Jungle Book herbekeken. Kipling, Disney & jeugdadaptaties. (Nienke van Son)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Hoofdstuk 1: De oorspronkelijke roman: The Jungle Books van Rudyard Kipling

 

1. Rudyard Kipling

“…after blocking out the main idea in my head, the pen took charge, and I watched it begin to write stories
about Mowgli and animals, which later grew into the Jungle Books.”

(Kipling, 1937:87)

 

1. 1 Het leven van Rudyard Kipling (1865-1936) (Seymour-Smith, 1989)

 

Op 30 december 1865 kregen John Lockwood Kipling en Alice Macdonald hun buitengewone zoon, Joseph Rudyard Kipling. Rudyard gebruikte zijn echte voornaam Joseph nooit, omdat een klasgenoot hem ooit zei dat die naam pesterijen uitlokte. Kipling werd geboren in Bombay, India, dat in die tijd geregeerd werd door de Britten. Zijn vader, die later verschillende van zijn boeken zou illustreren, was er professor aan de New Bombay School of Art.

Rudyard leerde de inheemse taal van de kindermeid en andere dienstboden, en moest zijn best doen zich te herinneren Engels te spreken tegen zijn ouders. Toen Alice voor de tweede keer zwanger werd, besloot ze dat kind in Engeland te krijgen en ze nam de 2,5jarige Ruddy mee. Hij was toen een druk en onrustig kind, en maakte zijn hele familie gek. In juli 1868 kreeg hij er een zusje Alice, Trix bijgenaamd, bij. In 1871 liet Alice, na het verlies van haar derde kind, Trix en Ruddy achter in Engeland om hen de hitte en ziektes te besparen. Zo kon Rudyard zijn opleiding beginnen. Ze logeerden omwille van hun verwende gedrag niet bij familie, maar bij vreemden, met name Kapitein Pryce Agar Holloway en zijn vrouw Sarah Holloway, ook gekend als ‘Aunty Rosa’, in Southsea. Zonder iets te zeggen vertrok Alice terug naar India om haar man met zijn carrière te helpen. Dit was een zeer grote schok die Rudyard nooit te boven is gekomen, en het verwerken ervan heeft hem tot de vorm van liegen gebracht die wij fictie noemen. Wanneer hij zich begon te ontplooien en leerde lezen (pas op zijn zevende, wat vaker voorkomt bij literair getalenteerde mensen), ging Aunty Rosa hem straffen uit jaloezie. Ze was van oordeel dat wie eerst zo ongehoorzaam en moeilijk was, daarna niet getalenteerd moest blijken. Kipling was de Engelse discipline duidelijk niet gewend. (Seymour-Smith, 1989:22)

Toen Kipling naar de Hope Lodge School gestuurd werd, ging het van kwaad naar erger, hij weigerde te werken voor school en leerde er volgens hem hoe hij moest liegen.

Op zeer jonge leeftijd gingen Kiplings ogen snel achteruit, wat mede de oorzaak kon zijn van zijn trage leesvorderingen. Toen hij zijn grootmoeder met een boom verwarde, riep zijn tante hulp in en zijn moeder kwam terug van India om hem te halen. Rudyard was bijna ingestort door de angst om blind te worden, wat nog maar een voorproefje was van de waanideeën die hij gedurende zijn verdere leven nog zou ervaren. Over deze ongelukkige tijd schreef hij het kortverhaal “Baa Baa, Black Sheep”, de roman The Light That Failed (1890), en zijn autobiografie Something of Myself (1937).

Toen Rudyard twaalf jaar was, had hij dus al heel wat meegemaakt: een comfortabele jeugd waarin hij alle touwtjes in handen had, dan de schok van de verlating door zijn ouders, wat zijn gevoel van macht deed verdwijnen, zijn slechte ogen en mevr. Holloway, met wie het contact zeer slecht verliep. Nadat zijn moeder hem was komen terughalen, begon het in zijn hoofd te malen, en de ‘slechte’ vrouwen in zijn leven, zijn moeder en mevr. Holloway, kregen een fictionele invulling.

 

Toen hij dertien was, ging hij studeren aan de United Services College in Westward Ho! in Noord-Devon. Dat was een dure school die zich bezig hield met trainingen die voorbereiden op de militaire academie. Ondanks het feit dat zijn middelmatige resultaten en slechte zicht hem belemmerden om het leger in te gaan, was hij er gelukkig en hij werd geprezen om zijn vlotheid en entertainende verhalen. Deze gelukkige tijd werd vereeuwigd in één van zijn meest populaire boeken Stalky & Co (1899).

In 1882 keerde Kipling terug naar India, waar hij de volgende zeven jaar als journalist en correspondent werkte. Dat was één van de gelukkigste en leerzaamste perioden van zijn leven. Hij was gefascineerd door India, de dieren, de jungle, de spoken en legenden. Hij ontwikkelde er de kunst van het observeren. Alles wat hij er leerde en meemaakte zou hem in zijn gehele literaire carrière goed van pas komen. Ondanks de drukte die Kipling ondervond van zijn job als journalist, had hij toch nog tijd om wat te schrijven. In 1888 publiceerde hij verschillende bundels met poëzie en kortverhalen, waaronder Plain Tales from the Hills, wat een groot succes bleek te zijn. Zijn verhalen uit die tijd werden verzameld in The Phantom Rickshaw (1888).

Aangemoedigd door zijn succes in India, besloot Kipling in 1889 om zichzelf te introduceren in het literaire circuit van Engeland. In 1891 werd zijn eerste verzameling kortverhalen, Life’s Handicap, gepubliceerd in Engeland. Hij boekte er meteen succes mee en werd met open armen in het Londense literaire milieu onthaald, als opvolger van Charles Dickens. Tussen 1889 en 1892 woonde Kipling in Londen en publiceerde hij ook nog een verzameling verhalen over Indianen naast Barrack-Room Ballads, een dichtbundel.

 

In 1891 trouwde Rudyard met Caroline ‘Carrie’ Starr Balestier, de zus van een Amerikaanse schrijver en uitgever, met wie hij samen de roman The Naulakha (1892) schreef. Ze gingen samen in Vermont in de Verenigde Staten wonen, waar Carrie’s familie ook verbleef. In 1894 en 1895 schreef Kipling daar The Jungle Book en The Second Jungle Book, geïllustreerd door zijn vader John Lockwood Kipling. Beide boeken werden later echte klassiekers. Kipling was echter niet gelukkig in Vermont en in 1896 keerde hij terug naar Engeland met Carrie en hun twee dochters, om in Rottingdean, East Sussex te gaan wonen. Daar werd in 1897 zijn enige zoon John geboren. Twee jaar later werd het jonge gezin echter door het ongeluk geteisterd. Terwijl Kipling zelf ziek was in New York, stierf zijn oudste dochter Josephine aan een longontsteking. Kort daarna verhuisde het gezin naar het huis wat bekend zou staan als hun echte thuis bij Burwash in East Sussex. In 1901 en 1902 schreef hij er zijn bekendste verhalen, Kim en Just So Stories. Kim is het verhaal over de leergierige weesjongen die net zoals Kipling zelf met zijn half-Engelse en half-Indische afkomst worstelt. Het wordt gekenmerkt door een zeer nauwkeurige beschrijving van India. Just So Stories is een verhalenbundel met korte verhalen over dieren en hoe de dingen ontstaan, bedoeld voor ouders van kleine kinderen om voor te lezen. (Seymour-Smith, 1898: 235, 238) Dit staat duidelijk te lezen in de ondertitel van het boek: “Just So Stories for Little Children” (Kipling, 1986:257)

Kipling raakte hoe langer hoe meer ingeburgerd in het Engelse milieu en zijn geschiedenis. Het resultaat van deze nieuwe bezigheid was Puck of Pook’s Hill, uit 1906, een bundel verhalen gebaseerd op episodes uit de Engelse geschiedenis. In 1910 werd de sequel Rewards and Fairies gepubliceerd. In 1907 ontving Rudyard Kipling als eerste Engelsman en als jongste persoon ooit de Nobelprijs voor de literatuur. (Seymour-Smith, 1898: 348)

Kort daarna begon zijn kunst om te dichten en verhalen te schrijven, te tanen. Zijn zoon werd gedood in de Eerste Wereldoorlog en in 1923 publiceerde Kipling The Irish Guards In The Great War, een geschiedenis over het regiment van zijn zoon.

Kipling’s depressie uitte zich in een psychosomatische maagzweer, die jarenlang niet gediagnosticeerd werd. Op 18 januari 1936, de verjaardag van zijn huwelijk, stierf Kipling in Londen. (Seymour-Smith, 1989: 270) Zijn as werd begraven in de Poet’s Corner in Westminster Abbey. Hij had een zeer hoge status verworven in de Engelse literaire maatschappij. Zijn personages leefden verder, wat een tijdloos cadeau was voor de generatie schrijvers die hem zouden opvolgen. In 1937 verscheen zijn autobiografie Something of Myself.

 

1. 2 Inspiratie voor The Jungle Books

 

Kipling was onderhevig aan meerdere invloeden die als inspiratiebron voor The Jungle Books dienden. De Indiase setting, de machtsproblematiek en de moeilijkheden om ergens thuis te horen zijn aspecten die rechtstreeks voortkomen uit zijn eigen ervaringen. Maar, als lid van de literaire avant-garde in Engeland, kwam Kipling uiteraard ook in contact met andere auteurs, wat eveneens impact had op zijn oeuvre. Rider Haggard, een goede vriend van Kipling, schreef in 1889 de roman Allan’s Wife, en de harmonie tussen mens en dier is Kipling meteen bijgebleven.

“And somehow or other I came across a tale about a lion-hunter in South Africa who fell among lions who were all Freemasons, and with them entered into a confederacy against some wicked baboons. I think that, too, lay dormant until the Jungle Books began to be born.” (Kipling, 1937:12)

Haggard publiceerde in 1891 Nada the Lily, een roman gesitueerd in Afrika, die handelt over de vriendschap tussen een Zulukoning en de leider van een horde wolven. Aanvankelijk probeerde Kipling de hierop geïnspireerde ideeën uit zijn hoofd te bannen, maar zijn pen nam het over en meer verhalen over Mowgli en de dieren ontstonden. (Kipling, 1937: 87) In de loop van 1892 heeft hij “In the Rukh” geschreven, het verhaal dat chronologisch laatst komt in de intrige over Mowgli. Het werd niet opgenomen in The Jungle Books, maar wel in Many Inventions uit 1893 en in de verzameling van alle verhalen over Mowgli, All the Mowgli Stories uit 1933. In de winter van 1892, het geboortejaar van zijn dochter Josephine, begonnen er meer ideeën uit zijn jeugd naar boven te komen, samen met een regel uit Nada the Lily. The Jungle Book uit 1984 en The Second Jungle Book uit 1985 zijn er het resultaat van.

Kipling heeft dus zelf wat inspiratie gezocht bij Haggard en Burroughs, die in 1914 Tarzan of the Apes schreef, zocht op zijn beurt inspiratie bij Kipling, wat deze laatste met plezier aanvaardde.

“But the genius of all genii was one who wrote a series called Tarzan of the Apes. I read it, but regret I never saw it on the films, where it rages most successfully. He had ‘jazzed’ the motif of the Jungle Books and, I imagine, had thoroughly enjoyed himself.” (Kipling, 1937: 163)

 

1. 3 Historische en politieke context voor The Jungle Books

 

Kiplings positie ten opzichte van het Britse imperialisme[1] was zeer ambivalent. Hij kon zowel voor het ‘empire’ als voor zijn geliefde India geen echte kant kiezen; hij werd letterlijk heen en weer geslingerd tussen beide landen. (Sullivan, 1993:3)

            “Rootlessness is in the essence of Kipling’s work.” (Gilmour, 2003:3)

Kipling heeft een onstabiel thuisgevoel, daar hij zowel in India als in Engeland opgegroeid is. In zijn werk, vooral in Kim en The Jungle Books, is een duidelijke spanning waar te nemen tussen de wens om geliefd te zijn en de noodzaak om te domineren en gevreesd te worden. (Sullivan, 1993:1)

            “All the jungle was his friend, and just a little afraid of him.” (Kipling, 1986: 220)

Deze doelstellingen zijn zeer eigen aan die van het Britse Imperium tijdens de kolonisatie van verschillende landen aan het einde van de 19e eeuw.

De Engelse dominantie over India wordt ook weergegeven in Kiplings werk. Zowel Mowgli als Kim gaan uiteindelijk voor de Britse regering werken, wanneer ze verlangen naar een plaats waar ze thuishoren. De overstap van verlangen naar macht, van een geborgen familiale leefwereld naar de structuren van het imperialisme, is zeer drastisch, maar was volgens Kipling vereist om de twee zeer verschillende leefwerelden – waar hij zelf ook goed mee vertrouwd was – samen te brengen. (Sullivan, 1993:1-2)

 

In 1899 schreef Kipling het controversiële gedicht “The White Man’s Burden”[2], wat zijn standpunt ten opzichte van het imperialisme goed weergeeft. Het kan gelezen worden als een steun aan de Verenigde Staten tijdens de kolonisatie van de Filippijnen, maar ook als een waarschuwing aan en kritiek op de Amerikanen. Hoewel  het gedicht met gemengde gevoelens werd ontvangen, gebruikten de Amerikanen het concept van ‘the white man’s burden’ als eufemisme voor het imperialisme, waardoor het nobel zou lijken. Kipling had het met het woord ‘blank’ echter niet over iemands huidskleur, maar over zijn beschaafdheid. Met de ‘blanke’ mens bedoelde hij degene die het meest puur is, volgens de wet leeft en zich inzet voor een anders welzijn, dus niet noodzakelijk het blanke ras.

De boodschap van Kipling aan de Amerikanen lijkt sterk op zijn boodschap aan de Britse regering in India. Tijdens hun bewind is de plaatselijke bevolking sterk aangetast: er was geen vrijheid van godsdienst meer en tradities gingen verloren. Gilmour typeert zijn optreden als volgt:

“Kipling added the role of national prophet to that of imperial laureate.” (Gilmour, 2003:124)

Kipling ging het Westerse superioriteitsgevoel hoe langer hoe meer aanklagen, en hoewel er ook positieve gebeurtenissen en successen plaatsvonden, lag het niet in zijn stijl om die te bejubelen. (Gilmour, 2003: 126-132)

In “Recessional”[3] uit 1897, een ander bekend gedicht van Kipling, treffen we een gelijkaardige thematiek aan. Verzen als “lesser breeds without the law” doen denken aan de onbeschaafde plaatselijke bevolking die door de kolonisten geciviliseerd moeten worden, maar het was niet Kiplings bedoeling een lofzang voor het imperialisme te schrijven. Hij waarschuwt het Engelse volk juist voor zijn grootmoed en de mogelijkheid om al zijn grootsheid te verliezen. (Gilmour, 1993:199-124)

“On 16 July Kipling sent ‘Recessional’ to The Times with the explanation that ‘we’ve been blowing the Trumpets of the New Moon a little too much for White Men, and it’s about time we sobered down.’ (…) ‘The White Man’s Burden’, begun a week before he started ‘Recessional’, promotes a dedicated but much less humble approach to imperial responsibility.” (Gilmour, 2003: 122-123)

 

1. 4 Kipling als jeugdauteur

 

Rudyard was geen vriendelijke man, maar hij compenseerde zijn gebrek aan hartelijkheid door het schrijven voor kinderen. Of Kipling een echte kinderboekenschrijver was, kan worden bediscussieerd; hij hanteerde namelijk een strenge dogmatische toon die de onschuldige jonge lezers niet goed konden bevatten. Ook voor zijn eigen zoon was Rudyard een strenge vader, hij gebruikte hem namelijk om zijn eigen belangen te behartigen. (Seymour-Smith, 1989:7) Kim is van al zijn boeken het meest geschikt voor kinderen, en zelfs hier lijkt het alsof de auteur niet echt kon beslissen of hij nu voor kinderen of volwassenen schreef. Zijn latere werk, Puck of Pook’s Hill en Rewards and Fairies, zijn duidelijk zowel voor volwassen als voor kinderen bedoeld. In Something of Myself schrijft Kipling er het volgende over:

“(…) since the tales had to be read by children, before people realised they were meant for grown-ups.(…) I worked the material in three or four overlaid tints and textures, which might or might not reveal themselves (..)” (Kipling, 1937: 142)

Kipling heeft The Jungle Books geschreven omdat hij daardoor in een kinderlijke fantasie kon wegvluchten, en zichzelf zo kon distantiëren van zijn ongelukkige huwelijk. Hij wou ontsnappen uit zijn Engelse omgeving en deed dat door een literaire wereld te creëren gebaseerd op zijn herinneringen aan India.

“(…) they have validity as a kind of dream of health, a refuge in child-like fantasy, which Kipling must have found healing to himself.” (Seymour-Smith, 1989: 337)

Er is eveneens een sterke didactische functie in de verhalen aanwezig. Kipling vertelt kinderen over – en waarschuwt volwassenen voor – wat zou moeten gebeuren in het leven. Volgens Bettina Hürliman was hij één van de auteurs, ‘men of letters’, die normaal gezien voor volwassenen schreven en wat inspiratie hebben bewaard om voor kinderen te schrijven. Hij schreef The Jungle Books zo overtuigend, dat iedereen gewaarschuwd is voor de Indische jungle. Het woud wordt levend en de dieren veranderen in wonderlijke wezens wanneer ze samen komen om over het lot van de menselijke vondeling Mowgli te beschikken. Het werk van Kipling wordt nog steeds als eigendom van zowel jong als oud beschouwd, en ook al stond Kipling in zijn tijd bekend als een overtuigd imperialist, hij kon zijn liefde en begrip voor het opmerkelijke land India niet beter beschrijven. De vraag of volwassenenauteurs wel voor kinderen mogen schrijven blijft volgens Hürliman open, ze vindt het al heel positief dat grote auteurs de moeite doen om ook aan de behoeften van kinderen te voldoen in hun werk. (Hürliman, 1967:256-259)

“He loved writing the books and enjoyed replying to children’s letters about them. But of course he was not simply writing animal stories to amuse children. The tales are also fables with a moral, allegories with a message. (…) The creatures of the Jungle Books are plainly not animals although they possess some animal characteristics. “ (Gilmour, 2003: 107)

Persoonlijk sluit ik me bij de mening van Gilmour en Hürliman aan; volgens mij is het een boek dat toegankelijk is voor kinderen wat betreft de personages, avonturen en het didactische gehalte, maar er is ook zeker een onderliggende betekenis die een historische en politieke achtergrond vereist. Ook vind ik niet dat het zozeer moet worden bepaald of het nu om kinderliteratuur gaat of niet, of Kipling nu wel of geen kinderauteur was. Mijns inziens is het heel knap om literatuur te schrijven die een dergelijk uiteenlopend doelpubliek kan boeien.

 

1. 5  Autobiografisch gehalte van The Jungle Books

 

Door Kiplings eigen ervaring met het vaderschap werd zijn schrijven meer op kinderen afgestuurd, en hij verwerkte zijn nieuwe, opvoedende taak in zijn verhalen, onder andere door middel van de wet van de jungle. Maar ook al voor de geboorte van zijn oudste dochter Josephine had hij een aanleg ontwikkeld om zich bloot te geven aan kinderen. Hij vond volwassenen moeilijke mensen, iets wat voortkomt uit de moeilijke relatie met zijn vrouw Carrie, en in die zin beschouwde hij zichzelf niet als één van de volwassenen. Hij was zelf kinderlijk en jongensachtig, wat opmerkelijk was voor een befaamd en ervaren volwassen man. Zijn publiek van kinderen stelde geen dingen in vraag. Hij schrijft op de manier waarop kinderen praten en doet niet neerbuigend. Hij is één van hen en is dus eerder kinderlijk dan kinderachtig. (Seymour-Smith, 1989: 236-237)

Volgens Joyce Tompkins, de auteur van het kritische werk The Art of Rudyard Kipling uit 1959, worden er in The Jungle Books drie werelden met elkaar gefuseerd. Ten eerste de kinderlijke speelwereld; huiselijk, simpel en volledig in lijn met de verbeelding van kinderen. Ten tweede is er de wereld van de echte fabel, een wereld waar dieren vooral allegorische afbeeldingen van mensen zijn, en iets minder ‘beestachtig’. De derde en belangrijkste wereld is die van het wilde en het vreemde, het poëtische. Dit is het onverklaarbare element dat een auteur vanuit eigen ervaringen, hier dus zijn gebrekkige huwelijk met Carrie, in al zijn literair werk laat doorklinken. (Seymour-Smith, 1989: 236-237)

Kipling werd voor zijn Jungle Books beïnvloed door zeer oude fabels en volksverhalen uit India en de wereldverhalen van Haggard, maar de geboorte van zijn dochter Josephine of de verwachting ervan heeft hem rechtstreeks aangezet tot het schrijven ervan. Hij stapte opnieuw de kinderwereld in met een duidelijke opvoedende, didactische intentie. Hij wilde respect voor de natuur en voor wat hij noemde ‘the Law’ overbrengen. Die ‘wet’ heeft hij nooit echt concreet kunnen maken, het is altijd een ambigu concept gebleven. Het houdt de bescherming van het individu in, die het best in een soort kudde verblijft. De mens hoort volgens Kipling thuis in een kudde, voor zijn eigen bestwil. (Seymour-Smith, 1898: 235-240)

The Jungle Books zijn in zekere zin – hoewel niet zo sterk als Kim – autobiografisch. Mowgli’s personage wordt gekenmerkt door zowel de wil tot aanpassing als het onvermogen om een echte thuis te vinden. Dit gevoel is heel herkenbaar voor Kipling, die op zesjarige leeftijd uit zijn heerlijke leventje in India gerukt werd om in Engeland een minder gelukkige tijd tegemoet te gaan. (Seymour-Smith, 1898: 18)

“The survivors, often those who are supported by fantasy families, are always in danger of losing those families: Mowgli the “Frog”, amphibious child of jungle and city, of humans and animals, can live precariously as Lord of the Jungle and be not of the Jungle” (Sullivan, 1993: 24)

De gevoelens die Kipling als kind had, beïnvloeden overduidelijk zijn werk. Zijn zoektocht naar een echte thuis, waar hij zichzelf en tegelijk onderdeel van een groep mag zijn, wordt in The Jungle Books overgedaan door Mowgli. Ook in de Disney adaptatie is deze zoektocht opmerkelijk aanwezig: Mowgli transformeert van wolf, naar olifant, naar beer, naar aap, naar gier, en steeds komt hij bedrogen uit. Uiteindelijk volgt hij zijn instinct en gevoel en komt hij vanzelf bij de andere mensen terecht. (Seymour-Smith, 1989: 235-240)

 

 

2. The Jungle Books van Rudyard Kipling

 

2. 1 Inleiding

 

The Jungle Book en The Second Jungle Book (waarnaar gerefereerd wordt als The Jungle Books, zoals Kipling dat zelf ook deed (Kipling, 1937:87)) zijn, net zoals Kim, Bildungsromans, waarin de protagonist leert om te overleven in de jungle door afstand te nemen van zowel interne als externe bedreigingen. Het personage van Mowgli is ondertussen legendarisch geworden in de jeugdliteratuur. De jongen krijgt de naam ‘Mowgli the Frog’ van de wolven, vanwege zijn schaarse beharing en omdat de wolven hem van Shere Khan gered hebben, die uitgemaakt wordt voor ‘kikkereter’. Aanvankelijk wordt Mowgli aanvaard door de wolvengroep, maar wanneer de oude en zwakke leider Akela de macht verliest over de jonge wolven, keren die zich tegen Mowgli. Hij moet de jungle verlaten en met menselijke middelen Shere Khan bestrijden. Mowgli is op nog andere vlakken eerder man dan dier. Hij heeft namelijk een zeer krachtige blik die zelfs Bagheera niet kan verdragen. Hij respecteert de wet van de jungle die Baloo hem heeft aangeleerd, maar heeft toch een besef van lol en geluk, wat zijn leraars niet kunnen hebben. Hij blijft niet lang bij de andere mensen, aangezien die zijn dierlijke talenten wantrouwen. Buldeo drijft hem dan ook weer de jungle in. Uiteindelijk overvalt Mowgli opnieuw een melancholisch gevoel dat hem terug naar de mensen voert. Hij heeft menselijke liefde en gezelschap nodig. Mowgli kan niet echt vergeleken worden met Adam die uit het paradijs gestuurd wordt, hij is gewoon een jongen die op een pijnlijke manier uit de ene wereld, in een andere groeit, iets wat vergeleken kan worden met de puberteit. Hij hoort eigenlijk nergens thuis. Hij beleeft het leven in de jungle sterker dan het menselijke leven, maar een echt dier zal hij nooit zijn. Dat zien we goed in het verhaal “In the Rukh”, gepubliceerd in All the Mowgli Stories (1933). Mowgli heeft een verdeelde persoonlijkheid. Kipling heeft ook zijn hele leven gezocht naar een plaats, een groep, een geloof waar hij thuishoorde, maar of hij het personage Mowgli gebaseerd heeft op zichzelf, zullen we nooit weten. (Fisher, 1978:243-246)

The Jungle Books waren meer dan nieuwe klassiekers voor kinderen. Nergens werd het thema zo uniek en betekenisvol uitgewerkt. Kipling kende het verhaal ongetwijfeld, aangezien hij als kind al bekend was met de Indische folklore, maar hij heeft het op een vernieuwende manier behandeld. (Meigs, Nesbitt & Eaton, 1969:312)

 

2.2 Samenstelling van The Jungle Books

·        The Jungle Book (1894)

·        The Second Jungle Book (1895)

 

2.3 Korte inhoud

 

The Jungle Book begint met het verhaal “Mowgli’s Brothers”, waarin we lezen hoe er een mensenkind verzeild geraakt in de jungle, en terecht komt bij een wolvengezin. Moeder wolf besluit het kind op te voeden en doopt het Mowgli de kikker. Mowgli wordt in de Seeonee wolvengroep opgenomen en Baloo de beer en Bagheera de zwarte panter gaan zich ook over hem ontfermen. Als ze het kind goed opvoeden, kan het hen later namelijk helpen in de strijd tegen Shere Khan de tijger. Mowgli groeit op tussen de dieren en Baloo en Bagheera leren hem alle wetten van de jungle. De situatie in de wolvengroep is echter aan het veranderen. Akela, de leider, wordt oud en zwak en Shere Khan probeert de jonge wolven aan zijn kant te krijgen. Mowgli wordt gewaarschuwd voor Shere Khan, die van het begin af aan heeft gezworen dat hij Mowgli ooit zal doden. Ook wordt hem uitgelegd dat hij een mens is en nooit helemaal tot de wolvengroep kan behoren, maar Mowgli kan dat maar moeilijk begrijpen. Bagheera draagt hem op om de rode bloem, het vuur, bij de mensen te gaan stelen, omdat alle dieren er bang van zijn. Wanneer hij ermee terug komt, is net bewezen dat Akela te zwak is om de groep te leiden en Shere Khan neemt de leiding op zich in de Hoge Raad. Dan wordt Mowgli woest, en met het vuur maakt hij zich meester over alle dieren. Hij vindt dat de wolven zichzelf moeten leiden, maar als ze hem niet accepteren, zal hij net als de mensen, de wolven als onderdanige honden beschouwen. Met verdriet in het hart neemt hij afscheid van zijn ouders en trekt naar het mensendorp. Hij zorgt ervoor dat Akela mag blijven leven en zweert terug te keren om Shere Khan te doden.

In het tweede hoofdstuk “Kaa’s Hunting” krijgen we een flashback naar de tijd dat Baloo Mowgli in de wetten van de jungle onderwijst. Die lessen verlopen niet zonder strubbelingen. Baloo verliest geregeld zijn geduld met de jongen, die erg eigenwijs is en denkt dat hij alles beter kan. Bagheera en Baloo zijn het ook oneens over de lesmethode. Dan wordt Mowgli door het apenvolk ontvoerd. De apen zijn volgens de andere dieren een minderwaardig ras, omdat ze vuil en listig zijn. Baloo en Bagheera gaan Mowgli redden en daarvoor hebben ze het enige dier nodig waarvan de apen bang zijn: Kaa de wurgslang. Chil de havik heeft Mowgli gelokaliseerd vanuit de lucht en brengt hen erheen. De apen leven in de Verloren Stad, een ruïne van een Indische stad en doen er alsof ze mensen zijn. Al gauw heeft Mowgli ook in de gaten hoe dom en trots de apen zijn, en hij heeft spijt dat hij niet beter naar Baloo geluisterd had toen hij hem waarschuwde voor de apen. ’s Avonds vallen Baloo en Bagheera de Verloren Stad aan. Mowgli wordt gevangen genomen en zijn vrienden vechten voor hun leven. Wanneer Kaa aankomt en er nog andere dieren komen helpen, winnen ze uiteindelijk het gevecht en de apen vluchten weg. Mowgli belooft dat hij beter zal opletten en ondergaat zijn strafslagen zonder mokken.

In “Tiger! Tiger!” gaat het verhaal van het eerste hoofdstuk verder. Mowgli komt bij een mensendorp, waar hij vreemd wordt aangekeken. Er is een vrouw, Messua, die vindt dat hij op haar zoon lijkt die lang geleden door de wolven werd meegenomen, en zij neemt hem in huis. Ze weet wel dat hij haar echte zoon niet is, maar toch is het een troost om weer iemand in huis te hebben om voor te zorgen. Mowgli leert de mensentaal en ’s nachts slaapt hij buiten omdat hij niet kan aarden onder een dak. Zijn oudste wolvenbroer komt nieuws brengen en zegt dat Shere Khan zich aan het klaarmaken is om Mowgli te vermoorden. Mowgli verloochent zijn afkomst niet en zegt dat hij in zijn hart altijd een wolf zal blijven. In de drie maanden die daarop volgen, leert Mowgli alles wat de mensen doen. Ze hebben andere ideeën over de dieren in de jungle, en wanneer Mowgli hen uitlegt hoe het echt is, zijn ze beledigd. Ze dagen hem uit om het vel van Shere Khan te stropen. Wanneer Mowgli op een dag een kudde dieren laat grazen in een veld, waarschuwen zijn wolvenbroers hem dat Shere Khan in de buurt is. Mowgli verdeelt samen met Akela de kudde in twee groepen en sluit Shere Khan in. Die wordt vertrappeld en sterft, Mowgli stroopt zijn vel eraf. Buldeo, een andere herder, vindt dat Mowgli onverstandig en dom is geweest en dat hij veel geluk heeft gehad, maar Mowgli stuurt hem weg terwijl hij de rest van het vel stroopt. Buldeo begint hem te aanbidden als een koning omdat hij de hulp krijgt van de andere wolven, en gaat in het dorp het magische verhaal vertellen. Maar wanneer Mowgli eraan komt met de huid, wordt hij bekogeld en beschoten omdat hij anders is en rare dingen veroorzaakt. Weer moet Mowgli afscheid nemen van zijn familie, maar Messua is hem wel dankbaar dat hij de dood van haar eigen zoon gewroken heeft. Mowgli is opgelucht om niet meer in de hut te moeten leven en gaat met de huid terug naar zijn wolvenmoeder. Iedereen is blij dat hij terug is en de huid wordt op de rots van de Hoge Raad tentoongesteld. Ze willen dat Mowgli en Akela de uitgehongerde, zwakke groep weer gaan leiden, maar Bagheera wijst erop dat ze na een goede maaltijd weer de leider gaan omverwerpen. Mowgli gaat met zijn vier broers in een klein groepje in de jungle jagen, en later wordt hij een man en trouwt, maar dat is een verhaal voor grote mensen.

De vier verhalen die volgen zijn verhalen over andere dieren die op andere plaatsen in de wereld leven. In “The White Seal” vertelt een winterkoninkje over een witte zeehond, Kotick. Het is een dapper en leergierig zeehondje. Hij jaagt de jagers weg omdat ze denken dat hij een spook is, maar hij ziet dat zijn vriendjes wel gedood en gestroopt worden. Kotick is vastbesloten een plek te vinden waar de mensen niet bij kunnen komen, en waar ze onverstoord kunnen leven. Jaren doet hij erover om de ideale plaats te vinden, en niemand gelooft nog in de zaak, behalve Kotick. Uiteindelijk vindt hij samen met een vrouwtjeszeehond de mooiste stranden die hij ooit gezien had. Wanneer hij het goede nieuws gaat vertellen aan de andere zeehonden, dagen ze hem eerst uit voor een duel en alleen als hij wint, geloven ze hem. Met gemak wint hij, maar Kotick is kwaad dat de andere zeehonden hem na al die moeite nog niet geloven. Samen met zijn vader vechten ze tegen de andere zeehonden en ze stoppen pas als ze allemaal verslagen zijn en hun lesje geleerd hebben. De meeste zeehonden volgen Kotick naar de magische plaats en wanneer de geruchten erover zich verspreiden, volgen er nog veel meer.

Het verhaal “Rikki-tikki-tavi” gaat over een mangoeste die door mensen gevonden en verzorgd wordt. Hij went snel in het huis en wil er graag blijven, maar de moeder van het gezin wantrouwt het wilde dier nog steeds een beetje. In de tuin ontmoet Rikki-tikki-tavi Nag en Nagiana, twee cobra’s. Ondanks het feit dat Rikki-tikki-tavi slangen eet, en Nag even bang van hem is, kan hij tegen twee slangen niks beginnen. Hij begint na te denken hoe hij de slangen kan verslaan. Dan komt er een derde slang in het huis, en Rikki-tikki-tavi vecht ermee tot die dood is. De ouders van het gezin zijn blij en dankbaar dat hij hun zoontje Teddy van de slang gered heeft. Rikki-tikki-tavi houdt zich klaar voor de strijd met de slangen. Hij hoort hoe ze hem willen aanvallen: ze gaan het huis binnendringen en de mensen doodbijten om zo Rikki-tikki-tavi te verdrijven. Nag verstopt zich in een kruik tot de vader zijn bad neemt maar Rikki-tikki-tavi bijt hem wanneer hij slaapt en de man schiet hem dood. Weer zijn de ouders hem heel dankbaar. De volgende dag moet hij met Nagiana, Nag’s vrouwtje afrekenen. Hij vernielt al haar eieren op één na, en zegt dat ze het mag houden als ze het gezin met rust laat. Toch ontstaat er een gevecht en Rikki-tikki-tavi kan haar doden. Sindsdien is Rikki-tikki-tavi weer koning te rijk, hij mag bij Teddy slapen en bewaakt de tuin. Nooit is er nog een slang gekomen.

Het derde verhaal, “Toomai of the Eleplants” gaat over Kala Nag (wat zwarte slang betekent), een oude sterke olifant die voor de Indische regering werkt. Big Toomai is de man die hem berijdt en zijn zoon, Little Toomai, moet op een dag in zijn vaders voetsporen treden en kent alles van de olifant. Wanneer Little Toomai ongehoorzaam is en hij Kala Nag mee uit jagen neemt, wordt zijn vader heel kwaad. Maar wanneer Petersen Sahib, de baas van de olifantenjagers, hoort dat Little Toomai de olifant meloenen heeft leren stelen, geeft hij hem een beloning voor zijn kunsten. Toch krijgt hij een straf en mag pas weer naar de Keddahs (olifantenvallen in Zuid Azië) gaan als hij de olifanten ziet dansen, wat dus zo goed als nooit betekent. Op een nacht neemt Kala Nag Little Toomai het woud in en daar ziet hij de olifanten dansen. Hij is zeer onder de indruk en de andere mannen gaan ook kijken naar de dans. Die avond wordt er een groot feest gegeven en Little Toomai wordt Toomai of the Elephants gedoopt net zoals zijn grootvader. Hij mag weer naar de Keddahs gaan.

Het laatste van de vier verhalen, “Her Majesty’s Servants” speelt zich af op een legerkamp in India. Het regent er al een maand lang en een wilde koning uit Afghanistan heeft er de rust verstoord. Een soldaat vlucht weg van op hol geslagen kamelen in het kamp en slaat op een rustig plekje zijn tent op voor de nacht. Dan komen er andere dieren in de buurt van de man: een kameel, ezels, paarden en een olifant. Ze praten over de oorlog. Ze komen allemaal van verschillende plaatsen en ze moeten de mensen helpen in de oorlog. Maar ze weten niet wie de bevelen geeft en willen eigenlijk helemaal geen oorlog voeren. Dan zien ze de terriër van de man, en beseffen dat diens baasje ergens in de buurt moet zijn. Ze zijn bang van de hond en gaan terug. De volgende dag houdt de man de dieren goed in de gaten en hij bekijkt het ineens vanuit een heel ander standpunt.

 

The Second Jungle Book gaat verder met het verhaal van Mowgli, maar ook in dit boek komen er nog een paar verhalen voor die losstaan van die intrige.

In “How Fear Came” wordt beschreven hoe Mowgli, als hij ouder wordt, ziet dat de hele jungle volgens de wetten van de jungle leeft. Op een gegeven moment heeft het al lang niet meer geregend, alles is uitgedroogd en verschillende dieren vluchten naar het noorden. Hathi de olifant, die heerser van de jungle is, kondigt een wapenstilstand af. Er mag niet meer gejaagd worden bij drinkplaatsen omdat drinken belangrijker is dan eten en iedereen een kans verdient. Shere Khan heeft een mens gedood en wil zich wassen in de rivier maar Hathi stuurt hem weg omdat hij zo het water bevuilt. Hathi vertelt hoe Shere Khan het recht verkreeg om andere mensen en dieren te doden. In het begin leefden alle dieren in harmonie samen en iedereen at planten. Tha, de eerste olifant, had de leiding. Toch ontstond er ruzie en al gauw had een tijger een bok gedood. Tha besliste dat, nu er al moord en schaamte in zijn jungle gekomen waren, er ook angst moest komen om ervoor te zorgen dat het niet uit de hand liep. Die angst was een mens, waar iedereen bang van was. De tijger wou de mens doden, maar deinsde uiteindelijk ook terug. Toen bleek dat er één nacht per jaar was waarop de mens bang was van de tijger, en die nacht benutte de tijger om hem te doden. Tha had echter de bedoeling om de tijger medelijden te laten tonen, en was dus heel boos. Shere Khan doodt wel meerdere mensen in een jaar, maar slecht één nacht per jaar is hij niet bang. Dan is Hathi’s verhaal uit, en Baloo vertelt Mowgli dat de jungle vol van zulke verhalen zit en dat hij dus nog veel te leren heeft.

The Miracle of Purun Bhagat” is een verhaal over een zeer succesrijke man, Purun Dass, van een hoge kaste die zich, nadat hij genoeg titels (o.a. eerste minister van India) bereikt had, bekeert en als bedelaar gaat leven. Hij noemt zichzelf dan Purun Bhagat. Hij wandelt tot aan de rand van het Himalaya gebergte en onderweg ontmoet hij een dorpspriester. Die denkt dat Purun een heilige is, en het dorp begint hem meteen te eren. Purun blijft er, maar gaat nooit het dorp is, hij houdt zich graag afzijdig op een heuvel van waar hij op het dorp kan neerkijken. Hij wordt vergezeld van dieren en blijft er roerloos zitten, doorheen alle seizoenen. Op een nacht vertelt een aapje Purun dat de berg waarop het dorp ligt, gaat instorten en het dorp zal vernielen. Hij brengt de mensen naar een veilige plek en ze beseffen dan dat Purun hun leven gered heeft. Maar dan zien ze dat hij gestorven is. Ze bouwen een tempel op de plek waar hij woonde om hem te gedenken zonder te weten dat die man ooit de eerste minister van India was.

Letting in the Jungle” handelt weer over Mowgli. Het bouwt verder op “Tiger! Tiger!”, vanaf het moment waarop Mowgli besluit om met een klein groepje (zijn ouders, broers, Baloo en Bagheera) te gaan jagen in de jungle, en niet langer bij de wolvengroep blijft. Mowgli wil niets meer van de mensen weten. Op een moment ontdekken ze dat ze door mensen gevolgd worden en Mowgli ziet de jager Buldeo terug. Ze willen het duivelskind Mowgli en zijn echte ouders vermoorden. Mowgli gaat alleen naar het dorp waar zijn ouders al vastgebonden en gemarteld zijn. Hij bevrijdt hen en Mowgli’s wolvenmoeder wil ook helpen, omdat ze veel gemeen heeft met Messua. Terwijl Messua en haar man naar een naburig dorp trekken, gaat Mowgli hen ongemerkt volgen om hen te beschermen. Bagheera laat ondertussen het dorp schrikken en het plan lukt. Maar Mowgli is zo boos dat ze zijn moeder pijn gedaan hebben, dat hij opdracht geeft aan de olifanten om het hele dorp te verwoesten. De mensen denken dat de goden hen slecht gezind zijn en ze vluchten weg.

The Undertakers” is wederom een losstaand verhaal. Het begint met een gesprek over schaars wordend eten tussen een jakhals en een kraanvogel, die op de rivier varen. Ze botsen tegen een oude wijze krokodil die in de rivier vlakbij het dorp rondzwemt. Er is in de omgeving een brug gebouwd en sindsdien gaat het volgens de dieren bergaf. De krokodil vertelt hoe hij op een dag wel drie man opat, dankzij zijn behendigheid in het jagen. Hij weet veel over de gebruiken van de dorpelingen. Bij het bouwen van de brug had de krokodil de mensen die eraf vielen opgegeten, en de Engelsman die de brug kwam bouwen, ging op hem jagen, zonder succes. De krokodil blijft bij het dorp om de mensen te beschermen en ze zijn hem er dankbaar voor. Ooit heeft hij bijna een jong sappig mensenkind opgegeten, maar zijn moeder had op hem geschoten. Dan gaat de krokodil weg, en de jakhals en de kraanvogel zien twee mannen op de brug, die op zoek zijn naar de krokodil. Het zijn de mannen die de brug gebouwd hebben, ze zijn uit op wraak. De krokodil ligt op de kust te slapen wanneer hij drie exploderende kogels in zijn lijf krijgt. De mannen onthoofden hem en nemen het hoofd mee. De man die de brug had laten bouwen vertelt dat hij als kind ooit bijna was opgegeten door deze krokodil.

In “The King’s Ankus” gaat Mowgli’s verhaal weer verder. Kaa is voor de 200ste keer in zijn leven verveld, en Mowgli gaat hem feliciteren. Kaa vertelt van een witte cobra die hem dingen liet zien waar hij nog nooit van gehoord had. Ze gaan ernaar kijken en Mowgli vindt de slang prachtig. De slang wil weten hoe het met de stad van de koning van twintig koningen is. Hij wordt doof onder de grond en hoort hun oorlogslawaai niet langer. Maar er is geen stad, ze zijn omringd door jungle. De slang is de bewaker van de schatten van de koning zegt hij, maar Mowgli en Kaa proberen hem ervan te overtuigen dat er geen stad boven hem ligt. Ze denken dat hij gek is. Dan laat de slang de schatten in de grot zien; goud, zilver en edelstenen. Hij had toch gelijk, de schat is van onschatbare waarde. Mowgli echter heeft alleen interesse voor de messen, geld betekent niets voor hem. Dan ziet hij een scepter. Mowgli wil hem in het zonlicht zien, en krijgt hem van de slang. De slang wilt hem echter vermoorden omdat er geen enkel mens levend uit zijn schuilplaats mag komen. Hij wil op hem jagen, voor de sport, maar Mowgli opent de mond van de slang en ziet dat zijn giftanden uitgedroogd zijn. De slang kan hem niets doen en voelt zich machteloos. Hij zegt dat de scepter gevolgd wordt door de dood. Kaa en Mowgli zijn blij om eindelijk weer boven de grond te komen, en de scepter schittert in de zon. Mowgli laat hem aan Bagheera zien. Hij zegt dat het een wapen is om het hoofd van olifanten mee in te slaan zodat het bloed eruit loopt. Mowgli gooit het ding snel weg, hij wil geen bloed aan zijn handen. Wanneer hij hem gaat zoeken, heeft een mens hem meegenomen. Ze volgen hem om te zien of de dood echt het gevolg is van het dragen van de scepter en ze komen inderdaad bij het lichaam van een dode man. De sporen van de tweede man gaan verder. Ze komen bij een tweede lijk en daar is de scepter ook niet. Ze vinden wel voetsporen van vier andere mannen. Een derde lijk wordt gevonden en even later nog drie andere. Daar ligt ook het wapen. Ze zijn vergiftigd, de eerste man zou het giftige eten al bij zich moeten hebben gehad toen hij vertrok. Mowgli gaat het wapen terug naar de slang brengen, omdat hij niet wil dat er nog meer doden vallen, ook al heeft hij geen affiniteit met de mensen.

Quiquern” is een verhaal over de Inuïten. Kotuko, een eskimojongen, is 14 en wil meedoen met de grote mannen en met hondensleeën rijden. Hij krijgt een puppy en leert hem alle dingen die hij moet kunnen. De hond en de jongen groeien op en worden goede jagers. Dan komt er een strenge winter en omdat er al een paar jagers weggevallen waren, gaat Kotuko op zeehonden jagen, zonder veel succes. Er dreigt hongersnood,  een paar honden worden ziek en Kotuko’s hond sterft eraan. Kotuko zelf wordt ook ziek. Hij gaat samen met een meisje naar Sedna, de geest van de onderwereld. Het is een lange, harde tocht en ze hallucineren van de honger. Op een gegeven moment zien ze iets van 40 meter breed en 10 meter hoog, en het meisje noemt het ‘Quiquern’. Het is een soort monster waar niemand uitspraak over kan doen. Ze volgen het en komen bij een eiland, waar ook Kutoku’s hond gezond en wel rondloopt. De lente is er in aantocht en het tweetal geniet er en blijft er om bij te komen en aan te sterken. Dan gaan ze de anderen waarschuwen. Kutoku en het meisje gaan trouwen en iedereen is blij. Kotuko heeft het verhaal in ivoor gekerfd en is het verloren, maar het wordt door de mensen verder verteld.

Weer gaat Mowgli’s verhaal verder in “Red Dog”. Een hele leuke tijd van Mowgli’s leven breekt aan wanneer hij weer in de jungle ontvangen wordt. Hij beleeft allerlei avonturen en iedereen mag hem en vreest hem tegelijk. Zijn ouders sterven en de anderen worden ouder en trager. De groep breidt zich uit en Phoa neemt de leiding op zich. Op een moment komt er een onbekende gewonde wolf aan, Won-tolla. Een groep hyena’s, rode honden, laat een spoor van moord achter in de jungle. Mowgli wilt er een einde aan maken en Kaa bedenkt een plan hoe ze de wilde honden kunnen verslaan. Ze gaan naar de plaats des doods, waar het stikt van de meedogenloze bijen. Mowgli moet de rode honden erheen leiden en zelf zorgen dat hij snel genoeg in het water zit, waar ze hem niet kunnen steken. Met wilde knoflook worden de bijen gelokt en woester gemaakt en Mowgli brengt de honden naar hen toe. Eén voor één belanden de honden in het water en de meeste verdrinken. Won-tolla kan nu bloedwraak nemen. Dan komt Akela op Mowgli toe, stervende. Hij zegt dat Mowgli zijn wolvengroep gered heeft, en nu terug moet gaan naar zijn eigen volk, maar Mowgli wil dat niet, en vindt dat hij bij de wolven hoort. Akela zegt dat hij zelf terug zal willen gaan, en Mowgli zal dat dan ook doen. Dan zingt Akela het doodslied en sterft. Er zijn vijftien wolven van de groep gedood in het gevecht, en geen enkele is ongewond gebleven. Maar geen van de hyena’s kon teruggaan om de strijd na te vertellen.

Het laatste verhaal, “The Spring Running” speelt zich af in het tweede jaar na de dood van Akela, nu Mowgli bijna 17 jaar oud is. Mowgli is geliefd en gevreesd in de jungle en zijn ogen verraden geen angst of haat. De lente is in aantocht, maar in tegenstelling tot andere jaren, wordt Mowgli er niet vrolijker van. Het jagen gaat hem te makkelijk af en hij wil naar het noorden. De rest gaat niet mee en hij voelt zich in de steek gelaten. In het noorden betert het nog niet en dan gaat hij naar het mensendorp, naar Messua. Hij vertelt haar alles en valt in een diepe slaap. Grijze broer komt Mowgli smeken om terug te komen, en Messua smeekt hem om te blijven. Ooit heeft Akela gezegd dat iedereen eens terugkeert naar waar ze vandaag komen, en de hele jungle respecteert dat. Mowgli kan nog altijd op zijn vrienden uit de jungle rekenen. Bagheera had hem jaren geleden met een stier gekocht en nu staat hij er met een gedode stier om hem vrij te kopen. Mowgli schaamt zich omdat zijn voeten hem naar de mensen leiden, maar toch blijft hij bij hen. Een zeer emotioneel afscheid volgt, en iedereen gaat dan zijn eigen weg.

 

2.4 “In the Rukh” uit All the Mowgli Stories

 

Mowgli kwam het eerst voor in Kipling’s kortverhaal “In the Rukh”, gepubliceerd in Many Inventions in 1893. In 1907, 11 jaar na het verschijnen van The Jungle Books, verscheen het verhaal van Mowgli in het verzameld werk The Works of Rudyard Kipling Volume VII: The Jungle Book. Hierin werden alle verhalen over Mowgli gebundeld. In volume VIII kwamen alle verhalen voor uit The Jungle Books die niet over Mowgli gaan. In 1933 werd er nog een boek met alle verhalen over Mowgli gepubliceerd, All the Mowgli Stories.

 

2.4.1 Structuur van All the Mowgli Stories:

 

2.4.2 Korte inhoud van “In the Rukh”

 

Gisborne werkt bij het departement van Bossen en Wouden, het belangrijkste van de Indische regering. Hij woont in een bungalow, vlakbij de rukh, een stuk jungle, dat hij goed heeft leren kennen doorheen alle seizoenen. Op een dag wordt er een man gevonden, met de schedel ingeslagen. Het is het werk van the red one, een tijger. Wanneer Gisborne de tijger wil gaan zoeken, komt er een schaars geklede man aan, die Gisborne mee naar de tijger neemt, waar Gisborne hem zonder moeite kan doodschieten. De man stelt zich voor als Mowgli, en legt uit dat hij niet uit een dorp maar uit de jungle komt, en dat hij alle tijgers haat. Hij komt mee naar het huis van Gisborne kijken omdat het nieuw voor hem is, maar hij vindt het op een gevangenis lijken en leeft veel liever in de jungle, waar hij alle vrijheid heeft. Mowgli begint Gisborne meer en meer op te zoeken om met hem te praten. Hij laat Gisborne zien dat hij veel van de jungle weet door een antilope naar het huis te lokken. Eerst denkt Gisborne dat Mowgli gek is, maar de antilope komt echt en dan is hij onder de indruk. Mowgli mag blijven eten en in ruil daarvoor bewaakt hij ’s nachts het huisje. Abdul Gafur, de butler, is erg achterdochtig tegenover de geregelde bezoeker. Hij vindt het vreemd dat Mowgli tot geen enkele kaste behoort en hij kan hem bevelen geven naar believen. Op een dag gaan Mowgli en Gisborne de jungle in, om de dieren weg te jagen van bij de jonge boompjes, en Gisborne zegt dat Mowgli ook voor de staat kan komen werken. Mowgli zegt dat hij niet kan aarden in een hutje, en moet er nog wat over nadenken. Dan komen ze Muller tegen, een Duitser die het departement van Bossen en Wouden leidt. Gisborne eet bij hem en er wordt over het werk gepraat. Mowgli komt erbij, en Gisborne legt de situatie uit. Ze bestuderen hem grondig, en laten hem tonen wat hij allemaal kan, bijvoorbeeld Mullers paard roepen. Muller stelt Mowgli voor om voor het departement te komen werken, te rapporteren waar de dieren zitten en hen te drijven. Mowgli stemt toe, als hij in die rukh mag blijven. Ze sluiten een akkoord en Muller is blij met zo’n wonderlijke werknemer. Terug bij de bungalow ontstaat er een band tussen Mowgli en de dochter van de butler. Hij vertelt haar dat hij bij mensen geboren, maar bij wolven opgegroeid is, hij blaast op zijn fluit om zijn wolvenbroers te roepen en hij vertelt dat hij zowel bij de wolven als bij de mensen weggejaagd is. Mowgli wil dat het meisje de wolven aait, maar ze moet nog erg wennen aan de situatie. Abdul is kwaad dat Mowgli zijn dochter omarmt en zijn familie onteert, maar Gisborne verdedigt Mowgli. Uiteindelijk mag hij trouwen met het meisje en een jaar later komen Muller en Gisborne in de jungle Mowgli met zijn vrouw en hun baby tegen.

 

2.5 Bespreking van de ingelaste liederen  [4]

 

The Jungle Books zijn opgebouwd uit kortverhalen die steeds met een kort gedichtje beginnen en eindigen met een lied. De verhalen hebben geen chronologische volgorde, en verschillende verhaallijnen lopen door elkaar. De structuur lijkt zeer versnipperd en verwarrend te zijn, maar het tegendeel is waar. De lezer krijgt juist een mooi geheel van beschrijvingen, illustraties en liederen die in elkaar overvloeien, en de hoofdintrige wordt niet uit het oog verloren. De ingelaste verhalen (vooral “Rikki-Tikki-Tavi”, “The White Seal” en “Toomai of the Elephants”) zijn een paar van Kiplings beste kortverhalen, en de gedichten die de kortverhalen openen en sluiten, kunnen tot zijn beste poëzie gerekend worden, vooral “Seal Lullaby”, met een langzaam, wiegend ritme en de terugkomende, dromerige ‘l’ en ‘s’ klanken. (Meigs, Nesbitt & Eaton, 1969:313)

In dit onderdeel ga ik de ingelaste stukken tekst (gedichten en liederen) en de verhalen buiten de intrige over Mowgli bespreken aan de hand van hun inhoud en functie.

 

2.5.1 Teksten aan het begin van de verhalen

 

Elk kortverhaal begint, zoals ik al gezegd heb, met een kort stukje tekst. Bijvoorbeeld, het eerste stukje tekst aan het begin van “Mowgli’s Brothers” gaat als volgt:

            Now Chil the Kite brings home the night

                        That Mang the Bat sets free –

            The herds are shut in byre and hut,

                        For loosed till dawn are we.

            This is the hour of pride and power,

                        Talon and tush and claw.

            Oh, hear the call! – Good hunting all

                        That keep the Jungle Law!” (Kipling, 1986: 17)

 

Dit tekstje fungeert als een soort van inleidende sfeerschepper waarin de nachtelijke jacht beschreven wordt, maar het staat nog redelijk los van de verhaallijn. Voor “Kaa’s Hunting” krijgen we een grondregel van Baloo voorgeschoteld, waarin hij de kleine Mowgli waarschuwt voor de gevaren van de jungle. In “Tiger! Tiger!”, het verhaal waarin Shere Khan gedood wordt, begint Kipling met een soort interview met de stervende Shere Khan, die al zijn kracht en macht verloren is. Hier wordt vooruitgeblikt naar het einde van het verhaal. “The White Seal” begint met een slaapliedje voor zeehonden, wat dus weer een illustratie en sfeerschepping veroorzaakt. In “Rikki-tikki-tavi” wordt het gevecht tussen de mangoeste en de slang, dat pas aan het einde van het verhaal plaatsvindt, meteen al aan het begin beschreven. Aan het begin van “Toomai of the Elephants” staat er een soort krachtig strijdlied van de olifant, die ervan overtuigd is dat hij ooit weer in vrijheid zal leven en “Her Majesty’s Servants” begint met een algemeen rijmpje over onoverbrugbare verschillen. Ook voor The Second Jungle Book geldt deze structuur. “How Fear Came” wordt ingeleid door een beschrijving van hoe de droogte in de jungle een wapenstilstand teweeg brengt, en hoe de regen die weer opheft. In “The Miracle of Purun Bhagat” krijgen we een vooruitblik naar het einde van het verhaal, waarin de dorpelingen beschrijven hoe de kluizenaar hen van de dood gered heeft en zelf gestorven is. Zo ook vormt “Letting in the Jungle”, een vooruitblik naar de afloop van het verhaal, waar de dieren het mensendorp vernietigen. Bij “The Undertakers” wordt er nogmaals een stuk uit de wet van de jungle weergegeven, en ook “The King’s Ankus” vertolkt een gezegde uit de jungle, over de vier grote behoeften die nooit bevredigd zijn. In “Quiquern” worden verschillende Eskimovolkeren beschreven, wat weer illustrerend en sfeerscheppend werkt. “Red Dog” wordt ingeleid door een soort van strijdlied en tenslotte begint “The Spring Running” met een afscheidslied voor Mowgli, die uiteindelijk terugkeert naar de mensen.

De korte tekstjes fungeren dus als inleiding en sfeerschepping, vooruitblik naar het einde van het verhaal, algemene achtergrondinformatie en/of  illustratie.

 

2.5.2 Teksten aan het einde van de verhalen

 

De liederen aan het einde van de verhalen hebben een soortgelijke functie. Ze worden bijna allemaal beschreven als ‘song’, eentje als ‘chaunt’ (chant), en in het begin van The Second Jungle Book, na het verhaal “How Fear Came”, krijgen we de “The Law of the Jungle” voorgeschoteld, ingeleid door de volgende tekst:

“Just to give you an idea of the immense variety of the Jungle

Law, I have translated into verse (Baloo always recited them in

a sort of sing-song) a few of the laws that apply to the wolves.

There are, of course, hundreds and hundreds more, but these will

do for specimens of the simpler rulings.” (Kipling, 1984:137)

Hier wordt duidelijk weergegeven welke bedoeling Kipling onder andere heeft met de toegevoegde teksten. Hij wil de ‘simpele mens’ een voorsmaakje geven van de complexe levenswijze in de jungle, en zo een volledig beeld schilderen van een levensvorm, een cultuur.

Ik zal eveneens een overzicht geven van de liederen doorheen de Jungle Books. Na “Mowgli’s Brothers” wordt het jachtlied van de Seeonee wolvengroep weergegeven, “Hunting-Song of the Seeonee Pack”, na “Kaa’s Hunting”, het lied van de apen uit dat verhaal, “Road-Song of the Bandar-Log”. Na “Tiger! Tiger!” volgt “Mowgli's Song, that he sang at the Council Rock when he danced on Shere Khan’s hide”. Na “The White Seal” volgt een soort van volkslied van de zeehonden, “Lukannon”. Na “Rikki-Tikki-Tavi” wordt er een ode aan de mangoeste weergegeven, “Darzee’s Chaunt” (Sung in honour of Rikki-Tikki-Tavi).  Na Toomai of the Elephants” volgt er eveneens een illustratief liedje, “Shiv and the Grasshopper” (The song that Toomai's mother sang to the baby). Na “Her Majesty’s Servants” volgt “Parade Song of the Camp Animals”. Dit zijn stuk voor stuk liederen die gezongen worden in de jungle, op de plaatsen waar de verhalen zich afspelen, of tenminste, dat wil Kipling ons laten geloven. Ze werken illustratief maar ook in zekere zin uitbreidend voor het verhaal. Het betreft vaak een soort impliciet, logisch gevolg. Na een overwinning wordt er bijvoorbeeld een ode aan de held gebracht.

Voor The Second Jungle Book is dit eveneens het geval. Het begint, zoals ik al gezegd heb, met “The Law of the Jungle” na het eerste verhaal “How Fear Came”. “A Song of Kabir” volgt op “The Miracle of Purun Bhagat”, Mowgli protesteert tegen de gebruiken van het menselijke ras in “Mowgli’s Song against People” na “Letting in the Jungle”, de gevaarlijke, bedreigende krokodil wordt beschreven in “A Ripple Song” na “The Undertakers”, in “The Song of the Little Hunter” dat op “The King’s Ankus” volgt, wordt de angst beschreven die de kleine jager in de jungle achtervolgt, na “Quiquern” volgt een vertaling van een Eskimolied,  “Angutivaun Taina”, “Chil’s Song” sluit “Red Dog” af en tenslotte maakt “The Outsong” een einde aan The Jungle Books.

“The Law of the Jungle” vormt een uitzondering in het rijtje van liederen, maar wel een zeer begrijpelijke en interessante uitzondering. Kipling legt in The Jungle Books zeer veel nadruk op de wet van de jungle, en het is noodzakelijk om die toch, zij het slechts gedeeltelijk, weer te geven. Kiplings literatuur komt voort uit het leven zelf, uit de ervaring met het leven, zowel menselijk als dierlijk. Hij creëert in zijn fictie een elementaire wereld die bestaat uit primitieve en eeuwige onderwerpen als liefde en haat, angst en moed, trouw en verraad, eerlijkheid en bedrog, de strijd om te overleven en de overleving van de sterkste. Het meeste nadruk wordt gelegd op de gehoorzaamheid aan de wet van de jungle, die voortkomt uit een gevoel van verantwoordelijkheid. De wet van de jungle belichaamt volgens Kipling de ware vrijheid, want alleen wie echt vrij is, kan zich die discipline opleggen zonder dat als een verplichting aan te voelen. De apen staan symbool voor alles wat buiten de wet staat, ze hebben dan ook geen discipline of verantwoordelijkheidsgevoel. In contrast met die elementaire wereld staan de dramatische momenten in The Jungle Books, die zelfs een episch karakter hebben, zoals het moment waarop Akela de wolvengroep moet trotseren, maar dat op een waardige manier doet. Mowgli staat in het centrum van dit alles. Hij wordt opgenomen in de jungle maar blijft zo wezenlijk mens, dat de dieren hem niet lang in de ogen kunnen kijken. (Meigs, Nesbitt & Eaton, 1969:312-313)

 

2.6 Ingelaste verhalen buiten de hoofdintrige

 

The Jungle Book

The Second Jungle Book

 

2.6.1 Functie van de verhalen

 

Als we de inhoud[5] van de zeven ingelaste verhalen bekijken, kunnen we toch wel wat conclusies trekken. In alle verhalen is er een botsing, of tenminste een ontmoeting tussen mens en dier. De ene keer is die al negatiever dan de andere. In “The White Seal” en “The Undertakers” gaat het om een doodstrijd, in het eerste geval doden de jagers de onschuldige zeehonden, en in het tweede geval is de drang om te doden wederzijds, maar eigenlijk heeft de krokodil de doodsstrijd geïnitieerd. In andere verhalen gaat het er een stuk vreedzamer aan toe. In “Quiquern” is de hond zowat de beste vriend van de Eskimojongen Kotuko, en ook in “The Miracle of Purun Baghat” leven mens en dier in harmonie met elkaar.  Een aapje verhindert dat een heel dorp verpletterd wordt onder de rotsen. In “Toomai of the Elephants” gaat Kipling zelfs nog een stapje verder. Er is geen menselijke communicatie mogelijk tussen mens en dier, maar er is een organische en primitieve band tussen mens en dier. De menselijke hartslag correspondeert met die van het dier en dat contact wordt op zijn beurt weerspiegeld in de vibraties van de aarde. Zo voelt Little Toomai het ook aan, de kleine jongen die op de enorme rug van de olifant zit, voelt het pijnlijke ritme van de olifantendans en hij kan dat amper aan. Hij huilt, valt flauw en is afgepeigerd wanneer hij er van terug komt. (Jan, 1973:84-85) Hier wordt het duidelijk dat de natuur met zijn fauna en flora als superieur ten opzichte van de mens gezien kan worden. Kipling hecht heel veel belang aan de wet van de jungle, die de dieren op een harmonieuze wijze vanuit verantwoordelijkheid eigen aan zichzelf gemaakt hebben. Dit is iets wat de mens niet kan bevatten, hij noemt ze zelfs “specimens of the simpler rulings”. (Kipling, 1986:137)

In “Rikki-tikki-tavi” en “Her Majesty’s Servants” is de relatie iets problematischer. Rikki-tikki-tavi sluit zich als het ware bij de mensen aan - dat zit ook in zijn natuur - en hij gaat de strijd aan met de slangen, omdat die het op de mensen gemunt hebben. Hij zet zich als het ware af tegen andere dieren, omdat die zijn nieuwe thuis komen bedreigen. De relatie met andere dieren uit de tuin is beter, waarschijnlijk omdat zij eveneens in harmonie met de mensen leven. De dieren die oorlog moeten voeren in “Her Majesty’s Servants” zijn ontevreden over hun situatie en wanneer de verteller dat verneemt, worden zijn ogen geopend. Mens en dier leven hier niet vrolijk in harmonie met elkaar, maar er is wel een zekere mate van wederzijds respect.

Het contact tussen mens en dier, dat al dan niet problematisch is, is volgens mij het hoofdthema is in The Jungle Books. Ook in de verhaallijn over Mowgli wordt er zeer veel nadruk op gelegd. Mowgli komt als kind terecht bij de wolven en de andere dieren uit de jungle, hij wordt één van hen en leert alles over de jungle dat hij moet weten. Maar dan komt er een moment waarop hij de dieren met vuur overmeestert en met verdriet constateert dat hij een zekere macht over de dieren heeft en niet langer bij hen hoort. Hij trekt naar het mensendorp en moet daar ook erg veel leren. Maar als de mensen ontdekken dat hij met dieren kan praten en hun gewoontes erg goed kent, vertrouwen ze hem niet meer. Hij wordt opnieuw weggejaagd, en besluit met een kleine groep dieren de jungle te bewonen, waar hij zelfs nog een keer met de dood bedreigd wordt door de jagers van het dorp. Uiteindelijk krijgt Mowgli toch weer een fundamenteel gevoel van gemis naar zijn eigen soort en keert hij terug naar zijn moeder, Messua. Er is dus een constante wisselwerking van aantrekking en afstoting tussen mens en dier, net zoals in de verhalen. Dieren moeten in de literatuur (gecreëerd door de mens) onthecht worden van de menselijke wereld en gereïntegreerd worden in de natuur. Ze mogen geen menselijke creatie lijken en moeten weer wilde beesten worden. Dit vergt een opmerkelijk goed inzicht, respect en observatievermogen, wat Kipling in hoge mate bezit. Hij heeft er goed gebruik van kunnen maken bij het schrijven van The Jungle Books. (Jan, 1973: 80,84)

Wat ook opvallend is aan de ingelaste verhalen, is dat er een aantal diersoorten in voorkomen die ook in de verhalen over Mowgli voorkomen. De slang en de apen worden er op een andere manier voorgesteld, terwijl voor de olifant de karakterisering ongeveer hetzelfde blijft. De olifant wordt vanuit het menselijke perspectief, zowel in “Toomai of the Elephants” als “Her Majesty’s Servants” geïllustreerd als een groot, sterk en machtig dier, de – al dan niet militaire – leider van de jungle. Dat is Hathi in de verhalen over Mowgli ook, dus deze voorstellingen liggen wel in lijn met de manier waarop olifanten voorkomen in de Mowgli-intrige. De slang wordt in “Rikki-tikki-tavi” als een bedreiging voor mens en dier geportretteerd, hoewel Kaa voor Mowgli een goede vriend is, en in “The Miracle of Purun Baghat” is het een aapje dat een mensendorp van de ondergang redt, terwijl de apen in de verhalen over Mowgli staan voor alles wat buiten de wet van de jungle staat. Ze zijn vies, ongemanierd en immoreel. Er moet wel opgemerkt worden dat deze afschildering mede wordt beïnvloed door het perspectief van waaruit op de situatie gekeken wordt. De apen zijn van alle dieren in de jungle het meest gefixeerd op de mensen, ze willen alles kunnen wat zij ook kunnen en hun gewoonten zoveel mogelijk overnemen. Het is dan ook niet echt verwonderlijk dat ze de mensen willen redden uit de nood, maar toch is het een goede illustratie van hoe verschillende perspectieven een genuanceerder beeld kunnen brengen.

Een derde kenmerk van de verhalen is het feit dat het bijna overal om een kind, een jong of een klein dier gaat. Kotick, het kleine zeehondje, wil de wereld voor zijn soortgenoten verbeteren en zit vol ambitie, Rikki-tikki-tavi, de kleine mangoeste, redt een heel mensengezin van een aantal dodelijke slangen, Little Toomai is een ongelofelijk leergierig kereltje dat er alles voor over heeft om ooit zelf te mogen jagen met olifanten, en Kotuko vindt in een periode van hongersnood en ziekte een nieuw onderkomen voor de andere eskimo’s.

Een ander terugkerend motief is de strijd tegen een groter kwaad (jagers, honger en ziekte, andere gevaarlijke dieren), waarbij de jonge, ambitieuze dieren of kinderen als redders optreden, wat heel bijzonder is. Dit gegeven ligt wederom in lijn met de verhaallijn over Mowgli, het kleine kind dat de levens van de dieren in de jungle drastisch verandert. Ook Mowgli is leergierig en ambitieus. Hij is dankbaar dat hij deel mag uitmaken van de wolvengroep en wil er alles voor doen om er echt bij te horen. Ook bij de mensen doet hij zijn best, maar daar verloopt de aanpassing veel moeilijker. Mowgli wint uiteindelijk ook de strijd tegen Shere Khan, waarmee hij de andere dieren een grote dienst bewijst.

 

 

Hoofdstuk 2: Walt Disney’s adaptatie: The Jungle Book

 

1. Biografie Walt Disney (1901 – 1966)

"I do not make films primarily for children. Call the child innocence. The worst of us is not without innocence, although buried deeply it might be. In my work, I try to reach and speak to that innocence.”

(http://en.wikiquote.org/wiki/Walt_Disney)

Walt Disney

 

 

 

Walter Elias Disney werd geboren als de zoon van Elias en Flora Disney in Chicago, Illinois, op 5 december 1901. Omdat Elias en Flora hun kinderen niet in de stad wilden opvoeden, verhuisde het gezin naar een boerderij in Marceline, Missouri, waar Walt voornamelijk opgegroeid is. Daar vond Walt de inspiratie voor ‘Main Street USA’ in Disneyland. Op een zeer vroege leeftijd raakte Walt geïnteresseerd in tekenen en toen hij pas 7 jaar oud was, verkocht hij al schetsen aan zijn buren. Op de McKinley High School in Chicago concentreerde hij zich zowel op tekenen als fotografie, en hij werkte er ook mee aan de schoolkrant. In avondonderwijs ging hij naar de academie van de schone kunsten, om zijn tekenkunsten te perfectioneren. Na wat financiële problemen moest Elias de boerderij verkopen en het gezin Disney verhuisde vervolgens naar Kansas City, Missouri, waar Walt zich begon te interesseren voor het acteren en entertainen. In 1918 had hij een poging gedaan om in het leger te gaan, maar omwille van zijn jonge leeftijd kon dat niet. Na gelogen te hebben over zijn leeftijd, mocht hij voor een jaar naar Frankrijk om er voor het Rode Kruis als chauffeur en ambulancier te gaan werken. In 1919 keerde hij terug naar Kansas en vond er werk in een commerciële studio, waar hij Ubbe Iwwerks (later verkortte hij zijn naam tot Ub Iwerks) ontmoette. Samen begonnen ze een bedrijfje, maar toen kreeg Walt een job bij de Kansas City Film Ad Company. Nadat hun bedrijf failliet ging, volgde Iwerks hem daarheen. Walt perfectioneerde daar de animatietechniek, die hij aanvankelijk maar onbevredigend vond. Hij experimenteerde onder andere met de Newman Laugh-O-Gram films, en om zijn techniek nog meer te kunnen specialiseren, nam hij ontslag en concentreerde hij zich op de Laugh-O-Gram films. Iwerks en andere tekenaars volgden hem, maar het liep al snel slecht met het bedrijf en al even snel als ze gekomen waren, waren de tekenaars weer weg. Met het geld dat hij verdiend had met een promotiefilmpje voor mondhygiëne, begon hij aan het werk voor Alice’s Wonderland, waar een kind tegen een tekenfilmachtergrond gezet werd, maar hier moest hij ook mee stoppen. In 1923 ging hij, met $40 in zijn zakken, zijn kansen wagen in Hollywood, nadat het in Kansas mislukt was. Hij had amper geld, maar met de financiële hulp en steun van zijn broer Roy kwam hij een eind verder. Ze stuurden Alice’s Wonderland naar Margareth Winkler, een distributeur, en zij besloot hen te financieren.  Ze richtten de Disney Bros. Studio op, huurden tekenaars in en begonnen te werken aan een reeks van avonturen over Alice. Walt kon Iwerks overtuigen om hem opnieuw te vergezellen. 

Image of waltwife7.jpgOp 13 juli 1925 trouwde hij met Lillian Bounds, één van zijn eerste werknemers, en ze kregen twee dochters, Diane en Sharon. Charles Mintz, de kersverse man van Winkler, nam de leiding over en de studio verhuisde naar Hyperion Avenue, dicht bij het centrum van Los Angeles. Vanaf dan stond de studio bekend als de Walt Disney Studio. Ze begonnen te werken aan een tekenfilm over een konijn Oswald, en in 1928 werd Mickey Mouse (Lillian vond die naam beter dan Mortimer) geboren. Er zijn veel bronnen die zeggen dat voornamelijk Iwerks de geestelijke vader van het figuurtje was. De eerste stille tekenfilm met het muisje heette Plane Crazy, maar voor die uitgebracht kon worden, deed de geluidsfilm zijn intrede. Steamboat Willy was de eerste tekenfilm met gesynchroniseerd geluid ter wereld. De première vond plaats op 18 november 1928 in het Colony Theatre in New York. Walt wilde zijn animatietechniek nog meer perfectioneren, en Technicolor werd geïntroduceerd. De eerste twee jaar had Walt een patent op Technicolor, zodat hij de enige was die tekenfilms kon maken. Er volgden andere tekenfilms, de Silly Symphonies, waarin onder andere de drie biggetjes en Donald Duck muziek maakten. In 1932 won Disney’s studio voor één van de Silly Symphonies, Flowers and Trees de eerste van 32 Academy Awards, wat nog steeds een record is. Deze tekenfilm was tevens ook de eerste die in kleur verscheen. In het begin van de jaren ’30 was het bedrijf uitgegroeid van 6 naar 187 werknemers, en de stal met figuurtjes was eveneens uitgebreid, met onder andere Pluto, Donald Duck en Goofy.

 

 

Snow White and the Seven Dwarfs was de eerste geanimeerde en muzikale tekenfilm met speelfilmlengte. De film werd voor het eerst getoond  op 21 december 1937 in het Carthay Theater in Los Angeles. Disney won er een Oscar voor, en heeft er voor de gelegenheid zeven dwergoscars bij gekregen. (Finch, 1973: 165, 198)

 

In de vijf jaren die erop volgden, werden de klassiekers Pinocchio, Fantasia, Dumbo en Bambi uitgebracht. Met de opbrengst van Snow White werd in 1940 de bouw van de Disney Studio in Burbank, Los Angeles afgewerkt; er waren toen ongeveer duizend medewerkers (artiesten, animatoren, verhaalschrijvers en technici). Tijdens de tweede wereldoorlog ging het minder goed met de zaken en de studio produceerde vooral trainings- , gezondheids- en propagandafilmpjes. De Europese afzetmarkt was door de oorlog volledig uitgeschakeld. In 1945 kwam de eerste musical van de Disney Studios uit, The Three Caballeros. Er werd voor het eerst gespeeld met de combinatie van live actie, animatie en muziek. Song of the South en het populaire Mary Poppins volgden. Voor de True-Life Adventure serie, waarin de wereld en het belang van het behoud van de wilde dieren getoond werd, kreeg Disney ook verschillende prijzen. (Finch, 1973: 345-358) De distributeur was echter niet geïnteresseerd in de films over het echte leven, dus belde Roy Buena Vista, die van toen af aan al de Disneyfilms gingen verdelen. Aan het eind van de jaren ’40 begon Walt zich te interesseren in een attractiepark met zijn tekenfilmfiguurtjes als spilfiguren. Hij begon zelf plannen te maken en in 1955 werd ergens buiten Los Angeles Disneyland geopend, een succesvol attractiepark helemaal volgens Walts eigen ontwerp en met thema’s uit de Disney animatiefilms. Door de inkomsten van het park steeg de omzet van de studio enorm. In diezelfde periode begon Disney met televisieproductie. Hij was één van de eerste met kleurenproducties op tv. Vooral series als The Mickey Mouse Club en Zorro waren populair.

In 1965 begon Walt zijn aandacht te vestigen op het stedelijke Amerikaanse leven dat hij wilde verbeteren. Hij liet het Experimental Prototype Community of Tomorrow (EPCOT) bouwen. Ook engageerde hij zich voor de California Institute of the Arts, een soort kunstacademie op universitair niveau.

In zijn laatste jaren was Walt Disney ietwat verkrampt en neerslachtig, hij hanteerde de afstandelijke bijnaam ‘Uncle Walt’. Toch zou zijn succes nooit geëvenaard kunnen worden. Men vroeg hem om burgemeester van Los Angeles te worden, maar dat voorstel wimpelde hij af met de zin: “Waarom zou ik burgemeester willen worden als ik al koning ben?”

Op 15 december 1966 stierf Walt Disney aan de gevolgen van longkanker, tijdens de productie van The Jungle Book. The Walt Disney Company is nog tot op de dag van vandaag zeer succesvol, nog steeds worden er talrijke animatiefilms gemaakt. (Finch, 1973: 17-24, 309)

“Working his mediating magic in the art and politics of a rapidly transforming age, this sentimental modernist and sentimental populist drew upon the past to make the present palatable and the future inviting. In such fashion, Walt Disney became more typically, fantastically American than even he ever knew.” (Watts, 1995: 110)

 

 

2. Disney’s The Jungle Book (1967)

 

2.1 Algemene  informatie

 

In Hollywood is men nooit zo literair geweest, en reeds van het begin zijn de filmmakers inspiratie gaan zoeken in de literatuur, wat een onuitputtelijke bron van plots en personages was, en de klassieke werken gaven de films ook een zekere klasse. Natuurlijk kwam er van het begin al kritiek op deze werkwijze, onder andere Virginia Woolf vond de overgang van literatuur naar film onnatuurlijk en een ramp voor beide genres. Toen in de jaren ’30 de film met geluid zijn intrede deed, werden de mogelijkheden voor de film om een verhaal te vertellen nog groter, en langzaamaan werd de filmmaker een concurrent voor de schrijver. (Boyum, 1985:3-6)

 

Deze tekenfilm was de laatste film die werd geproduceerd onder Walt Disney’s supervisie, die nog voor de film afgewerkt was, stierf aan longkanker. De makers hebben dan ook extra aandacht besteed aan de afwerking van de film. Het script werd geschreven door Larry Clemmons, Ralph Wright, Ken Anderson en Vance Gerry, en de tekenfilm werd geregisseerd door Wolfgang Reitherman. Niemand van hen had van te voren Kiplings werk gelezen, en Walt Disney wou het graag zo, omdat het niet Kiplings Jungle Book, maar Disney’s Jungle Book moest worden. Disney vond Kiplings verhaal te grimmig, en het werd herschreven tot een grappigere versie, aangevuld met vrolijke liedjes. (Williams, 2004:286) Bill Dover, een Disney animator, onthulde in een interview dat Walt zijn zinnen had gezet op het verhaal van Mowgli, omdat zowel de kleine jongen als de dieren uitstekend geschikt waren voor de merchandising. (Bryman, 1995:32)

De stemmen werden verzorgd door Phil Harris (Baloo), Louis Prima (King Louie), Sterling Holloway (Kaa), Bruce Reitherman (Mowgli), Chad Stuart (Flaps, gier), John Abbott (Akela), Darleen Carr (Shanti, het meisje), Digby Wolfe (Ziggy, gier), Sebastian Cabot (Bagheera), George Sanders (Shere Khan), J. Pat O'Malley (Colonel Hathi/Buzzie, gier), Clint Howard (Junior), Verna Felton (Winifred, gier), Lord Tim Hudson (Dizzy, gier), Ben Wright (Rama) en