De Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondië. Leden en Bevoegdheden (1627-1665). (Annelies Vanhaelst)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Bijlagen.

 

Bijlage 1.

Biografieën van de raadsleden van de Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondië, 1627-1665.

_________________________________________________________________________________________________________________

1. Robert Asseliers.

            Robert Asseliers, ridder, werd in 1576 in Antwerpen geboren. Zijn ouders waren Guillaume Asseliers, raadsheer in de Raad van Brabant, en Isabelle van Haeften, beiden van adellijke afkomst. Hij werd doctor in de rechten en in 1608 trouwde hij met Antoinette Vandenberghe. [1]

            Asseliers werd, nadat hij zijn wens uitgedrukt had in de Raad van Brabant te zetelen, auditeur-militair van een Iers leger dat zich aan de Rijn bevond. Na het overlijden van zijn vader in 1619, nam hij diens functie in de Raad van Brabant over. Later, in februari 1632 werd hij er benoemd tot advocaat-fiscaal.[2]

            Eind 1639, begin 1640[3] werd hij door Filips IV aangesteld tot raadsheer van de Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondië.[4] Na de dood van De Vulder, raadsheer in de Hoge Raad, nam Asseliers zijn taak als afgevaardigde van de Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondië in de Junta de la media annata over.[5] Tijdens de afwezigheid van de voorzitter, de markies van Leganés, verving Asseliers hem als zegelbewaarder.[6]

            Filips IV benoemde hem in 1640 ook tot raadsheer van de Consejo de Estado.[7] Hij was in het najaar van 1645 ook lid van de Junta en la posada del inquísidor general. [8]

            Toen het ambt kanselier van Brabant in 1651 vrij kwam, liet hij zijn verlangen blijken deze betrekking in te vullen. Daarop gaf Filps IV hem zijn toestemming[9], maar het zou duren tot het voorjaar van 1652 eer hij uit Madrid vertrok.[10]

            Begin oktober 1651 werd hij tevens aangesteld tot raadsheer van de Raad van State in de Zuidelijke Nederlanden.[11]

            In 1657 stelde Asseliers vast dat hij alleen niet meer in staat was zijn betrekking als kanselier naar behoren uit te voeren. Hij berichtte de koning hierover en deze stelde een vice-kanselier aan om hem te assisteren (lees: zijn taken over te nemen).[12]

            Hij zou ook raadsheer in de Raad van Financiën geweest zijn, maar dit valt te betwijfelen daar enkel in één bron hierover bericht.[13]

            Hij stierf in Brussel op 28 november 1661.[14]

 

2. Botin Juan.

            Botin werd in de zomer van 1647 benoemd tot secretaris van de Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondië[15], hij zou hiervoor actief geweest zijn in het secretariaat van de Consejo de Estado.[16]

            Hij overleed in het najaar van 1648.[17]

 

3. Brecht Jacques.

            Naar alle waarschijnlijkheid werd Jacques Brecht, ridder[18], in 1581 geboren[19], en behoorde hij tot het nageslacht van een Brabantse adellijke familie.[20]

Al van in 1624,[21] 1630 of 1631[22] was hij actief als griffier van de Raad van Financiën. Begin 1638 werd Jacques Brecht als vertrouweling van de hoofd-voorzitter van de Geheime Raad, Roose, benoemd tot secretaris van de Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondië.[23] Het werd hem toegestaan zijn plaats in de Raad van Financiën te behouden.[24]

Door een koninklijk decreet van eind augustus 1638 werd er een junta gevormd die, doordat er geen raadsheren in de Hoge Raad aanwezig waren, de taken van deze Raad tijdelijk zou overnemen. Brecht werd toen ook in deze junta opgenomen.[25]

Hij werd in de Hoge Raad dé vertrouwensman van Roose[26], maar toen Rooses geloofwaardigheid vanaf eind de jaren 1630 begon te tanen, bleek Brecht minder en minder informatie aan hem door te spelen. Hij was immers zelf zijn belangrijkste informant, Olivares, kwijt en de vorst had hem hier waarschijnlijk ook over berispt.[27] In januari 1647 vroeg hij dan ook toestemming aan Roose om terug naar de Nederlanden te mogen keren.[28]

In maart 1640 werd hij voor een geheime missie naar Frankrijk gestuurd.[29] Hij was in het najaar van 1645 de secretaris van de Junta en la posada del inquísidor general.[30]

Eind 1652 liet hij opnieuw te kennen dat hij graag naar de Nederlanden zou terugkeren en er als gecommitteerde in de Raad van Financiën aan de slag wou gaan.[31] Deze functie werd voor hem vrijgehouden, maar hij kon pas vertrekken wanneer het de koning behaagde.[32] Dit zou duren tot de lente van 1660[33], maar Brecht was al van in het voorjaar van 1659 terug naar de Nederlanden vertrokken[34]. Van deze periode had Filips IV gebruik gemaakt om naar een andere secretaris uit te kijken.[35] Ondertussen had zijn zoon, Pierre Brecht, zijn betrekking in de Raad van Financiën al van hem overgenomen.[36]

 

4. De Brito Juan Osvaldo.

            Juan Osvaldo de Brito was voor hij in november 1628[37] zijn eed aflegde als secretaris van de Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondië, secretaris van een klein departement dat voor de briefwisseling tussen Madrid en de landvoogdes Isabella zorgde, waaruit dan de Hoge Raad in 1627 groeide. Hij oefende deze functie uit sinds mei 1622.[38] In februari 1630 werd hij door de voorzitter Leganés aangesteld om de lopende zaken tijdens zijn afwezigheid af te handelen.[39]

            Tot aan zijn overlijden, begin 1637, was hij secretaris.[40]

 

5. Van Brouchoven Jan Baptist.

            Jan Baptist van Brouchoven werd geboren in ‘s-Hertogenbosch in 1619. Zijn ouders waren jonkheer Gerard van Brouchoven[41], in 1620 in de adelstand verheven, en Catharina Maes. Zijn eerste huwelijk was met Helena Fourmet, weduwe van Pieter Paul Rubens, na haar dood trouwde hij opnieuw met Marie Françoise d’Ennetières, weduwe van Hendrik van Croonendaele.[42]

            Van 1643 tot 1644 was hij actief als schepen in Antwerpen, in 1648 werd hij er één van de stadthesauriers. Twee jaar later werd hij commissaris voor de aanwerving van soldaten, en kort daarna hoofd van de contadorie.[43]

            In mei 1655 werd hij benoemd tot raadsheer en gecommitteerde in de Raad van Financiën. Nadat hij twee jaar de superintendant van de aanwerving van soldaten als adjunct had bijgestaan, nam hij deze betrekking in 1660 over. Dat jaar werd hij ook tot ridder in de orde van Santiago geslagen. [44]

            Kort nadat hij in mei 1663 tot raadsheer van de Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondië was aangesteld, vertrok hij naar Madrid.[45] Hierdoor kon hij in eerste instantie zijn functie in de Raad van Financiën niet behouden, maar tekende hier met succes verzet tegen.[46]

            In april 1665 werd hij raadsheer van de Raad van State, hiervoor keerde hij terug naar de Zuidelijke Nederlanden, maar met behoud van zijn betrekking in de Hoge Raad.[47] Later dat jaar werd hij baron van Bergeyck.[48]

            Als afgevaardigde van Fililps IV werd hij in het najaar van 1667 naar Den Haag gezonden om er de Verenigde Provinciën te proberen overtuigen een alliantie aan te gaan met Spanje.[49]

            Toen in 1672 opnieuw een oorlog uit brak, en Frankrijk en Engeland als bondgenoten tegenover de Verenigde Provinciën stonden, zond men Van Brouchoven als buitengewoon gezant naar het Duitse Rijk om er te overleggen met de vorsten over onder meer de hulpverlening aan de Republiek.[50] Het jaar daarop raakte ook Spanje volop in de oorlog betrokken, maar door de Vrede van Westminster, februari 1674, tussen de Verenigde Provinciën en Engeland, stond Frankrijk nu alleen. Daarop werd Van Brouchoven als waarnemend ambassadeur naar Londen gestuurd, waar hij van eind 1674 tot mei 1675 verbleef.[51]

            In januari 1676 stuurde de toenmalige gouverneur-generaal Villahermosa hem naar het Spaanse hof om er de erbarmelijke toestand van het Spaanse leger te belichten, maar deze zending bleef zonder resultaat. [52]

            Vanaf augustus 1676 was hij opnieuw buitengewoon gezant tot de eigenlijke ambassadeur van Londen er zijn functie er kwam innemen, net zoals bij zijn vorige missie overigens. Het duurde wel tot het voorjaar van 1677 vooraleer hij vanuit Spanje naar Londen kon vertrekken. Zijn taak luidde nu een defensief of offensief verbond met Engeland sluiten.[53]

            Eind 1676 kreeg hij de titel graaf.[54] Van Brouchoven vertrok in oktober 1677 opnieuw naar Madrid, om er zijn betrekking in de Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondië opnieuw op te nemen. [55]

            Hij stierf in Toulouse, op terugweg naar de Zuidelijke Nederlanden, op 13 november 1681. [56]

 

6. Van der Bruggen Koenraad.

            Koenraad Van der Bruggen, ridder, werd geboren in Antwerpen. Hij was de zoon van Jérôme van der Bruggen en Isabelle Coymans. Vanaf 1636 studeerde hij rechten aan de universiteit van Leuven.[57] Hij trouwde met een Utrechtse, Aldegonde Barchman-Wuytiers.[58]

            Zijn carrière begon hij als schepen in Antwerpen.[59] Na de bekrachtiging van de Vrede van Münster in mei 1648, stuurde Filips IV Van der Bruggen naar Holland om er de uitvoering van het verdrag te verzekeren.[60]

            Reeds in het najaar van 1648 drukte Van der Bruggen zijn wens uit om benoemd te worden tot raadsheer van de Raad van Brabant[61], maar het zou duren tot juli 1649 eer hij effectief de betrekking kreeg toegewezen.[62]

            De Raad van State stelde Van der Bruggen in juni 1653 voor als kandidaat-raadsheer in deze raad, maar Filips IV ging hier niet op in.[63]

            Na het overlijden van de ambassadeur Antoine Brun in Den Haag, begin januari 1654, dacht men er aan hem te laten vervangen door Van der Bruggen. Later kwam men hier op terug toen bleek dat hij invloedrijke verwanten had in de provincie Holland, een provincie waarop het Huis van Oranje het niet zo begrepen had, en bovendien de inlichtingsagent van Spaanse ambassade ermee dreigde de besprekingen te belemmeren.[64]

            In juni 1657 werd hij aangesteld tot raadsheer van de Geheime Raad[65], maar door problemen met de benoeming[66] duurde het tot februari 1658 voor hij de betrekking kon innemen.[67]

            De markies van Caracena stelde hem in januari 1660 aan als afgevaardigde van Filips IV om in Brussel een grenskwestie[68], als gevolg van de Vrede van de Pyreneeën, met een gezant van Frankrijk te regelen.[69]

            Filips IV benoemde hem in juli 1660 tot raadsheer van de opperste Admiraliteitsraad.[70]

            Eind januari 1661 werd hij benoemd tot raadsheer van de Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondië[71], maar pas een jaar later kwam hij in Madrid aan.[72] Het werd hem toegestaan zijn betrekkingen in de Admiraliteits- en in de Geheime Raad te behouden.[73] In juni 1662 trad hij toe tot een junta die in het leven geroepen was om onder andere de conflictsituatie in de abdij van Sint-Amands in de Zuidelijke Nederlanden op te helderen. [74]

            Later op dat jaar kreeg hij de opdracht te onderhandelen met de Franse koning, Lodewijk XIV, over de overdracht van een grensstad.[75]

            Hij stierf te Madrid op 13 oktober 1662.[76]

 

7. Antoine Brun.

            Antoine Brun, ridder, zoon van Claude Brun[77] en Marie Dard, werd geboren in Dole op 29 juni 1599. Hij liep er school in een jezuïetencollege, ging in 1617 naar Lyon om er filosofie te studeren en volgde daarna rechten aan, afwisselend, de universiteit van Dole en van Bourges. In 1622 trouwde hij met Marguerite Tissot[78], maar zij stierf in 1638. Nog datzelfde jaar trouwde hij opnieuw met Madeleine d’Accoste.[79]

            Na zijn studies werd hij advocaat[80] en kreeg belangrijke politieke opdrachten, waarvoor hij onder andere naar Frankrijk en Zwitserland trok, in dienst van de gouverneur van Franche-Comté of van het parlement van Dole.[81]

            In juni 1632 werd hij benoemd tot procureur-generaal van het Parlement van Dole en kreeg er opnieuw politieke opdrachten. Zo speelde hij een dominante rol bij de organisatie van de afwering van het Franse leger in Franche-Comté, en hieruit voortvloeiend werd hij lid van verschillende militaire raden. Toen Dole door Franse troepen omsingeld werd[82], had hij een grote invloed op de verdediging ervan.[83] Hij nam de politieke correspondentie op zich, hij verzorgde de briefwisseling van het parlement met het Spaanse hof, de hertog van Lotharingen en andere. Samen met de markies van Saint-Martin[84] en de president van het parlement van Dole, Boyvin[85], vormde hij een triumviraat dat de kern van het verzet tegen de Franse invasiemacht vormde.[86]

            In 1639 besloot Filips IV Brun te benoemen tot raadsheer van de Geheime Raad. Maar door verwikkelingen aan het hof en vooral door de houding van de hoofd-voorzitter, die volledig tegen deze benoeming gekant was, werd deze niet bekrachtigd door de Kardinaal Infant.[87] Begin 1640 drong de markies van Saint-Martin opnieuw op deze benoeming aan, maar tevergeefs.[88] Een jaar later moeide ook Melo zich met deze affaire, maar opnieuw stelde de hoofd-voorzitter zijn veto.[89]

            Hij werd eind 1640 afgevaardigd om de belangen van de Bourgondische Kreits te verdedigen op de Rijksdag van Regensburg. In juni 1641 verdedigde hij er ook deze van het Paltsgraafschap en van Spanje.[90]

            In dat jaar werd Brun door Petrey de Champvans[91] ervan beschuldigd overheidsgelden te hebben verduisterd, contact te hebben gehad met de vijand en zijn macht misbruikt te hebben[92], maar werd toch vrijgesproken.[93]

            In het najaar van 1641 volgde hij de markies van Castel Rodrigo naar Wenen, waar de onderhandelingen van de Rijksdag met betrekking tot de vrede en het paltsgraafschap verder werden gezet.[94]

            Op 7 januari 1642 werd hij tot raadsheer van de Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondië benoemd, met als doel zo de macht van Roose uit te hollen, zij stonden immers bekend als tegenstanders.[95] Enkele maanden nadien kreeg hij de opdracht van Filips IV zich dringend naar Madrid te begeven om er zijn functie uit te oefenen, maar een tijdje later kreeg hij de aanbeveling nog even in Wenen te blijven.[96]

            Hij werd opnieuw afgevaardigd, eind 1642, om de belangen van de Bourgondische Kreits te verdedigen op de rijksdag van Frankfurt, net zoals in Regensburg. Daar de besprekingen over het verdrag met Frankrijk in Münster verder gezet werden, trok hij er in augustus 1643 naartoe.[97] Over zijn prestaties bij de besprekingen van Münster waren de historici van de zeventiende eeuw en de huidige vol lof, hij zou de meest behendige van alle afgevaardigden van de Spaanse koning geweest zijn.[98]

            Begin 1643 werd hij benoemd tot raadsheer in de Raad van Vlaanderen, maar hij heeft er nooit in gezeteld.[99]

            Doordat hij zijn functie als procureur-generaal in het parlement van Dole door permanente afwezigheid niet meer naar behoren kon bekleedden, gingen er in het najaar van 1643 stemmen op om hem uit het ambt te zetten. Twee jaar later werd hij er vervangen en kreeg hij ter compensatie een benoeming in de Raad van State.[100]

            In maart 1647 stuurde de koning opnieuw een verzoek naar Brun om zijn functie in de Hoge Raad te Madrid te komen uitoefenen[101] en uit het antwoord van Brun leek het erop dat hij wel degelijk van zin was op dit verzoek in te gaan.[102] Maar dit is er, door omstandigheden, nooit van gekomen.[103]

            Op 22 juli 1648 werd de graaf van Peñaranda[104] benoemd tot buitengewoon ambassadeur in Den Haag om er de Staten Generaal te feliciteren met de ratificatie van het verdrag van Münster. Na deze opdracht werd voorzien dat Brun zijn betrekking, als gewoon ambassadeur, zou overnemen.[105] Eind 1649 deed hij zijn intrede in Den Haag.[106]

            In mei 1651 kreeg Brun de indruk dat zijn aanwezigheid in Den Haag overbodig werd, hij had immers al zijn opdrachten volbracht, waarop hij Filips IV vroeg zich te laten vervangen. Maar volgens de koning was zijn presentie er absoluut noodzakelijk, de Staten Generaal waren immers niet te vertrouwen.[107]

            In datzelfde jaar werden Boyvin en Brun getipt door Leopold-Willem als mogelijke opvolgers van de hoofd-voorzitter Roose in de Geheime Raad.[108]

            Begin 1653 uitte de koning nogmaals zijn wens dat Brun in de Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondië zijn betrekking zou komen uitoefenen.[109]

            Toen Brun, in april 1653, aan de koning een plaats als tweede hoofd van de Raad van Financiën vroeg, zag deze hierin de manier in om financieel tegemoet te komen aan Bruns wensen. Een paar maand later voltrok Leopold-Willem zijn benoeming, en daarmee samenhangend werd hij baron vergezeld van een baronie. Filips IV had hier voor ogen dat, eens hij zijn functie in de Raad van Financiën ingenomen had, Brun naar Den Haag terug zou keren, iets wat Brun slechts met tegenzin deed.[110]

            Antoine Brun stierf er op 2 januari 1654.[111]

 

8. De Coxie Michel.

            Michel de Coxie, ridder, was gehuwd met Anne-Marie del Plano d’Ayala.[112]

            Begin november 1638 werd hij aangesteld tot raadsheer en advocaat-fiscaal van de Grote Raad van Mechelen.[113]

            In maart 1652 werd hij een eerste maal voorgesteld als raadsheer voor de Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondië, maar hij werd niet verkozen.[114] Pas toen hij in het najaar van datzelfde jaar opnieuw werd voorgedragen, kreeg hij de betrekking toegewezen.[115] Het duurde tot eind november 1656 eer hij in Madrid aankwam.[116] Ook hier, net zoals bij Boudewijn Van der Piet, lagen de kosten van de reis en problemen met het paspoort in Frankrijk aan de basis.[117]

            Hij werd door de Hoge Raad afgevaardigd om op de ceremonie van de Vrede van de Pyreneeën Filips IV, Mariana de Austria en de Infante, Maria Theresia, te feliciteren. Maar hij werd er te laat van op de hoogte gebracht, zodat dit niet doorging.[118]

            Tijdens zijn verblijf in Madrid zou hij zou ook lid van de Consejo de Estado geweest zijn.[119]

            In juni 1660 was hij door ziekte niet meer in staat nog in de Hoge Raad te zetelen, een paar maanden later zou hij gestorven zijn.[120]

9. De Croÿ Jean.

De Croÿ Jean, graaf van Solre, baron van Molembaix en markies van Renty, was de zoon van Philippe de Croÿ[121] en Anne de Beauffort. In 1608 trouwde hij met Jeanne de Lalaing, dochter van Anne de Croÿ. Anne de Croÿ was de weduwe van de graaf de Lalaing en tweede vrouw van zijn vader. Hij werd ridder van de orde van het Gulden Vlies in 1614.[122]

De Croÿ werd in 1616 kamerheer van de aartshertog Albert.[123] Als ambassadeur vertegenwoordigde hij, tijdens de periode 1619-1636, de Spaanse koning in Polen, Duitsland en in Frankrijk.[124]

In de jaren 1622 en 1623 was hij interim hoogbaljuw en kapitein-generaal van het graafschap Henegouwen.[125]

Hierna,  in 1624,  vertrok hij naar Madrid om er kapitein van de lijfwachten van   Filips III te worden.[126] Datzelfde jaar werd hij ook raadsheer van de Raad van State.[127]

Hij werd raadsheer van de Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondië in september 1627.[128] Twee jaar later werd er de functie ‘hoofd van de financiën’ in de Hoge Raad gecreëerd, en de Croÿ kreeg deze toegewezen.[129] Tot 1635, toen hij voor een opdracht naar Polen en Duitsland vertrok, was hij er ook afgevaardigde van de Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondië in de Junta de la media annata.[130]

            In 1629 werd hij naar Duitsland gestuurd om er de keizer, Ferdinand II, te feliciteren met de verloving van zijn zoon met de Infante María, zus van Filips IV.[131]

Hij stierf in Madrid in 1640. [132]

 

10. De Fierlant Simon.

            De Fierlant, ridder, heer van Bodeghem, werd in Brussel in 1602 geboren. Zijn ouders waren Martin de Fierlant[133] en Catherine van Eyck, beiden van patriciërsfamilies afkomstig. Hij was getrouwd met Anne-Marie van Reynegom. De Fierlant schreef een groot aantal theologische werken[134] en poëzie.[135]

            Als jurist stelde hij zich kandidaat voor een betrekking in de Raad van Brabant, maar in de plaats hiervan werd hij in mei 1657 benoemd tot raadsheer van de Grote Raad van Mechelen.[136]

            Hoewel hij in januari 1661 al eens werd voorgesteld als kandidaat raadsheer van de Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondië[137], werd hij pas in het voorjaar van 1663 aangesteld tot raadsheer van de Hoge Raad te Madrid.[138]

            Aangesteld tot kanselier van Brabant[139] en raadsheer van de Raad van State[140], kwam hij in 1668 terug naar de Zuidelijke Nederlanden.[141] Het werd hem toegestaan zijn functie in de Hoge Raad te behouden.[142]

            Hij stierf te Brussel op 15 augustus 1686.[143]

 

11. De Gamarra y de Contreras Esteban.

Esteban de Gamarra y de Contreras werd in 1593 in Brussel geboren als zoon van Juan de Gamarra y de Contreras[144], afkomstig uit Castillië, en Doña Adriana de la Torre. Hij droeg het wapen van de oorspronkelijke tak uit Gamarra la Mayor en was ridder van de orde van Santiago. Getrouwd met zijn nicht, Doña Maria de Urquina kregen ze zes kinderen.[145]

Gamarra kende een spectaculaire militaire loopbaan, hij klom op van eenvoudige soldaat tot de hoogste leidersfuncties. ‘Weinig, hoe groot hun bekwaamheid en verdiensten ook waren, konden op dergelijke prestaties bogen.’[146] Op twaalfjarige leeftijd trad hij in Milaan in dienst van de koning[147]. Toen hij achttien werd, debuteerde hij als soldaat en enige jaren later werd hij gepromoveerd tot kapitein van een compagnie Spaanse infanteristen. Hij werd tot ridder van de Orde van Santiago geslagen in 1624, enkele jaren nadat hij naar de Zuidelijke Nederlanden was teruggekeerd waar hij zijn militaire carrière verder zette. Zo werd hij in 1631 luitenant van de algemene kampoverste Carlos Coloma.

Al tijdens zijn militaire loopbaan werden hem diplomatieke opdrachten toevertrouwd, op die wijze reisde hij in 1636 als vertrouwensman van de Kardinaal Infant Don Fernando naar Duitsland om er overleg te plegen over de komende veldtocht. Twee jaar later klom hij op tot kampoverste en kreeg het bevel over een nieuw regiment Spaans voetvolk.

Uit een afpersingszaak waarin Gamarra beschuldigd werd, blijkt duidelijk de steun die hij genoot van de vorst[148] die voor een goede afloop van de affaire zorgde.[149] In 1644 kwam hij opnieuw in de problemen terecht, waarbij zijn geloofwaardigheid in het gedrang kwam omdat hij een vertrouweling was van de prins Thomas van Savoye[150] die overliep naar het Franse kamp. De zaak kende echter geen gevolgen.

Als beloning voor zijn prestaties als kampoverste kreeg hij in 1644 als gouverneur ad interim de verdediging van Cambrai toegewezen. Alhoewel er nog steeds geruchten de ronde deden over zijn financiële zaken, kon hij zijn betrekking behouden; een uitmuntende officier kon niet gemist worden.

Voor de veldtocht tegen Frankrijk in 1646 werd hij benoemd tot generaal van de artillerie. Door zijn verdiensten werd zijn mandaat verlengd en kreeg hij de verantwoordelijkheid over de zuidelijke grensverdedigingswerken. Het jaar nadien werd hem als artillerie - generaal het beleg van Komen en Landrecies toegewezen. Landrecies viel echter in Franse handen en Gamarra werd hiervoor verantwoordelijk geacht en aangehouden. De koning besliste in het voordeel van Gamarra waardoor hij in juli 1649 vrijgesproken werd. Gamarra kreeg nieuwe diplomatieke opdrachten[151] toevertrouwd die hij telkens tot een goed einde wist te brengen.

Hij verkreeg definitief de titel artillerie - generaal of grootmeester van de artillerie voor de veldtocht van 1651 welke hij tot 1653 behield, alhoewel hem eind 1651 de functie kastelein van Gent[152] toegewezen was. In datzelfde jaar nog werd hij opnieuw gearresteerd, nu omdat troepen onder zijn bevel bij een gevecht betrokken waren. Met hulp van de koning werd hij twee jaar later vrijgesproken en kon hij zijn betrekkingen behouden.[153]

Leopold-Willem liet eind juni 1654 zijn voorkeur blijken om de overleden ambassadeur in Den Haag, Antoine Brun, te laten vervangen door Gamarra, onder andere om zijn uitgebreide talenkennis. Hoewel hij reeds op 15 oktober 1654 officieel bericht kreeg van zijn benoeming, waardoor hij de titel ‘ordinaris ambassadeur van de Spaanse koning bij de Staten Generaal der Verenigde Provinciën’[154] kreeg, vertrok hij pas vier maanden later naar Den Haag.

Later, in februari 1658, werd hij ook lid van de Consejo de Guerra[155] en hiermee gepaard kreeg hij ook een oproep tot deelname als algemeen kampoverste aan de campagne van dat jaar in de Zuidelijke Nederlanden. Al in 1657 gingen er stemmen op hem terug te roepen naar het leger vanwege zijn talenten op militair vlak. Tegelijkertijd werd er gespeculeerd rond zijn overplaatsing naar de ambassade in het Duitse Rijk als gevolg van een woordenwisseling tussen de landvoogd Don Juan en Gamarra omtrent het politiek beleid met betrekking tot de Verenigde Provinciën. Gamarra weigerde de oproep, waarop hem de Gentse citadel werd toegewezen[156] en de koning de landvoogd opdroeg nieuwe kandidaten te zoeken voor de Haagse ambassade. Hierdoor aanvaardde hij dan toch de militaire opdracht en probeerde hij zijn plaats in de ambassade van Den Haag veilig te stellen, wat hem lukte. Desondanks had de campagne geen succes.

Gamarra was toen, na de markies van Caracena, de belangrijkste raadgever van de landvoogd en deed ook dienst als plaatsvervanger van Caracena. Hij trad ook op als één van de belangrijkste medewerkers van deze laatste.

Eens eind 1659 het oorlogsgevaar geweken was, veranderde de situatie. Gamarra wou verder in dienst blijven als kampoverste in de Zuidelijke Nederlanden maar de koning zag hem liever in Den Haag, toch bleef hij in de Zuidelijke Nederlanden tot april 1660. Hoewel zijn militaire loopbaan ten einde liep door de vrede van de Pyreneeën in 1659, bleef hij een actieve rol spelen. Hij zetelde, net als vroeger, als ambassadeur in verscheidene junta’s over belangrijke politieke en economische vraagstukken betreffende de Verenigde Provinciën.

In 1662 sloeg hij een promotie, ambassadeur in Parijs, af. Het jaar daarop, op 4 februari 1663[157] werd hij wel raadsheer van de Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondië, maar waarschijnlijk heeft hij nooit in deze Hoge Raad gezeteld.[158]

Toen, in 1668, de nieuwe landvoogd te Brussel aankwam, werd Gamarra belast met de opdracht hem te introduceren in de politieke situatie en hem enige tijd te assisteren. Hierdoor bevond Gamarra zich in de ideale positie om het politiek beleid in de Spaanse Nederlanden tot 1670 te beïnvloedden[159], het jaar waarin hij zijn ambt wou neerleggen.

Hij overleed in Den Haag op 10 augustus 1671.[160]

 

12. Jean de Gaverelles.

Jean de Gaverelles werd in Antwerpen geboren als eerste kind van Jean de Gaverelles[161] en Dorothea Hoecx, en gedoopt op 14 januari 1579. Hij studeerde rechten in Leuven en trouwde met Maria de Keyser, maar zij overleed kort daarna.[162]

In 1611 keerde hij naar de Zuidelijke Nederlanden terug, na enkele maanden in het Zuiden vertoeft te hebben waar hij onder andere Rome bezocht had. Daarop vestigde hij zich te Brussel, waar hij enkele maanden het ambt landmeter uitoefende.

Eind augustus 1611 werd hij één van de vier stadssecretarissen in Antwerpen. Op 29 april 1617 werd hij er pensionaris en bleef deze functie tot 29 maart 1624 uitoefenen.[163] Toen er in Antwerpen een nieuwe kerk voor de Onze-Lieve-Vrouwbroeders of Karmelieten werd opgericht, stond hij financieel bij en liet een zijkapel optrekken. Hierin werd de Karmelitaanse broederschap van de schapulier van Onze-Lieve-Vrouw gevestigd met De Gaverelles als hoofdman.[164]

Begin januari 1624 richtte de aartshertogin Isabella een nieuwe Admiraliteitsraad op in Sint-Winoksbergen en duidde De Gaverelles aan als voorzitter[165]. In 1626 werd hij, op zijn verzoek, overgeplaatst naar de Admiraliteitsraad van Duinkerke.[166] Bovendien had de aartshertogin hem begin april 1624 de functie admiraal van de Zuid-Nederlandse vloot, superintendent van de marine toegewezen.

Op 14 maart 1631 werd hij gepromoveerd tot raadsheer van de Geheime Raad te Brussel en bleef dit tot 1634.[167]

Twee jaar later, eind december 1633, werd hij door de koning benoemd tot raadsheer van de Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondië[168], waarop hij naar Madrid trok om er zijn functie te bekleden. De koning sloeg hem rond deze periode ook tot ridder van de Portugese orde van Christus.[169]

In 1634 vergezelde hij de Kardinaal Infant Don Fernando en zijn leger van Italië op weg naar de Nederlanden. Kort daarop, in juni 1634, werd hij naar de koning van Hongarije, Ferdinand III, gestuurd, waar hij inlichtingen moest winnen over het leger van deze koning, van de hertog van Beieren, van de Katholieke Liga, over Frankrijk en andere informatie van politiek en strategisch belang. Eind juli onderhandelde hij samen met de markies de los Balbases en de staatssecretaris de Axpe te Regensburg met de afgevaardigden van Ferdinand II, de keizer van het Duitse Rijk.[170]

In september 1634 keerde hij terug naar de Zuidelijke Nederlanden.[171] Daar werd hij op de hoogte gebracht dat hij, begin 1634, door Filips IV gepromoveerd was tot superintendent van de Zuid-Nederlandse vloot, een functie die hij zeker tot in augustus 1641 uitoefende.

In november 1639 werd hij voorgesteld door de Kardinaal Infant voor de functie raadsheer van de Raad van State, maar kreeg enkel de titel ereraadslid van de Raad van State[172], waarvoor hij ook een wedde ontving. In 1641[173] werd hij dan benoemd tot raadslid van deze raad en vanaf 1643[174] zetelde hij er ook in.

In een brief aan de Kardinaal Infant van november 1640 schreef de koning dat in geval zijn vertrouweling Pieter Roose ziek werd, hij vervangen moest worden door onder andere De Gaverelles.[175]

Vóór augustus 1644 trok hij zich terug in de kerkelijke wereld en liet zich tot priester wijden. [176]

Hij stierf in Brussel op 11 juli 1645.[177]

 

13. Guzmán y Dávila Diego Mexía Felípez.

Diego Mexía Felípez Guzmán y Dávila was hertog van San Lucar la Mayor en van Aznarcollar, markies van Leganés, van Deinze en van Maierena, ridder in de orde van Santiago en heer enkele Spaanse stadjes. Hij was de zoon van Diego Velasquez Mexía de Ovando y de la Torre, markies van Loriana en graaf van Uceda; en van Dona Leonor de Guzmán. Verder was hij ook de neef en intimus van Olivares, de valido van Filips IV. In 1634 kreeg hij de titel Grande de España. Leganés was twee maal getrouwd, eerst met de dochter van Ambrioso Spínola[178], Polixena Spínola en daarna met Juana de Rojas.[179]

            In 1626 werd Leganés benoemd tot cavalerie-generaal van het Ejército de Flandes, maar deze functie vervulde hij bijna nooit door een vrijwel permanente afwezigheid. Eind 1627 deed Olivares een beroep op hem om het project van de Wapenunie in de Nederlanden ingang te doen krijgen.[180] Tevens bekleedde hij, zeker vanaf mei 1630, de functie kapitein-generaal in de artillerie in Spanje.[181]

            Een jaar later werd hij opgenomen in het lijstje van het college van gouverneurs die het bestuur in de Nederlanden zouden waarnemen bij het overlijden van de landvoogdes Isabella.[182]

       In november 1629 kwam de nieuwe ambassadeur van Spanje, Aytona, in Brussel aan en als tijdelijke begeleider werd onder meer op de markies van Leganés vertrouwd. Leganés was, net als Aytona, goed vertrouwd met de situatie in het Zuiden, doordat hij er meer dan twintig jaar gediend had als officier en kamerheer van de aartshertog Albert. Hierdoor werd hij aan het hof in Madrid als een specialist inzake Nederlandse aangelegenheden beschouwd.

In 1621, na de dood van de aartshertog, keerde hij naar Madrid terug, waar hij een gewichtig man werd.[183]

            Leganés werd in het najaar van 1628 benoemd tot voorzitter van de heropgerichte Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondië.[184]

Aytona en Isabella beslisten hem in 1630 aan te stellen als dienstdoend maestro de campo general van het Ejército de Flandes. Maar Filips IV bepaalde datzelfde jaar nog een collectief leiderschap, bij gebrek aan een volwaardige maestro de campo general, tot stand te brengen, waarin onder andere Leganés[185] in opgenomen werd.[186] Bovendien, toen men er in geslaagd was een gezagscrisis in 1630 in de Nederlanden te onderdrukken, werd hij - hij behoorde immers tot de top van het Spaans-Habsburgse bestel - met enkele andere vertrouwelingen[187] in Brussel geplaatst. Op hen werd gerekend informatie te kunnen inwinnen en door te spelen naar Madrid.[188] Hiervoor vertrok hij al begin 1630 richting Zuidelijke Nederlanden, terwijl hij evenwel zijn post in de Hoge Raad bleef behouden.[189]

In het voorjaar van 1630 werd Leganés ook raadsheer in de Raad van State[190], nadat hij ook al lid van de Spaanse Consejo de Estado[191] en van de Raad van Gelre[192] was. Hij zou ook kastelein van Antwerpen geweest zijn.[193]

            Toen hij in 1635 naar Milaan vertrok, kon hij wederom zijn voorzitterschap in de Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondië behouden.[194] Hij werd er gouverneur, een functie die hij tot eind 1641 zou uitoefenen.[195] In 1638 was hij er kapitein-generaal van het leger in Lombardije.[196]

            Hij was opperbevelhebber in León in 1638 en 1639.[197] Leganés voerde in 1642 het Spaanse leger in Catalonië aan en in 1646 kreeg hij de titel virrey van dit gebied. In datzelfde jaar leidde hij ook een campagne tegen Portugal.[198]

Tevens zetelde hij in de Consejo de Guerra[199] en zou ook voorzitter van de Raad voor Italië[200] geweest zijn, maar dit valt te betwijfelen.[201]

            Hij stierf te Madrid op 16 februari 1655.[202]

 

14. Hernart Jean.

            Jean Hernart werd geboren in Brabant en studeerde er rechten. Vóór hij zijn ambt van secretaris ad interim uitoefende, was hij onder meer eerste wapenkoning van de Orde van het Gulden Vlies en griffier in het secretariaat van deze orde. Bovendien was hij voor de oprichting van de Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondië assistent van de secretaris De Brito in het college dat de Hoge Raad voorafging.

            Op 29 december 1627 werd hij dan benoemd tot secretaris ad interim van de Hoge Raad totdat Gabriël de Roy er zijn betrekking van secretaris kwam opnemen.[203] In de lente van 1628 werd hij naar het Heilig Roomse Rijk en naar Vlaanderen gestuurd om er halssnoeren van de Orde van het Gulden Vlies te overhandigen.[204]

 

15. Locquet Jean Antoine.

            Jean Antoine Locquet, ridder, burggraaf[205] van Hombeek, heer van Impel, e.a., werd geboren te Brussel als zoon van Guillaume Locquet en Pétronille Taedts. Na zijn studies filosofie aan de universiteit van Leuven[206] en later ook rechten, trouwde hij met Marie-Christine De Keyser.[207]

            Vanaf 1638 doceerde hij filosofie aan de universiteit van Leuven, maar verliet deze betrekking om advocaat in de Raad van Brabant te worden.[208] In het najaar van 1643 werd hij benoemd tot assistent van de provoost en van de drossaard van Brabant.[209] Hierna, in 1656, werd hij postulant en surnumerair raadsheer van de Raad van Brabant, welke functie hij twee jaar later effectief verkreeg.[210]

            Locquet werd in november 1661 benoemd tot raadsheer van de Opperste Admiraliteitsraad te Brussel[211], in die hoedanigheid was hij in het najaar van 1663 in Oostende actief.[212]

            Begin januari 1661 werd hij als kandidaat voorgesteld voor een plaats als raadsheer in de Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondië, maar werd toen niet verkozen.[213] Hij werd opnieuw voorgesteld, en deze keer met succes, in mei 1663.[214] Het werd hem toegestaan zijn betrekking in de Admiraliteitsraad te behouden.[215] In het najaar van 1668 werd hij als voorlopige zegelbewaarder aangeduid, daar de zegelbewaarder Watteville zich in Lissabon bevond.[216]

            In oktober 1669 werd hij tot president van de Grote Raad van Mechelen[217] en raadsheer in de Raad van State[218] benoemd.[219] Hij werd een eerste maal voorgesteld als gegadigde voor kanselier van Brabant in 1668,[220] maar het duurde tot in 1686 eer hij de betrekking kreeg toegewezen.[221]

            Hij stierf in Brussel op 22 maart 1687.[222]

 

16. Van Male, Aurele Augustin.

            Aurele Augustin Van Male, ridder, werd als zoon van Charles Van Male[223] geboren te Antwerpen.[224] Hij trouwde met Anne Prats, weduwe van Ogier Sucquet, luitenant-civil van de indaginghe van Gent.[225]

            Verscheidene bronnen melden dat hij luitenant-civil van de indaginghe van Gent is geweest[226], andere bronnen dan weer dat hij daarvoor zelfs eind 1619 officieel Vlaams burger werd.[227] Maar in het archief werd hij enkel teruggevonden als ‘informant’ van de indaginghe van Gent voor de jaren 1621 - 1623.[228] Was hij vóór deze periode actief als luitenant-civil van de indaginghe of kwam er protest? Drie bronnen[229] melden dat er inderdaad protest kwam van de Staten van Vlaanderen en dat hij daardoor in 1620 of 1621[230] ter compensatie tot raadsheer in de Raad van Brabant werd benoemd.[231] Later werd hij er ook vice-kanselier.[232]

            Toen de Admiraliteitsraad in Duinkerke werd afgeschaft, bleven nog enkele te behandelen zaken over. Voor de afronding van deze zaken werd Van Male eind januari 1611 tot superintendent benoemd.[233] Eind 1631 werd hij aangesteld tot raadsheer van de opperste Admiraliteitsraad in Brussel.[234]

    &nb