De houding van de Belgische dagbladpers tegenover de Israëlisch-Arabische oorlog van 1948.  (Wouter Van Der Spiegel)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

II. EEN SITUATIESCHETS

 

In dit deel wordt de situatie geschetst van de wereld, het Mandaatgebied Palestina, België en de Belgische pers in de eerste jaren na WO-II , en vooral [38] in de periode van april 1948 tot en met februari 1949 [39].

Een situatieschets van de wereld en van België in deze periode is nodig om te weten in welke internationale context de staat Israël tot stand is gekomen, en om die situatie een beetje te kennen waarin de mensen deze totstandkoming o.a. via de Belgische pers mee beleefden.

De situatie kan immers de houding van de pers en van de massa tegenover dit specifiek probleem beïnvloed hebben. Wat toen gebeurde, beïnvloedde dus het opstellen van de krant, en dus ook het lezen van de krant. Wat in de krant stond, beïnvloedde de lezing van de berichten over Israël en zo ook de houding van de lezers tegenover Israël. Een voorbeeld: de Koude Oorlog overheerste alles. Alles werd gezien tegen de achtergrond van de Oost-Westtegenstelling. Het zou bijvoorbeeld gekund hebben dat uit vrees dat een plaatselijk conflict terug een wereldoorlog zou uitlokken, men negatief stond tegenover de Joodse poging om gewapenderhand een eigen staat op te richten.

Een korte geschiedenis van het conflict zelf kan bepaalde stellingnamen in de kranten verduidelijken. En een objectief feitenrelaas laat alleszins beter toe een kritische houding aan te nemen tegenover de ideologisch vooringenomen kranten, die bovendien een “te” actueel thema dienden te verslaan en te commentariëren.

Daarom is het ook nodig even stil te staan bij de kranten zelf om ze zo goed mogelijk te typeren en te situeren binnen het ideologisch bestel. Ook de identificatie en situering van de auteurs is in dit kader van belang.

 

HOOFDSTUK 1. DE SITUATIE IN DE WERELD NA WO-II

 

In dit hoofdstuk wordt een korte schets [40] gemaakt van de situatie in de wereld in de eerste jaren na WO-II. Dit om het gebeuren in Palestina in het internationaal kader in te passen en ook om aan te duiden in welke context de journalisten en de lezers de perscommentaren over o.a. de situatie in Palestina schreven of lazen. We hebben hierbij alleen enkele belangrijke trends aangeduid en willen zeker niet exhaustief zijn.

 

1. Naar de vorming van twee machtsblokken.

 

De nederlaag van de drie Asmogendheden in WO-II bracht helemaal geen stabiliteit in de internationale betrekkingen. Reeds tijdens de oorlog waren de tegenstellingen tussen de Westerse Geallieerden en de Russen duidelijk aan het licht gekomen, en na de oorlog namen deze steeds scherpere vormen aan onder invloed van allerhande gebeurtenissen.

De oprichting van de UNO (San Francisco, 26 juni 1945) ter handhaving van de internationale vrede, wettigde ongetwijfeld een zeker optimisme, dat echter sterker was in de VS dan in Europa, waar men de lotgevallen van de Volkerenbond van dichtbij had meegemaakt. Het nieuwe internationale forum gaf spoedig een duidelijk beeld te zien van de gespletenheid van de naoorlogse wereld.

Na allerhande spanningen, waarbij de Russische politiek in Midden-Europa aan het Westen het meest aanstoot gaf, tekende zich sedert 1947 duidelijk de vorming af van twee machtsblokken waarvan de leden ofwel behoorden tot de landen van het Marshallplan, ofwel aansloten bij de Kominform [41]. De snel op elkaar volgende crisismomenten in Iran, Turkije en Griekenland, de politieke druk van het nog steeds niet gedemobiliseerde Rode Leger in geheel Midden-Europa, de strategische positie van de communistische partijen in de rest van Europa (onder meer in Frankrijk en Italië), de benarde financieel-economische situatie waarin alle Europese landen zich bevonden, en tenslotte de bewuste wil van de Amerikaanse regering om een effectief tegenbeleid tegenover de SU te ontwikkelen, waren de voornaamste factoren die aan de basis lagen van de herformulering van het Amerikaanse buitenlands beleid.

Theoretisch ligt deze herformulering uitgedrukt in de Trumandoctrine, uitgesproken op 12 maart 1947, waarin de VS bewust opteert voor een verdere actieve tussenkomst in Europese en in wereldproblemen. In de praktijk wordt deze doctrine voor het eerst toegepast in Europa met het Marshallplan (voorgesteld op 5 juni 1947). Hierin wordt Europa als geheel massale Amerikaanse financiële steun toegezegd [42]. Van 1948 af trad de wereldgeschiedenis in een fase van Koude Oorlog,[43] die aanving met de blokkade van Berlijn (van 24 juni 1948 tot 12 mei 1949) door de Russen, en uitliep op een eerste gewapend, maar nog regionaal conflict in Korea (juni 1950) [44]. Begin 1948 bestond het Europees machtsvacuüm dus niet meer. Europa leek definitief in een oostelijke en westelijke sector verdeeld. Tussen de VS en de SU – de echte beleidscentravan de nieuwe internationale machtsstructuur – was echter het machtsevenwicht nog niet bereikt. Europa onderging dan ook spoedig de gevolgen van een nieuwe climax in de Koude Oorlogsperiode[45] .

Tijdens de eerste jaren van de Koude Oorlog (1948-52) hebben zowel het westers als het oostelijk blok zich stevig georganiseerd. Terwijl het Westen zijn heil zocht in de oprichting van internationale organisaties die de gemeenschappelijke materiële hulpbronnen moesten coördineren, trachtte Rusland zoveel mogelijk satellietlanden op zijn eigen buitenlandse politiek te aligneren. West-Europa, door de oorlogsgebeurtenissen het meest verzwakt, probeerde door coördinatie en integratie van zijn hulpbronnen weer een machtsfactor te worden in het wereldgebeuren. Zo werden de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (16 april 1948), de Raad van Europa (5 mei 1949) en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (18 april 1951) opgericht. Op militair vlak vermelden we het Verdrag van Duinkerken (5 maart1947) en het Pact van Brussel (17 maart 1948), waaruit zich de Noord Atlantische Verdragsorganisatie ontwikkelde (18 maart – 4 april 1949).

De USSR van haar kant bemeesterde haar satellietlanden door volgende initiatieven: oprichten van de Kominform (5 okt. 1947) als reactie op het Marshallplan, de Comecon (25 jan.1949) als tegenhanger van de OEES, en het Pact van Warschau (14 mei 1955) als antwoord op de toetreding van West-Duitsland tot de NAVO. De SU voelde haar wereldpositie ook versterkt door de vestiging van een communistisch regime in China (okt.1949). Daartegenover deden de VS een belangrijke politieke tegenzet door het sluiten van een vredesverdrag met het verslagen Japan, waarop de Amerikaanse politiek in het Verre Oosten zich nu gedeeltelijk zal afstemmen[46].

Ondanks de feitelijke onmacht van de Europese staten om zich aan de invloedssfeer van de SU of van de VS te onttrekken, werd evenwel in deze periode heel wat positief werk gepresteerd - zoals we hierboven gezien hebben – om een grotere cohesie tussen de Europese staten te realiseren [47]

 

2. De dekolonisatie.

 

WO-II had niet enkel een machtsvacuüm geschapen in Europa, ook in Azië en het Midden-Oosten bestond dit. De afloop van WO-II had een diepgaande invloed op de Aziatische wereld. Het verslagen Japan moest zijn greep op het Aziatische continent lossen, China werd communistisch, het communisme loerde ook nog in andere landen op aanwinst, verschillende andere gebieden waren politiek onrustig en werden vooral gedreven door het verlangen naar politieke ontvoogding en richtten zich dus hoofdzakelijk tegen de Europese koloniale mogendheden: Groot-Britannië, Frankrijk en Nederland [48].

Ook in het Midden-Oostenkwijnde na WO-II de invloed van Frankrijk en Groot-Britannië over hun vroegere mandaatgebieden (Libanon, Syrië, Irak, Palestina en Transjordanië) verder weg. Terwijl de invloed van de twee nieuwe supermachten, de VS en de USSR, er gestadig steeg, evenals die van het ontwakend Arabisch nationalisme [49]. Egypte was reeds sinds 1922 formeel onafhankelijk, Transjordanië sedert 1923 en Irak sinds 1932. Syrië en Libanon werden in 1946 feitelijk onafhankelijk.

Van 1946 tot 1948 was de situatie in het Oosten, van Palestina tot Indonesië, vrij ingewikkeld omdat ze moet gezien worden in het algemeen kader van de Koude Oorlog, maar ook in het perspectief van een nieuwe rivaliteit tussen Groot-Britannië en de VS in het Oosten naar aanleiding van de vooruitgang van de dekolonisatie, en ten slotte in het beperkter kader van de invloedsstrijd tussen de jonge Aziatische staten en hun leiders[50]. In het Nabije Oosten zijn deze drie elementen ook aanwezig, maar daar komt nog een vierde factor bij, nl. het Joods nationalisme dat zich ook in dit woelig gebied zal trachten een territorium toe te eigenen.

 

 

HOOFDSTUK 2. DE SITUATIE IN PALESTINA.

 

In dit hoofdstuk wordt enerzijds de totstandkoming van de Israëlische staat behandeld en anderzijds wordt een overzicht gegeven van de Israëlisch-Arabische oorlog van 1948.

 

A. De totstandkoming van de Israëlische staat.

 

In dit deel worden de diverse factoren die een rol gespeeld hebben in deze evolutie even nader toegelicht.De belangrijkste dominanten zijn enerzijds het antagonisme tussen het Joods nationalisme en het Arabisch nationalisme, waarbij onderscheid dient gemaakt te worden tussen het pan-Arabisch en het Palestijns nationalisme. Anderzijds is er ook de Britse Mandaatopdracht in Palestina, die aanvankelijk als het ware een buffer vormt tussen die twee nationalistische bewegingen, maar na verloop van tijd blijkt die opdracht onuitvoerbaar te zijn en laten de Britten de escalatie tussen Joden en Arabieren ten slotte de vrije loop.

 

1) Enkele termen: Palestina, Palestijn, Jood, Zionist, Israëli

 

Om later alle onduidelijkheden te voorkomen, is het nodig eerst nog enkele termen duidelijk te omschrijven. Vermits het conflict zich grotendeels afspeelt in het gebied dat men Palestina noemt, zullen we eerst trachten dit gebied duidelijk af te bakenen [51]. Palestina is een gebied met onduidelijk gedefinieerde grenzen, die bovendien nog variëren in de loop der geschiedenis of al naargelang het standpunt. Zeer algemeen wordt Palestina gebruikt om het gebied ten zuiden van Syrië, aan de Zuidoostkust van de Middellandse Zee, het schouwtoneel bij uitstek van de bijbelse geschiedenis, aan te duiden? Een ander erg algemene omschrijving is: de westelijke hoorn van de Vruchtbare Sikkel. Na WO-II werd aan Groot-Britannië het Mandaatgebied “Palestina” toegekend. Dit omvatte het huidige Israël en het huidige

Jordanië [52] . In 1922 werd het huidige Jordanië afgesplitst van het oorspronkelijke Mandaatgebied en kreeg de naam Transjordanië. Palestina lag nu enkel nog ten westen van de Jordaan. En het is in deze betekenis dat we Palestina hier zullen gebruiken. Dit gebied beslaat dus ongeveer het grondgebied van de huidige Israëlische staat. In 1948 veroverde Transjordanië de zgn. Westelijke Jordaanoever. In 1967 viel dit gebied terug in handen van Israël.

Palestijnen zijn de inwoners van Palestina. Tot voor de oprichting van Israël kan men daar dus zowel Joden als Arabieren mee aanduiden. Alhoewel men de Joodse Palestijnen meestal kortweg Joden noemt. De term Arabische Palestijnen of Palestijnse Arabieren wordt wel gebruikt. Vanaf de oprichting van de staat Israël verstaat men onder Palestijnen enkel nog Arabieren die in Israël of op de Westelijke Jordaanoever leven of die uit Israël gevlucht zijn onder invloed van de Joods-Arabische oorlog van 1948.

Ook de termen Jood, Zionist en Israëli mogen niet verward worden [53]. De Joden vormen één volk door dezelfde godsdienst en hetzelfde geestelijk erfgoed. Dit is dus een etnisch begrip. Hier ligt echter een moeilijkheid omdat de verscheidenheid bij de Joden, zo groot is dat sommige andere etnische kenmerken voor alle Joden niet dezelfde zijn.

 

Het woord Zionist slaat eerder op een politieke ideologie, een nationalistische beweging. Deze ideologie beoogde de oprichting van een eigen Joodse staat. Deze beweging bestaat nog hoewel haar voornaamste doel reeds gerealiseerd is. Ze richtte zich vanaf dan vooral op het consolideren en verbeteren van dat gerealiseerde doel, via o.a. een immigratie- en nederzettingspolitiek.

Israëli is elkeen die het Israëlisch staatsburgerschap bezit. Dit is dus een louter staatkundig begrip. De combinatiemogelijkheden tussen deze drie begrippen zijn talrijk maar niet noodzakelijk [54].

 

2) De ontwikkeling van het zionisme van 1882 tot 1920.

 

In 1882 publiceerde de Joods-Russische arts Leon PINSKER (°1821 - +1891), de eigenlijke grondlegger van de idee van het politiek zionisme [55] , zijn brochure Auto-emancipation, waarin hij de Joden opriep tot emigratie naar een eigen land, in plaats van zich te integreren in de diverse Europese landen. Het zionisme, een politieke beweging met socialistische inslag, die dus in de tweede helft van de negentiende eeuw is ontstaan inhet Oost-Europese Jodendom, tegen een achtergrond van pogroms en moeilijke integratie, kreeg een beslissende impuls van Theodor HERZL (°1860 - +1904). Deze Oostenrijkse Jood schreef in 1896 zijn boek Der Judenstaat, onder ander beïnvloed door het Europees nationalisme en het groeiend antisemitisme rond de Dreyfusaffaire (1894-1906). Voor HERZL was het Jodenprobleem geen sociaal of religieus, maar een nationaal probleem. Het ging niet om de individuele terugkeer naar Eretz (het land) Israël, maar om de oprichting van een Joods vaderland.

In 1897 organiseerde hij het eerste Zionistisch Congres in Bazel, waardoor het zionisme groeide van een marginale intellectuele naar een politieke massabeweging [56]. Na het overlijden van HERZL in 1904 kreeg het zgn. praktisch zionisme [57] de overhanden wouvia immigratie in Palestina een Joodse staat realiseren. Op gronden die werden aangekocht door het Joods Nationaal Fonds, gesticht in 1901, en gefinancierd door de Joodse Nationale Bank, opgericht in 1899, werden de nieuwe kolonies (kibboetsiem) opgericht, gebaseerd op de principes van collectivisme en zelfverdediging. De tweede Aliyah (immigratiegolf)[58] tussen 1903 en 1914 [59], bracht 40.000 Joden, voornamelijk uit Russisch zionistisch-socialistische kringen naar Palestina [60].

 

In deze situatie stapte Palestina WO-I in. Het Ottomaanse rijk, waartoe Palestina behoorde, koos de zijde van Duitsland. Engeland, dat sedert 1882 Egypte bezette, vreesde voor zijn belangen in dit gebied. In 1915 slaagde de Britse Hoge Commissaris in Kaïro, Sir Henry McMAHON,er in om de sjarif van Mekka: HOESSEIN IBN ALI [61], er toe te bewegen een Arabische opstand tegen het Turks gezag te voeren, in ruil voor onafhankelijkheid van deze Arabische gebieden na WO-I. Maar in de lente van 1916 was de Sykes-Picotovereenkomst tot stand gekomen, waarin Groot-Britannië, Frankrijk en Rusland overeen kwamen het Midden Oosten - toen nog altijd in handen van het Ottomaanse rijk – onder elkaar te verdelen[62].

Op 2 november 1917 deden de Britten echter nog een tweede belofte, bij monde van de toenmalige minister van buitenlandse zaken, lord BALFOUR (°1848 - +1930), maar nu aan de Joden. In de zgn. Balfourdeclaration wordt gezegd dat “de Britse regering gunstig stond tegenover de stichting in Palestina van een Nationaal Tehuis voor het Joodse volk en alles zou doenom de totstandkoming van dit doel te vergemakkelijken” [63].

Na WO-I werd in april 1920 op de conferentie van San Remo, een verlengstuk van de Parijse Vredesconferentie, beslist het Mandaat van de Volkerenbond over Palestina [64] en Irak aan de Britten en dat over Syrië¨en Libanon aan de Fransen toe te vertrouwen. Deze Mandaatopdracht was er op gericht deze gebieden te begeleiden naar een spoedige onafhankelijkheid. Wat Palestina betreft, werd de Balfourdeclaratie in juli 1922 door de Volkenbond integraal in de tekst van het Brits Mandaat opgenomen, waardoor ze internationale erkenning kreeg [65]. In april 1920 werd ook de eerste Britse Hoge Commissaris in Palestina benoemd: sir Herbert SAMUEL (° 1870 - + 1963)[66], die de Britse militaire administratie verving, die sinds de Britse verovering van Palestina opgezet was [67].

 

3) Profilering van de 2 protagonisten in de jaren 1920.

 

a. het Joods nationalisme: in deze periode ging de zionistische beweging een belangrijke rol spelen in de totstandkoming van de Joodse staat. Het Britse Mandaat liet immers heel wat ruimte voor initiatieven van de plaatselijke bevolkingsgroepen, met het oog op hun uiteindelijke onafhankelijkheid. De Britse gouverneur, de zgn. Hoge Commissaris, werd wel bijgestaan door een Britse Bestuursraad (Executive Council), maar stond er ook op geadviseerd te worden door een benoemde Raadgevende Raad (Advisory Council), waarin alle bevolkingsgroepen vertegenwoordigd waren. Toen hij die benoemde raadsmannen in september 1922 wou vervangen door verkozen leden, werden de verkiezingen geboycot door de Arabische bevolking. Vanaf 1926 waren Joodse organisaties reeds verantwoordelijk voor diverse diensten aan de Joodse gemeenschap. Zo verzorgde de Joodse Nationale Raad (Va’ad Le’ummi) het onderwijs, de gezondheidszorg en het sociaal welzijn. Het Joods Agentschap (Jewish Agency) was verantwoordelijk voor de immigratie, de nederzettingen, de bebossing, …[68]. De Joodse gemeenschap in Palestina was dus reeds vrij goed georganiseerd.

De houding van de zionistische beweging ten aanzien van het Palestijns probleem is goed te volgen via de stellingnamen van de Joodse Arbeidersvereniging, Ahdut ha – Avodah, opgericht in februari 1919. Deze partij stond steeds voor een moeilijke keuze tussen haar Joods nationalistische beginselen, nl. het Joods recht op Palestina, en haar socialistische principes die de onteigening van de Arabische fellahin (kleine boeren) trachtte te vermijden en zelfs streefde naar samenwerking op klassebasis. In de praktijk werd deze samenwerking gerealiseerd binnen de Joodse vakbond Histadrut, die in december 1920 opgericht was[69].

 

b. Het Arabisch nationalisme in Palestina [70]: in het begin van de twintigste eeuw begon zich ook in Palestina een Arabisch bewustzijn te ontwikkelen, mede als reactie op het zionisme. Het ontluikend Arabisch nationaal bewustzijn bloeide op in Palestina op het einde van de jaren 1920, toen in Syrië het Arabisch nationalisme enige successen boekte. In juli 1919 had namelijk een nationalistisch congres inDamascus de onafhankelijkheid van Syrië geproclameerd. Op een volgend congres in maart 1920 werd FAISAL [71], derde zoon van sjarif HOESSEIN IBN ALI, tot koning van Syrië uitgeroepen. Het scheen de Arabische Palestijnen toe dat als dit regime ook Palestina zou besturen, de nadelige bepalingen van de Balfourdeclaratie voor hen ongedaan zouden gemaakt worden [72]. Daarom gingen er stemmen op voor een unie met dit nieuwe Hashemietische Syrië. In juli 1920 echter veroverden de Fransen Damascus en installeerden er hun mandaatregime. FAISAL vluchtte en kreeg van de Britten de Irakese koningskroon aangeboden. Hiermee verdween ook de factor die de Arabieren in Palestina naar een unie met Syrië dreef. Want de Syrisch-Arabische nationalisten, die hun strijd tegen de Franse mandaathouders verder zetten, was vrij gematigd jegens het zionisme omdat men meende dat men het zeer invloedrijk geachte zionisme nog wel eens zou kunnen nodig hebben. De Palestijns-Arabische nationale beweging onder leiding van de Groot Moefti van Jeruzalem, Mohammed Amin AL HOESSEINI [73], was hierdoor erg verbitterd en weigerde verder te werken binnen het kader van de zgn. pan-Syrische Arabische nationale beweging.

De anti-zionistische strijd van de Arabische Palestijnen in de jaren 1920 was niet erg succesvol: hun nationaal zelfbewustzijn was nog niet sterk genoeg om te weerstaan aan de economische voordelen die de Joodse immigratie en de landverkoop hen boden. Toch werden in deze periode de eerste organen opgericht waardoor deze nationale beweging zich verder zou kunnen uitbouwen. Sinds 1919 kwam het Palestijns Arabisch Congres (Palestine Arab Congres) samen. In december 1920 werd een Arabisch Uitvoerend Comité (Arab Executive Committee) opgericht. In januari 1922 werd de Opperste Muslimraad onder leiding van Groot Moefti HOESSEINI geïnstalleerd. En in november 1923 werd een Palestijns Arabisch Nationale Partij (Palestinian Arab National Party) gesticht, ook onder voorzitterschap van HOESSEINI. Deze zal nog een belangrijke rol spelen in het conflict. Hij slaagde er in de Palestijns Arabische massa te door dringen met de idee van de zionistische dreiging en legde de kiem voor de meer massale nationale beweging uit de dertiger jaren.

 

c. evolutie van de beide bewegingen in de tweede helft van de jaren 1920: toen de snelle en massale immigratie van Joden in Palestina uitbleef, ging men van Joodse zijde het Palestijns Arabisch probleem als dringender beschouwen. Zo ging in 1926 BEN ZVI [74] onderhandelen met de familie van de Moefti, terwijl in 1924 nog gezegd was dat een dialoog met het Arabisch nationalisme in Palestina onmogelijk was zolang het geleid werd door de effendis.

In juni 1928 sloeg ook het Palestijns Arabisch Congres een nieuwe weg in: in plaats van alle samenwerking met de Mandaatregering te boycotten, opteerde men nu voor onderhandelingen. Maar de anti-Joodse rellen van augustus 1929 braken deze trend af. In 1929 begon men ook terug tekenen van pan-Arabisch nationalisme te onderkennen. Maar het Arabisch Palestijns nationalisme was in de jaren 1920 geen hechte beweging. Ze bestond uit rivaliserende groepen vooraanstaande families, bij elkaar gehouden door een complex en vaak broos netwerk van relaties. De organisatie van de arabieren in Palestina was veel minder sterk ontwikkeld dan de Joodse [75].

Op het einde van dit decennium, op de vooravond van de versmelting van de Ahdut ha-Avodah en Ha-Po’el ha Za’ir [76] in 1930 tot Mapai (de zgn. Arbeiderspartij), was de houding van de zionisten gematigd. Maar alhoewel de lokale contacten van de zionisten met de Arabische notabelen er op gericht waren Arabische vijandelijkheden te voorkomen of te beperken, was men niet uit op een globale regeling. Men trachtte enkel de rust te herstellen om de immigratiemogelijkheden te optimaliseren en via die massale immigratie een Joods Nationaal Tehuis “de facto” te kunnen verwezenlijken [77].

 

4) De derde acteur in de schijnwerper: de Britse Palestina-politiek[78]

 

De eerste belangrijke Britse daad na de aanvaarding van het Mandaat over Palestina, waarin ook de Balfourdeclaratie was opgenomen, bestond uit de publicatie van een witboek van W.CHURCHILL in 1922. Hierin werd vooral bepaald dat de Joodse immigratie moest beperkt worden. Van Joodse zijde werd hiertegen heftig geprotesteerd, verwijzend naar de Balfourdeclaratie. Ook de Britten beriepen zich op die tekst, die ook bepaalde dat: “niets mag gedaan worden dat nadeel zou berokkenen aan de burgerlijke of religieuze rechten van de bestaande niet-Joodse gemeenschappen in Palestina”.

 

De Britse aanpak bestond er in Het Palestina-probleem te isoleren van het algemeen Arabisch vraagstuk. Noch Labour, noch de Conservatieven waren dus uitgesproken pro-zionistisch of pro-Arabisch. Alhoewel de zionisten aanvankelijk veel verwachttenvan hun socialistische broeders. Doordat de Britse economie gedeeltelijk gebaseerd was op zijn koloniale bezittingen, was Palestina door zijn strategische ligging van vitaal belang. Vanaf 1930 begon de Britse hegemonie in de Mandaatgebieden echter af te takelen door de sterker wordende aanspraken van zowel Joden als Arabieren. In oktober 1930 verscheen het tweede Brits Witboek van sir PASSFIELD, waarin werd voorgesteld de Joodse immigratie terug te beperken. Onder het Hoog Commissariaat van sir WAUCHOPE [79] veranderde de situatie enigszins. Onder invloed van de economische depressie van der jaren ’30, waren de Britten meer geneigd de Joodse immigratiebeperkingen te verzachten omdat ze Palestina meer zelfvoorzienend wilden maken, waardoor Groot-Britannië er minder geld zou moeten inpompen. Tussen 1932 en 1935 steeg de Joodse immigratie dan ook, maar in 1936 daalde ze terug omwille van het uitbreken van de Arabische rebellie.

 

5) De moeilijkheden in de tweede helft van de jaren 1930.

 

a. oorzaken en gevolgen van de Arabisch Palestijnse “rebellie” (1936-39): vanaf het midden van de jaren ’30 werd de situatie in het Midden-Oosten gespannen door de Italiaans-Ethiopische oorlog (1935), de groei van de Arabisch Palestijnse beweging, de opgang van Hitler en de groeiende Joodse immigratie in Palestina. In november 1935 vroegen de Arabische Palestijnen aan de Britten de stopzetting van de Joodse immigratie. Het Britse antwoord van januari 1936, dat rekening trachtte te houden met beide partijen, stelde geen van beide tevreden. Het plan voorzag o.a. restricties op de landverkoop en beperkingen van de Joodse immigratie [80]

De Arabieren lokten rellen uit in Palestina, sporadisch tot april, dan uitgroeiend tot bloedige ongeregeldheden. In april ’36 begonnen ze ook nog een algemene staking. In deze periodewas het Arabisch Hoger Comité, het overkoepelend orgaan van de Arabische bevolking in Palestina ontstaan, onder leiding van de Groot Moefti van Jeruzalem, HOESSEINI. Onder Britse militaire druk werd de staking in oktober ’36 afgelast, maar het bleef onrustig tot 1939 [81]. Het witboek van de Peelcommissie van 7 juli 1937 kwam tot de constatatie dat de rebellie veroorzaakt werd door een onverzoenbaar conflict tussen twee tegengestelde nationalistische bewegingen en raadde de verdeling aan van Palestina in twee afzonderlijke staten. De Joodse staat zou niet de Negev omvatten, maar wel het dichtbevolkte Arabisch Galilea. Dit lokte protest uit bij de Arabische Palestijnen. De Arabische staat zou opgenomen worden in Transjordanië van koning ABDOELLAH [82], wat ongenoegen bij de andere Arabische landen opriep. Door de zionisten werd dit voorstel met tegenzin aanvaard, maar heftig verworpen door de Arabische Palestijnen. In september ’37 werd een pan-Arabische conferentie belegd in BLOUDAN. Men dreigde zich voor de verdediging van de Arabische belangen in Palestina te wenden tot de vijand van Groot-Britannië, nl. Nazi-Duitsland. De Britten wilden de Arabische landen echter niet ontstemmen omdat ze hun steun op de vooravond van WO-II zochten te behouden. Het witboek van mei 1939 van M. MAC DONALD, zag af van de verdeling van Palestina en beperkte de Joodse immigratie en de landverkoop drastisch.

Ook werd de oprichting van een onafhankelijke Palestijnse staat binnen tien jaar voorzien, waarbinnen de belangen van beide volken zouden behartigd worden[83].

De officieuze onderhandelingen tussen Joden en Arabieren waren in deze periode meer het resultaat van tactische toenaderingen, gedaan onder druk van de omstandigheden, dan wel uit bekommernis om een echt compromis. De zionistische politiek werd toen gedicteerd door de fysische realiteit waarin de Europese Joden zich toen bevonden [84].

 

b. de inmenging van de Arabische staten: toen IBN SAOED [85] in april 1936 trachtte te onderhandelen in dit conflict, werd dit initiatief onmiddellijk door de Britten verworpen omdat ze de Palestijnse kwestie wilden geïsoleerd houden van het algemeen Arabisch probleem.

Een nieuw Saoedisch initiatief in juni 1936 liet een andere Britse aanpak zien. Ze stapten af van hun isolatiepolitiek, omdat ze meenden dat de beveiliging van de Britse belangen nu best kon gebeuren door een min of meer verenigd Arabisch gebied. Deze Arabische bemoeienissen bewerkten dat de Britse regering zich sneller afkeerde van het verdelingsplan van de Peelcommissie. Dit leidde tot het Witboek van 1939. Het had op zijn beurt tot gevolg dat de kloof tussen de Britse regering en de Joodse leiders vergrootte, en deze laatsten sneller gedreven werden naar de oprichting van een onafhankelijke Joodse staat. Uit de inmenging van de Arabische staten kan nog geconcludeerd worden dat de Arabische wereld sterk verdeeld en onderling naijverig was. Deze initiatieven waren niet ingegeven door een massale pan-Arabische beweging, maar waren een zaak van de regeringen, die trouwens liever geen onafhankelijke Palestijnse staat zagen omwille van hun eigen groot-Arabische aspiraties. De Britse politiek was er bovendien op uit eerst de Arabische heersers te voldoen, en dan pas de Arabische Palestijnen [86].

 

6) Vertraging van het proces tijdens WO-II [87]

 

De Duitse dreiging in Europa, gekoppeld aan de Italiaanse bedreiging van de Britse hegemonie in heet Midden-Oosten, zorgden er voor dat de Britten zoveel mogelijk Arabische steun trachtten te winnen of te behouden. Deze politiek leidde, zoals gezegd, naar het Witboek van 1939. Hierdoor werd de Joodse immigratie drastisch beperkt. Op het ogenblik dat de Nazi’s Oostenrijk en Tsjechoslowakije veroverden, lag de Joodse droom van een Nationaal Tehuis in Palestina aan diggelen. Bij het uitbreken van de oorlog zei BEN GOERION [88]: “We zullen het Witboek bestrijden alsof er geen oorlog is, en we zullen gezamenlijke vijanden bestrijden alsof er geen Witboek is”.

 

In 1940 scheurde de Joodse terroristische bevrijdingsorganisatie de Sterngroep, Lohamei Herut Israël, zich af van de Irgun[89] op aanstoken van A.STERN[90]. En dit omdat volgens hem de strijd tegen de Britten in Palestina niet mocht gestaakt worden tijdens de oorlog [91]

Na de oorlog bereikte de Joodse emigratie naar Palestina, als gevolg van de door de Nazi’s begane massamoord op bijna 6 miljoen Joden, een ongekend hoogtepunt. Maar de Britse regering hield zich aan haar immigratiepolitiek van 1939 en grendelde Palestina’s grenzen af. In dit kader zijn de tragische verhalen te situeren van overvolle schepen met Joodse vluchtelingen die Palestina niet binnen mochten en terug gestuurd werden, vaak met noodlottige gevolgen. Hierbij kon de wereldopinie niet onverschillig blijven…

Een krachtmeting tussen de Britse autoriteiten en de Joodse ondergrondse militaire organisaties: Hagana, Irgun en Stern, kon niet uitblijven. Onder invloed van deze situatie besloot de Britse regering, mede in het kader van haar dekolonisatiebeleid, zo vlug mogelijk het Brits mandaat over Palestina te beëindigen.

 

7) Het begin van het einde of het einde van het begin?

 

a. de oprichting van de staat Israël in internationaal perspectief [92]: na WO-II steunde Moskou de Arabische eisen om de Westerse troepen uit het Midden-Oosten terug te trekken en steunde dus ook de Arabische onafhankelijkheidsbewegingen. Eind 1946 stond de Britse minister van Buitenlandse Zaken, Ernest BEVIN, voor de moeilijke keuzen: de Joden en de Amerikaanse president TRUMAN of de Arabieren en hun steun in deze sector. Dit opportunistische dilemma bepaalde en bemoeilijkte het Britse zoeken naar een oplossing. De Britse Midden-Oosten politiek moet in deze periode gesitueerd worden op de internationale achtergrond van de Russische dreiging in Europa, de beveiliging van het wankele Britse imperium, de Britse oliebelangen, en de Russische drang om zijn invloed te versterken in het Midden-Oosten.

In mei 1947 verbaasde de USSR gans de wereld door zich op te werpen als verdediger van

De zionistische aspiraties aangaande Palestina. In de grond was deze Sovjetpolitiek noch pro-Israël, noch pro-Arabisch, maar pro-Sovjet… De USSR realiseerde zich echter vrij snel dat de zionisten zich niet sterk zouden laten beïnvloeden. In 1949 was de vriendschap dan ook al bekoeld.

Op 15 mei 1947 werd een speciale onderzoekscommissie opgericht: de UNSCOP (United Nations special committee on Palestine). Eind november 1947 werd haar verdelingsplan door de UNO aangenomen. Dit plan stelde voor Palestina te verdelen in een Joodse en een Arabische staat, die samen een economische unie zouden vormen en Jeruzalem te beschouwen als een internationale zone onder UNO-beheer [93]. Maar de Britse regering achtte dit plan onuitvoerbaar en op 15 mei 1948 verlieten de Britten hun Mandaatgebied Palestina. In de nacht van 14 op 15 mei werd de onafhankelijkheid van de staat Israël uitgeroepen, wat door de Arabische staten als een oorlogsverklaring werd beschouwd. En ze vielen dan ook de pasgeboren staat aan [94], die onmiddellijk “de facto” erkend werd door de VS. De SU erkende Israël op 17 mei 1948 zelfs “de jure”.

 

b. Joden en Palestijnen in het begin van de Israëlische staat[95]:het voornaamste doel van de zionistische beweging tijdens de Mandaatperiode was: een organisatorische, militaire en politieke infrastructuur opbouwen, die bij de oprichting van een Joodse staat, onmiddellijk in werking zou kunnen treden. Ondanks de moeilijke omstandigheden slaagden ze daar vrij goed in. De Israëlische parlementsverkiezingen van 25 januari 1949 leverden de Arbeiderspartij (Mapai) een overwinning op. David BEN GOERION werd de eerste premier. En op 16 februari 1949 werd Chaim WEIMANN [96] de eerste president. De voornaamste problemen (immigratie, economie, defensie) werden door de Joodse leiders energiek aangepakt. Voor één probleem had men echter minder aandacht, namelijk dat van de “Palestijnen”.

Tijdens de oorlog was vier vijfden van de Arabische bevolking gevlucht. De overblijvenden, 12,5 % van de Israëlische bevolking, waren ongeorganiseerd. De meesten leefden in Galilea en Gaza. Een groot deel van de oorspronkelijke Arabische bevolking van Palestina leefde op de Westelijke Jordaanoever, die Transjordanië veroverd had. Eigenaardig genoeg werd op dit gebied geen Palestijnse staat gesticht.

Het was uit bekommernis voor de eigen staat dat de Joodse leiders zich over het Palestijnse probleem zijn gaan buigen. De Palestijnen in Israël werden immers als een mogelijke vijfde colonne beschouwd. Op 26 oktober 1948 werd een militair bestuur over de Arabische regio’s in Israël (Gaza en Galilea) ingesteld.

 

Le plan de partage
 de 1936-1938

Plan de partage adopté
par l'ONU en 1947

Plan Bernadotte 1948

La realité. Etât d'Israël et
Jordanie après l'armistice
 de 1949

 

R. NEHER-BERNHEIM, Histoire juive. Dl.III, 20ième siècle, dl.2: 1920-1948, p.764-765.

 

B. De Arabisch-Israëlische oorlog (1948/49).

Het militair verloop van de Arabisch-Israëlische oorlog van 1948 wordt aan de hand van de gebeurtenissen in diverse fasen opgedeeld. Ook de activiteiten van de UNO hebben we hier behandeld. Dit deel wil enerzijds een overzicht bieden van het feitelijk gebeuren op zich, maar ook de nodige achtergrondinformatie vervolledigen.

 

1. van UNSCOP-plan tot uitroeping van de staat Israël (29/11/1947 – 15/5/1948):

 

De latente spanningen in Palestina werden erg acuut eind november 1947, toen de Algemene Vergadering van de UNO het verdelingsplan van de UNSCOP aanvaardde. Op 25 november 1947 had de bevoegde VN-commissie het meerderheidsplan van de UNSCOP reeds aanvaard. Dit plan stelde, zoals hiervoor reeds gezegd, voor het Britse Mandaatgebied Palestina (dit is dus zonder Transjordanië) te verdelen in een Joodse en een Arabische staat, die samen een economische unie zouden vormen. De stad Jeruzalem zou als internationale zone onder het beheer van de UNO vallen [97]. De Joodse staat zou gevormd worden door de Negev, de kuststrook ongeveer van Jaffa tot iets boven Haïfa en in het NO het gebied aan het meer van Tiberias. Deze drie gebieden werden door twee corridors met elkaar verbonden [98].

De Arabische staat zou de Gazastrook (= een stuk van de Negev langs de Sinaïwoestijn), de zgn. Westelijke Jordaanoever en een gebied aan de Libanese grens omvatten [99].

Op 29 november werd dit zgn. delingsplan ook door de Algemene Vergadering van de UNO aanvaard. Maar het werd van Arabische zijde onmiddellijk verworpen [100].

In het begin werd deze periode gekenmerkt door bomaanslagen, stakingen, raids, …

Vooral de afgelegen Joodse kolonies en de Joodse bevolking in de gemengde steden moeten het ontgelden [101]. Het Joodse verzet werd bovendien nog bemoeilijkt door de activiteiten van de Britse Mandaattroepen: fouilleringen, arrestaties, in beslag name van wapens, … [102].

Begin januari 1948 viel het ongeregeld Arabisch Bevrijdingsleger, samengesteld uit allerhande vrijwilligers, onder leiding van FAWZI AL KAUKJI (Qawaqje) [103] Palestina binnen en viel vooral Joodse kolonies aan [104].

Op 19 maart 1948 diende de Amerikaanse UNO-afgevaardigde Warren AUSTIN totaal onverwacht een voorstel in dat het delingsplan liet varen en de instelling van een tijdelijke voogdij in Palestina onder het gezag van de UNO op het oog had. Dit omdat de VN het delingsplan toch niet kon doen uitvoeren. Dit voorstel werd besproken in de Algemene Vergadering, maar door de uitroeping van de Israëlische onafhankelijkheid op 15 mei 1948, was het achterhaald.[105]

Tegelijkertijd stelden de VS een ander resolutie-ontwerp voor, dat beide partijen voorstelde een bestand te sluiten. Op 17 april 1948 aanvaardde de Veiligheidsraad een concreet bestandsontwerp van de VS. Op die dag ging ook het UNO-embargo in dat de toevoer van wapens of manschappen naar Palestina verbood. Op 23 april 1948werd nog een VS-resolutie aangenomen, waarbij een bestandscommissie (samengesteld uit de VS, Frankrijk en België) werd opgericht, die zou waken over het uit te voeren bestand [106].

 

Bij het in nemen van strategische posities, die door de Britten ontruimd werden, hadden de Arabieren aanvankelijk de bovenhand [107]. Maar vanaf april 1948 begonnen de Joden meer terrein te winnen: op 9 april werden te Deir Yassin 254 inwoners gedood door de Joodse organisaties Stern en Irgun [108]; Tiberias werd veroverd op 18 april [109]; op 21 april werd Haïfa ingenomen [110]; op 10 mei werd Safed veroverd en op 13 mei capituleerde Jaffa [111].

Onder invloed van deze Joodse acties en door de oproepen van de Arabische leiders, verlieten veel Palestijnse Arabieren hun steden. Het deel van hen dat Palestina verliet, benadeelde eigenlijk de Arabische landen: deze verloren zo een potentiële vijfde colonne en bovendien moesten ze die vluchtelingen opvangen. Maar iedereen was er van overtuigd dat ze vlug naar huis zouden kunnen terugkeren [112]

 

2. de inval der Arabische legers (15 mei – 11 juni 1948):

 

In de nacht van 14 op 15 mei 1948, het tijdstip waarop het Brits Mandaat over Palestina afliep, werd de onafhankelijkheid van de Israëlische staat afgekondigd. Onmiddellijk vielen de legers van Egypte, Transjordanië, Syrië, Irak en Libanon de pas geboren staat binnen. De Arabieren waren numeriek in de meerderheid en waren bovendien beter bewapend. Iedereen verwachtte dan ook een vlotte Arabische overwinning. Koning ABDOELLAH van Transjordanië rekende er op Haïfa binnen te rukken op 25 mei 1948[113].

Een deel van het Egyptische leger rukte vanuit El Arish langs de kust op naar Gaza. Via Ascalon en Majdjal bereikten ze op 29 mei Isdoud (Ashdod), op ca. 30 km ten Z van Tel Aviv, waar ze door de Israëli’s tot staan gebracht werden. De Joodse kolonies die ze onderweg tegenkwamen werden omsingeld (Nizim, Kfar Darom) of na hevige en langdurige gevechten veroverd (Yad Mordekhai, Negba, Nitzanim). Een ander deel vertrok vanuit El Arish naar El Aoudja, bereikten op 20 mei Beersheba, en trok via Hebron naar Bethlehem. Op 22 mei werden ze even ten zuiden van Jeruzalem tot staan gebracht door het Israëlisch leger [114].

In het centrum stond Israël tegenover het geducht Arabisch Legioen van Transjordanië en konden er geen terreinwinst boeken [114a].

De Irakezen staken van op Transjordaans grondgebied de Jordaan over en opereerden vooral in Samaria, tussen de Transjordaanse (zuidelijker) en Syrische (noordelijker) troepen in. Aanvankelijk werkten ze samen met het Arabisch Bevrijdingsleger van KAUKJI. Vanuit de driehoek Jenin-Tulkarn-Nablus trachtten ze door te stoten naar de Middellandse Zee (nabij Netanyah). Wat hen ten slotte, na wisselende kansen, niet lukte [115].

De Syriërs waren van plan onmiddellijk door te stoten tot Haïfa. Hun daadwerkelijke vorderingen bleven echter beperkt tot de streek rond het Meer van Tiberias. Op 18 mei veroverden de Samakh (Zemah) en op 20 mei Daganyas (Daganyah). Maar dan liep hun offensief vast [116].

 

Het Libanees leger viel zwakst uit. Nadat de Israëli’s op 17 mei Akko (Acre) veroverd hadden, konden ze op 23 mei tot aan de Libanese grens oprukken. De Libanezen slaagden er echter wel in Malkiyyah te veroveren [117]

Op kaart leken de veroveringen van de Arabieren enorm: bijna gans Palestina was in hun handen, op de kuststrook, een deel van Negev en enkele verspreide Joodse kolonies na. Behalve in het noorden waren de Israëli’s in deze periode in het defensief gedrongen.

De Joden slaagden er overal in de Arabische legers tot staan te brengen, maar konden hen geen zware verliezen toebrengen [118]. Toch had het Israëlisch leger de meest optimistische verwachtingen overtroffen [119].

Ondertussen was er op het diplomatiek vlak ook enige bedrijvigheid aan de dag gelegd. Op 17 mei 1948 had de VS een resolutie-ontwerp ingediend dat bevestigde dat de toestand in Palestina een bedreiging voor de vrede en de veiligheid inhield, overeenkomstig art. 39 van het UNO-handvest [120], dat ook het stopzetten van de vijandelijkheden beval.

 

3) het eerste bestand (11 juni tot 9 juli 1948):

 

Op 20 mei 1948 stelde de Algemene Vergadering van de UNO de Zweedse graaf Folke BERNADOTTE [121] aan als bemiddelaar voor Palestina, om het behoud van essentiële diensten te verzekeren, de Heilige Plaatsen te beschermen en een vreedzame oplossing te vinden.

Op 29 mei, de dag na de aankomst van de UNO-bemiddelaar in het Midden-Oosten, riep de Veiligheidsraad nogmaals op tot een staakt-het-vuren voor vier weken [122]. F.BERNADOTTE legde op 7 juni 1948 zijn bestandsvoorstellen voor aan beide partijen, en na enige onderhandelingen ging het bestand in op 11 juni 1948. Het wapenbestand zou vier weken duren en tijdens die periode mochten geen wapens of manschappen aangevoerd worden [123].

Het bestand werd gecontroleerd door UNO-waarnemers uit België, Frankrijk, Zweden en de VS. De Joden namen het bestand graag aan om te herademen, te reorganiseren en te bewapenen. De aanvoer van zwaar materiaal en vliegtuigen zou een beslissende wending brengen in het verdere conflict. De Arabische legers konden het ook best gebruiken. Er waren slechts enkele kleinere inbreuken, als het wapenembargo buiten beschouwing gelaten wordt [124]. Op 1 juli 1948 nodigde F.BERNADOTTE Joden en Arabieren op Rhodos uit om over een verlenging van het bestand te onderhandelen. Maar deze poging mislukte door een Arabische weigering [125].

Sinds het begin van het eerste bestand trachtte de bemiddelaar een oplossing uit te werken. Hij beschouwde zichzelf niet gebonden door het zgn. verdelingsplan dat hij te voordelig voor de Joden vond en bovendien niet uitvoerbaar achtte. Op 27 juni 1948, na aparte gesprekken met beide partijen, stelde hij een unie van twee staten voor, een Joodse en een Arabische. Deze laatste zou de Westelijke Jordaanoever en de Negev omvatten [126] en zou bij Transjordanië gevoegd worden. Israël zou West-Galilea bij krijgen. Jeruzalem, de haven van Haïfa en de luchthaven van Lydda zouden een speciaal statuut krijgen. Na twee jaar zou de Joodse immigratie moeten onderworpen worden aan de goedkeuring van een Economische en Sociale UNO-raad. Terwijl de Arabische vluchtelingen gerepatrieerd werden en voor hun verloren bezittingen vergoed werden [127]. Dit plan Bernadotte had vooral territoriaal homogene staten op het oog om de gevaarlijke corridors te vermijden. In vergelijking met het UNSCOP-plan benadeelde het Israël gevoelig. Het werd door beide partijen van de hand gewezen.

 

4) Het tiendaags Israëlisch offensief (9-18 juli 1948):

 

Opgehitst door een intense nationalistische propaganda, viel het Egyptische leger op 8 juli reeds Joodse stellingen aan nabij de corridor tussen de kuststrook en de Negevwoestijn (de zgn. Maydal-Beit Guvrimlijn). De Israëli’ konden deze aanval afslaan en zelfs een tegenaanval opzetten, waardoor de verbinding tussen Noord-Israël en de Negev terug hersteld werd [128].

De Joden zelf hadden vier offensieve manoeuvres gepland: vanuit het nieuwe stadsgedeelte van Jeruzalem lanceerden ze een aanval op de Oude Stad, de Syriërs wilden ze uit hun bruggehoofd verdrijven en het Arabisch Bevrijdingsleger van KAUKJI, dat in Opper-Galilea opereerde, wilden ze ook verdrijven. Om de eerste operatie uit te voeren liet kolonelY.ALLON [129] op 9 juli via een halve omsingelingsbeweging de steden Lydda en Ramleh afsnijden van het gebied Latroun-Ramalah. Op 12 juli waren Lydda en Ramleh veroverd. De inname van Latroun werd echter door het tweede bestand bekomen. De verbinding met Jeruzalem kon toch tot stand gebracht worden, maar de aanval op de Oude Stad mislukte.

In Galilea konden de Israëli’s o.l.v. kolonel CARMEL [130] het Arabisch Bevrijdingsleger terugslaan en Nazareth op 16 juli veroveren. De Syriërs slaagden er in hun bruggehoofd te behouden, dat echter door de Israëli’s min of meer in de tang gehouden werd [131].

 

5) Het tweede bestand (18 juli – 15 oktober 1948):

 

Op 15 juli 1948 nam de Veiligheidsraad een resolutie van de VS aan, waarin verklaard werd dat de situatie in Palestina een bedreiging vormde voor de vrede [132] en waarin de betrokken partijen bevolen werd af te zien van elke verdere militaire actie. Daartoe werd een staakt-het-vuren afgekondigd tot een vreedzame regeling voor de toekomstige situatie in Palestina bereikt was [133]. Er werd geen datum bepaald, maar reeds vanaf de eerste dag hadden er inbreuken plaats… Tijdens dit bestand, nl. op 17 september 1948, werd de UNO-bemiddelaar F.BERNADOTTE en de Franse kolonel SHEROT, die dienst deed als UNO-waarnemer, in Jeruzalem door Israëlische terroristen dood geschoten. De moord werd toegeschreven aan de groep Stern [134]

 

6) de laatste oorlogsfase (15/10/48 – 7/1/49):

 

In het zuiden was het bestand door Egypte reeds herhaaldelijk geschonden. Israël lokte op 15 oktober 1948 een conflict uit om een reden te hebben om de operatie “de tien plagen” (van Egypte) tenuitvoer te brengen. Op 21 oktober veroverden de Israëli’s Beersheba en op 27 oktober Beit Guvrin. Niettegenstaande de UNO op 22 oktober een bestand had bevolen. Ten gevolge van deze Israëlische opmars trokken de Egyptenaren zich op 28 oktober terug uit Ashdod en op 6 november trokken ze zich vanuit Majdal teug tot in Gaza. In Faluja werden 4.000 Egyptenaren omsingeld, maar ze wisten stand te houden [135].

In het noorden beschouwde het Arabisch Bevrijdingsleger zich niet gebonden door het bestand. Op 22 oktober viel KAUKJI een Joodse kolonie aan nabij de Libanese grens, waarop het Israëlisch leger alle overblijvende steunpunten van het Arabisch Bevrijdingsleger in Opper-Galilea veroverde, zo ook Malkiyyah. Toen de UNO hier op 31 oktober een staakt-het-vuren wist op te leggen, was gans het Arabisch Bevrijdingsleger verdreven. De Israëli’s drongen zelfs door tot aan de Litanirivier in Libanon [136].

In het zuiden bleef Egypte het bestand schenden. Zo trachtten ze op 19 november 1948 vanuit Gaza hun troepen nabij Faluja te ontzetten. Israël besloot toen Egypte een definitieve nederlaag toe te brengen. Op 22 december 1948 startte de operatie. Als afleidingsmanoeuvre werd eerst de kuststrook (Gaza – Rafah) aangevallen. Op 25 december echter rukte het gros van het Israëlisch leger vanuit Beersheba opnaar Aoudja (Awja), dat op 27 december veroverd werd. De Israëli’s zetten de achtervolging in tot in de Sinaï. Op 30 december 1948 bedreigde Y.ALLON zelfs El Arish. Maar op 2 januari 1949 werden alle Israëlische troepen uit de Sinaï teruggetrokken, omdat Groot-Britannië – zich beroepend op het Brits-Egyptisch bijstandsverdrag van 1936 – aan Israël een ultimatum had gestuurd. Vanaf 3 januari richtten de Israëlische aanvallen zich op de Gazastrook. De verovering van Rafa(h) werd echter verhinderd door het staakt-het-vuren dat op 7 januari 1949 terug van kracht werd [137].

Het laatste militair feit van deze oorlog was de in bezit name van Eilat door de Israëli’s op 10 maart 1949. Dit zorgde wel voor enkele spanningen met Transjordanië en Groot-Britannië, maar daar bleef het bij [138].

 

7) de vredesonderhandelingen (7/1 – 20/7/1949):

 

Toen op 7 januari 1949 het staakt-het-vuren tussen Israël en Egypte terug van kracht werd, raakten beide partijen er ook over akkoord vredesonderhandelingen te beginnen op Rhodos. Deze begonnen effectief op 12 januari 1949, o.l.v. de nieuwe UNO-bemiddelaar Ralph BUNCHE [139] .

Op 16 januari 1949 begon ook Libanon vredesbesprekingen met Israël. En op 30 januari nodigde BUNCHE eveneens Syrië, Transjordanië, Irak, Saoedi-Arabië en Jemen uit om deel te nemen aan de onderhandelingen.

Op 24 februari 1949 werd een wapenstilstandsverdrag gesloten tussen Egypte en Israël. De demarcatielijn liep van Nebi Yunis aan de Middellandse Zee, 20 mijl ten zuiden van Tel Aviv, via Isdoud en Faluja, naar de Golf van Akaba [140]. Nu pas werden tevens de omsingelde Egyptische soldaten te Faluja vrije terugtocht toegestaan [141].

De besprekingen tussen Libanon en Israël mondden uit in een algemeen bestandsontwerp dat op 23 maart 1949 ondertekend werd. Aan de Libanese grens [142] werd niets gewijzigd [143].

Op 3 april 1949 werd een bestandsovereenkomst tussen Israël en Transjordanië ondertekend. Transjordanië dat goed uit de oorlog gekomen was, behield de veroverde Westelijke Jordaanoever [144].

Het wapenstilstandsverdrag tussen Israël en Syrië bleef uit tot 20 juli 1949. De Syriërs trokken zich ten slotte terug achter de grens van het vroegere mandaatgebied, in ruil voor demilitarisatie van de grensstrook [145] .

De wapenstilstandsverdragen leidden echter nooit tot vredesverdragen tussen Israël en zijn buurlanden [146]. Ondertussen was Israël op 11 mei 1949 opgenomen als lid van de UNO, nadat de eerste aanvraag van Israël op 17 december 1948 door de UNO verworpen was [147].

Op 29 januari 1949 erkende België de staat Israël “de facto” [148], hiermee het voorbeeld van Groot-Britannië volgend [149].

Ondertussen was men in de UNO ook bezig geweest over het lot van de Arabische Palestijnen, die onder druk van het oorlogsgeweld hun land ontvlucht waren. Voor het aldus ontstane vluchtelingenprobleem [150], nam de Algemene Vergadering van de UNO op 11 december 1948 resolutie 194,III aan, waarin bepaald werd dat: “de vluchtelingen die verlangden naar hun haardsteden terug te keren en met hun buren in vrede wilden leven, daartoe zo vlug mogelijk de toelating moesten krijgen en dat een compensatie moest betaald worden voor de bezittingen van diegenen die verkozen niet terug te keren” [151]

 

 

HOOFDSTUK 3. DE SITUATIE IN BELGIË.

 

Deze korte situatieschets van België is ingelast om de totstandkoming van Israël te kunnen situeren in de Belgische politieke situatie. Aldus krijgen we ook een beeld van de omstandigheden waarin de Belgen dit probleem konden meebeleven. Er wordt ook even ingegaan op de buitenlandse politiek van de Belgische regering in het algemeen, en in het bijzonder ten opzichte van het conflict in Palestina.

 

1) De binnenlandse politieke situatie [152]

 

Ook in België had WO-II diepe sporen nagelaten: er waren veel slachtoffers en het land was materieel beschadigd en verarmd. De wederopbouw verliep moeizaam. Bovendien waren er nog enkele politieke problemen die zwaar zouden gaan doorwegen: de koningskwestie en de repressie. De levensbeschouwelijke en de communautaire tegenstellingen gingen parallel lopen, wat de situatie niet vergemakkelijkte. In mei 1940 had LEOPOLD III zich aan de Duitsers overgegeven, in plaats van de regering PIERLOT naar Londen te vergezellen. Van mei 1945 tot juni 1948 kon de koning – o.a. om gezondheidsredenen - niet terugkeren naar België. Toen de koning in juli 1950 terugkeerde, was er zoveel protest en agitatie dat hij eind juli besloot af te treden. Op 11 juli 1950 droeg hij de macht over aan zijn zoon, kroonprins BOUDEWIJN. In de pers werd gedurende gans deze periode duchtig over deze zaak geschreven en gestreden.

De mensen die tijdens de oorlog met de Nazi’s gecollaboreerd hadden, werden na de oorlog massaal vervolgd [153]. Maar deze epuratie ging, onder invloed van allerlei omstandigheden, met zoveel excessen gepaard dat men in België in die na-oorlogse jaren van een echte repressieve terreur kon spreken. Op 14 juni 1948 kwam de eerste wet op de epuratie tot stand. Tot in 1952 gaven clementiemaatregelen nog aanleiding tot het ontslag van de minister van Justitie. Ook dit probleem deed veel stof opwaaien in de pers, die zowel communautair als ideologisch tegenover elkaar stond.

Over beide problemen bestonden diepe meningsverschillen tussen de politieke partijen, zodat het land zeer moeilijk regeerbaar was. Tussen 26 september 1944 (samenstelling van de eerste na-oorlogse regering) en 16 juli 1951 (definitieve troonsafstand van LEOPOLD III) heeft België niet minder dan tien regeringen gehad. En in minder dan zeven jaar hadden drie maal landsverkiezingen plaats.

De evolutie van het intern Belgisch politiek leven in eerste jaren na WO-II moet zeker gezien worden in het kader van de algemene ontwikkeling van de internationale toestand. Zo bijvoorbeeld had ook de Belgische Kommunistische partij na de overwinning op het fascisme enig succes. Maar onder invloed van de geleidelijke verstrakking van de internationale verhoudingen tussen Oost en West, daalde dit succes snel. En het einde van de zgn. linkse regeringen in maart 1947, waarin ook de communisten ministerportefeuilles hadden, is zeker niet uitsluitend aan de koningskwestie toe te schrijven…

In de door ons bestudeerde periode was de socialistisch-katholieke regering SPAAK-EYSKENS (20 maart 1947 – 27 juni 1949) aan de macht. Zij stond meermaals voor ernstige moeilijkheden. Op 5 april 1948 diende P.H.SPAAK voor de eerste maal het ontslag van zijn regering in omdat Liberalen, Communisten en links-Socialisten zich verzetten tegen een ruimere subsidie aan het vrij technisch onderwijs. Aan H.ROLIN werd toen door Prins-regent KAREL een beperkte informatie-opdracht gegeven om het probleem te effenen. Hij kon de twee regeringspartijen een compromis doen aanvaarden, waardoor de regering SPAAK in mei 1948 opnieuw in het zadel zat.

Op 19 november 1948 diende ze andermaal haar ontslag in wegens een interpellatie tegen minister STRUYE over zijn clementiemaatregelen i.v.m. de repressie. Na het ontslag van P.STRUYE kwam de hervormde regering op 27 november 1948 met een vernieuwd programma voor de dag, waarin de nadruk werd gelegd op de bestrijding van de werkloosheid en de aanpak van de problemen rond de koningskwestie. Het probleem van de financiering van de werklozensteun leidde ten slotte tot het definitief ontslag van deze regering (27 juni 1949)[154]

 

2) De buitenlandse politiek.

 

Gezien het belang dat de krantencommentaren besteden aan de Belgische regeringspolitiek inzake Palestina hebben we dit punt uitvoeriger behandeld aan de hand van het werk van O. DE RAEYMAEKER.

a. algemeen [155]:

 

De buitenlandse politiek, in diejaren door P.H.SPAAK geleid, werd op beslissende wijze beïnvloed door de evolutie in de internationale betrekkingen. Zo ontwikkelde de onenigheid tussen de overwinnaars van WO-II zich spoedig tot een heuse Koude Oorlog. De politiek van een klein land als België was dan ook vooral afgestemd op het zoeken van steun in grotere bondgenootschappen. Zo werd België in januari lid van de Benelux. Zoals gezegd had WO-II geen stabiliteit gebracht in de internationale betrekkingen. Na allerhande spanningen, waar bij de Russische politiek in Midden-Europa en de Balkan de Westerse landen het meest verontrustte, tekende zich sedert 1947 duidelijk de vorming af van twee machtsblokken. Ook België werd in 1947 deelgenoot in het Marshallplan en in 1948 lid van de NAVO, waarin de VS de hoofdrol werd toegekend. Als deel van West-Europa dat door het oorlogsgebeuren fel verzwakt was, heeft België zich samen met de andere West-Europese landen ingespannen om door coördinatie en integratie van de gemeenschappelijke West-Europese hulpbronnen, terug een machtsfactor te worden in de evolutie van het politiek wereldgebeuren. Zo werd ons land ook lid van de Raad van Europa (mei 1919) en van de EGKS (april 1951).

 

b. tegenover het Joods-Arabisch conflict in 1948:

 

De situatie in het (ex-)Mandaatgebied Palestina werd herhaaldelijk in de UNO behandeld. Vermits België toen lid was van de Veiligheidsraad [156], kreeg het meer dan andere landen met deze problematiek te doen. Toen de bevoegde VN-commissie op 25 november 1947 het meerderheidsplan van de UNSCOP, het zgn. delingsplan [157], aanvaardde; onthield België zich omdat het de voorgestelde grenzen [158] niet bevredigend vond en de economische unie onverwezenlijkbaar achtte. België opteerde voor het minderheidsplan, dat de vorming van een federale staat voorzag, waarvan Jeruzalem de hoofdstad zou zijn [159]. Toen op 29 november 1947 het meerderheidsplan, de deling dus, ook door de Algemene vergadering aanvaard werd, sloot België zich nu wel aan bij de meerderheid. Vooral onder druk van de VS en de USSR [160].

In de Kamer uitte enkel H.CARTON de WIART (PSC) [161] zijn misnoegen over het onrealiseerbare van het delingsplan [162].

Toen de VS op 17 mei 1948 een resolutie-ontwerp indiende dat bevestigde dat de toestand in Palestina een bedreiging voor de vrede en de veiligheid inhield [163], verklaarde België zich akkoord, maar vond dat men beter in het kader van hoofdstuk VI van het UNO-Handvest bleef, in het kader dus van een vreedzame oplossing van de geschillen. Dit omdat de UNO toch geen dwangmaatregelen kon uitvoeren.

Op 22 mei 1948 deed de Veiligheidsraad nogmaals een oproep tot het staakt-het-vuren, maar België onthield zich terug wegens art.39 van het UNO-Handvest.

Op 15 juli 1948 stelde de VS een resolutie-ontwerp aan de Veiligheidsraad voor, waarin de uitvoering werd gevraagd van de maatregelen uit art. 39 indien geen gevolg gegeven werd aan het bevel om van elke militaire actie af te zien. Dit maal stemde België wel voor [164].

Op het ongenoegen van CARTON de WIART [165] na, was er in het Parlement een kenschetsende consensus van de drie traditionele partijen om de door de Belgische regering aangenomen houding in de Palestina-kwestie goed te keuren [166]

België stemde op 11 december 1948 voor de resolutie 194, III i.v.m. het Arabisch vluchtelingenprobleem. Reeds vroeger had de Belgische UNO-afvaardiging opgemerkt dat rekening moest gehouden worden met “le droit des populations autochtones à disposer d’elles-mêmes” [167].

Op 17 december 1948 werd de eerste aanvraag van Israël om opgenomen te worden in de UNO verworpen. België onthield zich omdat het meende anders de staat Israël onrechtstreeks te erkennen. Toen de UNO op 11 mei 1949 Israël wel opnam als lid, onthield België zich nogmaals. Hiermee het voor beeld van Groot-Britannië volgend [168].

Ten opzichte van de onafhankelijkheidsverklaring en de erkenning van Israël stond België dus nogal terughoudend. P.H.SPAAK wees tijdens de vergadering van 3 juni 1948 in de Senaat op het gevaar van de stichting van een Joodse staat voor de Arabische wereld. Graaf d’ASPREMONT-LYNDEN (PSC) had reeds eerder gezegd dat België in het Palestijns vraagstuk een voorzichtige houding diende aan te nemen. Buiten het geestelijk belang van de Heilige Plaatsen had België daar geen rechtstreeks materieel belang. Hij legde de hoofdverantwoordelijkheid bij de grootmachten [169]. Enkel mevr. I.BLUME-GREGOIRE (PSB) [170] uitte in een verslag van 13 januari 1949 haar verwondering over het feit dat België de staat Israël nog niet erkend had en haar kritiek omdat België geweigerd had Israël op te nemen in de UNO.

 

Pas op 29 januari 1949 erkende België “de facto” Israël, nadat Groot-Britannië ook deze stap gezet had. Op 16 januari 1950 erkende België de staat Israël ook “de jure” [171].

Opvallend is dat België ten aanzien van het statuut van Jeruzalem en de Heilige Plaatsen steeds een constante houding heeft aangenomen. Resolutie 181 van 29 november 1947, het zgn. UNSCOP-verdelingsplan van de Algemene Vergadering van de UNO [172] , hield een clausule in met betrekking tot de internationalisatie van Jeruzalem. België dat geijverd had voor het statuut van Jeruzalem als “corpus separatum”, verheugde zich over het aanvaarden van deze formule. Het stemde voor. Herhaalde malen werd deze clausule hernomen, maar Israël legde al deze resoluties naast zich neer [173].

Over de rol van België in deze aangelegenheid besluit prof. O. DE RAEYMAEKER: “België kon dus, niet rechtstreeks beetrokken zijnde bij de machtsverhoudingen tussen de grote mogendheden, met een realistische kijk op de zaken een matigende en zelfs bemiddelende rol spelen. Als klein land, een traditioneel verdediger van de primauteit van het recht in internationale betrekkingen en van de eerbied voor eenmaal aangegane verbintenissen, was België goed geplaatst om onrechtvaardige toestanden aan te klagen en hiertegen standvastig op te treden. En het zou er meer dan eens toe gebracht worden kritiek uit te oefenen op de monopolistische tendensen van de twee supermachten, die geneigd waren het welzijn van een regio aan hun belangen op te offeren. Eveneens als klein land moest België echter soms noodgedwongen buigen voor de wil van de grote mogendheden. Het Belgisch buitenlands beleid was dus, ondanks zekere legalistisch-idealistische uitspraken, niet altijd van een zeker pragmatisme ontbloot. Ons land wenste een internationale politiek te voeren waarvan het de verplichtingen eerlijk kon nakomen? Daarbij verloor het ook niet uit het oog dat het zijn traditionele goede betrekkingen met verschillende Arabische landen niet in de war mocht sturen. Bovendien schikte België zich meermaals naar de houding van Groot-Britannië, waarmee het zich traditioneel erg verbonden voelde”[174]. “Israël was voor veel Belgen een onvoldoende gevestigde realiteit en de onafhankelijkheidsverklaring werd in België op groot scepticisme onthaald. O.a. omdat de oprichting van de Israëlische staat geacht werd nadelig te zijn voor de Arabieren en omdat de Belgische regering niet bereid was eventueel met geweld de verdeling van Palestina te helpen verwezenlijken” [175]

 

 

HOOFDSTUK 4. DE SITUATIE VAN DE KRANTEN

 

In dit hoofdstuk wordt onze bron: de krant, van naderbij bekeken. Eerst wordt een overzicht gegeven van de toestand van de geschreven pers in België, in het algemeen en in het bijzonder in de jaren na WO-II. Na dit algemeen deel werd ook getracht een zo concreet mogelijk beeld op te hangen van de diverse onderzochte kranten in de periode april 1948 – februari 1949 [176].

 

1) De krant als communicatiemiddel.[177]

Reeds besproken in deel I over massacommunicatie

 

2) De situatie van de geschreven pers in België.

 

a. algemeen[178]:

 

De Belgische pers, die van bij de aanvang overwegend een opiniepers was, is dit gebleven tot op de huidige dag. De conservatief-katholieke en de liberaal-burgerlijke kranten, die reeds voor de stichting van de respectieve partijen ontstaan waren, fungeren echter niet als militante partij-organen. Dit is wel het geval met de socialistische pers, die van meet af optrad als spreekbuis van de socialistische partij of van haar vakbond.

Na WO-I kregen de bestaande politieke partijen (de katholieke, liberale en socialistische partij), het gezelschap van twee nieuwe: de Frontpartij ontstond in 1919 uit de Frontbeweging; terwijl de Kommunistische Partij zich in 1921 afscheurde van de socialisten. De Kommunistische Partij heeft sedertdien meestal over een dagbladpers beschikt, terwijl de Vlaams-nationalistische Frontpartij (sedert 1933 VNV) slechts tussen de twee wereldoorlogen een dagblad bezat en de VU, die na WO-II haar intrede deed, zich tevreden stelde met het officiële partijweekblad: “Wij”.

 

b. na WO-II:

 

WO-II, met zijn jarenlange Duitse bezetting, heeft vanzelfsprekend een grote invloed uitgeoefend op de evolutie van de pers. Tal van dagbladen verdwenen. In de eerste plaats deze die met de bezetter hadden gecollaboreerd: “Volk en Staat”, “De Dag”, “Le Pays Réel”, “Gazette de Charleroi”, … Maar ook een hele groep andere kranten, die bij de aanvang van de oorlog hun publicatie hadden stopgezet en niet meer opnieuw op de krantenmarkt kwamen: “Gazet van Gent”, “Journal de Liège”, “Le Bien Public”, “Indépendance Belge”, “L’Etoile Belge”, “Le national Bruxellois”, “De Morgenpost”, …

Bij al deze wijzigingen blijft het echter opvallend dat de meeste grote kranten, die op het einde van de negentiende eeuw (de gouden era van de pers) waren ontstaan, alle stormen hebben getrotseerd en tot op de huidige dag konden standhouden.

Na het beëindigen van de oorlog kwamen een veertigtal vooroorlogse kranten terug op de markt. Alhoewel er tussen 1944 en 1949 nog verschillende nieuwe kranten opgericht werden – maximaal verschenen er 69 – verdwenen die meestal opnieuw vlug. Tot WO-II behield de Franstalige pers ongetwijfeld een ernstige voorsprong op de Nederlandstalige, zowel wat de inhoud als de oplage betreft. Daarna werd deze achterstand geleidelijk ingelopen, wat duidelijk verband houdt met de emancipatie van Vlaanderen.

Het concentratieverschijnsel in de Belgische pers dat zich tussen de twee wereldoorlogen schuchter aankondigde, nam na WO-II zeer grote afmetingen aan. Dit hield verband met de steeds verdere industrialisering van de krantenonderneming en de steeds toenemende concurrentie van de audiovisuele media. Vooral de duidelijk politiek gebonden pers, inzonderheid de socialistische, werd hiervan het slachtoffer [179].

Onmiddellijk na WO-II waren de krantenketens echter nog niet zeer uitgebreid. Er was nog geen monopolietendens. Sommige kranten van dezelfde strekking, maar in andere streken verschijnend, gebruikten soms wel dezelfde correspondenten.

De creatie van nieuwe kranten stootte toen op het gebrek aan beginkapitaal en op het feit dat omzeggens alle strekkingen van de publieke opinie vertegenwoordigd waren.

In 1949 deed zich een crisis voor in de pers die veroorzaakt werd door de vertraging in de economische conjunctuur, die het publiciteitsaanbod beïnvloedde en zo ook de leefbaarheid van de kranten. In 1950 steeg de oplage terug om politieke redenen: de volksraadpleging over de koningskwestie, de regeringscrisis, de Korea-oorlog, … In deze periode verplaatste en verruimde het interesseveld van de lezeren van de kranten zich ook: Marshallplan, Koude Oorlog, …

Bovendien zijn ook de memoires van de grote politici dan erg in trek; terwijl bij het binnenlands nieuws meer aandacht uitgaat naar het sociaal-economische.

Ook wat de opmaak betreft vallen er veranderingen te noteren: de lay-out wordt dynamischer: meer titels en foto’s. In het geheel van het geschreven deel blijft het serieuze karakter domineren, ondanks de opkomst van rubrieken als “graphologie” en “horoscoop”.

Het roman-feuilleton verliest van zijn attractie ten voordele van het stripverhaal [180]

 

3) Een beeld van de door ons onderzochte dagbladen.

 

Vermits de standaardwerken vrij algemeen blijven, hebben we getracht van elke krant afzonderlijk een korte schets te maken. Elke schets bestaat uit drie deeltjes: een historisch stuk, een deel gewijd aan de auteurs, en een technisch-administratieve steekkaart. Dit om een duidelijk beeld te hebben van wie een bepaald standpunt inneemt.

Dat er vaak standpunten ingenomen worden die als objectief voorgesteld worden, blijkt uit enkele opmerkingen over journalistiek in het algemeen in de commentaren over deze Palestijnse crisis: “De berichten uit Palestina zijn waarschijnlijk overdreven” [181], “Valse berichten als oorlogswapen” [182], “La presse réactionnaire crée un courant d’hostilité envers le jeune Etat d’Israël” [183], “Les professionels du mensogne tentent de cacher ce jeu impérialiste en avançant des informations fantaisistes” [184].

Dat niet alleen de ideologische, maar ook de economische achtergrond van de krant een rol kan spelen, wordt aangetoond door volgende opmerkingen: “Les Arabes n’ont aucun système de propagande et leur point de vue est rarement exposé à l’opinion mondiale. Les juifs par contre contrôlent une grande partie des moyens d’information mondiaux» [185]. In «La Dernière Heure» vermeldt een commentator dat «alhoewel er veel Joden in New-York wonen en niettegenstaande de «New-York Times» in Joods bezit is [186], die krant de situatie in Palestina objectief benadert” [187].

 

Vooraleer alle kranten afzonderlijk te bekijken, halen we nog een algemene appreciatie aan over de houding van de Belgische pers in dit conflict. Ch. WEIZMANN, de eerste president van Israël, spreekt als volgt: “A l’occasion de la reconnaissance d’Israël par la Belgique, je voudrais dire un mot de remerciement à cette admirable presse libre qu’est la vôtre et qui m’a tant aider pour exposer et expliquer la cause d’Israël. J’ai trouvé dans la presse belge, de langue française et de langue flamande, une hospitalité généreuse, des vues larges et un désir d’objectivité, qui constituent la plus encourageante expérience que j’ai éprouvée. … Ce n’est pas pour la [188] remercier davantage que les autres organes d’information qui traitaient le problème sans position prise, mais pour accentuer combien j’admire cette grande institution libérale et indépendante, ouverte à la raison et à la persuasion, qu’est la presse belge» [189]

Alhoewel deze verklaring niet belangenvrij is, zegt ze toch iets.

 

a) DE STANDAARD [190]

 

1° Historiek:

In 1918 werd deze krant gesticht op initiatief van het Antwerpse trio: Frans

VAN CAUWELAERT, Alfons VAN DE PERRE en Arnold HENDRIX.

Deze krant was bedoeld voor de katholiek georiënteerde intelligentsia en veroverde spoedig een vaste plaats in Vlaanderen. In 1929 kwam deze krant volledig in het bezit van Gustaaf SAP, en in 1940 ging ze over naar zijn familieleden [191]. “De Standaard” werd uitgegeven tot aan de inval. In plaats daarvan werd tijdens de bezetting een andere krant uitgegeven: “Het Algemeen Nieuws”. Na de bevrijding werd “De Nieuwe Standaard” uitgegeven tot 1946. Vanaf1 mei 1947 gaf de familie SAP, onder leiding van schoonzoon A. DE SMAELE, terug “De Standaard” uit. Na een moeilijke periode veroverde deze, met zijn terug verschenen volkseditie en weekblad, een belangrijke positie [192].

 

2° De redactie:

In 1947 telde deze ongeveer 30 leden en werd geleid door Jozef

UYTERHOEVEN, hoofdredacteur tot 1956, Eli SERUYS voor de binnenlandse politiek, Albert DHAESE die de polemische rubriek “Feiten en beschouwingen“verzorgde, en Leo PICARD was hoofd van de buitenlandse redactie [193].

Om de verantwoordelijke voor de commentaren over de buitenlandse politiek, en meer in het bijzonder de Arabisch-Israëlische oorlog van 1948/49 [194], een beetje te situeren, volgt hier een korte biografie. Leo PICARD is geboren te Antwerpen op 4 november 1888. Hij was historicus, onder leiding van prof. Henri PIRENNE. In 1914 voegde hij zich bij de Gentse groep “Jong Vlaanderen”, die een scherpe anti-Belgische koers voer. In 1915 verliet hij deze groep reeds. Hij werd dan redacteur bij het Haags liberaal blad “Het Vaderland”. Sedert 1915 raakte PICARD er meer en meer van overtuigd dat arbeid ter wille van Vlaanderen niet vruchtbaar kan zijn, zonder diepe verbondenheid met het volk in zijn brede lagen. Hij is geleidelijk geëvolueerd van een progressief vrijzinnige naar een “socialist”. Tijdens WO-II zat hij twee maal in Duitse gevangenschap. In februari 1946 keerde hij terug naar België, om enige tijd daarna als redacteur-buitenland verbonden te worden aan het “Brussels” dagblad “De Standaard”. In 1956 ging hij met pensioen, maar staakte nog niet alle arbeid voor deze krant [195]. Hij is overleden in november 1981.

 

3° Technisch-administratieve steekkaart [196]:

De ondertitel van “De Standaard” luidt: “Dagblad voor staatkundige, maatschappelijke en economische belangen” en het motto: “AVV-VVK”. Het adres is: E. Jacqmainlaan 127, Brussel. Elk nummer telt in deze periode meestal zes pagina’s, in 1949 werden er dit acht. De prijs per nummer bedraagt dan 1 fr 25.

Het formaat blijft steeds gelijk: 42,5 cm breed en 59 cm hoog. Ze verschijnt elke dag van de week, ook op zaterdag en zondag. Over de oplage in 1948 hebben we geen cijfers gevonden, maar in 1935 bedroeg ze 30.000 exemplaren en in 1949 31.000 [197] . De inhoudsverdeling is vrij normaal: hoofdartikel en sensationeel nieuws op de voorpagina, dan het binnenlands nieuws, vervolgens het buitenlands nieuws, dan nog enkele regionale nieuwtjes en tenslotte sportnieuws en varia. Weinig artikels waren ondertekend.

“De Standaard”” is een katholieke en Vlaamse krant, maar geen partijblad. Over de verslaggeving van het buitenlands nieuws wordt gezegd dat ze minder gereserveerd is dan de binnenlandse berichtgeving [198].

 

b) GAZET VAN ANTWERPEN. [199]

 

1° Historiek:

In november 1891 werd deze krant door drukker Jan-Baptist Napolitaan VAN

OS (°1847 - +1911) uitgegeven, onder een oude niet meer gebruikte titel.

VAN OS wou in het toenmalige door twisten tussen katholieken en”geuzen” verdeelde Antwerpen, waar vooral burgerlijke Franstalige kranten verschenen, een katholiek, Vlaams en goedkoop volksdagblad uitgeven. Tijdens WO-I bleef het blad verschijnen tot in 1915, toen het na moeilijkheden met de Duitse censuur zijn publicatie staakte. Het kwam opnieuw van de pers in november 1918. In de jaren ’20 volgde een grote redactionele en technische expansie. De raad van beheer besliste in april 1940 bij een eventuele bezetting zijn publicatie te staken. Verschillende redactieleden werden naar Duitse concentratiekampen gevoerd. Na de bevrijding verscheen de krant opnieuw en zou spoedig een nieuwe opgang beleven.

De raad van beheer werd van 1942 tot 1948 voorgezeten door graaf A. LE GRELLE en van 1948 tot 1951 door Jan VALVEKENS. Directeur van de NV was A. SOMVILLE, van 1921 tot 1957. Van 1938 tot 1952 was baron F. VAN DER STRAETEN-WAILLET toezichter-commissaris van de raad van beheer. Vanaf 1946 tot op heden is Louis MEERTS hoofdredacteur [200].

 

2° De commentators-buitenland:

Van de 32 commentaren die in deze periode over de Arabisch-Israëlische oorlog handelen, zijn er 18 ( = 56 %) ondertekend met CR, 10 ( = 31 %) zijn niet ondertekend, 2 ( = 6 %) dragen de initialen M.C. en de twee overige zijn respectievelijk gesigneerd door Patrick O’DONNOVAN en E.

De initialen CR zijn van André CRAEYNEST [201]. Deze is geboren in 1918 te Marke. Hij is licentiaat Germaanse van opleiding. In 1945 werd hij redacteur-buitenland bij de “Gazet van Antwerpen”. In 1953 promoveerde hij tot redactiesecretaris en in 1966 tot adjunct-hoofdredacteur [202]. M.C. zijn de initialen van Mark Callewaert [203], wat een pseudoniem is voor Eugène WINTERS. Hij is geboren in 1907 te Venloo [204]. Volgens A. CRAEYNEST is ook “E” een initiaal van Eugène WINTERS.

Van Patrick O’DONNOVAN weten we enkel dat hij als correspondent voor de “Gazet van Antwerpen”“ werkte.

 

3° Technisch-administratieve steekkaart:

De “Gazet van Antwerpen” draagt in deze periode

geen ondertitel en ook geen motto. Het adres is: Nationalestraat 46, Antwerpen. Per nummer varieert het aantal bladzijden van 8 tot 14, maar meestal bevat het 8 pagina’s.

De prijs per nummer bedraagt 1 fr 25. Het formaat is hetzelfde als van “De Standaard”: 42,5 cm breed en 59 cm hoog. Reeds van in april 1948 verscheen deze krant niet op zondag. De oplage bedroeg in 1945: 120.560 exemplaren, en in 1949: 158.000, waarvan 120.500 voor de “Gazet van Mechelen” [205].

De inhoudsverdeling is ongeveer zoals in “De Standaard”. In vergelijking met “De Standaard” zijn er meer foto’s en meer ondertekende bijdragen, alhoewel deze nog beperkt zijn.

“De drie pijlers van “Gazet van Antwerpen” zijn: christelijke inspiratie, Vlaamse ontvoogding en sociale vooruitgang. Op het gebied van de internationale politiek is “Gazet van Antwerpen” misschien de meest conservatieve van de grote Belgische kranten. Ze legt een heftig anti-communisme en een pro-atlantisme aan de dag” [206].

L. CATHERINE zegt van “Gazet van Antwerpen”: “één van de meest zionistisch gezinde kranten in België” [207].

 

c) DE NIEUWE GAZET. [208]

 

1° Historiek:

Dit liberaal dagblad ontstond in december 1897 als goedkope volkseditie van de wegkwijnende “De Koophandel”, het orgaan van de Vlaamse liberalen in Antwerpen. “De Nieuwe Gazet” verscheen onder impuls van o.a. Jan VAN RIJSWIJCK, die toen burgemeester was van Antwerpen. De krant staakte tijdens de twee wereldoorlogen telkens haar publicatie en verscheen terug na de bevrijding. Na WO-II maakte “De Nieuwe Gazet” de ontwikkeling mee binnen de liberale partij en vertolkte vooral de mening van de progressieve, vrijzinnige richting in de Antwerpse PVV, waarvan Frans GROOTJANS de leidende figuur werd. Sinds november 1957 maakte “De Nieuwe Gazet” deel uit van de uitgeverij HOSTE, die ook eigenaar is van “Het Laatste Nieuws”. Bij de overname door deze uitgeverij werd F.GROOTJANS [209] directeur-generaal en Willy DE SCHUTTER hoofdredacteur. In 1966 werd deze eerste vervangen door Frans STRIELEMANS. Op de houding van het blad stond jarenlang het zeer persoonlijke stempel van de zeer veelzijdige August MONET, die sinds 1899 hoofdredacteur was, en die vanaf 1937 bijgestaan werd door Maurice JAUMOTTE en Willy DE SCHUTTER [210].

 

2° De commentators-buitenland:

Van de 23 commentaren over het Israëlisch-Arabisch conflict werden er 9 ( = 39 %) geschreven door GEORGE, 8 ( = 38 %)werden er ondertekend met RIP, 3 ( = 13 %) waren niet gesigneerd, 2( = 9 %) waren ondertekend met E.L. en 1 ( = 4 %) was van de hand van WIDES.

De documentatiedienst van deze krant wist ons te vertellen dat RIP het pseudoniem is van August MONET, WIDESvan Willy DE SCHUTTER en GEORGE van George DE JONG [211]. August MONET werd geboren in 1875 te Antwerpen. In 1897 werd hij als redacteur aangeworven bij “De Koophandel”. Hij bleef werkzaam in de voortzetting van “De Koophandel”, namelijk: “De Nieuwe Gazet”. In 1899 werd MONET hoofdredacteur.

Tijdens WO-II werd hij medewerker aan “De Telegraaf” en bleef er 25 jaar lang Belgisch correspondent. Hij was een scherp polemist die de stellingen van de vrijzinnige liberalen verdedigde en de Vlaamsgezindheid zag in een Belgisch perspectief. Hij was ook romancier en criticus [212].

Willy DE SCHUTTER werd in 1906 geboren te Antwerpen. Hij heeft een opleiding als onderwijzer genoten. In 1926 werd hij journalist bij “De Nieuwe Gazet”. Vanaf 1937 was hij medehoofdredacteur bij dezelfde krant, en in 1950 redactiedirecteur. In 1971 ging hij op rust, maar bleef als los medewerker verbonden aan “De Nieuwe Gazet”. Hij was ook toneelauteur[213].

 

3° Technisch administratieve steekkaart:

“De Nieuwe Gazet” heeft in deze periode noch ondertitel, noch motto. Het adres is: Korte Nieuwstraat 28, Antwerpen. Per nummer varieert het aantal bladzijden in 1948 van 8 tot 12, meestal bevat een nummer 8 pagina’s. In 1949 zijn er vaak 14 bladzijden. Het formaat is iets kleiner dan de twee vorige kranten: 38 cm breed en 52 cm hoog. De prijs per nummer bedraagt 1 fr 25, maar in 1949 loopt dit op tot 1 fr 50. Reeds in april 1948 verscheen de krant niet op maandag, echter wel op zondag. Van de oplage in 1948 hebben we geen cijfers. De oplage van “De Nieuwe Gazet” en “Het Laatste Nieuws” samen, bedroeg in 1944: 139.335 exemplaren en in 1950: 315.557 [214].

De inhoudsverdeling komt in grote lijnen overeen met de twee vorige, maar is meer uitgesponnen. Over de houding van deze liberale krant in het algemeen hebben we volgende uitspraak aangetroffen: “De Nieuwe Gazet ne s’est jamais dérobée à l’engagement lorsque la liberté et la justice étaient menacées”[215].

 

d) VOLKSGAZET. [216]

 

1° Historiek:

De socialistische “Volksgazet” was juist voor het uitbreken van WO-I ontstaan te Antwerpen, als gevolg van een fusie tussen de weekbladen “De Werker” en “De Volkstribuun”. De krant werd tijdens de oorlog echter niet uitgegeven en ging dus maar goed van start in 1918 [217]. Ook tijdens WO-II verscheen ze niet. Nog tijdens de bevrijdingsgevechten verscheen ze reeds opnieuw. De krant nam een hard standpunt in tegenover de collaboratie. Na WO-II werd Jos VAN EYNDE hoofdredacteur. Alhoewel “Volksgazet” in 1944 stopte het officieel orgaan van de socialistische partij te zijn, bleef het er een trouwe weerspiegeling van. De politieke invloed van de krant vloeide voort uit het feit dat het de ideeën van JosVAN EYNDE, die sinds 1954 ook ondervoorzitter van de BSP was, trouw weergaf. Kenmerkend blijft dus de grote partijgebondenheid: de duiding is belangrijker dan de informatie [218].

 

2° Commentatoren-buitenland:

Van de 47 commentariërende artikels over het Israëlisch- Arabisch conflict in deze periode zijn er 31 ( = 66 %) niet ondertekend. Een dertiendelige reportage ( = 27 %) is van Arthur KOESTLER. En dan zijn er nog drie bijdragen die respectievelijk ondertekend zijn door Max BUSSET [219], INTERIM en de UNO-bemiddelaar Folke BERNADOTTE. De commentaren over het buitenlands nieuws werden in deze periode meestal verzorgd door Rik LENAERTS, die soms ondertekende met het pseudoniem INTERIM [220]. Hij werd geboren in 1918 te Ganshoren. Hij was gediplomeerde van het instituut voor journalisten van België [221]. Hij overleed in 1975. Volgens Kurt Grunebaum [222]was hij “een groot vriend van Israël”.

Arthur KOESTLER werd in 1905 geboren te Boedapest. Journalist van Joodse origine. Vanaf zijn jeugd was hij een overtuigd zionist, maar na de oprichting van de staat Israël gaat hij zich kritisch opstellen tegenover de extreme Joodse organisaties. Vanaf 1931 was hij een fel communist, o.a. als reactie op het fascisme. Na de zuiveringen van STALIN keert hij zich ook hiertegen. Hij was een bekend romancier. Hij stierf in maart 1983 te Londen [223]

 

3° Technisch-administratieve steekkaart:

De krant draagt in deze periode geen ondertitel,evenmin als een motto. Het adres is: Somerstraat 22, Antwerpen. Elk nummer telt meestal 16 pagina’s, soms 12. Het formaat is echter wel kleiner dan dat van de vorige kranten: 29 cm breed en 42 cm hoog. De prijs per nummer bedraagt 1 fr 25. “Volksgazet” verscheen reeds in april 1943 niet meer op zondag. De oplage bedroeg in 1937: 30.000 exemplaren, in 1944: 125.000 en in 1949: 142.000 [224].

De inhoudsverdeling is vrij traditioneel, maar door het groter aantal bladzijden over meer ruimte verspreid. Er wordt wel uitzonderlijk veel aandacht aan het sportnieuws besteed.

Over de houding van “Volksgazet” in het algemeen wordt o.a. gezegd dat ze zich kenmerkt door een anti-clericalisme, dat uitgesprokener is dan in andere Franstalige, socialistische kranten en door een militante sympathie voor Israël en de zionistische instellingen [225].

L.CATHERINE zegt: “Het hoeft dan ook geen verwondering te wekken dat hun krant “De Volksgazet” alle kritiek op het zionisme steeds in botte en fanatieke stijl als pro-terrorisme heeft gedoodverfd”[226].

 

e) RODE VAAN.

 

1° Historiek:

Dit officieel Vlaams orgaan van de Belgische kommunistische partij werd op 24september 1921 te Antwerpen opgericht en volgde zo het weekblad “De Kommunistische Arbeider” op, dat zelf op 20 mei 1921 gesticht was. Als weekblad werkte het aanvankelijk nauw samen met de Franstalige tegenhanger, “Le Drapeau Rouge”.

Op de stichtingsvergadering van de Vlaamse Kommunistische partij in juni 1936 werd dit blad omgedoopt tot “Het Vlaamsche Volk“, met de bedoeling het Vlaamse werkvolk te bereiken. Het verscheen van 6 februari 1937 tot 16 december 1939, onder leiding van Jef VAN EXTERGHEM. Van mei 1941 tot augustus 1944 verscheen het illegaal onder de naam “De Rode Vaan”. Op 5 september 1944 kwam het onder dezelfde naam legaal van de pers te Brussel. Tot 1 januari 1959 verscheen het als dagblad, sindsdien verscheen het enkel nog wekelijks [227].

 

2° De commentators-buitenland :

Van de 20 opiniërend artikels over het Israëlisch-Arabisch conflict zijn er 10 ( = 50 %) van L.SAEY, 6 ( = 30 %) zijn niet ondertekend, 2 ( = 10 %) zijn van de handvan R. DE SMET en 2 artikels zijn respectievelijk gesigneerd door S. MIKOUMIS, toenmalig leider van de Kommunistische Partij van Palestina, en door Derk KARTUN, een correspondent ter plaatse.

Raymond DE SMET is geboren in 1918 te Parijs. Hij volgde enkel lager middelbaar onderwijs en wel te Aalst. Vanaf 1945 was hij als journalist werkzaam bij de “Rode Vaan”. In 1950 was hij redactiesecretaris en later werd hij hoofdredacteur. Van 1946 tot 1958 was hij gemeenteraadslid te Aalst. Van 1954 tot 1961 was hij administrateur van de Belgische Kommunistische Partij voor de pers [228].

L. SAEY hebben we niet kunnen identificeren.

 

3° Technisch-administratieve steekkaart:

De ondertitel van de “Rode Vaan” luidt: “Dagblad

der Kommunistische partij van België”. Een motto is er niet. Het adres is: Kazernestraat 33, Brussel. In 1948 is het formaat ongeveer even groot als dat van de “Volksgazet”, nl.: 30 cm breed en 43 cm hoog. Vanaf januari 1949 vergroot dit formaat echter tot 42 cm breed en 62 cm hoog. In 1948 telt elk nummer meestal 8 bladzijden, vanaf 1949 worden er dit slechts 4, soms 6. De prijs van één nummer bedraagt in deze periode eveneens 1 fr 25. Reeds in april 1948 verscheen de “Rode Vaan” niet meer op zondag.

Ook hier is de inhoudsverdeling vrij traditioneel. Opvallend is dat in deze krant veel aandacht besteed wordt aan acties van de eigen partij en een sterk polemisch taalgebruik.

 

f) LE SOIR. [229]

 

1° Historiek:

Dit zogenaamde neutraal dagblad werd op 11 december 1887 opgericht te Brussel door V. ROSSEL, N. CORBELIN en E. ROELS, als gratis verspreid advertentieblad dat ook enige informatie verstrekte. In 1898 werd naar de gewone dagbladformule overgeschakeld. Van 1937 tot 1968 werd “Le Soir” geleid door CH.BREISDORFF. De krant is eigendom van de groep NV Rossel, de grootste Franstalige perstrust in België [230].

Toen directeur Lucien FUSS in 1946 stierf, werd de directie van het blad toevertrouwd aan de dochter van V. ROSSEL: Marie-Thérèse. Die ook de beheerraad voorzat, waarin ook nog B. KUBORN, nicht van V. ROSSEL, en C. VANDERBORGHT zetelden [231]

 

2° De commentators-buitenland:

Opvallend is dat de opiniërende artikels over dit Arabisch-Israëlisch conflict door een groot aantal verschillende personen (minimum 10) geschreven zijn. De meeste bijdragen worden geleverd door Arthur KOESTLER [232], nl. 14 ( = 27 %), en door R. DE GEYNST, nl. 10 ( = 20 %). Acht bijdragen ( = 15 %) zijn niet ondertekend. R. HISLAIRE en OBSERVER [233] hebben elk 6 bijdragen ( = 11 %) geleverd. Robert HENS schreef 2 commentaren. Eén bijlage werd geleverd door: El. ROOSEVELT, vrouw van Franklin ROOSEVELT, W. LIPMANN, correspondent van de “Harold Tribune”, Roger MOTZ, Belgisch liberaal partijvoorzitter van 1945 tot 1953, R.G. en C. [234].

Robert DE GEYNST werd in 1899 te Luik geboren. Hij was redacteur bij “Neptune” en later bij “Le Soir”. Nadien werd hij permanent correspondent in Londen voor “Le Soir” [235]. Vanuit Londen leidde hij van 1941 tot 1944 “La Belgique indépendante” [236].

René HISLAIRE is in 1891 geboren te Schaarbeek en in 1948 overleden te New York. Hij was hoofdredacteur van “La Nation Belge”, directeur van “L’Indépendance belge” en vast correspondent van “Le Soir” in de VS [237]. Hij publiceerde in de VS tijdens de oorlog ook nog de revue “Band” [238].

Robert HENS is in 1909 geboren te Luik en was redacteur bij “Le Soir” [239].

 

3° Technisch-administratieve steekkaart: “

Le Soir” draagt in deze periode noch ondertitel,noch motto. Het adres is: Koningsstraat 124, Brussel. Het formaat blijft gedurende gans de periode gelijk, nl. 44,5 cm breed en 61 cm hoog. Het aantal bladzijden schommelt tussen 6 en 22, maar telt er meestal 12. De prijs per nummer bedraagt 1 fr 25. Ze verscheen nog altijd op zondag. Van de oplage kunnen we terug slechts cijfers geven van jaren voor en na 1948/49. in 1942 waren er 260.297 en in 1951: 320.000 exemplaren [240]. De inhoudsverdeling is op hetzelfde stramien opgebouwd, maar er staat opvallend veel reclame in, wat waarschijnlijk een overblijfsel is van de oorspronkelijke formule.

Over de opinie vonden we volgende algemene uitlating: “Hoewel “Le Soir” zich een neutraal informatieblad noemt, heeft ze in bepaalde aangelegenheden toch scherp positie gekozen, bijvoorbeeld tegen Leopold III en voor de annexatie van Kongo” [241]

 

g) LA LIBRE BELGIQUE

 

1° Historiek:

Dit katholiek blad werd te Brussel opgericht in 1884 door de gebroeders Victor en Louis JOURDAIN, onder de titel «La Patriote». Tijdens WO-I verscheen deze krant clandestien onder de titel “La Libre Belgique”, die ze na de oorlog bleef verder dragen. Van 1918 tot 1958 werd deze krant geleid door Victors zoon: Paul JOURDAIN [242]

 

2° Commentators-buitenland:

In deze krant staan in deze periode niet alleen het meestopiniërende artikels over het Arabisch-Israëlisch conflict, nl. 68, maar deze bijdragen worden ook door het grootst aantal medewerkers geleverd, nl. 18. Er zijn echter veel auteurs, nl. 8, met slechts één bijdrage: Firmin VAN DEN BOSCH [243], GLUBB PACHA [244], Kardinaal VAN ROEY [245], H. CARTON de WIART [246], Giovanni HOYOIS [247], Jacques DUMONT [248], E.M. [249] en M.R. [250].

Drie auteurs leverden twee bijdragen: INTERIM, correspondent te Parijs, XXX [251]en R.C. [252]. R.F brengt drie bijdragen, G.M. [253] en Roy FARRAN,een ex-officier van de Britse politie in Palestina, elk vijf ( = 7 %). Het aantal niet ondertekende commentaren bedraagt ongeveer een derde en bestaat vooral uit korte stukjes die een objectief artikel vooraf gaan.

Enkel Raymond LACOSTE, correspondent te Londen, met 11 bijdragen ( = 16 %) en M.I. CORY, met 8 bijdragen ( = 12 %), kunnen als vaste medewerkers beschouwd worden. Van M.I. CORY weten we enkel, via A. CRAEYNEST, dat dit een Italiaanse is, die zowel aan “La Libre Belgique” als aan “Gazet van Antwerpen” meewerkte als correspondente.

 

3° Technisch-administratieve steekkaart: “

La Libre Belgique” draagt in deze periode noch ondertitel, noch motto. Het adres is: rue Montagne-aux-herbes potagères 12 , Brussel. Het formaat is ongeveer dat van «De Standaard»: 42,5 cm breed en 58 cm hoog. De prijs per nummer bedraagt 1 fr 25. Het aantal pagina’s schommelt tussen 8 en 14. Tijdens de week zijn er meestal 8 bladzijden. De krant verscheen in februari 1949 nog altijd op zondag. De oplage bedroeg in 1937: 80.000 exemplaren [254].

Enkele algemene appreciatieskarakteriseren “La Libre Belgique” als volgt: “Het is een uitgesproken sociaal-conservatieve krant, die stelling neemt tegen elke vorm van staatsdirigisme en tegen elke druk van het syndicalisme op het politieke leven” [255], “Dit onafhankelijk katholiek blad is op internationaal vlak voor ontwapening en vereniging der naties” [256], “ Dit merkwaardig opgemaakt blad bezit de reputatie de meest volledige feitenweergave te geven, terwijl de commentaren vrij polemisch zijn” [257]. “La Libre Belgique” steekt het in die periode niet onder stoelen of banken dat ze niet erg positief staat tegenover Israël. Zo vermelden ze een toespraak waarin CH. WEIZMANN als volgt over deze krant spreekt: “Je m’excuse de souligner le cas de “La Libre Belgique” qui, opposé à ma cause, n’a cependant jamais hésité à reproduire objectivement mes déclarations” [258].

 

h) LA DERNIERE HEURE.

 

1° Historiek:

Deze liberale krant werd in 1906 opgericht door Maurice BREBART enFernand OUDENKOVEN. Ze verscheen niet tijdens WO-I. Na WO-I wist ze een grote oplage te bereiken doordat ze als eerste Belgische krant veel aandacht ging besteden aan sportberichten. Tijdens de bezetting in WO-II werd de achtergelaten installatie gebruikt door een krant die bestemd was voor de Duitse troepen: de “Brüsseler Zeitung”. De machines bleven dus in gebruik en na de bevrijding vond “La Dernière Heure” haar installatie intact en zelfs gemoderniseerd terug. In 1946 verlieten “La Dernière Heure” en “La Libre Belgique” het nieuwsagentschap Havas, en richtten een eigen publiciteitskantoor op: de “Génerale Publicitaire”. In 1947 overleed hoofdredacteur R. HUSTIN en werd vervangen door A. VOLANT en G. WILLIOT. Het liberaal-radicalisme dat de krant in de aanvang kenmerkte, verzwakte geleidelijk aan. Soms kon “La Dernière Heure” bijna socialistisch genoemd worden omwille van de grote aandacht die besteed werd aan sociale kwesties. Dit niet zozeer uit bekommernis, maar eerder om het succes bij het publiek,want de basisfilosofie van “La Dernière Heure” bleef voor alles: een zo groot mogelijk commercieel succes. De krant staat wel vrij onafhankelijk ten opzichte van alle politieke partijen [259].

 

2° Commentators-buitenland:

De meeste opiniërende artikels over het Israëlisch-Arabisch conflict in deze periode, namelijk 16 van de 24 ( = 66 %),, worden gesigneerd met MEMORATOR [260]. Slechts 2 bijdragen ( = 8 %) zijn niet ondertekend. Maurice DENEVE, correspondent te Londen [261], levert 3 bijdragen in 1949. En dan zijn er nog 3 opiniërende artikels, respectievelijk van Max TEICHER, buitenlands

correspondent [262], André MABER en P.G. [263].

 

3° Technisch-administratieve fiche:

De ondertitel, annex motto, van «La Dernière Heure»luidt: «Le plus grand journal belge, le mieux renseigné». Het adres is dan: Nieuwbrug 52, Brussel. Het formaat is iets groter dan dat van “De Standaard”, nl. 43 cm breed en 62 cm hoog. De prijs per nummer bedraagt dan 1 fr 25.

Het aantal bladzijden schommelt tussen 6 en 10. Meestal telt een nummer in deze periode 8 pagina’s, tijdens het week-end meestal 10. In februari 1949 verscheen «La Dernière Heure» ook nog op zondag. De oplage bedroeg in 1939 80.000 exemplaren, en was in 1951 reeds opgelopen tot 190.000 [264].

 

i) LE PEUPLE.

 

1° Historiek:

Dit Franstalig socialistisch dagblad is op 13 december 1885 te Brussel ontstaanuit de fusie van «La Voix de l’Ouvrier» en «La République». De krant werd door de stichters, L. BERTRAN, C. DE PAEPE en J. VOLDERS, georganiseerd als een coöperatieve vennootschap. In 1891 werd deze krant overgenomen door “La Maison de Peuple”. Tijdens WO-I werd de publicatie van “Le Peuple” gestaakt, maar vanaf november 1918 verscheen ze opnieuw. In 1948 werd Leon DELSINNE als directeur-generaal opgevolgd door Albert HOUSIAUX. Alhoewel de krant representatief wil zijn voor de vier takken van de gemeenschappelijke socialistische aktie (partij, mutualiteit, syndicaat en coöperatieve) is “Le Peuple” toch vooral het officieel orgaan van de Belgische socialistische partij [265].

 

2° Commentators-buitenland:

Van de 35 opiniërende artikels over het Israëlisch-Arabisch conflict van 1948/49 is er slechts één dat niet ondertekend is. Ongeveer 60 % van de commentaren zijn van G. KOULISHER en van I. BLUME-GREGOIRE, met elk tien bijdragen. Vanaf 1949 verzorgt J. ANTOINE regelmatig de rubriek “Actualité internationale”, waarin hij vier maal het Palestijns conflict bespreekt. Twee bijdragen komen respectievelijk van Louis LEVY, correspondent van het nieuwsagentschap A.P. [266] en van C.V.G. [267].

De correspondent te Parijs, CHAMPERET, heeft één commentaar ingezonden, evenals Daniël De LUCE, correspondent te Londen. A. BROCHARD heeft éénmaal een stuk over dit conflict geschreven in de rubriek “La semaine dans le monde” [268]. Tenslotte zijn er nog de gelegenheidsbijdragen van Max BUSET, toenmalig voorzitter van de BSP, en van V. LAROCK.

Nu volgt een korte biografie van de belangrijkste van deze journalisten. Gregoire KOULISHER is in 1908 geboren te Kiev. Van opleiding is hij doctor in de politieke wetenschappen. Hij was redacteur bij “Le Peuple” en daarna werd hij functionaris bij het Internationaal Bureau van de Arbeid [269]. Hij was in deze periode redactiedirecteur-buitenland en erg anti-zionistisch [270].

Isabelle BLUME-GREGOIRE werd in 1892 geboren te Baudour. Van opleiding is ze regentes. In 1932 werd ze gemeenteraadslid te Ukkel voor de socialistische partij en van 1936 tot 1954 was ze volksvertegenwoordigster voor het arrondissement Brussel. In het Parlement bepleitte ze de zaak van de jonge staat Israël [271]. Ze maakte ook een rondreis in het pas gestichte Israël [272].

Joseph ANTOINE werd in 1890 te Namen geboren en was redacteur buitenland bij “Le Peuple” [273].

Victor LAROCK is in 1904 geboren te Ans. Hij was leraar aan het college te Elsene. Van opleiding was hij doctor in de letteren en wijsbegeerte, rechten en sociologie. In 1936 stichtte hij het weekblad “Le Combat”. Tijdens de bezetting leidde hij de clandestiene socialistische partij. Van 1944 tot 1957 was hij politiek directeur van “Le Peuple”. In 1954 werd hij minister van Buitenlandse Handel. Van 1957 tot ’58 was hij minister van Buitenlandse Zaken. Hij was ook socialistisch parlementsafgevaardigde voor Brussel en lid van de Raad van Europa. Hij overleed in 1977 [274]. Volgens K. GRUNEBAUM was hij niet altijd akkoord met G. KOULISHER over deze problematiek, en ook niet met P.H. SPAAK. Door L. CATHERINE wordt hij als pro-zionistisch omschreven [275].

 

3° Technisch-administratieve steekkaart:

De ondertitel van “Le Peuple” luidt: “Organe duparti socialiste belge”. Er is geen motto. Het adres is: Zandstraat 35, Brussel. Het formaat is iets kleiner dan dat van “La Dernière Heure”: 42,5 cm breed en 60,5 cm hoog. De prijs per nummer bedraagt in deze periode eveneens 1 fr 25. Een nummer bevatte meestal 6 bladzijden, tijdens het week-end kon dit variëren van 8 tot 12. De oplage bedroeg in 1938: 150.000 exemplaren en in 1949: 114.000 [276]. Reeds in april 1948 verscheen “Le Peuple” niet op maandag, maar wel op zondag. De inhoudsverdeling is ook zeer traditioneel.

 

j) DRAPEAU ROUGE. [277]

 

1° Historiek:

Dit orgaan van de kommunistische partij is in 1921 ontstaan uit de fusie van «L’Exploité» en «L’ouvrier communiste». Van 7 oktober 1921 tot eind 1923 verscheen het als weekblad. Vanaf 1924 werd het een dagblad. Gedurende enkele jaren dwongen interne verschillen over de affaire TROTSKY de dagelijkse publicatie stop te zetten.

In 1936 werd de “Drapeau Rouge” omgedoopt tot “La voix du Peuple”. Vanaf 1941 verscheen de krant clandestien onder leiding van P. BOSSON, en na diens arrestatie onder leiding van F. COENEN. Onmiddellijk na de bevrijding verscheen het blad terug dagelijks.

De “Drapeau Rouge” zat er financieel niet erg goed voor en overleefde slechts door bijdragen van de militanten. Op 14 november 1948 werd een eigen drukkerij opgezet. In 1949 lanceerde de partij een week-endmagazine. De krant wordt dan uitgegeven door de NV “Société populaire d’Editions”. Ze werd geleid door Jean TERFVE, die opgevolgd werd door G. VAN MOERKERKE; redactiechef was Pierre JOYE [278].

 

2° Commentators-buitenland:

Meer dan de helft van de 46 commentaren over het Arabisch- Israëlisch conflict, nl. 27 (= 58 %) zijn niet ondertekend.

De belangrijkste commentators zijn J. LONCIN [279], met 9 bijdragen ( = 20 %) en Henri DETIERRE [280] met 6 bijdragen ( = 13%). Dan zijn er nog vier personen met elke één bijdrage, nl. S. MIKOUNIS, toenmalig voorzitter van de Kommunistische partij van Palestina, R. DACHETen Peter JOLIFFE [281], en F. DEMANY, redacteur bij de “Drapeau Rouge”. Deze laatste is geboren in 1904 te Luik. Hij was romancier, dichter en verteller. Hij was redacteur bij “Le Matin d’Anvers”, “Le Soir” en de “Drapeau Rouge”. Hij was directeur van «L’Eclair» en politiek redacteur van «Le Peuple». Hij stichtte tijdens de bezetting het “Front de l'Indépendance”. Hij was bovendien kommunistisch volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Charleroi van 1946 tot 1950 en minister zonder portefeuille in 1944 [282].

 

3° Technisch-administratieve steekkaart:

De titel van de “Drapeau Rouge” luidt dan “Organecentrale du parti communiste de Belgique”. Er is geen motto. Het adres in die periode is: Kazernestraat 83, Brussel. En de prijs per nummer bedraagt eveneens 1 fr 25. Reeds in april ’48 verschijnt ze niet meer op zondag. Het aantal bladzijden bedraagt meestal 4, terwijl het week-endnummer er 8 telt. Het formaat is iets kleiner dan dat van “De Standaard””: 42 cm breed en 57,5 cm hoog. De oplage bedroeg in 1949: 110.000 exemplaren, in 1951 nog slechts 3.000 [283]

 

BESLUIT BIJ II

 

Aldus zo ruim en objectief mogelijk ingelicht over de algemene context waarin dit conflict zich afspeelde, over het probleem zelf, en over de kranten die dit conflict hebben verslaan; moeten we optimaal voorbereid zijn om de houding van deze kranten tegenover deze probleemsituatie te bestuderen.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[38] Voor zover dit mogelijk was want dit is niet gemakkelijk geweest bij gebrek aan echt precieze informatie.

[39] Dit is de periode waarin we de houding van de Belgische pers tegenover de Arabisch-Israëlische oorlog onderzocht hebben.

[40] Omdat het hier om vrij bekende zaken gaat en omdat deze situatieschets niet tot ons eigenlijk onderzoeksterrein behoort, hebben we ons hier vooral gebaseerdop het werk van Th. LUYKX, Geschiedenis

van de internationale betrekkingen sedert 1815 en op dit van P.VAN DE MEERSSCHE, Europese integratie

en desintegratie, 1945 tot heden.

[41] T.LUYKX, Geschiedenis van de internationale betrekkingen sedert 1815,p.350.

[42] P.VAN DE MEERSSCHE, Europese integratie en desintegratie, 1945 tot heden, p.29-32.

[43] De verschillende interpretaties over (het ontstaan van) de Koude Oorlog(zie P.VAN DE MEERSSCHE, o.c., p.21, voetnoot 4) doen hier niet zo veel terzake. Belangrijkst voor deze situatieschets is dat hij er was. We zullen zien dat dit wel van belang is bij de interpretatie van de situatie door de verschillende kranten.

[44] T.LUYKX, Geschiedenis van de internationale betrekkingen sedert 1815,p.350.

[45] P.VAN DE MEERSSCHE, Europese integratie en desintegratie, 1945 tot heden, p. 43.

[46]T.LUYKX, Geschiedenis van de internationale betrekkingen sedert 1815,p.350.

[47] P.VAN DE MEERSSCHE, Europese integratie en desintegratie, 1945 tot heden, p. 47.

[48] T.LUYKX, Geschiedenis van de internationale betrekkingen sedert 1815,p.381.

[49] Zie ook verder p. 23-25.

[50] R.NEHER-BERNHEIM, Histoire juive de la renaissance à nos jours, 20e siècle, dl.2: 1920 – 1948, p.756.

[51] Deze omschrijving is gebaseerd op: I.BIEGEL, Art. Palestina, - Grote WPE, dl. 15, p.22-24; A.I.BRAWER, Art. Palestine, - Enc. Jud., dl.13, k.30; Art. Palestine, - Encyclopaedia Britannica, Micropaedia, dl.7, p.693-964.

[52] Zie kaart p.30..

[53] Dit onderscheid is gebaseerd op omschrijvingen van: L.CATHERINE, De zonen van Godfried van Bouillon, p.11-16; J.MELKMAN, Art. Zionisme, - Grote WPE, dl.20, p.471-472; R.POSNER, Art. Jew, - Enc. Jud., dl.10, k.22-25; J.SOETENDORP, Art. Jodendom, - Grote WPE, dl.10, p.431; Art. Zionisme, - Enc. Jud., dl.16, k. 1031-1105.

[54] Men mag deze begrippen dus niet automatisch aan elkaar gelijk stellen. We zullen zien dat men dit in de kranten soms wel doet…

[55] Te onderscheiden van de traditionele heimwee naar en liefde voor het Beloofde Land (Hibbat Zion).

[56] K.BORMS, De kinderen van Abraham, p.16-17; R.NEHER-BERNHEIM, Histoire juive, 19e siècle, p.343-346, 371-392.

[57] Het diplomatiek of politiek zionisme van HERZL was gericht op het verkrijgen van een charter van de Turkse sultan en daarna van de Britten om de toestemming te krijgen tot kolonisatie van Palestina. Het praktisch of synthetisch zionisme was in zake Palestina gericht op onmiddellijke immigratie. Terwijl het extreem of revisionistisch zionisme met Vl. JABOTINSKY bij de kolonisatie van Palestina ook wou gebruik maken van geweld (L.BIEGEL, Art. Palestina, - Grote WPE, dl.15, p.23; Art. Zionisme, - Enc. Jud., dl.16, k.1031-1105).

[58] De eerste Aliyah van 1882 tot 1903, bracht ongeveer 25.000 Joden, vooral uit Oost-Europa naar Palestina (Enc. Jud., dl.1, k. 633).

[59] Vooral na de mislukte revolutie van 1905 in Rusland.

[60] Y.GORNI, Zionist socialism and the Arab question, 1918-1930, - Middle Eastern Studies, jan.1977, p. 50-51.

[61] HOESSEIN IBN ALI (°1853 - +1931): werd in 1908 gouverneur van de Hidjaz-provincie onder de Ottomaanse sultan. Van 1917 tot 1924 was hij koning van de de Hidjaz. In 1924 werd hij verslagen door IBN SAOED, heerser over de Nedzjed-provincie. Art.Hoessein Ibn Ali, - Grote WPE, dl.9, p.441-442.

[62] K.BORMS, De kinderen van Abraham, p.17-18; R.NEHER-BERNHEIM, Histoire juive, 20e siècle, 1900-1920, p.65-108, 125-176.

[63] L.STEIN, Art. Balfour Declaration, - Enc. Jud., dl.4, k. 131-135.

[64] België heeft aanvankelijk nog getracht deze Mandaatopdracht over Palestina toegewezen te krijgen (M.DE WAELE, Een verwaarloosd aspekt van de Belgische buitenlandse politiek, 1914-1918, - Belgisch tijdschrift voor nieuwste geschiedenis, 1976, p. 83-111).

[65] Transjordanië behoorde op dat ogenblik niet meer tot Palestina.

[66] Van 1920 tot 1925 Britse Hoge Commissaris in Palestina, van Joodse afkomst.

[67] K.BORMS, De kinderen van Abraham, p.19; R.NEHER-BERNHEIM, Histoire juive, 20e siècle, 1900-1920, p.203-225; Y.SLUTSKY, Art. Israël, State of (Historical Survey, 1880-1948), - Enc. Jud., dl.9, k. 333-337.

[68] E.SAMUEL, Art. Central Government, 1880-1948, - Israel Democracy, p. 4-7; E.SAMUEL, Art. Israel, State of. Governance British Mandate, - Enc. Jud., dl. 9, k. 599-603.

[69] Y.GORNI, Zionist socialism and the Arab question, 1918-1930, -Middle Eastern studies, jan. 1977, p.50-55.

[70] O.CARRE, Le mouvement national palestinien, p.18 – 55; Y.PORATH, The emergence of the Palestinian,- Arab national movement, 1918-1929, p. 25-30.

[71] FAISAL (°1883 - +1933): werd koning van Syrië in maart 1920, maar werd in juli door de Fransen verdreven. Van 1921 tot zijn dood was hij koning van Irak. (Art. Faisal, - Grote WPE, dl.7, p.395).

[72] Maar FAISAL had in januari 1919 een overeenkomst gesloten met de Joodse leider Ch. WEIZMANN, waarin stond dat beide volken elkaar niet te veel zouden hinderen. Toen dit echter bekend raakte, werd ze van Arabische zijde afgewezen ( M.LOUVISH, Art. Israel, State of. Historical survey, - Enc. Jud., dl. 9, k. 337.

[73] HOESSEINI (°1893 - + 1974): werd in 1921 door de Britten tot Moefti (religieus leider) van Jeruzalem benoemd, en in 1926 tot Groot Moefti, geestelijk en politiek leider van de Arabische beweging in Palestina. In 1937, na de Arabische opstand in Palestina, werd hij door de Britten uit zijn ambt ontzet. Hij week uit en werkte tijdens WO-II samen met Duitsland (Art. Hoesseini, Mohammed Amin Al, - Grote WPE, dl.9, p.442).

[74] BEN ZVI (°1884 - +1963): pionier van de zionistische beweging, president van Israël van 1952 tot 1957 (Z.SHAZAR, Art. Ben Zvi, Izhak, - Enc. Jud., dl. 4, k. 577 – 581).

[75] Y.PORATH,The emergence of the Palestinian,- Arab national movement, 1918-1929, p. 306.

[76] Ha-Po’el ha Za’ir: arbeiderspartij gesticht in 1905 (H.KRESSEL, Art. Ha-Po’el ha Za’ir, - Enc. Jud., dl. 7, k. 1324 – 1326).

[77] Y.GORNI, Zionist socialism and the Arab question, 1918-1930, -Middle Eastern studies, jan. 1977, p.68.

[78] D.EFRON, Art. Palestine, partition and partitionplans, - Enc. Jud., dl. 13, k. 34-39; A. HYAMSON, Palestine under the Mandate, 1920-48; G.SHEFFER,British colonial policymaking towards Palestine, 1929-39, - Middle Eastern Studies, okt. 1978, p. 307-322.

[79] Hoge Commissaris over Palestina van 1931 tot 1935.

[80] Y.HAIM, Zionist policies and attitudes towards the Arabs on the eve of the Arab revolt, 1936, -Middle Eastern studies, mei 1978, p. 211.

[81] M.J.COHEN, Secret diplomacy and rebellion in Palestine, 1936-39, - International journal of Middle Eastern studies,1977, dl.3, p.379-369.

[82] ABDOELLAH (°1882 - + 1953): tweede zoon van sjarif HOESSEIN IBN ALI en broer van FAISAL. Werd in 1921 tot emir van Transjordanië benoemd door de Britten, in mei 1946 werd hij koning van dit gebied (Art. Abdoellah Ibn Hoessein, - Grote WPE, dl.1, p. 127).

[83] L.BIEGEL, Art. Palestina, -Grote WPE, dl. 15, p.22-24; D.EFRON, Art. Palestine, partition and partitionplans,- Enc. Jud., dl. 13, k. 32-39.

[84] M.J.COHEN, Secret diplomacy and rebellion in Palestine, 1936-39, - International journal of Middle Eastern studies,1977, dl.3, p.379-389; Y.HAIM, Zionist policies and attitudes towards the Arabs on the eve of the Arab revolt, 1936, -Middle Eastern studies, mei 1978, p. 212-226.

[85] IBN SAOED (°1880 - +1953): in 1924 verdreef hij HOESSEIN IBN ALI uit de Hidjazprovincie en werd in 1926 koning van dat gebied. In 1932 werd hij koning van Saoedie-Arabië, bestaande uit de Medzjed- en de Hidjazprovincie (Art. Ibn Saoed, - Grote WPE, dl.9, p.722).

[86] G.SHEFFER, The involvement of Arab states in the Palestine conflict and British-Arab relationship before World War II, - Asian and African studies, 1974/75, vol. 10, p. 59-78.

[87] K.BORMS, Kinderen van Abraham, p. 31-33; Y.SLUTSKY, Art. Israel, State of (Historical survey, 1880-1948), - Enc. Jud., dl. 9, k. 350-356.

[88] BEN GOERION (°1880 - +1973): pionier van de zionistische beweging, eerste premier van Israël van 1947 tot 1953, nogmaals premier van 1955 tot 1963 (Y.SLUTSKI, Art. Ben Goerion, DavidEnc. Jud., dl. 4, k. 505-514).

[89] De Irgun (Irgun Zvai eummi = nationale militaire organisatie) had zich in 1931 zelf afgesplitst van de Hagana omdat ze vond dat de politiek van deze tegen de Britten niet hard genoeg was ( D.NIV, Art. Irgun, - Enc. Jud., dl. 11, k. 1466-1470).

[90] A. STERN (°1907 - +1942): stichter van de Sterngroep (D.NIV, Art. Stern, A., - Enc. Jud., dl. 15, k. 382-383).

[91] Sterngroep of Lohamei Herut Israël (= strijders voor de bevrijding van Israël, kortweg LEHI ( D.NIV, Art. Lohamei Herut Israël, - Enc. Jud., dl.11, k. 463-465).

[92] A. KRAMMER, Sovjet motives in the partition of Palestine, 1947-48, - Journal of Palestine studies, 1972, nr.2, p.102-119; R. OVENDALE, The Palestine policy of the British Labour government; 1947: the decision to withdraw, - International affaires, 1980, nr.56, p. 73-90.

[93] Zie ook verder p.31 en zie ook de kaart p. 30.

[94] Voor het verloop van de oorlog verwijzen we naar het volgende deel, p. 31 – 36.

[95] I. LUSTICK, Zionism and the State of Israel: regime objectives and the Arab minority in the first years of Statehood, - Middle Eastern studies, jan. 1980, p. 127-146.

[96] WEIZMANN C. (°1874 - +1952): voorzitter van de Wereld Zionisten Organisatie van 1920 tot 1952, vermaard wetenschapper (A.EBAN, Art. Weizmann, Chaim, - Enc. Jud., dl. 16, k. 423-437).

[97] O. DE RAEYMAEKER, België en de Israëlisch-Arabische conflicten, 1948-78, p.23-24.

[98] Zie kaart p. 30.

[99] Zie kaart p.30.

[100] O. DE RAEYMAEKER, België en de Israëlisch-Arabische conflicten, 1948-78, p.20-24.

[101] E. O’BALLANCE, La guerre israélo-arabe, p.37.

[102] J. en D. KIMCHE, Le première guerre d’ Israël, 1948, p.100.

[103] Deze persoon hebben we in geen enkel biografisch werkinstrument teruggevonden.

[104] E. O’BALLANCE, La guerre israélo-arabe, p.50.

[105] O. DE RAEYMAEKER, België en de Israëlisch-Arabische conflicten, 1948-78, p.25-28.

[106] O. DE RAEYMAEKER, België en de Israëlisch-Arabische conflicten, 1948-78, p.27-28.

[107] E. O’ BALLANCE, La guerre israélo-arabe, p. 54.

[108] E. O’ BALLANCE, La guerre israélo-arabe, p. 80-93.

[109] H. SACHER, Israël, The establishment of a state, p. 239.

[110] E. O’ BALLANCE, La guerre israélo-arabe, p. 68.

[111]M. PEARLMAN, Art. War of Independence, - Enc. Jud., dl.16, k. 310.

[112] E. O’ BALLANCE, La guerre israélo-arabe, p. 88.

[113] E. O’ BALLANCE, La guerre israélo-arabe, p. 126-131.

[114] E. O’ BALLANCE, La guerre israélo-arabe, p. 132-143; J. en D. KIMCHE, Le première guerre d’ Israël, 1948, p. 179-183.

[114a] In het centrum stond Israël tegenover het geducht Arabisch Legioen van Transjordanië, dat onder leiding stond van de Britse ex-officier GLUBB PACHA (1). Reeds op 14 mei waren er gevechten in en om Jeruzalem losgebroken tussen Hagana en ongeregelde Arabische troepen. Op de avond van 15 mei stond het Arabisch Legioen voor Jeruzalem. De Arabieren hadden de Oude Stad in handen, behalve het Joodse kwartier. Vanuit militair oogpunt werd de Joodse strijd in Jeruzalem onverantwoord en onhoudbaar genoemd, maar om de symbolische betekenis zijn de Joden er toch tot het uiterste gegaan. Na hevige huis aan huis gevechten, gaven de Joden tenslotte  op 28 mei 1948 het volledig omsingeld Joods kwartier in de Oude Stad op. De Nieuwe Stad hielden ze nog stevig in handen (2). Om de situatie in Jeruzalem alsnog te keren, trachtten de Joden dan Latroun, dat de weg Tel Aviv – Jeruzalem beheerst, te veroveren. Van 26 mei tot 9 juni 1948 lanceerden ze verschillende aanvallen. Maar telkenmale werden de Israëlische troepen met zware verliezen teruggedreven (3).

(1) GLUBB, sir John Bogot (° 1897 - ) : Brits legerofficier die van 1939 tot 1956 het Arabisch Legioen van Transjordanië aanvoerde (- Encyclopaedia Britannica, Micropaedia, dl. 4, p. 582).

(2) E. O’BALLANCE, La guerre israélo-arabe,  p.144-152 ; J. en D. KIMCHE, La première guerre d’Israël, 1948, p. 198-205.

(3) J. en D. KIMCHE, La première guerre d’Israël, 1948, p. 211-214.

[115] E. O’ BALLANCE, La guerre israélo-arabe, p. 170-174.

[116] E. O’ BALLANCE, La guerre israélo-arabe, p. 163-166; H. SACHER, Israël, The establishment of a state, p. 265-266.

[117] E. O’ BALLANCE, La guerre israélo-arabe, p. 170-174.

[118] E. O’ BALLANCE, La guerre israélo-arabe, p. 181-182.

[119] Cfr. het plan van koning ABDOELLAH om op 25 mei in Haïfa te staan (p. 33).

[120] Dit artikel 39 voorziet in militaire dwangmaatregelen vanwege de UNO.

[121] BERNADOTTE (°1895 - +1948): oomzegger van de Zweedse koning Gustaaf V. Onderhandelde in WO-II in opdracht van het Zweedse Rode Kruis met de Nazi’s (Art. Bernadotte van Wisborg, graaf Folk, - Grote WPE, dl.3, p.615).

[122] M.PEARLMAN, Art. War of Independance, - Enc. Jud., dl. 16, k. 322.

[123] O. DE RAEYMAEKER, België en de Israëlisch-Arabische conflicten, 1948-78, p. 33.

[124] E. O’ BALLANCE, La guerre israélo-arabe, p. 185-186.

[125] M.PEARLMAN, Art. War of Independance, - Enc. Jud., dl. 16, k. 322.

[126] Zie kaart p.30.

[127] M.LOUVISH, Art. Israël, State of (Historical Survey), - Enc. Jud., dl. 9, k. 369.

[128] M.PEARLMAN, Art. War of Independance, - Enc. Jud., dl. 16, k. 322-323.

[129] ALLON (°1918 - ): was van 1961 tot 1968 minister van tewerkstelling, later was hij ook nog minister van onderwijs en cultuur ( Art. Allon, Yigal, - Enc. Jud.,dl. 2, k. 655-666).

[130] CARMEL (°1911 - ): was na zijn militaire loopbaan minister van transport van 1955 tot 1956 en van 1965 tot 1969 (N.LORCH, Art. Carmel, M., - Enc. Jud., dl.5, k. 185-186).

[131] E. O’ BALLANCE, La guerre israélo-arabe, p. 209-239; M.PEARLMAN, Art. War of Independance, - Enc. Jud., dl. 16, k. 323 -325.

[132] Hierdoor kon de UNO dwangmaatregelen treffen tegen diegene die zich niet onthield van geweld.

[133] O.DE RAEYMAEKER, België en de Israëlisch-Arabische conflicten, 1948-78, p. 33-34;M.LOUVISH, Art. Israël, State of (Historical Survey), - Enc. Jud., dl. 9, k. 369.

[134] E. O’ BALLANCE, La guerre israélo-arabe, p. 243; H. SACHER, Israël, The establishment of a state, p. 129-131.

[135] E. O’ BALLANCE, La guerre israélo-arabe, p. 243; H. SACHER, Israël, The establishment of a state, p. 129-131; J. en D. KIMCHE, La première guerre d’Israël, 1948, p. 271-276.

[136] E. O’ BALLANCE, La guerre israélo-arabe, p. 274; H. SACHER, Israël, The establishment of a state, p. 133; J. en D. KIMCHE, La première guerre d’Israël, 1948, p. 285.

[137] E. O’ BALLANCE, La guerre israélo-arabe, p. 288-299; H. SACHER, Israël, The establishment of a state, p. 137-141; J. en D. KIMCHE, La première guerre d’Israël, 1948, p. 286-292.

[138] E. O’ BALLANCE, La guerre israélo-arabe, p. 303; J. en D. KIMCHE, La première guerre d’Israël, 1948, p.300.

[139] BUNCHE (°1904 - +1971): Amerikaans diplomaat, VN-medewerker, in 1950 Nobelprijs voor de vrede (Art. Bunche, Ralph, - Encycl. Britanica, Micropaedia, dl. II, p. 367-368).

[140] Zie kaart p.30.

[141] E. O’ BALLANCE, La guerre israélo-arabe, p. 299; H. SACHER, Israël, The establishment of a state, p. 140; J. en D. KIMCHE, La première guerre d’Israël, 1948, p. 290.

[142] Zie kaart p.30.

[143] O. DE RAEYMAEKER, België en de Israëlisch-Arabische conflicten, 1948-78, p. 21.

[144] Zie kaart p.30.

[145] M.LOUVISH, Art. Israël, State of (Historical Survey), - Enc. Jud., dl.9, k. 377.

[146] O. DE RAEYMAEKER, België en de Israëlisch-Arabische conflicten, 1948-78, p. 21. Egypte en Israël sloten pas in 1978 de zgn. Canp David vredesakoorden.

[147] O. DE RAEYMAEKER, België en de Israëlisch-Arabische conflicten, 1948-78, p. 37.

[148] O. DE RAEYMAEKER, België en de Israëlisch-Arabische conflicten, 1948-78, p. 44.

[149] Voor de omstandigheden waarin België overging tot deze “de facto” erkenning en voor de Belgische “de jure” erkenning van de staat Israël verwijzen we naar p. 39 – 40.

[150] Zie hiervoor o.a.: K.PERSYN, Evolutie van het Palestijns verzet met betrekking tot de verdeling van Palestina (VN-resolutie 181, II van 29 nov. 1947). Leuven, 1975 (thesis).

[151] O. DE RAEYMAEKER, België en de Israëlisch-Arabische conflicten, 1948-78, p. 36.

[152] Vermits deze problematiek vrij bekend is, zullen we hier enkel de belangrijkste onderwerpen even aanstippen.

[153] Over de vraag in hoeverre de strenge bestraffing van de Belgische collaborateurs – indien deze al de rassentheorie van Hitler zouden gesteund hebben of zouden bijgedragen hebben tot de deportatie van Belgische Joden - enige weerslag zou kunnen gehad hebben op de houding van de Belgische publieke opinie, hebben we weinig aanduidingen gevonden in de literatuur (zie hiervoor verder p. 71, 74 en 75).

[154] T.LUYKX, Politieke geschiedenis van België, dl. 2, p.441-464; L.HUYSE, De gewapende vrede. Politiek in België tussen 1945 en 1980, p.19-31.

[155] T.LUYKX, Politieke geschiedenis van België, dl. 2, p. 460.

[156] België was lid van de Veiligheidsraad in 1947 en 1948 (-La Belgique et les Nations Unies, p.125).

[157] Zie hoger p.31.

[158] Zie kaart p.30.

[159] O. DE RAEYMAEKER, België en de Israëlisch-Arabische conflicten, 1948-78, p. 23.

[160] O. DE RAEYMAEKER, België en de Israëlisch-Arabische conflicten, 1948-78, p. 24.

[161]Zie ook p. 50.

[162]O. DE RAEYMAEKER, België en de Israëlisch-Arabische conflicten, 1948-78, p. 39-40.

[163] Overeenkomstig art.39 van het UNO-Handvest kon dan overgegaan worden tot het uitvaardigen van militaire dwangmaatregelen.

[164] O. DE RAEYMAEKER, België en de Israëlisch-Arabische conflicten, 1948-78, p. 31-34.

[165] CARTON de WIART heeft een artikel geschreven in La Libre Belgique over de situatie in Palestina (zie verder p.68).

[166] O. DE RAEYMAEKER, België en de Israëlisch-Arabische conflicten, 1948-78, p. 41.

[167] O. DE RAEYMAEKER, België en de Israëlisch-Arabische conflicten, 1948-78, p. 36.

[168] O. DE RAEYMAEKER, België en de Israëlisch-Arabische conflicten, 1948-78, p. 37.

[169] O. DE RAEYMAEKER, België en de Israëlisch-Arabische conflicten, 1948-78, p. 45.

[170] Deze socialistische volksvertegenwoordigster leverde ook enkele bijdragen in Le Peuple over deze kwestie (zie ook verder p.53).

[171] O. DE RAEYMAEKER, België en de Israëlisch-Arabische conflicten, 1948-78, p. 44 - 45.

[172] Zie hoger p. 31.

[173] O. DE RAEYMAEKER, België en de Israëlisch-Arabische conflicten, 1948-78, p. 259 - 260.

[174] O. DE RAEYMAEKER, België en de Israëlisch-Arabische conflicten, 1948-78, p. 237 - 240.

[175] O. DE RAEYMAEKER, België en de Israëlisch-Arabische conflicten, 1948-78, p. 51.

[176] Dit laatste is bijzonder moeilijk geweest omdat de gekende standaardwerken een erg algemene evolutie schetsen en niet precies stellen wat op welke periode van toepassing is. De informatie over de kranten uit deze beperkte periode hebben we oofwel gehaald uit de kranten zelf, ofwel van de respectieve redacties, ofwel van enkele personen die toen actief waren in de pers en die we gecontacteerd hebben. Met name de heren Kurt GRUNEBAUM van Le Peuple, Andries CRAEYNEST van Gazet van Antwerpen. De heer J. VAN EYNDE van Volksgazetkon en wenste niet op de meeste van onze vragen te antwoorden. Van de heer A. BREYNE, van De Nieuwe Gazet, hebben we geen antwoord ontvangen.

[177] Zie deelI over massacommunicatie: p. 12 – 17.

[178] T.LUYKX, Evolutie van de communicatiemedia, p. 506.

[179] T. LUYKX, Evolutie van de communicatiemedia, p. 506-507.

[180] M. STIJNS, La presse quotidienne d’information en Belgique et ses problèmes actuels. – Etudes de presse, vol. III, nr.2, 15 okt. 1951, p. 200 – 218.

[181] Op de uitkijk: twistappel, - De Standaard, 23 mei 1948, p. 3.

[182] Op de uitkijk: valse berichten als oorlogswapen, - De Standaard, 10 nov. 1948, p. 3.

[183] J.LONCIN, A qui profite le crime?Le Drapeau Rouge, 20 sept. 1948, p. 3.

[184] J.LONCIN, Londres abat sa carte palestinienne, - Le Drapeau Rouge, 11 jan. 1949, p. 3.

[185] GLUBB PACHA, Un article sur le conflit Palestinien, - La Libre Belgique, 5 aug. 1948, p. 1/2.

[186] We hebben ook getracht na te gaan of Belgische dagbladen in deze periode op één of andere manier door Joden gecontroleerd werden, maar dit heeft niet veel opgeleverd. Waarschijnlijk was dit niet het geval.

[187] R. CHURCHILL, L’affaire palestinienne et l’opinion américain, - La Dernière Heure, 16 juli 1948.

[188] Dit slaat op “La Libre Belgique”, over wie ook een uitspraak gedaan wordt. We hebben deze opgenomen bij de bespreking van deze krant zelf (zie verder p. 51).

[189] C.WEIZMANN. En Palestine. Un hommage du nouveau président à la presse belge, - La Libre Belgique, 18 febr. 1949, p. 4.

[190] We hebben deze katholieke krant gekozen omwille van haar faam. Omdat de katholieken in België en zeker in Vlaanderen toen de meerderheid vormden, hebben we gemeend nog een Vlaamse katholieke krant te moeten weerhouden om de representativiteit van de toenmalige Belgische publieke opinie niet te verstoren.

[191] T. LUYKX, Evolutie van de communicatiemedia, p. 510.

[192] G. DURNEZ, Art. De Standaard, - Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, dl. II, p. 1470 – 1477.

[193] G. DURNEZ, Art. De Standaard, - Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, dl. II, p. 1472 – 1474.

[194] Van de 32 commentaren over dit conflict in de periode van april 1948 tot februari 1949, was er geen enkele ondertekend.

[195] L.BUNING, Art. Picard, Leo, - Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, dl. II, p. 1246 – 1247.

[196] Dit deel is vooral gebaseerd op eigen naslagwerk. Het is misschien nogal elementair, maar we hebben het vooral gedaan omdat de informatie in de naslagwerken zo algemeen is en om het concreet beeld waarin de lezer zijn krant toen vond te vergroten.

[197] R. CAMPE, e.a. Radioscopie de la presse belge, p. 262.

[198] R. CAMPE, e.a. Radioscopie de la presse belge, p. 251. Deze appreciatie wordt echter in het algemeen uitgesproken en slaat niet op een specifieke period. We vermelden ze hier toch omdat het toen reeds of toen nog het geval kon geweest zijn.

[199] Deze tweede katholieke Vlaamse krant werd gekozen omdat er in “Het Volk” weinig commentaren over buitenlandse politiek stonden en omdat we wilden nagaan of de concentratie van Joden in Antwerpen enige invloed uitoefende op deze typische streekkrant.

[200] G .DURNEZ en K. DE WITTE, Art. Gazet van Antwerpen, - Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, dl. I, p. 560-562.

[201] Zo werd ons gezegd op de documentatiedienst van de krant en bevestigd door de persoon zelf.

[202] L. BERTELSON, Dictionnaire des journalistes et écrivains de Belgique, p. 28; R. DECAN, Wie is wie in Vlaanderen, 1980, p. 179.

[203] Zo werd ons gezegd op de documentatiedienst van de krant.

[204] L. BERTELSON, Dictionnaire des journalistes et écrivains de Belgique, p. 130.

[205] R. CAMPE, e.a. Radioscopie de la presse belge, p. 22.

[206] R. CAMPE, e.a. Radioscopie de la presse belge, p. 12. Dezelfde opmerking geldt hier als voor de appreciatie over «De Standaard».

[207] L. CATHERINE, De zionistische lobby in België, p. 62 en 111. Ook hier echter geen enkele chronologische aanduiding…

[208] Oorspronkelijk hadden we “Het Laatste Nieuws” als Vlaamse liberale krant in ons onderzoek opgenomen. Maar omdat er zo weinig commentaren over de buitenlandse politiek in stonden, zijn we overgeschakeld naar “De Nieuwe Gazet”.

[209] L.CATHERINE noemt hem een uitgesproken pro-zionistische figuur (L.CATHERINE, De zionistische lobby in België, p. 111).

[210] G.DURNEZ, Art. De Nieuwe Gazet, - Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, dl. II, p. 1071.

[211] Over dit laatste was men niet volledig zeker. We hebben deze persoon niet kunnen identificeren, evenmin als de persoon die met E.L. tekende.

[212] L. BERTELSON, Dictionnaire des journalistes et écrivains de Belgique, p. 86; G. DURNEZ, Art. Monet, AugustEncyclopedie van de Vlaamse Beweging, dl. II, p. 972.

[213] L. BERTELSON, Dictionnaire des journalistes et écrivains de Belgique, p. 42; R.DECAN, Wie is wie in Vlaanderen, 1980, p. 328.

[214] R. CAMPE, e.a. Radioscopie de la presse belge, p. 188.

[215] R. CAMPE, e.a. Radioscopie de la presse belge, p. 188.

[216] Deze socialistische krant werd verkozen boven de “Vooruit” omdat er meer commentaren over de buitenlandse politiek in stonden.

[217] T. LUYKX, Evolutie van de communicatiemedia, p. 50.

[218] G. DURNEZ, Art. Volksgazet, - Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, dl. II, p. 1942-1952.

[219] Max BUSSET (° 1896 - + 1959): socialistisch politicus, volksvertegenwoordiger van 1932 tot 1959 en voorzitter van de BSP van 1945 tot 1959 ( - P. LEGRAIN, Le dictionnaire des Belges, p. 66).

[220] Dit werd ons meegedeeld door het documentatiecentrum van “De Morgen”.

[221] Annuaire officiel de la presse belge. Officieel jaarboek van de Belgische pers, 1963, p. 533.

[222] Kurt GRUNEBAUM, zelf van Joodse origine, was in deze periode werkzaam in “Le Peuple”, en was zo vriendelijk op enkele van onze vragen in verband met de pers uit deze periode te antwooren (6/1/1983).

[223] H. FISCH, Art. Koestler, A., - Enc. Jud., dl. 10, k. 1132 – 1133.

[224] R. CAMPE, e.a. Radioscopie de la presse belge, p. 44.

[225] R. CAMPE, e.a. Radioscopie de la presse belge, p. 40.

[226] L. CATHERINE, De zionistische lobby in België, p. 89. Deze appreciatie, evenals de voorgaande, slaat op geen specifieke periode.

[227] F. BEKE, Art. De Rode Vaan, - Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, dl. II, p. 1337; R. CAMPE, e.a., Radioscopie de la presse belge, p. 305.

[228] Annuaire officiel de la presse belge. Officieel jaarboek van de Belgische pers,p. 574; Wie is wie in Vlaanderen, 1980, p. 334.

[229] Dit is de enige krant die niet met enige politieke strekking gebonden is, die we in dit onderzoek opgenomen hebben.

[230] Art. Le Soir, - Grote WPE, dl. 17, p. 523.

[231] R. CAMPE, e.a. Radioscopie de la presse belge, p. 157.

[232] Zie bij de commentators-buitenland van “Volksgazet” op p. 48.

[233] Deze persoon hebben we niet kunnen identificeren.

[234] Deze twee personen hebben we niet kunnen identificeren.

[235] Het is in deze hoedanigheid dat zijn bijdragen in deze periode in “Le Soir” verschenen.

[236] Annuaire officiel de la presse belge. Officieel jaarboek van de Belgische pers,1960, p. 167; L. BERTELSON, Dictionnaire des journalistes et écrivains de Belgique, p. 33.

[237] Het is in deze hoedanigheid dat zijn bijdragen in deze periode in “Le Soir” verschenen.

[238] Annuaire officiel de la presse belge. Officieel jaarboek van de Belgische pers,1960, p. 203;

L. BERTELSON, Dictionnaire des journalistes et écrivains de Belgique, p. 69.

[239] Annuaire officiel de la presse belge. Officieel jaarboek van de Belgische pers,1950, p. 505.

[240] R. CAMPE, e.a. Radioscopie de la presse belge, p. 158.

[241] Art. Le Soir, - Grote WPE, dl. 17, p. 523.

[242] Art. La Libre Belgique, - Grote WPE, dl. 17, p. 523.

[243] F. VAN DEN BOSCH (° 1866 - + 1949) ; baron, dokter in de rechten, literair criticus (P. LEGRAIN, Art. Van Den Bosch, Firmin, - Dictionnaire des Belges, p. 506; L.BERTELSON, Dictionnaire des journalistes et écrivains de Belgique, p. 115).

[244] Brits legerofficier die van 1939 tot 1956 het Arabisch Legioen van Transjordanië aanvoerde (- Encycl. Brit., Micropaedia, dl.4, p.582.

[245] Kardinaal VAN ROEY ( ° 1874 - + 1961): 17de aartsbisschop van Mechelen vanaf 1926 ( W.S. PLASCIC, Art. Van Roey, Joseph Ernest, - Biographie nationale, dl. 39, k. 756 – 768).

[246] H. CARTON de WIART ( ° 1869 - + 1951): katholiek polticus, volksvertegenwoordiger van 1896 tot 1951.

Van 1911 tot 1950 verscheidene ministerportefeuilles ( P.LEGRAIN, Art. Carton de Wiart, Henry, - Dictionnaire des Belges ,p. 76).

[247] G. HOYOIS ( °1893 - + 1969): professor in de sociologie te Leuven, voorzitter van de Association catholique de la jeunesse belgde van 1923 tot 1935 ( P. LEGRAIN, Art. Hoyois, Giovanni, - Dictionnaire des Belges, p. 270).

[248] J.DUMONT ( ° 1914 -te Brussel ): redacteur bij “La Metropole” (- L. BERTELSON, Dictionnaire des journalistes et écrivains de Belgique, p. 48).

[249] Deze persoon hebben we niet kunnen identificeren, o.a. omdat de documentatiedienst van “La Libre Belgique” weinig hulpvaardig was.

[250] Volgens A. CRAEYNEST van “Gazet van Antwerpen“, die zo vriendelijk was op enkele van onze vragen te antwoorden (27/1/1983), is dit Robert MOULINASSE, geboren in 1883 te Brussel en sinds 1912 journalist.

[251] Deze personen hebben we niet kunnen identificeren , o.a. omdat de documentatiedienst van “La Libre Belgique” weinig hulpvaardig was.

[252] In zijn brief van 6/1/1983 schrijft K. GRUNEBAUM dat dit Raoul CRABBE is, waarvan hij ook nog zegt dat het “sinds” 1945/46 een groot tegenstander is van de Joodse staat”.

[253] Deze personen hebben we niet kunnen identificeren.

[254] R. CAMPE, e.a. Radioscopie de la presse belge, p. 158.

[255] Art. La Libre Belgique, - Grote WPE, dl. 12, p.26.

[256] R. CAMPE, e.a. Radioscopie de la presse belge, p. 58 - 59.

[257] J.GOL, Le monde de la presse en Belgique, p. 52.

[258] Art. En Palestine. Un hommage du nouveau président à la presse belge, - La Libre Belgique, 18 februari 1949, p. 4.

[259] Art. La Dernière Heure, - Grote WPE, dl. 6, p. 294.

[260] Deze persoon hebben we niet kunnen identificeren.

[261] Deze persoon hebben we niet nader kunnen identificeren.

[262] Volgens K. GRUNEBAUM is hij van Oostenrijks-Israëlische afkomst.

[263] Deze personen hebben we niet kunnen identificeren.

[264] R. CAMPE, e.a. , Radioscopie de la presse belge, p. 229.

[265] R. CAMPE, e.a. , Radioscopie de la presse belge, p. 112;L. BERTELSON, La presse d’information.

Tableaux chronologique des journaux belges, p. 221; J. GOL, Le monde de la presse en Belgique, p. 58;

Art. Le Peuple, - Grote WPE, dl. 15, p. 342.

[266] Deze persoon hebben we niet verder kunnen identificeren.

[267] Mogelijks is dit Claude VAN GODTSENHOVEN, maar hierover hebben we geen uitsluitsel.

[268] Deze personen hebben we verder niet kunnen identificeren.

[269] Annuaire officiel de la prees belge, 1950, p. 342 en 1960, p. 209; L. BERTELSON, Dictionnaire des journalistes et écrivains de Belgique, p. 75.

[270] Zo schreef ons Kurt GRUNEBAUM (6/1/1983).

[271] Zie hiervoor ook p. 39.

[272] P. VAN MOLLE, Het Belgisch Parlement, 1894 – 1969, p. 18.

[273] L. BERTELSON, Dictionnaire des journalistes et écrivains de Belgique, p. 12.

[274] Annuaire officiel de la presse belge, 1950, p. 514; L.BERTELSON, Dictionnaire des journalistes et écrivains de Belgique, p. 77; P. LEGRAIN, Le dictionnaire des Belges, p. 306.

[275]L. CATHERINE, De zionistische lobby in België, p. 45.

[276] R. CAMPE, e.a., Radioscopie de la presse belge, p. 119.

[277] Door een tweede kommunistische krant op te nemen in dit onderzoek wordt de representativiteit van de publieke opinie misschien een beetje scheefgetrokken. Maar we hebben het toch gedaan om de vergelijking tussen Vlaanderen en Wallonië te kunnen maken. Bovendien hadden de kommunisten vlak na WO-II meerinvloed dan normaal.

[278] L. BERTELSON, La presse d’information. Tableau chrologique des journaux belges, p. 225; R. CAMPE, e.a., Radioscopie de la presse belge, p. 305 - 306.

[279] Deze persoon hebben we niet kunnen identificeren.

[280] Volgens K. GRUNEBAUM (6/1/1983) is dit het pseudoniem van een groot verzetsman van Joods-Poolse origine, die des al niettemin anti-zionistisch was.

[281] Deze personen hebben we niet kunnen identificeren.

[282] Annuaire officiel de la presse belge, 1950, p. 477 en 1960, p. 171; P. VAN MOLLE, Het Belgisch Parlement, 1894 – 1969, p. 96.

[283] R. CAMPE, e.a., Radioscopie de la presse belge, p. 306.