125 – jarige bestaan van de ULEB/UGEB.

 

In 1190 wordt voor het eerst melding gemaakt van landmeters in Vlaanderen. Vanaf de dertiende eeuw vindt men regelmatiger verwijzingen naar landmeters, iets wat erop wijst dat het beroep vroeger al uitgeoefend werd. [3]

 

De stad Brussel bezit voor zover bekend de oudste codificatie die het beroep van landmeters en haar voorrechten regelt, namelijk het “Statuyt vanden meerers van de stadt Brussel” van 2 december 1451. Deze verordening van de stadsmagistraat omvat 53 artikelen waarvan er negen zijn gewijd aan de “meerers” of “afpalers” (erfscheiders).

De ordonnantie werd in 2001 uitgeven en voorzien van commentaar door de Brusselse vereniging van Landmeters – Experten om hun 125 jarig bestaan te vieren. De verordening uit 1451 bleef van kracht tot ze vervangen werd door de ordonnantie van 19 april 1657, die voor het laatst werd uitgegeven door de Union des Géomètres de Bruxelles in 1882.

 

Het beroep van landmeter werd, voor het hertogdom Brabant, gereglementeerd door de aartshertogen Albrecht en Isabella in 1618. Een kleine eeuw later zou Philippe V een verdere specificatie van het beroep doorvoeren, in zijn ordonnantie van 16 januari 1705. Wanneer in 1754, een halve eeuw na de ordonnantie van Phillipe V, de “meerers” van de stad Gent een aanvraag doen om hun beroep te reglementeren vaardigt Maria Theresia op 15 mei de ordonnantie uit met als titel: ‘Instructie ofte Reglement naer het welcke alle geswoorne Land – ende – Edificie – Meters van de provincie Vlaenderen, hun sullen hebben te reguleren in ’t fait van metinge’. Dit reglement was een tekstuele kopie van de ordonnantie uit 1705 en eindigt met dezelfde voorschriften inzake de aflevering van diploma’s van Land-en Edificiemeters.[4]

 

Hierdoor kan ik besluiten dat de ordonnantie van de aartshertogen Albrecht en Issabella uit 1618 alsook degene die door Philippe V in 1705 werd uitgevaardigd, van kracht bleven gedurende de periode van de Oostenrijkse Nederlanden en ze als voorbeeld dienden voor andere steden en provincies.

 

Op 10 juni 1730 verschijnt in Leuven een statuut over de erfdienstbaarheden in de stad en de vrijheid Leuven. De ordonnantie is voor een groot deel gebaseerd op die uit 1451 voor de stad Brussel, maar kent minder rechten toe aan de Leuvense “meester paelders” dan de Brusselse.

 

 

2. De inrichting van het beroep van de “Geswoorne Landt-ende Edificiemeters”.

 

a. Ordonnantie van de aartshertogen Albrecht en Isabella gegeven te Brussel op 2 juni 1618 geldig voor het Hertogdom Brabant en het land over de Maas.

 

De verordening die de Aartshertogen Albrecht en Isabella op 2 juni 1618 uitvaardigen, reglementeert voor een eerste maal het beroep van landmeter voor het gehele hertogdom Brabant. Hoewel landmeters erkend moesten worden en zich onderwerpen aan de eed, was er geen officieel examen volgens een vooropgesteld programma, waardoor hun bekwaamheid werd getest, alvorens zij hun commissie kregen. Er waren, vooral in Vlaanderen, maar ook in Brabant, diverse richtlijnen voor de toekenning van de titel van “gewoorne landtmeter”, toch waren deze verschillend voor iedere gemeente. Dit zorgde voor vele disputen en rechtszaken, die zoals we in de inleiding van de ordonnantie kunnen lezen, voornamelijk werden veroorzaakt door personen die zich de titel van landmeter hadden toegeëigend zonder daarvoor over de nodige technische en theoretische bagage te beschikken.[5]

 

De ordonnantie van 1618 was van kracht voor het gehele hertogdom Brabant en probeerde zo een einde te maken aan de grote diversiteit die er in de praktijk heerste. Er werd beslist dat vanaf dat moment een examen werd ingesteld voor het beroep van “Landtmeter”. Het examen bestond uit een praktisch en een theoretisch deel en gebeurde voor een commissie van een “Meester-landtmeter” en oudere mathematici. Wanneer men voor dit examen slaagde, mocht men in handen van de schepenen, afkomstig uit de hoofdstad van het kwartier waar hij zich wenst te vestigen en zijn beroep uitoefenen, de eed afleggen.[6]

 

De opmetingen van personen, die zonder de hierboven vermelde procedure, zich toch de titel van “landt-meter” hadden toegeëigend worden niet erkend en worden beboet met 25 Rijnsguldens, die in drie werd verdeeld. Het eerste deel ten behoeve van de Aartshertogen, een tweede voor de Officier die de zaak behandelt en een derde voor de aanbrenger.[7] Dit was de eerste ordonnantie die het beroep van de landmeter een stevige basis verleent en de benoemingformule uniform maakt voor het gehele grondgebied. Latere edicten hebben de tekst meestal overgenomen mits aanpassingen en verspreid over de provincies gedurende de 17e en de 18e eeuw met uitzondering van het prinsbisdom Luik.[8] Het rijksarchief bezit een groot gedeelte van deze certificaten en van de examens afgelegd gedurende de periode. We vinden er eveneens de niet geslaagde examens.

 

b. Ordonnantie uitgevaardigd door Philips V op 16 januari 1705 betreffende het opmeten van zowel “landen” als “edificien”.

 

Deze ordonnantie, die zeer belangrijk was voor de verdere uitbouw en reglementering van het beroep van de landmeter, werd opgesteld in het Nederlands. De titel luidt voluit “Instructie ofte Reglement naer ’t welck alle gesworen Landt – ende Edificie – Meters deser Provincie ende Hertogdomme van brabant hun sullen te hebben te reguleren in’t feyt van metinge”.[9]

 

De uitvaardiging van deze ordonnantie, 87 jaar na deze van de aartshertogen Albrecht en Isabella, was opnieuw het gevolg van een toenemende stijging van de disputen betreffende het meten van land en goederen. Vele oude gebruiken, voorschiften en regels waren, al dan niet opzettelijk, in de vergetelheid geraakt en zorgden voor heel wat onenigheid. Philips V was hierdoor genoodzaakt een nieuwe codificatie van het beroep van de “land-ende edeficiemeter” door te voeren.

 

Uit de aanvraag van de “Gezworen Landt Meters” van de stad Brussel om een nieuwe meetmethode voor het opmeten van gebouwen, in 1702, blijkt dat ook zij niet gediend waren met de toenmalige wetgeving en de nood aan een vaste uniforme reglementering onderschreven.[10]

 

 

In zowel de inleiding van de ordonnantie als in de aanvraag van de landmeters van de stad Brussel wordt een meetmethode uit 1574 vermeld. Over dit document is echter geen bijkomende informatie te vinden. De ordonnantie uitgevaardigd door de Artshertogen wordt niet vermeld als voorbeeld, maar haar invloed is wel merkbaar, alle grote lijnen worden in de ordonnantie van 1705 hernomen en uitgewerkt.

 

Het waren echter niet alleen de in onbruik geraakte regelgeving en de onbekwaamheid van sommige landmeters, die de disputen en processen veroorzaakten. In de ordonnantie wordt ook opgemerkt dat door verloop van tijd de goederen of “edificien” zelf getransformeerd zijn. De materialen, de prijs van het materiaal, zijn geen vaste gegevens maar zijn ook mee geëvolueerd. De landmeters vragen dan ook een nieuwe, meer gepreciseerde reglementering, rechtsgeldig voor het hele hertogdom, waar ieder van hen zich aan moeten houden tijdens het meten. Er werd groot belang gehecht aan de reglementering voor het opmeten van de “edificiën” of goederen. De ordonnantie is als volgt onderverdeeld:

 

Stiele ende usantie hoe dat men voortaen sal meten alle metselryen.

Fondamenten, Opgaende mueren, Cruys-vensters, poorten deuren ende andere ydele gaten, Gaelderyen, Welfsels, Cruys-welfsels, Schouwen , Schouwpijpen, Heerden van schouwen, Leepen mueren, Slechte gevels, Getuymelde gevels, Canteele-gevels ofte avenckels, Gevels van Architecture, Dack-vensters, Steenen-trappen, Noch steenen-trappen, Steenen-wentel-trappen, Steenen-thorens ende borreputten, Back-ovens, Cappen van heym-mueren, Mueren bedeckt met block-laegen, Het hangen van brouw-ketels, Onderslaegen ende zyde-mueren, Plaesteringe ofte besetselen van binnen mueren, Plaveysel van witten steen, Plaveysel van rode tichelen, Vensters daer harnassen ofte harnassuren ingevrocht zijn, Payen,Water-steenen, Fornaysen, Houte trappen die in de mueren comen, Balck- felier -ende tuymel-noten, Stelle gaeten, Blinde vensteren ende massier-gaten, Mueren die dosseren, Afbreken van mueren, Wercken gemaeckt van tiras, Van beken ende gotieren,Van conduyten ende water-loopen.

 

Stiele ende usantie in meetinge van steen-houwerye ofte wit ende blauwen steen-werck.

Stiele ende usantie in metinge van timmeragie.

Stiele ende usantie hoe dat men meten sal schaelie-dacken.

Stiele ende Usantie hoe men sal meten alle tichel-dacken.

Stiele ende usantie hoe men sal meten alle plackerye.

Stiele van meten van gelaese-vensters.

Stiele ende usantie hoe dat men sal meten allerhande steen-wegen van casseyen.

 

Het laatste hoofdstuk van de ordonnantie is een “Instructie voor de Landt-meters”. Ze telt een inleiding en 3 paragrafen met 12 artikelen waarin de richtlijnen voor het opmeten van land werden bepaald. Eerst waren er de algemene voorwaarden. Vooraleer een landmeter een stuk grond mocht opmeten moest hij bij alle eigenaars of tenminste de huurders van de aangrenzende stukken grond informatie inwinnen over de gemeenschappelijke grenzen en hiermee rekening houden bij de opmeting. Hij moest eveneens vertrouwd zijn met de landmaten die ter plaatse gebruikt werden en deze in zijn bijhorende relaas vermelden. Als hij een opmeting wou verrichten van een stuk grond dat verkocht of opgedeeld moest worden, kon hij dit enkel mits aanwezigheid van de eigenaars of tenminste hun toestemming. [11]

 

Na deze algemene richtlijnen komen in volgende artikels enkele meer specifieke regels aan bod. Het kapittel “Van paelen, limieten ende scheydingen.”, stelt dat wanneer de landmeter bij het afgrenzen van een stuk land, geconfronteerd wordt met het feit dat deze grens een gracht, een ophoging of iets van die aard is, hij steeds informatie moet inwinnen over wie de rechtmatige eigenaar is en hiermee rekening houden. Hij zal ook steeds rekening houden met de verschillende ordonnanties die over deze grenzen zijn uitgevaardigd.[12]

 

In het volgende artikel “Landen gelegen tegens straeten, gemeynten, opstallen, rivieren, beken ofte water – loopen.”, werden specifieke problemen in verband met het afgrenzen van een bepaald stuk grond behandeld. Van waar moest de landmeter meten als de grens een rivier een weg of een ander erf was.[13] Meestal was, zoals later nog aan bod zal komen, de breedte van de wegen door iedere stad bij plakkaat vastgesteld. Landmeters moesten hiermee rekening houden wanneer een op te meten stuk grond aan een weg grensde. Voor een heerbaan was deze 40 voeten, een gewone straat die van de ene parochie naar de andere loopt 24 voeten. Wanneer een stuk grond aan een rivier grensde, moest men zich houden aan de plaatselijke gebruiken.[14]

 

Het laatste artikel “Paelen ende het stellen der selve” gaat over het eigenlijke plaatsen van de grenspalen. De landmeter mocht op eigen initiatief geen grenspalen plaatsen, dit mocht hij alleen mits de toestemming van de partijen die hem hierom verzoeken en in de aanwezigheid van de schepen, waarbij men de plaatselijke “costuymen” eerbiedigde. Wanneer een landmeter tijdens zijn activiteiten reeds oudere palen vindt, zal hij daar akte van nemen en deze in zijn kaarten en relaas opnemen.[15]

 

In dit laatste artikel wordt eveneens de werkduur van de landmeter bepaald. Omdat zijn beroep als lastig en arbeidsintensief wordt beschouwd zal hij, wanneer hij per dag wordt betaald, niet langer dan zes uren per dag mogen werken, inclusief verplaatsing.[16]

 

Het opstellen van deze ordonnantie gebeurde door J. Laboreur, G. Van Waeyenbergh, G. De Bruyn, Tant, V. Vander Linden, Merckaert, G-V. Eynde, De Mesmaker, M. De Sageher en werd neergelegd op negentien januari 1702. De ordonnantie werd ook voorgelegd aan Martin Van Velden, hoogleraar in de mathesis aan de Universiteit van Leuven die op twintig januari 1702 de richtlijnen voor het beroep van de landmeter goedkeurde, na ze zeer grondig te hebben doorgenomen en te hebben bestudeerd.[17]

 

Wanneer deze ordonnantie wordt uitgevaardigd op 16 januari 1705 wordt in de bijgevoegde tekst nog melding gemaakt van de boete die “Landt-ende edifciemeters”, die zich niet aan deze ordonnantie houden. De boete bedraagt 100 guldens waarvan de helft voor zijne majesteit en de andere helft voor de aanbrenger.[18]

 

De belangrijkste doelstelling van deze ordonnantie was het vermijden van de vele geschillen die voortkwamen uit de onduidelijkheid omtrent het opmeten van goederen en land. Vanaf nu wordt er een onderscheid gemaakt tussen “Landt-ende Edificiemeters”, die zowel land als goederen mogen opmeten, en de “Landtmeters”, die enkel gronden mogen opmeten. Op het einde schrijft deze ordonnantie, de nieuwe vereisten voor, noodzakelijk om aanvaard te worden als Landmeter. Eerst moet men slagen voor een examen afgenomen door drie deskundige, “gezworen meerders” of “landt-ende edificiemeters”. Daarna moet de eed afgelegd worden.

 

Deze opmeetmethode bleef tijdens de gehele Oostenrijkse periode gehandhaafd. Toen de landmeters van Gent in 1754, Maria – Theresia om een nieuwe reglementering van hun beroep vroegen, vaardigde de Aartshertogin, voor het gehele graafschap Vlaanderen, een bijna tekstuele kopie uit van de ordonnantie van 1705[19]. De code, die hier wordt voorgeschreven, bleef zelfs in voege tot de Unie van Meetkundige Schatters van Brussel een nieuwe opstelde in 1878, dit om rekening te houden met nieuwe elementen en gezien de evolutie van de meetmethodes sedertdien.[20]

 

c. “Statuyt ofte ordonnantie in der stadt ende vryheydt van Loven.” Uitgevaardigd door de schepenen van Leuven op 20 juni 1730.

 

De fysionomie van een stad uit de 18e eeuw was zeer verschillend van onze huidige steden. Iedere stad legde andere regels op om zoveel mogelijk problemen inzake buurschap te vermijden. Het was de stad Brussel die als eerste in 1451 een ordonnantie uitvaardigde, met de titel “Statuyt vanden meerers van de stadt Brussel”.[21] Deze verordening regelde voor het eerst de verhouding tussen buren. De Brusselse verordening heeft ook model gestaan voor enkele beschikkingen in de Mechelse verordening van 24 maart 1466, die overgenomen werden in de artikels 515-608 van de “ontwerp-coutume” van Mechelen in 1527.[22] Het is best mogelijk dat de verordening uit 1451 ook de “coutume” van Lier uit 1570, waarvan enkele beschikkingen een vergelijkbare inhoud hebben, heeft beïnvloed, al dan niet rechtstreeks.[23]

 

Merkwaardig genoeg heeft ze bijna drie eeuwen later nog steeds een grote invloed wanneer de stad Leuven haar “Statuyt ofte ordonnantie van servituyten in der stadt ende vryheit van Loven” uitvaardigt.[24] Deze verordening van 10 juni 1730 is een echte codificatie van de regels die de verhouding tussen buren regelt voor de stad en de vrijheid Leuven. Ze werd ontworpen op initiatief van de “meier, de borgemeesteren, schepenen en na deliberatie in de stadsraad”.

 

De ordonnantie uit 1730 stelt dat de oude paalrechten onduidelijk en incorrect zijn en anderzijds vele oude regels in onbruik zijn geraakt of zijn vergeten. Om de vele processen en disputen die hiervan het gevolg waren te vermijden, vaardigde de stad Leuven deze ordonnantie uit.[25] Het archief van de stad Leuven bevat geen vroegere verordeningen in verband met de paalrechten of de landmeters. In een zestiende-eeuws handschrift wordt er wel een vergelijking gemaakt tussen de beschikkingen uit de ordonnantie van 1451 en die van Leuven en velen worden vermeld als gelijkaardig.[26]

 

Vele beschikkingen uit de ordonnantie van 1730 zijn letterlijk overgenomen van de Brusselse uit 1451. De artikels 10,14, 17, 18, 20, 28, 29, 30, 32, 34, 35, 36, 40, 41, 44, 45, 48 en 49 uit de verordening van 1451 worden respectievelijk overgenomen door de volgende artikels van de Leuvense ordonnantie: 14 (gedeeltelijk), 15 (gedeeltelijk), 20, 27-28, 52, 46, 42, 61, 69 (gedeeltelijk), 26, 75 (gedeeltelijk), 84, 43,44, 59 (gedeeltelijk), 95, 87-88, 7. Daarenboven is er analogie tussen de artikels 1, 2, 5, 9, 15 ( de vier eerste regels), 16, 23 en 24 uit 1451 en de artikels 1, 4, 12, 32, 13, 17, 37, 38-39 van 1730.[27]

 

Het plan van de verordening uit is vrij gedetailleerd, en de onderwerpen worden logisch gegroepeerd en uitgewerkt in de verschillende kapittels. Het “Statuyt ofte ordonnantie van servituyten in der stadt ende vryheit van Loven” is opgedeeld in 11 Kapittels en bevat 103 artikels. Het eerste kapittel handelt over “Van Paelen ende meeren” en omvat 8 artikels. Wanneer een dispuut, in verband met het afpalen, opmeten en opdelen van gronden, tussen verschillende partijen niet in der minne kan worden geregeld waren zij verplicht om de schepenen, vergezeld van een landmeter, uit te nodigen. Nadat ze de verschillende documenten van de partijen en de situatie ter plaatse hadden onderzocht stelde de landmeter(s) zijn/hun oordeel op en gaven dit door aan de schepenen. Dit eerste artikel is van zeer groot belang omdat hier de rol van scheidsrechter in zaken van afpalingen en opdeling van gronden wordt toegekend aan de landmeter.[28]

 

In het tweede artikel wordt de mogelijkheid om beroep aan te tekenen tegen de uitspraak geregeld. Wanneer iemand zich benadeeld voelt door het oordeel heeft hij vierentwintig uur om zijn klacht bekend te maken.[29]

 

Het derde artikel regelde de betaling van de afpaling of opmeting. Wanneer beide partijen om de afpaling vroegen zal de kost van het verrichte werk gedragen worden door de verliezer van het proces. Wanneer er slechts een van beide partijen om de afpaling vroeg, zal zij ongeacht de uitkomst van het proces de kosten van de afpaling dragen, tenzij hierover reeds anders beslist was.[30]

 

De artikels 4 t.e.m. 8 regelen de afpaling en het scheiden van gronden. Wanneer er tijdens het afpalen getekende stenen of palen gevonden worden, zullen deze erkend worden als officiële grensstenen, tenzij één van de partijen kon bewijzen dat de grenspalen vervalst waren, een document had ter weerlegging of dat de grenspalen daar nog geen dertig jaar stonden.[31] Wanneer er geen grenspalen werden gevonden tussen de erven van de beide partijen, zal de landmeter de erven scheiden volgens de bestaande begroeiing tussen de twee erven, volgens oude muren en gebouwen of naar de getuigenis van personen met een goede reputatie die daar sinds lange tijd verbleven hebben en nieuwe grenspalen plaatsen. Wanneer er binnen de dertig jaar echter een oudere grenspaal zou gevonden worden, diende men de nieuwe grenspaal te verwijderen en de deling te herdoen volgens de oude grenspaal.[32]

 

In het zesde artikel wordt benadrukt dat elke opdeling van een erf in twee of meerdere delen moet gebeuren door een erkende beëdigde landmeter.[33] Wanneer er tussen verschillende partijen onenigheid ontstaat, in verband met het overschrijden van de buurgrenzen en men er geen palen vindt die de grens tussen de twee eigendommen aanduid, dan zal de wet samen met een landmeter de grens bepalen aan de hand van oudere bouwwerken, struiken en getuigenissen van personen met een goede reputatie, die daar sinds lange tijd verbleven. Ook hier wordt opnieuw de garantie ingebouwd dat wanneer men binnen de dertig jaar oude grensstenen vond, men de nieuwe paalstenen moest uitdoen en de grens opnieuw bepalen aan de hand van de oude grensstenen. Pas wanneer de nieuwe grensstenen er 30 jaar ongestoord hadden gestaan werden zij de officiële grens tussen de twee eigendommen. In dit artikel komt de landmeter nadrukkelijk naar voren als de bepalende factor bij geschillen van grensbepaling.[34]

 

Het laatste artikel van dit eerste kapittel bevestigd de macht van de landmeter en stelt dat hij de enige is die grenspalen mag plaatsen als vertegenwoordiger van het gezag. Hij mag dit echter enkel doen in de aanwezigheid van de aan elkaar grenzende eigenaars.

 

Het tweede kapittel (artikels 9-29) “Van edificien, gemeyne ofte andere mueren ofte wanden” regelt het optrekken, afbreken en herstellen van gemeenschappelijke en andere muren waardoor burengeschillen zouden kunnen ontstaan.[35]

 

Kapittel drie (artikels 30-46) “Van goten, ozydruppen, water-loopen, born-putten, ende diergelycke.” Dit kapittel handelt over het aanbrengen, wegnemen of het onderhoud van gemeenschappelijke afwateringsgoten, waterlopen en waterputten tussen naast elkaar liggende gebouwen.[36]

 

Kapitel vier (artikels 47-51) “Van licht te scheppen ter erve – waerts van syne geburen” handelt over de burenhinder die kan ontstaan door het optrekken van metselwerk of schrijnwerkerij.[37] In de kapittels 2, 3, en 4 vinden we weinig directe informatie over de landmeters uit die periode. Toch was deze ordonnantie zeer belangrijk voor de landmeter zelf, ze was voor hem een leidraad wanneer hij moest optreden bij burengeschillen en regelde vrij gedetailleerd de meeste problemen die zich op dat vlak voordeden.

 

In kapittel vijf (artikels 52-60) “Van schouwen, ovens, forneysen ende dangereuse wercken.” wordt de landmeter expliciet vermeld in artikel 59. Vuur was in de 18e eeuw nog steeds een grote vijand van een stad en landmeters kregen op dit vlak een controle functie toebedeeld. Het bouwen van ovens, fornuizen en schouwen was aan enkele strenge regels onderworpen. Wanneer landmeters of werklieden van de stad ergens een gebrek vaststelden in verband met het maken van vuur of instortingsgevaar waren zij verplicht dit te rapporteren aan de magistraat, zelfs als er geen klacht over geformuleerd was. [38]

 

Kapittel 6 (artikels 61-67) “Van privaeten ofte heymelyckheden” regelt het bouwen, de afbraak, gemeenschappelijk gebruik van mesthopen, toiletten en aalputten alsook de overlast die zij kunnen veroorzaken.[39]

 

In kapittel 7 (artikels 68-74) wordt het kweken en houden van ganzen, varkens geiten, koeien en andere beesten binnen en buiten de stad Leuven gereguleerd. Ook de overlast en de schade die deze dieren kunnen veroorzaken komen aan bod in de artikels.[40]

 

Kapittel 8 (artikels 75-86) regelt de opbouw, het onderhoud en de afbraak van scheidingen die tussen buren zijn aangebracht, zoals daar zijn muren, hagen, bomen, wanden of grachten zijn.[41]

 

Kappittel 9 (artikel 87-93) “Van wegen, ende breede der selve” beschrijft de breedte van die de verschillende soorten wegen in artikel 93. En zoals we in het artikel “Landen gelegen tegens straeten, gemeynten, opstallen, rivieren, beken ofte water-loopen” van de ordonnatie uit 1705 kunnen lezen, was dit van groot belang voor de landmeter. Wanneer hij een stuk grond moest afbakenen dat aan een weg grensde, moest hij immers rekening houden met de officiële breedte van diezelfde weg, die in de praktijk soms wel eens kon verschillen.

 

Item eenen mans- pat moet wesen . . . 4voeten. Eenen Kerckweg . . . . . . 6 voeten

Eenen molen-wegh, daer men door gelaeden gaet . 6 voeten

Eenen molen-wegh met sacken te peert . . . 8 voeten

Eenen mole- wegh met karren . . . . 12 voeten

Een cauter- gat . . . . . 12 voeten

Eenen leyd- wegh van d'een dorp tot aan het ander . . 16 voeten

Eenen dryff-wegh van d'een dorp tot d' ander . . 24 voeten

Eenen bruydt-wegh . . . . . . 8 voeten

Eenen her-wegh oft herbaene . . . . 40 voeten

Eenen keyserlycken wegh . . . . . 80 voeten

De Roye is tot Loven . . . . . 18 voet en half. [42]

 

De ordonnantie van 1705 voert de benaming “Landt- ende Edificiemeter” in, deze titel wordt gegeven aan hen die naast het examen van landmeter ook slagen in dit van edificiemeter. Het op opmeten van stukgoederen was geen gemakkelijke opdracht en vergde daarom ook een zeer degelijke theoretische kennis. “Landt-ende Edificiemeters” mochten naast alle taken die een landmeter uitvoerde ook gebouwen schatten.

 

Kapittel 10 (artikels 94-97) “Hoe men de goeden ende erven moet schatten, deylen ende scheyden.” Reguleert net de manier waarop er geschat moest worden door de “Land-ende Edificiemeter”.[43] In kapittel 11 (artikels 98-103) wordt de wijze waarop men een verbod kan verkrijgen voor het verder zetten van de werkzaamheden aan één van de in de ordonnantie vermelde werken. [44]

 

 

3. Besluit.

 

Onder invloed van de veelvuldige disputen die ontstonden na vele opmetingen en op uitdrukkelijke vraag van de landmeters zelf begint de centrale overheid in 1618 met de uniformsering van het landmeterberoep. Het was een schuchter begin, maar toch een eerste stap in de goede richting. De meest in het oog springende innovatie was de invoering van een examen, om de bekwaamheid van de toekomstige landmeter te testen. Met deze maatregel deed men een poging om het aanzien van het beroep te herstellen. Landmeters werden verplicht een zeer degelijke theoretische basis te verwerven die ze daarna in de praktijk konden demonstreren.

 

Ondertussen ondernamen ook verschillende steden pogingen om het ambt te reguleren. De stad Brussel nam hierin het initiatief en vele andere steden volgden. In 1705 ondernam de centrale overheid een tweede poging om het statuut van de landmeter verder te reglementeren. Het examen voor landmeters werd behouden en er werd een nieuwe terminologie ingevoerd. Het examen werd immers uitgebreid met de inhoudsberekening van verschillende goederen zoals steen hout, enz. die landmeters in staat moest stellen om gebouwen beter te schatten. Landmeters die slaagden in het examen mochten zich vanaf dat moment “landt-ende edificiemeter” noemen.

 

Naast een strikte reglementering van de schatting van de verschillende “edificiën” werd ook het opmeten en afpalen van percelen door deze ordonnantie, voor het gehele hertogdom Brabant geherdefinieerd, al werden sommige specifieke bepalingen overgelaten aan de verschillende stadsbesturen. Verder werd ook het loon en de maximale werkduur bepaald waardoor het beroep een zekere bescherming genoot van hogerhand. Door deze maatregelen werd een uniformiteit gecreëerd voor het gehele hertogdom, waardoor een einde werd gemaakt aan de vele klachten die voortkwamen uit de grote diversiteit die er in de praktijk heerste, en werd de landmeter door de overheid beter beschermd. Deze regulering en de daarbij horende opmeetmethode zouden in 1754 ook model staan voor het graafschap Vlaanderen en bleef van kracht tot ze in 1878 werd aangepast door de Unie van Meetkundige schatters.

 

De stad Leuven volgde pas vrij laat met het reglementeren van het landmeterberoep. Ze deed dit in 1730, wanneer ze een einde trachtte te maken aan de groeiende problemen inzake buurschap. De reglementering van het landmeterambt, dat in dit “statuyt” was opgenomen, was gebaseerd op het “statuyt” van de stad Brussel uit 1451 en de ordonnantie uit 1705. Door deze ordonnantie verkreeg het beroep van de Leuvense landmeter zijn definitieve inrichting en rechtsgrond, die tot het einde van de Franse overheersing intact zou blijven.

 

 

Hoofdstuk 2: Een reconstructie van de activiteiten der landmeters tijdens de Oostenrijkse Nederlanden in de regio Leuven.

 

Deel 1: Een overzicht van de landmeters die actief waren in de regio Leuven.

 

1. Inleiding.

 

Met de reeks ‘Cartografische bronnen voor de geschiedenis van het Vlaamse landschap’ sloeg het Algemeen Rijksarchief een nieuwe weg in. In deze reeks verschenen al de wandkaarten van het Hertogdom Aarschot, de kaartboeken van de abdij van Park, Ter Kameren, Averbode, Affligem en Grimbergen. Deze kaartboeken toonden aan dat landmeters gedurende de Moderne Tijd enkele groots opgezette projecten in dienst van de adel en de clerus hadden afgewerkt.

 

Onderzoekers vonden er vele aanknopingspunten om de geschiedenis van het landschap, het landbezit, de sociaal-economische verhoudingen en nog vele andere thema’s van nabij te bestuderen. Dankzij de publicatie van deze kaartboeken werden enkele unieke bronnen ontsloten. Maar waren dit de enige bronnen die landmeters hadden nagelaten? Natuurlijk niet. Zijn dit de enige cartografische bronnen die historisch onderzoek waard zijn? Natuurlijk niet. Deze kaartboeken wekten mijn interesse om dieper te graven.

 In het eerste deel van dit hoofdstuk wordt een poging gedaan om, voor de verschillende landmeters die actief waren in de regio Leuven, tijdens de Oostenrijkse Nederlanden, een overzicht te geven van de opmetingen die zij verrichtten. Voor dit deel van het onderzoek vormden de vele kaarten in handschrift, die dikwijls maar enkele percelen omvatten, maar ook de grotere projecten, het uitgangspunt. Er wordt een onderscheidt gemaakt tussen de landmeters die in Leuven resideerden en de zogenaamde occasionele landmeters.

 

Per landmeter werd van iedere kaart werd nagegaan wie de opdrachtgever was, wie de opdracht had uitgevoerd, en voor welk doel zij was vervaardigd. Dit was vanzelfsprekend niet voor iedere kaart mogelijk. Naast de door de landmeter vervaardigde kaarten, worden ook nevenactiviteiten en, indien mogelijk, ook enkele persoonlijke gegevens weergegeven

 

Dit overzicht[45] heeft zeker niet de pretentie van allesomvattend te zijn, waarschijnlijk bevinden er zich in de verschillende archieven van ons land, nog vele onontdekte kaarten en informatie over degenen die hen vervaardigd hebben. Een dergelijk overzicht per landmeter is echter nog nooit voor deze regio verwezenlijkt. Hopelijk kan het een bijdrage leveren aan het lopende onderzoek naar de activiteiten van de landmeter.

 

 

2. De Leuvense landmeter.

 

a. Corthout, Natalis Josephus.

 

Op zes februari 1756 ontving de griffier of ontvanger van de Raad van Brabant 30 gulden als medianaat[46] van Natalis Josephus Corthout voor zijn ambt als landmeter.[47] Hij was reeds geslaagd voor het examen, hij had al de officiële eed afgelegd voor de raad van Brabant, maar het was pas na de betaling van dit medianaat, dat hij zich officieel een landmeter mocht noemen. Natalis Josephus Corthout had zich gevestigd in Leuven en toch zijn er van hem, voor de regio Leuven, maar enkele kaarten terug te vinden. Zijn allereerste kaart dateert uit 1756[48], het is een figuratieve voorstelling van de opmeting van 6 percelen gelegen onder Kerkum en Butsel[49], die eigendom waren van het ‘Willibrord of Boscollege’.[50]

Op 10 november 1758 leverde hij een kaart af in opdracht van de J. Metdepenninghen, rentmeester van het Groot College van Leuven. Hierin karteerde hij 6 aan elkaar grenzende percelen land gelegen ten oosten van de poststraat in de gemeente Winksele, die toebehoorden aan het Groot College.[51] Uit 1766 dateert zijn derde kaart, een plattegrond, die hij optekende in opdracht van het klooster van de Karmelieten te Leuven en waarop twee percelen worden weergegeven, alsook de weg die daar doorheen loopt naar hun kerk.[52] De volgende kaart die van Natalis Corthout is terug te vinden voor de regio Leuven, is een optekening van enkele percelen bos te Lovenjoel uit 1772, van deze kaart zijn nog de opdrachtgever, noch het doel bekent.[53]

 

De vijfde kaart die van Natalis Corthout bewaard is gebleven voor de regio Leuven, was er een waaraan hij samenwerkte met de landmeter J.D. Bogaerts. Deze kaart kwam tot stand in 1777 toen beide landmeters samenwerkten om de goederen, die werden geïncorporeerd in het kanaal Leuven-Mechelen, ook de Leuvense vaart genoemd, in de gemeente Battel op te meten.[54] De opmetingen verricht in het kader van de onteigening van gronden in de Leuvense schipvaart komen later nog aan bod.

 

Zijn laatste kaart voor de regio Leuven karteerde hij in opdracht van het hospitaal Sint-Elisabeth, te Diest. Het was de plattegrond van een perceel weide, dat net buiten de Beverse poort van de stad was gelegen.[55] Het is misschien vrij verwonderlijk dat een landmeter die binnen de stad Leuven resideerde slechts een klein aantal kaarten nalaat, maar dit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat Natalis Corthout naast een landmeter ook een architect was. Zijn tussenkomst in de afbraak van de Sint-Michielskerk te Leuven is echter het enige geboekstaafde spoor van zijn carrière als architect.

 

In het midden van de achttiende eeuw bevond de oude Sint-Michielskerk te Leuven in zich in zeer slechte staat. Op 15 februari 1776 werd het gebouw onderzocht op verzoek van curé P. Bettens, door de architecten N-J Corthout, M. Ghenne, P. Muls en P. De Groot. Deze heren vonden “les maçonneries disloquées, la charpente pourrie et les toitures profondément délabrées”.[56] Volgens hun advies kon het gebouw niet meer hersteld worden en zij raadden de stad Leuven dan ook aan om het gebouw af te breken, als voorzorgsmaatregel, om ongelukken in de toekomst te vermijden. De kerk werd gesloten in 1777 maar wordt al na enkele maanden opnieuw in gebruik genomen. De kerk wordt in 1781 publiekelijk verkocht door notaris Fusco en later dat jaar afgebroken.

 

b. Gens, Alexander.

 

Alexander Gens was waarschijnlijk één van de meest productieve landmeters van de achttiende eeuw in het arrondissement Leuven. De carrière van Alexander Gens begon op 27 januari 1754, die dag legde hij zijn eed af voor de raad van Brabant en betaalde hij 30 Gulden als medianaat aan de ontvanger van de Raad van Brabant en mocht hij zich een beëdigde landmeter noemen.[57]

 

In de archieven bevinden er zich kaarten van zijn hand voor de regio Leuven die teruggaan tot het jaar 1760. In dat jaar voltooide hij de opmeting van de percelen en de daarbij horende loswegen in de gemeente Holsbeek.[58] Gens werd tijdens de opmeting bijgestaan door de wethouders van Holsbeek, die hem informatie verstrekten. Deze kaart was niet gedateerd, maar in 1780 vervaardigde Gens een dubbel van deze kaart voor de wethouders van Holsbeek, waarop hij de datum van de oorspronkelijke opmeting wel vermelde waardoor deze kaart wel gedateerd kan worden.[59]

 

Op 24 juli1762, leverde hij een kaart af voor de Baron van Schore. Gens had in opdracht van de baron enkele moerassige stukken land opgemeten. Door deze percelen zou een nieuwe dreef naar het “kasteel van Bleijeberch”, gelegen net buiten de Mechelse poort van Leuven worden aangelegd.[60]

 

Elf jaar later in 1773 zal Gens nog twee kaarten opstellen in opdracht van de Baron. De eerste kaart is een plattegrond van een stuk land gelegen naast het kasteel, gedateerd 17 maart 1773.[61] De tweede is de weergave van de opmeting van een erf afhankelijk van het kasteel en is van dezelfde datum.[62] In de inzet van beide kaarten wordt de opdrachtgever niet bekendgemaakt, maar aangezien het ging om een opmeting van goederen die behoorden tot het landgoed “Bleijeberch” of Blijdenberg is het hoogst waarschijnlijk dat de baron de opdrachtgever was.

 

Op 18 februari 1763 voltooide hij in opdracht van E.H. Van Ongevalle, pastoor van de Sint – Kwintenparochie te Leuven, een kaart van de kerk, de pastorij en de daarbij horende gronden. In deze kaart was ook de grootte van de gebouwen opgenomen. Eén van de opmerkelijkste zaken aan deze kaart is de titelversiering in de vorm van een doodshoofd.[63]

 

Op 2 juni van datzelfde jaar karteerde hij voor de Peter Vanbiesen en Guiliam Huybrechts, schepenen van Herent, een kaart waarop de scheiding van Leuven, Herent en Winksele wordt afgebeeld. Op deze grens lag de eigendom van de abdij van Vlierbeek die op het ogenblik van de scheiding werd gehuurd door de Weduwe Vander Maelen.[64]

Op 23 juni 1764 vervaardigde Gens in opdracht van Lambertus Goffaert een kaart, die werd voorgelegd op het proces tussen de erfgenamen Panhuysen en de superior van het Ostarium[65] te Leuven. Beide partijen hadden een geschil over de opdeling van de erfenis van de familie Panhuysen. De kaart was een figuratieve weergave van een opmeting van vier percelen bos, gelegen te Nieuwrode.[66] Toen er onenigheid was ontstaan over de opdeling van dit bos tussen de erfgenamen en het Ostarium, werd er een proces aangespannen door de erfgenamen. Hierop gelaste de procureur Goffaert Alexander Gens met de opmeting en de opdeling van het bos.[67] Een jaar later in 1765 verzorgde hij de opmeting van een perceel te Sint-Agatha- Rode in opdracht van het Willibrord- of Boscollege. In de inventaris ‘Repertorium van handschriftelijke kaarten en plattegronden tot omstreeks 1855, bewaard op het universiteitsarchief aan de K.U. Leuven’, opgesteld door Luc Janssens wordt deze kaart vermeld als niet gedateerd. Uit de inzet van de kaart valt echter duidelijk af te lezen dat ze afkomstig is uit het jaar 1765.[68]

 

Over de familie PanhuysenLeuven,r de raad van Brabantegio Leuven, deze kaart was een dubbel van de kaartp 19 juni 1766 voltooide hij een plattegrond van twee hoeven en al hun aangrenzende eigendommen, gelegen te “Cleerwijck”, een gehucht onder Sint-Pieters-Rode en Houwaart. Gens deed dit op verzoek van Jonkheer Guilliam François Devroeij, heer van Linde en eerste raadpensionaris van de stad Leuven. Op 5 april 1770 werd de kaart voorgelegd op het proces tussen De Plaines en Anna Vuerincx, weduwe van Jan Wolfs betreffende het vruchtgebruik van de hoeven.[69]

 

Tussen 1767 en 1772 voltooide hij drie kaarten voor het Wilibrord- of Boscollege. De eerste was het product van een opmeting van drie percelen akkergrond, gelegen te Tildonk, die eigendom waren van het college.[70] Voor diezelfde opmeting vervaardigde Gens nog een tweede kaart van twee percelen land, gelegen in het “Tildonckveldt”.[71] In de derde kaart werd een bos weergegeven dat gelegen was onder de gemeente Attenrode, genaamd het “Strijbosch”.