Het edele vermaak. De jacht in de Spaanse Nederlanden onder de Aartshertogen. (Philippe Liesenborghs)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

HOOFDSTUK 1. ROL VAN DE JACHT AAN DE AARTSHERTOGELIJKE HOVEN VAN ALBRECHT EN ISABELLA

 

1. INLEIDING

 

Tijdens het bewind van de Aartshertogen was er een opleving op politiek, sociaal, economisch en cultureel vlak. Zeker de periode van het Twaalfjarige Bestand (1609-1621) werd gekenmerkt door een algemene heropbloei na de troebele jaren aan het einde van de zestiende eeuw. Deze ommekeer was eveneens merkbaar aan de drie grote adellijke hoven van Albrecht en Isabella: Mariemont, Tervuren en de Coudenberg. Zo kwam er een Spaanse in plaats van Bourgondische hofhouding. Daarnaast werden de kastelen uitgebreid en gerenoveerd, de tuinen en wildparken verfraaid. Het is in deze context dat de jacht in adellijke kringen terug aan populariteit zou winnen, nadat de godsdienstoorlogen het aristocratische leven grondig hadden verstoord.[17]

In dit hoofdstuk zal de betekenis van de jacht aan de aartshertogelijke hoven worden besproken en zal worden bekeken in hoeverre deze vrijetijdsbesteding er al dan niet frequent werd beoefend. Vooral over de architecturale veranderingen aan deze adellijke hoven en tuinen zijn we goed ingelicht. Vaak werden deze in functie van de jacht aangepast. De meer specifieke jachtgewoontes blijven moeilijker te achterhalen vooral door een gebrek aan goed bronnenmateriaal. Hierdoor zal onze aandacht naar de rol van de tuinen en wildparken in de jacht -en hofcultuur gaan. Ook in het interieur van Mariemont, Coudenberg en Tervuren is er een verandering merkbaar: het aantal wandtapijten en schilderijen met jachtscènes en stillevens stijgt. Vraag is nu wat hiervan de oorzaak was en in hoeverre we kunnen spreken van een kunstmecenaat. Tijdens het Twaalfjarig Bestand stijgt ook het aantal jachtdecreten. Wat was hiervoor de reden?

Doel is om te bestuderen of de jacht als vrijetijdsbesteding bij de Aartshertogen net zo populair was als aan andere Europese hoven en in hoeverre het dus het hofleven bepaalde.[18] Als tijdsperiode verkozen we het aantreden van aartshertog Albrecht in 1598 tot aan zijn dood in 1621. Na diens overlijden zal Isabella een meer teruggetrokken en devotioneel bestaan leiden, waarin de jacht een veel minder belangrijkere rol dan voorheen speelde.[19]

De jaren 1585-1598 worden in de geschiedschrijving doorgaans als beslissend voor de Spaanse Nederlanden beschouwd. De val van Antwerpen in 1585, de moeizame herovering van gebieden op de Verenigde Provinciën en de fatale vergissing van Filips II om na deze overwinningen zijn troepen tegen Engeland en Frankrijk in te zetten, met de vernietiging van de Spaanse Armada in 1588 tot gevolg, zorgde op termijn voor een verandering van tactiek.

Zolang Spanje een eersterangsrol in Europa wilde spelen, was het behoud van de Spaanse Nederlanden een absolute prioriteit. Om het bestuur efficiënter te maken en het gebied vrij te houden van al te veel anarchie opteerde Filips II daarom op 6 mei 1598 in de Akte van Afstand om zijn soevereiniteit in deze gebieden af te staan aan zijn dochter Isabella en haar echtgenoot aartshertog Albrecht. Ze kwamen beiden in Brussel aan op 5 september 1599. Toch zou deze overdracht gepaard gaan met een paar voorwaarden, opgelegd door Filips II. Zo zou Spanje ten allen tijden mogen beschikken over een aantal garnizoensteden in de Nederlanden en moest het katholicisme als staatsgodsdienst behouden blijven. Veruit de bekendste voorwaarde was dat indien het huwelijk van de Aartshertogen kinderloos bleef, de Nederlanden terug onder Spaans bestuur zouden komen.

Albrecht en Isabella regeerden zelfstandig, hadden diplomatieke vertegenwoordigers aan hun hof en traden op als geallieerden van Spanje. Ook in de Verenigde Provinciën hadden zij jurisdictie, alleen werd deze daar niet aanvaard zodat de Aartshertogen enkel over de Zuidelijke Nederlanden hun gezag konden laten gelden. Ze poogden zich als echte vorsten te profileren en de adellijke macht zoveel mogelijk in te perken onder meer door hun macht in de Raad van State systematisch uit te hollen en door vele adellijke families te paaien met een benoeming aan het hof. Toch hielden ze in zekere mate ook rekening met de eisen van de Staten-Generaal, zeker in de crisisperiode van 1632-1634.[20] Vaak wordt hun aandeel in de katholieke hervorming beklemtoond, met ondermeer de bouw en renovatie van vele kerken en kloosters, zoals de basiliek van Scherpenheuvel.[21] Toch lag, zeker in eerste instantie, de nadruk vooral op herovering van de Verenigde Provinciën. Dit zou echter mislukken, al vonden ze in Spinola een bekwaam veldheer die ondermeer Oostende zou innemen in 1604, zij het na een drie jaar durend beleg.[22]

Toen Spanje uiteindelijk in 1609 wegens geldgebrek een wapenbestand aanvaardde betekende dit het begin van het Twaalfjarige Bestand, waarna het geweld echter terug zou losbarstten. Tijdens deze twaalf jaar durende “vrede” kon het economische en culturele leven zich enigszins herstellen.[23] Hierdoor werd het hofleven in de Spaanse Nederlanden terug opgebouwd. In de loop der jaren moesten de aartshertogelijke hoven zeker niet onderdoen voor deze van de omringende landen. Na het overlijden van Albrecht in 1621 nam Isabella als landvoogdes het bestuur op zich en kreeg zij in 1632 te maken met een politieke crisis, ondermeer veroorzaakt door de val van ’s-Hertogenbosh in 1629. Er brak hierdoor een samenzwering van edelen uit die succesvol kon worden bezworen in 1634. Het jaar ervoor was Isabella echter gestorven en kwam er een einde aan een aartshertogelijke bewind dat bijna 35 jaar had geduurd.[24]

 

 

2. DE AARTSHERTOGEN OP JACHT

 

Omdat Albrecht en Isabella gedurende korte periodes afwisselend in de drie grote residenties van Mariemont, Tervuren en de Coudenberg verbleven, en van daaruit regeerden, is het noodzakelijk om deze kastelen apart te bekijken en te bestuderen wat de betekenis van de jacht- en wildparken op elk van deze plaatsen was. Hierbij zal ook Bosvoorde even ter sprake komen, dat al onder de Bourgondische hertogen een belangrijk jachtslot was maar in verval raakte aan het einde van de zestiende eeuw en pas in de daarop volgende decennia zou worden gerehabiliteerd. Vooreerst zal worden ingegaan op Isabella’s meest geliefde buitenverblijf, Mariemont.

 

2.1. Mariemont

 

Van deze eens zo invloedrijke residentie in de bossen nabij Morlanwelz bleef na de verwoestingen door Franse troepen in 1794 niet veel meer dan wat ruïnes over, die tot op heden bewaard zijn gebleven. Onder impuls van de familie Warocqué zou er in 1831 elders op het domein een neoclassistisch kasteel worden opgetrokken onder leiding van architect Tilman-François Suys. De bourgeois familie Warocqué speelde de hele negentiende eeuw een belangrijke rol in de steenkoolontginning in de onmiddellijke omgeving van Morlanwelz.

Raoul Warocqué verzamelde er een indrukwekkende reeks kunstwerken, en legateerde die door aan de Staat in 1917, die er vanaf 1921 een museum van maakte.[25] In 1960 brandde het kasteel echter af en werd het overblijvende gebouw in 1962 geïntegreerd in het huidige Musée Royal de Mariemont.

De geschiedenis van het domein in Mariemont begint echter meer dan 400 jaar eerder, namelijk in 1545. In april van dat jaar verkreeg Maria van Hongarije (1505-1558), sinds 1531 de landvoogdes van Karel V in de Nederlanden, “le bénéfice viager des ville et terres de Binche” en stelde ze Jacques Dubroeucq aan als architect voor de bouw van een kasteel dat in renaissance stijl werd opgetrokken, geïnspireerd op de Loire kastelen uit Frankrijk.[26] Het was eerder sober ingericht, zodat het zeker niet de grandeur had van het Coudenberg paleis. Het domein besloeg in een eerste fase nog “maar” 45 hectaren, terwijl het later zou worden vergroot tot 81 hectaren.[27]

Gepassioneerd door de jacht wou Maria van Hongarije een jachtslot creëren op een heuvel aan de rand van het bos van Morlanwelz, op enkele kilometers van Binche (vandaar de naam Marie-mont). De tuin zou in eerste instantie worden ingericht in Italiaanse stijl met hagen, een gevarieerde flora met vele bloemenperken en verschillende fonteinen. In het midden van de zestiende eeuw was er op het domein ook een fazantenkwekerij en verschillende paardenstallen, speciaal bedoeld voor de jacht.[28] De grote boerderij, La Malaise, zorgde voor de geldmiddelen om het domein te onderhouden en het dagelijkse voedsel voor de gasten van het kasteel, dat werd aangevuld met geschoten wild. Vooral ten oosten van het slot was de omgeving sterk bebost en dus een ideaal jachtgebied. Mariemont was in die zestiende eeuw in de eerste plaats een buitenverblijf. Het was geen permanente residentie voor de landvoogden zoals dat in de zeventiende eeuw steeds vaker zou gebeuren.[29] Op 21 juli 1554 zou het aristocratische verblijf in vlammen opgaan nadat het door de Franse koning Hendrik II (1519-1559) zelf in brand zou zijn gestoken na een conflict tussen Frankrijk en Spanje. Maria van Hongarije bleef echter niet bij de pakken zitten en gaf Dubroeucq tussen 1555 en 1560 de leiding over de restauratie van het kasteel. Na de dood van de landvoogdes in 1558 speelde Mariemont bijna 40 jaar lang een beduidend minder belangrijke rol, hoewel er nog op geregelde tijdstippen bezoeken waren en er gedurende deze periode steeds personeel op het kasteel verbleef.[30]

 

Reconstructie van Mariemont ten tijde van Maria van Hongarije.
Uit: Meersman, Het domein en jachtslot van Mariemont ten tijde van Maria van Hongarije

 

Aan deze periode kwam een einde met het aantreden van de Aartshertogen Albrecht en Isabella. Het is niet exact geweten wanneer ze zich voor het eerst naar Mariemont begaven, maar omdat ze beiden gepassioneerd waren door de jacht zochten ze waarschijnlijk al vrij snel na de aanvang van hun regeerperiode naar geschikte plekken om hun favoriete sport te beoefenen.[31] Door de voorliefde die Maria van Hongarije voor het gebied had, kwam het snel onder de belangstelling van de Aartshertogen en kreeg Mariemont een bijna koninklijke status. Het zou deze, zij het met hoogtes en laagtes, gedurende heel het Ancien Régime blijven behouden. Aan het begin van de zeventiende eeuw was het een echt lusthof waarbij de Aartshertogen er twee maal per jaar enkele weken verbleven, meestal aan het begin van de lente en de herfst.[32] Ze zochten er de rust en de genoegens van het plattelandsleven. Naast de visvangst en de dagelijkse wandelingen te voet of te paard was de jacht op zo’n momenten één van de meest geliefde vrijetijdsbestedingen. Isabella vond het leven op het platteland: “het aangenaamste van allemaal”.[33] Wanneer de jacht en het weer tegenvielen klinkt er een veel pessimistischere beschrijving: “Onze jachten in Mariemont verliepen zeer slecht. Er waren geen everzwijnen en het weer was zo ongunstig dat we niet naar buiten konden gaan, naar het park en de tuinen, wat neerkomt op eenzelfde soort leven als in Brussel, behalve dat er minder entourage is. De voorbijgaande tijd in Mariemont viel zwaar voor mij…Het was ook zeer koud.”.[34]

 

DENIJS VAN ALSOOT, Het kasteel van Mariemont vanuit vogelvlucht. 1620. 163,5x233,5 cm.
Brussel, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten. Inv nr 197

 

Volgens sommige auteurs zou vooral Albrecht een uitgesproken jager geweest zijn, toch moet hij door zijn jicht vaak verstek hebben laten gaan en is het dus gevaarlijk om zulke conclusies te trekken.[35] We mogen aannemen dat zowel Albrecht als Isabella even fervente jagers waren, hoewel ze beide natuurlijk bepaalde voorkeuren hadden. Zo verkoos de Infante naast de jacht met de kruisboog ook deze met de haakbus, waar ze volgens De Villermont een zekere aanleg voor had.[36] Toch beschouwde Isabella contradictorisch genoeg, zoals zoveel edelen, de jacht met het geweer als ongepast en “vernederend”.[37]

Het is vooral de reigerjacht die Albrecht en Isabella het meeste aansprak. Op deze dieren werd jacht gemaakt met valken.  Het was een krachtmeting van vogel tegen vogel waarbij men het oude Brabantse principe “Hayr tegen hayr ende pluym tegen pluym” in de praktijk bracht. In adellijke kringen was het de populairste jachtvorm en werd het gedefinieerd als “la plus noble chasse”.[38] Net zoals vele andere adellijke residenties bezat ook Mariemont een reigerij waar de vogels in afwachting op de jacht werden gehouden. De Aartshertogen beschikten eveneens over een “grand fauconnier de la cour” of hof-valkenier, die ondermeer instond voor de vangst en bescherming van reigers in de omgeving van Mariemont. Voor de verzorging van de twaalf valken was er een “chef des fauconniers” of meester-valkenier die tijdens de reigerjacht de algemene leiding over het gezelschap had. Dat de kosten van dit alles al snel de hoogte in liepen hoeft geen betoog. Al aan het begin van hun regeerperiode kochten de Aartshertogen bijvoorbeeld 29 roofvogels waarvan een deel in Mariemont werden gehouden: 25 bruine giervalken uit Noorwegen en Ijsland, één witte giervalk en drie sperwers.[39] Enkele van deze dieren waren trouwens bedoeld als geschenk voor de Franse en Spaanse koning en voor de hertog van Lotharingen. Op hun beurt kregen Albrecht en Isabella ieder jaar ook enkele valken cadeau van vorstenhuizen over heel Europa.[40] Niet alleen valken ook honden werden als geschenk aan de verschillende vorstenhuizen gegeven. Zo schonk Albrecht in 1612 verschillende koppels doggen, vijf koppels terriërs, vier koppels windhonden en vier Spaanse honden aan de koning van Engeland. In hetzelfde jaar verkreeg de Aartshertog een hondenmeute van de prins van Condé. In 1618 verkreeg hij nog aantal honden van de hertog van Croy.[41] Deze diplomatieke geschenken moesten de vriendschapsbanden tussen naties beschermen, behouden en vernieuwen. Dit soort van presentjes getuigde van een onderling respect waarbij jachthonden en valken, kenmerkend voor de adellijke levenswijze, als ideale geschenken werden aanzien.

In Mariemont werden de Aartshertogen vooral door de vrijheid gecharmeerd, die in schril contrast stond met de strenge etiquette op het Coudenberg kasteel.[42] Heel het domein kreeg daarom na de jaarlange verwaarlozing aan het einde van de zestiende eeuw een grondige opknapbeurt. Zo beval de aartshertog vrijwel onmiddellijk enkele restauratiewerken. Tussen 1606 en 1610 waren er grote uitbreidingswerkzaamheden onder leiding van de architect Wenceslas Coberger. Er werd een galerij en kapel bijgebouwd en men schonk meer aandacht aan de afwerking binnenin het kasteel: schilderijen, wandtapijten en standbeelden moesten het vroeger eerder sobere interieur helpen verfraaien. Eén van de galerijen was trouwens gewijd aan het werk van Michel Coxie (1499-1592). Voor de aanpassingen aan het kasteel van Mariemont inspireerde Coberger zich op Aranjuez, een Spaans jachtslot ten zuiden van Madrid.[43] Er kwamen vier hoektorens en een kloosterhof bij.[44] In 1618 zouden er nog werkzaamheden volgen waardoor Mariemont evolueerde tot een echt prestigieus paleis. Hierdoor namen de Aartshertogen steeds vaker van hieruit hun bestuurlijke beslissingen. Getuige daarvan zijn de vele brieven, teksten en decreten die er werden ondertekend.[45] Het domein zou overigens vanaf 1599 worden uitgebreid van de 81 hectaren onder Maria van Hongarije tot 483 hectaren, ondermeer door de aankoop van parken van een aantal edelen.[46] Voor het ontwerpen en herinrichten van de tuin kozen de Aartshertogen tussen 1599 en 1604 voor de architect en ingenieur Pierre Le Poivre die inspiratie haalde uit het koninklijke domein van Aranjuez waar Isabella een groot deel van haar jeugd had doorgebracht.[47] In één van haar brieven schrijft ze zelfs dat de jachtpartijen in Mariemont door de dichter begroeide bossen veel moeilijker zijn dan die in Aranjuez. Er werd door haar geijverd om het Spaanse landgoed zo goed mogelijk te benaderen, wat haar voorliefde voor het gebied aantoont. Toch liet ze de dichte ondergroei in de bossen van Mariemont niet verwijderen.[48] Wel werd er, ter vervanging van de vervallen stenen muur, een houten palissade rondom het domein opgesteld die het park moest beschermen tegen dieven maar ook ter voorkoming van “het binnendringen van vossen en het ontsnappen van konijnen en hazen”.[49] Toch wisten elk jaar wel enkele dieren te ontsnappen, die aan de nabijgelegen akkers grote schade konden aanrichtten.[50]

 

JAN I BRUEGHEL, Mariemont, het park en het kasteel (detail). 1612.
Olie op doek. Dijon, Musée de Dijon. Inv nr CA 102.

 

Ook onvoorzichtige jachtgezelschappen, die met hun paarden en honden de teelten vertrappelden, zorgde voor hevige reacties onder de lokale bevolking. Net zoals dit bij Maria van Hongarije de gewoonte was werd de aangerichte schade meestal door de Aartshertogen vergoed.[51] De boven vermelde omheining is goed te zien op een schilderij uit 1612 van Jan I Brueghel, beter bekent als de ‘Fluwelen Brueghel’.[52] Men bemerkt tevens de lange, kaarsrechte Chaussée Brunehaut, die de ingang van het domein met jachtslot verbond. Op het schilderij ziet men langs deze invalsweg ook het kloosterhof en La Malaise.[53] Naast de Chaussée Brunehaut werden er nog zeven andere bomenlanen aangelegd of hersteld. Doel was om vanuit het jachtslot een goed zicht of vista doorheen de bossen te verkrijgen waarbij ook de centrumrol van het kasteel werd benadrukt, een typisch barok tuinideaal.[54] Om dit alles in goede banen te leiden werd er een parkwachter aangesteld, Loys Patte, die deze functie van 1598 tot aan zijn dood in 1619 op zich zou nemen. Hij hield toezicht op de bovenvermelde werkzaamheden.[55] In 1611 stelden Albrecht en Isabella ook Jean Hecq aan als “garde des bois, buissons et sauvagine”, deze stond ondermeer in voor het onderhoud en de aanplantingen in de bossen zodat het wild steeds goede schuilplaatsen kon vinden. Verder hield hij toezicht over de konijnenkwekerij en zorgde hij ervoor dat de dieren van het park in een goede conditie bleven. Zo stonden verspreid op het domein verschillende ruiven en schuren die het wild door de soms harde winters heen moest helpen.[56]

Op de meer afgelegen plaatsen van het park bouwde men houten schuilplaatsen met wapenrekken zodat men ook daar kon jagen. Het wild trachtte in deze stukken van het park immers zijn toevlucht te zoeken. Om de dieren te lokken plantte men in het bos talrijke struiken, zodat konijnen, hazen en allerlei vogels er een geschikt habitat vonden.[57] In het verlengde daarvan zou Albrecht in 1606 speciaal ter bescherming van “zijn” patrijzen een aanpalend terrein hebben aangekocht en dit hebben laten herbebossen. Toch werden niet alle openliggende stukken met bomen beplant. Vanuit het jachtslot had men daardoor een schitterend uitzicht op de omgeving. Dit veranderde toen Karel van Lotharingen in de achttiende eeuw ook deze gronden liet bebossen.[58]

Dat er zoveel aandacht aan de dieren op het domein werd geschonken is niet zo verwonderlijk. Zo werden er ook in Aranjuez bossen aangeplant om allerlei vogels en grof wild aan te trekken.[59] In Mariemont werd op deze dieren jacht gemaakt, hoewel ze ook een rol speelden in het creëren van een soort paradijselijke tuin. Net zoals in het Aards Paradijs kwamen er in zulke tuinen tal van diersoorten voor. John Prest geeft aan dat ondermeer Roelandt Savery (1576-1639) een meester was in het weergeven van dergelijke Paradijselijke scènes. In deze idyllische voorstellingen leven alle dieren, zelfs wolven en schapen, vreedzaam naast elkaar.[60] Door de Zondeval werd dit evenwicht verstoord. Met het nabootsen van dit Aards Paradijs trachtte men dus weer naar de tijd van vóór de zondeval te gaan. Het samenbrengen van zoveel mogelijk planten en dieren versterkte deze gedachte.[61] Het maakte de dagelijkse wandelingen door al die levendigheid natuurlijk ook des te aangenamer. In een aantal schilderijen, waarop de Aartshertogen in Mariemont een wandeling doorheen het park maken, komt deze dierenrijkdom duidelijk naar voren. Een goed voorbeeld hiervan is De Infante Isabel Clara Eugenia in het park van Mariemont van Jan I Brueghel in het Prado Museum van Madrid.[62]

Naast al deze “wilde” fauna waren er ook gedomesticeerde dieren. Het belang van honden voor de jacht spreekt voor zich, vooral windhonden (“lévriers”) waren door hun snelheid en wendbaarheid erg populair. In Mariemont zouden er tevens spaniëls en terriërs tijdens de jacht gebruikt zijn.[63] In 1602 werd daarom de bestaande kennel vergroot om plaats te kunnen bieden aan zes koppels jachthonden die werden verzorgd door Gaspar Darlois, die voor de voeding van de dieren instond, en Pierre Grart die voor eventueel zieke dieren de nodige medicijnen moest leveren.[64] Dat Isabella een nauwe band had met haar honden blijkt tevens uit het portret van een anonieme Vlaamse meester. Hierin wordt de Aartshertogin afgebeeld met een groot aantal van haar jachthonden. Volgens sommigen zou de afgebeelde vrouw echter Doña Juana de Lunar zijn, de kamermeid van de Infante.[65] Niet alleen Isabella maar ook Albrecht moet een zekere affectie voor zijn jachthonden gekend hebben. Dit blijkt uit een portret van hem uit 1573/1574.[66] Aan het Spaanse hof speelden honden een belangrijke rol in het dagelijkse leven. Men liet zich vaak met deze dieren portretteren. Zo voegde Titiaan (1487/90-1576) geregeld honden aan zijn hofportretten toe. Het was een uiting van de adellijke levensstijl waarbij jachthonden ook symbolisch konden verwijzen naar de trouw. Door deze Spaanse context in acht te nemen wordt het duidelijk waarom de Aartshertogen belang hechtten aan hun portretten met jachthonden. Niet verwonderlijk dat Jan I Brueghel interesse toonde voor hun honden. Getuige daarvan is een dierenstudie uit 1616 met verschillende windhonden en spaniëls.[67] Deze studie zou de basis vormen voor tal van series die gewijd waren aan de jacht van Diana met haar nymfen.[68]

 

JAN I BRUEGHEL. Hondenstudie.
Paneel, 34,5x55,5 cm. 1616.
Wenen, Kunsthistorisches Museum, Gemäldegalerie, Inv. nr6985.

 

Omdat paarden een belangrijke rol speelden aan het hof, ondermeer tijdens de jacht maar ook voor het vervoer van allerhande goederen, werd er in 1601 een korenschuur op het domein omgevormd tot een stal en werd Floris Beghin als verzorger aangesteld. Deze stal is te zien aan de rivier La Haine op het voorplan van het eerder vermelde schilderij van Jan I Brueghel uit 1612. Hoeveel paarden er specifiek voor de jacht werden gebruikt kon niet worden nagegaan, wel weet men dat de Aartshertogen tijdens de verplaatsingen tussen Coudenberg, Tervuren en Mariemont hun meest geliefde paarden steeds meenamen. In 1614 waren er dit slechts drie.[69] Vooral Isabella moet bedreven zijn geweest in de paardrijkunst: “On dit que l’Infante maniait le cheval avec une véritable maitrise...’’.[70]

Dat Maria van Hongarije en later ook de Aartshertogen Mariemont als jachtgebied verkozen is niet toevallig: de uitgestrekte bossen met afwisselende open stukken grasland, steeds gelegen in de nabijheid van een beek of rivier, zorgden voor ideale jacht- en ontspanningsmogelijkheden.[71] Isabella schreef op 10 oktober 1607 hierover: “…het weer is zo zacht geweest en het omringende land zo mooi, dat ik goede smaak van de koningin Maria herkende”.[72] Het is dan ook te begrijpen waarom Karel van Lotharingen, zelf een verwoede jager, vanaf ongeveer 1750 dit gebied als zijn uitverkoren jachtterrein verkoos, ver weg van de dagelijkse beslommeringen in Brussel. Niet enkel de bossen in de onmiddellijke omgeving van het kasteel vormden hiervoor de ideale omgeving maar het gehele koninklijke domein van Binche tot soms zelfs ver daarbuiten werd regelmatig bezocht. Onder Albrecht en Isabella moet dit niet anders zijn geweest, vermitst het park alleen onmogelijk de grote jachtdruk aankon.[73] De omringende bossen waren er “pour leur plaisir et passetemps” waarbij er enkel door de Aartshertogen en het hof mocht in worden gejaagd.[74] Stropers werden er hard aangepakt: bij een eerste overtreding betaalde men 50 daalder boete plus per gedood of verwond dier nog eens 25 tot 50 daalder, bij een volgende overtreding bedroeg dit al het dubbele en bij een eventuele derde misstap volgde er een gevangenisstraf. In 1612 alleen al zouden er twaalf inbreuken op dit jachtrecht gebeurd zijn.[75] Over het algemeen verweten jagers de stropers dat ze jaagden zonder dat ze hiertoe het recht bezaten en dat ze bovendien de jagerscode niet respecteerden. Stropers maakten er immers geen punt van om een haas in zijn leger te overvallen, fazanten op de grond neer te schieten of eenden op het water te doden. Voor een edelman was dit ongepast. Stropers hielden volgens hen, ironisch genoeg, geen rekening met het welzijn van het wild. Toch moet opgemerkt worden dat stropen enkel strafbaar was indien men de dader op heterdaad betrapte, anders mocht deze het gevangen wild legaal behouden.[76]

In en rond Mariemont schoot men op dam- en edelherten, everzwijnen, vossen, vogels (o.m. op zwaluwen, houtsnippen en lijsters), konijnen, hazen, fazanten en zelfs wolven. Dit toont de grote ecologische rijkdom van de omgeving van Morlanwelz aan.[77] De vermelde carnivoren werden niet voor hun vlees geschoten, maar wel omdat ze het park door de houten palissade konden binnendringen waardoor ze een bedreiging voor het wild in het park vormden.[78]

Het was vooral Isabella die in haar brieven aan de Spaanse koning Filips III (1578-1621) en de hertog van Lerma, vaak over de genoegens van het leven in Mariemont vertelde. Zo beschreef ze in één van deze brieven een jachtpartij in juli 1610 als volgt: “Ik zal nu iets vertellen over onze jacht in Mariemont… op een ochtend vertrok ik om een hert neer te schieten. Mijn kozijn (aartshertog Albrecht) bracht me naar een schuilplaats en toonde me een jachttechniek die maar weinig mensen kennen. Vlakbij mij bevond zich de hertog van Umala…. Even later kwamen vier herten tot vlakbij ons, ik viseerde één en schoot met mijn kruisboog. Nog nooit in mijn leven voelde ik zo een woede en tegelijk zo een vreugde, omdat de hertog ervan overtuigd was dat we allen de dood zouden vinden”.[79] Deze levendige beschrijving toont hoe gevaarlijk de jacht kon zijn. Uit het citaat blijkt de spanning die Isabella tijdens de jacht beleefde en met welke sérieux ze het aanpakte. Het is een spel maar één die wel met grote concentratie moet worden gevoerd. Vaak nam ze van op haar paard de leiding over de jacht.[80] Deze gedrevenheid treft men even verder in dezelfde brief opnieuw aan: “De herten zijn zo wild en het bos is zo dichtbegroeid dat het moeilijk is om ze neer te schieten... Op een dag was ik zo geprikkeld dat ik mezelf voornam om niet terug te keren vóór ik er één had neergehaald.”.[81]

Isabella kwam tijdens haar jeugd in Aranjuez en andere Spaanse koninklijke domeinen al in aanraking met de jacht.[82] Zo ging ze als kind met haar vader in de bossen op houtduiven jagen, waardoor ze al op jonge leeftijd een bedreven jager zou zijn geweest.[83] Voor Filips II (1527-1598) was de jacht “le seul exercice corporel pour lequel il eut un véritable goût’’.[84] Vooral in Aranjuez maar ook in de bossen nabij het Palacio de El Pardo hield de Spaanse vorst zijn grootste jachtpartijen. Getuige daarvan is de uitbeelding van zo’n jachtpartij in Aranjuez van Juan Bautista Martinez del Mazo (1612-1667) aan het begin van de 17e eeuw.[85] In de uitgestrekte parken werden er op konijnen, hazen, damherten, fazanten, patrijzen en reeën gejaagd.[86] Door het vertrek van Filips II naar Portugal in maart 1581, waarbij Isabella door haar vader verplicht werd in Madrid te verblijven en niet zoals gewoonlijk in Aranjuez, werd ze onderworpen aan een veel strengere etiquette. Ze voelde zich er opgesloten. Enkele maanden later verkreeg ze de toestemming om Madrid te verlaten en genoot ze van de vrijheid en de natuur in en rond de bossen van Aranjuez.[87] Ze herontdekte er de jacht en de genoegens van het plattelandsleven. Na maanden van opsluiting moet het leven er voor haar een echte verademing geweest zijn. Zoals al werd aangehaald speelde Mariemont tijdens haar regeringsperiode in de Spaanse Nederlanden eenzelfde rol; het was een toevluchtsoord, een lusthof om de dagelijkse sleur in Brussel te ontlopen. Vandaar ook haar vraag om het jachtslot en de tuinen van Mariemont om te vormen naar het model van Aranjuez. Deze voorkeur voor Mariemont blijkt ook uit haar eerder vermelde correspondentie met de hertog van Lerma. Het jachtslot te Morlanwelz wordt er dikwijls in vermeld, terwijl bijvoorbeeld het kasteel van Tervuren nooit ter sprake komt. Nochtans was ook dit een belangrijk lusthof onder de Aartshertogen waar geregeld buitenlandse delegaties werden ontvangen.[88] Door zich tussen 1618 en 1620 te laten portretteren door Pieter Paul Rubens en Jan I Brueghel met het kasteel van Mariemont op de achtergrond, vereenzelvigde Isabella zich pas echt met het leven op het jachtslot. Albrecht daarentegen werd geportretteerd met het kasteel van Tervuren op het achterplan, hun tweede grote “hof van plaisantie”.[89]

 

PIETER PAUL RUBENS en JAN I BRUEGHEL, Aartshertog Albrecht. 1618/20.
Olie op doek. 112x175 cm. Madrid, Museo del Prado. Inv nr 1683.

 

2.2. Tervuren

 

Onder Hendrik I werd in 1190 gestart met de eerste bouwfase van dit kasteel, dat vooral bedoeld was als veilig onderkomen voor de hertog. In die eerste decennia bestond het uit een wooncomplex, poortgebouw, versterkte omheining en een Sint-Hubertuskapel.[90]

Vanaf de dertiende eeuw werd het kasteel pas echt een geliefkoosde residentie van de Brabantse hertogen waarbij het geheel werd verbouwd, vergroot en verfraaid. Steeds minder kwam de nadruk te liggen op het militaire vestigingskarakter van het kasteel en kreeg het de allures van een koninklijk paleis, hoewel het niet de grandeur had van de Coudenberg.[91] Zo was het kasteel slecht zeer sober ingericht en waren er weinig tapijten en schilderijen die het interieur konden verfraaien.[92]

In de late Middeleeuwen werd het kasteel een imposant geheel waarbij het warandepark de oudste van het land zou zijn.[93] Maar wat is een warande? J.E. Davidts haalt aan dat een warande een plaats is waar dieren werden gehouden in een vaak afgesloten ruimte rondom een kasteel. Het was een plaats waar niet alleen dieren werden gehouden, maar ook een gebied waar men veiligheid en bescherming kon vinden. De auteur haalt als voorbeeld de dorpen Vure, Vossem en Duisberg aan, waar de inwoners in de warande schuilden tijdens vijandige invallen. Vooral in de Middeleeuwen moet dit gebruikelijk geweest zijn, hoewel het schuilrecht in de vermelde dorpen nog tot 1746 is blijven bestaan. In de meeste waranden waren er afzonderlijke omheinde percelen, waarin verschillende soorten dieren vrij rondliepen. Zo was er in Tervuren een park voor dam- en axisherten en een apart terrein voor everzwijnen. Verspreid over de warande waren er ook allerlei vogels, konijnen en hazen.[94] Toch kon de term tevens de jachtgebieden van de heer aanduidden, meestal waren dit domaniale goederen. Voorbeelden in Brabant waren het Moorselbos te Tervuren, het Perkbos in Vilvoorde, de warandes van de Nuwenbosch en op de Coudenberg te Brussel, het Zoniënwoud en de bossen van Zaventerloo en Morseloo. In deze “Vrije Warande”, als eigennaam gebruikt, kon de landvoogd in een gebied van ongeveer 201 vierkante kilometer jagen.

Guido Tack maakt een onderscheid tussen warande en (wild)park. Deze scheidingslijn valt echter moeilijk te trekken. Een warande wordt door de auteur geïnterpreteerd als een grotere ruimte waarin de heer en zijn gevolg volgens het opgelegde jachtrecht konden op jacht gaan, terwijl een wildpark meer in het verlengde van een kasteel lag. Meestal was zo een park maximaal enkele honderden hectaren groot en werd het omgeven door een houten palissade of stenen muur. Naast wild werd er ook vee in gehouden. Dergelijke wildparken bevonden zich ondermeer aan de Coudenberg, in Tervuren, in Mariemont, in Edingen en in het park van Boechout. Het wild werd er ter ontspanning bejaagd en daarna feestelijk op tafel geserveerd. In de Nieuwe tijd werd dit soort van termen echter door elkaar gebruikt, zo was er in elk wildpark wel een konijnenwarande. Het is daarom van belang om in te zien dat een wildpark in de nabijheid van een kasteel moet gezien worden als een jacht -en ontspanningspark. Het groot en klein wild werd er binnen de omheining gekweekt en zo goed mogelijk verzorgd. Een warande daarentegen slaat meestal op de ruimte waarin de heer het recht had om te jagen, in principe behoorde daar dus ook het wildpark bij. Men moet daarom steeds behoed zijn voor het soms flinterdunne verschil tussen deze termen. Veiligheidshalve kan men de term ‘warande’ gebruiken. Het wildpark in Tervuren, Mariemont of op de Coudenberg werd regelmatig als ‘warande’ aangeduid.[95]

Tot aan de zeventiende eeuw kende het park rond het kasteel van Tervuren slechts weinig uitbreiding, met als uitzondering de aankoop van enkele aangrenzende gebieden in 1230. Dit veranderde met de komst van de Aartshertogen. Al ging Isabella’s voorkeur steeds naar Mariemont toch hield ze ook van het leven in Tervuren. M. De Villermont schrijft hierover: “Tervuren,…, offrait à une chasseresse passionnée comme l’Infante, les profondeurs de ces grands bois peuplés de gibier et ses allées couvertes si agréables pour les temps de galop”.[96] Omdat het kasteel volledig door bos was omringd en het vlakbij Brussel lag, vormde het een volmaakt buitenverblijf. Van zodra ze even konden ontsnappen aan de vele bestuurlijke verplichtingen gingen Albrecht en Isabella in deze omgeving jagen. Ze verbleven hier steeds slechts voor korte tijd. Voor langere periodes gingen de Aartshertogen naar Mariemont.[97] Hierdoor werd de warande aanmerkelijk vergroot, waarbij grote stukken bouwland werden aangekocht en bebost.[98] Dat er naast ontspannen in dit park ook werd gejaagd spreekt voor zich. Net zoals in Mariemont werd er alles aan gedaan om de dieren hiervoor in topconditie te houden. Zo werd er aan het begin van de zeventiende eeuw een strook grond gekocht, het “Gheneverbosch”, dat beplant werd met jeneverbesstruiken wat goed zou zijn voor de everzwijnen van het park. De “Spoelhouw” was dan weer een bos met veel kreupelhout, aangelegd om de dieren voldoende schuilplaatsen aan te bieden. Dat niet alle dieren in functie van de jacht werden ‘vertroeteld’ blijkt uit de aanplantingen in het “Moerbesienbosch”. Daar werden bepaalde delen beplant met moerbessenbomen die nodig waren voor het kweken van zijdewormen.[99]

 

JAN I BRUEGHEL, Het kasteel van Tervuren, 
Olie op doek. 126x153cm. Madrid, Museo del Prado. Inv nr 1453.

 

Al eeuwenlang gebruikten de Brabantse hertogen in de bossen rond Tervuren valken tijdens de jacht. Naast de “grand veneur” of meester-jager hadden ze voor deze taak een “grand fauconnier” of “opper valckenere” in dienst. Deze had enkele valkeniers onder zich

die allerlei roofvogels, zoals sperwers, haviken en valken moesten africhtten.[100] Opmerkelijk is dat ook arenden voor deze doeleinden werden gevangen en zelfs werden ingezet tegen vossen, reeën en damherten.[101] Ook Albrecht en Isabella maakten gretig gebruik van deze jachttechniek. Zo was er in de warande speciaal voor de roofvogels en hun verzorgers een gebouw voorzien, dat in 1632 zou worden vervangen door een nieuw verblijf elders in het park. Waar valken werden gehouden was er vaak ook een reigerij in de buurt waar men de gevangen, vaak jonge reigers liet in opgroeien.[102] Net zoals in Mariemont was dit ook in Tervuren zo. De reigers nestelden meestal in de rietkragen langs de vijvers in het park. Bedoeling was om deze vogels hierna terug los te laten en deze dan met enkele valken te bejagen. Reigers werden niet enkel voor hun vlees gegeerd maar moesten, net zoals de roerdomp, dienen voor de valkenjacht. In essentie had men geen valken nodig om deze eerder traag vliegende dieren te vangen. Toch was de valkenjacht populair omdat de strijd tussen deze twee vogels algemeen als een lust voor het oog werd beschouwd. Zo haalt S. Pierron het volgende citaat aan: “….laquelle bataille se donne en l’air, avec telle défence, et offence des parties; ores en l’air, et tanstot en terre, que le combat durera un long traict au grand plaisir et des fauconniers et de ceux qui y assistent”.[103] Daarom breidde Isabella en later aartshertog Don Ferdinand de reigerij en valkerij sterk uit.[104] Naast het jagen op reigers kon men de valken gebruiken voor de jacht op allerlei andere vogels zoals patrijzen, kwartels, eksters, lijsters,… enz.[105]

Door de nabijheid van het Zonienwoud speelde het kasteel van Tervuren eeuwenlang een centrumrol in het leven van de Brabantse hertogen en later in dat van de landvoogden. In de zestiende eeuw besloeg het woud 12.000 hectaren, tegenwoordig is dit nauwelijks nog de helft.[106] Oorspronkelijk mocht iedereen er jagen, toch zal het eigendomsrecht in de loop der tijden deze vrijheid beperken. Zo was een eigenaar van een stuk grond in de vroege Middeleeuwen geen eigenaar van het wild dat op zijn grond leefde. Eeuwenlang werd het jachtrecht in die zin toegepast. In Brabant mocht iedereen bijvoorbeeld met honden en roofvogels jagen en waren enkel de geprivilegieerde, gesloten jachtterreinen verboden terrein. Onder de hertogen van Bourgondië zou deze vrijheid voor een deel aan banden worden gelegd, ondanks verzet van de Staten van Brabant. Zo werd in de Brabantse Blijde Inkomst van 1356 beslist dat iedereen mocht jagen op klein wild maar dat de jacht op groot wild voorbehouden werd aan ridders en edellieden.[107] Tot in de achttiende eeuw bleven de Brabanders zich op deze privileges beroepen omdat elders in de Zuidelijke Nederlanden de jacht nog veel meer een adellijk privilege was geworden.[108] En hoewel de situaties natuurlijk niet volledig vergelijkbaar zijn, toch waren dit tendensen die in heel Europa naar voren kwamen. Dit alles vormde de basis voor het elitaire karakter van de jacht in de Nieuwe Tijd.[109] Zonder hier verder op in te gaan kan men stellen dat de jachtcultuur een zeker elitair vertoon kende maar daarom nog niet enkel door edelen werd beoefend. Van een exclusief jachtprivilege van de adel was geen sprake. Het hertogdom Brabant is daar, zoals gezegd, een goed voorbeeld van. Vaak waren het lieden van een mindere sociale stand die zich het adellijke karakter toeeigenden om op die manier aanspraak te kunnen maken op de fel begeerde adellijke titel. In de zestiende en zeventiende eeuw zien we dat de jacht een haast feestelijke dimensie krijgt waarbij het jagen deel uitmaakte van het vertoon van macht, rijkdom en prestige. J. Verberckmoes en M. Van Vaeck halen in deze problematiek het in 1655 geschilderde Portret van een knaapje met valk en twee honden van Erasmus Quellinus en Jan Fyt aan.[110] Dit jongetje, waarschijnlijk uit het burgermilieu, geeft de wens om zich als jager adellijke allures aan te meten goed weer. Dit valt ondermeer te merken aan de Lanervalk die op zijn hand zit en de windhond en spaniël die hem flankeren. Jachttaferelen waren daarom in burgerlijke kringen uitermate populair. In deze scènes opteerde men voor de uitbeelding van de nobelste jacht: Haar tegen haar, pluim tegen pluim. Ondermeer Frans Snyders en Paul de Vos hebben verschillende malen dit soort van jachttaferelen uitgebeeld waarbij een hert of everzwijn wordt opgejaagd door een uitgelaten hondenmeute.[111] Dit alles gaf blijk van een goede smaak en paste perfect in de levenswijze van de adel die het burgermilieu trachtte te imiteren. Een mooi voorbeeld hiervan is de verwijzing naar de nobele jacht in het schilderij van Jacques d’Arthois Familie in een landschap uit 1645.[112] Op het voorplan bemerken we een jongen met een valk. Vlakbij een ander kind staat er een jonge windhond. De hond kan hier evenwel een verwijzing zijn naar de trouw en gehoorzaamheid binnen het gezin.[113]

 

JACQUES D’ARHTOIS. Familie in een landschap. 1645. 124,8x152,7cm.
Metropolitan Museum, New York (Th.M. Davis Collection).
W. LIEDTKE, Flemish paintings in the Metropolitan Museum of Art, 2 dln., New York, 1984, I, 1-2.

 

Niet alleen in burgerlijke maar ook in adellijke kringen zien we dus dit soort van vertoon. In tegenstelling tot anderen hadden zij de titel al op zak. Om te bewijzen dat ze deze meer dan waard waren, lieten ze zich portretteren waarbij verwijzingen naar de jacht schering en inslag waren. De adellijke kringen hadden binnen hun domeinen het voorrecht om te mogen jagen, daarbuiten moesten ook zij zich aan bepaalde voorwaarden houden. Als heersers van de Spaanse Nederlanden konden Albrecht en Isabella echter overal waar ze wilden op jacht gaan. Omdat het Zonienwoud ook tot hun privé jachtgebieden behoorde zorgde dit voor een grote druk op de plaatselijke kloosters, gelegen aan de rand van het woud. Deze waren immers verplicht om jachthonden en hun wachters onder te brengen. Soms moesten ook de paarden, ruiters, voetvolk, drijvers, ea onderdak en voedsel worden aangeboden. Als oplossing verkozen de kloosterlingen voor het betalen van een jachtaccijns om op die manier ongewenste gasten te vermijden. Toch waren verschillende kloosters, onder meer de abdij van Postel, nog tot 1557 verplicht om hondenwelpen op te voeden tot ze ongeveer 18 maanden oud waren.[114] Of de vermelde accijns onder Albrecht en Isabella nog werd betaald hebben we niet kunnen nagaan. Opmerkelijk is wel dat de aartshertog in een brief uit 1598 aan een niet nader genoemd klooster zijn verblijf aankondigt. In deze brief deelt hij mee dat hij drie dagen en drie nachten samen met zijn valkeniers, honden en paarden onderdak in het klooster wil krijgen. Hij verwacht hierover geen moeilijkheden:‘’En quoy nous confions vous ne vouldrez faire difficulté, puis que sçavez la dicte volerie estre le vray déduyt et plaisir des princes, si que personne avec raison ne leur peult refuser ce peu de commodité et d’assistance”.[115]

Toch was het Zoniënwoud niet door deze, vaak gedwongen, gastvrijheid een populair jachtgebied geworden. Het waren vooral de grote kuddes everzwijnen, die er tussen oktober en december werden bejaagd, die het woud zijn grote faam bezorgde.[116] Dit soort van taferelen werd in de beroemde tapijtenreeks De jachten van Maximiliaan vereeuwigd.[117] De wolvenjacht vond eerder in september-oktober plaats omdat de sneeuw dit soort van jacht kon bemoeilijken.[118] Misschien nog kenmerkender voor de omgeving van Tervuren en Overrijse was de otterjacht. Hiervoor hadden de Aartshertogen zelfs een ottervanger of een “loutrier” in dienst. Lange tijd vervulde een zekere De Soete deze taak. Net als wolven werden deze dieren als uiterst schadelijk aanzien. Doordat de otter voornamelijk vis at vormde het immers een constante bedreiging voor het inkomen van de talrijke vissenhouders uit de wijde omgeving.[119] De ottervanger moest via netten, strikken en vallen zoveel mogelijk otters trachtten te doden en mocht dit in alle soorten water van het hertogdom Brabant doen. Per gevangen dier kreeg hij hiervoor een premie.[120] Soms werd het dier uit het water gelokt met windhonden. Deze jachttechniek werd ondermeer door Paul de Vos in beeld gebracht.[121] Het hoeft geen betoog dat in geen tijd alle otters in het hertogdom verdwenen waren. De laatste ottervanger was in de omgeving van Antwerpen actief.[122] Naast de ottervanger beschikten de hertogen van Brabant ook over een patrijzen-, konijnen- en mussenvanger die in heel het hertogdom Brabant op jacht gingen.[123] Niet alleen het Zoniënwoud maar dus ook het Meerdaalwoud, het bos van Zaventerloo, Groeten-Heist en Groetenhout waren privé jachtgebieden van de landvoogden, hoewel ze soms aan edelen voor hun bewezen diensten de toelating gaven om er te jagen. In andere bossen golden minder strenge restricties.[124] Toch bleven er nog lange tijd misbruiken voortleven. Het jachtedict uit 1613 van Albrecht en Isabella zou dit alles definitief reglementeren.[125] Om het wild, dat tijdens de godsdienstoorlogen sterk in aantal achteruit was gegaan, tegen de stropers te beschermen namen de Aartshertogen zelfs een tweede groep oppassers van dertig mannen in dienst.[126] Niet alleen was het hun bedoeling om het wildbestand van de ondergang te redden maar ook om de vrijbuiters, die zich in de bossen verschuilden, aan te pakken.[127]

Ook al was de residentie van Tervuren niet de meest luxueuze toch weerhield het de Aartshertogen niet om vaak in de omgeving op jacht te gaan. Opvallend is dat hiervoor geregeld linnen zeilen werden gebruikt langs de verschillende lanen in de omgeving ofwel op een open plek in het bos.[128] Deze jachttechniek die over heel Europa werd gehanteerd staat ondermeer afgebeeld op het eerder vermelde schilderij van Juan Bautista Martinez del Mazo (1612-1667). Hieruit blijkt dat deze jachtwijze in Aranjuez onder Filps IV werd toegepast, waarschijnlijk in navolging van z’n voorgangers.[129] Op die manier moet Isabella in haar jeugd in aanraking zijn gekomen met deze jachttechniek. Bedoeling was dat men met drijvers de herten en reeën van het park richting een tribune dreef waarbij de zeilen gespannen werden in de vorm van een flessenhals met op het einde de tribune.[130] Op geregelde afstanden waren aan deze zeilen, lappen stof bevestigend in felle contrasterende kleuren als rood en wit of zwart en wit. Hieraan werden belletjes bevestigd, die de herten nog meer angst moesten aanjagen. Op die manier werden ze, verstijfd van angst, een gemakkelijk doelwit. Van op de tribune konden de dames, die doorgaans uitgesloten waren van de jacht, het bloedige spektakel gadeslaan. Ook heren namen plaats op de tribunes, waarbij men met kruisbogen het naderende wild afschoot. Dat dit een koud kunstje was spreekt voor zich, zeker omdat men vaak voor de tribune een greppel inrichtte zodat het wild struikelde en een zo mogelijk nog makkelijker doelwit vormde.

 

JUAN BAUTISTA MARTINEZ DEL MAZO, Jachtpartij vanop het platform te Aranjuez.
Begin 17e eeuw. Olie op doek. 187x249 cm. Madrid, Museo del Prado.

 

Varianten op deze jachttechniek laten ons een hut zien opgesteld in het midden van een veld, dat omgeven was door zeilen. Het wild werd in deze “arena” gedreven en vanuit de hut neergeschoten. Het doel blijft steeds hetzelfde: plezier maken zonder al teveel moeite. De kosten voor het aankopen van de linnen zeilen konden al snel hoog oplopen. Zo werden voor het transport van deze zeilen aan het begin van de zeventiende eeuw niet minder dan tien karren gebruikt, elk getrokken door drie paarden. Onder Karel van Lotharingen (1712-1780) werden deze doeken zelfs uit Wenen overgebracht. Toch valt dit in het niets met de entourage en uitrusting die Frans I gebruikte. De Franse vorst beschikte immers over zestig windhonden, honderd boogschutters en personeel dat in dienst was genomen enkel voor het opstellen en afbreken van de zeilen.[131] Het was een traditie die in Europa begonnen zou zijn bij Karel V en vanaf toen in de Spaanse Nederlanden werd geïntroduceerd.[132] Een mooi voorbeeld hiervan is de uitbeelding van de maand oktober in de tapijtenreeks De Jachten van Maximiliaan die bij het atelier van Bernard van Orley besteld werd door Karel V.[133] Op de achtergrond van de detailfoto zien we enkele van deze zeilen die gebruikt werden tijdens de hertenjacht. Het is duidelijk dat aan het begin van de zestiende eeuw in de wijde omgeving van Tervuren al gebruik werd gemaakt van deze strategie. Op zich staat deze jachttechniek ver af van bijvoorbeeld de everjacht. Zoals later zal worden aangehaald maakte men bij deze jacht gebruik van honden waarbij de doodsteek met een speciaal ontworpen zwaard werd toegebracht door de hoogste edelman in het jachtgezelschap. Dat dit uiterst gevaarlijk was spreekt voor zich maar net daarom was deze jacht zo populair in adellijke kringen. Het tonen van moed en fysieke kracht paste perfect in de idealen van de hoveling. Om carrière te kunnen maken aan het hof waren dit eigenschappen waar iedere edelman over moest beschikken.

 

BAREND VAN ORLEY, De maand oktober (detail). 440x750cm.
Parijs, Louvre. Inv nr OA 7317.

 

Aan het begin van de zeventiende eeuw had het jachtslot van Tervuren, als gevolg van de vele oorlogen, veel van zijn vroegere glorie verloren. Tussen 1608 en 1617 werd daarom ook in Tervuren, Wenceslas Coberger aangesteld om de vernieuwingen aan het kasteel, de herstellingen aan de warande en het bouwen van een nieuwe Sint-Hubertuskapel te begeleiden.[134] Enkel deze slotkapel is tot op heden bewaard gebleven, het kasteel zelf werd gesloopt in 1781-82. [135] Dit alles niet leidde tot een echte verfraaiing van het interieur. Lucas Vorsterman de Jongere maakte in 1659 van deze residentie enkele gravures voor de Brabantse Chronographia van Antonius Sanderus.

In Tervuren was er al sinds de Middeleeuwen een Hubertusviering, die volgens sommige schrijvers verwant zou zijn met het feest dat de Galliërs vierden ter ere van de jachtgodin Diana.[136] Het was immers daar dat de patroonheilige van de jacht in 727 gestorven zou zijn.[137] Deze waarschijnlijk Frankische edelman werd geboren rond 655. Op dertigjarige leeftijd werd hij medewerker van bisschop Lambertus van Tongeren-Maastricht om enkele jaren later zelf de bisschopstitel te ontvangen. Een kleine eeuw na zijn dood werden de stoffelijke resten overgebracht naar het klooster van Andage, waarrond zich de stad Saint-Hubert ontwikkelde.[138] Het is vooral zijn bekering tijdens de jacht, bij het zien van een hert met stralend kruis in het gewei, dat sterk aansprak. Het is dit tafereel dat talloze malen op gravures en schilderijen werd voorgesteld. Vaak zien we Sint-Hubertus met jachthoorn en valk knielend voor een kruisdragende hert met in de buurt van hem steeds enkele jachthonden.Toch is deze legende overgenomen uit het leven van de Heilige Eustachius en duikt het slechts op vanaf de twaalfde eeuw.[139] Ondermeer Theodoor van Loon schilderde omstreeks 1620 deze bekering voor de Sint-Hubertuskapel in het jachtslot van Tervuren.[140] Kenmerkend is dat in de zestiende eeuw deze verering steeds minder populair was geworden en er daarom onder Albrecht en Isabella nieuw leven werd ingeblazen. De oprichting van een Hubertusbroederschap in 1605, waarvan ook de Aartshertogen lid waren, en de bouw van de Sint-Hubertuskapel in 1617 getuigen hiervan.[141] Dat deze patroonheilige een grote invloed had op de landvoogden blijkt ook uit het feit dat ze op 3 november, tijdens het feest van Sint Hubertus, steeds trachtten op het kasteel van Tervuren aanwezig te zijn. Onder Leopold-Willem was dit al niet meer de gewoonte.[142]

 

De Sint-Hubertus hoorn die bewaard wordt in de parochiekerk van Tervuren.
Uit: HUYGHEBAERT, Sint Hubertus, 189.

 

Tijdens deze viering werd er een openluchtmis gehouden, waarbij jachthoorngeschal weerklonk, Sint-Hubertusbrood werd gewijd en de paarden en honden werden gezegend. Uit dit alles blijkt dat de jacht in de zeventiende eeuw bij uitstek een christelijke betekenis kende. Nu nog worden ieder jaar op 3 november de honden, paarden en jagers gezegend.[143] Eén van de typische attributen is de zogenaamde hoorn van Sint-Hubertus die in 1595 door Isabella aan de parochiekerk van Tervuren zou zijn geschonken, waar deze nu nog wordt bewaard. Omdat de aartshertogin toen nog niet in onze streken verbleef is dit echter zeer onwaarschijnlijk. Ook zou deze hoorn niet door de patroonheilige gebruikt zijn omdat deze pas te dateren is rond de 11e-12e eeuw en zelfs afkomstig zou zijn uit het Midden Oosten.[144] Uit dit alles blijkt dat in de zeventiende eeuw de Sint-Hubertus viering in de Spaanse Nederlanden terug aan populariteit won. In het verlengde daarvan verschenen boeken die het leven van de patroonheilige vertelden. Zo verscheen er in 1665 Het leven, ende mirakelen van den heylighen bisschop ende beltder Hubertus van Willem Zeebots.[145]

Omdat Sint-Hubertus niet alleen de patroon van de jagers was maar ook de beschermheilige tegen hondsdolheid, werden ieder jaar de honden met de Sint Hubertussleutel gebrand als afweermiddel tegen de ziekte. Op deze sleutel bevond zich een jachthoorn die dan op het voorhoofd, of op het vel van de dieren werd gebrand. Op zich konden ook andere symbolen gebruikt worden.[146] Bedoeling was dat elke heer die jachtrechten bezat zijn honden met een uniek kenteken diende te merken zodat men kon nagaan aan wie ze behoorden en of de eigenaar niet buiten zijn eigen jachtgebied aan het jagen was. Nog tot aan het einde van de 19e eeuw werden jaarlijks op de zondag na Pinksteren de honden op deze manier gebrandmerkt. Enkele van deze tekens ziet u hieronder. Ook bij mensen was dit gebruik algemeen verspreid al werd het merkteken dan in de duim gebrand.

 

Enkele voorbeelden van hondenmerktekens.
Uit: B. DE JONGHE. Het jachtrecht, de opperjagerij en de jachtrechtbanken in het graafschap Vlaanderen in de Nieuwe Tijd, Katholieke Universiteit Leuven, Onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Departement Geschiedenis, 2000, 45.

 

Toch werden ook honden van niet jachtgerechtigden in de omgeving van warandes op een nog wredere manier gemerkt. Ze werden gecort of gepoot. Hiermee bedoelt men het afkappen van twee tenen van de rechterpoot tot zelfs het volledig amputeren van de rechterachterpoot. Op die manier vermeed de landheer dat honden uit de omgeving op jacht trokken in zijn warande.[147] Deze wijd verspreide gebruiken werden door de Aartshertogen niet alleen in Tervuren maar ook in de andere kastelen toegepast. Zo beschikten ze over de jachtsloten en huizen van Ravenstein, “ ‘s Heeren huys” beter bekent als het “huys van Staketsel” in Boendaal en natuurlijk het jachtslot te Bosvoorde, die allemaal onder Albrecht en Isabella werden gerestaureerd en soms uitgebreid.[148] Het is vooral deze laatste die samen met het kasteel van Tervuren dé uitvalsbasis vormde voor de grote jachtpartijen in en om het Zonienwoud. Het kasteel stamde uit de tweede helft van de dertiende eeuw, waarbij het door Jan I als jachtslot werd gebruikt. Omstreeks 1282 werd ook hier een Sint Hubertuskapel gebouwd.[149] Op korte tijd werd het kasteel van Bosvoorde een geliefd jachtpavilioen met aan het begin van de veertiende eeuw ondermeer kennels voor de meer dan 100 jachthonden, paardenstallen, een huis voor de knechten, een woning voor de opperjager, een kleine boerderij en een valkerij.[150] In de loop van de vijftiende eeuw kende het kasteel een absolute bloeiperiode die echter eindigde onder Maximiliaan van Oostenrijk, die hoewel hij een fervent jager was, nauwelijks in Bosvoorde verbleef.

            Onder Karel V kent het jachtslot een kortstondige heropleving, maar aan het einde van de zestiende eeuw lag het er grotendeels vervallen bij.[151] Bij de komst van Albrecht en Isabella was een grote inspanning nodig om de jachtverblijven terug operationeel te krijgen.[152] Onder deze landvoogden wordt het kasteel herbouwd en opnieuw ingericht. De voor de jacht gebruikte paarden waren er vaak afkomstig uit de nabijgelegen luxueuze paardenfokkerij ten westen van de abdij van Groenendaal, bekend onder de naam De Binders.[153] Deze is te zien op een gravure uit de Chorographia Sacra Brabantiae van Antonius Sanderus uit 1659. Opmerkelijk is dat de Aartshertogen, die deze fokkerij in 1614 lieten bouwen, de voorkeur gaven aan deze paarden boven deze die gekweekt werden in Mariemont.[154] Veel van de jagers die deel uitmaakten van de jachtgezelschappen van Albrecht en Isabella werden trouwens begraven in het middenschip van de plaatselijke kerk van Watermaal. Deze traditie die haar oorsprong vond aan het einde van zestiende eeuw zou blijven voortbestaan tot in de tweede helft van de achttiende eeuw. [155]

 

De Binders.
Uit de Chorographia Sacra Brabantiae van Antonius Sanderus uit 1659. Uit: PIERRON, Histoire illustré de la forêt de Soignes, II, 331.

 

Van overal, ook uit het buitenland, werden jongeren naar Bosvoorde gestuurd om er in de meest gegeerde sporttak voor edelen ingewijd te worden.[156] Deze reputatie werd het “koninklijke” jachtslot in 1604 echter bijna fataal. In dat jaar slaagde een eenheid van de Hollandse cavalerie erin tussen Leuven en Mechelen door te breken. Ze hoopten Bosvoorde te bereiken en er de woning te plunderen, doch dit plan mislukte.[157] Aan het einde van de zeventiende eeuw was het kasteel opnieuw bouwvallig geworden. In 1776 werd het op bevel van Karel van Lotharingen afgebroken, omdat zijn voorkeur vooral naar Mariemont en Tervuren uitging.[158]

 

2.3. Coudenberg of de “Mont Plaisir”[159]

Om de omstandigheden aan het Brusselse Hof juist te kunnen interpreteren is het van belang om wat langer bij de opkomst van dit paleis te blijven stilstaan. Het bestaan van een vorstelijke residentie te Brussel heeft altijd nauw verband gehouden met de rol die deze stad als politiek centrum speelde. Vanaf het midden van de elfde eeuw kozen de machthebbers voor deze heuvel binnen de eerste omwalling. Door de eeuwen heen werd het verschillende malen verbouwd naarmate het prestige van de vorst groter werd. Door de verbinding met Tervuren, toen al een geliefkoosde zomerresidentie, én het nabijgelegen Zoniënwoud vormde het de ideale omgeving om een permanent hof te vestigen. Zo had het kasteel al in de twaalfde eeuw een wildbaan die later gekend zou worden als de “warande”.[160] Bedoeling van deze eerste wildbaan was om het vroegere park te vergroten en te verbinden met het Zoniënwoud. Op die manier kon het wild vrij toegang verkrijgen tot de warande en kon er vlakbij het kasteel gejaagd worden.

Leuven speelde, zeker in de beginfase, nog een belangrijke bestuurlijke rol als residentieplaats van de Brabantse hertogen. Het is onder Jan I (1267-1294) dat de breuk zou volgen en er door allerlei plaatselijke twisten in Leuven, definitief zal worden gekozen voor de Coudenberg. De centrale ligging binnen de Nederlanden en de nabijheid van de uitgestrekte jachtgebieden in het Zoniënwoud, dat toen tot dicht bij de stad kwam, moet hem hebben gesterkt in zijn keuze. Het optrekken van een jachthuis te Bosvoorde, waar de jagers van de hertog verbleven, is een bewijs van deze passie voor het jagen, net als de vele verblijven in Tervuren tijdens de zomermaanden.[161]

Onder Antoon van Bourgondië (1406-1415) en later onder Filips de Goede (1430-1467) werd de tuin uitgebreid en kwam er een diergaarde in de bijgebouwen van het neerhof. Daarin werden ondermeer twee beren en een everzwijn gehouden. Stilaan werden er in de warande steeds meer fonteinen, bloemperken en boomgaarden ingericht zodat er, na verloop van tijd, niet veel ruimte over was om te jagen.[162] Het onderhoud van het park vergde aan het begin van de vijftiende eeuw door deze veranderingen ook steeds meer personeel. Zo waren er onder meer een warandewachter, een boomgaardwachter en een wijngaardwachter. Deze laatste twee woonden in het park in één van de bijgebouwen. Ze stonden er aan het hoofd van een reeks gespecialiseerde tuinmannen. Vanaf 1439 werd de warande toevertrouwd aan een hoofdbewaker die de dieren moest verzorgen. Hij stond ook in voor het onderhoud van de bomen in het park en zorgde tevens voor een grootschalige herbebossing van het gebied. Zo werden er in 1440 niet minder dan 220 bomen uit het Zoniënwoud overgeplant, voornamelijk eiken. Het is vanaf toen dat de warande tot een dierenpark werd omgevormd omdat het niet meer voldoende konijnen en fazanten voortbracht om aan de behoeften van het hof tegemoet te komen.[163] Men kan hieruit concluderen dat vanaf toen in het park nauwelijks nog werd gejaagd.[164] Wou men in de omgeving jagen dan ging men naar het Zoniënwoud waar men in de kastelen van Tervuren of Bosvoorde verbleef.[165] De Coudenberg kreeg op die manier een bijna strikt bestuurlijke functie. Net daarom bleef er een strenge etiquette van kracht, in tegenstelling tot de andere vorstelijke verblijfplaatsen die meer als buitenverblijven werden aanzien. Het dierenpark op de Coudenberg was er ter vermaak van het hof . Het hielp natuurlijk ook wel in de voedselvoorziening van het kasteel, hoewel dit zeker niet de belangrijkste functie was. Getuige daarvan zijn de vele exotische dieren die er werden gehouden. In de 1444 was er bijvoorbeeld een leeuw, een struisvogel en een Guinees biggetje.[166]

Onder Karel V werd de Coudenberg verbeeld op de beroemde serie ‘De jachten van Maximiliaan’. De maand maart laat ons het dierenpark en een deel van het kasteel zien met op de achtergrond het stadhuis en de ringmuur van Brussel[167]. Net omdat Karel V een groot deel van zijn regeringstijd in Spanje doorbracht, zou het Coudenberg kasteel veel van haar prestige moeten inleveren. De in 1531 aangestelde landvoogdes Maria van Hongarije verbleef bijvoorbeeld zelden op de Coudenberg. Ze verkoos de heerlijkheden van Turnhout en Binche die ze had verkregen. In deze laatste liet ze twee kastelen optrekken: Mariemont en één in Binche. Het Coudenberg paleis was de officiële verblijfplaats van de landvoogden en verkreeg op die manier een symbolische waarde. In realiteit verbleven ze er steeds minder.[168] Hierdoor raakte de diergaarde en een deel van de tuin in verval, hoewel het paleis nog zorgvuldig werd onderhouden. Dat niet heel de tuin verwaarloosd werd blijkt uit de vele lusttuinen en sportterreinen, ondermeer voor het kaatsspel en het kruisboogschieten, die er onder keizer Karel werden aangelegd. De daarop volgende periode van godsdienstoorlogen in de Nederlanden zouden volgens Smolar-Meynaert geen al te grote gevolgen hebben gehad voor de Coudenberg. Zo bleven het kasteel en het park ongeschonden of slechts licht gehavend.[169]

De komst van de Aartshertogen zorgde voor een ommekeer in de geschiedenis van het paleis. Het werd volledig heringericht om plaats te kunnen bieden aan de steeds groter wordende hofhouding waarbij rekening werd gehouden met het Spaanse hofceremonieel.[170] De eerste opvallende wijzigingen die Albrecht al in september 1598 liet uitvoeren, met Hieronymo Hardouin als leidinggevend ingenieur, waren de bouw van een uurwerktoren en de vleugel boven de ‘gaanderij van de keizers’.[171] Krista de Jonge bestudeerde deze architecturale veranderingen.[172] Ze beschouwt de residentie als: “the first and foremost representative of court architecture in the Spanish Low Countries”.[173] Na Hardouin werden Mathieu Bollin en na diens dood in 1603, Sylvain Bollin aangenomen als hofarchitecten. Toch was het pas met Wenzel Coberger in november 1604 dat de Aartshertogen een echt bekwaam persoon voor deze zware taak in di