| Inventaris van het archiefblok Oprichting van het nieuwe Museum voor Moderne Kunst (1959 – 1987), deel van het archiefbestand Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België (KMSKB) (ca. 5 strekkende meter). (Marc Bastijns) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
I. Periode 1959 – 1973: Niet - aanvaarde voorstellen voor een nieuw Museum voor Moderne Kunst
1. Stukken van algemene aard
1.1. Briefwisseling
1.2. Inventaris
2. Stukken betreffende bijzondere onderwerpen
2.1. De politiek voor de oprichting van een nieuw Museum voor Moderne Kunst
2.1.1. Intern (binnen de KMSKB)
2.1.2. Extern overleg in commissies en werkgroepen
2.2. De verschillende vestigingsprojecten
2.2.1. Algemeen
2.2.1.1. Intern (binnen de KMSKB)
2.2.1.2. Extern overleg in commissies en werkgroepen
2.2.2. Specifieke lokaties
1. Egmontpaleis, Brussel
2. Wolstraat, Brussel
3. Stadspark, Brussel
4. Jubelpark, Brussel
5. Glaverbel-gebouw, Bosvoorde
6. Zavel, Brussel
7. Kleine Zavel, Brussel
8. Martelarenplein, Brussel
9. Beurs, Brussel
10. Robinson-eiland, Elsene
11. Kunstwijk, Brussel
12. Hofbergstraat, Brussel
II. Het voorlopige Museum voor Moderne Kunst in het Altenloh-gebouw (1962 – 1978)
III. Periode 1973 – 1987: Het aanvaarde ontwerp voor een nieuw Museum voor Moderne Kunst
1. Stukken van algemene aard
1.1. Briefwisseling
2. Stukken betreffende bijzondere onderwerpen
2.1. De politiek voor een nieuw Museum voor Moderne Kunst
2.1.1. Intern (binnen de KMSKB)
2.2.2. Extern overleg in commissies en werkgroepen
2.2. Bouwwerken in de marge van de bouw van het nieuwe Museum voor Moderne Kunst
2.3. Uitvoering van het aanvaard project
2.3.1. Uitvoering per fase
a) Fasen 1 en 2
b) Fase 1
c) Fase 2
2.3.2. Coördinatie van de uitvoering in de praktijk
2.4. Officiële opening
3.2. Beschrijving van het archiefbestand
a) Geschiedenis van de archiefvormer
In 1801 werd door eerste consul Bonaparte in Brussel een museum opgericht. Het was immers zijn doel in elk van de vijftien departementen van zijn rijk een dergelijk museum op te richten. Het museum in Brussel werd bijgevolg het museum van het Dijle-departement genoemd. Door omvangrijke schenkingen van Willem I in 1817 en van de Belgische Staat in 1834 werd de collectie van het museum al snel één van de omvangrijkste in de regio.
In 1842 besliste de Belgische regering de collectie van het museum aan te kopen en op 31 maart 1846 verscheen het koninklijk besluit (KB) houdende de organisatie van het Belgisch museum voor schilder- en beeldhouwkunst. Het museum was in die tijd ondergebracht in het oude Paleis van Karel van Lotharingen, het zogenaamde Oude Hof.
In 1880 werd een eerste belangrijke uitbreiding van het museum afgerond. In dat jaar werd immers een nieuw gebouw aan de Regentschapsstraat geopend, naar een ontwerp van architect Alphonse Balat. Dit imposante bouwwerk zou later steeds het 'Balat-paleis' genoemd worden. In 1887 werd de collectie Oude Kunst naar dit gebouw overgebracht, waardoor alleen de collectie Moderne Kunst in het Oude Hof achterbleef. Ondanks verschillende renovatiewerken aan de bestaande gebouwen zou het nog tot 1959 voor er echt schot in de zaak kwam, met de sluiting van het Oude Hof en het daarmee verbonden verdwijnen van het MMK.
Door het KB van 20 april 1965 kregen de KSMKB het statuut van federale wetenschappelijke instelling. Het statuut van het wetenschappelijk personeel werd door de twee KB's van 21 april 1965 bepaald. Eveneens op 21 april 1965 werden drie KB's uitgevaardigd die de lijst vaststelden van de verschillende instellingen die zich in de toekomst federale wetenschappelijke instelling zouden mogen noemen. Deze lijst viel uiteen in drie groepen.
De eerste was afhankelijk van de Dienst voor Wetenschappelijk Onderzoek van het Ministerie voor Nationale Opvoeding en van Cultuur. Een voorbeeld uit deze groep vormde de Koninklijke Bibliotheek Albert I. Een tweede groep viel onder de directe bevoegdheid van het Ministerie van Landbouw, met als voorbeeld het Instituut voor Chemisch Onderzoek. De derde groep tenslotte was afhankelijk van de Dienst voor Kunsten en Letteren van het Ministerie van Nationale Opvoeding en voor Cultuur. De KMSKB behoorden tot deze laatste groep. Tevens werd beslist de KMSKB op te splitsen in twee aparte departementen: één voor oude en één voor moderne kunst. Aan het hoofd van elk departement kwam een conservator te staan.
In paragraaf 2.2. vermeldden we reeds dat binnen de KMSKB vijf personeelsleden zich op één of andere manier en in verschillende mate actief toonden bij de oprichting van het nieuwe MMK. De informatie die nu volgt, haalden we uit het Administratief en Gerechtelijk Jaarboek van België (bijgenaamd de "Bruylandt", naar de uitgeverij van het jaarboek) en het Bulletin van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten, het jaarboek van de KMSKB.
Philippe Roberts-Jones kwam in 1960 in dienst bij de KMSKB als opvolger van hoofdconservator Claire Janson. Het duurde echter nog tot 1961 vooraleer hij die functie effectief kon uitoefenen. Tot eind 1984 zou Roberts-Jones hoofdconservator blijven en de opening van de vernieuwde KMSKB in oktober van dat jaar vormde dan ook het orgelpunt van zijn carrière als hoofdconservator.
Henri Pauwels kwam in 1963 in dienst bij de KMSKB. Vooraleer hij in 1965 hoofd van de afdeling oude kunst werd, was hij tussen '63 en '65 een hevig pleitbezorger van het nieuwe MMK. Ook tijdens de periode dat Pauwels departmentshoofd van oude kunst was, behield hij zijn aandacht voor het MMK en vooral tijdens de periode van de bouwwerken (1978 tot 1984) was Pauwels erg actief. Eind 1984 volgde hij Roberts-Jones op als hoofdconservator-ad-interim.
Francine Legrand werd in 1964 benoemd als conservator bij de KMSKB en bij de splitsing in twee aparte departementen oude en moderne kunst kreeg ze de functie van departementshoofd toebedeeld. In 1982 verliet Legrand de KMSKB en werd ze in haar functie opgevolgd door Phil Mertens.
In 1965 trad Pierre Baudson als assistent in dienst bij de KMSKB op het departement moderne kunst. Vanaf 1983 vervulde Baudson dan de functie van afdelingshoofd binnen hetzelfde departement. Zijn grootste bijdrage aan de oprichting van het nieuwe MMK leverde Baudson als verantwoordelijke van de musea op de werf van het nieuwe museum.
Eliane De Wilde kwam in 1965 in dienst als assistent in dienst op het departement oude kunst van de KMSKB. Van 1977 tot 1983 vervulde ze de functie van werkleider, waarna ze tot afdelingshoofd op het departement oude kunst benoemd werd. Zij stond in 1983 en 1984 in voor de coördinatie van de openingsdagen van de vernieuwde KMSKB, op 24, 25 en 26 oktober 1984.
b) Geschiedenis van het archief
Het archiefblok 'Oprichting van het nieuwe Museum voor Moderne Kunst' is niet, zoals Herman Coppens dat bij een archiefbestand wel ziet, organisch gevormd. Wanneer we dan ook kijken naar de manier waarop dit archiefblok in zijn huidige omvang tot stand is gekomen, moeten we besluiten dat de huidige staat in grote mate afhangt van verschillende overdrachten aan het museumarchief. De afgelopen jaren hebben verscheidene personeelsleden van de KMSKB oude documenten overgedragen. Op het archief werden de stukken met betrekking tot de oprichtinga van het nieuwe MMK dan bij elkaar geplaatst
Tijdens de vorming van het archief hanteerde de KMSKB geen registratiesysteem waardoor alle stukken die betrekking hebben op het nieuwe MMK duidelijk onderscheiden bleven van andere activiteiten. Zo vormde elke conservator zijn eigen dossiers en vulden ze elkaars informatie vaak aan. Het resultaat van deze samenwerkingen was dan dat de archiefstukken vaak verspreid raakten. Een dergelijke verspreiding verklaart zeker ten dele de vele overdrachten die nodig geweest zijn om uiteindelijk het archiefblok 'Oprichting van het nieuwe Museum voor Moderne Kunst' terug te 'reconstrueren'.
De basis van het archiefblok werd begin jaren '90 gelegd door het museumarchief, wanneer uit de kantoren van het wetenschappelijk personeel documenten bij de archiefdienst werden samengebracht. Vooral het archief van de hoofdconservator kwam al vroeg bij de archiefdienst van het museum terecht. In de jaren die volgden werden nog meer vondsten aan het archief overgedragen. Tussen 1993 en 2001 vonden zes overdrachten plaats van archiefstukken over de oprichting van het nieuwe MMK. Na ontvangst door het museumarchief werden deze stukken toegevoegd aan het archiefblok.
In 1993 (precieze datum onbekend; nummer van de overdracht: 93/01) droeg Régis Hespel van de Technische Dienst en Beveiliging één zwarte classeur en twee bouwplannen over, allebei met ontwerpen van architect Roger Bastin voor het nieuwe Museum voor Moderne Kunst. Op de overdrachtslijsten staat echter nergens vermeld hoe deze documenten bij de Technische Dienst en Beveiliging terecht zijn gekomen. Navraag bij de Technische Dienst zelf leverde geen nieuwe informatie op.
In een tweede overdracht, in februari 1995 (nummer van de overdracht: 95/03), droeg Hespel negen archiefdozen over met materiaal aangaande het nieuwe MMK. In deze dozen vonden we dossiers terug samengesteld door zowel Philippe Roberts-Jones, Henri Pauwels als Pierre Baudson. In verscheidene dossiers waren ze trouwens samen aan het werk waardoor het zeer moeilijk werd de precieze oorsprong van elk dossier te achterhalen.
Vervolgens droeg Hespel in augustus 1995 (nummer van de overdracht: 95/19) nog één doos over met verschillende werktekeningen die gebruikt werden tijdens de bouwperiode van het MMK. Bij deze overdracht lijkt het duidelijk hoe deze tekeningen bij Hespel zijn beland. Als verantwoordelijke voor het gebouwenbeheer is het niet meer dan logisch dat bouwplannen en tekeningen op zijn dienst terecht komen en er bewaard worden. Bij problemen zal zijn dienst, die instaat voor het beheer der gebouwen immers de oude plannen nodig hebben.
In 1996 droeg Hespel tenslotte nog eens 4 archiefdozen over aan het museumarchief (precieze datum onbekend; nummer van de overdracht: 96/05). Ook deze dozen bevatten hoofdzakelijk bouwplannen en tekeningen, wat net als bij overdracht 95/19 kan verklaren waarom ze bij Hespels dienst terecht zijn gekomen.
In 1998 (precieze datum onbekend; nummer van de overdracht: 98/29) droeg Gisèle Ollinger, hoofd van het departement Moderne Kunst, vier dozen met archiefmateriaal over aan het museumarchief. Al dit materiaal bestond uit documenten van Francine Legrand, één van Ollingers voorgangsters aan het hoofd van het departement Moderne Kunst. Tijdens bijna de hele periode van de oprichting van het nieuwe MMK stond Legrand aan het hoofd van het departement Moderne Kunst. Met deze overdracht kwamen dus ook de papieren van Legrand die betrekking hadden op de oprichting van het nieuwe MMK, terecht in het hier geïnventariseerde archiefblok.
Tenslotte droeg Françoise Roberts-Jones-Popelier, echtgenote van voormalig hoofdconservator Philippe Roberts-Jones en zelf eveneens lange tijd conservator bij de KMSKB (departement oude kunst), nog één doos over met archiefmateriaal aangaande de oprichting van het nieuwe MMK. Deze overdracht vond plaats in mei 2001 (nummer van de overdracht: 2001/13), en kon dus maar aan het eind van mijn inventarisatiewerk worden toegevoegd aan het archiefblok. De doos bevatte voornamelijk briefwisseling van Roberts-Jones met architect Bastin, en als dusdanig vormde het overgedragen materiaal een belangrijke aanvulling op het reeds aanwezige archief.
In paragraaf 2.2. hebben we aandacht besteed aan het kunstmatige karakter van archiefblokken. Ook in dit archiefblok zien we dat de ontstaansgeschiedenis een zeer kunstmatig karakter heeft, met een vage oorsprong. De vele overdrachten door verschillende instanties accentueren de complexe ontstaansgeschiedenis van het archiefblok.
Een kleine kanttekening bij deze geschiedenis van het archief is naar onze mening wel op zijn plaats. Alhoewel het archiefmateriaal dat opgenomen werd in de inventaris van het archiefblok 'Oprichting van het nieuwe Museum voor Moderne Kunst' een goed beeld geeft van de hoe het huidige MMK tot stand is gekomen en grote lacunes niet meer voorkomen, kunnen we niet garanderen dat dit archiefblok en dus ook deze inventaris volledig zijn. Aangezien zelfs in mei 2001 nog materiaal opdook, is het goed mogelijk en zelfs waarschijnlijk dat de komende tijd nog ander materiaal kan overgedragen worden.
Wat het archief betreft dat gevormd werd door de commissies en werkgroepen die de oprichting van het nieuwe MMK coördineerden, verwijzen we hier naar bijlage 2 bij de inventaris. Daar worden de verschillende commissies en werkgroepen op een rijtje gezet en voorzien van enige verklarende uitleg. Aangezien het merendeel van de commissies en werkgroepen ingericht werden door de Dienst der Gebouwen van het Ministerie van Openbare Werken, moet het archief dat door deze commissies gevormd werd dus ook onder instelling berusten. De KMSKB bezit enkel de notulen van de verschillende zittingen, voorzover een vertegenwoordiger van de KMSKB aanwezig was op de zittingen.
3.3. De oprichting van het nieuwe Museum voor Moderne Kunst: een overzicht
Op 4 januari 1937 werd een wedstrijd uitgeschreven voor de aanleg van de Kunstberg in Brussel.[30] Tot 1 juni van datzelfde jaar konden architecten ontwerpen indienen die eindelijk de wens van Koning Leopold III in vervulling zouden doen gaan: de creatie van een letterkundig en wetenschappelijk centrum in het hart van Brussel. De ontwerpen van de architecten Van Steenbergen en Ghobert eindigden ex aequo op de eerste plaats. Deze ambitieuze projecten konden bij gebrek aan financiële middelen echter niet uitgevoerd worden en bijgevolg werd een nieuwe wedstrijd uitgeschreven op 1 september 1938. In januari 1939 werd Maurice Houyoux uitgeroepen tot winnaar van deze wedstrijd. Op 20 september van datzelfde jaar werd tenslotte de lokatie voor de Koninklijke Bibliotheek op de Kunstberg goedgekeurd in een regeringsbesluit. De realisatie van het project werd toevertrouwd aan de architecten Ghobert en Houyoux. Architect Van Steenbergen was ondertussen door een slechte gezondheidstoestand gedwongen zich uit het project terug te trekken. Houyoux stond in voor de realisatie van de Koninklijke Bibliotheek, terwijl Ghobert het stedebouwkundige deel en de gebouwen, uitgezonderd de Koninklijke Bibliotheek, voor zijn rekening nam. Het project voorzag naast de Koninklijke Bibliotheek immers ook in de bouw van een Rijksarchief en een Museum voor Moderne Kunst.
In 1954 startten de werken aan de Koninklijke Bibliotheek, een heus titanenwerk waarbij heel wat naburige gebouwen dienden te worden ontruimd. Zo ook het Paleis van Karel Lotharingen, ook wel het Oude Hof genaamd. Dit gebouw bood onderdak aan de collectie Moderne Kunst van de KMSKB. In 1959 werd aan de directie van de KMSKB opgedragen het Oude Hof te verlaten, wegens de vorderende werken aan de Koninklijke Bibliotheek. In november van dat jaar waren de laatste kunstwerken er weggehaald en zat België zonder nationaal museum voor moderne kunst. De speurtocht naar een nieuw onderkomen duurde tot januari 1962, wanneer de staat de voormalige juwelierszaak Altenloh aan het Koningsplein nummer 1, begon te huren. Dit gebouw, dat oorspronkelijk tot 1914 dienst deed als Hôtel de l'Europe, deed vanaf 7 september 1969 dienst als voorlopig MMK, in afwachting van een nieuw gebouw dat beter zou voldoen aan de hoge eisen van een hedendaags museum.[31] Na drie jaar zonder MMK was er dan toch een tijdelijke oplossing gevonden.[32]
Reeds bij de sluiting van het museum in het Oude Hof in 1959 was de zoektocht begonnen naar een vestigingsplaats voor het volledig nieuwe MMK.[33] In de maand na de sluiting werd het voorstel gelanceerd voor een museum op het Robinson-eiland in het Ter Kameren Bos. Al snel bleek deze optie niet haalbaar door de vele vernielingen in de groene omgeving die de bouw van een museum onvermijdelijk met zich zou meebrengen.[34]
In 1961 deden de ministers voor Openbaar Onderwijs en voor Openbare Werken dan een volgend voorstel. Zij stelden voor het MMK te bouwen in het park van Woluwe. De commissie die zij aanstelden om dit voorstel te onderzoeken, oordeelde echter negatief en het voorstel werd verworpen, vooral wegens de te grote afstand tussen het museum en het centrum van Brussel.
In februari 1962 kwam dan ook het Jubelpark ter sprake als mogelijke vestigingsplaats voor het museum. Door de te grote afstand en de grote historische waarde van de site aan het Jubelpark werd afgezien van een mogelijke bouwproject. Naast de voornoemde projecten waren in de eerste jaren na de sluiting in 1959 nog enkele andere voorstellen gedaan die echter te licht uitvielen. Zo waren er plannen voor een museum aan de Louisalaan, aan de Tervuurselaan en in de kazerne der Grenadiers aan de Zavel.
Ongeveer tegelijkertijd met de projecten in het pak van Woluwe en aan het Jubelpark bracht de minister van Nationale Opvoeding een ander voorstel ter sprake. Op de ministerraad van 24 maart 1964 werd het project goedgekeurd voor het oprichten van het MMK aan de Wolstraat, met het Egmontpaleis en de aanpalende woningen. Enkele jaren voordien was er reeds een voorstel gedaan het museum onder te brengen in het Egmontpaleis, maar al snel bleek het gebouw meer geschikt te zijn als ministerie van Buitenlandse Zaken. In mei 1965 werd dan een commissie opgericht die de haalbaarheid van het project Wolstraat moest onderzoeken. De combinatie van een ministerie en een nationaal museum op een dergelijke beperkte lokatie bleek echter allesbehalve ideaal en ook dit project werd opzij geschoven. De commissie deed in september 1966 echter een nieuw voorstel: de Zavel. Tussen de Regentschapsstraat en de Kleine Zavel zagen zij een ideale site voor het MMK.
Ondertussen was er een nieuwe kandidaat-lokatie opgedoken: de site tussen de Hofbergstraat, het Koningsplein en het Museumplein. De idee kwam van de architecten die verbonden waren aan de bouw van de Koninklijke Bibliotheek, Roland Delers en Jacques Bellemans. Na de dood van Houyoux hadden zij het project van hem overgenomen. Samen met Ghobert ontwikkelden Delers en Bellemans een plan om het museum bovenop de Kunstberg te plaatsen, tussen het Museum voor Oude Kunst, het Rijksarchief en de Koninklijke Bibliotheek.
In 1966 bleven er zodoende nog twee overtuigende voorstellen over, los van de vrij vage ideëen voor een museum in het Ter Kameren Bos in Elsene of aan de Beurs in Brussel. In de loop van 1966 uitten echter verschillende belangengroepen kritiek op het project Zavel, waardoor de algemene overtuiging groeide dat een vestigingsplaats aan de Hofbergstraat de ideale oplossing zou zijn voor het probleem van het MMK. De overheid bleef echter het project Zavel steunen, minister Pierre Wigny van Franse Cultuur gaf in maart 1967 zelfs zijn akkoord voor het project.
In juni 1967 wordt de commissie opnieuw samengeroepen om te oordelen over de ingediende voorstellen. Ondertussen is het project aan de Hofbergstraat in handen gekomen van architect Roger Bastin. Op aanraden van de Vrienden van de Musea hadden Delers en Bellemans in februari 1967 contact gezocht met Bastin en hem gevraagd een ontwerpstudie te maken voor het MMK. Bastin bestudeerde in de loop van 1966 en 1967 de oorspronkelijke plannen van architect Houyoux en sleutelde hij aan zijn ontwerp dat op de steun kon rekenen van de Vrienden van de Musea en de museumdirectie.
In 1969 spraken alle betrokkenen dan officieel hun voorkeur uit over de vestigingsplaats aan de Hofbergstraat. In maart schaarden de Vrienden van de Musea zich achter de lokatie en achter de ingediende voorstellen van architect Bastin. In juli richtte de minister voor Nederlandse Cultuur een commissie op die op initiatief van de Vrienden van de Musea diende samen te komen en een advies diende op te stellen voor de inplanting van het MMK in het centrum van de stad. In deze commissie zetelden sociologen, museologen, architecten en stedebouwkundigen van verschillende nationaliteiten. Op 15 december tenslotte vaardigde de regering Eyskens een besluit uit waarin zij opdroegen tot de oprichting van een MMK aan de Hofbergstraat in Brussel.
In maart 1970 werd vervolgens het plan goedgekeurd ter financiering van het hele project. Graaf René Boël, voorzitter van de Vrienden van de Musea, had reeds van 1969 af stappen ondernomen om ondernemingen warm te maken voor het museum. In november 1969 had hij een overeenkomst kunnen bekomen tussen het ministerie van Financiën en de Groep van Banken. Naast het financiële plan werden in maart 1970 ook de architecten Bastin (met de hulp van Pierre Lamby, Guy Van Oost en François Douxchamps) en zijn Antwerpse collega Leo Beeck aangesteld als verantwoordelijken voor een ontwerp voor het toekomstige museum.[35] In een werkgroep met vertegenwoordigers van de ministeries van Openbare Werken, van Brusselse Aangelegenheden, van Franse en van Nederlandse Cultuur, van de directie van de KMSKB en van de Vrienden van de Musea, dienden dan de ingediende ontwerpen te worden bediscussieerd en aangevuld met het oog op een definitief voorontwerp. Tussen juli 1970 en september 1971 bereidde de werkgroep het uiteindelijke voorontwerp voor dat op de laatste vergadering van 14 september goedgekeurd werd. De volgende maanden werd de procedure voor de goedkeuring van het definitief ontwerp verdergezet.
Op 9 mei 1973 richtten de ministers van Openbare Werken (Alfred Califice), van Nederlandse (Jos Chabert) en van Franse Cultuur (Pierre Falize) en van Brusselse Aangelegenheden (Guy Cudell) een persconferentie in waar zij officieel het goedgekeurde ontwerp voor het MMK van de hand van Bastin en Beeck voorstelden. Ze lieten hun goedkeuring blijken over het uiteindelijke resultaat van de voorgaande jaren van overleg. Bij dezelfde gelegenheid presenteerde het de minister van Openbare Werken een brochure met een overzicht van de ontstaansgeschiedenis van het voorgestelde ontwerp. Op diezelfde dag kreeg het publiek ook de kans een maquette te bekijken van het gekozen ontwerp.
De manier van werken van de overheid, door velen bestempeld als de tactiek van het voldongen feit, bracht heel wat ongenoegen teweeg. In de maanden na de persconferentie onstond in de Belgische pers een hevige campagne tegen het ingediende ontwerp en tegen de werkwijze van het ministerie van Openbare Werken. Verschillende belangengroepen, zoals de Belgische Bond voor Esthetiek, het Atelier de Recherche et d'Actions Urbaines (ARAU) en Inter - Environnement waren niet te spreken over het project zoals voorgesteld op 9 mei.
In juni publiceerden de Archieven van de Moderne Architectuur hun "Dossier nr. 1", waarin zij het ontwerp van Bastin zwaar bekritiseerden en een aantal alternatieve voorstellen deden. Verder brachten de voornoemde instanties verschillende pamfletten uit en organiseerden ze persconferenties waarop steeds het ongenoegen over het ontwerp centraal stond. Deze hevige reacties brachten Guy Cudell, minister van Brusselse Aangelegenheden, ertoe een gesprek te voeren met architect Bastin, waarop hij hem vroeg enkele aanpassingen aan het ontwerp door te voeren. Op 16 oktober 1974 leverde Bastin een aangepast voorstel in, dat echter afgekeurd werd omdat het onvoldoende tegemoet kwam aan de wil van de critici.
Deze critici vielen vooral over het moderne gebouw in het voorgestelde ontwerp. Dit gebouw betekende volgens hen een kaakslag aan de bestaande stedelijke omgeving op de Kunstberg. In hun dossier bestempelden de Archieven van de Moderne Architectuur het gebouw zelfs als een 'betonnen bunker'. Naast de esthetische aspecten van het gebouw was het vooral de afbraak van de huizen aan de Hofbergstraat en die aan de Museumstraat, samen de Museumwijk, die in het verkeerde keelgat schoot. De historische en esthetische waarde van deze panden maakte het ontoelaatbaar dat ze zouden worden gesloopt ten voordele van een moderne 'bunker'.
Ondertussen had minister Cudell echter zijn oog laten vallen op het gebouw Old England, het huidige Instrumentenmuseum gelegen op de Coudenberg aan de overzijde van Altenloh. Hij zag de mogelijkheid in dit gebouw het Museum voor Moderne Kunst onder te brengen. Ondanks de steun van het ARAU keurde de gemeenteraad van Brussel dit voorstel unaniem af wegens de ongeschiktheid van het gebouw voor een functie als museum.
Ondertussen werkte Bastin echter onverminderd verder aan nieuwe ontwerpen. Ook de financiële regeling voor het museum diende helemaal opnieuw te worden bekeken. 9 mei 1973 was daarom zeker een keerpunt in de ontstaansgeschiedenis van het Museum voor Moderne Kunst. Na ruim 14 jaar voorbereiding moest er opnieuw van nul worden vertrokken. In de volgende maanden werden van overheidswege heel wat nieuwe beslissingen opgelegd aan de architecten.
Op 14 december 1973 werd beslist dat voor het nieuwe Museum voor Moderne Kunst de functie als museum prioritair diende te zijn, culturele animatie in de rand van het museum voorzien zou worden, het Museumplein afgesloten zou worden en de stedelijke woongedeelten behouden zouden blijven, voorzover de veiligheid gegarandeerd kon worden. In maart 1974 viel de beslissing waarbij deze nieuwe regeling toegepast moest worden op het bovengrondse deel van het museum, en dit los van het ondergrondse deel van de bouwwerken.
Vier maanden later, op 26 juli 1974, beslisten de ministers van Openbare Werken, van Nederlandse en van Franse Cultuur en van Brusselse Aangelegenheden dat het MMK ondergronds zou worden gebouwd, onder het Museumplein en de Kleine Museumstraat. Daarnaast zagen ze af van een ondergrondse parking onder het museumgedeelte onder het Museumplein. De ministers stelden de kwestie rond de huizen van de Museumwijk uit. Voorlopig moesten ze in hun huidige staat bewaard blijven. De stad Brussel zou een plan van aanleg vervaardigen voor dit huizenblok en er een bestemming voor trachten te vinden. De architecten Bastin en Beeck werden officieel belast met de realisatie van het ontwerp voor het museum, terwijl professor Raymond Lemaire de verantwoordelijkheid kreeg over de mogelijke restauratie van de huizen van de Museumwijk.
De twee belangrijkste gevolgen van al deze beslissingen waren het verdubbelen van de functie van Altenloh tot zowel tentoonstellingsruimte als ingang van het museum. Ook het wegvallen van de ondergrondse parking zorgde voor een ommekeer binnen de ontwerpen van Bastin en Beeck, die nu natuurlijk meer ondergrondse ruimten als tentoonstellingszaal konden inrichten. Ook de engagering van professor Lemaire voor de restauratie van de Museumwijk was een belangrijke verandering binnen het project voor het MMK.
Lemaire stelde immers in juli 1974 de resultaten voor van zijn onderzoek naar de mogelijkheden tot restauratie van de huizen van de Museumwijk. In opdracht van de ministers van Brusselse Aangelegenheden, Openbare Werken en Franse en Nederlandse Cultuur voerde hij zijn onderzoek uit en kwam tot de conclusie dat een gedeeltelijke conservatie van de huizen van de Museumwijk mogelijk en zelfs noodzakelijk was. Alleen het pand nummer 16 tot 22 aan de Museumstraat zag Lemaire in aanmerking komen voor afbraak. In de beslissingen van 26 juli 1974 werd ernstig rekening gehouden met de conclusies van Lemaire en werd de Museumwijk dan ook (voorlopig) gespaard.
In november werd op het kabinet van de minister van Openbare Werken beslist dat tegen uiterlijk 15 december door de architecten een exemplaar van het voorontwerp aan de administratie voor Gebouwen diende te worden afgeleverd. Bij deze gelegenheid werd eveneens een werkgroep voor de oprichting van het MMK samengeroepen om in de volgende maanden het ingeleverde voorontwerp te bespreken en te verbeteren.
Op 10 januari 1975 vergaderde voor de eerste maal de heropgerichte werkgroep. De schetsen van het nieuwe ontwerp werden hier aan alle betrokkenen voorgesteld. Het vernieuwende aan dit ontwerp was dat het bovengrondse volume van moderne aard weggelaten werd en dat de ondergrondse parking vervangen werd door tentoonstellingsruimtes. De werkgroep besloot dat de voorgestelde schetsen volledig beantwoordden aan de genomen regeringsbeslissingen van juli 1974. Ondanks deze goedkeuring stelde zich onverminderd het probleem van de Museumwijk. Het waren immers allen Altenloh en de huizen aan de Museumstraat 16-22 en de Hofbergstraat 91 en 93 die deel zouden uitmaken van de bouwsite van het MMK.
In mei 1975 werd dan eindelijk de officiële beslissing genomen de werken aan het Museum voor Moderne Kunst op te delen in twee fasen. De eerste, ondergrondse, fase, omvatte de werkzaamheden aan de museumruimten die onder de begande grond zouden worden ingericht. Voor deze fase werd 1 september 1975 vooropgesteld als uiterlijke datum voor de voorstelling van het voorontwerp. De tweede, bovengrondse fase omvatte de uitdieping en vergroting van Altenloh , dat in het nieuwe museum dienst zou doen als ingang en als onderkomen voor de tijdelijke tentoonstellingen.[36] Op de vooropgestelde datum van 1 september 1975 leverden de architecten dan het voorontwerp van fase 1 af bij de minister van Openbare Werken.
Op dat moment begon de procedure voor een definitieve goedkeuring van dat voorontwerp. Op 9 juni 1977 keurde de Regie der Gebouwen en de directie van de KMSKB officieel het voorontwerp goed. In augustus van dat jaar werd een aanvraag ingediend voor het akkoord van de stad Brussel, een aanvraag die op 20 september vanuit de stedelijke Overlegcommissie werd beantwoord met het verlenen van het akkoord voor het begin van de realisatie van de eerste fase in de bouw van het nieuwe Museum voor Moderne Kunst. Na het akkoord van de stad en de commissie te hebben verkregen duurde het nog tot 28 november 1977 voor de bouwvergunning voor fase 1 werd afgeleverd onder voorwaarde dat enkele knelpunten in het ontwerp zouden worden herbekeken. . Bij deze gelegenheid richtte de minister van Regionale Brusselse Economie een werkgroep op die een plan voor de renovatie van de Museumwijk op punt diende te stellen. Het lag in de lijn der verwachtingen de werf te openen in de loop van 1978. In september 1978 werd dan uiteindelijk de werf geopend en gingen de werken voor fase 1 van start.
De procedure voor de goedkeuring van het voorontwerp van fase 2 verliep volgens een ander schema. De plannen die reeds getekend waren voor de aanpassingen aan Altenloh en de aanpalende woningen van de Museumstraat 16 tot 22 en Hofbergstraat 91 en 93 konden worden gebruikt worden voor de uitwerking van fase 2. De werken aan Altenloh waren immers het enige gedeelte van het ontwerp uit mei 1973 dat overeind was gebleven. De geplande afbraak van de voornoemde woningen van de Museumwijk zorgde echter weerom voor vele heftige reacties, onder andere van het ARAU. Op 29 september 1977 werd op een vergadering op het kabinet van de minister van Openbare Werken de afbraak van de veelbesproken panden opnieuw in vraag gesteld. Uiteindelijk bleek er toch een compromis mogelijk waarin de noodzaak van de afbraak aan alle betrokkenen duidelijk werd gemaakt. Eind december gaf het stadsbestuur dan ook haar akkoord voor de aanvang van de werken voor fase 2. Binnen deze fase zou Altenloh uitgebreid worden, zouden twee gebouwen aan de Hofbergstraat en het gebouw 'Infor-femmes' aan de Museusmtraat worden afgebroken en zouden de rest van de gebouwen van de Museumwijk omgebouwd worden tot woonhuizen.
Toch bleef de afbraak van de huizen van de Museumwijk zijn voor- en tegenstanders hebben. De tegenstanders wezen dan op het schrijnende tekort in de buurt van overnachtingsmogelijkheden en van commerciële initiatieven. Zij zagen de huizen van de Museumwijk als een ideale lokatie voor dergelijke doeleinden. Om toch tot een oplossing te komen in deze gevoelige zaak richtte Henri Simonet, staatssecretaris van Regionale Brusselse Economie een overlegcommissie op die over de zaak zou debatteren. De leden van de commissie dienden een adviesnota te maken voor de inplanting van het Museum voor Moderne Kunst in de stedelijke omgeving. Uit protest met de afbraak van de drie huizen van de Museumwijk die dienden te wijken voor de uitbreiding en loskoppeling van Altenloh, weigerde het ARAU in de commissie te zetelen. Uiteindelijk keurde de commissie het ontwerp van Bastin, bijgenaamd het 'project-bis', goed.
Vooral uit veiligheidsoverwegingen voor het museum en omwille van de slechte staat van het tijdelijke Museum voor voor Moderne Kunst kon dan toch tot de afbraak worden overgegaan. De uitdieping en vergroting van Altenloh (de nieuwe ingang van het museum) zoals reeds eerder was vastgelegd, kon op deze manier ook worden bewerkstelligd. Op de plaats van de afgebroken huizen werd, naar een ontwerp van Bastin het huidige gebouw voor de administratieve diensten gebouwd. Tussen het Altenloh-gebouw, dat een vierde gevel kreeg aangemeten, en dit administratieve gebouw bevond zich een kleine open ruimte, die door Bastin 'het kleine Museumplein' werd genoemd. Op 7 juni 1978 werd dan de bouwvergunning voor de tweede fase afgeleverd door de ministers Mathot en Simonet.
In maart 1978 hadden de vier bevoegde ministers (Van Aal, Vanden Boeynants, Debakker en Defraigne) reeds beslist de werken aan de eerste fase van de bouw van het Museum voor Moderne Kunst te laten aanvangen. Zes maanden later, op 13 september 1978, werd de werf dan officieel geopend en konden de bouwwerken eindelijk van start gaan. Tijdens de werken zouden er echter nog heel wat aanpassingen gebeuren aan de plannen van Bastin.
Zo vormde het gedeelte van het museum waar de technische diensten gehuisvest zouden worden een groot punt van discussie. Dit ondergronds gelegen blok diende immers nog bedekt te worden om zo het Museumplein werkelijk af te sluiten van de Hofbergstraat en de Coudenberg. Professor Lemaire stelde voor het 'Huis der Edelknapen' opnieuw op te richten, een pand dat door de bouw van het paleis van Balat aan de Regentschapsstraat verloren was gegaan. Anderen verkozen dan weer geen bedekking en opteerden voor de creatie van een tuin. Uiteindelijk werd ervoor gekozen het standbeeld van Karel van Lotharingen, dat voordien op het Museumplein had gestaan, bovenop het technische blok te plaatsen, zodat het Museumplein zowel open als gesloten zou zijn.
Het open dan wel gesloten karakter van het Museumplein vormde een aparte discussie. Reeds in 1974 was van overheidswege beslist dat het Museumplein gesloten diende te zijn. Zo kwam in 1979 de architect Jean Delhaye ertoe samen met Maurice Culot van de Archieven van de Moderne Bouwkunst een plan uit te werken waarbij het hotel Aubecq en de zaal Cousin, allebei van architect Victor Horta, zouden heropgericht worden op de hoek van de Hofbergstraat en de Kleine Museumstraat. Vanuit een puur esthetisch standpunt viel er heel wat te zeggen voor een dergelijk project, maar toch werd beslist het project niet te weerhouden, en wel vanuit een architecturaal standpunt.
Ook de huizen van de Museumwijk die niet afgebroken werden in het kader van fase 2, lagen aan de basis van eindeloze discussies. Bij de opening van het museum in oktober 1984 zou de renovatie van de huizen aan de Museumwijk nog niet voltooid zijn. In haar eindverhandeling schetste Delvaulx de situatie zoals die er toen, zomer 1984, voorstond. De huizen aan de Hofbergstraat waren reeds allemaal afgebroken om redenen van veiligheid (de huizen waren door en door verrot en dreigden de huizen van de Museumstraat eveneens te 'besmetten'. De huizen aan de Museumstraat hadden diverse bestemmingen gekregen, maar het merendeel zou worden omgebouwd tot ruimte voor de verschillende administratieve en wetenschappelijke diensten van de KMSKB. Een nieuwe polemiek was dan ook ontstaan: moesten de huizen aan de Museumstraat in oude of nieuwe stijl worden gerenoveerd? Delvaulx liet de vraag open, aangezien de debatten op het moment van verschijnen van haar verhandeling nog in volle gang waren. Op dit moment kunnen we echter vaststellen dat ook voor het probleem van de bouwstijl van de renovatie een Belgische oplossing werd gevonden: het merendeel van de huizen werd in een nieuwe stijl, gelijkaardig aan die van het nieuwe nummer 16 van de Museumstraat opgetrokken. Eén pand werd echter in een oude stijl gerenoveerd.
De werken aan de bouw van het MMK zouden uiteindelijk tot oktober 1984 duren, wanneer de officiële opening plaatsvond. Naast de reeds vermelde discussies zorgde ook de eigenheid van de lokatie voor heel wat problemen. Het feit dat het museum ondergronds werd gebouwd op een plaats die helemaal omzoomd werd door ander gebouwen, maakte het voor de aannemer moeilijk werken. Ook volledige renovatie van het binnenwerk van Altenloh en de bouw van een vierde muur bezorgden de werklieden heel wat kopbrekens. Ruim zes jaar na de opening van de werf kon het nieuwe MMK dan eindelijk worden ingehuldigd.
De officiële opening van de vernieuwde KMSKB vond plaats op 25 oktober 1984. Om het nieuwe Museum voor Moderne Kunst en het gerenoveerde Museum voor Oude Kunst feestelijk in te wijden werd de opening gespreid over drie dagen. Na meer dan 30 jaar van compromissen hadden Brussel en België eindelijk een volwaardig museum voor moderne kunst.
3.4. Verantwoording van de bewerking
Om de opzet van de inventaris en het archiefschema te rechtvaardigen, is een verantwoording van de bewerking noodzakelijk. Op die manier kan de gebruiker de evolutie volgen die plaatsgevonden heeft door de bewerkingen van de archivaris.
Archiefschema
Zoals in paragraaf 2.2. reeds uitvoerig besproken werd, heeft een archiefblok vaak een wat kunstmatig karakter. Bij een archiefbestand heb je als archivaris voor de ordening een aantal keuzemogelijkheden die afhangen van het feit of de archiefvormer een organisatie, dan wel een persoon of een familie is. Bij een archiefblok moeten we een dergelijke eenduidigheid vaak ontberen. Het komt er dan op aan je als archivaris te verdiepen in het archiefblok en zijn onderwerp. In het geval van het archiefblok 'Oprichting van het nieuwe Museum voor Moderne Kunst' was het aanvankelijk een zeer moeilijke opdracht een patroon te herkennen in het aanwezige archiefmateriaal. Na het grondig bestuderen van de stukken en van de secundaire literatuur die er bestaat over de bouw van het nieuwe MMK, hebben we gekozen voor een opsplitsing in twee grote perioden: van 1959 tot 1973 en van 1973 tot 1987.
Deze opdeling hebben we gemaakt op basis van de duidelijke breuk die op te merken valt in de ontwerpen voor het nieuwe MMK. Vanaf 1959 worden verschillende lokaties voorgesteld als mogelijke toekomstige vestigingsplaats voor het MMK. In 1969 wordt dan definitief gekozen voor de site aan de Hofbergstraat in Brussel. Architect Roger Bastin, vanaf 1970 in samenwerking met Louis Beeck, ontwerpt een ondergronds museum waarbij de toegang tot het museum via een bovengronds, modern opgevat gebouw zou verlopen. Dit nieuwe gebouw zou op de plaats van de Museumwijk gebouwd worden. De Museumwijk is de huizenblok tussen de Museumstraat en de Hofbergstraat. Op 9 mei 1973 wordt het ontwerp van Bastin en Beeck officieel aan het publiek voorgesteld. In de maanden die daarop volgden uitten heel wat belangengroeperingen echter hun verontwaardiging over het ontwerp en over de handelwijze van het Ministerie van Openbare Werken, zodat de minister van Brusselse Aangelegenheden zijn toestemming niet verleent het ontwerp ten uitvoer te brengen. Hij draagt Bastin en Beeck op een nieuw ontwerp uit te werken, rekening houdend met de opmerkingen van de critici. In de ontwerpen na mei 1973 werkt Bastin steeds meer toe naar het uiteindelijke ontwerp dat tussen 1978 en 1984 gerealiseerd werd.
In de ordening van het archief hebben we ervoor gekozen de caesuur te plaatsen op dit ontwerp van mei 1973. Meer specifiek delen we die archiefbestanddelen nog in in de eerste afdeling, welke nog te maken hebben met het ontwerp zelf of met de kritiek die achteraf op dit ontwerp geuit werd. Wanneer een archiefbestanddeel nog wel aandacht besteedt aan het ontwerp van mei 1973, maar meer vanuit een standpunt van waaruit wordt toegewerkt naar een nieuw ontwerp, wordt het ondergebracht in de afdeling van periode 1973 tot 1987. Door de positieve aspecten van het ontwerp van mei 1973 te behouden trachtten de architecten immers een nieuw compromis te bereiken met de hevigste critici.
Deze duidelijke tweedeling in de ontstaansgeschiedenis van het nieuwe MMK zien we ook terug in de vorming van de archiefbestanddelen. Zo wordt in de algemene briefwisseling over de oprichting van het MMK ("correspondance générale"; zie inv. nr. 2 tot 14 en 345 tot 352) ook een nieuwe map begonnen wanneer het ontwerp van mei 1973 definitief wordt afgekeurd. Ook in diverse dossiers zien we dat er vele worden afgesloten rond het midden van 1973. Ook binnen de KMSKB werd dit moment dus als een keerpunt gezien. Er diende immers bij wijze van spreken terug van nul te worden begonnen bij het ontwerpen van een nieuw MMK.
Naast deze opsplitsing in twee perioden hebben we getracht per periode onderverdelingen aan te brengen in de belangrijkste aspecten die komen kijken bij het bouwen van een nieuw nationaal museum voor moderne kunst. Enerzijds bevat het archiefblok heel veel ontwerpen en voorstellen voor ontwerpen. Daarom heb ik de verschillende lokaties naast elkaar gezet en indien mogelijk binnen elke lokatie de opeenvolgende ontwerpen.
We hebben geopteerd voor een rubrieksgewijze ordening binnen de twee afdelingen. Een eerste verdeling wordt gemaakt tussen de stukken van algemene aard en die betreffende bijzondere onderwerpen. Bij de algemene stukken gaat het dan vooral om de briefwisseling die over erg uiteindelijke onderwerpen kan gaan. De stukken betreffende bijzondere onderwerpen gaan daarentegen meer specifiek over bepaalde onderwerpen, als daar zijn de mogelijke lokaties voor een MMK of de politiek die gevoerd werd om de oprichting van een nieuw museum te bekomen.
In elke afdeling werden de stukken betreffende bijzondere onderwerpen dan ook opgesplitst in een rubriek rond de gevoerde politiek en één rond de ingediende ontwerpen voor het museum. In de eerste periode bevat de tweede rubriek de archiefstukken over de verschillende lokaties voor het MMK, terwijl in de tweede periode één rubriek aan de uitvoering van de verschillende ontwerpen voor het MMK gewijd werd en een andere aan de bouwprojecten die in de marge van de bouw van het MMK werden uitgevoerd. Tenslotte bevat de tweede afdeling binnen de stukken betreffende bijzondere onderwerpen nog een rubriek over de officiële opening van de vernieuwde KMSKB in 1984.
Naast de twee perioden waarin de oprichtingsgeschiedenis van het nieuwe MMK valt in te delen, heb ik nog een derde grote afdeling aangebracht. Tussen 1962 en 1978 is het MMK immers ondergebracht in het gebouw aan het Koningsplein 1 en 2, bijgenaamd het Altenloh-gebouw. Aangezien dit museum bestaan heeft buiten alle verwikkelingen omtrent het nieuwe MMK om, lijkt het mij het beste de archiefbestanddelen die gewijd zijn aan dit tijdelijke museum in een aparte afdeling onder te brengen. Een andere mogelijkheid is wellicht deze bestanddelen te verwijderen uit dit archiefblok, maar de band met de rest van het archiefblok lijkt me voldoende groot om van verwijdering af te zien.
Tenslotte dient hier nog vermeld te worden dat naast de oprichting van het eigenlijke MMK, ook werkzaamheden hebben plaatsgevonden aan de huizen van de Museumwijk. Het was de Leuvense professor Raymond Lemaire die hiervoor een ontwerp heeft voorgesteld. Architect Roger Bastin werkte eveneens eigen voorstellen uit, maar nog tot vroeg in de jaren 1980 bleef de discussie over de uiteindelijke bestemming van de wijk aanslepen. Uiteindelijk werd beslist alleen de huizen aan de kant van de Museumstraat te behouden en in te richten als kantoorruimte voor het administratief en wetenschappelijk personeel van de KMSKB. Op de plaats van de huizen aan de Hofbergstraat werd een tuin aangelegd als voorlopige oplossing. Op dit ogenblik (juli 2001) staat de tuin echter nog steeds in volle bloei.
Tevens moet het onderscheid benadrukt worden tussen de voorstellen van Lemaire en die van architect Jean Delhaye. Tweemaal werkte deze leerling van Victor Horta een ontwerp uit om het Hotel Aubecq, een verloren gegaan bouwwerk van zijn leermeester, opnieuw op te bouwen en te integreren in het nieuwe Museum voor Moderne Kunst. In 1969 stelde hij voor zowel MMK als Hotel Aubecq te vestigen aan de Louisalaan, de oorspronkelijke lokatie van het hotel. In 1979 meende hij in de Museumwijk een geschikte plaats te zien voor de heropbouw van het Hotel Aubecq. Op de hoek van de Hofbergstraat en de Kleine Museumstraat wilde hij zijn plannen uitvoeren en zodoende het hotel van Horta en het nieuwe MMK verenigen. Beide plannen werden echter zeer snel afgekeurd.
Ingrepen op het archiefmateriaal
We hebben meer lijn gebracht in de zeer verschillende types van ordening in de briefwisseling (datum, correspondent, instelling van correspondent, ...). Zo heb ik de briefwisseling met journalisten van kranten en tijdschriften stelselmatig per publicatie geordend. Zodoende werd de logische orde hersteld en het archiefmateriaal bruikbaar voor de gebruikers. Briefwisseling met vertegenwoordigers van de overheid staat geordend op instelling, en daarbinnen alfabetisch per correspondent. Briefwisseling met individuele personaliteiten staan tenslotte alfabetisch per correspondent.
Na het bestuderen van het gehele archiefblok heb ik heel wat losse documenten afgezonderd die niets te maken hebben met de oprichting van het nieuwe MMK. Zo ben ik op diverse plannen van architect Roland Delers gestoten voor de renovatie van het Museum voor Oude Kunst. Een precieze oorzaak voor deze vermenging ontbreekt, maar het duidt in elk geval op een grote verwevenheid van de afdelingen Oude en Moderne Kunst. In samenspraak met Michèle en Ingrid heb ik de documenten in kwestie verwijderd uit het archiefblok. Ook enkele boeken werden verwijderd en overgedragen aan de bibliotheek van het museum.
Het verzameldossier over de opening van de vernieuwde KMSKB in oktober 1984 heeft men samengesteld volgens een aparte nummering. Om de band met deze oude nummering niet te verwaarlozen, heb ik ervoor gekozen deze nummering een concordantietabel met de nummering uit de inventaris op te nemen (zie bijlage 4).
Systematiek van de inventaris met betrekking tot de bouwplannen, tekeningen en foto's
Reeds bij de aanvang van mijn stage op het archief van de KMSKB hebben Michèle en Ingrid me verzocht een aparte lijst te maken voor de bouwplannen en tekeningen en één voor de foto's uit het archiefblok 'Oprichting van het nieuwe Museum voor Moderne Kunst'. Om het onderscheid tussen bouwplannen, tekeningen en foto's die apart bewaard worden en diegene die deel uitmaken van een dossier of onderwerpsmap te bewaren, hebben we ervoor gekozen beide types wel in één doorlopende lijst te plaatsen, maar het onderscheid aan te geven door middel van een afwijkende nummering.
Zo krijgen de bouwplannen, tekeningen en foto's die apart bewaard worden in tubes een uniek inventarisnummer, terwijl de overige een uniek identificatienummer krijgen toebedeeld. Dit identificatienummer bevat een verwijzing naar het archiefbestanddeel waarin het bouwplan, de tekening of de foto bewaard wordt en tevens identificeert het het stuk uniek binnen datzelfde archiefbestanddeel. In de beschrijving van het archiefbestanddeel in de inventaris staat immers ook een vermelding van de in dit bestanddeel bewaarde bouwplannen, tekeningen of foto's. Deze wederzijdse band hebben we aangebracht met het oog op de toekomst, wanneer alle bouwplannen en tekeningen en alle foto's samen kunnen bewaard worden. Tot die tijd dient de band tussen de stukken en de bestanddelen zeker behouden te blijven.
Beide types hebben we in één lijst geplaatst, waarbij de ordening van de lijst gelijk loopt met deze van de rest van de inventaris. Er is dus sprake van twee hoofdperioden (1959 – 1973 en 1973 – 1984), waarbinnen de verschillende stukken geplaatst worden. De bouwplannen en tekeningen hebben we voor zover dit mogelijk was chronologisch geordend binnen elk ontwerp en de ontwerpen hebben eveneens een chronologische ordening aangemeten gekregen.
Bij de foto's verloopt de ordening gelijkaardig. Bij dit type van archiefstukken is komt er echter een bijzonder geval voor. Zo bevat het archiefblok 'Oprichting van het nieuwe Museum voor Moderne Kunst' een reeks van foto's van gebouwen die door architect Roger Bastin gerealiseerd werden. Deze foto's hebben dienst gedaan als een vorm van reclame voor de architect waarbij de foto's blijk geven van het vakmanschap van Bastin. Op zich houden deze foto's geen enkel verband in met het MMK, maar ze vormen binnen het archiefblok zeker en vast een extra troef met een grote informatiewaarde voor vele onderzoekers die meer willen weten over de architect Bastin. Daarom hebben we beslist deze reeks met foto's in het archiefblok te houden en hebben we ze geplaatst bij de eerste ontwerpen van Bastin. Naar hun functie moeten deze foto's daar immers berusten, aangezien hun belangrijkste doel was de mensen van de KMSKB een idee te geven wie Roger Bastin was en waar hij als architect voor stond.
De beschrijving van deze reeks van foto's is gebeurd met de hulp van Johan Lagae van de Universiteit Gent. Hij heeft me op de hoogte gebracht van het bestaan van een bibliografie met alle creaties die door Bastin ontworpen werden. Daarnaast heeft hij me heel wat extra informatie over Bastin en diens werk weten te verschaffen. Hij begeleidde ook Dominiek Larsen bij diens eindverhandeling over de ontwerpen voor het MMK tot 1973. Larsen presenteerde deze verhandeling onder de vorm van een CD-ROM, getiteld Evolutie van het project voor het Museum voor Moderne Kunst van Roger Bastin tussen 1967-1978. De museumbibliotheek is in het bezit van een exemplaar van deze CD-ROM. Voor de indeling van de verschillende ontwerpen voor een MMK aan de Hofbergstraat, tot het ontwerp van 9 mei 1973, hebben we ons op deze CD-ROM gebaseerd.
3.5. Aanwijzingen voor de gebruikers
Het belangrijkste doel en de uiteindelijke bestaansreden van een archiefinventaris is het efficiënte gebruik dat ervan gemaakt kan worden. Enkele opmerkingen betreffende het gebruik zijn hier dan ook op hun plaats.
Een eerste bemerking bij de lijst van de aanwezige bouwplannen en tekeningen die zeker gemaakt moet worden, is dat haast nooit volledige reeksen van bouwplannen in het archief terug te vinden zijn. Een architect maakt van een ontwerp immers steeds een hele reeks van plannen met plattegronden, doorsneden en profielen die allemaal samen een perfect beeld moeten geven van wat het ontwerp precies inhoudt. De KMSKB hebben van de ontwerpen van architect Roger Bastin vaak echter maar een aantal bouwplannen uit de reeks toegestuurd gekregen. Deze geven wel een voldoende goed beeld van het ontwerp, maar volledige reeksen zijn eerder uitzonderlijk.
Verder hebben we bij het bestuderen van het archiefmateriaal een "classement chronologique" aangetroffen, een uitgebreide serie op datum geordende brieven, rapporten, nota's en andere zaken (zie inv. nr. 2 tot 14 en 345 tot 352). Het enige wat deze stukken bindt is hun verband met de oprichting van het nieuwe MMK. Dit klassement blijkt een verzamelplaats geweest te zijn voor fotocopies van stukken die elders in dossiers of onderwerpsmappen geplaatst werden. Hoofdconservator Philippe Roberts-Jones heeft het klassement aangelegd en het bevat een neerslag van de verschillende activiteiten die tegelijkertijd uitgevoerd werden, steeds met betrekking tot de oprichting van het nieuwe MMK. Het kan voor veel gebruikers dan ook nuttig zijn te kunnen nagaan hoe ver de werkzaamheden aan het nieuwe museum op een bepaald moment al gevorderd waren.
Verder moet zeker vermeld worden dat de gebruiker onder de noemer Briefwisseling stukken van erg diverse oorsprong kan aantreffen. We hebben steeds getracht in de beschrijving de identificatie van de stukken voldoende te benadrukken, maar toch blijft het steeds raadzaam het verscheiden karakter van deze archiefbestanddelen in het achterhoofd te houden, om op die manier al te grote verrassingen te vermijden.
Om het gebruik van de lijsten met in het archiefblok aanwezige bouwplannen, tekeningen en foto's te vereenvoudigen, volgen nu enkele opmerkingen over het systeem dat in deze lijsten toegepast werd.
Heel concreet kunnen we stellen dat er zich twee situaties kunnen voordoen: ofwel bevinden de beschreven archiefstukken zich in een dossier of een onderwerpsmap, ofwel worden ze apart bewaard in een doos of een tube. Dit onderscheid komt tot uiting in de wijze van nummering.
De bouwplannen, tekeningen of foto's die apart bewaard worden in een tube of een doos, hebben een uniek inventarisnummer gekregen. Ze staan zowel in de inventaris als in de lijst opgenomen. De afzonderlijke bewaring duidt erop dat deze stukken in het archief apart aangetroffen werden en ook aldus bewaard worden, zonder deel uit te maken van een dossier of onderwerpsmap.
De bouwplannen, tekeningen of foto's die echter wel deel uitmaken van een dossier of onderwerpsmap blijven natuurlijk fysiek verbonden met dat dossier of die onderwerpsmap. Daarom worden dergelijke stukken wel opgenomen in de respectievelijke lijsten, maar voorzien van een uniek identificatienummer. Een dergelijk nummer verwijst eerst naar de fysieke plaats waar dit stuk in het archief bewaard wordt, en vervolgend wordt het dan nogmaals geïdentificeerd als een uniek stuk binnen het dossier of de onderwerpsmap. Naast deze nummering verwijst een aanduiding in de annotatie rechtstreeks naar de inventarisnummers van de archiefbestanddelen waar het beschreven stuk bewaard wordt.Op die manier brengen we een wederzijdse verwijzing tot stand tussen de inventaris en de lijst.
Een identificatienummer bestaat uit drie delen. Voor het eigenlijke nummer plaatsen we een letter P (voor plan) of F (voor foto). Vervolgens wordt het inventarisnummer vermeld van het dossier of de onderwerpsmap waarvan het bouwplan, de tekening of de foto deel uitmaakt. Wanneer binnen één dossier of onderwerpsmap meerdere van dergelijke stukken voorkomen, krijgen ze elk individueel nog een bijkomend nummer. Een voorbeeld van een mogelijk identificatienummer zou dan ook zijn: P45/03. Het gaat hier dus om het derde bouwplan of tekening uit archiefbestanddeel met inv. nr. 45.
Verwant archiefmateriaal
Het archief van de KMSKB bewaart en beheert eveneens het archiefbestand 'Vrienden van de KMSKB'. Dit is het archief van de gelijknamige vzw die alle personen verenigd die de musea een warm hart toedragen en ze dan ook steunen door financiële bijdragen en allerlei initiatieven. Ook aan de oprichting van het nieuwe MMK hebben zij actief meegewerkt. Vooral voorzitter René Boël en secretaris Paul Pechère namen hierbij het voortouw. Door hun actieve rol in het hele project lijkt het ons raadzaam op deze plaats melding te maken van hun archief dat te maken heeft met het nieuwe MMK.
Het gaat om drie archiefdozen en één platte doos die bouwplannen bevat. De drie archiefdozen maken deel uit van de overdracht (nummer 96/05) van Régis Hespel, hoofd van de Technische Dienst en Veiligheid, aan het museumarchief. Het gaat om de dozen met nummers 6, 7 en 8. De platte doos vormt dan weer een deel van de overdracht (nummer 004) van Hespel aan het museumarchief.
Doos 6 bevat ondermeer de briefwisseling (1969 – 1974) van de vzw met in hoofdzaak hoofdconservator Philippe Roberts-Jones. Aangezien ook in het archiefblok 'oprichting van het nieuwe Museum voor Moderne Kunst' een dergelijke serie met briefwisseling te vinden is, kunnen we zeker spreken van een intensieve samenwerking tussen de KMSKB en de vzw.
Doos 7 bevat een verzameldossier over de persconferentie van 9 mei 1973 waar het ontwerp van architecten Roger Bastin en Leo Beeck voorgesteld werd. Voor informatie over de persconferentie kan de gebruiker zeker ook terecht bij dit archiefmateriaal, aangezien dit verzameldossier heel wat vollediger is dan het materiaal dat in het archiefblok aangetroffen werd. Verder bevat deze doos ook een dossier over de kritiek die geuit werd op het ontwerp van Bastin en Beeck.
Doos 8 bevat dan weer zeer diverse dossiers en onderwerpsmappen over de ontwerpen van Bastin en over de verschillende voorstellen van professor Raymond Lemaire voor de renovatie van de Museumwijk.
De platte doos tenslotte bevat een band met bouwplannen en tekeningen, allemaal van het ontwerp van Bastin en Beeck van september 1971.
Bijlage 1: de verschillende vestigingsprojecten voor het nieuwe Museum voor Moderne Kunst [37]
* Robinson-eiland, Elsene (eerste voorstel) (1959)
* Louisalaan, Brussel (1960)
* Woluwepark, Brussel (1961 – 1962)
* Tervurenlaan, Brussel (1962)
* Zavelwijk (Kazerne der Grenadiers), Brussel (ca. 1963)
* Egmontpaleis, Brussel (1962)
* Jubelpark, Brussel (1962)
* Wolstraat, Brussel (1962)
* Stadspark, Brussel (1964)
* Zavel, Brussel (ca. 1965)
* Kunstberg (aan de Hofbergstraat), Brussel (1966)
* Kleine Zavel (ca. 1967)
* Martelarenplein, Brussel (1967)
* Beurs, Brussel (1968)
* Kunstwijk, Brussel [1969]
* Robinson-eiland, Elsene (tweede voorstel) (1969)
In 1969 wordt de knoop doorgehakt: het nieuwe Museum voor Moderne Kunst zal op de site aan de Hofbergstraat gebouwd worden, naar een ontwerp van architect Roger Bastin.
Bijlage 2: een overzicht van de commissies en werkgroepen die de oprichting van het nieuwe Museum voor Moderne Kunst coördineerden
● Commissie voor de oprichting van het Museum voor Moderne Kunst
(1965-1966)
Op initiatief van de ministers van Openbare Werken en van Nationale Opvoeding en Cultuur wordt deze commissie samengebracht. Het doel van dit overlegorgaan is het opstellen van een adviesnota waarin precies de opdrachten, functies en de oriëntatie van het nieuwe Museum voor Moderne Kunst worden bepaald. Op basis van deze adviesnota zou op een efficiënte manier een geschikt vestigingsproject ontworpen en goedgekeurd moeten worden.
Leden:
- Ministerie van Openbare Werken
- Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur[38]
- Ministerie van Franse Cultuur
- Ministerie van Nederlandse Cultuur
- directie van de KMSKB
- technische commissie voor moderne schilderkunst van de KMSKB
Vergaderdata:
- 21 mei 1965
- 11 juni 1965
- [5 november 1965]
- 20 mei 1966
● Commissie voor de oprichting van het Museum voor Moderne Kunst, Werkgroep (1965)
Als afsplitsing van de commissie, ingericht door de ministers van Openbare Werken en van Nederlandse en van Franse Cultuur, was deze werkgroep het orgaan waarbinnen alleen de functionarissen van de betrokken afdelingen overleg pleegden.
Leden:
- zie commissie
Vergaderdata:
- 6 juli 1965
- 29 september 1965
- 27 oktober 1965
● Overleg op het Ministerie van Franse Cultuur (1966 - 1967)
Ingericht door de minister van Franse Cultuur verenigen deze vergaderingen de hoofdconservators van de nationale musea, om via overleg te komen tot een geschikte oplossing voor de vestigingsproblematiek van het nieuwe Museum voor Moderne Kunst.
Vergaderdata:
- 28 april 1966
- 6 juni 1967
- 20 juni 1967
- 27 juli 1967
● Internationale Commissie voor de oprichting van het Museum voor Moderne Kunst (1969)
Op initiatief van de vereniging de Vrienden van de Musea wordt een commissie samengebracht, bestaande uit sociologen, museologen en stedebouwkundigen van internationaal diverse oorsprong. Deze commissie heeft tot doel een advies uit te werken waarnaar de bevoegde overheden zich kunnen richten bij het nemen van een beslissing betreffende de vestigingsplaats voor het nieuwe Museum voor Moderne Kunst.
Leden:
- De heer Deurinck, voorzitter (vice-voorzitter van de Nationale Raad voor Wetenschappelijke Politiek, Brussel)
- De heer Anselin (stedenbouwkundige, Gent)
- H. Baeyens (stedenbouwkundige, Leuven)
- A. de Grave (inspecteur-generaal van de Dienst Gebouwen van het Ministerie van Openbare Werken)
- M. de Maeyer (kunsthistoricus, Gent)
- L. Delanghe (socioloog, Leuven)
- mevr. R. Hammacher van den Brandt (conservator, Rotterdam (NL))
- mevr. G. Faider (ere-conservator, Brugge)
- De heer Fallas (ingenieur, Brussel)
- De heer Kluft (socioloog, Brussel)
- J. Lavalleye (kunsthistoricus, Leuven)
- R. Lemaire (stedenbouwkundige, Leuven)
- V. Beyer (conservator, Straatsburg (FR))
- H.R. Leppien (conservator, Keulen (DL) en tevens voorzitter van de ICOM)
- De heer Minon (socioloog, Luik)
- J. Morsa (stedenbouwkundig socioloog, Brussel)
- P. Quoniam (inspecteur-generaal van de Musea van Frankrijk)
- J. Remy (stedenbouwkundig socioloog, Leuven)
- E. Scaillon (architect)
- De heer Hendrickx (directeur-generaal van de adviescommissie voor plastische Kunsten van het Ministerie voor Nederlandse Cultuur.
- K. Geirlandt, secretaris (lid van de adviescommissie voor Plastische Kunsten van het Ministerie van Nederlandse Cultuur, Gent)
- P. Pechere, secretaris (afgevaardigd beheerder van de Vrienden van de Musea, Brussel)
● Werkgroep voor de oprichting van het Museum voor Moderne Kunst (1970-1971)