| Heriger van Lobbes (°ca.942-†1007): een laat-karolinger of een vroeg-scholasticus? Een historisch onderzoek naar de religieus-culturele wereld van Luik en Lobbes in de late tiende eeuw (Peter Verbist) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Dit laatste hoofdstuk zal op basis van de concrete gegevens uit de voorgaande gedeelten Herigers mogelijkheden en beperktheden vanuit diverse standpunten bestuderen. Heriger als jonge scholaster en opdrachtschrijver heeft immers in een heel andere context moeten werken dan de abt Heriger. Men moet daarom erkennen dat er een innerlijke evolutie mogelijk is, wanneer men een kritische studie wil maken over een bepaalde historische figuur.[420] In het geval van Heriger kwam deze oriëntatieverandering ook vormelijk tot uiting, nl. door het feit dat hij na 990 geen enkel historisch of hagiografisch werk meer heeft geschreven en zich zou profileren als een autoriteit op het gebied van de artes liberales, de chronologie en tenslotte ook de theologie.
Deze aandacht voor de diversiteit binnen Herigers leven heeft echter ook ernstige consequenties voor de studie van zijn persoonlijkheid en mentaliteit. Enerzijds past Heriger zeer goed in het abbatiale heiligentype[421], maar anderzijds vertekende hij als opdrachtschrijver omwille van allerlei hagiografische motieven bewust de historische werkelijkheid. Ook dit laatste (iets minder fraai) aspect van Heriger moet men durven benaderen en kritisch onderzoeken.
Heriger van Lobbes wordt in dit hoofdstuk echter niet alleen als hagiograaf bestudeerd, maar ook als historicus, chronoloog en theoloog. Het spreekt natuurlijk voor zich dat deze verschillende ‘stukjes’ Heriger niet volledig van elkaar te scheiden zijn, maar er zijn anderzijds wel een aantal argumenten om voor deze onderverdeling te kiezen. Eerst en vooral komt deze thematische onderverdeling ten goede aan de duidelijkheid en de overzichtelijkheid van dit hoofdstuk. Iedere paragraaf vereist immers een eigen grondige inwijding in een specifieke context. Men kan bijvoorbeeld Herigers eucharistische traktaat niet voldoende begrijpen zonder eerst de historiek en de belangrijkste stellingen m.b.t. het hele eucharistiedebat te hebben doorgenomen.
Ten tweede wijst deze indeling tevens op de grote verscheidenheid van Herigers interesses en kennis.[422] Nu dient echter onderzocht te worden of deze kennis ook kwalitatief bij Heriger aanwezig was. Precies een thematische indeling laat zeer goed toe om deze vraag te beantwoorden. Mede op basis van de vorige hoofdstukken kan er nu een diepgaander beeld van Heriger van Lobbes ontdekt worden.
I. Definitie en doelstellingen van hagiografie
Net als in het vorige hoofdstuk wordt ook nu met het hagiografische aspect begonnen. Hagiografie betekent letterlijk het schrijven over heiligen (agioV-grajein). Hieruit kan men een dubbele betekenis afleiden, namelijk enerzijds de hagiografie als het geheel van stichtelijke, verhalende teksten omtrent het leven en de verering van heiligen en anderzijds de hagiografie als de wetenschappelijke studie van hagiografische teksten.
Door haar speciale karakter bevindt de hagiografie zich a priori in een discutabele positie. P.Riché vergeleek in dit opzicht de middeleeuwse hagiografie met een feuilleton van deze tijd.[423] Deze uitspraak heeft betrekking op de spanning in hagiografische teksten tussen enerzijds de historische werkelijkheidswaarde en anderzijds de stichtende bedoeling. Dit probleem is zeer goed vergelijkbaar met dat van de normatieve bronnen. Door deze moeilijk te vatten dualiteit raakte de studie van deze hagiografische teksten eeuwenlang op de achtergrond. Ze werden echter terug uit de vergetelheid gehaald door o.a. de maurist Jean Mabillon (†1707), de even befaamde socii bollandini en nog later door enkele negentiende-eeuwse Duitse filologen.[424]
Wanneer men hagiografische bronnen bestudeert, moet men deze vanuit een correct analyseperspectief benaderen. De hagiografische tekst is immers afgestemd op de hoofdbedoeling van de hagiograaf, nl. de reconstructie van een ideaalmodel van de middeleeuwse maatschappij. Een Vita heeft nu eenmaal niet de bedoeling een feitelijke weergave van de historische werkelijkheid te zijn. Elke kritiek m.b.t. de historiciteit van een heiligenleven is in dit opzicht geen onterechte, maar wel een misplaatste kritiek. Het is immers een verkeerde ingesteldheid om -soms tot het hyperkritische toe- alle verkeerde data te corrigeren, elke heiligendaad te analyseren enz. Men hoeft deze aspecten niet te negeren, maar wel in de juiste context te bestuderen.[425]
Naast het stichtende hoofddoel kan men echter ook nog andere motieven onderscheiden. G.Philippart schrijft in dit verband dat de ontstaanscontext van een Vita verband houdt met ofwel het beschermheerschap van die bepaalde heilige, ofwel met het dubbele gevoel van fierheid en veiligheid van de abdij.[426] Ook in Herigers geschriften kan men inderdaad het beeld van de heilige als patronus et intercessor terugvinden, bijvoorbeeld in zijn Gesta episcoporum Tungrensium, Trajectensium et Leodiensium:
“dum...et patrocinia confert sanctorum, quos pro reatibus intercessores non dubitemus efflagitare.”[427]
(...zolang als het beschermheerschap van de heiligen dit bevordert. Wij mogen er niet aan twijfelen dat zij als bemiddelaars voor de fouten [lett: schulden] in de bres springen.)
Bij Folcuinus(Gesta abbatum Lobiensium) vindt men eveneens de idee van intercessor terug. In het kapittel dat handelt over de invallen van de Magyaren (955), schreef hij immers letterlijk:
“...immo vere futuram munitionem per sanctorum Dei intercessionem.”[428]
(...ja waarlijk, een toekomstige verschansing door de tussenkomst van Gods heiligen.)
In Herigers Vita Landoaldi tenslotte werd er expliciet verwezen naar het patrocinium (beschermheerschap), dat in dit citaat ook een a.h.w. concrete territoriale betekenis bevat:
“Is quidem carpento ad sanctorum patrocinia est provectus; sed eis salutem plenissimam impertientibus, domum pedes rediit et sanus.”[429]
(Hij [=Manninus[430]] is met een huifkar tot aan het beschermheerschap van de heiligen gebracht; ze [=heiligen] schonken [hem] de volledige gezondheid en te voet en wel is hij naar huis teruggekeerd.)
Naast deze hogergenoemde motieven is er ook een onderhoudend-narratief aspect verbonden aan de middeleeuwse hagiografie. Het was immers zo dat wegens gebrek aan technische middelen het hagiografisch genre tot één van de belangijkste nieuwsverstrekkers uit de (vroege) middeleeuwen behoorde. Zo werd bijvoorbeeld de Vita Anskarii door een Gallische lezer gretig gelezen en/of aangehoord.[431] Daarenboven had de hagiografie eveneens een belangrijke verstrooiingsfunctie, m.a.w. een Vita moest ook ontspannende en zelfs humoristische passages bevatten. Kortom: diezelfde Gallische lezer vormde zich een welbepaald -naar hedendaagse normen onkritisch- beeld van het huidige Noord-Europa. Dit is een vaststelling waarmee rekening gehouden dient te worden bij het bestuderen van hagiografische bronnen.
II. De hagiografische traditie in Luik
Herigers wortels als hagiograaf liggen in een traditie, die minstens teruggaat tot het laatste kwart van de achtste eeuw.[432] Toen schreef Anso, abt van Lobbes (776-800) o.a. een Vita Ermini, Vita secunda Ursmari en een Vita Trudonis.
De hagiografische produktie kende een opvallende uitbreiding in het eerste kwart van de tiende eeuw. Dit is niet zo verwonderlijk als men één van de oorzaken gaat zoeken bij de invallen van de Noormannen. De beschadiging en vernietiging van talrijke literaire werken zette immers vele auteurs in deze eeuw ertoe aan om nieuwe Vitae te schrijven. Een tweede argument betreft de verhoogde esthetische eisen waaraan een Vita moest voldoen. De vroegere ongekunsteldheid van de nuchtere beschrijving was niet geloofwaardig genoeg meer en -paradoxaal genoeg- te weinig wonder-baar. Dit argument verklaart ook ten dele het probleem van de historiciteit van de tiende-eeuwse hagiografie. Het was niet zozeer de bedoeling om historisch correct te zijn, maar veeleer om de vroegere Vitae op te smukken met een gezwollen, melancholische stijl en met de nodige wonderverhalen.
Deze ‘restauratiepogingen’ van een particuliere heilige gebeurden niet alleen uit literaire bekommernis, maar ook uit zelflegitimatie. De uitstraling en bewijskracht van een hernieuwde Vita was in de vroege middeleeuwen immers bijzonder sterk en verstevigde tevens de positie van de opvolgers van die bepaalde heilige. Zo schreef Stefanus, bisschop van Luik (†920) een herwerking van de Vita Lamberti[433] en vlak vóór Herigers eerste werken werd de Vita secunda Ursmari van Ansoverfraaid door de veelzijdige geleerde Ratherius van Verona (†974). Ook Herigers voorganger, Folcuinusvan Lobbes (†990), schreef enkele hagiografische werken; o.a. over zijn naamgenoot en familielid, Folcuinus van Terwaan (†855).[434]
Na Herigers dood in 1007 werd de hagiografische traditie te Lobbes verdergezet door een anoniem gebleven monnik, waarschijnlijk een leerling van Heriger. Hij schreef een Vita Theoderici[435], die door P.Schmitz wordt omschreven als één van de beste werken uit het hagiografische genre.[436] Het is tevens in diezelfde elfde eeuw -niet zo lang na Herigers overlijden- dat de Vita Gudulae prima (ca.1047) en de Vita Berlindis (ca.1059) te Lobbes werden opgesteld.[437]
III. Heriger als modelvoorbeeld van de tiende-eeuwse hagiografie
Na onderzoek van zijn (hagiografische) werken zal worden aangetoond dat Heriger zich op zeer vele aspecten conformeerde met de toenmalige hagiografische traditie inzake compilatie, topoi, stereotiepe schemata, etc.[438] Verderop zal worden gewezen op de ‘dubbele bodems’ in hagiografische teksten.
In dit verband moet echter eerst en vooral de spijtige vaststelling gemaakt worden dat F.Brunhölzl de algemene evolutie in Herigers oeuvre en mentaliteit (grotendeels) negeerde door te stellen dat Heriger van Lobbes niet de auteur kàn geweest zijn van de Gesta episcoporum Tungrensium, Trajectensium et Leodiensium en een aantal hagiografische werken (i.c. Vita Remacli en Vita Landoaldi), omdat deze stilistisch in grote mate verschilden van de Epistola ad Hugonem.[439]
Deze brief is echter minstens 20-25 jaar, d.i. een volledige generatie, later geschreven dan de in opdracht geschreven Vitae. De scholaster Heriger kon daarenboven in zijn Vitae niet dezelfde klare taal en duidelijkheid aan de dag leggen, vermits de hagiografische schemata een heel andere manier van schrijven vereisten dan het briefgenre. Een alleszeggend voorbeeld in dit opzicht is Herigers Vita Landoaldi waarin Heriger de waarheid moet verhullen dat Landoaldusnooit bestaan heeft. Daarbij komt nog dat Heriger zich in diezelfde Epistola ad Hugonem expliciet verontschuldigde voor zijn meer sobere stijl.
“Minus de leporis urbanitate curavi, sciens eos qui ante nos de artibus scripsere, ut tantum intelligerentur [sic!] elaborasse, eloquentiam vero omnino neglexisse.”[440]
(Ik heb me minder bekommerd om de beschaafde uitdrukkingswijze in de wetenschap dat vroegere auteurs, die over de artes hebben geschreven, slechts de inhoud hebben uitgewerkt en hun stijl volledig hebben verwaarloosd.)
Heriger wou in zijn brief m.a.w. zeer duidelijk de inhoud laten primeren op de vormelijkheid en hierin verschilde zijn opzet dus fundamenteel van de stichtende bedoeling van zijn hagiografische werken. Hiermee ontkracht Heriger zelf de hogergenoemde hypothese van F.Brunhölzl. Een historicus moet immers alle dubbele bodems in de hagiografie proberen te onderscheiden en te verklaren en daarom verschilt de studie van hagiografische teksten in grote mate van de studie van rekeningen, traktaten, etc. Een voorbeeld van dit niet-eenduidige karakter van de hagiografie uit zich o.m. in de prologen van Herigers Vitae. Zij werden immers door Heriger geschreven en door Notger ondertekend. Men moet niet zozeer lezen dat Notger de prologen ondertekende, maar vooral ook waarom Notger dit deed.[441] Een gelijkaardig voorbeeld treft men ook aan te Reims, waar Gerbert(†1003) als scholaster de brieven redigeerde die Adalbero, aartsbisschop van Reims (969-989) onder zijn eigen naam stuurde naar Notger van Luik.[442]
Als men al deze wetenschappelijke nuances m.b.t. de hagiografie niet aanbrengt, komt men tot volledig zinloze en al te negatieve interpretaties van Herigers hagiografische oeuvre. Een treffend voorbeeld hiervan luidt als volgt: “Sigebert [van Gembloux (†1112)] loue le talent d’Hériger pour la poésie; mais il suffit de lire sa vie de Saint Ursmar, morceau de mille et huit vers, pour n’être pas de son avis. Ce poème, ainsi que presque tous ceux de ce temps, est aussi barbare que le siècle où il a été écrit. On retrouve les mêmes défauts et le même genre de versification dans ses autres ouvrages en vers. Il règne beaucoup plus de goût et de bon sens dans une lettre pleine d’érudition, adressée à Hugues, religieux de Lobbes, qui avait demandé à Hériger son sentiment sur le jour qu’on devait célébrer la Pâques: il aurait pu y apporter plus de critique, mais la connaissait-on alors? Il serait inutile de rappeler ici quelques vies de saints dont l’abbé de Lobbes est encore auteur: je dirai seulement que ses légendes, où tout est merveilleux, ne sont d’aucun secours pour l’histoire...Trithème assure qu’il [=Heriger] excellait à écrire en prose et en vers. J’ai observé que ses vers ne sont pas supportables...”[443]
Men moet dit citaat in feite tweemaal lezen, vooraleer men iedere subjectieve en manipulatieve suggestie heeft kunnen ontdekken. Hierbij kan enkel nog opgemerkt worden dat Heriger van Lobbes in zijn historische studie (Gesta episcoporum Tungrensium, Trajectensium et Leodiensium) van meer kritische zin getuigde dan dit vernietigende citaat.[444] Daarbij komt nog dat de hagiografie nu eenmaal aan Heriger verbood om als opdrachtschrijver klaar en duidelijk de historische feiten te beschrijven en weer te geven zoals ze feitelijk geweest waren.[445]
De problematiek van de ‘dubbele bodem’ uit zich m.a.w. zowel op vormelijk vlak (stijl) als op inhoudelijk gebied (historiciteit). De historiciteitswaarde in Herigers hagiografie wordt verderop bestudeerd, maar eerst wordt aandacht besteed aan het stilistische aspect.
A. Hagiografie en stijl bij Heriger
Men moet eerst en vooral inzien dat het stilistische karakter één van de belangrijkste aspecten vormde van Herigers hagiografische oeuvre, vermits de essentie voor Heriger erin bestond om voornamelijk de vorm aan te passen (literair motief in hagiografie) en niet zozeer de inhoud. Evenals Ratherius van Verona (†974) deed hij hiervoor voornamelijk een beroep op de profane laat-antieke auteurs, omdat hun gezwollen rhetorische stijl zeer goed diende voor deze stilistische herwerking.[446]
In zijn eerste werk, de Vita Ursmari (ca.967), heeft Heriger zich toegelegd op een zwaar aandoende gezwollen stijl. Het langste fragment dat bewaard is gebleven, bevat hiervan door zijn opsommende karakter enkele duidelijke illustraties:
“Confessore pio mortis gaudente triumpho,
Nec trepidante necem si provenisset atrocem.
Silvester, Martinus , Hilarius Ambrosius que,
Bricius atque Lupus , Sulpicius ac Anianus,
Germanus Parisiacus, Germanus et alter,
Istam per normam quoniam meruere coronam,
Fert Gothus, Ausonius, Gallus, Scytha, Noricus, Indus,
Hebraeus, Graecus, Romanus, Barbarus omnis.”[447]
(De vrome belijder verheugt zich over de triomf van de dood,
En als het zover is, heeft hij geen angst voor de wrede dood.
Elke Gothische, Ausonische[448], Gallische, Scythische, Norische[449], Indische[450],
Hebreeuwse, Griekse, Romeinse en barbaarse auteur verhaalt dat,
Silvester, Martinus, Hilarius en Ambrosius,
Bricius en Lupus, Sulpiciusen Anianus,
Een Germaan uit Parisium[451] en een andere Germaan,
volgens die maatstaf een eerbewijs verdiend hebben.)
Dit citaat bewijst ook dat Heriger ijverig aandacht heeft besteed aan de metriek van deze Vita Ursmari, zoals men o.m. kan lezen in het manuscript te Verdun:
“Vita s.Ursmari confessoris atque pontificis venerabilis Herigeri abbatis industria metro hexametro honorifice composita.”[452]
(Het leven van H.Ursmarus, belijder en eerbiedwaardige[453] bisschop, verdienstelijk in metrische hexameter gezet door de ijver van abt[454] Heriger.)
Heriger gebruikte in zijn Vita Ursmari immers voornamelijk de leonijnse hexameters, d.i. een zesvoetig vers waarbij de derde voet (cesuur) rijmt met de zesde voet (verseinde).[455] De metrische omzetting van de vroegere versie(s) in leonijnse hexameters getuigde toch wel van een gedegen artistieke beheersing.[456] Heriger vormde echter geen intellectuele uitzondering voor zijn tijd. De befaamde Vita Anskarii werd door een zekere Gualdos (†tiende eeuw) in metrische verzen omgezet[457] en ook de bekende dichteres Hrosvithavan Gandersheim (†ca.1000) maakte reeds gebruik van deze metriek.[458] In dit opzicht merkt J.-Y.Tilliette terecht op dat de tiende-eeuwse metriek in feite ‘klassieker’ was dan die van de twaalfde-eeuwse renaissance.[459]
Een ander goed voorbeeld van deze rhetorische stijl is de proloog van Herigers Vita Remacli, waardoor de H.Remacluspas werd geboren na ruim 600 van de in totaal 1018 verzen. Een derde relevant voorbeeld is zeker ook de lange afscheidsrede van de H.Remaclus.[460] Bij deze uitweidingen legde Heriger zich niet zozeer toe op het weergeven van anekdotische details, maar veeleer op diepgaande theologisch onderbouwde zinsconstructies, die uiteindelijk leidden tot een zeker formalisme.[461] Deze talrijke citaten werden echter geplaatst in een bijzonder uitgebalanceerd metrum.
Herigers Vita Landoaldi bevat met uitzondering van de proloog daarentegen helemaal geen gestoffeerde citaten of een uitgebalanceerde metriek. Dat de proloog stilistisch verschilt van de Vita zelf is zeker niet verwonderlijk, vermits hij grotendeels is gebaseerd op de proloog van de Vita Ursmari en de Vita Remacli. In tegenstelling tot deze Vitae echter werden de korte kapittels van de Vita Landoaldi in een eerder onverzorgde stijl en zonder enig rhetorisch bindmiddel achter elkaar geplaatst. Het (totale) gebrek aan schriftelijk bronnenmateriaal over Landoaldusen zijn gezellen veroorzaakte ook een stilistisch gebrek aan ontleningen met uitzondering van de proloog, die gebaseerd is op die van de Vita Remacli. Mede door de sterke discontinuïteit tussen de al te korte kapittels, kan de lezer zich daarom moeilijk van de indruk ontdoen dat deze Vita Landoaldi onder tijdsdruk is geschreven.[462] Ze is in ieder geval een heel stuk korter dan de Vita Remacli en bevat ook een veel zwakkere historische kern. Heriger is zich ook bewust geweest van dit probleem, vermits hij zich altijd distantieerde van de historische figuur Landoaldus (fama fert).[463] Hieruit kan men m.a.w. concluderen dat het historische bronnenmateriaal zeker zijn invloed heeft gehad op de stijl van een Vita.
In Herigers gehele hagiografische oeuvre is het tevens opvallend dat al deze ontleningen zeer onregelmatig verspreid zijn over het gehele werk. Vooral in de inleiding op zijn Vitae bood Heriger met talloze elkaar snel opvolgende citaten zijn erudiet visitekaartje aan. Deze ‘barokke’ rhetoriek kan ook vanuit een negatiever standpunt bekeken worden als het etaleren van een valse rijkdom, vermits het inderdaad een kunstmatige indruk geeft wanneer men a.h.w. een stortvloed van citaten zonder enige coherentie over zich heen krijgt. Bij concrete (levens)beschrijvingen echter maakte Heriger opvallend minder gebruik van ontleningen. Eén enkele uitzondering in dit verband is Herigers “eam Aquitaniam quidam volunt fere tertiam esse Galliarum partem”[464], ontleend aan één van de beroemdste zinnen uit Caesars De Bello Gallico. Of deze passages dan een grotere historiciteitswaarde inhouden, is echter een bijzonder delicate gevolgtrekking. Wel kan men stellen dat de stijl een duidelijke indicator kàn zijn om de hagiografische topoi van de historische kernen te onderscheiden.
B. Hagiografie en historiciteit bij Heriger
De onvermijdelijke spanning tussen historiciteit en fictie in Herigers hagiografische werken komt o.m. tot uiting in de belangrijke rol van de miracula. Men moet daarbij goed voor ogen houden dat in de middeleeuwse mentaliteit een bovennatuurlijk ingrijpen min of meer als ‘normaal’ werd beschouwd. De wonderen vóór en nà de dood van een heilige moeten daarom ook in deze optiek bestudeerd worden.
Nochtans hechtte een Karolingische hagiograaf relatief weinig belang aan miracula in functie van het toenmalige heiligheidsideaal. Vanaf ca.850 echter zal het aandeel van de heiligenwonderen toenemen evenals het belang van de reliekencultus. Dit vindt men ook terug in Herigers Vita Landoaldi, die eigenlijk geen aparte (persoonlijke) Vita vormt van een heilige, maar in feite slechts een pure compilatie is van translationes en miracula, iedere keer weer vergezeld van een luisterrijke stoet. Het belang van de reliekencultus kan tevens zeer duidelijk worden aangetoond door het enorme dispuut dat er is geweest tussen de St.-Baafsabdij en de St.-Pietersabdij te Gent.
Herigers Vita Landoaldi bevat talloze malen een ‘onjuiste weergave’ van de feiten. Er bestond voor Heriger echter weinig of geen bronnenmateriaal om de gegevens te toetsen aan de historische waarheid. Naast Sarabertus ’ verhaal was er enkel nog maar de legende over de H.Amandus(†ca.675) waarover hij als enige houvast kon beschikken.[465] Kortom: een meer dan driehonderd jaar oud kernverhaal vormde het enige alternatief voor Sarabertus’ mondelinge getuigenis. Daarbij komt nog het feit dat deze Vita in ongeveer drie maanden moest geschreven zijn, m.a.w. wegens tijdsgebrek had Heriger geen andere keuze dan zich te baseren op Sarabertus’ mondelinge getuigenis en de volkse legende. Het is om die redenen niet zo verwonderlijk meer dat Heriger verschillende historische onjuistheden noteerde. Dikwijls beperken deze fouten zich tot chronologische of prosopografische vergissingen, bijvoorbeeld wanneer Heriger verhaalde dat de H.Amandus (met Landoaldus als gezel) naar Rome trok.[466] Al bij al hoeft men aan deze vergissingen geen fundamentele consequenties te verbinden.
Soms echter moet men in de hagiografie wel op zijn hoede zijn voor bewuste misleiding en vertekening van de historische waarheid. Heriger behandelde bijvoorbeeld op een bepaald moment de sedisvacatio in het midden van de zevende eeuw. Historisch weet men dat de kersverse paus MartinusI (649-655) op het einde van het jaar 649 een brief schreef waarin hij het vrijwillige ‘ontslag’ van de H.Amandusweigerde.[467] Amandus trokt daarop naar Rome (650), waar zijn ontslag uiteindelijk wel werd aanvaard. Nog in datzelfde jaar werd de H.Remaclusaangesteld tot de nieuwe bisschop van Maastricht (650-ca.661)
Heriger daarentegen beweerde dat de bisschopszetel na het aftreden van de H.Amanduswerd bezet door Landoaldus Koning Sigibert III van Austrasië (639-656) duidde immers niet onmiddellijk de H.Remaclusaan als opvolger van H.Amandus. Heriger nam deze gegevens niet voor eigen rekening, maar schreef dat zijn informatie berustte op een hardnekkige mondelinge traditie. Aangezien dit de enige bron was waarover Heriger m.b.t. die bepaalde periode (ca.650) kon beschikken was deze orale traditie nog geloofwaardiger geworden. Dit is een typisch voorbeeld van Herigers omgang met de mondelinge overlevering. Heriger wist immers dat alles wat hij opschreef over Landoaldus, in geen enkele geschreven bron werd bevestigd. Nochtans kende hij deze bronnen zeer goed, vermits hij op dat moment druk bezig was met het vervaardigen van zijn Gesta episcoporum Tungrensium, Trajectensium et Leodiensium, waarin hij geen enkele allusie maakte op Landoaldus als tijdelijke bisschop van Maastricht. Meer nog, hij schreef letterlijk over de periode nà de vrijwillige afstand van de H.Amandus (649-650):
“De caetero brevitate studemus, quia aliorum scribendis gestis pontificum nos reservamus.”[468]
(Aan het volgende zullen wij maar een korte studie wijden, omdat wij [dit slechts] hebben overgehouden voor het schrijven over de daden van andere bisschoppen.)
In zijn Vita Landoaldi zou Heriger echter veel uitgebreider verslag uitbrengen, vermits de opdracht van Womarhem er a.h.w. toe verplichtte. Dit voorbeeld toont heel duidelijk aan dat Heriger bij zijn hagiografische geschriften wel degelijk met heel andere maatstaven werkte dan bij zijn Gesta episcoporum Tungrensium, Trajectensium et Leodiensium.
Moet men Heriger om die reden gaan beschouwen als een bewuste bedrieger? Neen, deze aantijgingen van bedrog en leugen zijn voor de hagiografie een te zware beschuldiging. Het is namelijk zo dat in de hagiografie het doel de middelen heiligde. Deze doelbewuste gedachtengang deed de auteur ook wel eens over de schreef gaan en de Vita Landoaldi is daar een zeer duidelijk voorbeeld van.
Toch is het niet onmogelijk dat Herigers voor zijn Vita Landoaldi kritiek heeft gekregen omwille van de (bewust) fictieve en onhistorische inhoud. Een mogelijke allusie op deze kritiek sprak Heriger uit toen men hem in 990 -m.a.w. 10 jaar na het opstellen van deze Vita Landoaldi- het abbatiaat aanbood:
“...quodlibet sit opus in publico, bona tamen intentio maneat in occulto.”[469]
(...wat het eindresultaat van een inspanning ook moge zijn, ze is publiekelijk bekend; de goede bedoeling echter blijft verborgen.)
Men kan in dit verband de Vita Landoaldi afdoen als een “gewoon trucje der hagiografen (...) volkomen waardeloos (...) totaal legendarisch”.[470] Indien men echter ook de hagiografisch-teleologische context in acht neemt, kan men de Vita Landoaldi op een correcte manier waarderen en (h)erkennen als een modelvoorbeeld van de tiende-eeuwse hagiografie in se.
Heriger maakte ook gebruik van zijn eigen (vroegere) geschriften. Zeker in het hagiografische deel van zijn oeuvre kan men -met uitzondering van de naam van de heilige- talloze gelijkluidende passages aantreffen. Deze interne compilaties wijzen op een duidelijke aanwezigheid van formele éénduidigheid, m.a.w. stereotiepe schemata. Aangezien ook Heriger hiervan zeker gebruik maakte, mag men hem rustig beschouwen als een modelvoorbeeld voor de tiende-eeuwse hagiografie.
In deze tweede paragraaf wordt de figuur van Heriger als historicus behandeld en bestudeerd. Hierbij dient direct aangestipt te worden dat een anachronistische vergelijking met de huidige historicus niet relevant is. Heriger was namelijk voor zijn bisdomkroniek in een te grote mate afhankelijk van hagiografische bronnen om hem in dit opzicht als een objectieve historiograaf te kunnen omschrijven.
In een eerste punt wordt Herigers historische methode toegelicht, waarbij zowel zijn compilatorische activiteiten als zijn originele bijdragen worden bestudeerd. Herigers chronologische berekeningen krijgen een aparte vermelding, vermits die tot nu toe nog in geen enkele studie voldoende diepgaand werden bestudeerd.[471] Een aspect dat vervolgens behandeld wordt, is een moeilijk thema, nl. Herigers kritische zin. Tenslotte zal ook het historische belang van zijn oeuvre uiteengezet worden.[472]
I. Herigers historische methode
A. Herigers methode als compilator
Eerst en vooral kan hier worden gesteld dat Heriger van Lobbes volledig in de compilatorische traditie was ingekapseld. Herigers compilatorische procedure bestond erin om lange letterlijke passages over één bepaald onderwerp bijeen te zoeken, aaneen te ‘breien’ en -indien nodig- op te fleuren met een eigen rhetoriek. Dit alles rondde hij af met een eigen origineel slothoofdstuk bij wijze van besluit.
Een interessante reconstructie van Herigers compilatorische methode vindt men bij R.G.Babcock: “While writing the prologue to the Vita Remacli, Heriger apparently recalled the prologue to the Boethian work form his earlier reading and decided to use it as a model for his own dedication; he thus opened his manuscript of the ‘In Topica Ciceronis’ and copied the opening words into his prologue...While turning the pages of his manuscript, he apparently chanced upon the passage from the beginning of the ‘Peri Hermeneias’ -which was bound together with his ‘In Topica Ciceronis’- and quoted from it, too.”[473]
Een belangrijk gegeven uit dit fragment is de niet onbelangrijke toevalsfactor. Het feit dat pseudo-Apuleius’ Peri Hermeneias en Boëthius ’ In Topica Cicironis samen in eenzelfde manuscript waren gebonden, bepaalde dus in belangrijke mate Herigers ontleningsprocedure. Een interessante vraag in dit opzicht luidt dan in hoeverre Heriger de diepere geestesinhoud van zijn ontleningen heeft beseft.[474] Dit citaat van R.G.Babcock doet immers geen grondige studie van iedere ontlening vermoeden.
Dat Heriger inderdaad zijn bronnen soms op een formele manier benaderde, wordt met het volgende voorbeeld duidelijk bevestigd. In de Vita Ursmari wou Heriger een epische prelude creëren op een droom waarin de geboorte van Ursmarus profetisch wordt aangekondigd aan zijn moeder.[475] Hij ontleende hiervoor o.a. aan het werk van Claudius Claudianus(In Rufinum) waarin een droom aan Rufinus de uitkomst van een gevecht voorspelde. Rufinus hoorde immers dat hij na het gevecht hoogverheven zou worden door de handen van de massa. Rufinus interpreteerde deze droom verkeerdelijk door te denken dat hij zou overwinnen, maar feitelijk werd hij onthoofd en op een speer gespietst...
Toch ontleende Heriger aan deze passage om Ursmarus ’ toekomstige roem aan te duiden, wat doet vermoeden dat Heriger dit fragment niet volledig heeft gelezen of verkeerd heeft begrepen. Deze ontlening is immers ‘misplaatst’ tussen de andere veel begrijpelijkere allusies op de geboorte van de H.Ursmarus.[476] Aan de hand van dit voorbeeld mag men echter niet stellen dat deze formele omgang met de bronnen een algemeen kenmerk is van Herigers oeuvre. In zijn Epistola ad Hugonem wist Heriger immers precies wat en -nog belangrijker- waarom hij ontleende aan die bepaalde bron.[477] De verklaring voor dit verschil ligt in de finaliteit van beide werken. De Vita Ursmari enerzijds werd geschreven tot lof en eer van de H.Ursmarus, waarbij niet zozeer de inhoud, maar veeleer de stijl van belang was; anderzijds gaf Heriger in zijn Epistola ad Hugonem veeleer een zeer didactisch uitgewerkte redenering, waarbij vanzelfsprekend de inhoud primeerde op de eerder sobere stijl. Kortom, in zijn hagiografische werken (vóór 990) was Herigers positie als auteur veel minder belangrijk dan het resultaat van zijn inspanning, nl. de Vita. In zijn latere werken (na 990) profileerde Heriger zich echter veel meer als een creatieve auteur, die aan de hand van de toenmalig beschikbare bronnen een eigen inhoudelijke mening op schrift stelde.
Herigers Vita Remacli kan -nog meer dan zijnVita Ursmari- beschouwd worden als één compilatie van literaire uitweidingen en redevoeringen uitgesproken door de H.Remaclus Heriger ontleende voor zijn proloog o.m. aan pseudo-Apuleius (Peri Hermeneias), Boëthius (De consolatione philosophiae, In topica Ciceronis), Cicero (Tusculanae disputationes), Claudianus(De Bello Gothico), Dracontius (Laudes Dei), Horatius (Epistolae), Terentius (Adelphoe) en zelfs Johannes Scotus Eriugena(De divisione naturae).[478] Het is een zeer opvallende vaststelling dat vele van deze auteurs zeer goed Grieks kenden. Meer nog, vijf ervan (nl. Cicero, Terentius, pseudo-Apuleius, Boëthius en Eriugena) hadden zichzelf tot taak gesteld om een aantal Griekse werken toegankelijk te maken voor de Latijnse cultuur. Cicero besteedde in dit opzicht veel aandacht aan de Griekse filosofie en moraal, Terentius aan de Attische komedie, pseudo-Apuleius aan de Griekse dialectica, Boëthius aan de logische werken van Aristotelesen Eriugena tenslotte aan pseudo-Dionysius de Areopagiet. Men kan m.b.t. Heriger van Lobbes (voorlopig) enkel vaststellen dat hij aan al deze auteurs ontleende. Het is in dit verband zeker een bijzonder interessant gegeven om in een nieuwe studie de algemene impact van de Griekse taal, filosofie en wetenschap in het tiende-eeuwse Luik van naderbij te onderzoeken.
De proloog van Herigers Vita Landoaldi is eigenlijk niets meer of minder dan een ingekorte versie van de proloog van zijn Vita Remacli. Er is echter één opvallend zinnetje in de proloog van Herigers Vita Landoaldi, dat men niet in zijn andere Vitae terugvindt. Het citaat is ontleend aan een filosofisch traktaat van ene Caecilius Balbus(De nugis philosophorum) en luidt als volgt:
“...celeritas quae iuxta Socratem beneficium gratius facit...”[479]
(...snelheid, die bij Socrates de goede daad nog meer aanzien geeft...)
De proloog van de Vita Remacli heeft trouwens niet alleen model gestaan voor de inleiding van Herigers Vita Landoaldi, maar ook voor zijn Gesta episcoporum Tungrensium, Trajectensium et Leodiensium en de anoniem geschreven Vita Hadelini. Daarin komt de voorbeeldwaarde van Herigers Vita Remacli immers zeer expliciet tot uiting:
“...in eius [=Remacli] vitae libro quicunque velit poterit reperire.”[480]
(...in het boek van deze Vita zou men wat en wie dan ook kunnen terugvinden.)
Deze sterke parallellen en onderlinge afhankelijkheden wijzen er duidelijk op dat er wel degelijk een eigen hagiografische identiteit bestond, a.h.w. een algemeen formulier waarop ten gepaste tijde de concrete gegevens werden ingevuld van een bepaalde heilige. Indien mogelijk werd er nog concreet bronnenmateriaal bijgevoegd. Al deze gegevens verklaren de zeer typisch compilatorische mentaliteit van Heriger in het bijzonder en tevens die van de middeleeuwen in het algemeen.
Behalve deze proloog is ook Herigers voorlaatste kapittel van de Vita Remacli een typisch voorbeeld van zijn compilatorische methode. In die passage maant de H.Remaclus zijn gezellen vanop zijn sterfbed aan tot christelijke deugdzaamheid. Hij gebruikt hierbij een hele reeks citaten, die zonder overgang elkaar opvolgen. waarbij proza wordt vermengd met poëzie en teksten van Cicero , Sallustius en Plinius Maior worden naast dichtregels van vooral Horatius , maar ook van Terentius, Tibullus en Vergilius geplaatst.[481] Sommige van deze overgangen tussen proza en poëzie zijn naar onze maatstaven eerder bruusk, maar ook dit behoort tot de eigenheid van de compilatorische methode in de tiende eeuw.
Naast de stilistische verrijking van de oudere Vita hebben deze citaten echter ook een opvallend moraliserende inhoud. Hierdoor werd Remaclusdoor Heriger niet alleen getypeerd als een heilige, maar ook als een wijze geleerde die zeer goed de antieke literatuur kende en beheerste. Het is beslist niet onmogelijk dat hij hiermee het ideaal van de onderwijzende tiende-eeuwse bisschop probeerde weer te geven, waaraan Everaclus(†971) en Notgervan Luik (†1008) zeker voldeden. Door dit ideaal te projecteren op de H.Remaclus kon Heriger deze taak van de bisschop historisch meer verantwoorden.[482]
In Herigers hoofdwerk, de Gesta episcoporum Tungrensium, Trajectensium et Leodiensium, zijn het grootste aantal ontleningen afkomstig uit de Bijbel. Heriger gebruikte hierbij vooral het Nieuwe Testament met als voorkeur de brieven van Paulus.[483] Herigers kennis van de Bijbel is trouwens verbazingwekkend groot. Hij vervlocht talloze bijbelcitaten in zijn werk en speelde er a.h.w. mee. Daarnaast richtte Heriger zich voornamelijk tot bekende en minder bekende klassieke en laatantieke auteurs, kerkvaders en reeds bestaande heiligenlevens.
Heriger verwees bij zijn ontleningen soms expliciet naar deze auteurs, bijvoorbeeld wanneer hij schreef:
“Fecerant hoc idem iamdudum...Hildvinus abbas in passione s.Dionysii, Hincmarus archiepiscopus in vita s.Remigii et alii quam plurimi...”[484]
(Hadden ditzelfde reeds vroeger gedaan...abt Hilduinus[485] in zijn Passio s.Dionysii, aartsbisschop Hincmar [486] in zijn Vita Remigii en talloze anderen...)
Ook elders beschreef Heriger nauwkeurig zijn ontleningsbronnen:
“Cuius Plinius Secundus...in naturali historia, libro scilicet de naturis aquarum, mentionem facit in haec verba...”[487]
(En daarvan [=stad Tongeren] maakte Plinius Secundus [Maior] melding in zijn Historia naturalis, nl. het boek over de natuur van de wateren, in volgende bewoordingen...)
Of nog:
“Et Iheronimus ad Geruntiam scribens epistolam super mundi contemptum...cuius haec sunt verba...”[488]
(En Hieronymusschreef in zijn brief aan Ageruchias over de verachting van de wereld...van hem [=Hieronymus] zijn volgende woorden...)
De meerderheid van Herigers ontleningen zijn evenwel impliciet. Dit aspect is reeds dikwijls bestudeerd en zo komt men tot een indrukwekkende lijst van Vitae, wereldkronieken, traktaten, etc.[489] Zoals reeds hogerop vermeld, ontleende Heriger niet weinig aan de Vitae van de heiligen Eucharius, Valeriusen Maternusen tevens aan de beroemde Vita Karoli Magni van Einhard (†840). Dit was echter nog lang niet alles. Naast de Passiones van de H.Petrus en de H.Paulus, geschreven door paus Marcellus I (308-309), kan men tevens ontleningen ontdekken aan de heiligenlevens van o.a. Amandus, Bavo, Chlodulfus, Dionysius, Lambertus , Lupusvan Troyes, Remigius , Servatius [490], Theodulfus, Trudo, etc. Tenslotte voegde Heriger hierbij de integrale Vita Remacli.
In het vierde kapittel wordt impliciet gebruikt gemaakt van de beroemde kroniek geschreven door Eusebiusen Hieronymus Eusebius van Caesarea (†ca.340) was een man met een grote geleerdheid; hij schreef echter vanuit een sterk apologetisch en geschiedtheologisch perspectief, vermits hij via de joodse voorgeschiedenis de hoge oudheid van het christendom wou aantonen. Hij baseerde zich evenwel steeds op vaststaande feiten. De kroniek zelf werd overgeleverd, vertaald en aangevuld tot het jaar 381 door Hieronymus van Strido (†420). Deze eerste Latijnse wereldkroniek bleef de hele middeleeuwen door bijzonder veel gelezen. Heriger kon ook beschikken over Eusebius’ Historia ecclesiastica, die hem was overgeleverd in een vertaling van Rufinus van Aquileia (†411)[491] Een ander beroemd en door Heriger gebruikt werk is het vervolg van deze kroniek, nl. de Chronica van SulpiciusSeverus(†420). Als vader van de hagiografie (Vita sancti Martini) heeft Sulpicius Severus dit werk geschreven met als opzet de profane geschiedenis in de christelijke te integreren. Een zeer bekende en door Heriger veelgelezen auteur is ongetwijfeld BedaVenerabilis (†735). Naast de Martyrologia kon Heriger ook beschikken over diens Chronicon de sex aetatibus mundi, een werk met sterke chronologische inslag en gebaseerd op betrouwbare getuigenissen en antieke auteurs. Een bijkomende opmerking in dit verband is de vaststelling dat Heriger in zijn Gesta en zijn Vita Landoaldi tevens ontleende aan een filosofisch traktaat van ene Caecilius Balbus(De nugis philosophorum). Dit maakt Lobbes immers tot het enige middeleeuwse intellectuele centrum, dat over deze tekst beschikte vóór de elfde eeuw.[492]
Ook de geschiedenis van de volkeren interesseerde Heriger in voldoende mate om eraan te ontlenen. Hierbij behoorde ook het werk van de zesde-eeuwse Gothische geschiedschrijver Jordanes (De origine actibusque Getarum). Jordanes steunde hierbij zelf op Orosius’ Quattuor libri historiarum adversus paganos en op de Historia byzantina van een zekere Priscus historicus, maar ook op minder betrouwbare mondelinge Gothische bronnen -de zgn. ‘carmina’ en ’fabulae’- met als doel de Gothische aanwezigheid in het vroegere Romeinse Rijk te legitimeren. Daarnaast was er ook nog de Gesta regum Francorum, opgesteld tussen 726-737 en rond 1600 toegewezen aan een pseudo-Fredegarius.[493] Dit werk is gebaseerd op het meer bekende Liber historiae Francorum van Gregorius van Tours(†594), maar de auteur voegde er een eigen Trojaanse afstammingsgeschiedenis aan toe als legitimatie voor het Frankische huis, de rechtmatige opvolgers van de laatste Romeinse keizer.
M.b.t. zijn Epistola ad Hugonem beschikte Heriger over een aantal belangrijke chronologische traktaten van BedaVenerabilis. In de catalogus wordt immers niet alleen melding gemaakt van diens De temporibus en De temporum ratione, maar ook van zijn Epistola de aequinoctio, die door F. Dolbeau geïdentificeerd werd met de Epistola de paschae celebratione.[494] Hogerop is reeds gewezen op Herigers nauwkeurige kennis van de chronologische gegevens m.b.t. de vroegste jaren van het christendom. Die informatie kan hij ofwel zelf hebben berekend, ofwel heeft hij ze teruggevonden in de rijke abdijbibliotheek. Dit laatste is zeker niet onmogelijk vermits er in de catalogus tevens sprake is van “Paginae diversorum de compoto [sic!]”, waarbij pagina hier de betekenis heeft van een tijdstabel.[495] Het is vermoedelijk via deze tijdstabel dat Heriger over de berekeningen van Dionysius Exiguuskon beschikken, vermits deze nergens expliciet vermeld worden in de catalogus. Kortom: in de abdijbibliotheek te Lobbes had Heriger vooral op basis van Beda’s traktaten ruimschoots de gelegenheid om de vroeg-middeleeuwse chronologie te bestuderen.
Een ander mooi voorbeeld van Herigers compilatorische activiteiten vindt men in zijn Dicta de corpore et sanguine Domini. Ook hier krijgt men na enig onderzoek een uitgebreide lijst met als meest belangrijke auteurs o.m. Ambrosiusvan Milaan (†397; De sacramentis), Augustinusvan Hippo (†430; De corpore et sanguine Domini), Hilarius van Poitiers(†386; De trinitate) en natuurlijk ook Paschasius Radbertus(†ca.860; De corpore et sanguine Domini).[496]
Heriger van Lobbes kan op basis van zijn geschriften beschouwd worden als een belangrijke compilator. Er is hogerop reeds gewezen op de grote diversiteit aan ontleende auteurs bij Heriger van Lobbes en zijn opmerkelijke interesse voor Laatromeinse dichters uit de tweede eeuw na Christus, onder wie Claudius Claudianus, Marcus Valerius Martialis, Decimus Junius Juvenalis, etc.[497] Deze interesse is voor de tiende eeuw zeer zeldzaam of zelfs uniek te noemen.[498]
Als besluit kan men eerst en vooral vaststellen dat Heriger als scholaster (vóór 990) -en met hem de middeleeuwse compilatorische activiteit in het algemeen- de kwantiteit (hoe meer citaten van auctoritates, hoe meer waarheid) verhief boven de kwaliteit (eigen originele studie over het desbetreffende probleem). Deze vormelijke benadering, geïllustreerd door de reconstructie van R.G.Babcock, duidt op het feit dat Heriger niet alle citaten even grondig en subtiel begreep. Hierbij komt nog dat het aantal ontleningen zich vooral toespitste op de proloog en het einde van een Vita, waarmee aangetoond wordt dat Heriger zich voornamelijk op die passages geconcentreerd heeft bij het stilistisch verfraaiien van een Vita. Het lag m.a.w. helemaal niet in zijn bedoeling om enige continuïteit in deze citaten of in de tekst in het algemeen te leggen. Dit doet op zich geen afbreuk aan zijn eruditie, maar geeft zijn kennis wel een formeel en kwantitatief accent. Voor de periode van Herigers abbatiaat (na 990) zal echter aangetoond worden dat zijn kennis wel degelijk een niet te onderschatten kwalitatieve waarde inhield.[499] Men moet m.a.w. zijn scholasterperiode en zijn abbatiale periode niet zozeer scheiden, als wel onderscheiden.
Bij nader onderzoek blijkt ook duidelijk dat Heriger elke fundamentele stap naar de toenmalige tiende-eeuwse filosofie en theologie kende en er tevens actief aan ontleende. Men weet immers met zekerheid dat Heriger van Lobbes (in)direct ontleend heeft aan de volgende belangrijke auteurs:
|
Plato(†347v.C.) |
wiens belang moeilijk overschat kan worden. Men heeft zelfs gesteld dat men de gehele Westerse filosofie als een verzameling voetnoten bij zijn werk kan opvatten.[500] |
|
Aristoteles(†322v.C.) |
de meest invloedrijke filosoof die de geschiedenis heeft voortgebracht en wiens logica meer dan 2000 jaar het wijsgerige denken zou beheersen. |
|
Cicero(†43v.C.) |
de grote redenaar, die de schakel vormde tussen de Griekse filosofie en de Romeinse wereld en zich daardoor manifesteerde als de morele mentor van alle Romeinen. |
|
Horatius(† 8v.C.) |
één van de grootste Romeinse dichters, die zich tevens grondig in de Griekse cultuur heeft verdiept en deze invloed ook in zijn werken tot uiting deed komen. |
|
Augustinus(†430) |
die met zijn leven en denken zorgde voor de overgang van de klassieke oudheid naar de middeleeuwen. Hij zag immers in het Christendom de voltooiing van de gehele antieke filosofie en wetenschap. |
|
Boëthius(†524) |
ook wel de laatste Romein genoemd, omdat hij in zijn De consolatione philosophiae vertroosting zocht bij de antieke Griekse filosofie. Zijn grote doelstelling om het gehele aristotelische oeuvre in het Latijn te vertalen werd door zijn vroegtijdige dood echter teniet gedaan. |
|
Beda(†735) |
de laatste kerkvader van het Westen. Door zijn kennis van het Grieks kon hij eerstehands steunen op het werk van sommige Griekse kerkvaders. Samen met Dionysius Exiguus(†vóór 550) vormde hij de basis voor de middeleeuwse computistiek. |
|
Eriugena (†877) |
een origineel denker die met zijn De divisione naturae het christelijk herdacht neoplatonisme van de Griekse kerkvaders vertaalde en zo toegankelijk heeft gemaakt voor het Latijnse Westen. |
Deze hoogst onvolledige opsomming geeft aan dat Heriger van Lobbes de voor zijn tijd zeldzame mogelijkheid bezat om de beschouwingen van deze voornoemde auteurs te kennen. Het is daarbij een opvallend gemeenschappelijk kenmerk dat ze allemaal een (zeer) goede kennis hadden van de Griekse taal en cultuur. Hieruit kan men afleiden dat Heriger van Lobbes voor zijn tijd zo goed mogelijk op de hoogte was van de antieke Griekse filo