De Jonge Turken in België (1897-1909). (Sofie Van Campenhout)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Algemene inleiding

 

Vanaf de negentiende eeuw overheerste het beeld van de “zieke man van Europa” de westerse visie op Zuid-Europa en het Midden-Oosten. Hiermee werd verwezen naar de afbrokkeling en onvermijdelijke ondergang van het Osmaanse rijk. Deze negatieve houding tegenover de Osmaanse moslims ontstond reeds in de middeleeuwen en werd toen ingegeven door angst voor de nieuwe Turkse heersers in het Oosten. Moslims en christenen leefden nochtans lange tijd vreedzaam naast elkaar in het rijk. In tegenstelling tot het ongenuanceerde beeld van het gros van de westerlingen in de westerse wereld, werden westerlingen in de moslimwereld vaak wel aangetrokken tot de bloeiende cultuur die zij er leerden kennen.

 

Aan het eind van de negentiende eeuw barstten problemen tussen moslims en christenen los onder invloed van het toenemende nationalisme en dit versterkte de West-Europese vooroordelen over de Turken. De visie werd vanaf dan ook niet langer ingegeven door angst, maar door minachting en spot. De sultans werden niet langer bewonderd en gevreesd als machtige leiders, maar bestempeld als achterlijke despoten. Begrippen als “de vreselijke Turk”, “de Bulgaarse moorden” en de “Armeense genocide” ontstonden allemaal aan het einde van de negentiende eeuw en getuigen van een enorme vooringenomenheid van de Europeanen. Elke nuance ontbrak en het beeld dat rond de eeuwwisseling in West-Europa over de Osmanen bestond was doorspekt met vooroordelen. Economisch voordeel en eigenbelang stonden centraal in de Europese contacten met het Osmaanse rijk.

 

De nationalistische strijd die vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw in het Osmaanse rijk geleverd werd, werd niet gezien als een politieke strijd tussen zich ontwikkelende naties. De Europeanen maakten voortdurend de tegenstelling tussen moslims en christenen en stelden het ontluikende nationalisme voor als een religieuze strijd. Op die manier deden de West-Europeanen afbreuk aan het eeuwenlange goedwerkende Osmaanse samenlevingssysteem waarbinnen christenen een ruime vrijheid genoten. Het Osmaanse rijk werd onder invloed van het imperialisme en het groeiend darwinisme voorgesteld als een tanende macht, een achterlijke absolutistische staat met en passieve, minderwaardige bevolking. De problemen waarmee het Osmaanse rijk te kampen had, werden echter door de Europese regeringen aangemoedigd. Na het verdrag van Wenen van 1815 was een machtsevenwicht ontstaan waarbij men liever een groot en zwak Osmaans rijk liet bestaan. Het rijk fungeerde als buffer tegen Rusland. Bovendien kon een aantal buitenlandse machten het rijk domineren en er economisch voordeel uithalen. Deze “Oosterse kwestie” paste dus in de koloniale politiek van de Europese grootmachten. Omwille van het traditionele beeld van de “gevaarlijke Turk” dat nog lange tijd bleef doorleven in de publieke opinie en omwille van politieke, imperialistische motieven bleven de Westerse overheden voorzichtig om hun bevooroordeelde houding tegenover de islamitische Osmanen bij te stellen.[1]

 

Het is zeer interessant om na te gaan of deze uiterst negatieve houding tegenover de Osmanen en in het bijzonder de Turkse Osmanen, ook bleef bestaan in tijden van verandering. In het midden van de negentiende eeuw werden de Tanzimathervormingen doorgevoerd. De sultan bleef echter zijn macht grotendeels behouden en Abdülhamid II, die het rijk van 1876 tot 1909 bestuurde, trok alle bevoegdheden opnieuw naar zich toe en regeerde tot 23 juli 1908 als een despoot.[2] De revoluties van 23 juli 1908 en 13 april 1909 hadden een grotere impact op de Osmaanse politieke geschiedenis. Eind april 1909 werd Abdülhamid II opzij geschoven en zijn opvolger Mehmet V Reşat diende rekening te houden met een parlement en een grondwet. De echte macht lag bovendien in handen van de Jonge Turken. De Jonge Turken regeerden vanaf 1909 via het ITC, een soort van eigen politieke partij, en voerden enkele belangrijke hervormingen door in het Osmaanse rijk. Het ITC werd vlak na WOI politiek uitgeschakeld, maar tijdens hun bewind (1909-1918) hadden de Jonge Turken niettemin de basis gelegd voor het moderne Turkije dat in 1923 de onafhankelijkheid verwierf. Die invloed is terug te vinden in de Turkse politieke partijen en zeker ook in de profilering van Turkije als verwesterde, Europees gerichte lekenstaat in het Midden-Oosten. De hervormingen van Mustafa Kemal na 1923 waren op dit vlak ontegensprekelijk het belangrijkste, maar de richting die reeds door de Jonge Turken werd ingeslagen mag niet in Kemals schaduw geplaatst worden. De band tussen het Osmaanse rijk of Turkije en West-Europa is bovendien opnieuw actueel door de kandidaatstelling van Turkije om toe te treden tot de Europese Unie.[3]

 

Daarnaast is de publieke opinie over de Jonge Turken zeer interessant omdat de revolutie die zij ontketenden in juli 1908 en de contrarevolutie die zij ongedaan maakten in april 1909, van internationaal belang waren. De macht van het sultanaat werd afgeroomd ten voordele van een liberaal regime. Bovendien nam het nationalisme in het rijk toe, ook in het kamp van de Jonge Turken. In deze verhandeling wordt nagegaan hoe de Belgische publieke opinie reageerde op deze nieuwe situatie in het Osmaanse rijk. Werden de Jonge Turken anders beoordeeld of werden ook zij ingepast in het traditionele denigrerende beeld over “de Turk”? Zij waren immers liberalen en tot op zekere hoogte ook seculier. Bovendien hadden zij het rijk onder het juk van Abdülhamid II vandaan gehaald. We gaan in ons onderzoek over de westerse beeldvorming over de Jonge Turken dus op zoek naar nuances in of bevestigingen van het traditionele beeld dat eeuwenlang de visie op het Osmaanse rijk domineerde.

 

Deze belangrijke periode van het verzet en de hervormingen onder de Jonge Turken werd gekozen als onderwerp van het onderzoek. De Osmaanse ballingen in West-Europa, veelal Jonge Turken, werden in tegenstelling tot vluchtelingen van andere “nationaliteiten” tot op heden nauwelijks bestudeerd. Voor België verschenen reeds werken over ondermeer de Italiaanse en Poolse nationalisten, Duitse liberalen, Russische opposanten, Armeniërs en vooral Fransen na de val van de commune.[4] Het gros van de werken over het Osmaanse rijk is daarentegen van de hand van Angelsaksische auteurs en bovendien wordt in het kader van deze studies zelden of nooit gepeild naar de publieke opinie over de Osmanen.

 

Nochtans voerden de Jonge Turken reeds vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw oppositie tegen het absolutisme van Abdülhamid II, zowel in het Osmaanse rijk als vanuit West-Europa. Vooral in het laatste decennium van de negentiende eeuw trokken vele Jonge Turken in “vrijwillige” ballingschap naar West-Europa, waar zij hun activiteiten tegen de sultan voortzetten. Dit leidde soms tot problemen met de westerse overheden. In Brussel werd de oppositie van de Jonge Turken het meest direct ervaren door de zaak Mechveret. Ahmed Riza, een belangrijke figuur in de beweging van de Jonge Turken, ruilde zijn vaderland voor Parijs en trok vanaf 1897 naar Brussel om er zijn oppositiekrant Mechveret uit te geven. De publicatie van de Turkse versie van deze krant werd in Frankrijk immers verboden. De publicatie van Mechveret te Brussel, lokte een schandaal uit: de Osmaanse overheid spoorde de Belgische regering aan tot censuurmaatregelen en deze kwestie werd breed uitgesmeerd in de Belgische pers. In de kamer ontstonden vurige debatten over de al dan niet wettige beslissingen van de Belgische overheid in deze zaak rond Ahmed Riza. De beweging van de Jonge Turken was dus zeker gekend in België!

 

In tegenstelling tot een aantal bestaande studies over de Jonge Turken, wordt in deze verhandeling uitgegaan van het Belgisch perspectief op het Osmaanse rijk. Deze studie van de Belgische beeldvorming over de Jonge Turken valt uiteen in twee luiken. Enerzijds worden de Osmanen en Jonge Turken op Belgische bodem, bekeken. Hoe liberaal en vrij was België tegenover Osmaanse migranten en waren er überhaupt Osmaanse immigranten in ons land? Zo ja, wie waren zij en wat deden ze hier? Daarbij worden de houdingen van de overheid en de publieke opinie met elkaar vergeleken. Anderzijds worden de Jonge Turken bestudeerd aan de hand van de publieke opinie over de revoluties van juli 1908 en april 1909. De Belgische blik blijft daarbij behouden, maar wordt opengetrokken naar het Osmaanse rijk. Hoe dacht men in België over de Osmanen en over de Jonge Turken in het bijzonder? Welke rol speelde de positie van de Osmaanse christenen en dan vooral van de Armeniërs in deze perceptie van de moslims en de etnische Turken in het rijk?

 

De tijdspanne die hiervoor gehanteerd wordt, strekt zich uit van 1897 tot 1909. De studie over Jonge Turken in België vangt aan in 1897, het jaar waarin de zaak Mechveret in Brussel tot een schandaal leidde. Centraal in het onderzoek over de Jonge Turken in het Osmaanse rijk staan de revoluties van 1908 en 1909. De revolutie van de Jonge Turken op 23 juli 1908 boog het absolutistisch bewind van Abdülhamid II (1876-1909) om tot een constitutioneel regime. In het voorjaar van 1909 moest Abdülhamid definitief plaatsruimen voor zijn broer Mehmet V Reşat. Onder sultan Mehmet V bouwden de Jonge Turken via hun politieke organisatie ITC hun macht uit en waren zij de facto de machthebbers in het Osmaanse rijk tot 1918 , toen het ITC door verlies in de Eerste Wereldoorlog in diskrediet kwam te staan. In het kader van deze studie wordt de periode na de contrarevolutie van 13 april 1909 echter buiten beschouwing gelaten. Het begin van de politieke macht van de Jonge Turken was immers het eindpunt van het verzet van de Jonge Turken. De meeste ballingen keerden reeds vlak na de revolutie van juli 1908 terug naar hun vaderland. Het verzet bleef echter deels bestaan tot Abdülhamid II op 27 april 1909 werd afgezet en de macht van de contrarevolutionairen gebroken werd.

 

In deze verhandeling wordt chronologisch gewerkt en daarbij kunnen drie grote hoofdstukken onderscheiden worden. In een eerste hoofdstuk wordt de algemene toestand in het Osmaanse rijk tijdens de Hamidiaanse periode (1876-1908) en het bewind van de Jonge Turken (1908-1918) geschetst. Hierbij wordt in ruime mate aandacht geschonken aan het ontstaan van de beweging van de Jonge Turken, de evolutie van hun ideeën en hun toenemende macht. Het Osmaanse rijk bestreek een zeer grote oppervlakte en omvatte een veelheid aan volkeren en religies. Het brokkelde in de bestudeerde periode echter verder af en in de westerse publieke opinie werd veel aandacht besteed werd aan deze “oosterse kwestie” zoals de langzame ondergang van het rijk genoemd werd. Binnen het kader van dit onderzoek konden onmogelijk alle provincies van het rijk bestudeerd worden, laat staan alle belangrijke gebeurtenissen tijdens het Hamidiaanse bewind en de periode van de Jonge Turken. Er werd gekozen om een aantal accenten te leggen die relevant zijn voor het verdere onderzoek vanuit een Belgische invalshoek. Geografisch wordt de studie beperkt tot Thessaloniki en Istanbul, respectievelijk de bakermat van de oppositie tegen Abdülhamid II en de hoofdstad en tevens belangrijk centrum voor de Jonge Turken. Ook de gebieden bewoond door Armeniërs in het oosten van Anatolië worden behandeld wegens de problemen in deze oostelijke provincies ten tijde van het verzet en het bewind van de Jonge Turken. Gebeurtenissen in andere gebieden worden buiten beschouwing gelaten.

 

In een tweede hoofdstuk wordt een aantal specifieke gebeurtenissen nader toelicht. Hierin wordt gekeken naar de activiteiten van de Hamidiaanse oppositie in België. Vooral de Jonge Turken, maar ook enkele andere liberale Osmaanse groeperingen die banden hadden met de takken van de Jonge Turken in West-Europa komen aan bod. De actie van deze ballingen in België wordt bestudeerd aan de hand van drie aandachtspunten. Een eerste punt is de casestudy over de Jonge Turk Ahmed Riza die in Brussel zijn krant Mechveret publiceerde. Deze krant was een doorn in het oog van de Osmaanse overheid waardoor Riza in 1897 in aanraking kwam met de Belgische vreemdelingenpolitie. De publicatie van Mechveret werd verboden en Ahmed Riza diende kort daarop het land te verlaten omdat hij de Belgische regering in diplomatieke moeilijkheden gebracht had. Deze kwestie veroorzaakte heel wat commotie en werd besproken in de Belgische Kamer en in de pers. Aanhangers van verschillende politieke strekkingen namen het in deze discussies tegen elkaar op. Aan de hand van deze casestudy wordt nagegaan hoe tolerant de Belgische overheid was tegenover Osmaanse ballingen. Met archiefstukken van de vreemdelingenpolitie worden het verblijf en de problemen van Ahmed Riza in Brussel uitgewerkt. Daarnaast wordt een aantal nummers van Mechveret, Riza’s krant, geanalyseerd. In het kader van de discussies in de pers en het parlement wordt tevens de wettelijke toestand in verband met vreemdelingen aan het eind van de negentiende eeuw toegelicht. Dit is geen volledige bespreking van de wetten met betrekking tot vreemdelingen. Het was slechts de bedoeling de situatie waarin deze specifieke vreemdeling zich bevond te verduidelijken. Dit alles werd samengesmolten tot een afgeronde casestudy en enkele belangrijke of moeilijke juridische begrippen werden opgenomen in een woordenlijst achteraan.

 

In een tweede paragraaf wordt een andere diplomatieke onenigheid bestudeerd. Het betreft een boek over het Osmaanse rijk van de hand van Charles Hecqaerd dat in 1900 verscheen. Deze zaak werpt tevens een zicht op wat er in België verscheen, of mocht verschijnen,  over het Osmaanse rijk en in welke mate de Belgische overheid haar censuurmaatregelen kon inbedden in een wettelijk kader. In een eerste stap wordt de correspondentie tussen de Osmaanse en de Belgische overheden en vooral tussen de ministeries van Justitie en Buitenlandse Zaken besproken. Vervolgens wordt nagegaan waarom dit boek van Hecqaerd tot een dergelijk probleem leidde. De inhoud van het werk wordt bestudeerd en er wordt nagegaan of er eventueel stukken uit het oorspronkelijke werk geschrapt werden door de uitgaven van 1900 en 1901 met elkaar te vergelijken. Bij deze analyse worden eveneens enkele Zwitserse krantenartikels, bewaard in het archiefdossier over deze zaak, gebruikt om de gevolgen van de publicatie van dit boek te schetsen.

 

Het tweede hoofdstuk bevat tot slot nog een persstudie over de Europese congressen van de liberale Osmanen en Armeniërs. De congressen van de liberale Osmanen, een verzameling van de belangrijkste oppositiebewegingen tegen Abdülhamid II, vonden plaats te Parijs in februari 1902 en december 1907. De verdedigers van de Armeniërs verenigden zich op een congres dat plaatsvond te Brussel in juli 1902. Deze congressen worden aan de hand van enkele Belgische kranten onderzocht. De belangrijkste verschillen tussen de twee Parijse congressen en het Brusselse congres worden aangeduid. Aan de hand van deze verschillen wordt getracht te verklaren waarom geen enkele krant over de bijeenkomsten in Parijs berichtte. Daarop volgt een analyse van de berichtgeving over het Armeense congres in de Belgische pers.

 

Het derde hoofdstuk gaat dieper in op de doorbraak van de Jonge Turken in het Osmaanse rijk zelf. Het is een persstudie over het Osmaanse rijk en haar inwoners aan de hand van enkele Belgische kranten. Daarbij worden de revolutie van de Jonge Turken van 23 juli 1908 en de contrarevolutie van 13 april 1909 bestudeerd. De opstand van 1908 maakte een einde aan het absolutistisch regime van Abdülhamid II die vanaf dan binnen het constitutionele kader moest regeren. In april 1909 brak een contrarevolutie uit, die mislukte en leidde tot de afzetting van sultan Abdülhamid II. Vanaf dan hadden de Jonge Turken de touwtjes stevig in handen. Aan de hand van deze twee machtswissels wordt getracht een algemeen beeld te schetsen van de publieke opinie over de Jonge Turken. De revoluties waren immers van internationaal belang en kregen voldoende aandacht in de Belgische pers. Er wordt nagegaan welke visies op de Jonge Turken bestonden en of deze houding verschilde naargelang de politieke kleur van de krant. Er wordt tevens aandacht besteed aan de evolutie van dit beeld in de tijd. Er wordt gezocht naar veranderingen in het traditionele negatieve beeld over de Osmanen en naar verklaringen waarom men bleef vasthouden aan dit oude beeld of waarom men het net de rug toekeerde en de Jonge Turken steunde.

 

Hierbij werd gebruik gemaakt van een verscheiden bronnenmateriaal bestaande uit archiefdocumenten, kranten, parlementaire debatten en boeken. Zeer belangrijk waren de archieven van het Ministerie van Buitenlandse zaken. Centraal in het onderzoek en vooral in het tweede hoofdstuk staat enerzijds de politieke correspondentie tussen de ministers van Justitie en Buitenlandse Zaken. Een aantal dossiers uit het “Classement B: Réfugiés” van het archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken werd dan ook doorgenomen. Anderzijds werden enkele microfilms over de diplomatieke betrekkingen tussen België en het Osmaanse rijk bekeken. Enkel de dossiers 73 en 91 uit het Classement B werden gebruikt voor dit onderzoek. In het dossier 91 werd het zeer uitvoerig besproken persdelict in verband met de Jonge Turk Ahmed Riza en zijn krant Mechveret teruggevonden. Het dossier bestaat vooral uit correspondentie tussen de ministeries van Buitenlandse Zaken en Justitie en krantenknipsels uit een aantal Belgische en Zwitserse kranten over de problemen in verband met Riza. Dit alles diende als basis voor deze casestudy over de zaak Mechveret. Het dossier 73 bevat een verscheidenheid aan informatie over politieke vluchtelingen van allerlei nationaliteiten en persdelicten. Daaruit werden de gegevens in verband met het Osmaanse rijk benut. Ook de censuurkwestie in verband met het boek van Charles Hecqaerd werd voornamelijk gebaseerd op deze documenten, waarbij vooral de correspondentie tussen Justitie en Buitenlandse Zaken een belangrijke plaats innam.

Een tweede archief, namelijk dat van de vreemdelingenpolitie bewaard in het Algemeen Rijksarchief, stelde teleur. Een aantal nummers van de Algemene dossiers van de vreemdelingenpolitie werden doorgenomen in de hoop persknipsels, procesverbalen of andere nuttige informatie over Osmanen terug te vinden. Het betreft de nummers 225, 226, 239, 292, 298, 293, 302, 304 en 305 over immigranten en de nummers 311, 312, 314, 315, 316, 318, 320, 324, 326 over tellingen van vreemdelingen. Hierin werd echter niets gevonden dat van enig nut kon zijn in deze studie, zelfs niet in het nummer 304 over “Turkije”. Dit dossier bevat vooral richtlijnen in verband met de diplomatieke contacten met het Osmaanse rijk. Er wordt bijvoorbeeld in vermeld met welke Osmaanse ambtenaren men diende te corresponderen om deze of gene informatie te verkrijgen. De individuele dossiers van de vreemdelingenpolitie werden niet ingekeken. Deze dossiers worden pas toegankelijk na honderd jaar en wij beschikten bovendien enkel over de naam van Ahmed Riza om op zoek te gaan in deze individuele dossiers. Het personeel van het Algemeen Rijksarchief verzekerde ons dat het dossier van de door ons bestudeerde Ahmed Riza niet bewaard bleef.

 

Kranten vormen een tweede belangrijke bron voor deze studie. Zij worden gebruikt in de persstudies over Ahmed Riza en de Osmaanse en Armeense congressen in het tweede hoofdstuk, en – uiteraard – in het personderzoek in hoofdstuk drie. Voor de persstudies over de congressen in Europa in en over de revoluties werd geopteerd voor de volgende drie kranten: Le Peuple, L’Etoile Belge en Le Journal de Bruxelles: respectievelijk een socialistisch oppositieblad, een liberale oppositiekrant en een katholiek blad dat de katholieke regering steunde. Op die manier kan de houding van de drie belangrijkste politieke strekkingen in België tegenover de Jonge Turken achterhaald worden.

 

Een aantal jaargangen van de drie kranten werd doorgenomen om te zien in welke mate de Belgische pers geïnteresseerd was in het Osmaanse rijk en welke gebeurtenissen het interessantst waren om de publieke opinie te bestuderen. De jaren 1895-1896 werden bijvoorbeeld snel doorzocht op zoek naar de toenmalige beeldvorming over de terroristische acties door en tegen de Armeniërs. De informatie was echter vrij schaars en neutraal. De kranten van de jaren 1905 en 1907 berichtten frequent over de problemen in Kreta en Macedonië al bleven de artikels vaak beperkt tot een aantal regels en bijvoorbeeld de melding van een aantal doden bij een botsing tussen de strijdende partijen. In het najaar van 1908 brachten de drie kranten uitvoerig verslag uit over de onafhankelijkheid van Bulgarije en de annexatie van Bosnië-Herzegovina door Oostenrijk-Hongarije. De berichtgeving over deze gebeurtenissen was ofwel erg kort en droog ofwel hield ze onvoldoende verband met de Jonge Turken.

 

Er werd dan ook gekozen voor de twee revoluties die aan het begin van de twintigste eeuw het Osmaanse rijk teisterden: de revolutie van 23 juli 1908 die de Jonge Turken met behulp van het leger ontketenden en de contrarevolutie van 13 april 1909 waarbij getracht werd de Jonge Turken opnieuw opzij te schuiven. Over de Jonge Turken zelf werden immers geen berichten gevonden tot het in het begin van de zomer van 1908 duidelijk werd dat hun verzet zou ontaarden in een ware revolutie. Via deze opstanden werd de Belgische pers geconfronteerd met de acties van de Jonge Turken, die in 1908 de rebellen waren en in 1909 zelf door opstandelingen onder vuur genomen werden. Om het beeld over de Osmanen op West-Europese bodem aan te vullen, werden de Osmaanse en Armeense congressen van 1902 en 1907 verkozen boven andere gebeurtenissen.

 

Omwille van het grote aantal artikels werden deze gebeurtenissen verder afgebakend zodat slechts een aantal maanden van de drie kranten van naderbij werd bestudeerd. De Osmaanse en Armeense congressen vonden plaats tussen 4 en 9 februari 1902, 17 en 18 juli 1902 en 27 en 29 december 1907. Voor de Osmaanse congressen werd de maand januari 1902 volledig doorgenomen, februari van de 1ste tot de 25ste en december van de 20ste tot de 31ste. De eerste tien dagen van januari 1908 werden eveneens doorgebladerd. Voor het Armeense congres in 1902 werd de volledige maand juli doorgenomen. Steeds werd nagegaan of er artikels verschenen waarin de congressen werden aangekondigd, vandaar dat ook steeds een aantal weken of dagen voor de bijeenkomsten wordt behandeld. Na de data waarop de congressen hadden plaatsgevonden, werden telkens nog ongeveer twee weken gelezen. Er werd van uitgegaan dat indien niet binnen deze vrij ruime periode bericht werd over deze feiten, de kans zeer klein was dat er nog een verslag zou volgen.

 

Voor 1908 werd aanvankelijk gedacht aan de maanden juli en augustus om het effect van de naweeën van de revolutie van 23 juli op de houding tegenover de Jonge Turken te bestuderen. Er werd eveneens overwogen om de organisatie van de verkiezingen eind 1908 te behandelen. Dit waren echter getrapte verkiezingen die plaatsvonden in oktober, november en december 1908. De berichtgeving over de verkiezingen was vaak kort en droog, waardoor het ook minder interessant was om dit onderwerp te behandelen. Daarom werd een beperktere periode gekozen waarin artikels verschenen die zich beter leenden tot het maken van een studie over de publieke opinie. Hetzelfde geldt voor het jaar 1909. De berichten zijn kort en droog en enkel tijdens de revolutiemaand april 1909 verschenen lange artikels waarin de eigen visie van de krant vervat zat. In juli 1908 werd een periode van ongeveer veertien dagen rondom de revolutie doorgenomen. De maand april 1909 werd bijna helemaal gelezen. Meer uitleg over deze kranten zelf wordt in de inleiding van het derde hoofdstuk meegegeven. Daar wordt tevens ten volle verantwoord waarom in het kader van deze persstudie slechts een beperkt aantal gebeurtenissen bekeken wordt.

 

In de persstudie over Ahmed Riza werden dezelfde oppositiebladen gebruikt: Le Peuple en L’Etoile Belge. In het kader van de casestudy werd Le Journal de Bruxelles als katholiek blad echter vervangen door een ultramontaanse krant: Le Bien Public. Omdat Le Journal de Bruxelles als regeringskrant sowieso de regering steunde in de zaak Mechveret, leek het ons interessanter om te onderzoeken of een erg conservatieve katholieke krant ook kritisch stond tegenover de regering. De drie kranten vertegenwoordigden op die manier het meest progressieve (Le Peuple), een iets gematigder (L’Etoile Belge) en het meest conservatieve segment (Le Bien Public) van de publieke opinie. De zaak Riza strekte zich uit van oktober 1897 tot februari 1898. Van elke krant werden bijgevolg de maanden oktober, november en december 1897 en januari en februari 1898 volledig doorgenomen. Tevens werden enkele persknipsels die bewaard bleven in de archiefdossiers van het Ministerie van Buitenlandse Zaken benut in deze persstudie.

 

In het kader van de casestudy over Ahmed Riza werd tevens een aantal exemplaren van de krant Mechveret zelf doorgenomen. Het betreft de Franstalige exemplaren die in Parijs verschenen en niet de Turkse exemplaren die in Brussel verschenen. Het is hierbij niet de bedoeling om een volledig beeld van Mechveret te schetsen, wat overigens niet ten volle kan gebeuren zonder kennis van het Turks en de Arabische karakters waarin de kranten werden gedrukt. Er wordt eerder naar gestreefd een beeld op te hangen van de mate van extremisme van deze krant via een analyse van enkele bewaarde nummers uit de periode dat Ahmed Riza in Brussel publiceerde. Op die manier kan een eigen visie op Mechveret vergeleken worden met de meningen die er in de jaren 1897-1898 over bestonden, zodat we niet afhankelijk zijn van het beeld dat toen over deze krant werd opgehangen.

 

Voor de casestudy over Ahmed Riza werd nog een derde type van bronnen aangeboord. Het betreft de parlementaire debatten waarin deze zaak ter sprake kwam, namelijk de verslagen van de kamerzittingen van 16, 17 en 18 november 1897 en 9 februari 1898. Daarnaast fungeerden ook een aantal boeken als bronnen. Vooral het boek L’empire Ottoman: la Turquie sous Abdul-Hamid II: exposé fidèle de la gérance d’un empire pendant un quart de siècle (31 août 1876-1er septembre 1900) van Charles Hecqaerd dient hier vermeldt te worden. Het wordt uitgewerkt als voorbeeld van een censuurkwestie in het tweede hoofdstuk.

 

Het Osmaanse rijk werd ingedeeld in een Europees deel, Rumeli en een Aziatisch deel, Anadolu of Anatolië. Deze twee regio’s of beylerbeyliks werden onderverdeeld in geografische entiteiten tot op het lokale niveau. De vilayets of provincies vormden het tweede niveau, vlak onder de beylerbeylik. Enkele voorbeelden zijn Kosovo, Monastir, Selanik, Hüdavendigar en Edirne.[5] In de geraadpleegde bronnen viel het gebruik van Latijnse, Osmaanse of verouderde benamingen voor plaatsen in het Osmaanse rijk op. Men sprak consequent over Constantinople, Adrianople, Salonique en dergelijke. Bovendien veranderden ook enkele plaatsen van naam omdat zij inmiddels deel geworden zijn van een andere staat. De Osmaanse provincie Selanik met centrum Salonica bijvoorbeeld werd opgedeeld in een Griekse provincie Macedonië met de belangrijke havenstad Thessaloniki en een Macedonisch deel. Zelfs de moderne Turkse provincies in Anatolië en de benamingen ervan komen niet noodzakelijk overeen met de Osmaanse vilayets.[6]

 

In de literatuur over het Osmaanse rijk is men zich bewust van dit probleem en Donald Quataert bijvoorbeeld stelt het volgende: “The issue of place names is a thorny one. To call places as they were in the past can cause confusion for modern readers … To use these past names would be historically accurate but overly confusing for a textbook.”[7] In vele werken wordt gekozen voor de moderne benamingen om de leesbaarheid te vergroten. Ook in deze verhandeling worden de plaatsnamen omgezet naar de hedendaagse Nederlandse benamingen, bijvoorbeeld: Istanbul (Constantinopel), Edirne (Adrianopel), Thessaloniki (Salonica/Selanik), Yeşilkoy (San Stefano). De belangrijkste Osmaanse of verouderde westerse plaatsnamen worden met hun moderne equivalent opgenomen in een woordenlijst in bijlage. “San Stefano” wordt echter wel voor de duidelijkheid behouden als benaming in “het verdrag van San Stefano” omdat deze benaming, en niet het moderne Yeşilköy, gebruikt wordt in de internationale literatuur.

 

Een vergelijkbaar probleem is te situeren op het vlak van de persoonsnamen. Ten eerste omdat de namen in Osmaanse documenten in het Arabisch werden opgetekend, wat kan leiden tot verschillende Latijnse varianten. In de Westerse bronnen of literatuur wisselden de benamingen zoals bijvoorbeeld Ahmed Riza of Ahmet Riza, Abdülhamid II of Abdul-Hamid II, Mehmet Şevket Paşa of Mahmud Shevket Pasha. Daarnaast gebruiken sommige auteurs geen Turkse karakters, wat ook het geval is voor de Belgische bronnen. Zij schrijven bijvoorbeeld Pasha en niet Paşa. In dit onderzoek werd gekozen voor de laatste variant. Bovendien werden de Turken pas vanaf 21 juni 1934 bij wet verplicht een familienaam aan te nemen. Een duidelijk voorbeeld is de bijnaam “Atatürk” voor Mustafa Kemal. In de periode 1897-1909 was dit dus nog niet het geval. Dit heeft enkel gevolgen voor de namen die opgenomen werden in de verklarende woordenlijst in bijlage. De persoonsnamen staan gerangschikt op de voornaam, zoals ook in de geraadpleegde literatuur over het Osmaanse rijk het geval was. Deze woordenlijst verduidelijkt een aantal belangrijke begrippen en namen van belangrijke figuren in verband met de Jonge Turken en het Osmaanse rijk. De juridische begrippen die in het tweede hoofdstuk gebruikt worden, worden opgenomen in een afzonderlijke bijlage. Zo wordt vermeden dat het overzicht over de gelijkende en complexe juridische begrippen niet verloren gaat in een algemene alfabetische lijst.[8]

 

Ook de Osmaanse oppositiebewegingen en andere organisaties waarvan de naam werd afgekort, werden opgenomen in de woordenlijst achteraan. In het corpus werd steeds de Turkse afkorting gebruikt. In de woordenlijst kan de volledige Turkse benaming en de Nederlandse vertaling ervan teruggevonden worden. In de literatuur en de bronnen werden steeds afkortingen in de eigen taal gebruikt, nooit de Turkse. Voor de beweging van de Jonge Turken bijvoorbeeld leidde dat tot “CUP”, de afkorting van “Committee of Union and Progress” of “Comité de l’Union et Progrès”. Wij verkozen echter de Turkse benaming af te korten boven het gebruik van een eigen Nederlandse benaming en afkorting.

 

De termen “Turk(s)” en “Osmaan(s)” verdienen eveneens een woordje uitleg. In deze verhandeling wordt steeds verwezen naar het “Osmaanse rijk” en de inwoners van dat rijk waren de “Osmanen”, de Osmaanse burgers. De internationale literatuur werd op dit vlak gevolgd. Indien nodig wordt wel gebruik gemaakt van de etnische groep waartoe deze Osmanen behoorden, bijvoorbeeld in het kader van de strijd tussen Armeniërs, Turken en Koerden, allemaal Osmaanse burgers. In de bronnen daarentegen werd steeds gesproken over “La Turquie” en “Turcs”. Deze benamingen werden niet door de Osmanen zelf gebruikt. Het was in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw de gewoonte in heel West-Europa om met deze termen naar de Osmanen te verwijzen. Bovendien had men het dan niet over alle Osmanen. Met “Turken” werden veelal alle moslims in het rijk, ongeacht hun etnische afkomst bedoeld. De christenen werden meestal aangeduid met hun nationaliteit of nationaliteit in wording, vooral de volkeren op de Balkan. De term “Turk” had ook een negatieve connotatie. De term werd in het Osmaanse rijk immers enkel gebruikt om te verwijzen naar de arme boeren in Anatolië. Zelf noemden de Osmaanse burgers zich “Osmanli”, Osmanen. De term “Turk” evolueerde wel vanaf het einde van de negentiende eeuw en kreeg in het rijk zelf een positievere betekenis. Dit hing samen met het groeiende Turkse nationalisme. Ook in Europa ging men de term steeds meer gebruiken voor de etnische Turken in het rijk, de Turkse natie en niet meer om alle Osmaanse moslims mee te omschrijven. Indien in de bronnen wel “ottoman” geschreven werd, dan was dit een synoniem voor “Turks”. Vaak dient men rekening te houden met de periode waarin iets geschreven werd en de context om te achterhalen welke politieke, religieuze of etnische groepen men precies bedoelde.[9]

 

 

Hoofdstuk 1: Abdülhamid II en de Jonge Turken: het Osmaanse rijk tussen 1876 en 1914

 

In dit hoofdstuk wordt de algemene toestand in het Osmaanse rijk tijdens de Hamidiaanse periode (1876-1909) en het bewind van de Jonge Turken (1909-1918) geschetst. De klemtoon ligt daarbij op de politieke situatie in het rijk. De eerste paragraaf biedt een schets van het Osmaanse rijk in de negentiende eeuw. Enkele belangrijke onderdelen van het Osmaanse maatschappelijke systeem zoals de millets en de Tanzimat worden nader verklaard. Vervolgens worden het opkomende nationalisme bij christenen en moslims, de problemen in het Osmaanse rijk onder Abdülhamid II en de imperialistische neigingen van de grootmachten behandeld.

 

In een derde en vierde paragraaf wordt in ruime mate aandacht geschonken aan het ontstaan van de beweging van de Jonge Turken, de evolutie van hun ideeën en hun toenemende macht. Deze beide paragrafen behandelen respectievelijk de ontwikkeling van deze oppositiebeweging in Europa en in het Osmaanse rijk. Daarbij wordt de machtsovername door de Jonge Turken na 1909 uitgewerkt. Tenslotte wordt in een vijfde paragraaf de Armeense kwestie besproken wegens haar belang in de Osmaanse politiek van deze periode.

 

 

1. De Osmaanse maatschappij en de hervormingen in de negentiende eeuw

 

Tot op het moment dat het nationalisme ruime aanhang vond, regelde het milletsysteem het maatschappelijke leven in het Osmaanse rijk. Deze organisatie maakte het samenleven van de verschillende etnieën en godsdiensten in het rijk mogelijk. Een millet was een godsdienstige gemeenschap onder leiding van de hoogste religieuze leider. Binnen elke millet leefden dus mensen van verschillende etnieën voor zover zij wel eenzelfde godsdienst beleden. De millets werden van elkaar onderscheiden op basis van doctrinaire verschillen in hun godsdienst en op die manier bestonden er naast de moslimgemeenschap eeuwenlang drie millets in het multi-nationale Osmaanse rijk. Dat waren de orthodoxe christenen onder leiding van de Patriarch van Istanbul (Rum milleti), de Armeense christenen onder leiding van de Katholicos (Ermeni milleti) en de joden geleid door de opperrabbijn van Istanbul (Yahudi milleti). De Rum milleti omvatte Grieken, Serven, Bulgaren en alle andere orthodoxe christenen in het rijk. De Armeniërs kregen een afzonderlijke millet omdat zij een andere doctrinaire leer aanhingen en niet omdat zij een ander volk waren. De millets waren evenmin territoriaal afgelijnd. Hun bevoegdheden strekten zich uit over een bepaald ambtsgebied, maar deze gebieden overlapten elkaar vaak. In Istanbul woonden leden van alle millets door elkaar.

 

Dit systeem droeg bij tot de bestuurbaarheid van het rijk en elke millet kreeg belangrijke bevoegdheden toegewezen. Eigen wetgeving en rechtspraak vormden een eerste recht van de leider van een millet. Enkel criminele zaken en geschillen waarbij een moslim betrokken was, dienden voor de islamitische rechtbanken te komen. Daarnaast beheerde elke millet de eigen financiën met een eigen belastingsysteem, ze hadden eigen scholen en waren bevoegd voor doctrinaire geschillen zonder enige tussenkomst van de sultan. Zolang de millets gehoorzaam bleven, behielden zij hun verregaande autonomie. Een ver doorgedreven pluralisme zoals het vanuit een hedendaags standpunt kan lijken, was dit echter niet. Het Osmaanse rijk was een moslimstaat en de niet-moslims waren bijgevolg tweederangsburgers. Ze werden ondermeer uitgesloten van hogere ambten en dienden meer belastingen te betalen.

 

Hierin zou verandering komen vanaf de tijd van de Tanzimat die bijdroeg tot de aftakeling van het millet-systeem. In 1839 brak met de afkondiging van Plechtige Verklaring van Gülhane de periode aan van de Tanzimat aan, voluit tanzimatçilar of ‘diegenen die alles op orde stellen’. De hervormers waren een beperkt aantal bureaucraten. Belangrijk waren de grootviziers Mustafa Reşit Paşa onder sultan Abdülmecid I, en Fuat Paşa en Ali Paşa onder sultan Abdülaziz. Deze Osmaanse leiders beseften pas laat dat het rijk nood had aan hervormingen. Het kon de krachtmeting met het Westen niet meer aan en het militair-feodale systeem en de autonomie van de millets waren uitgegroeid tot een grote last. De belangrijkste verwezenlijking van de hervormers was de creatie van een Osmaans staatsburgerschap (Osmanlılık). Alle Osmanen zouden gelijk zijn ongeacht hun religie of etnische afkomst. Dit impliceerde een secularisering en een grotere rol van de Osmaanse staat. Bijgevolg werden vele bevoegdheden van de millets overgenomen door het centrale bestuur. Volledig verdwijnen deden de religieuze gemeenschappen echter niet.

 

Een tweede aantasting van het systeem vloeide voort uit het groeiende nationalisme. Dit kwam het eerst tot uiting in de Osmaanse gebieden in de Balkan. Verschillende volkeren gingen hun millet niet langer beschouwen als een religieuze gemeenschap, maar als een etnisch-nationale gemeenschap die recht had op een eigen natiestaat. Kenmerkend was de Bulgaarse strijd die in 1870 uitmondde in de stichting van een Bulgaars Exarchaat, een eigen Bulgaarse millet, door de sultan. Vermits er geen religieuze verschillen bestonden tussen de Bulgaarse en de orthodoxe Kerk, werd deze nieuwe millet toegekend op basis van etnische verschillen. Later werden nog dergelijke ‘nationale kerken’ opgericht voor de Serven, Roemenen, Albanezen, Walachen, Syriërs en Chaldezen. Meer en meer ging het om een vermomde eis naar politieke onafhankelijkheid die leidde tot de ondergang van het multi-nationale Osmaanse rijk.[10]

 

De Tanzimat creëerde tevens een klimaat voor politieke oppositie. Na de dood van de hervormer Ali Paşa in 1871 trok sultan Abdülaziz (1861-1875) de macht naar zich toe. Hij wisselde vaak de grootviziers en plaatste eigen figuren op sleutelposities. Er werden nog slechts beperkt en traag hervormingen doorgevoerd. De belangrijkste oorzaak van deze rem op de vernieuwing was vooral het geldgebrek van het rijk. Door leningen in Europa om ondermeer het leger te hervormen raakten de schulden opgestapeld.

 

Dit noopte de Osmaanse bureaucratie tot meer drastische hervormingen. Om het rijk te redden zette men stappen in de richting van democratie. De verdere ontwikkelingen werden echter gedragen door een nieuwe generatie intelligentsia en niet door de oude bureaucratie. In 1865 werd tijdens een geheime samenkomst van de hervormers in Istanbul de vereniging van de Jonge Osmanen opgericht. Zij voerden oppositie tegen grootvizier Ali Paşa en vanaf 1871 tegen het autocratisch beleid van sultan Abdülaziz waarbij ze meer en snellere hervormingen nastreefden. Een deel van hun aanhangers was tegen de tendens tot secularisatie die met de Tanzimat was ingezet. Deze Jonge Osmanen waren politieke filosofen en bureaucraten onder leiding van Midhat Paşa die de ideeën van Osmaans nationalisme van bovenaf oplegden. Het Osmaans nationalisme leefde dus niet bij het gewone volk dat enkel belang hechtte aan de eigen gemeenschap. Bovendien werd de religieuze gemeenschap of millet geleidelijk vervangen door het belang van de etnie en dus de opkomst van een etnisch nationalisme. De Jonge Osmanen verspreidden aanvankelijk kranten in Istanbul, na censuur gebeurde dit vanuit Europa via onafhankelijke postkantoren. Eenzelfde tactiek om oppositie te voeren werd later onder sultan Abdülhamid II door de Jonge Turken gebruikt.[11]

 

In 1876 werd sultan Abdülaziz afgezet door een groep machtige ambtenaren en officieren in Istanbul die een einde wilden maken aan zijn decadentie en inefficiënt beleid. Zijn opvolger Murat V werd al snel vervangen omwille van zijn paranoia en drankmisbruik. Doordat Abdülaziz tijdens het sultanaat van deze Murat overigens in zeer duistere omstandigheden zelfmoord pleegde, kon Abdülhamid II (1876-1909) eind augustus 1876 de Osmaanse troon bestijgen.[12] Als gevolg van deze machtswissel keerden de Jonge Osmanen terug uit hun ballingschap en werkten zij met Midhat Paşa, die op 19 december 1876 voor een tweede maal tot grootvizier was verkozen, aan een constitutie. De eerste Osmaanse grondwet werd afgekondigd op 23 december 1876. Dit leidde tot de samenroeping van het eerste Osmaanse parlement op 19 maart 1877.

 

De parlementsleden werden niet rechtstreeks door het volk verkozen en de Europese, christelijke provincies van het rijk waren sterk oververtegenwoordigd. Op die manier trachtte de Osmaanse overheid de Europese grootmachten te overtuigen van de kracht van de vernieuwingen. Als gevolg van de oorlog met Rusland in 1877 en 1878, leverde het parlement echter al snel kritiek op het beleid van de regering. Armeense en Griekse afgevaardigden zetten daarenboven hun volksgenoten aan niet langer te dienen in het Osmaanse leger. Op 14 februari 1878 maakte Abdülhamid II dan ook gebruik van zijn bijzondere machten vervat in de grondwet om het parlement uit te schakelen. Vanaf dit moment tot iets voor zijn val in 1909 regeerde Abdülhamid absoluut en onderdrukte hij elke vorm van oppositie wat hem vooral in de West-Europese publieke opinie de bijnaam ‘Rode Sultan’ opleverde.[13]

 

 

2. Imperialisme en nationalisme in het Osmaanse rijk

 

In de achttiende en negentiende eeuw viel het Osmaanse rijk ten prooi aan een proces van desintegratie. Er braken geregeld oorlogen uit met de Europese grootmachten en in het bijzonder met Rusland dat gebruik maakte van de interne verzwakking van het Osmaanse rijk om zijn invloedssfeer uit te breiden. Vooral na de Russisch-Osmaanse oorlog van 1877-1878 zat het Osmaanse rijk economisch en financieel aan de grond. In de daaropvolgende jaren groeide bovendien het interne verzet door de opkomst van het nationalisme. Dit leidde tot verbrokkeling van het rijk en de creatie van het moderne Turkije.

 

Het verdrag van Berlijn van 13 juli 1878 dat volgde op de oorlog met Rusland leidde tot een enorm gebiedsverlies voor het Osmaanse rijk. In de Balkan werd een onafhankelijk koninkrijk Bulgarije erkend naast een deels autonome provincie Oost-Roemelië, die overigens in 1885 in een personele unie verenigd werden. Het verdrag bracht tevens onafhankelijkheid voor Servië, Montenegro en Roemenië. Bosnië-Herzegovina werd een Oostenrijks protectoraat en in 1908 volledig geannexeerd door de Oostenrijkers. In het noordoosten werden gebieden prijsgegeven aan de Russen. Het rijk speelde twee vijfde van zijn grondgebied kwijt en was zwakker dan ooit tevoren. Europeanen kwamen overigens steeds meer tussen in interne Osmaanse aangelegenheden met als doel of excuus de minderheden in het rijk te helpen.[14]

 

Ook in Noord-Afrika brokkelde het rijk af. In 1881 veroverden de Fransen Tunesië en het jaar daarop palmden de Britten Egypte in. In tegenstelling tot de verliezen in de Balkan illustreerden deze veroveringen van de West-Europeanen in Noord-Afrika de onmacht van de Osmanen om zelfs vrijwel homogene moslimgebieden onder controle te houden. In 1911, tijdens de aanloop naar de Balkanoorlogen maakten de Italianen zich daarenboven meester van de provincie Tripoli.[15]

 

In het begin van de regeerperiode van Abdülhamid II ging dus veel gebied verloren. Toch voerde hij zelf bijna geen oorlogen omdat hij aanvoelde dat zijn rijk te zwak was om die te kunnen winnen. Die iets rustiger fase in de Osmaans-Europese betrekkingen vanaf de jaren 1880 had te maken met het machtsevenwicht in Europa op dat moment. Wanneer de  grootmachten het rijk wel steunden deden ze dit omdat ze wilden vermijden dat de ondergang van het Osmaanse rijk het machtsevenwicht zou verleggen ten voordele van de Russische tsaar. Bovendien speelden ook economische privileges een belangrijke rol in deze politiek en bouwde Abdülhamid II aan een goede diplomatie. De Armeense opstanden in de jaren 1890 hebben bijvoorbeeld niet geleid tot een oorlog met Rusland of Groot-Brittannië dankzij deze onderhandelingspolitiek van de Osmaanse sultan. Vanaf 1907 bleef enkel Duitsland over als een eventuele bondgenoot.[16]

 

Abdülhamids grootste probleem was niet de Armeense kwestie die nooit tot een Europese tussenkomst leidde, maar wel het Macedonische separatisme in het begin van de twintigste eeuw. De problemen in deze regio werden niet opgelost met de vrede van Berlijn en uit deze Macedonische verzetshaard groeide een enorme oppositiekracht die er in 1909 in slaagde Abdülhamid II van de troon stoten. Omwille van de strategische ligging van Macedonië in de Balkan maakten Servië, Bulgarije, Griekenland en Roemenië aanspraak op dit stuk van het Osmaanse rijk. Dit leidde in de eerste jaren van de twintigste eeuw tot een guerrillaopstand in Macedonië waarbij vanaf 1900 Bulgaarse en Griekse terroristen elkaar, de Osmanen en de lokale bevolking bestreden. Onder invloed van dit getouwtrek tussen de buurlanden, ontwikkelde zich een Macedonische separatistische beweging die streed voor onafhankelijkheid. Bovendien zetten de Macedonische moslims zich af tegen de dominantie van de christenen in het bestuur. Om een einde te maken aan deze onhoudbare toestand vertrokken in 1905 Europese hervormers naar het gebied. Zij voerden vooral enkele financiële aanpassingen door, maar het conflict in Macedonië bleef aanslepen tot aan de Eerste Wereldoorlog.[17]

 

In de negentiende eeuw namen de contacten met Europa niet enkel toe op het vlak van de internationale politiek. Op cultureel en intellectueel vlak drongen de moderne ideeën van nationalisme het Osmaanse rijk binnen. Vooral de christelijke minderheden in het rijk hadden veel contact met het Westen als handelaars of studenten en raakten overspoeld door deze westerse ideeën. Het doorbrekende nationalisme droeg in grote mate bij tot de verzwakking van het rijk zodat het nauwelijks weerstand kon bieden tegen de kolonisatiepogingen vanuit Europa. Dit imperialisme bracht het rijk op zijn beurt zodanig uit evenwicht dat het nationalisme steeds meer aanhang kende.[18]

 

De eis voor een politieke onafhankelijkheid die eigen is aan het nationalisme stond haaks op het milletsysteem. Toch stimuleerde het gemeenschapsgevoel dat al binnen de millet bestond de separatistische tendensen. Eerst en vooral had dit te maken met de waaier aan eigen bevoegdheden waarover elke millet beschikte. Ze hadden eigen scholen, een eigen taal, rechtbanken en gezondheidszorg. Vele van deze taken werden in de periode van de Tanzimat weer naar het centrale niveau gehaald in de hoop een Osmaans nationalisme te voeden. Over de grenzen van de millets heen was echter al een nationalisme waarbij volk en staat diende samen te vallen, in opmars. De etnieën gebruikten binnen de millets wel hun religieuze autonomie om dit nationalisme te verbergen. De ambtsgebieden van de religieuze leiders werden steeds meer gezien als het eigen territorium van een natie.[19]

 

De minderheden kregen bovendien meer vrijheid en rijkdom dankzij hun nieuw statuut vanaf de Tanzimat. Zij voelden zich machtig genoeg om steeds meer rechten en zelfs politieke autonomie te eisen. Op die manier holden zij ook zelf het traditionele systeem uit. Dit veroorzaakte frustratie bij de moslims en vooral bij de Osmaanse Turken die hun bevoorrechte posities kwijtraakten. Een eerste poging om de groeiende macht van de christenen tegen te gaan werd ondernomen door Abdülhamid II. Hij creëerde het beleid van ‘Müslumanlık’, ‘İslamcılık’ of ‘Islamisme’ en verzekerde zich op die manier van de steun van de religieus conservatieven. Men bleef dus vasthouden aan één Osmaanse identiteit, maar de islam werd benadrukt en op die manier trachtte de sultan de secularisatie af te remmen en zijn macht als kalief, religieuze leider van de moslims, te vergroten.[20]

 

Tegelijkertijd ontstond in de jaren 1860-1870 de idee van het pan-Turkisme waarbij de klemtoon werd gelegd op het belang van de Turken voor de eenheid van het rijk. De Turken wilden niet zozeer de niet-Turkse Osmanen uitsluiten, maar eisten wel een vooraanstaande rol op voor zichzelf. Zo stelden zij voor om het Turks als eenheidstaal in te voeren en waren ze gekant tegen de dominantie van niet-Turkse moslims en christenen in het bestuur van Abdülhamid II. Dit Turks nationalisme bleef wel beperkt tot een vrij kleine groep en bij deze Turkse intellectuelen was er sprake van een dubbelheid omdat ze het rijk niet uit elkaar wilden laten spatten. Daarenboven voelden de meeste etnische Turken zich ook eerder verbonden met elkaar als moslims en niet zozeer door hun etnische afkomst. Aanvankelijk was het Turks nationalisme dan ook vooral cultureel. Men hechtte veel belang aan de Turkse taal en geschiedenis en betrok daarbij ook de Turkssprekende volkeren buiten het rijk. Wat dit Turks nationalisme betreft, mag men de Europese invloed niet overdrijven. Deze was belangrijker voor het ontluikende nationalisme en separatisme van de minderheden met een eigen millet. Lange tijd bleven de Turkse nationalisten voorstanders van een groot multi-etnisch rijk. Bij Arabieren en Koerden, die geen afzonderlijke millet hadden, stak het nationalisme als laatste de kop op.[21]

Tijdens de reactionaire periode onder Abdülhamid II (1876-1909) kwamen de moslims in het rijk alsmaar diametraler tegenover de niet-moslims te staan. Deze polarisering was een gevolg van de toenemende eisen voor zelfstandigheid vanwege de vooral christelijke minderheden, ook nog na de hervormingen van de Tanzimat. Al in de jaren 1870 ontstond er een xenofobe en antiwesterse houding bij de Osmaanse Turken. Ook de doorsijpelende secularisatie sinds de periode van de Tanzimathervormingen, de toenemende macht en rijkdom van de niet-moslims en de Russische imperialistische dreiging, droegen bij tot een dergelijk gevoel. Dit alles bracht de sultan ertoe samen te werken met de religieus conservatieven en dus een einde te maken aan een periode van modernisering in het rijk door de traditionele machtsgroepen weer op het voorplan te plaatsen. Toen het parlement na de Russisch-Osmaanse oorlog klachten formuleerde in verband met de hoge kosten en de grote verliezen van dit conflict, ontbond Abdülhamid op 14 februari 1878 deze instelling en schortte hij de grondwet op.[22]

 

Het absolutistische regime van Abdülhamid II werd het meest bekritiseerd omwille van de financiële politiek van de sultan die door Europeanen gestuurd werd. In de tweede helft van negentiende eeuw namen de buitenlandse investeringen in het rijk toe, naast leningen aan de overheid werd vooral een groot aantal privé-initiatieven opgestart. De handel op de Zwarte Zee was reeds in het midden van de negentiende eeuw in handen van de grootmachten. Door de openstelling en zwakke economische positie van het Osmaanse rijk palmden de Britten, Fransen, Russen en Oostenrijkers aan het einde van deze eeuw ook de handel in het Rode Zeebekken in.

 

Abdülhamid II kreeg in 1876 een rijk aan de rand van het failliet in de schoot geworpen. De sultan trachtte het rijk er economisch weer bovenop te krijgen en overtuigde de Europese landen de schuldenlast te herzien. Via zijn economische politiek werkte Abdülhamid II de kolonisatie van het rijk door diezelfde landen echter in de hand. De tekorten in het overheidsbudget waren immers geen gevolg van overmatige binnenlandse uitgaven, waarop Abdülhamid nog meer bespaarde. De financiële en economische problemen van het rijk vloeiden voort uit de buitenlandse schulden van de Osmaanse staat.[23]

 

Via het Decreet van Muharrem van 20 december 1881 werd een overeenkomst gesloten met de Europese schuldeisers en dit leidde tot de oprichting van de “Osmaanse Publieke Schuld Administratie”, samengesteld uit een raad van zeven Europese vertegenwoordigers. De Osmaanse regering had in dit orgaan slechts één afgevaardigde die bovendien niet stemgerechtigd was. Via deze instelling konden de Europeanen de Osmaanse staatsinkomsten uitbaten, belastingen innen en schulden afbouwen. Daarbij verwierven de Europeanen ook monopolies op onder andere tabak, zout en alcohol en werden concessies toegekend aan Engeland, Frankrijk, Duitsland en België voor de aanleg van moderne infrastructuur zoals spoorwegen en havens. Op die manier controleerden de Europeanen het hele financiële systeem in het rijk. Deze tussenkomst in de Osmaanse interne aangelegenheden zette kwaad bloed bij een groot aantal bureaucraten en intellectuelen in Istanbul. Tegelijkertijd werden echter nieuwe leningen aangegaan en bijgevolg bracht deze politiek het rijk meer schade dan redding.[24]

 

Nog een aantal hervormingen werd doorgevoerd, maar op politiek vlak hield de sultan de touwtjes stevig in handen. De pers werd gecensureerd, de geheime politie controleerde het maatschappelijke leven, de oppositie werd in de kiem gesmoord en de verspreiding van “radicale” ideeën op scholen werd strikt verboden. Enkele belangengroepen die in geval van democratie macht zouden inleveren bleven Abdülhamid II steunen en figuren die in de periode van de Tanzimat een belangrijke invloed hadden weten te verwerven, werden opzij geschoven. Deze elite liet dit echter niet onopgemerkt voorbijgaan en ijverde voor politieke en ideologische hervormingen.[25]

 

Globaal kunnen tijdens de absolutistische regeringsperiode van Abdülhamid II (1876-1908) twee verzetshaarden onderscheiden worden. Ten eerste waren er de separatistische bewegingen van niet-Turken zoals Arabieren, Armeniërs en Macedoniërs. Deze stonden echter niet sterk genoeg om alleen hun vrijheid te bevechten. Samenwerking was dan ook voor de hand liggend en wel met een tweede oppositiegroep, namelijk de Jonge Turken. Onder invloed van deze Jonge Turken breidde het Turks nationalisme in het begin van de twintigste eeuw uit tot een politiek nationalisme dat zich afzette tegen het Ottomanisme en Islamisme. Na de revolutie van 1908 waarbij de Jonge Turken de macht grepen, werden een aantal Turks nationalistische initiatieven door de overheid gesteund. Pas op 29 oktober 1923 triomfeerde het Turks nationalisme bij de proclamatie van de Turkse republiek.[26]

 

Het liberale gedachtegoed sluimerde al een tijdje bij de intellectuelen in de seculiere scholen voor er een echte organisatie werd opgericht. In 1887 organiseerden vijf studenten van de Militaire Medische School (İshak Sükûti, Mehmet Reşit, Abdullah Cevdet, İbrahim Temo en Hüseyinzade Ali) zich in een Vereniging voor Eenheid en Vooruitgang of Ittihat ve Terakki Cemiyeti (ITC) die echter al in 1889 werd vervangen door de Osmaanse Eenheidsvereniging of Ittihat-i Osmani Cemiyeti (IOC). In datzelfde jaar werd de naam veranderd in Osmaanse Vereniging voor Eenheid en Vooruitgang of Osmanlı Ittihat ve Terakki Cemiyeti (OITC).[27] In 1895 werd voor de laatste keer een andere naam gegeven aan de organisatie op aanraden van Ahmed Riza: het OITC werd vanaf dan Comité voor Eenheid en Vooruitgang of İttihat ve Terakki Cemiyeti (ITC). De naam ‘Jonge Turken’ was afkomstig van La Jeune Turquie, de oppositiekrant van de Libanese maroniet en voormalig parlementslid Halil Ganem. De Jonge Turken waren dus dissidenten die zich verenigden in het ITC om Abdülhamid II en zijn beleid te bestrijden.[28]

 

Tot de val van Abdülhamid II in 1908 vormden deze Jonge Turken een groep van liberale Osmanen die alle tegenstanders van de sultan verenigde, ongeacht religie of etnie. De harde kern binnen deze ruime verzetsbeweging bestond uit de Jonge Turken zelf. Omwille van deze diversiteit en ook wegens persoonlijke geschillen werd echter geen eenheidsprogramma opgesteld voor de hele oppositiebeweging. De meest concrete eisen waren: constitutionalisme, Ottomanisme, vrijheid en een nieuwe sultan, bij voorkeur Mehmet Reşat, de broer van Abdülhamid. Bovendien verlangden de niet-Turkse hervormingsgezinden naar decentralisatie en Europese hulp bij de hervormingen. De Turken echter wilden het rijk bewaren, versterken en de westerse inmenging een halt toeroepen. Ook de Jonge Turken zelf waren verdeeld wanneer het op concrete plannen aankwam en die bleven dan ook uit. Het enige waarover de Jonge Turken het eens waren was de nood aan verandering. De manier waarop dit diende te gebeurden, geleidelijk of door middel van een revolutie of wat men precies met de sultan wilde aanvangen verschilde voor elke afdeling.[29]

 

Zoals gezegd pleitten de Jonge Turken voor een vrije en gelijke natie voor alle Osmanen. Ze waren dus een uitloper van het verzet van de Jonge Osmanen in de jaren 1860, maar hadden niet volledig dezelfde ideeën. Een verschillende opvatting over nationalisme lag aan de basis van beide bewegingen. De Jonge Osmanen streefden naar een Osmaans nationalisme dat de etnieën en religies oversteeg. De Jonge Turken daarentegen waren aanhangers van het Turks nationalisme en de verschillende uitingen daarvan. Hoewel zij aan het eind van de negentiende eeuw het Ottomanisme nog niet volledig afschreven, zoals blijkt uit het verlangen om het Osmaanse rijk nieuw leven in te blazen en te democratiseren. Bovendien stonden de Jonge Turken reeds in een eerste fase snellere en meer drastische hervormingen voor dan de Jonge Osmanen.[30]

 

Omstreeks 1910 was hun ideologie als gevolg van het separatisme in het rijk definitief geëvolueerd naar wat men als pan-Turkisme zou kunnen omschrijven. De nadruk kwam te liggen op de Turken, in of buiten het Osmaanse rijk, terwijl aan de andere etnische groepen eigenlijk weinig of geen aandacht meer besteed werd. Het Turks nationalisme was vooral op cultureel vlak tot ontwikkeling gekomen aan het einde van de negentiende eeuw. Onder invloed van de Jonge Turken kreeg dit Turkisme dat aanvankelijk niet indruiste tegen het Islamisme of Ottomanisme een politieke vertaling en werden deze andere vormen van nationalisme uitgesloten.[31]

 

In de eerste jaren na de oprichting van de beweging van de Jonge Turken werd er nog niet repressief opgetreden. De beweging groeide echter snel en verspreidde zich buiten de seculiere scholen die vanaf de Tanzimat waren ontstaan. Ook bureaucraten, hoge legerofficieren en zelfs leden van de Ulema werden Unionisten. Vaak voegden zich bij hen gefrustreerde Jonge Osmanen die na het falen van grootvizier Midhat Paşa in ballingschap waren gegaan en zich nu opnieuw tegenover de sultan opstelden. Vanaf de jaren 1890 echter werd de censuur verscherpt. Vooral nadat de plannen voor een staatsgreep in 1896 waren uitgelekt, speurde de geheime politie van de sultan naar subversieven. Om aan deze repressie te kunnen ontsnappen werden afdelingen opgericht in het buitenland.[32]

 

 

3. De Jonge Turken in Europa

 

In West-Europa voerden de Jonge Turken of Unionisten eveneens algemene oppositie en vooral Parijs werd een belangrijke uitvalsbasis. Daar nam vanaf 1895 Ahmed Riza (1858-1930) de leiding op zich over de Parijse tak van het ITC. Met Mehmet Murat (1854-1917) en Abdullah Cevdet (1869-1932) was Riza een van de belangrijkste leiders en theoretici van de Jonge Turken:

 

“With the students was associated a member of the Ottoman civilian administration who had been in exile in Paris since 1889, Ahmet Riza Bey. I shall concentrate here on this figure and on that of another important Young Turkish theoretician, Dr. Abdullah Cevdet…”[33]

 

“Among the most notable of the liberal émigrés was Ahmed Riza, who became a key spokesman for the influential Young Turks organization known as Committee of Union and Progress (CUP), which advocated a program…”[34]

 

“As the time went on, however, a hard core of dedicated liberals emerged, determined to end the absolutist regime regardless of their personal careers. … An early leader among them was Ahmet Riza (1859-1930), son of an Austrian mother and Anglophile ottoman father, both quite wealthy. …Second only to Ahmet Riza in developing the Young Turk movement was Mehmet Murat Efendi… . ”[35]

 

“Riza joined the Young Turk movement against Abdülhamit II. On his initiative the Association for the Union of Ottomans (founded in 1889) assumed in 1895 the name of Committee for Union and Progress. He became head of the Committee’s Paris branch.”[36]

 

Ook in Genève, Londen, Brussel en Cairo vormden zich verzetshaarden tegen het onrecht in het Osmaanse rijk. Abdullah Cevdet, Osmaans intellectueel en journalist, was in 1887 medestichter van de voorloper van het ITC en vertrok in 1897 in ballingschap naar Genève. Daar stichtte hij datzelfde jaar met enkele andere Jonge Turken Osmanli of “Osmaans”, een krant die gewapend verzet tegen Abdülhamid II propageerde. In Genève raakte Cevdet bevriend met Mehmet Murat die tevens meewerkte aan Osmanli. Murat was een Turks journalist en politicus die na zijn opleiding Rusland verlaten had om zich in het Osmaanse rijk te vestigen. Toen hij de hoop op een vredevolle omwenteling verloren had, startte hij vanaf 21 januari 1896 in Cairo de publicatie van de pro-ITC krant Mizan. Deze krant werd ook verspreid in Europa om er de publieke opinie te beïnvloeden. Later trok Murat naar Parijs waar hij Mizan voortzette. Na een conflict met de andere Jonge Turken in Parijs besliste Murat echter om het hoofdkwartier van de Jonge Turken over te brengen naar Genève. Vervolgens liet Murat daar een tijdje zijn krant verschijnen, maar op 14 augustus 1897 keerde hij al terug naar Istanbul.[37]

 

Murat was een van de eerste Jonge Turken die inging op de vraag van de sultan om de oppositie te staken in ruil voor een politieke functie. Abdülhamid II had eerst geprobeerd om de buitenlandse overheden aan zijn kant te krijgen en via hen de Jonge Turken het zwijgen op te leggen. De Europese publieke opinie was de dissidenten echter goedgezind met als gevolg dat in West-Europa weinig maatregelen tegen hen genomen werden. Abdülhamid schakelde dan ook over op een andere tactiek: hij bood de Jonge Turken amnestie en belangrijke posten in het Osmaanse rijk aan. Vooral in 1897 trok de geheime politie van de sultan naar Europa om met dit voorstel dissidenten terug te lokken. Vermits vele Jonge Turken gefrustreerd waren omdat zij hun macht en functies waren verloren door het absolutisme van Abdülhamid, zagen sommigen dit voorstel wel zitten. Murat hapte snel toe en overtuigde een deel van zijn vrienden om hetzelfde te doen, inclusief twee van de stichters van de beweging, Abdullah Cevdet en Ishak Sükûti. Murat was teleurgesteld door de verdeeldheid binnen de Jonge Turken en waarschijnlijk vooral door de stevige leiderspositie van Ahmed Riza in Parijs. Wanneer Murat later nog een rol trachtte te spelen in het ITC, was hij persona non grata.[38]

 

Cevdet ontpopte zich begin twintigste eeuw tot één van de pioniers van verwestersing. Hij was een vurige voorstander van secularisme, decentralisatie en privaat ondernemerschap. Met het doel de mensen in het rijk vertrouwd te maken met de westerse cultuur gaf Abdullah Cevdet vanaf 1907 de krant İçtihad of “Mening” uit.[39]

 

Als gevolg van het succes van de amnestieactie van de sultan en vooral wegens interne verdeeldheid bleef tussen 1897 en 1901 enkel nog de Parijse afdeling onder leiding van Ahmed Riza bestaan in West-Europa. Deze groep zette haar kritiek op het beleid van de sultan voort en hield vast aan haar gematigde ideeën en weigerachtige houding tegenover Europese tussenkomst.[40]

 

Vanaf 1901 kenden de Jonge Turken weer een grotere aanhang in Europa dankzij de komst van Damat Mahmut Paşa en zijn zonen Sabaheddin en Lütfullah naar Frankrijk. Damat Mahmut was de schoonbroer van Abdülhamid II en kleinzoon van sultan Mahmut II. Hij werd door de sultan verstoten omdat hij meende dat de grondwet moest gerespecteerd worden. Al snel veranderde Mahmut echter zijn mening over Riza en werden ze geduchte concurrenten die in Parijs streden voor de leiderspositie. Vooral Sabaheddin (1877-1948) zette zich af tegen de groep rond Riza en richtte zijn eigen Vereniging van Persoonlijk Initiatief en Administratieve Decentralisatie of Teşebbüs-ü Şahsi ve Adem-i Merkeziyet Cemiyeti (TSAMC) op. Deze organisatie nam veel radicalere standpunten in dan de Jonge Turken van Riza en had tevens een eigen krant Terakki of “Vooruitgang” waarin hun eisen uiteen gezet werden. De TSAMC wilde fundamentele sociale hervormingen zodat er geen onderscheid meer zou zijn tussen de leidende en de onderworpen klasse, ze wilden dat Abdülhamid II zou aftreden en wilden het oude systeem van decentralisatie dat vanaf de Tanzimat was afgeschaft weer invoeren. Hierdoor verwierf deze groep rond Sabaheddin heel wat steun van de nationalistische minderheden zoals de Armeniërs. Daarnaast pleitte de TSAMC in tegenstelling tot de Jonge Turken van Riza voor een revolutie en voor Europese bescherming.

 

De groep rond Ahmed Riza beschouwde Damat Mahmut als een verrader, maar met diens zoon Sabaheddin werden opnieuw toenaderingspogingen ondernomen. Van 4 tot 9 februari 1902 werd in de Franse hoofdstad een congres ingericht waarop alle liberale Osmanen uitgenodigd waren. Op die manier trachtte Sabaheddin de Jonge Turken weer tot eenheid te brengen en een nieuwe stimulans te geven aan de samenwerking met niet-Turkse verzetsbewegingen. Een groot succes was dit echter niet, vooral omdat de Jonge Turken van Riza zich niet langer konden vinden in het gedachtegoed van de Armeense separatistische bewegingen.[41]

 

Van 27 tot 29 december 1907 werd opnieuw een bijeenkomst georganiseerd. Net zoals op het vorige congres in 1902 bleven de Macedoniërs thuis en de Armeniërs werden er enkel vertegenwoordigd door de Dashnaktsutiun, één van de belangrijkste Armeense gewapende comités. De Hunchakpartij, tevens een zwaargewicht in het Armeense verzet, was niet aanwezig . Men besloot om samen, vreedzaam of door middel van geweld, de grondwet van 1876 te herstellen, de sultan af te zetten en een etnisch gemengde vertegenwoordiging te installeren binnen een constitutionele monarchie. Toch bleken de belangen van deze verschillende groepen soms te tegenstrijdig. De Jonge Turken wilden een sterke centrale macht in Istanbul die gericht zou zijn op de Turken. Het nationalisme nam echter ook toe bij de minderheidsgroepen zoals de Armeniërs die een lokale overheid los van de centrale Osmaanse administratie wel zagen zitten. Riza brak echter met Sabaheddin en ging de laatste maanden van zijn verzet in Europa weer zijn eigen weg waardoor de samenwerking opnieuw mislukte.[42]

 

In augustus 1908 keerde Riza naar Istanbul terug waar hij binnen het kamp van het ITC deelnam aan de verkiezingen. Hij hoefde immers niet meer te vrezen voor zijn leven nu het absolutisme van Abdülhamid aan banden gelegd was. Riza was overigens een van de weinigen die in het vernieuwde ITC een plek kon veroveren want meer en meer namen nieuwe, radicalere figuren de leiding over. Ook Sabaheddin keerde in augustus terug en voegde zijn TSAMC bij het ITC. Deze poging om de tak die pleitte voor decentralisatie uit te doven mislukte echter en al snel voegde de groep rond Sabaheddin zich bij de rivaliserende OAF.[43] Op de rol van Ahmed Riza en zijn activiteiten in Brussel wordt in een apart hoofdstuk dieper ingegaan.

 

 

4. De revolutie en de contrarevolutie in 1908-1909

 

Het ITC kende vanaf 1897 een spectaculaire groei. Cruciaal was de steun van het leger die op dat moment verworven was. Het verlies tegen Rusland in 1878 impliceerde een prestigeverlies voor de troepen en het budget voor defensie werd sterk teruggeschroefd zodat zelfs de lonen niet meer tijdig betaald werden. Het leger werd door de Osmaanse overheid niet langer gezien als een onmisbare peiler van het beleid en de relaties tussen beiden verzuurden. Anderzijds gingen vanuit het ITC steeds meer stemmen op om desnoods door middel van een revolutie het rijk te hervormen en deze idee sprak de officieren erg aan.[44]

 

Tijdens de beginjaren van de twintigste eeuw rebelleerde het leger in de provincies. Erg belangrijk voor de organisatie van de gewapende krachten tegen Abdülhamid II was de vaderlandbeweging Vereniging voor Vaderland en Vrijheid of Vatan ve Hürriyet Cemiyeti (VHC). Deze organisatie opereerde in 1905 in Damascus onder leiding van Mustafa Kemal. De Arabieren waren echter nog niet opstandig, zodat deze beweging geen snelle uitbreiding kende in die regio. Wel trachtte zij banden te smeden met de guerrillastrijders in Macedonië. De ontevreden toepen heetten Kemal er in 1906 welkom en Talaat Bey, leider van het derde leger in Macedonië vormde samen met Mustafa Kemal de Osmaanse Vrijheidsvereniging of Osmanlı Hürriyet Cemiyeti. Deze Macedonische OHC was een afdeling van de VHC en smolt in september 1907 samen met de groep Jonge Turken onder Riza tot de Organisatie van Parijs, een tak van het ITC. Daarnaast bleef in Thessaloniki echter een afzonderlijke groep bestaan die zich vooral richtte op de Macedonische problemen en wensen.[45]

 

De OHC in Thessaloniki was vooral belangrijk omdat ze zorgde voor een snelle verspreiding van de ITC-propaganda in het Macedonische leger, dat bepalend was voor het verloop van de revolutie. De aanleiding van de revolutie van 1908 was immers een muiterij van de soldaten in Macedonië omdat hun soldij niet was uitbetaald. Er waren al revoltes in 1906 en 1907 en dit laatste jaar was daarenboven een economisch moeilijk jaar door misoogsten in Anatolië. De soldaten van het derde leger van Macedonië eisten het herstel van de grondwet van 1876 en vatten een guerrillastrijd aan in de Macedonische steden. Op 7 juli 1908 werd een aantal spionnen van de sultan en Şemsi Paşa, één van de leiders die de muiterij moest onderdrukken, vermoord. De troepen die daarna vanuit Anatolië naar Macedonië gestuurd werden sloten zich bij de rebellen aan in plaats van hen te bestrijden. Dit zorgde voor een versnelling met meerdere meetings en opstanden in de maand juli. De inname van Köprülü in Macedonië door generaal Enver op 10 juli 1908 dwong de sultan op 23 juli 1908 tot herstel van de grondwet en het parlement. Voor het eerst in dertig jaar tijd zouden verkiezingen worden uitgeschreven.[46]

 

Deze toegevingen van de sultan vormden de revolutie van de Jonge Turken. Het was geen gewelddadige machtsgreep al gingen er wel conflicten in de provincies aan vooraf. Eigenlijk waren de gebeurtenissen van 23 juli 1908 het sluitstuk van een reeks revoltes in heel het rijk die bovendien eerder om financiële dan om ideologische redenen ontketend waren. Zonder de medewerking van de ontevreden soldaten hadden de Jonge Turken waarschijnlijk nooit zo snel hun doelstellingen kunnen realiseren.[47]

 

Al snel bleek echter dat de verwachtingen en beloftes niet konden worden ingelost. Het ITC had samengewerkt met verschillende nationalistische minderheden om de revolutie te voltrekken en dit leidde in de zomer van 1908 tot enthousiaste massademonstraties van deze volkeren in de grote steden. Zij dachten dat de herafkondiging van de grondwet en het herstel van het parlementaire regime alle problemen zouden oplossen. Het separatisme bleef echter bestaan. Grieken en Armeniërs die door hun samenwerking met de tak van Ahmed Riza dachten dat al hun eisen zouden worden ingewilligd, visten achter het net. Ook binnen het ITC bestond er onenigheid. Sommigen hadden steeds de groep rond Riza gesteund, anderen waren uit op promotie, een hoger loon en steun van Istanbul om de provinciale rebellen uit te schakelen. Bovendien was er nooit werk gemaakt van een politiek programma. Uiteindelijk werd besloten dat de sultan mocht blijven, zij het met een beperkte macht. De echte macht lag in handen van het ITC die als drukkingsgroep via een Comité van Zeven het nieuwe bewind controleerde. De regering bleef dus voorlopig wel in handen van dezelfde politici als voor de revolutie en het ITC had de facto de macht in handen zonder hiervoor verantwoording te moeten afleggen. Grootviziers Mehmet Said Paşa (22/7-4/8/1908) en Mehmet Kâmil Paşa (5/8/1908-14/2/1909) die nog door Abdülhamid II werden aangesteld leidden in deze periode de regering en via de decreten van 1 en 3 augustus 1908 werd de autocratie van de sultan aan banden gelegd. Hiermee werden tevens de geheime politie, censuur en andere ondemocratische uitingen van het Hamidiaanse regime afgeschaft.[48]

 

In de aanloop naar de verkiezingen ontketende zich in het najaar van 1908 een politieke strijd waarbij twee belangrijke groeperingen, die overigens nog geen echte politieke partijen waren, het tegen elkaar opnamen. Enerzijds de Unionisten (Ittihatçılar) van het ITC en anderzijds de Liberale Unie of Osmanli Ahrar Fırkası (OAF). Het ITC steunde de nationalistische hervormers en vertegenwoordigde vooral de militairen. De OAF had een vrij grote aanhang bij de christelijke minderheden omdat zij gewonnen was voor decentralisatie en samenwerking met Europa. Leden van de traditionele Osmaanse bureaucratie en teruggekeerde ballingen uit de groep van Sabaheddin vervoegden tevens het kamp van de OAF.

 

Voor het eerst werden nu ook echt beloften gemaakt in verband met rechten en vrijheden en dankzij de invoering van pers- en verenigingsvrijheid bloeide het politieke leven. Zo stelde het ITC op 16 augustus 1908 een gedetailleerd programma voor om de financiën, de administratie en de gewapende krachten te hervormen. Dit zorgde in zekere mate voor organisatie binnen het ITC en verschafte dus een sterkere positie tijdens de verkiezingen van november en december 1908. De OAF werkte pas een manifest uit tegen 14 september 1908 en was daardoor minder betrokken in de politieke campagne. De religieus conservatieven vormden een derde groep. Zij stonden echter te zwak om het ITC te verslaan al lieten zij in het publieke debat soms wel van zich horen.[49]

 

In de maanden die volgden op de revolutie trachtten de grootmachten en buren van het Osmaanse rijk het machtsvacuüm te misbruiken om delen van het rijk in te palmen. Op 5 oktober 1908 annexeerde Oostenrijk-Hongarije Bosnië-Herzegovina en de dag erop verklaarde Bulgarije zich onafhankelijk. Net als de aanhechting van Kreta door Griekenland in diezelfde maand werd dit alles via verdragen en afbetalingen geregeld, maar het verlies aan gebied en vooral inwoners was enorm. Alle oude verdelingen en haat staken de kop weer op en restauratie dreigde. De verkiezingen volgden echter te snel op deze gebeurtenissen zodat er geen grote politieke verschuivingen waargenomen werden. Bovendien liet het ITC zich de macht die ze via het Comité van Zeven reeds bezat niet zomaar ontglippen.

In november en december 1908 vonden de verkiezingen plaats. De spreiding over een langere periode was nodig omdat er gebruik werd gemaakt van een getrapt systeem met kiesmannen. Macedoniërs en Armeniërs eisten dat hun taal als officiële taal zou erkend worden en dat een groot aantal van de volksvertegenwoordigers uit hun provincies afkomstig zou zijn. Door dergelijk eisen werden de moslims steeds radicaler. Toch ontstond er geen eigen moslimpartij. Zij werden aanhangers van het islamisme van de conservatieven of van het Turkisme van de Jonge Turken. In provincies waar minder of geen christenen woonden, verliepen de verkiezingen zonder al te veel moeilijkheden.[50]

 

Niettegenstaande de uiteenlopende belangen van de vertegenwoordigers van alle belangrijke bevolkingsgroepen in het parlement, behaalde het ITC een verpletterende overwinning. Van de 289 zetels dienden de Jonge Turken er slechts één af te staan aan de OAF. De zetelverdeling binnen het ITC gebeurde volgens het bevolkingsaantal met een meerderheid Turken en vervolgens respectievelijk Arabieren, Albanezen, Grieken, Armeniërs, Slaven en joden. Het ITC wilde de minderheden niet tegen zich in het harnas jagen en verleende hen bijgevolg bijna de helft van de zitjes in het parlement. Nadat de senatoren waren aangeduid, werd op 17 december 1908 het parlement plechtig door de sultan geopend.[51]

 

De Armeniërs en Macedoniërs bleven echter een eigen standpunt innemen in het parlement. De behoudsgezinden weigerden bovendien vrede te nemen met een ondergeschikte positie voor de sultan en vreesden een verdere secularisering. Na een periode van twijfel kozen de extremistische moslimvertegenwoordigers er toch voor om onder leiding van Kâmil Paşa een onafhankelijke koers te varen en het ITC tegen te werken. Zij stonden enkel open voor de westerse technologie, het maatschappelijke leven met inbegrip van de politiek diende volgens hen te steunen op de islam. Al snel verwierven de conservatieven steun in de ulema, het leger, de bureaucratie en bij het volk. Tegenover deze conservatieven ontplooide zich een groep modernisten onder leiding van Abdullah Cevdet, Ahmed Muhtar en Celal Nuri. Zij hingen gematigde ideeën aan in de lijn van de vroegere afdeling van Ahmed Riza in Parijs. Ze meenden dat verwestersing noodzakelijk was om het rijk te moderniseren, ook op politiek en sociaal vlak. Sommige modernisten bleven lid van het ITC of de OAF, anderen verenigden zich in een eigen partij vanaf 1908: de Algemene Welzijnsvereniging of  Selamet-i Umumiye Kulübü (SUK). Zij waren echter te verdeeld om op te boksen tegen de overmacht van het ITC of de groeiende dreiging vanuit het conservatieve kamp.[52]

 

Grootvizier Kâmil Paşa trachtte van deze verdeeldheid in het parlement gebruik te maken om zijn eigen macht te vergroten. De ITC-parlementsleden stemden echter een motie van wantrouwen tegen hem en in februari 1909 werd een ITC-man aangesteld als grootvizier: Hüseyin Hilmi Paşa. De Jonge Turken trachtten het tij te keren door enkele hervormingen door te voeren. Ze wilde de financiën in evenwicht brengen door de overheidsuitgaven te verminderen en het teveel aan bureaucraten te ontslaan, maar dit had weinig effect. Het protest aan rechterzijde kon niet worden vernietigd en als gevolg van dit optreden van de Jonge Turken tegen hun leider Kâmil Paşa verstevigden de behoudsgezinde moslims hun positie door een Vereniging van Islamitische eenheid of Ittihad-ı Muhemmedi Cemiyeti (IMC) op te richten.[53]

 

De algemene ontevredenheid die tijdens de winter van 1908-1909 was gegroeid leidde tijdens de nacht van 12 op 13 april 1909 tot een contrarevolutie. Deze opstand werd uitgelokt door de extremistische moslims uit het leger en de islamitische scholen en de opstandelingen kregen de steun van de sultan en de OAF die beiden hoopten hun macht op die manier uit te breiden. In Istanbul omsingelden soldaten en studenten het parlement en tijdens de rellen werden enkele aanhangers van het ITC, waaronder twee parlementsleden, gedood. De regering viel en de overige parlementsleden sloegen op de vlucht. Een nieuw kabinet werd gevormd met leden van de OAF onder leiding van grootvizier Ahmed Tevfik Paşa. Ismaël Kemal Bey verving Ahmed Riza als kamervoorzitter.

 

De Jonge Turken deden echter een beroep op de troepen van Mehmet Şevket Paşa en Mustafa Kemal die vanuit Macedonië naar Istanbul trokken en op 24 april 1909 nam het Macedonische leger de hoofdstad in. Drie dagen later zette het parlement de sultan af en zond het hem in ballingshap naar Thessaloniki. Mehmet V Reşat werd als marionet op de troon geplaatst. De echte macht lag echter in handen van de officieren van het derde leger van Macedonië en van het ITC dat Hüseyin Hilmi Paşa opnieuw als regeringsleider aanstelde.

 

Deze nieuwe regering van Jonge Turken was vooral een militair bestuur met veel macht voor Mehmet Şevket Paşa, minister van Oorlog. Deze samenwerking tussen officieren en politici diende het ITC te versterken zodat nieuwe opstanden zouden uitblijven. Vanaf 1910 brak weer een democratische periode aan, al was de democratie slecht georganiseerd. Het ITC behield bij de verkiezingen nominaal de meerderheid, maar er ontstonden splinterpartijen. De oppositie bestond nog steeds uit de religieuze conservatieven en de OAF (die overigens na de contrarevolutie opkwam onder een nieuwe naam) en de politieke activiteit leefde weer op.[54]

 

Na de Tripolitaanse oorlog (1911-1912) waarbij de provincie Tripoli verloren werd aan de Italianen, brokkelde het ITC verder af. De verkiezingen van 1912 konden enkel gewonnen worden door middel van geweld en censuur. De Jonge officieren vervreemdden snel van het ITC en een nieuwe opstand dreigde. In juli 1912 trok minister Mehmet Şevket zich als gevolg van het protest van de officieren terug en op 5 augustus werd het parlement ontbonden. Grootvizier Mehmet Said Halim Paşa werd vervangen door Kâmil Paşa en een OAF-regering die de ITC-leden liet vervolgen.

 

Tijdens de Eerste Balkanoorlog (8 oktober 1912 - 30 mei 1913) verklaarden de Albanezen zich onafhankelijk en maakte de Balkanliga zich meester van heel Macedonië. Dit intensifieerde het Turkisme van de Jonge Turken, die afgleden naar een ultranationalistische houding waarbij minderheden steeds meer verdrukt werden. Bovendien lieten zij zich niet zomaar van het politieke toneel verdringen, zelfs niet door het verlies van hun politieke en militaire centrum Thessaloniki aan Griekenland eind 1912. Op 23 januari 1913 volgde de “Bab-i Ali coup”. Nâzim Paşa, minister van Oorlog, werd die dag vermoord wanneer Jonge Turken onder leiding van generaal Enver een raid op de ‘Sublieme Porte’ ondernamen en de liberale regering verdreven. In juni 1913 volgde alweer een nieuwe coup, waarbij de liberalen van de OAF Mehmet Şevket Paşa, sinds januari 1913 grootvizier, doodden. Uiteindelijk faalden zij in hun opzet om een staatsgreep te plegen en werden zij op hun beurt vervolgd. De Jonge Turken engageerden zich vervolgens in de Tweede Balkanoorlog (30 juni 1913 - 10 augustus 1913). Servië, Griekenland en Montenegro bestreden met oog op de verdeling van Macedonië hun bongenoot uit de eerste Balkanoorlog, Bulgarije. Hierdoor slaagde het Osmaanse rijk erin Edirne op de Bulgaren te heroveren. Na beide Balkanoorlogen was niettemin 83 % van het Europese land van het Osmaanse rijk losgeweekt.

 

Eind 1913 werden verkiezingen georganiseerd en het ITC behaalde weer de meerderheid. De echte macht lag echter in handen van drie belangrijke leden van het ITC en het parlement speelde slechts een bijkomende rol. Het triumviraat van het ITC bestond uit Talaat Paşa, Djemal Paşa en Enver Paşa. Talaat Paşa (1874-1921) was tussen 1909 en 1918 minister van Binnenlandse Zaken, Communicatie en Financiën en ondernam verscheidene acties tegen de Armeniërs. Hij had met generaal Enver Paşa (1881-1922) reeds in 1907 een belangrijke rol gespeeld bij de samensmelting van de Macedonische OHC en de Jonge Turken en had later via verscheidene militaire acties tijdens de revolutionaire periode zijn pluimen verdiend. Djemal Paşa (1872-1922) tevens een belangrijke figuur uit de militaire vleugel van het ITC, was Minister van Openbare Werken en later ook van de Marine. Deze drie ITC-leiders lieten het rijk aan Duitse zijde deelnemen aan de Eerste Wereldoorlog wat overigens zou leiden tot de ondergang van het ITC in november 1918.[55]

 

Eens aan de macht, werden de Jonge Turken voorstanders van machtsconcentratie in handen van de Turken en trachtten ze een evenwicht te zoeken tussen traditie en verwestersing. Tegenstellingen tussen de verschillende strekkingen in de Osmaanse politiek bleven echter bestaan en werden zelfs groter. Sommige voormalige Jonge Turken keerden zich bijgevolg af van de politiek of bekritiseerden het autoritaire eenpartijsysteem. Toch werd een aantal belangrijke hervormingen doorgevoerd en werd in de periode 1912-1918 de basis gelegd voor de moderne Turkse republiek. Een nieuw systeem van provinciaal en lokaal bestuur werd ingevoerd en de eerste stappen naar een nationale economie werden ondernomen. Vrouwen kregen meer rechten en het hervormde onderwijs werd ook voor meisjes opengesteld. Sinds de persvrijheid weer was ingevoerd bloeide overigens de kritische pers, al werd kritiek op de regering niet geduld en werd de politieke activiteit tot een minimum beperkt.[56] 

 

 

5. De Armeense kwestie en haar betekenis voor de Jonge Turken

 

In het kader van dit groeiende nationalisme situeert zich eveneens de strijd in Armenië. De periode van Armeense opstanden is vrij complex. Vooral het cijfermateriaal dat historici of auteurs uit die periode aandragen, is erg verschillend.[57] Vele werken die over deze periode uit de Armeense geschiedenis verschenen, zijn immers subjectief. De auteurs kiezen vaak partij voor de Armeniërs en halen zo veel mogelijk emotioneel geladen verhalen aan om de slechtheid van de Turken en de onschuld van de Armeniërs aan te tonen. Dit geldt vooral voor de werken die kort na de genocide van 1915 geschreven werden. Men trachtte dan door de ‘natuurlijke slechtheid’ van de Turken dergelijke gebeurtenissen te verklaren. Het is hier echter niet aan de orde om een gedetailleerd verslag te brengen van deze Armeense geschiedenis. Een kort verloop van de Armeense opstanden aan het einde van negentiende eeuw is dat echter wel wegens het belang voor de rest van het onderzoek.[58]

 

Aanvankelijk leefden de Armeniërs vredig samen met de andere inwoners van het Osmaanse rijk, al claimden zij wel een deel van Anatolië als historisch grondgebied. In het midden van de negentiende eeuw brachten de hervormingen van de Tanzimat ook voor de Armeense gemeenschap vernieuwing. De Osmaanse autoriteiten beschouwden alle Osmaanse burgers gelijk voor de wet en de godsdienstvrijheid werd ingesteld. De Armeniërs bekleedden al langer belangrijke posities in handel en industrie, vooral na de Griekse onafhankelijkheid, toen ze ook de functies van de Grieken overnamen. Dankzij de Tanzimat kwamen tevens politieke carrières binnen handbereik omdat men niet langer moslim hoefde te zijn. Bo