| Het edele vermaak. De jacht in de Spaanse Nederlanden onder de Aartshertogen. (Philippe Liesenborghs) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
HOOFDSTUK 2. JACHTTECHNIEKEN IN HET ZEVENTIENDE-EEUWSE EUROPA
Zoals aangetoond werd speelde de jacht een niet te onderschatten rol in het vrijetijdsleven van de Aartshertogen. Voor een beter begrip is het daarom van belang om na de jachtcultuur nu ook de jachtmethodes te overlopen. Hierbij zal aandacht gegeven worden aan de verschillende technieken per bejaagde dierengroep. Naast de uitgebreide hedendaagse literatuur, baseert men zich best ook op verschillende laat middeleeuwse en vroegmoderne bronnen. Het zijn vooral deze, samen met de vele schilderijen en wandtapijten, die de onderzoeker een schat aan informatie kunnen bezorgen. Meestal waren de beschreven of afgebeelde technieken waarheidsgetrouw, al moet men behoed zijn voor symboliek en een niet bijster grote biologische kennis. Zo stelde ondermeer de mythische koning Modus dat het gedrag van een dier bepaald werd door zijn inwendige temperatuur.[252] Deze opvatting beïnvloedde misschien wel het verdere verloop van het boek maar of ze de reële jachtpartijen beïnvloedde is nog maar de vraag. Het zijn dit soort van jachtboeken die een algemene verspreiding in adellijke, en later ook burgerlijke kringen, kenden. Het genre had vooral in de late Middeleeuwen veel succes.
Hoewel de traditie al eerder was begonnen, staan de jachttractaten van de Duitse keizer Frederik II (1150-1250) en Henri de Ferrières aan het begin van een bloeiperiode in het genre.[253] Vooral bij deze laatste moet men oppassen voor de alomtegenwoordige symboliek. Het boek, opgesteld als een vraag- en antwoordgesprek tussen koning Modus en koningin Ratio, behandelt allerlei aspecten uit het jachtbedrijf van de Middeleeuwen: technieken, valkerij, dressuur van de honden, diergeneeskunde,… Opvallend is dat we hier te maken hebben met een haast mythologische vertelstructuur. Het blijft de vraag in hoeverre men dit niet gewoon als een verhaal moeten bekijken dan wel als een echte handleiding voor jagers. Mits een kritische blik kan ook dit jachttractaat echter een waardevolle bron zijn. Van nog groter belang is het Livre de Chasse van Gaston Phébus uit 1391.[254] Hierin krijgt de lezer een uitgebreide en nauwkeurige beschrijving van de verschillende jachttechnieken. Daarnaast is het handboek verlucht met talrijke miniaturen waarin allerlei soorten jachten werden verbeeld. Het is dit boek dat eeuwenlang zou worden herwerkt en de basis zou vormen voor talloze jachttractaten.
Volgens Salvadori zou het genre aan het einde van de veertiende eeuw een belangrijke terugval kennen, al was er een eeuw later al enig herstel merkbaar ondermeer met het werk van Guillaume Tardif L’art de faulconnerie et des chiens de chasse uit 1493.[255] Toch zou het aantal uitgaven pas echt stijgen vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw. Veruit de meest beroemde uit deze periode waren van Jacques du Fouilloux La Vénerie uit 1561 en La chasse du loup van Jean de Clarmorgan uit 1566.[256] Hieruit blijkt dat er aan het einde van de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw nog een levende traditie in het genre heerste. Dat naast deze uitgaven ook nog steeds mythologische werken werden gelezen blijkt uit een heruitgave van Le livre de chasse de roy Modus in 1560. Toch was dit eerder een uitzondering door het vaak verouderde taalgebruik in de middeleeuwse handboeken.[257] Salvadori haalt verder aan dat dit soort van boeken vaak door edelen aan het hof werden geschreven.[258] Soms werden deze zelfs gedicteerd door de vorst zoals La Chasse Royale uit 1625 van Karel IX.[259] Hieruit blijkt de absolute centrumrol die Frankrijk in de west Europese jachttraditie speelde.[260] De technieken die daar werden toegepast, werden in talloze jachtmanualen beschreven en kenden op die manier navolging in de rest van Europa. Het zijn dit soort tractaten die debutanten, bijvoorbeeld jonge edellieden, moesten voorbereiden op de jacht. Hierbij leerde men hen niet alleen een biologische kennis over het te bejagen wild aan, maar ook alle andere knepen van het vak. Zo was het noodzakelijk dat een jager de kennis bezat om zieke honden te genezen en wist hoe hij moest reageren op bepaalde gevaarlijke situaties. Niet alleen beginnelingen maar ook volleerde jagers raadpleegden deze handboeken om hun kennis bij te schaven. Om een goede jacht te beleven moest de lezer de aangereikte methodes opvolgen.
Salvadori is ervan overtuigd dat de jachttractaten ook door gewone plattelandsbewoners, geprivilegeerd of niet, werden gelezen. Zo haalt hij een zin uit Les Ruses innocentes van François Fortin uit 1660 aan, waarbij de auteur zijn uitgave als volgt voorstelde: “ouvrage très curieux, utile et récéatif pour toutes sortes de personne qui font leur séjour à la campagne’’.[261] Tussen 1660 en 1745 verminderde de populariteit van het genre aanzienlijk, hoewel de interesse in de jacht niet zou zijn verminderd.[262]
Op zich verschaffen de individuele handboeken soms zeer weinig informatie over de gebruikte jachttechnieken bij bepaalde diersoorten. Daarom is het van belang om de verschillende jachttractaten naast elkaar te leggen. De vossenjacht komt bijvoorbeeld nauwelijks aan bod in Franse handboeken, zeker in vergelijking met de Engelse geschriften. Om dus een goed beeld te krijgen van de gebruikte Europese jachttechnieken is er daarom een vergelijkende studie tussen al deze werken nodig. Pas dan kan men tot een historisch verantwoorde beschrijving komen. Salvadori legde bijvoorbeeld vier verschillende tractaten naast elkaar en vergeleek het procentuele aandeel van elke dierenbeschrijving in de handboeken.[263]
|
|
Du Fouilloux |
Salnove |
Le Verrier de la Conterie |
Selincourt |
|
edelhert |
70 % |
60 % |
37 % |
52 % |
|
haas |
14 |
8,3 |
17,4 |
27 |
|
everzwijn |
9 |
9,6 |
8,3 |
3,4 |
|
wolf |
0 |
16 |
15,5 |
1,6 |
|
ree |
0 |
4,5 |
6 |
4,6 |
|
damhert |
0 |
0 |
2,4 |
0 |
|
vos |
7 |
1,6 |
9,3 |
10,8 |
|
otter |
0 |
0 |
4,1 |
0 |
Hieruit blijkt dat in alle tractaten de jacht op edelherten het meest aan bod komt. Toch kan men bij het lezen van slechts één bron verkeerdelijk de indruk krijgen dat otters, damherten, reeën en wolven niet of nauwelijks werden bejaagd. Opvallend is het zeer uniforme beeld dat we bij Du Fouilloux krijgen in tegenstelling tot de diverse inslag bij Le Verrier de la Conterie. Om een globaal overzicht aan te kunnen bieden is het lezen van meerdere jachttractaten uit verschillende landen daarom aan te raden. In de inleiding werd al even aangehaald dat het aantal jachttractaten uit de Zuidelijke Nederlanden echter zeer schaars is. De redenen hiervoor zijn verschillend van aard. A.E.H. Swaen vermoedt een geringe neiging in de Nederlanden om de ervaringen te boek te stellen. De weinig talrijke machtige adel met uitgestrekte jachtgebieden kan ook de oorzaak geweest zijn.[264] Uit de Nederlanden is er naast het eerder besproken tractaat over de valkerij, ook nog het waardevolle Jacht-Bedryff. Dit tractaat werd in 1635 in zuid Holland geschreven.[265] De auteur blijft tot op heden onbekend al haalt Swaen aan dat het eventueel door Cornelis Jacbsz van Heenvliet (?-1639) kan geschreven zijn, al zijn hier tot op heden geen bewijzen voor. In dit handboek is er ruime aandacht voor zeer uiteenlopende jachten al valt een bijzondere belangstelling voor de konijnenjacht op. Voorafgaand aan iedere beschrijving is er een tekening van de behandelde diersoort.[266] Het originele handschrift wordt tegenwoordig in de koninklijke bibliotheek te ’s Gravenhage bewaard. Om de jachtcultuur in de Zuidelijke Nederlanden te analyseren kan men zich moeilijk enkel op deze twee jachttractaten baseren. Men zou een te eng en daardoor onjuist beeld verkrijgen. Daarom verruimen we in dit hoofdstuk de geografische context tot geheel west Europa, hoewel ook de meest karakteristieke jachtgebruiken uit de Zuidelijke Nederlanden zullen worden vernoemd. Iedere streek had zijn specifieke jachtgewoontes, toch kan men aannemen dat het overgrote deel van de jachtmethoden in heel het gebied quasi aan elkaar gelijk waren. Dit was een gevolg van de ruim verspreide jachtliteratuur die bijna allemaal op dezelfde vijftiende en zestiende-eeuwse handboeken voortbouwden. Hierbij zullen ook de jachthonden, jachthoorns, wapens en de valkerij besproken worden. Niet alleen de adellijke jachttechnieken maar ook deze van de gewone man komen aan bod.
2. HET JACHTWILD IN WEST-EUROPA
De indeling die in de oude jachtboeken gebruikt werd, maakt een onderscheid tussen groot- en kleinwild waarbij het grootwild verder werd onderverdeeld in rood- en zwartwild. Deze indeling, die sterk verschilt van onze hedendaagse classificaties, baseerde zich op enkele vage uiterlijke kenmerken waarbij vooral de kleur van de vacht belangrijk was. Tot het roodwild behoorden herten, reeën, hazen,…. Onder zwart wild verstond men wolven, otters, dassen, everzwijnen en vossen.[267] Tot het kleinwild behoorden konijnen en zowat alle vogels. De auteur van het Jacht-Bedryff maakte een gelijkaardige indeling, die hier zal worden gevolgd, al gebruikte hij hiervoor andere benamingen: het jaagbaar viervoetig wild, het schadelijck wilt en ’t vliegende wilt. Hierna volgt een uiteenzetting van het meest bejaagde wild in geheel west Europa waarbij ook minder gekende dieren de nodige aandacht zullen krijgen. Bijzonder hierbij zijn de lynx en de Europese wilde kat, toch verdient eerst het edelhert onze aandacht.
2.1. Het jaagbaar viervoetig wild
2.1.1. Het edelhert
Je suis le cerf, à cause de ma teste,
Par les Grecs fuz Ceratum surnommé,
En beauté i’excede toute beste,
Dont à bon droict, ils m’ont ainsi nommé,
Pour le plaisir des Roy ie suis donné.[268]
Slechts weinig dieren kent men zo veel mythologische eigenschappen toe en spreken zo tot de verbeelding als het edelhert, denk bijvoorbeeld maar aan de Sint-Hubertus verering. Deze bewondering komt voort uit zijn kracht, uithoudingsvermogen, machtige gewei en moedige karakter. Het maakte van het dier een waardige tegenstander voor de jager. Zo prijkt er niet alleen een edelhert op de vlaggen van de vele Sint-Hubertusverenigingen maar ook op het wapenschild van de Franse dynastie.[269] Vooral dit hert was uitermate geliefd bij de adellijke jagers, vandaar ook de naam edel-hert.[270] Niet voor niets was deze jacht ook wel bekend als “la chasse royale”.[271] Het mythologische krijgt vooral gestalte in de eigenschappen die men het dier toekent; zo zou het edelhert volgens Du Fouilloux gemakkelijk honderd jaar oud worden.[272] Al deze kenmerken zorgen ervoor dat het edelhert een speciale positie binnenin het christendom krijgt. Zo legde men eeuwenlang de link tussen de tien vertakkingen in een volwassen hertengewei en de tien geboden.[273]
In de jachttractaten geeft men verder een beschrijving van de eet- en leefgewoontes van het edelhert waarbij de auteurs zich geregeld baseerden op de Historia Naturalis van Plinius. Zo haalt Du Fouilloux aan dat men de leeftijd van een hert, volgens Plinius, kan bepalen door te kijken naar de tanden, poten en het gewei. Vaak bevestigt de auteur Plinius’ bevindingen uit eigen ervaring: “Pline dit, que quans le cerf est forcé des chiens, son dernier refuge est auprès des maisons à l’homme, auquel il ayme mieux se rendre que non pas aux chiens, ayant cognoissance de ses plus contraires: ce que j’ay veu par experience.’’.[274] Doel is om de jager over het dier te informeren waardoor zijn kansen op een succesvolle jacht zouden verbeteren. Opvallend is dat men het edelhert steeds als eerste maar ook het uitvoerigste beschrijft.[275] Er moet worden opgemerkt dat men in de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd bij de bestudering van de natuur, in onze ogen, vaak tot zeer vreemde conclusies kwam. Zo geloofde Du Fouilloux dat het edelhert een muzikaal oor had waardoor een fluitspeler met zijn muziek in staat kon zijn om het dier te vangen.[276] Dat het succes bij dit soort technieken valt te betwijfelen spreekt voor zich. Toch worden er ook enkele nuttige tips aangereikt die de jager in staat moesten stellen om een goede jacht te houden. Een mooi voorbeeld hiervan is dat men een oud hert kan herkennen aan zijn grauwe, bijna hese stem. Dit is van belang omdat men tijdens de hertenjacht gebruik maakte van honden, waarbij men het liefst van al een ouder dier bejaagde om de achtervolging korter te maken.[277] Het uiteindelijke duel tussen jager en prooi was immers van veel groter belang. Vandaar dat men zoveel aandacht schenkt aan de leeftijdsbepaling van het edelhert.[278] Een grondige bestudering van het geviseerde hert is daarom van belang: “Par les alleureures le veneur pourra iuger si le cerf est grand est long, et s’il courra longuement devant les chiens: car tous cerfs qui ont longues alleures, courent plus longuement que ceux qui les ont courtes, et sont plus vistes, plus legeres et de meilleure haleine’’.[279]
Om het traceren van het hert te vergemakkelijken gaf men in de jachttractaten tips voor het herkennen van de pootafdrukken van herten. Op die manier kon men, gebruikmakend van een speurhond, de leeftijd en zelfs het geslacht bepalen.[280] Vaak wees men er op dat, afhankelijk van het seizoen, het edelhert zich op verschillende plaatsen ophield. Na het afvallen van hun gewei in febrauri-maart zouden de herten volgens Du Fouilloux zich tot in augustus in het struikgewas terugtrekken omdat ze zich zogenaamd niet meer konden verdedigen.[281] Charles Estienne situeert deze periode echter in juni en juli.[282]
Opmerkelijk is dat het Jacht-Bedryff uit 1635 als één van de weinige jachttractaten ingaat op de bronstperiode en de daarop volgende dracht- en werpperiode van de edelherten.[283] Voor de jacht was dat zeker geen essentiële informatie, toch krijgt men een steeds uitgebreidere biologische uiteenzetting die ervoor zorgde dat de jager het wild steeds beter kon doorgronden en op die manier steeds efficiënter kon bejagen.
Na al deze informatie over het dier gaat men over tot de beschrijving van de jachtmethodes. Zo werd de jager aangeraden om de avond voor de jacht al even te gaan kijken waar de herten zich schuilhielden.[284] Is dit in het kreupelhout dan moest hij in een boom kruipen om het overzicht te bewaren.[285] Twee uur voor zonsopgang moest hij dan terugkeren en opnieuw plaatsnemen in een boom waarna hij enkele honden in het kreupelhout kon loslaten. Op die manier overval je het hert in zijn slaap.[286]
Toch verkoos men meestal de lopende of lange jacht, ook wel aangeduid als la chasse de courre of de parforce-jacht, waarbij men door middel van honden en paarden het wild opjoeg, waarna het van uitputting neerviel. Deze methode zou al onder Lodewijk IX in de tweede helft van de dertiende eeuw actief beoefend zijn. Deze Franse koning ondernam in 1248 een kruistocht naar het Heilige Land. Onderweg werd hij echter gevangen genomen door de Egyptische sultan. Na zijn vrijlating verkreeg hij als geschenk een aantal voor de parforce-jacht geschikte honden, die befaamd werden als de Chiens Gris de St. Louis.[287]
Bij deze jacht was het niet de bedoeling dat de honden het wild aanvielen, deze eer kwam de jager zelf toe. Gek genoeg zien we op jachtscènes de honden het wild juist wel aanvallen. Dit moest het heroïsche en gevaarlijke karakter van de jacht benadrukken.

PAUL DE VOS ism JAN WILDENS, Hertenjacht,
1633-1637. 217x347cm.
Brussel. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten.
Inv nr 2858.
Karakteristiek bij deze jacht zijn het gebruik van jachthoorns, een traditioneel protocol en een vast omlijnde procedure die vaak als volgt verliep. Van te voren werd er een jaagbaar hert opgespoord met een speurhond of limier waarbij men gebruik maakte van de eerder vermelde criteria. Deze honden werden veel strenger opgeleid en waren dus veel gehoorzamer dan de windhonden die enkel het wild moesten opjagen. Op zich waren de speurhonden getraind om geruisloos aan een leiband op zoek te gaan naar het edelhert.[288]

Voorbeeld van een Duitse vijftiende-eeuwse studie van
het looppatroon van edelherten.
Uit: CUMMINS, The Hound and the
hawk, illus. 10.
Er werd gezocht naar uitwerpselen en sporen waarbij het mogelijk zou zijn om het geslacht en de ouderdom van het hert te bepalen. Ondermeer in Duitsland ontwikkelde er zich voor herkennen van sporen een haast exacte wetenschap die zich bezighield met het bestuderen en uittekenen van alle mogelijke varianten van hertensporen.[289] Verder was het belangrijk om de speurhond aan te moedigen tijdens het zoeken. Men raadde het gebruik van Franse woorden aan: “Ho moy, ho moy!” en “Cy va, cy va” waren de meest voorkomende.[290] Eens het hert was gevonden kon men de ouderdom door middel van het gewei, de poten en de hoeven verifiëren. Hierna begaf de verkenner zich naar de “seigneur” van het jachtgezelschap en legde uit waar de rustplaats van het hert zich bevond. De heer besloot dan op basis van deze bevindingen en de meegebrachte uitwerpselen, die hem iets over de conditie van het hert konden vertellen, of en wanneer er op het hert zou worden gejaagd.[291] Na diens beslissing kon het hele jachtgezelschap bestaande uit speur-, wind- en reservehonden, jagers en hun paarden en enkele knechten de volgende ochtend vertrekken. Bedoeling van de reservehonden was om eventuele ontsnappingsroutes van het hert af te blokken.[292] Ze werden op 3 à 4 plaatsen rondom de vindplaats van het hert gestationeerd en konden eventueel worden ingezet als andere honden vermoeid waren.[293] Het doel was om het hert, op de plek die de verkenner eerder had gevonden, op te sporen en op te jagen tot de uitputting het dier bijna fataal zou worden.[294] Hier paste men dus het principe van “Hayr tegen hayr, pluym tegen plym” toe. Niet alleen herten maar ook everzwijnen, reeën, vossen, wolven,… werden op quasi dezelfde manier bejaagd. Om onderling contact te houden hadden verschillende jagers in het gezelschap een jachthoorn bij zich.[295] Deze moest de groep bij elkaar houden en luidde het begin en het einde van de jacht in. Blijkbaar moet dit gebruik aan het einde van de zestiende eeuw verwaarloosd zijn want Du Fouilloux wijst op het belang van de jachthoorn waarbij hij aanhaalt dat er slechts weinige zijn die de hoorn nog juist kunnen bespelen.[296] Verder beschrijft hij de verschillende noten die men op bepaalde momenten moet spelen. Zo moet men om te weten waar iemand zich bevindt één lange noot spelen en wachten op een antwoord waarna opnieuw door twee lange noten moet worden gereageerd. Niet alleen voor het onderlinge contact maar ook om bevelen te geven aan de hondenmeute gebruikte men een jachthoorn. Omdat de honden zich van het jachtgezelschap konden afzonderen bestond immers het gevaar om het overzicht over de hele jacht te verliezen. Daarom gebruikte men de jachthoorn om bevelen door te geven aan de honden, maar ook aan elkaar om op die manier het wild efficiënter te bejagen.[297]
Charles Estienne waarschuwt dat edelherten de honden kunnen verrassen door soortgenoten op te zoeken en zich in de kudde te verschuilen. De jagers moeten er dus steeds op letten dat het hert afgezonderd blijft.[298] Edelherten waren er eveneens voor gekend dat ze het jachtgezelschap trachtten te ontlopen door in het water te springen.[299] Hierdoor verloren de honden het geurspoor en kon het hert ontsnappen. Toch vond men ook hier een oplossing voor door in een meer of rivier een drijvend pond te plaatsen waarop enkele jagers plaatsnamen om eventueel ontsnappende herten “op te vangen”. Getuige daarvan is het in 1729 geschilderde Jacht vanop het water door Johann Elias Ridinger (1698-1767).[300] Een hert zal trouwens nooit tegen de wind ingaan omdat zijn geur op die manier veel sneller verspreid wordt. Daarom zal men in ideale omstandigheden het hert dwingen om in de richting van de wind te laten lopen.[301] Terreinkennis is dus van primair belang vóór men aan de jacht begint, om op die manier de grillen van het hert beter op te kunnen vangen. Een goed jager kent volgens Gaston Phoebus: “… chacun de ses limiers, de ses lévriers et c’est lui quina décidé de la place qu’ils occupent, selon leurs qualités ou leur défauts, au sein de la meute.’’.[302] Ook Henri de Ferrières haalt dit aan, al wijst hij er eveneens op dat de jagers te paard, de honden zo dicht mogelijk moeten volgen om het overzicht te kunnen bewaren.[303]
Nadat het edelhert op het land door de honden in het nauw was gedreven mocht de hoogste in aanzien van het jachtgezelschap met een zwaard of lans de genadeslag of “coup de grâce” uitdelen.[304] Dit moest snel genoeg gebeuren omdat het gevaar bestond dat het hert in een wanhoopspoging zou aanvallen en de honden en jagers daarbij ernstig zou verwonden.[305] Om deze aanvallen te vermijden moest men de honden weghalen.[306] Liger haalt bijvoorbeeld aan dat: “Le cerf est timide de son naturel, mais il craint plus les chiens que les hommes…”.[307] Wanneer het edelhert gedood was, werd de jacht beëindigd door op alle jachthoorns één lange noot te blazen gevolgd door verschillende korte.[308]
Opmerkelijk is dat men aan de vorst of seigneur, indien deze niet aan de jacht had deelgenomen, steeds een rechterpoot als bewijs van de vangst toonde. Onmiddellijk na het doden van het hert werd het eerst gevild en werden de ingewanden verwijderd.[309] Hieraan was een vast ritueel verbonden, de zogenaamde “Curée”.[310] Tijdens dit ritueel werden de honden voor hun inspanningen beloond met de ingewanden van het pas gedode wild.[311] De benaming van dit ritueel zou voortgekomen zijn uit het gebruik om de honden het vlees op de huid of cuir van het hert te geven.[312] Charles Estienne waarschuwt de lezer dat dit zeker niet vergeten mag worden, het maakte immers deel uit van het hele jachtgebeuren. Omdat de parforce-jacht zo traditiegebonden was moest elk deel volgens een strikt patroon worden nagevolgd. De speurhonden kregen bijvoorbeeld de maag en het hart, terwijl de windhonden het volgende kregen: “la ceruelle du cerf, ou pour le mieux, prendra du pain et le découppera par petits loppins en une poësle avecques formage, et tremperale tout avecques le sang tout chaud du cerf .”.[313] Het beste vlees, de filet, kwam de heer zelf toe en werd dezelfde avond nog bereid. Als dank kregen ook de knechten en hondenverzorgers hun deel van de buit, zij het de minder ‘edele’ stukken van het dier.[314] Toch zijn verschillende auteurs niet zo enthousiast over het vlees. Ondermeer Charles Estienne wijst erop dat: “…la chair du cerf est forte dure, de mauvais suc, melancholique, difficile à cuire en l’estomach, et facile à exciter plusieurs grandes maladies.”.[315] Even verder leest men toch enkel positieve bemerkingen: het hart zou goed zijn tegen rillingen, hartaandoeningen, vergiftiging en zou zelfs gebruikt zijn als middel tegen de pest. Het bloed van het edelhert zou dan weer dysenterie helpen genezen. Ook aan de hoorn wordt een geneeskrachtige werking toegekend: “Le corne du cerf bruslée et mise en poudre, prise avec miel fait mourir les vers qui est un signe que la corne de cerf a vertu contre le venin non geures moindre que la licorne.’’.[316] Dit alles werd genuttigd tijdens l’assemblée des veneurs, het samenkomen van de jagers op de avond na de jacht, waarbij men in een feestelijke stemming over de jachtpartij napraatte. Het uitkiezen van de plek waar dit feestmaal zou plaatsgrijpen gebeurde niet willekeurig. Henri de Ferrières zegt hierover: “On choisit alors pour l’assemblée un beau lieu agréable et écarte, où se réunissent les veneurs venant de leurs quêtes, le maître de la chasse et tous ceux qui veulent la suivre.’’.[317] Op deze bijeenkomst besloot de heer welke jagers en honden de volgende keer aan de jacht zouden deelnemen[318] Opmerkelijk is dat Henri de Ferrieres een onderscheid maakt tussen de jacht op het mannelijke en vrouwelijke edelhert, als waren het twee aparte soorten.[319] De auteur verkiest de jacht op het vrouwelijke edelhert omdat: “…la biche qu’il est le plus agréable et le plus amusant de prendre…”.[320]
Niet alleen met de parforce-jacht werden edelherten gevangen, ook met netten, vallen en strikken kon men de klus klaren. Zo beschrijft men in het Jacht-Bedryff de jacht op het edelhert met een geweer of roer: “ ’T beste is dat men achter een peert, wagen oft karre gaet, oft achter een duyn gaet leggen daermen weet dat se haeren wegh voorbij nemen om met het Roer gereet te zijn tegens dat sij daer voorbij comen….Als men schiet van ter sijden soo is ‘best men die boven ‘therte treft… Van vooren schietende dient oock wel gelet datmen recht boven ’t herte inde borst raeckt… Soomen de lendenen in stucken schiet salt datelijck ter neer vallen. Nae ’t hooft schietende dient scherp genomen datmen ’t breijn raeckt.”.[321] Toch waren deze technieken traditioneel gezien veel minder populair dan de lopende jacht. Het edelhert was immers het dier dat door edelen of rijke burgers werd bejaagd, die vooral de voorkeur gaven aan de jacht met honden. Een uitzondering hierop is de eerder beschreven jacht met linnen doeken die vaak op schilderijen werd voorgesteld.[322] Het grote aantal gedood wild dat hierop te zien is, maakt duidelijk dat men in de vroegmoderne tijd steeds vaker te maken krijgt met volledig andere jachtgebruiken waarbij het doden van zoveel mogelijk herten belangrijker schijnt te worden dan het daadwerkelijk achtervolgen. De lakenjacht ging immers hand in hand met de opkomst van het geweer in het jachtgebeuren.[323] Zo doodden de Saksische keurvorsten John George I (1611-1656) en zijn zoon, John George II (1656-1680), tussen 1611 en 1680 met deze jachtmethode 110.530 herten, 54.200 everzwijnen, 6.027 wolven en 477 beren.[324] Bij varianten hierop gebruikte men houten palissades met op het einde een valkuil waar het dier werd ingedreven, al werden deze technieken eerder voor everzwijnen, wolven en ander “zwart wild” gebruikt. Al snel lokte deze vangstmethoden kritiek uit. Het stond immers ver af van de vroegere idealen van de nobele jacht waarbij de jager het fysieke geweld opzocht in plaatse van deze te vermijden. Zo bekritiseerde Charles Estienne de jacht met netten, strikken en doeken als volgt: “… de ces deux façons de prendre les bestes, sont plutost pour les festards, pusillanimes et couards, que pour les gens de fait, qui ayment la chasse, plus pour l’exercice du corps, et leur plaisir, que pour le contentement de la bouche.”.[325]
Er werd al aangetoond dat de lakenjacht en lopende jacht in de Zuidelijke Nederlanden voorkwamen. Dat het aantal edelherten daardoor drastisch daalde in dit dicht bevolkte deel van Europa spreekt voor zich. Al in de dertiende eeuw was de verspreiding van het edelhert in Vlaanderen beperkt tot de bossen van Wijnendale, Nieppe en Houthulst, waar er nog grote dichtheden konden voorkomen. Zeker tot in de zestiende eeuw was er sprake van een vrij grote edelhertenpopulatie in Vlaanderen. In Brabant en Henegouwen daarentegen, waar er veel langer grotere boscomplexen standhielden, bleef het dier tot aan de Franse aanhechting voorkomen.[326] In het uiterste zuiden van de Spaanse Nederlanden hebben er steeds edelherten rondgedwaald. Tot op vandaag leven er in de Ardennen een paar honderd edelherten, die in de herfst selectief worden bejaagd.[327]
Van alle hertachtigen werd het edelhert algemeen aanzien als de meest waardige tegenstander. Reeën en damherten kenden een volledig andere betekenis in de jachtcultuur; terwijl de eerste door het gewone volk fervent werd gestroopt en meermaals illegaal op allerhande markten belandde, werd het damhert vooral in wildparken ter recreatie gehouden.
2.1.2. Het damhert
Van deze door de Romeinen uit Klein Azië ingevoerde hertensoort waren er in het zeventiende-eeuwse Europa geen in het wild levende populaties bekend.[328] Toch kan niet worden uitgesloten dat enkele damherten uit wildparken ontsnapten en tijdelijk een populatie konden vormen. Omdat het dier gewend is aan een volledig ander klimaat kan het in het wild slechts zelden overleven.[329] Damherten werden daarom vooral ter recreatie in de vele wildparken gehouden, bijvoorbeeld in de drie grote aartshertogelijke residenties van de Spaanse Nederlanden. In deze wildparken werden er nauwelijks of geen edelherten gehouden, maar des te meer damherten, waarschijnlijk door diens zachtaardig karakter.[330] De jacht op deze hertensoort stond daarom al snel bekend als een “Chasse des femmes”, die zich in de warandes van de kastelen afspeelde.[331] In slechts enkele jachttractaten wordt er aandacht besteed aan het damhert, Du Fouilloux besteedde er slechts enkele bladzijden aan terwijl hij de edelhertenjacht in vijftig pagina’s beschreef.[332] Henri du Ferrières houdt het op twee pagina’s en Charles Estienne vermeldt het damhert zelfs helemaal niet en dat terwijl hij toch een beschrijving geeft van de jacht rond la maison rustique. Het damhert werd dus niet zozeer voor de jacht in de wildparken gehouden maar wel om een aangename sfeer in de warandes te creëren. Het nabootsen van het Aards Paradijs speelde daarbij een cruciale rol.[333]
De lopende jacht was ook voor deze herten een geliefde jachttechniek al was er geen sprake van een verkennende fase waarbij een knecht en zijn speurhond op zoek gingen naar het hert, omdat de damherten in de onmiddellijke omgeving van het kasteel vertoefden.[334] Henri de Ferrières merkt op dat het geslacht en de leeftijd van het damhert veel moeilijker te bepalen zijn. Zowel pootafdrukken, uitwerpselen, gewei als de slaapplaats kunnen geen volledige zekerheid geven. Eens de jacht van start gaat gebeurd het achtervolgen van het damhert met minder honden dan bij het edelhert, omdat het een minder grote uithouding heeft. Daarom zijn er tijdens deze jacht geen reservehonden of paarden nodig. Volgens Liger zou het damhert, in tegenstelling tot het edelhert, ook niet zo snel zijn toevlucht in het water zoeken.[335]

SNYDERS,
Damhertenjacht,
1624. 220x420cm.
Brussel, Musea voor Schone Kunsten. Inv nr 3229.
Voor het overige blijft de lopende jacht hier volgens eenzelfde stramien verlopen: “…Voeden en Nuttigen als de Herten ende Hinnen En werden oock op de selfde manier Gevangen oft Geschooten”. [336]
Eenmaal op tafel beschouwde men het vlees van het damhert als verfijnder dan dat van het edelhert.[337] Men zou daaruit kunnen afleiden dat het damhert toch tot het populairdere jachtwild behoorde, maar niets is minder waar. De maaltijd na de jachtpartij maakte deel uit van de adellijke cultuur maar was niet de voornaamste reden waarom men op jacht ging. Zoals eerder vermeld ging het veeleer om een tentoonspreiden van macht, status en prestige. De jacht op het edelhert paste beter in dit kader.
2.1.3. De ree
Dit kleine hert stond, net als het damhert, lager in aanzien bij de edele jagers dan het edelhert en wordt door de onbekende auteur van het Jacht-Bedryff zelfs als “Wilde Geijte” aangeduid.[338] Het schuchtere dier wordt slechts kort in de jachttractaten behandeld waarbij er vooral aandacht wordt besteed aan een beschrijving en ecologie van deze hertensoort. Het aantal beschreven jachttechnieken is echter wel diverser, zeker in vergelijking met het edel- en damhert. Oorzaak hiervan is dat het dier zich maar moeilijk met de lopende jacht laat bejagen.[339] Men moest voor deze jacht immers honden met een groot uithoudingsvermogen hebben om de snel lopende reeën hoegenaamd nog maar te kunnen volgen.[340] Deze listigheid is iets waar verschillende auteurs aandacht aan besteedden. Ondermeer Gaston Phoebus wijst erop dat het dier tijdens de achtervolging uitermate onvoorspelbaar is.[341] Liger beschrijft verder dat ook reeën zich in een wanhoopspoging in het water kunnen werpen, al gebeurd dit minder vaak dan bij het edelhert en is het moeilijker om de controle te bewaren.[342]
Ondanks deze onvoorspelbaarheid bleef men reeën, voornamelijk voor het lekkere en voedzame vlees bejagen. Zo meent koning Modus dat het vlees tussen midden mei en midden juni op zijn beste is en dat: “… la chair du chevreuil est la plus saine et la plus nutritive de toutes les bêtes qui existent.’’.[343] Men geloofde dat het gezonde dieet van de reeën hiervan de oorzaak was.[344]

Saksische kruisboog uit 1629,
Londen: Victoria en Albert Museum. Uit: Blackmore,
Hunting weapons, illustratie 71.
Zoals vermeldt was de lopende jacht op ree zeker niet de doeltreffendste methode, waardoor men vaak voor totaal andere tactieken koos. Ondermeer de bersjacht, waarbij de jager het wild tot binnen schootsafstand besloop, was een populaire jachtmethode.[345]
Gebruikmakend van pijl en boog, kruisboog of vuurwapen naderde men geduldig de ree waarna men het dier in het nauw dreef en afschoot.[346] Deze methode hanteerde men vooral tijdens de bronstperiode van de herten, die tussen midden augustus en midden september viel. Gedurende deze periode kon men de herten, en dan vooral het edelhert, al van ver horen brullen waardoor ze gemakkelijker op te sporen zijn. Bijkomend verliezen de dieren op deze momenten hun schuchterheid en merken ze de jager vaak minder snel op.[347] Toch moest men steeds behoed zijn voor een plotse wanhoopsaanval. Men raadde daarom aan om steeds enkele honden ter verdediging met zich mee te nemen, al kon een geoefende jager zonder honden evengoed een geslaagde jacht hebben.[348] Bij varianten op deze tactiek gebruikte men ook wel eens paarden.[349]
Naast deze bersjacht was ook het gebruik van vallen, strikken en netten wijd verspreid, waarbij men het dier steeds naar een bepaalde plaats dreef waar het in een val, strik of net belandde.[350] Reeën waren immers berucht om de schade die ze aan de gewassen konden aanrichtten. Niet verwonderlijk dus dat de ree, mede door zijn ruime verspreiding, een veel gestroopt dier was waarbij het gewone volk gebruik maakte van een grote variatie aan jachttechnieken. Een mooi voorbeeld hiervan is de methode om een ree met een bundel haver te lokken waarna een strik het dier bij de keel greep en wurgde.[351]
Algemeen wordt aangenomen dat reeën tijdens het Ancien Régime veel minder dan andere hertensoorten gebonden waren aan de grote boscomplexen en ook in open weiland voorkwamen.[352] Opvallend hierbij is dat men in 1614 in het Kluisbos enkele reeën en everzwijnen ving om ze elders uit te zetten. Wat hiervoor de precieze reden was haalt Guido Tack niet aan. Wel is duidelijk dat het reeënbestand, in tegenstelling tot vandaag, door stroperij vrij zeldzaam was geworden. Zo reageerde men verbaasd toen men in Hamme in 1601 een ree de Schelde zag overzwemmen. Na de Franse revolutie verdween de ree zelfs volledig uit het Zoniënwoud om pas in het midden van de negentiende eeuw terug te keren[353].
2.1.4. Het everzwijn
Slechts weinig dieren boezemen de jager zoveel angst in als het everzwijn.[354] Zowat alle jachtmanualen vertellen over de brute kracht en het boosaardige, haast wrede karakter van het dier, wat in de schilderijen van Paul de Vos, Frans Snyders en Pieter Paul Rubens te zien is.[355] Volgens Du Fouilloux is het dier vooral te vrezen wanneer het gewond is of in het nauw gedreven wordt. Niet te verwonderen dat hij afraadt om het everzwijn met honden te bejagen.[356] Het is deze angst die de everjacht zo uitdagend en legendarisch maakte.
Hoewel het everzwijn in staat is om lange afstanden te lopen, was de achtervolging niet het aangenaamste moment van de jacht.[357] Het spoor van een everzwijn was bovendien makkelijk te vinden door diens weinig verborgen levenswijze.[358] Het meest geprezen moment van deze jacht was daarom het ogenblik waarop het wilde zwijn zich tegen zijn belagers keerde en de strijd aanknoopte. Het was de ultieme proef voor de edelman om zijn krachten met die van de natuur te meten. Meestal werd het dier met de lopende jacht bejaagd, al werden er best een aantal voorzorgsmaatregelen genomen. Zo moesten de honden een speciaal lederen harnas en halsband dragen om bestand te zijn tegen de beruchtste wapens van het everzwijn, de slagtanden.[359] Dit lederen harnas is heraldisch links te zien op de everjacht uit 1628 van Frans Snyders.

SNYDERS, Everjacht, 1628.
221x501cm.
Boston, Museum of fine Arts. Inv nr 17.322
Naast de tengere windhonden koos men daarom liever voor de robuustere doggen, die op de voorgrond van bovenstaand schilderij van Snyders te zien is.[360] Getuige van het gevaar op kneuzingen bij de jachthonden zijn de vele remedies die ondermeer Du Fouilloux vermeldt. Zo gebruikte men een zalf op basis van allerlei kruiden, waaronder symphitum of smeerwortel, die men op de plek van de wonde uitsmeerde.[361] Charles Estienne weet te vertellen dat: “La chasse du sanglier est beaucoup plus difficile et dangereuse que celle du cerf, parce que le sanglier ne craint aucunement les chiens mais les attend: et souventesfois luy mesme les poursuit iusques dan leur meute, pour les tailles et mettre en pieces avec ses dêts, desquelles la morsure principalamêt au coffre du corpset quasi incurable”.[362] Het everzwijn kon echter niet alleen de honden maar ook de paarden zwaar toetakelen. Men moest daarom de paarden op ruime afstand van het everzwijn houden.[363]

Everzwaarden.
Uit BLACKMORE,
Hunting weapons, 10.
Wanneer de honden het everzwijn uiteindelijk in het nauw hadden gedreven, was de jachtspies het meest gebruikte wapen om het dier te doden.[364] Op zich getuigde het gebruik van een zwaard van meer moed maar dat was natuurlijk veel riskanter.[365] Het zwaard of de spies die men bij de everjacht hanteerde kende een aantal aanpassingen; op het einde van het wapen bevond zich op de lemmet een ronde schijf of enkele weerhaken. Hierdoor vermeed men dat het zwaard te diep in het everzwijn zou worden geduwd en men de controle over het gevecht verloor.[366] Niet alle everzwijnen werden bejaagd; enkel deze die ouder dan vier jaar, volgroeid en in de kracht van hun leven waren, verdienden het om de strijd tegen de honden en jagers aan te gaan.[367] Het was een strijd die zowel van hond als jager veel krachten eiste. Niet verwonderlijk dat men ook hier reservehonden gebruikte, die niet al te jong en onervaren mochten zijn.[368] Terwijl de hazenjacht een soort opleiding voor de jongere honden was, kon de everjacht het best met de meer ervaren, oudere honden gebeuren.[369] Daarnaast was deze jacht geschikt voor de soldatenopleiding. Een echte soldaat moest in staat zijn om een haas te vangen, een wolf te verschalken maar bovenal zich succesvol verdedigen tegen de woeste aanvallen van een everzwijn. Vaak waren het jonge knapen die deze leerschool moesten doorstaan. Pas hierna was men een volwaardige soldaat.[370] Verder schijnt het beloningsritueel voor de honden aan het einde van de everjacht in continentaal Europa minder verspreid te zijn geweest dan op de Britse eilanden. Zo geeft Julians Barnes, in tegenstelling tot de andere geraadpleegde bronnen, wél een korte beschrijving van de “Curée”. Hieruit blijkt dat het ritueel niet veel van de anderen verschilt, al werd de beloning van de honden niet op de plaats van de jacht gegeven maar eerder bij de terugkomst op het jachtslot.[371]
Naast de parforce jacht gebruikte men tijdens de everjacht eveneens zeilen om de dieren in een soort van arena te drijven. Vanaf de tribunes kon men de ultieme doodstrijd gadeslaan. Op die manier kon men het moment van de confrontatie vervroegen omdat het achtervolgen van het everzwijn niet van primair belang was, de strijd tussen mens en dier was dat wel. Naast deze lakenjacht kon men met houten palissades de dieren naar een valkuil toe drijven of de everzwijnen tijdens een stofbad met speren overvallen.[372] Net zoals bij het edelhert maakt Henri de Ferrières trouwens een onderscheid tussen de jacht op het mannelijke en vrouwelijke everzwijn, waarbij men vooral de jacht op de sterkere beer verkoos.[373] Opvallend is het gebruik van vuurwapens tijdens de everjacht, waarvan men ondermeer tijdens de lakenjacht gebruik maakte.[374] Aan het einde van de zeventiende eeuw zien we, zoals eerder vermeld, een steeds frequenter gebruik van het geweer tijdens de jacht. In de Middeleeuwen was het jagen als fysieke proef veel belangrijker dan in de Nieuwe Tijd, toen men het zware werk steeds vaker aan de jachthonden overliet en men enkel nog de genadeslag toediende.[375] Al vanaf de zestiende eeuw was er een sporadisch gebruik van vuurwapens toen de eerste efficiënte voorladers ontstonden. Deze kregen prachtige versieringen, afhankelijk van het gezag en machtsbewustzijn van de eigenaar. Het was een tijd van kunstig gesneden of met inkervingen versierde handvaten, vaak met inlegwerk van ivoor. Al snel werd het voor de gegoeden een populair jachtwapen, hoewel het veel tijd kostte om het geweer, tussen twee vuurbeurten, te herladen. Bijkomend was het zo log en zwaar dat men ondersteuning bij het richten nodig had.[376] Geleidelijk werden de vuurwapens steeds hanteerbaarder en veiliger zodat ze vanaf het einde van de zeventiende eeuw ook van op een galopperend paard kon worden gebruikt.[377]

Zwitsers jachtgeweer,
1619,
Londen, Tower of
London. Uit: BLACKMORE, illustratie 86.
Men ving de everzwijnen ook levend met netten. Zo bezat de Opperjagerij in Brabant zelfs een speciale kar om de wilde zwijnen naar de verschillende warandes te vervoeren. Ondermeer in het park van Tervuren werden er in 1648 everzwijnen uitgezet, die afkomstig waren van het nabijgelegen Meerdaalwoud.[378] Deze jacht met netten wordt in het Frans aangeduid als “déduit royale”, wat er op duidt dat deze jachtmethode zeker niet alleen door stropers werd gehanteerd maar in sommige streken zelfs uitsluitend aan de adel of vorst toekwam.[379]

PEETER SNAYERS, Filips IV schietend op een hert,
180x149cm.
Madrid, Prado. Inv nr 1736.
Het vlees van het everzwijn was volgens Charles Estienne smaakvol, al zou het niet aan hertenvlees kunnen tippen.[380] Getuige hiervan is het veelvuldige voorkomen van everzwijnkoppen in de jachtstillevens van ondermeer Frans Snyders en Jan Fyt.[381] Het vlees had eveneens een helende werking en men kon de urine als een ontsmettingsmiddel gebruiken.
Al vanaf de twaalfde eeuw zou het everzwijn in grote delen van het huidige Vlaanderen zeldzaam geworden zijn, al was het steeds ruimer verspreid dan het edelhert. Zo kon het zijn toevlucht in de kleinere boscomplexen vinden, zoals in 1614 in het Kluisbos en in 1702 in het Wijnendalebos. In de negentiende eeuw zou de soort, een enkele zwerver niet meegerekend, in Vlaanderen uitgestorven zijn al kan de soort zich tot op heden in de Ardennen en Voerstreek handhaven.[382]
2.1.5. Het konijn
Er was eens een kind en een klein lief kind
En een kind van zeven jaren
En het had een boogje al in zijn hand
En een pijltje om mee te schieten.
Jaja schieten
En het spande zijn boogje in zijn hand
En het mikte en het mikte
En het schoot het konijntje dood
Dat er in de warande liepe
Jaja liepe[383]
Het konijn, dat pas in de Middeleeuwen werd heringevoerd, zou doorheen de eeuwen een veel gevraagde leverancier van vlees en bont worden.[384] Van de pels werden lange mantels, buishoeden en bedspreien gemaakt.[385] Wellicht kan de populariteit van het konijn vooral door zijn culinaire succes verklaard worden. In de Middeleeuwen was konijnenvlees een delicatesse, in tegenstelling tot het vlees van de haas, dat een bron van melancholie zou zijn.[386] In talloze parken waren er de zogenaamde konijnenwarandes waar de dieren werden gekweekt tot ze oud genoeg waren om op de grote adellijke banketten te worden geserveerd. Omdat konijnen, zeker in de beginfase van hun herintroductie, niet aangepast waren aan het klimaat in west Europa zorgde men voor kunstmatige broedkamers. Deze bestonden uit hoekige of afgeronde heuveltjes, waarin gangen en holen werden aangebracht. In het Nederlands duidde men deze broedkamers aan als een coninenberch. Geregeld namen deze heuveltjes echter grotere proporties aan. Zo was er te Ename één met een lengte van wel 30 meter, een breedte van 25 meter en hoogte van 1,40 meter. Deze konijnenheuvels werden geregeld verpacht voor een som die afhing van het aantal koppels konijnen die erin verbleven. Zo leverde in het begin van de veertiende eeuw de Brabantse domaniale warandes wel 2000 konijnen op. Nu nog kan men in verschillende parken duidelijke glooiingen vaststellen die waarschijnlijk overblijfselen zijn van zulke konijnenheuvels. Ondanks de verwoede pogingen om de konijnen binnen de warande te houden en ze tegen vossen en marters te beschermen kon men natuurlijk niet vermijden dat er geregeld dieren ontsnapten en er plaatselijk wilde konijnenpopulaties ontstonden. Deze moeten vooral in de omgeving van de duinen succesvol geweest zijn.[387]

Tekening met konijnen.
Uit het
Jachtbedryff, 21.
In de warandes kon men moeilijk over een konijnenjacht spreken, vermits men ze maar gewoon uit hun omheinde kweekruimte moest vangen.[388] Toch werd er in de grotere warandes met fretten op de konijnen gejaagd. Deze al bij de Romeinen gebruikte jachttechniek werd vanzelfsprekend ook op de verwilderde konijnen toegepast.[389] Hierbij was het de bedoeling dat men een fret of bunzing in de konijnenburcht liet binnensluipen waarna de konijnen via de andere pijpen zouden trachtten te vluchten. Aan deze vluchtwegen stond een jager hen op te wachten of bedekte men de uitgangen met netten. Af en toe werden fretten ook echt opgeleid om de konijnen zelf uit de burchten te halen.[390] Het aandeel van de konijnenjacht in de jachttractaten hangt samen met het al dan niet veelvuldig voorkomen van het konijn in de streek waar het werk werd geschreven. Zo is er een uitgebreide beschrijving van de jacht op konijnen in het Jacht-Bedryff dat geschreven werd in het westen van het huidige Nederland waar steeds een overvloed aan konijnen in de duinen aanwezig is geweest. Du Fouilloux daarentegen besteed er slechts enkele bladzijden aan. Eigenlijk kan men stellen dat de aandacht in het Jacht-Bedryff eerder een uitzondering dan regel was, voornamelijk doordat edelen neerkeken op deze jachtvorm. Het was een te gemakkelijke en te weinig opwindende jacht.[391] De weinige technieken die in de jachtboeken voorkomen behandelen varianten op de eerder beschreven jachtvorm met fretten.
Charles Estienne haalt aan wat de voornaamste redenen voor de konijnenjacht moeten zijn: “la chasse est profitable, non seulement pour la viande qui en est fort bonne: mais aussi pour le dommage que ce petit bestail apporte aux grains, arbres et herbes…”.