De leden van de Raad van Vlaanderen onder Jan zonder Vrees (1405-1419) (David Lauwers)
|
|
Pieter van Camdonc,
geboren omstreeks 1355, behaalde aan de universiteit van Parijs de graden van
meester in de vrije kunsten en
doctor in de rechten[1].
Hij startte zijn loopbaan aanvankelijk in dienst van de geestelijke overheid en
bezat een kanunnikprebende in het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Antwerpen. In
maart 1391 vervulde hij de functie van advocaat-fiscaal van de paus[2].
Volgens Foppens werd
Pieter van Camdonc voorzitter van de Raad van Vlaanderen in het jaar 1405 en
oefende hij deze functie uit tot 1407, het jaar waarin hij benoemd werd tot
raadsheer van de hertog van Brabant. Wellicht bleef hij echter ook na zijn
aanstelling als Brabants raadsheer (formeel) voorzitter van de Raad van
Vlaanderen en dit tot 1409, het jaar waarin Simon van Formelis voor het eerst
als president optrad[3].
In de registers van de Raad van Vlaanderen zien we hem optreden tussen 19
februari 1406 (n.s.)[4]
en 4 november 1407[5].
In de jaren dat hij in
dienst stond van Jan zonder Vrees trad Pieter van Camdonc ook op in diplomatieke
aangelegenheden: zo werd hij in september 1406 aangesteld tot bemiddelaar in de
twist tussen Antoon en de stad Brussel en op het einde van dezelfde maand begaf
hij zich naar Oudenaarde om er, samen met Jan van Ogierlande, te gaan spreken
met de afgevaardigden van de Leden over klachten van de Duitse Hanze[6].
Vanaf midden 1407
vervulde hij echter steeds meer opdrachten uit in zijn functie van raadsheer van
Antoon. Zo werd hij in september 1407 door de Brabantse hertog als diplomaat
naar Keulen afgevaardigd en in november van datzelfde jaar werd hij aangesteld
als commissaris om een wetsvernieuwing in de stad Antwerpen door te voeren[7].
Op 5 maart 1408 werd
Pieter van Camdonc door Antoon van Bourgondië benoemd tot kanselier van Brabant.
De benoeming moet gezien worden in de context van de reorganisatie van het
Brabants administratief apparaat volgens Frans - Bourgondisch model[8].
Het is in deze functie dat hij zich op 25 mei 1408 te Brugge bevond om aan de
Vier leden gerechtelijke bijstand te vragen in een zaak waarbij Luikse kooplui
door Vlamingen beroofd werden te Affligem[9].
Pieter van Camdonc werd
door Antoon van Brabant ook als ambassadeur afgevaardigd naar het Concilie van
Pisa dat opgezet was om een einde te maken aan het grote schisma van de Kerk[10].
Voor het waarnemen van
het kanselierschap verdiende van Camdonc jaarlijks 600 Franse kronen[11].
De invoering van het kanselarijschap in Brabant kende echter nog grote
tegenstand. Pieter van Camdonc overleed rond midden april 1412 maar niemand werd
aangeduid om hem als kanselier op te volgen[12].
Simon van
Formelis werd geboren in een gegoede Gentse familie in het derde kwart van de
14de eeuw. Hij was de enige zoon van een makelaar, Lievin, en Katarina van
Caudenberghe. Hij behaalde waarschijnlijk aan de universiteit van Orléans de
graden van meester en doctor in het Romeins en canonieke recht[13].
Hij nam geregeld deel aan de vergaderingen van de Raad van Vlaanderen tussen 1
juni 1407[14]
en 9 november 1407[15]
en vanaf 3 juli 1409[16]
zetelde
hij er bijna constant tot aan het einde van de regering van Jan zonder Vrees. In
de (bewaarde) rekeningen van de ontvangers van Vlaanderen kreeg hij dan ook
telkens een jaarlijkse vergoeding uitbetaald[17].
Simon van Formelis
startte zijn loopbaan in dienst van de stad Gent en was reeds in 1400 de best
betaalde ambtenaar van de stad[18].
Van 1400 tot 1404 fungeerde hij er als pensionaris, een periode die gold als een
eerste hoogtepunt in zijn carrière. Het was in deze periode dat het conflict
tussen de hertog en Gent uitbarstte naar aanleiding van de soeverein - baljuw,
Jacob van Lichtervelde. Deze had een Gents burger laten executeren zonder de
Gentse magistraat in het onderzoek te betrekken. Gent beweerde dat haar
privileges geschonden waren, de hertog nam het op voor zijn ambtenaar. Simon van
Formelis werd als woordvoerder van de Gentse zaak naar de koninklijke Raad te
Parijs gestuurd.
Na 1403 was hij echter
niet meer actief voor Gent, behalve bij een ambassade in 1410, en trad hij in
dienst van de centrale overheid[19].
Hij trad aanvankelijk in
dienst als raadsheer van Antoon van Brabant: van 1404 tot 1409 vormde hij samen
met Jacob van Lichtervelde, Willem Blondeel, de heer van Bois en Jan van Oppem,
de kern van de Raad van Antoon. Wanneer Antoon tot hertog van Brabant werd
benoemd en de Vlamingen systematisch uit het Brabantse centrale gezag werden
geweerd (Brabant moest immers geregeerd worden door en voor Brabanders), bleef
Simon van Formelis echter op post en hielp hij de jonge hertog bij de
consolidatie en uitbreiding van zijn hertogelijke macht[20].
In zijn dienst vervulde hij een aantal diplomatieke opdrachten: in 1407 werd hij
onder meer naar de koning van Hongarije gezonden om met hem te onderhandelen
over een geldsom met betrekking tot het huwelijk van Antoon met Elisabeth van
Görlitz, nicht van deze koning[21].
Zijn ervaring in de Brabantse aangelegenheden kwamen ook later nog van pas: toen
Antoon in 1415 stierf op het slagveld van Azincourt maakte hij deel uit van het
gezantschap dat naar de Brabantse stad Antwerpen werd gestuurd om te pogen de
stad voor de Bourgondische zaak te winnen[22].
In 1409 volgde Simon van
Formelis Pieter van Camdonc op als voorzitter van de Raad van Vlaanderen die
intussen in Gent was gevestigd. Van dan af aan liet hij zich in met alle
belangrijke onderhandelingen die zijn vorst en
het graafschap Vlaanderen aangingen. Vooral inzake de
handelsonderhandelingen met Engeland was hij één van dé hertogelijke
ambassadeurs van Vlaanderen. Als gewezen pensionaris had hij hier dan ook reeds
de nodiger ervaring opgedaan[23].
In juni - juli 1419 onderhandelde hij samen met de heer van Kapelle en Thierry
Gherbode over de verlenging van de vrede met Engeland te Kales[24]
en ook in
september van dat zelfde jaar liet hij zich in met het probleem van de
veiligheid van de handelsweg tussen Kales en Greveningen[25].
Ook het probleem van de zeeroverij dat hiermee samenhing werd aan hem
toevertrouwd: in 1410 ging hij alleen, op last van de hertog en van de Vier
Leden naar Engeland om persoonlijk aan de koning schadevergoeding te vragen in
verband met de Engelse zeeroverij[26].
Zeeroverij werd
niet alleen door Engelsen gepleegd: begin april 1413 werd hij samen met
Danckaert van Ogierlande en Godfried de Wilde naar Middelburg gestuurd om er met
de gezanten van de graaf van Henegouwen - Holland te onderhandelen omtrent de
restitutie van de schade als gevolg van zeeroverij[27].
Simon van Formelis werd
ook op andere terreinen ingezet: in augustus 1417 liet hij zich samen met de
bisschop van Doornik (Jean de Thoisy) en de proost van St.-Donaas (Raoul le
Maire) in met de verhaasting van de betalingstermijnen van de bede die de hertog
aan de Vier Leden had gevraagd en in september van datzelfde jaar vergaderde hij
ook omtrent de nieuwe munt[28].
Zijn veelzijdige kwaliteiten brachten met zich mee dat hij werd aangesteld tot raadgever en mentor van de graaf van Charolais die, bij afwezigheid van zijn vader, het bestuur van het graafschap in handen had[29]. Toen Jan zonder Vrees in 1419 vermoord werd, verbleef Simon van Formelis dan ook in de directe omgeving van de jonge Filips en speelde hij een belangrijk aandeel in de totstandkoming van het Verdrag van Troyes. Op de lijst van raadsheren die aanwezig waren te Atrecht eind november 1419 voor een vergadering die gehouden werd door de Bourgondische hertog in verband met het sluiten van een verdrag met de Engelse koning staat zijn naam dan ook vermeld[30]. In 1422 kreeg hij van de hertog ook de opdracht om samen met Jacob van der Tanerijen informatie te verzamelen omtrent fraudes die gepleegd werden door tal van justitieofficieren[31].
Simon van Formelis was voorzitter van de Raad van Vlaanderen tot 1440 ondanks zijn verzoeken aan de hertog om zich van zijn taak te ontheffen[32]: de hertogen waardeerden duidelijk zijn verdiensten. Zijn lange loopbaan in dienst van de hertogen kende slechts één minpunt: in 1423 werd hij door Victor van der Zickelen, een vooraanstaand Gents politicus, voor de hertogelijke raad gedaagd wegens smaad aan zijn persoon. Simon van Formelis had publiekelijk de politiek van deze Gentenaar vergeleken met die van Van Artevelde en Vanden Bossche en als nefast voor de welvaart bestempeld. De hertog nam het niet op voor zijn raadsheer, integendeel. Van Formelis werd het slachtoffer van het diplomatische opportunisme van zijn vorst: hij moest zich publiekelijk verontschuldigen en een boetebedevaart naar de Sint-Pieters te Rome ondernemen. Filips de Goede achtte het blijkbaar beter om toe te geven aan Gent en zo zijn lange - termijnpolitiek van centralisatie niet in het gedrang te brengen. Bovendien hing de herinnering aan de Gentse opstand van 1379-1385 nog voor de geest. Dit incident bracht echter geen enkele schade toe aan het verloop van zijn verdere carrière[33].
Simon van Formelis
bewoonde tot aan zijn dood, op 8 maart 1447, een huis in de Sint-Michielsstraat
te Gent. Hij liet 4 kinderen na: Jan, die huwde met jonkvrouw Geertrui van
Oostkerke en aldus dit leengoed verwierf; Steven, die huwde met jonkvrouw
Anastasia van Poeke; Gerard en tot slot jonkvrouw Katelijne, die huwde met Simon
de Crane[34].
Vooral Geraard en Steven
maakten carrière: Geraard was in 1445 en 1446 ontvanger van de erfelijke renten
van Gent en Steven schepenkiezer namens de vorst in 1447 en 1451. In 1443, 1447
en 1451 was hij tevens stadsontvanger maar hij werd voor zijn pro - vorstelijke
houding in 1451 onthoofd door de opstandige Gentenaren[35].
Daniël Alaerts had
ongeveer acht jaren gewerkt bij de “gens
des comptes” van Lodewijk van Male, vooraleer hij in 1384-1385 secretaris
werd van Filips de Stoute. Hij was ook in dienst geweest van de Franse koning[36].
In 1400 werd hij
rekenmeester te Rijsel maar zijn cumul met het ambt van hertogelijk secretaris
leverde problemen op. Filips de Stoute gaf volgende reden op: “il
n’est pas acoustumé de tenir et exercer les deux offices de secrétaire et maître
de noz comptes ensemble”[37].
Daniël Alaerts behield
echter zijn titel van rekenmeester en hij werd pas in 1402 door de hertog van
het rekenmeesterschap ontheven, het jaar waarin hij werd benoemd tot raadsheer
in de Raad van Vlaanderen[38].
Zijn benoeming tot
raadsheer te Rijsel was niet toevallig daar er immers een tekort aan
Vlaamssprekende raadsheren was. Deze reden werd dan ook expliciet weergegeven in
zijn commissie[39].
Op 8 juli 1402 legde hij de eed van raadsheer af[40]
en gedurende de hele regeringsperiode van Jan zonder Vrees gold hij als een
constante in de Raad. Hij kreeg dan ook jaarlijks een vergoeding uitbetaald voor
zijn verdiensten als “conseiller
en la Chambre”[41].
Hij werd het laatst vermeld als raadsheer van de Raad van Vlaanderen in de
rekeningen van 1432 (de rekeningen van 1433-1440 zijn echter niet bewaard!)[42].
Alaerts werd ook
ingeschakeld in de binnenlandse diplomatie: zo was hij op 15 en 19 oktober 1409
betrokken bij de onderhandelingen met de Gentenaars over de invoer van Hollands
bier, de dijken en wateringen, en de achteruitgang van de handel[43]
en in 1411 werd hij als raadsheer in de entourage van de graaf van Charolais
opgenomen[44].
Tot slot was hij ook
actief als commissaris van de wetsvernieuwingen: te Oudenaarde in 1405, 1408,
1410, 1412, 1419, 1423 en 1431; te Ieper in 1421 en te Brugge in 1422[45].
Daniël Alaerts ontving
van de hertog verschillende schenkingen van een functie van baljuwsklerk. In
september 1395 deed hij vrijwillig afstand van de functie van klerk van de
baljuw van Sluis ten voordele van zijn broer Pieter[46].
Enkele dagen later, op 13 september, verkreeg hij dezelfde functie te Aalst na
resignatie van de vroegere titularis (Guillaume de Gheetsem)[47]
en in 1396 resigneerde hij op zijn beurt de functie van baljuwsklerk te Aalst,
wederom ten voordele van zijn broer Pieter. Om de schenking van een functie van
baljuwsklerk te bekomen was het op goede voet staan met de onmiddellijke
omgeving van de hertog een absolute noodzakelijkheid. De schenking van een ambt
kwam neer op een schenking van het vruchtgebruik ervan. Wilde de bezitter van
een ambt de inkomsten aan zijn erfgenamen nalaten, dan diende hij naast het
vruchtgebruik ook de naakte eigendom van de functie te verwerven. Daniël Alaerts
deed zulks voor het belangrijke klerkschap van het Brugse Vrije, dat de hertog
hem in 1414 volledig afstond, nadat hij het hem reeds voor het leven had
geschonken. De functie werd gefeodaliseerd en de rechtshandeling als een verkoop
voorgesteld[48].
Daniël Alaerts was de
zoon van Jan Alaerts die in de jaren 1377-1401 actief was als schepen van het
Brugse Vrije[49].
Sedert 1414 was hij heer van de hele parochie Kaprijke[50]
en huwde een eerste maal met Marie de Haucron (alias van der Sare). Zij was de
dochter van Jean Malet die ook een schitterende loopbaan uitbouwde in de
Rekenkamer, aanvankelijk als klerk en vervolgens als auditeur. Naar aanleiding
van zijn huwelijk, dat doorging te Parijs in mei 1401,
kreeg Alaerts een wijncadeau van de stad Rijsel aangeboden[51].
In 1417 is er sprake van negen kinderen: Jan alias Percheval, schildknaap en in
1429 getrouwd met jonkvrouw Margriet van der Berst; Monfrand, hoofdschepen van
de Keure te Gent in 1445 en 1447. Deze was zeker in 1449 (misschien ook vroeger
daar de rekeningen van 1444-1449 niet bewaard zijn gebleven) procureur-generaal
in de Raad van Vlaanderen en in 1454 of 1455 gewone raadsheer; Daniël,
vermoedelijk vroeg gestorven; Maria, vrouwe van Genech, huwde in 1419 met Oudard
de Blondel - Joigny, baron van Pamele, heer van Oudenaarde etc.; Kateline;
Margaretha, Ysabelle; Johanna en Neelkinne. In december 1421 werd ook nog Jan
Alaerts gelegitimeerd. Deze was doctor in de rechten en meester in de
artes. Hij zetelde
tussen 1437 en 1447 in de Raad van Vlaanderen en stierf in 1449[52].
Daniël Alaerts huwde
volgens Gailliard en de Joigny een tweede maal met Johanna van Diksmuide,
burchtvrouw van Diksmuide en baronnes van Bavelingen, Stapele, Waregem en
Bavikhove[53].
Zij was de dochter van Diederik van Diksmuide en Marguerite de St.-Désir en de
kleindochter van Hendrik van Beveren, alias van Diksmuide (die eveneens in de
Audiëntie en Raadkamer zetelde) en Marie de Piquigui[54].
Uit dit huwelijk werd één dochter geboren, Lievine[55].
Omtrent de datum van
overlijden van Daniël Alaerts zijn de verschillende auteurs het oneens:
Gailliard en de Joigny geven als sterfdatum 26 september 1435 op[56],
Foppens houdt het op 26 december 1430[57].
Volgens Dumolyn was hij echter nog in leven op 17 april 1434[58].
Meester
Eulaart des Aubeaux, zoon van Pierre de Hingettes, heer van Aubeaux[59],
volbracht zijn studies aan de universiteit van Orléans en behaalde er de titel
van licentiaat in het Romeins recht[60].
In 1401 en 1420 vervulde hij de functie van schatbewaarder van het
Sint-Pieterskapittel te Rijsel en in 1420 was hij er tevens kanunnik[61].
In de jaren 1420-1421 volgde hij ook Hendrik Goethals op in zijn beneficie in
het Sint - Donaaskapittel[62].
Eulaart des Aubeaux was
reeds onder Filips de Stoute in dienst als raadsheer[63]-diplomaat
en ook Jan zonder Vrees schakelde hem in voor diplomatieke aangelegenheden[64].
Van 9 mei 1398[65]
tot 17 oktober 1410[66]
zetelde hij geregeld als raadsheer bij de Raad van Vlaanderen. We zien hem er
een laatste maal vermeld op 6 mei 1412[67].
In 1400, 1401, 1402 en 1411 ontving hij van de hertog een jaarlijkse vergoeding[68].
In zijn diensten werd hij bijgestaan door een knechtdienaar, Ostelet Lechaine
genaamd[69].
Eulaart des Aubeaux was
ook actief als commissaris voor wetsvernieuwingen: in juli 1406 te Dowaai[70]
en het jaar daarop te Kortrijk[71].
Voorts was hij ook commissaris van de wetsvernieuwingen te Oudenaarde in 1405,
1408, 1409, 1412, 1419, 1420 en 1422[72].
In 1407 liet hij zich ook in met de problemen omtrent de munt in Vlaanderen en
nog later nam hij ook deel aan de besprekingen voor een verlichting van de straf
voor de Luikenaars na de slag van Othée[73].
In oktober 1409 was hij samen met Daniël Alaerts, Jan van Ogierlande en Anthoine
de Wissoc betrokken bij de onderhandelingen met de Gentenaars omtrent de invoer
van Hollands bier en het onderhoud van de dijken en wateringen[74].
Eulaart des Aubeaux
stierf na 1420 en voor 1424 waarbij Wallerand Hingettes, zijn neef, als
testamentuitvoerder optrad. Een leen, gelegen te Bondues, werd geschonken aan de
kerkfabriek van de Sint-Pieters te Rijsel om aan zijn laatste wens te voldoen,
namelijk een kaars dag en nacht laten branden voor zijn zielenheil[75].
Van zijn nakomelingen is niet veel geweten, alleen dat in april 1421 Isabelle,
een onwettige dochter van Eulaart, door de hertog gelegitimeerd werd[76].
Jan van den
Berghe, heer van Watervliet[77],
werd waarschijnlijk te Handzame geboren in het laatste kwart van de 14de eeuw en
stierf op 7 oktober 1439. Hij was getrouwd met Margareta van Roden, die op 22
maart 1447 overleed. Zijn zuster Isabelle huwde met Victor Dewitte en zij
stierven beiden in 1403[78].
Jans vader, Joos,
behoorde tot een schepenfamilie van het Brugse Vrije[79]
en zijn moeder, Germaine van Lichtervelde, stamde af van één van de oudste
adellijke families van Vlaanderen[80].
Jan van den Berghe was
voorstander van de hertogelijke politiek onder de Vier Leden daar hij
tegelijkertijd afgevaardigde van het Brugse Vrije op de Ledenvergaderingen was
en fungeerde als raadsheer van de hertog. Als vertegenwoordiger van het centrale
gezag was het voor een baljuw moeilijk, maar niet onmogelijk, om tegelijkertijd
in dienst staan van de lokale of gewestelijke overheid. Jan van den Berghe heeft
hiervan het bewijs geleverd[81].
In 1394 werd hij benoemd
tot schepen van het Brugse Vrije. Deze functie zou hij bijna 40 jaar
ononderbroken bekleden. Vanaf dan zien we hem in opdracht van het Vrije
verschillende opdrachten uitvoeren waaronder zijn missie naar de koning te
Parijs in 1399 om er de belangen van het Brugse Vrije te vertegenwoordigen[82].
Eind 14de eeuw was hij ook kastelein en baljuw van het hof van Wijnendale[83].
In 1399 en 1401 was hij burgemeester van het Vrije en vanaf augustus 1401 werd
hij baljuw van de Vier Ambachten. Na 1401 bleef hij nog schepen van het Vrije
maar was hij nog slechts bij gelegenheid in deze functie actief.
Van januari 1405 tot mei
1407 was hij baljuw van Kortrijk en van mei 1407 tot november 1411 baljuw van
Veurne[84].
Deze ambtsperioden bleken voor hem een drukke tijd: in 1405 trad hij bemiddelend
op in een geschil tussen het Vrije en de stad Brugge en in 1410-1411 had hij een
belangrijk aandeel in de bijlegging van het conflict dat naar aanleiding van de
toepassing van het “Calfvel”
tussen de hertog en de Brugse ambachten gerezen was. Dat men juist op hem
een beroep deed om dergelijke taken op zich te nemen, is wellicht te verklaren
door het feit dat niet enkel de hertog, maar ook de lokale overheid in hem
vertrouwen stelde[85].
De beloning liet dan ook niet op zich wachten: reeds in 1407 werd hij
gepromoveerd tot raadsheer van de hertog van Bourgondië[86].
Na de problemen met de stad Brugge werd Jan van den Berghe benoemd tot schout
van Brugge, een functie welke hij vervulde in de jaren 1411-1412.
Van 2 april 1412 tot 16
juni 1413 vervulde hij de functie van waterbaljuw van Sluis en tussen 1412 en
1414 werd hij tot raadsheer bij de Raad van Vlaanderen benoemd[87].
In de “Acten en Sententiën”
verschijnt hij voor de eerste maal op 14 augustus 1414[88]
en gedurende de verdere regering van Jan zonder Vrees nam hij geregeld deel aan
de zittingen. In 1416 kreeg hij een jaarlijkse vergoeding uitbetaald[89]
Jan van den Berghe was
zeer actief als onderhandelaar - diplomaat, zowel in functie van het Vrije als
in zijn functie van hertogelijk raadsheer. Zo vertegenwoordigde hij in april
1414 het Vrije op een vergadering tussen de Leden en de graaf van Charolais. De
vergadering werd gehouden ter voorbereiding van een ontmoeting met de gezanten
van de graaf van Holland[90].
In juli van dat jaar werd hij naar Brugge afgevaardigd in verband met zeeroverij
gepleegd in Dieppe op Vlamingen[91].
Ook voor de problemen omtrent de munt werd hij ingeschakeld: zo werd hij in
september 1417 naar Doornik afgevaardigd voor mogelijke oplossingen te vinden
voor het slaan van een nieuwe munt. Dat hij hiermee belast werd zal wellicht ook
te maken hebben gehad met het feit dat Jacob Gheysebaerde, proost van het
koninklijke muntatelier te Doornik, een familielid van hem was[92].
In 1411 werd hij als
raadsheer opgenomen in de Raad van de graaf van Charolais en onderhandelde hij
met de Vier Leden over hoofdzakelijk economische aangelegenheden[93].
Zo werd hij begin april 1413 naar Biervliet gestuurd om te onderhandelen met de
gezanten van de graaf van Henegouwen - Holland omtrent de zeeroverijen[94]
en in januari 1417 werd hij samen met onder meer Godfried de Wilde en Jan van de
Kethulle aangesteld tot één van de commissarissen voor de verlenging van de
vrede met Engeland[95].
Ook in april 1418 liet hij zich in met het onderzoek naar de aangerichte schade
als gevolg van zeeroverij en dit in het kader van de vrede met Engeland[96].
Tot slot was Jan van den
Berghe ook commissaris van de wetsvernieuwingen te Ieper in 1415, 1423 en 1426[97].
Jan van den Berghe begon
zijn loopbaan als schout in de heerlijkheid Wijnendale[98].
Ondanks zijn hertogelijke loopbaan bleef hij nauwe banden onderhouden met zijn
vroegere heer, ook wanneer deze op 10 januari 1418 zijn broeder Willem II als
Jan III graaf van Namen was opgevolgd en onder zijn persoonlijke schulden en
deze van het graafschap bezweek. In 1422 kwam hij in contact met Johanna van
Harcourt, weduwe van graaf Willem II. De betrekkingen tussen de nieuwe graaf en
zijn schoonzuster waren blijkbaar niet optimaal daar Jan van den Berghe een
beroep moest doen op de persoonlijke tussenkomst van de hertogin van Bourgondië.
Zijn bindingen met het
huis van Namen gingen echter verder: op verzoek van Jan van den Berghe liet
Johanna van Harcourt zich in met de opleiding van zijn zoon Joos. Zij was immers
langs de zijde van haar moeder, Catherina van Bourbon, tot in de hoogste kringen
verwant en kon hem dan ook de ingewikkelde hofetiquette bijbrengen. Haar taak
bestond er onder meer in om Joos de kennis van het Frans bij te brengen[99].
Door zijn zoon Joos bij
Johanna van Harcourt te plaatsen maakte hij duidelijk dat hij toch nog veel meer
aandacht schonk aan het zich eigen maken van hoofse manieren dan het verwerven
van kennis en geleerdheid. Joos, gehuwd met Alix van Haveskerke, bouwde dan ook
niet de schitterende loopbaan uit, waarvoor hij voorbestemd scheen: hij overleed
in 1459 te Handzame en had het niet verder gebracht dan burgemeester van het
Brugse Vrije in 1448 en schepen sedert 1449[100].
Zijn zoon, ook Joos van den Berghe genaamd, nam in 1490 het burgemeesterschap
waar van het Brugse Vrije. Dit is in het jaar waarin het Vrije, dat in januari
1488 opnieuw uit het college der Leden was gestoten, definitief terug als Vierde
Lid werd aanvaard[101].
Ondanks het feit dat Jan
van den Berghe geen universitaire opleiding had genoten, slaagde hij er wel in
om zich op te werken tot rechtsgeleerde.
Reeds in 1405, toen hij
nog baljuw was van Kortrijk, begon
hij met het aanleggen van een formulierboek van akten in verband met de
uitoefening van het baljuwsambt, getiteld “Prothocole
in Vlaemsche”.
Het werk wijst nog op een gebrek aan technische scholing maar zijn
inzichten in de rechtsproblemen werden echter verruimd door zijn opname als
raadsheer bij de Raad van Vlaanderen.
Op het einde van de jaren
twintig begon hij met het samenstellen van een werk waarin het kostumiere recht
voor de eerste maal in Vlaanderen van een algemeen standpunt uit werd beschouwd.
Het werk, dat er kwam op suggestie van de hertogelijke raadsheer en collega
Roeland van Uutkerke en ook aan hem werd opgedragen, droeg de titel “Dat
Kaetspel ghemoralizeert” en was klaar in 1431. Het werk behandelt geen
technische vraagstukken maar geeft een trouwe weerspiegeling van de opvattingen
die de toenmalige leidende Vlaamse kringen in het recht wilden zien zegevieren.
Pas op het einde van zijn
leven ging Jan van den Berghe er pas toe over om een puur technisch
rechtstraktaat te schrijven: “De
juridictien van Vlaenderen”.
In vraag- en antwoordvorm
worden er een aantal regelingen uit het kostumiere Vlaamse procesrecht behandeld
en het is met dit werk dat hij een definitieve stek in de rechtsgeschiedenis
wist te veroveren[102].
Segher Crommelijn, deken
van het O.L.V. kapittel te Kortrijk[103]
en afgezant der Drie Staten, nam aan de zittingen van de Raadkamer deel tussen 1
juni 1407[104]
en 13 juni 1408[105].
Hij volbracht zijn studies aan de universiteit van Orléans en behaalde de graden
van licentiaat in het Romeins recht en baccalaureus in het kerkelijk recht[106].
In 1407 was hij aanwezig
in de Raadkamer omtrent een proces “touchant
un bourgois de Bruges et un…du terroir du franc fait en la court esperituelle de
Tournay, le quel mons. le chancelier mandoit a mesdiz seigneurs lui estre
hastivement envoye au dit lieu de Bruges…”[107]
en in 1408 hield hij zich, samen met de bisschop van Doornik, bezig met de
herziening van de Transporttabel[108].
Als afgezant der Staten
begaf hij zich samen met Jan van Culsbrouc, proost van Sint-Veerle, in mei 1416
naar Parijs “omme tvercrighene tconsent ende confirmacie van den
traittiete van der vrede tusschen Vlaendren en Ingheland…”[109].
We zien Segher Crommelijn
terug in actie met de bisschop van Doornik naar aanleiding van een
jurisdictiegeschil tussen de magistraat van Kortrijk en Jean de Thoisy: de
magistraat van Kortrijk beweerde het recht te hebben ook een geestelijke, niet
burger, die een burger van de stad Kortrijk openlijk aangevallen had, te
veroordelen. Daarom weigerde hij in 1423 twee veroordeelde geestelijken aan de
officiaal van Doornik uit te leveren. De magistraten liepen het interdict en de
excommunicatie op, maar later leken ze bereid om aan de richtlijnen van de kerk
te gehoorzamen. Eén van beide provoosten en een deel van de schepenen begaven
zich naar de bisschop om kwijtschelding van de door hen opgelopen excommunicatie
en interdict te bekomen. Waarom niet beide provoosten en alle schepenen van
Kortrijk zich naar de bisschop begaven is niet duidelijk, maar Segher Crommelijn
kreeg van Jean de Thoisy de opdracht ook de anderen kwijtschelding te verlenen.
Uiteindelijk moesten de magistraten van Kortrijk zich toch aan de bisschop
onderwerpen die reeds de hulp van hertog Filips de Goede had ingeroepen. De
hertog trad op scheidsrechter en beslechtte het conflict ten voordele van
bisschop Jean de Thoisy, zijn raadsheer op wiens steun en invloed hij wilde
rekenen. Segher Crommelijn werd dus onrechtstreeks ingeschakeld in het politiek
opportunisme van de hertog[110].
Jan van
Culsbrouc nam voor het eerst deel aan een zitting van de Raad van Vlaanderen op
17 november 1419[111].
Hij kon niet veel in de Raadkamer zetelen wegens zijn activiteiten als proost
van het kapittel van Sint-Veerle te Gent. Vandaar dat hij ook een deel van zijn
wedde kon afstaan. Tot 1429 zetelde hij als raadsheer in de Raad van Vlaanderen[112].
Jan van Culsbrouc
behoorde tot een hoge bourgeoisiefamilie van Gent en drong door tot de hoogste
geestelijke, stedelijke en hertogelijke kringen van het 15de eeuwse Vlaanderen.
Hij was de broer van Ghisbrecht, Gerard en Sofie. Deze laatste was gehuwd met
Geraard van Masmines die een gewelddadige dood stierf te Gent in 1405. Hun
dochter, Marie huwde met Jan Castelain en kregen 4 kinderen: Liesbeth, Margriet,
Lodewijk en Joris. Joris Castelain of George Chastelain zou later de beroemde en
officiële kroniekschrijver van de hertogen Filips de Goede en Karel de Stoute
worden. Jan van
Culsbrouc was dus de groot-oom van George Chastelain. Hij overleed op 18 juli
1443[113].
Jan van Culsbrouc
studeerde aan de universiteit van Parijs waar hij de graad van “magistro in
artibus” en “licentiato in jure canonico” behaalde[114].
Van dan af aan cumuleerde hij een reeks beneficies en in november 1413 werd hij
proost van de collegiale kerk van Sint-Veerle te Gent. De school die bevestigd
was aan Sint-Veerle had een goede naam: de zoon van hertogelijk secretaris
Thierry Gherbode volgde er les onder toezicht van van Culsbrouc[115].
Vanaf 1416 trad Jan van Culsbrouc op als pauselijk rechter en commissaris[116].
Hij bouwde ook een loopbaan uit in dienst van de hertogen van Bourgondië. Van
Culsbrouc werd hun ambassadeur bij de heilige stoel[117]
en vervulde ook een reeks van diplomatieke opdrachten: zo werd hij samen Segher
van Crommelijn afgevaardigd naar Parijs in mei 1416 om met de Franse koning te
onderhandelen omtrent de vrede tussen Vlaanderen en Engeland[118].
In december 1419 wordt
hij samen met Jacques de La Chapelle en Thierry Gherbode afgevaardigd in een
ambassade om de geschillen met Engeland te beëindigen en de wapenbestanden te
hernieuwen[119].
Gherbode en van Culsbrouc onderhandelen in 1420 meermaals met de Engelsen.
Wanneer op 12 januari 1420 een bestand wordt gesloten tussen Vlaanderen en
Engeland zijn zij dan ook als vertegenwoordigers van de hertog aanwezig[120].
In zijn functie als raadsheer van de Raad van Vlaanderen treedt hij in 1424 op
als onderhandelaar van de Bourgondische hertog te Mechelen omtrent een geschil
tussen Brussel en Mechelen[121].
Net zoals Segher
Crommelijn was ook Jan van Culsbrouc betrokken bij een jurisdictiegeschil tussen
de stad Gent en de bisschop van Doornik in 1423. Aanleiding was wederom de
schending van het
privilegium fori van de geestelijkheid door de Gentse magistraten die
nochtans volgens de eisen van de wereldlijke en burgerlijke rechtspraak hadden
gehandeld. Ze werden geëxcommuniceerd en van Culsbrouc kreeg van Jean de Thoisy
de opdracht hen van de excommunicatie te ontslaan[122].
Door zeer zware straffen kerkelijke straffen wist Jean de Thoisy dus zijn
jurisdictiemacht uit te breiden en zich tegenover de wereldlijke magistraten te
handhaven. Hij kon daarbij rekenen op de steun van de Franse vorst, wiens
raadsheer hij was, en op de medewerking van de Bourgondische hertogen, die
ernaar streefden de macht van hun kanselier en vertrouweling uit te breiden ten
koste van de steden[123].
In 1419 werd meester Jean
Doré vermeld als voormalig baljuw van Lens en op 10 november 1419 kreeg hij van
de hertog een gift voor zijn langdurige goede diensten en om hem te helpen de
kosten te dragen van zijn verhuis uit Lens naar Gent, waar de hertog hem bevolen
had voortaan te resideren als één van zijn raadsheren in de Raad van Vlaanderen[124].
Jean Doré zien we in de
Raadkamer optreden vanaf 5 december 1419[125]
en nam er
deel aan de zittingen tot 1435. Hij was ook commissaris van de wetsvernieuwingen
te Oudenaarde in 1421, 1425-1426, 1428, 1430 en 1433. In 1427 was hij dit ook
nog voor Ieper[126].
Jean Doré was burggraaf
van Condé en had meerdere zonen, daar een lijst met te geven beneficies voor
leden van het hertogelijke hof vermeldt dat één van zijn zonen de eerst
vrijkomende prebende in het Sint - Veerlekapittel van Gent of in het kapittel
van Saint - Géry in Valenciennes zou krijgen[127].
In 1382 werd Henry
d’Espierre benoemd tot ruwaard van Ieper en in 1384 oefende hij de functie van
baljuw van Aire[129]
uit.
Hij was kapitein van Brugge en het Vrije en ook kapitein en baljuw van Ath tot
op het moment dat hij actief werd in de Raad. In de jaren 1386-1388 zetelde hij
in de Audiëntie en toen Filips de Stoute op 15 februari 1386 (n.s.) zijn “camere
van den Rade” te Rijsel oprichtte werd hij, samen met Pierre de le Zipe,
belast met het uitoefenen van de rechtsprekende functie[130].
In de jaren 1387-1402 stond hij ook nog in voor de mondvoorraad van
Sint-Winoksbergen[131].
Onder Jan zonder Vrees,
toen de gerechtelijke sectie van de Raadkamer naar Oudenaarde werd overbracht,
zat hij de vergaderingen van de Raad van Vlaanderen voor zonder effectief de
titel van president te dragen[132]
en in 1406 oefende hij ook nog het gouverneurschap van Rijsel uit, zonder
evenwel zijn functies in de Raad te verwaarlozen[133].
Henry d’Espierre gold dus
als een constante in de beginperiode van de ontwikkeling van de Raadkamer. De
laatste vermelding van hem als zetelend raadslid in de Raad van Vlaanderen
dateert uit de beginperiode van de regering van Jan zonder Vrees, namelijk op 25
juni 1406[134].
Er werd hem dan ook telkens een jaarlijkse vergoeding toegekend[135].
Henry d’Espierre was niet alleen actief als raadsheer. Ook in de diplomatie verdiende hij zijn sporen. Zowel onder Filips de Stoute als Jan zonder Vrees werd hij, omwille van zijn ervaring in de Brabantse zaken, geregeld afgevaardigd naar Brussel. Zo trad hij in september 1406 op als bemiddelaar in de twist tussen Antoon en de stad Brussel. Op 21 maart 1406 zien we hem dan weer samen met Roeland van Moerkerke, Jan van Ogierlande, de heer van Gistel, Jan Kapelle en Boudewijn van Nieppe onderhandelen met de afgevaardigden van de Leden over onder meer de handelsbesprekingen met Engeland[136]. Henry d’Espierre behoorde tot de hoogste politieke elite van de Bourgondische maatschappij. In 1406 werd hij ook nog gevraagd om samen met andere topfunctionarissen zoals Eulaard des Aubeaux, Monfrand van Eessene (e.a.) zich naar Oudenaarde te begeven “pour grosses besoignes touchant tres grandement a mon seigneur et le bien de son pays”[137]
Henry d’Espierre was op
verscheidene manieren verbonden met het huis van Halewijn: hij was de zoon van
een zekere Thierry en de dochter van Colard de Wasières. Zijn moeder was de
zuster van de vrouw van de heer van Hemsrode (= Joos van Halewijn). Hijzelf trad
in het huwelijk met Catherine Parole, weduwe van Wouter, bijgenaamd Morel van
Halewijn, die gesneuveld was op het slagveld van Rozebeke op 27 november 1382.
Catherine Parole was de zus van Jossine Parole. Deze laatste was de vrouw van
Willem van Halewijn, ook raadsheer in de Raad van Vlaanderen, zodat Henry
d’Espierre en Willem van Halewijn mekaars schoonbroer waren[138].
Hij had een zoon en twee dochters: Alard was in 1404 kanunnik van het Sint -
Salvatorskapittel te Harelbeke en zijn erfgename Anne de Mortagne huwde met
Gerard du Chastel de la Howardries, zoon van Arnoul du Chastel, ridder. Zijn
tweede dochter, Jacqueline de Mortagne, huwde met Arnould van der Beerst, zoon
van Richard, waarvan het huwelijkscontract werd afgesloten op 1 februari 1405
(n.s.)[139].
In 1390 werd hij voor de
Raadkamer te Rijsel gedaagd in verband met onenigheid omtrent de
erfenisopvolging van zijn vrouw, Catherine Parole, en zijn schoonzuster Marie
Parole, dit ten gevolge van het overlijden van hun ouders Guillaume Parole en
Jeanne Despres. Het proces werd echter gestaakt in 1391 Jacques de la Val en
zijn echtgenote Marie Parole afzagen van verdere vervolging[140].
Monfrand van Eessene,
ridder, had een belangrijke rol gespeeld in de verdediging van de stad
Oudenaarde tegen de rebellerende Gentenaren in 1379[143]
en in 1385 ondertekende hij in zijn functie van schepen van het Brugse Vrije de
Vrede van Doornik[144].
Opvallend is dat Monfrand van Eessene zeer veel opdrachten samen met Jan van
Ogierlande heeft volbracht, en dit zowel als afgevaardigde van het Brugse Vrije
als hertogelijk raadsheer.
In 1403 trad Monfrand van
Eessene in dienst van de centrale overheid als soeverein - baljuw, een functie
welke normaal de bekroning was van een gerechtelijke loopbaan maar voor Monfrand
van Eessene eerder de aanloop was in zijn aanduiding als raadsheer. Hij
bekleedde het ambt van soeverein - baljuw slechts kortstondig, namelijk enkele
maanden in 1403 en een tweede maal van augustus 1404 tot augustus 1405. In 1405
volgde reeds zijn benoeming tot raadsheer van de Raad van Vlaanderen[145].
Hoewel hij dus vanaf 1403
in dienst stond van de centrale overheid, eerst als soeverein - baljuw en vanaf
1405 als raadsheer bij de Raad van Vlaanderen, ontmoeten we Monfrand van Eessene
tussen 1406 en 1414 ook een aantal keren als afgevaardigde van het Brugse Vrije
op de Ledenvergaderingen.
Zo liet hij zich in maart
en december 1406 verscheidene keer in met een geschil tussen Brugge en het
Brugse Vrije en in september 1407 vergaderde hij omtrent de bede van 20.000
dubbele schilden[146].
In juni 1411 werd hij door het Vrije aangesteld als “conservateur” van de vrede
met Engeland[147]
en op 21 juli 1414 vergaderde hij “in
de camere van den Vryen” omtrent de aanvraag van wapenlieden, gedaan door de
graaf van Charolais[148].
In zijn functie van
hertogelijk raadsheer vinden we hem dan weer eind april 1406 samen met Jan van
Ogierlande terug te Brugge in verband met de sluis te Slepeldamme waarbij
Aardenburg, Eeklo, Maldegem en Lembeke gekonvokeerd werden[149]
en in januari 1408 begaf hij zich wederom met Jan van Ogierlande naar de graaf
en gravin van Henegouwen-Holland om instructies van Jan zonder Vrees over te
maken in verband met de moord op de hertog van Orléans en om het ook te hebben
over de bisschop - elect van Luik, Jan van Beieren[150].
In mei van dat zelfde jaar werd hij met Jan van Ogierlande naar Gent geroepen om
er samen met de hertogin en de andere raadsheren van de Raad van Vlaanderen te
onderhandelen met de Ledenafgevaardigden over een geschil tussen de Hanze en
Sluis[151].
Ook de zeeroverij - aangelegenheden werden hem toevertrouwd: reeds in 1404, in
zijn functie van soeverein - baljuw van Vlaanderen, was hij rechtstreeks
betrokken bij het mandement dat uitgevaardigd werd in de Vlaamse havens met het
verbod om zich over te geven aan piraterij tegen de Engelsen[152]
en in februari en april 1410 werd hij naar Sluis afgevaardigd om er met de
gezanten van Willem van Beieren over de schadevergoedingen als gevolg van
zeeroverij te onderhandelen[153].
Tot slot was hij ook
actief als commissaris voor de wetsvernieuwingen: in juli 1406, samen met Jan
van Ogierlande, te Sluis[154]
en in maart 1410 voor de stad - kasselrij Veurne en de kasselrij Kortrijk[155].
Monfrand van Eessene
huwde met Louise Beerst, erfdame van Ter Heyde. Hun dochter en erfopvolgster,
Laurina van Eessene huwde met Jan van Rockegem, ridder en heer van Kerchem[156].
Een andere dochter, Jacqueline van Eessene trad in het huwelijk met ridder
Lodewijk van Moerkerke, heer van Moerkerke en kamerheer van Filips de Goede.
Deze overleed op 6 september 1440[157].
Deze raadsheer
werd te Gent geboren in 1359 en overleed te Doornik op 14 december 1433[158].
Hij duikt voor het eerst op in de registers van de Raad van Vlaanderen op 2
maart 1406 (n.s.)[159]
en zetelde er geregeld tot 24 maart 1412 (n.s.)[160].
In 1411 en in de jaren 1416 - 1420 werd hem telkens een vergoeding toegekend[161].
Hendrik Goethals was de
zoon van Boudewijn Goethals en Elisabeth de Roede die hoogstwaarschijnlijk
actief waren in het ambachtsmilieu. Het is in het milieu van de Gentse
bierbrouwers echter dat we de meeste van Hendriks familieleden aantreffen.
Boudewijn Goethals stierf kort voor 22 december 1410, de datum waarop zijn vrouw
Elisabeth de Roede en zoon Hendrik een schuld vereffenden.
Hendrik had één zuster,
Marguerite, die in het huwelijk trad met Denis Everwijn, zoon en kleinzoon van
respectievelijk Sohier en Roger Everwijn. Deze familie behoorde tot het milieu
van de Gentse binnenschippers en waren geen onbekenden voor de centrale
overheid: het was Roger Everwijn die in 1385 de vastgelopen gesprekken tussen
Gent en Filips de Stoute weer in gang zette en ook diens zonen Sohier en Jan
speelden een belangrijke rol in het Gentse politieke leven en bezette er
respectievelijk 14 en 15 schepenmandaten[162].
Goethals, priester uit
het toenmalige bisdom Doornik, werd magister in de artes en baccalaureus in de
theologie in 1391 aan de universiteit te Parijs, op een moment dat de westerse
christenheid verdeeld was door het Schisma. Goethals steunde de Urbanistische
zaak.
Zijn kerkelijke loopbaan
begon op 30 mei 1391 toen hij, bij procuratie, als geprebendeerd kanunnik in het
Sint-Donaaskapittel te Brugge geïnstalleerd werd. Drie jaar nadien werd hij, als
Urbanist, door de paus van Avignon, Clemens VII, van dit beneficie beroofd. Heel
de duur van het Westers Schisma bleef Goethals trouw aan de obediëntie van Rome.
In 1395 resideerde hij
als kanunnik in de Sint-Lambertuskathedraal te Luik. Hetzelfde jaar ontving hij
van paus Bonifatius IX een kanunnikale prebende te Maagdenburg, een beneficie
dat hij op 15 december verzaakte.
Op 26 april 1396 werd hij
als deken van het kapittel te Maagdenburg vrijgesteld van residentie aldaar
omdat de kardinaal-bisschop van Ostia, Philippus d’Alençon, hem als raadsgever
nodig had.
Op 13 juni 1398 ruilde
hij het dekenaat van de kathedraal te Maagdenburg voor de proosdij in de O.L.
Vrouwkerk te Wolframitzkirchen (Bohemen).
In 1406 verwierf hij het
dekenaat in de kathedraal te Luik, evenals in de O.L. Vrouwkerk te Antwerpen.
Vanaf 1415 werd hij opeenvolgend kanunnik van Veurne, Kortrijk, Sint-Donaas, Doornik, Terwaan, proost van het Sint-Pieterskapittel te Rijsel en houder van een kanunnikale prebende en de thesaurie in de kathedraal te Kamerijk[163]
Dit succes op het gebied
van beneficiën was grotendeels te danken aan zijn lange loopbaan in dienst van
de Bourgondische hertogen. Het was in zijn functie van deken van Luik dat hij
ook fungeerde als raadsheer van de prins-bisschop Jan van Beieren, schoonbroer
van Jan zonder Vrees. Zijn talenten werden door deze laatste opgemerkt en op die
manier werd hij als raadsheer verbonden aan het Bourgondische huis.
Van 1405 tot 1419 stond
hij voltijds in dienst als raadgever bij de Raad van Vlaanderen en vanaf 16
oktober 1414 stond hij aan het hoofd van de Raad van de graaf van Charolais.
Onder Jan zonder Vrees legde hij een diplomatieke activiteit aan de dag die
vooral toegespitst was op de Engelse en keizerlijke aangelegenheden[164].
Hij voerde samen met Thierry de Heuchin, Jean de Thoisy, Thierry Gherbode en
Thomas de Beauffremez de onderhandelingen die leidden tot de totstandkoming van
het Verdrag van algemene veiligheid op zee in augustus 1408[165].
Herhaaldelijk behoorde hij, samen met Thierry Gherbode, tot de hertogelijke
commissarissen die met de Engelsen onderhandelden over de handelsovereenkomsten
en de veiligheid van de zeevaart[166].
Hij was echter ook
betrokken bij de ambassades die in het najaar van 1413 naar de Franse koning
werden gezonden om uit te leggen waarom hertog Jan zonder Vrees het Franse hof
had verlaten en hij werd ook aangesteld tot woordvoerder van de delegatie van
Jan zonder Vrees die tot de Vrede van Atrecht leidde in 1414[167].
In 1416 werd hij dan weer naar de Engelse koning Hendrik V afgevaardigd en hielp
er het Verdrag van Londen tot stand brengen[168].
Niet alleen bij
prestigieuze buitenlandse aangelegenheden werd op zijn kunde een beroep gedaan.
Ook de binnenlandse verhoudingen waren hem niet vreemd.
Zo was hij onder meer
betrokken bij de onderhandelingen naar aanleiding van het conflict tussen de
Bourgondische hertog en de stad Brugge in 1411 omtrent het beruchte “Calfvel”[169].
Als geestelijke deden de
hertogen van Bourgondië eveneens beroep op zijn diplomatiek talent inzake
kerkelijke aangelegenheden. Hij maakte deel uit van de hertogelijke ambassades
op de concilies van Pisa en Konstanz en in 1426 werd hij, samen met de heer van
Roubaix, door Filips de Goede naar de Paus afgevaardigd in verband met zaken “touchoient
mon dit seigneur”[170].
Toen Jan zonder Vrees te
Montereau werd vermoord, werd Hendrik Goethals belast met de officiële
aankondiging ervan aan de Leden van Vlaanderen. Door het wegvallen van Jan
zonder Vrees kreeg hij, als hoofd van de Raad van de graaf van Charolais,
onverwacht de leiding van de hele Bourgondische administratie in handen. Hij
behield deze verantwoordelijkheid tot 7 december 1419, toen Jean de Thoisy,
bisschop van Doornik, de nieuwe kanselier van Bourgondië werd. Daarna bleef
Goethals voorzitter van de Raad wanneer de kanselier zelf afwezig was. In deze
transitperiode fungeerde hij ook als één van de vier gevolmachtigden
onderhandelaars omtrent de aankoop van het graafschap Namen[171].
Telkens wanneer Filips de
Goede Vlaanderen verliet zetelde Goethals in de regentschapsraad om het beheer
van het graafschap op zich te nemen.
Na 1425, wanneer Filips
de Goede opnieuw in Vlaanderen resideerde, trad Goethals nog weinig op het
politieke voorplan[172].
Hendrik Goethals was een
toegewijd en integer diplomaat uit Vlaanderen en hielp de vooraanstaande plaats
van dit graafschap in de uitdijende Bourgondische staat garanderen. Ondanks de
internationale allure van zijn loopbaan is hij altijd verbonden gebleven met
zijn geboortestad Gent. Hij onderhield goede relaties met de Everwijns en stond
op die manier in nauw contact met het Gentse politieke leven wat natuurlijk op
prijs werd gesteld door de centrale overheid.
Er zijn vijf
bastaardkinderen van Hendrik Goethals bekend: Boudekin, Lanskin en Meerkin liet
hij achter bij Catherine De Clerc alias Willaert. De vierde bastaard, Raeskin,
had hij bij Catherine Van Audegem en tot slot had hij nog een kind Calle bij een
vrouw die niet nader gepreciseerd wordt in de bronnen[173].
Boudekin trad in de voetsporen van zijn vader. Hij behaalde aan de universiteit
van Parijs de graad van doctor in de rechten en was advocaat van de Keure te
Gent in 1467-1473. In de jaren 1469, 1471, 1472 en 1473 was hij tevens
pensionaris en afgevaardigde op de Ledenvergaderingen, wat hij ook was op de
Staten-Generaal te Brussel in 1473 en op die te Leuven in 1477.
In 1473, 1474 en 1480
trad hij in de Raad van Vlaanderen op als raadsheer - commissaris en van 1486
tot 1488, het jaar van zijn overlijden, was hij er gewoon raadsheer[174].
Uit de daden die Hendrik
Goethals heeft gesteld kan men afleiden dat hij over een sterke, zelfstandige
persoonlijkheid bezat: door zijn houding tijdens het Schisma moest hij
Vlaanderen verlaten daar hij partij koos voor de paus van Rome, in tegenstelling
tot Filips de Stoute die voor die van Avignon was[175].
Jan zonder Vrees stelde echter zijn persoonlijkheid op prijs en maakte hem
raadsheer. Niettegenstaande dit respect van de kant van zijn meester weigerde
Goethals mee te werken aan het opstellen van de apologie voor de moord op de
hertog van Orléans en ook na de dood van Jan zonder Vrees weigerde hij deel te
nemen aan het tot stand brengen van het Verdrag van Troyes. Hij was een man van
de rationele benadering en vormde dus een uitzondering op de regel van de blinde
gehoorzaamheid aan de vorst[176]
Jan van de Kerchove begon
zijn loopbaan eerst als heerlijk baljuw te Reningelst in 1387. Van 1389 tot 1393
was hij baljuw van de Zale van Ieper en in 1390 nam hij ook tijdelijk het ambt
van baljuw van Ieper waar. In 1393 werd hij verplaatst naar Sint-Winoksbergen,
maar reeds in 1394 werd hem het ambt van schout van Brugge toevertrouwd[178].
In dat jaar was hij ook betrokken bij het proces dat gevoerd werd tegen de heer
van Commines, Colart van der Clite, omwille van zijn schendingen van de
privileges van de gelijknamige plaats. De feiten dateerden van de tijd dat Jan
van de Kerchove er baljuw was[179].
Vervolgens bekleedde hij
de ambten van baljuw van Ieper van 1397 tot 1404, Veurne van 1404 tot 1407 en
Aalst van 1407 tot 1411[180].
Uiteindelijk belandde Jan
van de Kerchove in Gent waar hij definitief zou blijven, eerst als baljuw van
1412 tot 1417 en vanaf 1419 als raadsheer van de Raad van Vlaanderen[181].
Het is in de functie van baljuw van Gent dat hij in de registers van de Raad van
Vlaanderen op 8 maart 1415 (n.s.)[182]
en op 9 september 1416[183]
voor het eerst opduikt. Van dan af aan nam hij geregeld deel aan de zittingen
van de Raad van Vlaanderen, aanvankelijk nog als baljuw, maar tegen het einde
van de regering van Jan zonder Vrees als raadsheer. Tenslotte werd hij op 3 juli
1419 benoemd tot baljuw van de redeningen[184].
In de periode 1416 - 1420 vinden we hem telkens terug in de rekeningen van de
ontvangers van Vlaanderen[185].
Van de Kerchove werd ook
ingeschakeld in diplomatieke aangelegenheden. Zo werd hij in oktober 1409 samen
met Nicole du Chesne afgevaardigd naar de graaf van Holland - Henegouwen om een
eis tot schadevergoeding in verband met de zeeroverij die gepleegd werd door
Hollanders op Portugezen en Vlamingen[186].
Hij was ook commissaris van wetsvernieuwingen: te Ieper in 1399-1401[187]
en te Aalst, samen met Gerard van Maldegem, in 1419[188].
Toen in 1418 te Gent een
epidemie heerste verbleef Jan van de Kerchove in Geraardsbergen, wat er
misschien op kan wijzen dat hij daar een huis had of vandaar afkomstig was. Hij
overleed waarschijnlijk tussen 1420 en 1422[189].
Hij had zeker één zoon, Arnould van de Kerchove genaamd. Deze trad aanvankelijk
in de voetsporen van zijn vader: in 1451 werd hij baljuw van het Houtse
en bleef dit tot 1472. Op 25 juli 1457, werd hij ook tot raadsheer van de Raad
van Vlaanderen benoemd en cumuleerde dus de hoedanigheid van raadsheer met zijn
baljuwsambt. In 1462 oefende hij nog steeds de functie van raadsheer uit, maar
bij de hersamenstelling van het kaderpersoneel van de Raad van Vlaanderen in
1463 werd hij niet meer weerhouden[190].
De familie “van
de Kethulle” was afkomstig uit Pittem, waar ze waarschijnlijk rijke boeren
waren, die een eigen grondbezit en motte uitbouwden en misschien via dienst aan
de regionale adellijke elite de sociale ladder opklommen, tot ze uiteindelijk in
de loop van de 16de eeuw definitief als adel beschouwd werden dankzij de
vorstelijke dienst die vele leden van de familie vervulden. In de door ons
behandelde periode was de familie dus zeker nog niet van adel. In dit geval was
de familienaam niet afgeleid van het toponiem met deze naam in Deerlijk, maar
was het omgekeerd: Kethulle vormde de kern van de heerlijkheid Assche die door
Jan van de Kethulle verworven was. Duidelijk is dat de familie de naam van de
Kethulle al droeg voor ze zich in Pittem vestigden (dit was voor 1300), waar ze
bepaalde connecties hadden met de lokale heren. Er waren ook familietakken in
Tielt en in Wingene, maar het is nog niet duidelijk of de midden 15de-eeuwse
Kethulles in Brugge (dit waren rijke kooplieden) een verwante tak vormen[191].
Jan van de Kethulle
startte zijn loopbaan als klerk van Thierry Gherbode in 1398, hoewel hij dit
misschien al was vanaf het moment dat deze zelf secretaris werd in 1385. In
1393, 1395 en 1396 was hij pensionaris van het Brugse Vrije en werd in deze
functie in 1396 opgevolgd door zijn broer Raas.
In maart 1396 werd hij
aangesteld als hertogelijk secretaris wat hij ook onder Margareta van Male, Jan
zonder Vrees en Filips de Goede bleef. Vanaf ca. 1396 was hij diplomatiek actief[192].
Als vooraanstaand raadsman speelde hij een belangrijke rol in de uitbreiding van de Bourgondische invloed in Frankrijk en de annexatiepolitiek in de Nederlanden. De rivaliteiten tussen de verschillende prinsen van het koninklijke hof waren reeds levendig tijdens de regering van Filips de Stoute en het was in deze optiek dat hij in juli 1400 naar Bretagne reisde om te verhinderen dat de hertog van Orléans voogd zou worden in dit gebied[193]. De diplomaten van Filips de Stoute slaagden in hun opzet. Tussen 1401 en 1403 begaf van de Kethulle zich ook geregeld naar Brabant en Overmaas en naar de vorsten van de aanpalende gewesten Keulen, Gelre en Kleef om besprekingen te voeren over de opvolging van hertogin Johanna[194]. Deze diplomatieke activiteit zette van de Kethulle ook onder Jan zonder Vrees verder. In 1405 bezocht hij twéémaal de koningin van Frankrijk, in mei 1407 begaf hij zich samen met Jehan Valebrecht naar Lübeck om de Hanzesteden een alliantie met de hertog van Bourgondië en met Frankrijk tegen de Engelsen voor te stellen en in september 1413 maakte hij deel uit van het plechtig gezantschap dat Jan zonder Vrees naar de Franse koning te Parijs stuurde om zich te verantwoorden voor zijn vlucht naar Vlaanderen[195]. Na het overlijden van Antoon van Bourgondië in 1415 (slag van Azincourt) en de opvolging in Brabant opnieuw ter sprake kwam werd hij naar de hertogin gestuurd om haar te troosten en om een regeling te treffen in verband met de voogdij. Hij maakte deel uit van het gezantschap dat naar de Brabantse stad Antwerpen werd gestuurd om de stad te trac