| Heriger van Lobbes (°ca.942-†1007): een laat-karolinger of een vroeg-scholasticus? Een historisch onderzoek naar de religieus-culturele wereld van Luik en Lobbes in de late tiende eeuw (Peter Verbist) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Dit overzicht van Herigers oeuvre is een noodzakelijke basis voor het volgende hoofdstuk; het dient m.a.w. vooral als context, waarnaar men altijd kan teruggrijpen. De eerste paragraaf behandelt over het algemeen de meer technische vragen (auteurschap, datering, specifieke inhoud, etc.), die het bestudeerde werk zo typisch maken. Daarnaast worden er in een aparte paragraaf ook een viertal werken besproken die onterecht aan Heriger werden toegeschreven.
I. Algemene verzamelwerken
A. Excerpta proverbiorum de libris poeticis
Deze verlorengegane bloemlezing werd door R.G. Babcock onlangs toegewezen aan Heriger van Lobbes[220] en staat ook in de zestiende-eeuwse catalogus vermeld.[221] Het betreft hier m.a.w. een werk dat citaten (i.c. spreuken) bevat uit verschillende dichtboeken en toegeschreven wordt aan Heriger.
R.G. Babcock is immers tot de interessante conclusie gekomen dat er te Lobbes in de late tiende eeuw een originele bloemlezing van Latijnse dichters is gemaakt met naast Horatius ook veel aandacht voor Claudianus , Martialis , e.a.[222] In deze studie heeft hij tevens op basis van een gegronde ontleningskritiek duidelijk aangetoond dat deze Excerpta proverbiorum de libris poeticis de basis hebben gevormd voor een andere bloemlezing, nl. het elfde-eeuwse Florilegium Frisingense.[223] Zijn belangrijkste conclusie in dit verband is echter het feit dat hij de Excerpta proverbiorum de libris poeticis toeschrijft aan Heriger van Lobbes zelf, vermits de ontleningen in de Vita Remacli zeer vaak overeenstemmen met de citaten uit de Excerpta.[224] Met deze gegevens kan men het ontstaan van de Excerpta proverbiorum de libris poeticis dateren vóór ca.972, d.i. de ontstaansdatum van de Vita Remacli.
Kortom, Herigers Excerpta proverbiorum de libris poeticis fungeerde als voorbereiding op zijn hagiografische (Vita Remacli, Vita Landoaldi) en zijn historische werken (Gesta episcoporum Tungrensium, Trajectensium et Leodiensium).[225] Dit compilatorische werkje geeft daarom een zeer duidelijk en relevant voorbeeld van Herigers methode in het algemeen.[226] Als jonge scholaster verzamelde hij m.a.w. passende citaten van enkele antieke auteurs, waarmee hij zijn hagiografische oeuvre stilistisch kon verrijken.[227] Het voorbereidende en onpersoonlijke karakter heeft er tevens toe bijgedragen dat Herigers Excerpta niet vermeld werden in de Gesta abbatum Lobiensium continuata. Het heeft m.a.w. een heel eigen identiteit t.o.v. Herigers andere werken en zeker t.o.v. respectievelijk zijn Vitae en zijn Gesta.
B. Augustini sermonum liber
Een delicate toeschrijving aan Heriger van Lobbes betreft een uitgave van enkele van Augustinussermoenen. Deze toeschrijving is voornamelijk gebaseerd op de bibliotheekscatalogus, waar geschreven staat: “Eiusdem [=Augustini] sermonum librum qui dicitur liber Herigeri”.[228] De grote moeilijkheid situeert zich m.a.w. in het correct interpreteren van dit liber Herigeri. In zijn commentaar op deze catalogus suggereert F.Dolbeau dat het waarschijnlijk zou gaan om een schenking van Heriger aan de bibliotheek van Lobbes, m.a.w. dat Heriger dit manuscript niet zelf had opgesteld.[229] Deze schenkingstheorie lijkt inderdaad een aanvaardbare interpretatie te zijn, maar er zijn echter nog andere mogelijkheden.
Één daarvan is de hypothese dat Heriger zelf deze sermoenen van Augustinusheeft uitgegeven. Heriger heeft een aantal van Augustinus’ sermoenen uit een ander manuscript gekopieerd en ingebonden, zodat in de catalogus uiteindelijk een bundel vermeld wordt qui dicitur liber Herigeri. In zijn scholasterperiode leerde Heriger immers de rijkdom van deze bibliotheek kennen en men weet tevens dat hij aan minstens één van deze sermoenen ontleend heeft.[230] Anderzijds behandelde Heriger slechts éénzelfde auteur, i.t.t. zijn Excerpta. In ieder geval bestaat er een relatie tussen Heriger van Lobbes en Augustinus’ sermoenen, waarbij de toeschrijving aan Heriger een logischer verband aanduidt dan de schenkingstheorie van F.Dolbeau.
A. Vita tertia sancti Ursmari Lobbiensis metrica
UITGAVEN[231]
· J. Mabillon (ed.) in: Acta sanctorum ordinis sancti Benedicti, III/2 (1672) 608-611*
· J.-P. Migne (ed.) in: Patrologia latina, t.CXXXIX (1853) k.1125-1128*
· Henschenius, G. (ed.) en Papebrochius, D. (ed.) in: Acta sanctorum, Aprilis II (1866) 555*
· Pinius, J. (ed.) e.a. in: Acta sanctorum, Septembris I (1868) 669-696*
· M. Bouquet, (ed.) in: Recueil des historiens des Gaules et de la France, III (1869) 627-628*
· B. Krusch (ed.) en W. Levison (ed.) in: Passiones vitaeque sanctorum aevi merovingici. Monumenta Germaniae Historica. Scriptores rerum Merovingicarum, V (1910) 103-104*
· R. Köpke (ed.) in: Monumenta Germaniae Historica, Scriptores, VII (1968) 157-161*
· K. Strecker (ed.) in: Monumenta Germaniae Historica, Poetae latini medii aevi, V (1970) 178-208*
KORTE BESPREKING
De H.Ursmarus(†713) werd om hogergenoemde redenen wel eens de ‘tweede stichter’ van Lobbes genoemd. Zijn reële invloed als beschermheer van Lobbes is steeds groter geweest dan zijn voorganger, Landelinus(†ca.669). Dat er een Vita Ursmari door Heriger is geschreven, werd bevestigd door de continuator van de Gesta abbatum Lobiensium:
“Scripsit metrico stilo vitam sancti Ursmari...”[232]
(Hij [=Heriger] schreef in metrische verzen de Vita sancti Ursmari...)
Op het moment dat Heriger dit werk aanvatte, bestond er reeds een lange literaire traditie over deze populaire heilige. Erminus , abt van Lobbes (712-737) en opvolger van Ursmarus , had reeds een Vita Ursmari prima geschreven, maar deze was verloren gegaan. Op het einde van diezelfde achtste eeuw schreef Anso, eveneens abt van Lobbes (776-800), een Vita Ursmari secunda. Deze werd pas ca.150 jaar later (tussen 939-945) herwerkt door Ratherius van Verona (†974) in een Vita Ursmari tertia.
Heriger zelf maakte nauwelijks enkele decennia later gebruik van Ratherius’ werk door het heiligenverhaal in metrische verzen om te zetten en er een andere proloog aan toe te voegen. Hij probeerde hiermee het onderwerp een extra literaire glans mee te geven.[233]
De datering van de Vita tertia Ursmari metrica varieert van ca.965 (A.Dierkens[234]) tot vóór 980 (F.J.Worstbrock[235]), waarbij beide opties niet verkeerd zijn. Men moet Heriger op dit moment zien als een jonge ca.25-jarige intelligente monnik, die waarschijnlijk net tot scholaster van de abdij is aangesteld (ca.965). Van toen af ontplooide Heriger zijn literaire activiteiten en daarom kan dit werk gedateerd worden ca.967.[236] Men weet wel zeker dat het vóór de Gesta episcoporum Tungrensium, Trajectensium et Leodiensium (ca.980) is geschreven, vermits Heriger in c.XXI metrische passages uit zijn eigen Vita Ursmari inlaste.[237] Hierbij ontstaat de ietwat eigenaardige situatie dat Heriger naar zichzelf verwijst wanneer hij schreef:
“quidam metricanus non incongrue de eis deque hoc tempore sic ait...”[238]
(een metrisch auteur die het hierover en over deze tijd niet oneens was, zegt het als volgt...)
Dit fragment heeft sommige auteurs ertoe aangezet om het auteurschap veeleer aan Notgertoe te wijzen dan aan Heriger.[239] Deze bewering is echter foutief. Er is in de literatuur reeds diverse malen aangetoond dat dit een ontlening aan Herigers Vita Ursmari is, maar er is echter nog nooit de kritische vraag gesteld waarom er dan niet expliciet naar Heriger verwezen wordt, maar impliciet via een ‘quidam metricanus’.
Het is een plausibele verklaring wanneer men deze impliciete verwijzing beschouwt als een soort bescheidenheidsformule. Een bijkomend argument is het feit dat Heriger op het moment dat hij die Vita Ursmari schreef, nog ‘slechts’ een jonge scholaster was. Bovendien werd in de monastieke wereld het collectieve resultaat (i.c. het werk zelf) veel belangrijker geacht dan de persoonlijke tint (i.c. de auteur) die eraan verbonden was. Vanuit dit perspectief is het reeds meer begrijpelijk waarom Heriger hier niet zichzelf bij naam noemde.
Een andere mogelijke verklaring zou kunnen luiden dat Heriger van Lobbes die bewuste passage uit de Vita Ursmari en de Gesta episcoporum Tungrensium, Trajectensium et Leodiensium effectief ontleend heeft aan een andere metrische auteur, naar wie hij dan ook verwees. Dit lijkt echter veel minder waarschijnlijk, vermits alle sporen zich naar Heriger zelf richten. Er bestaat tevens geen enkele aanwijzing om deze hypothese verder te kunnen handhaven. Er ontbreekt evenwel een recente kritische uitgave om hierover volledig uitsluitsel te brengen.
De Vita tertia Ursmari metrica bevat in totaal 1018 verzen in twee ongelijke boeken (798 en 220). De inhoud is echter via enkele fragmenten overgeleverd en uit één daarvan blijkt dat Heriger met de Schepping van de wereld is begonnen. Een belangrijke vaststelling in dit verband is het feit dat Folcuinus zijn Gesta abbatum Lobiensium, die slechts iets later (ca.968-971) is aangevat dan Herigers Vita Ursmari (ca.967), eveneens deed beginnen bij de Schepping van de wereld.[240]
Vervolgens behandelde Heriger in het langste gedeelte dat bewaard is gebleven (154 verzen), de christianisering van Gallië waarin hij tevens de stichting van Lobbes vermeldde.[241] In dit opzicht werd de figuur van Landelinuszeer neutraal behandeld en vervolgens schreef Heriger in veel meer positieve bewoordingen over de H.Ursmarus , de ‘tweede stichter’ van de abdij. In tegenstelling tot Ansovan Lobbes (Vita Ursmari prima) maakte Heriger wel expliciet melding van Ursmarus’ adellijke afkomst:
“...Ursmarus sanctus meritis et honore coruscus, nobilitate cluens, morum probitate nitescens.”[242]
(...de heilige Ursmarus, schitterend door zijn verdiensten en zijn eergevoel, afkomstig uit een adellijk geslacht en uitblinkend door zijn zedelijke rechtschapenheid.)
Deze Vita Ursmari metrica zou een niet onbelangrijke bron blijken te zijn, vermits ze ook gebruikt werd door de toenmalige abt Folcuinusin zijn Gesta abbatum Lobiensium en door Heriger zelf in zijn Gesta episcoporum Tungrensium, Trajectensium et Leodiensium. Het is begrijpelijk dat Heriger zich voor zijn eerste werk inhoudelijk gebaseerd heeft op een reeds bestaande Vita, die hij in metrische verzen stileerde. Als metriek gebruikte Heriger hiervoor de leonijnse hexameters. Het is echter wel zo dat het gebruik van de leonijnse hexameter reeds een grondige inwijding vereiste in o.a. de poëzie en de grammatica. Men mag dus aannemen dat Heriger die techniek reeds van kindsaf en waarschijnlijk reeds tijdens zijn eerste studies in de kathedraalschool van Luik, had aangeleerd.
B. Vita secunda sancti Remacli Stabulensis
UITGAVEN
· L. Surius (ed.) in: De probatis sanctorum historiis, V (1574) 17-29
· A. Duchésne (ed.) in: Historiae Francorum scriptores coetani, I (1639) 642-644*
· J.-P.Migne (ed.) in: Patrologia latina, t.CXXXIX (1853) k.1149-1168
· M. Bouquet (ed.) in: Recueil des historiens des Gaules et de la France, III (1869) 544*
KORTE BESPREKING
De H.Remaclus(†ca.671) was geen abt van Lobbes, maar wel bisschop van Maastricht tijdens de vroegste geschiedenis van Lobbes. Hij kan dus -in theorie- de H.Landelinusen de meer populaire H.Ursmarus gekend hebben. Op het einde van zijn leven trok hij zich als asceet terug in het klooster te Stavelot.
Waarom is Heriger aan deze Vita Remacli begonnen? Het antwoord leest men in de proloog waaruit duidelijk blijkt dat de nog jonge abt van Stavelot, Werinfridus (954-980), het werk besteld had bij Notger van Luik.[243] Notger voorzag weliswaar Herigers proloog met een opdracht aan diezelfde Werinfridus, maar de feitelijke tekst is hoogstwaarschijnlijk door Heriger geschreven.[244] Notger schreef deze opdracht in de eerste persoon enkelvoud, wat de schijnbare (en verkeerde) indruk geeft dat hijzelf de hele Vita Remacli had geschreven:
“Igitus adorsus sum et...ei muneri libenter acquievi.”[245]
(En heb ik dit dus ondernomen en gaarne deze vriendendienst aangenomen.)
Even verderop in de proloog vindt men het eigenlijke motief van Werinfridus’ aanvraag tot Notger van Luik:
“Simulque visus es...exhortari, ut eam non modo exemplari verum aliquanto lepidius mandarem poliri.”[246]
(En tegelijkertijd leek je er op aan te dringen dat ik [=Notger] haar [=Vita Remacli] niet zozeer op basis van het [negende-eeuwse] manuscript zou optekenen, maar eerder ‘een beetje vrijer’ gefraseerd zou stileren.)
Ook hier gaat het dus om een literaire omwerking van een oudere Vita Remacli prima, die dateert uit het tweede kwart van de negende eeuw. Zeer typisch voor deze stilistische uitwerking is het gegeven dat Heriger het oorspronkelijke afscheidswoord van de H.Remaclus(vale dicens) vervangen heeft door een lange afscheidsrede, doorspekt met talloze citaten van antieke auteurs.[247] Nieuw echter t.o.v. van de Vita Ursmari is dan weer het feit dat Heriger geacht werd om in dit geval ook een inhoudelijke historisch-feitelijke omwerking aan te vatten.[248]
“...obtulisti libellum de vita tam nostri quam vestri specialis patroni domini scilicet Remacli, conquestus propter incuriam tamen praedecessorum vestrorum brevius quam ut res postularet pro magnitudine gestorum eius esse eruditam.”[249]
(...U [=Werinfridus] heeft ons het werkje gegeven over het leven van zowel onze [=Luik] als uw [=Stavelot] beschermheilige, met name Remaclus, omdat u het feit beklaagde dat wegens de argeloosheid van uw voorgangers de kennis van zijn [=Remaclus] daden in verhouding tot de grootsheid ervan, beknopter was dan dat ‘de zaak’ vereiste.)
Ten opzichte van de meer sobere anonieme negende-eeuwse Vita voegde Heriger er tevens een proloog aan toe, bracht enkele stilistische en inhoudelijke correcties aan en herwerkte deze gegevens tot een rijmproza. Zeer intrigerend hierbij is natuurlijk dat “ut res postularet”. Mogelijk verwijst ‘de zaak’ hier naar het feitelijke doel en ontstaansmotief van deze Vita Remacli, nl. het ingaan tegen het autonomiestreven van Malmédy t.o.v. Stavelot.[250] Naast het literaire motief dient hier ook het materiële ontstaansmotief in acht genomen te worden. De Vita is dus mede omwille van wereldse motieven geschreven. Notgergaf de opdracht door aan zijn rechterhand, de jonge scholaster Heriger, die ijverig zijn eerste opdracht aanvatte.[251] Het resultaat zag ca.972 het levenslicht en is ca.980 bijna identiek in de Gesta episcoporum Tungrensium, Trajectensium et Leodiensium opgenomen (c.XLI-LVI).[252]
De proloog is a.h.w. één citatenboek van ‘klassieke’ beroemdheden zoals Horatius , Terentius, Cicero[253] Vermoedelijk wou Heriger hiermee aan Notgeren Werinfridusbewijzen dat hij wel degelijk deze eerste opdracht aankon. Voor het eigenlijke leven van de H.Remaclus neemt Heriger de chronologische volgorde over van de Vita Remacli prima.[254] Hij begint met Remaclus’ opvoeding aan het hof van Aquitanië en zijn intellectuele opvoeding door Sulpiciusde Vrome.[255] Heriger heeft dit waarschijnlijk afgeleid uit het feit dat talrijke kerken toegewijd werden aan deze Sulpicius:
“Educatus est sublimiter bonae indolis puer Remaclus..sub beato Sulpicio, in cujus veneratione constat ab eodem sancto viro plurimas in nostro dyocesi postea dicatas aecclesias...”[256]
(De jonge Remaclusvan goede inborst is op een sublieme wijze opgevoed door Sulpiciusde Vrome en het staat vast dat er later tot zijn [=Sulpicius] verering door diezelfde heilige man [=Remaclus] vele kerken in ons bisdom toegewijd zijn...)
Verder handelde Heriger over de toewijzing van vier beroemde leerlingen aan de H.Remaclus, nl. Theodardus, Lambertus, Hadelinusen Papolenius Deze toewijzing zou het resultaat geweest zijn van enkele duurzame ontmoetingen, die geregeld waren door de H.Remaclus zelf. Eén van de meestbesproken passages van deze Vita Remacli is echter Herigers poëtische lofzang op Aquitanië, een fragment dat verderop nog stilistisch wordt bestudeerd. Vervolgens schreef Heriger nog over de aanstelling van de H.Chlodulfus tot bisschop van Metz[257] en de oorkondelijke stichting van Cugnon.
Heriger verklaarde tevens de etymologie van de plaatsen Stavelot (Stabulaus) en Malmédy (Malmundarium) en noteerde daarbij enkele uittreksels uit de originele schenkingsakten aan het Ardense dubbelklooster.[258] Deze etymologische verklaringen zijn niet toevallig vermits in de hagiografie als literair genre een zeer belangrijke ‘bewijskracht’ aan de etymologie wordt toegekend. Een betekenisvolle naamgeving, bijvoorbeeld Malmundarium, was a.h.w. een veruitwendiging van de heiligheid van een persoon of van de goedheid van een abdij. In de hedendaagse samenleving is die bewijsfunctie van de etymologie weliswaar verdwenen, maar in de middeleeuwse mentaliteit daarentegen werd een positieve naamgeving beschouwd als een gunstig teken van heiligheid. Een bekend voorbeeld hiervan is de naam ‘Bonifatius’ (wel-doener).
Tenslotte besteedde Heriger nog een korte uitweiding aan de opvolgers van Remacluste Stavelot met inbegrip van de translatio Remacli naar de abbatiale St.-Pieterskerk van Stavelot door Goduinus, abt van Stavelot (†685).[259] Heriger beëindigde het werk met een allusie op het mirakelboek van de H.Remaclus, dat bijgehouden werd door zijn abt, Folcuinusvan Lobbes (965-990):
“Ubi per eius merita multa Dominus usque in praesens operatur miraculorum beneficia, quorum ibidem congesta et descripta conservatur copia ad laudem et gloriam nominis sui, quod est benedictum in secula. Amen.”[260]
(Waar de Heer door zijn [=Remaclus] vele verdiensten tot op heden de weldaden van zijn wonderen verrichtte, op diezelfde plaats [=Lobbes] werd de rijkdom van deze wonderen verzameld en beschreven tot lof en eer van zijn naam, omdat hij voor de eeuwen gezegend is. Amen.)[261]
C. Vita, translationes et miracula sancti Landoaldi. Elevatio sancti Landradae et sociorum
UITGAVEN
· L. Surius (ed.) in: De probatis sanctorum historiis, III (1618) 204-208
· J. Bollandus (ed.), G. Henschenius (ed.) en D. Papebrochius (ed.) in: Acta sanctorum, Martii III (1875) 35-47
· J. Ghesquière (ed.) e.a. in: Acta sanctorum Belgii selecta, IV (1787) 614-624
· J.-P. Migne (ed.) in: Patrologia latina, t.CXXXIX (1853) k.1109-1122
· M. Bouquet (ed.) in: Recueil des historiens des Gaules et de la France, III (1869) 586
· O. Holder-Egger (ed.) in: Monumenta Germaniae Historica. Scriptores, XV/2 (1888) 599-607.
· M. Gysseling (ed.) en A.C.F. Koch (ed.) in: Diplomata belgica ante annum millesimum centesimum scripta (1950) 234-244.
KORTE BESPREKING
Deze Vita is één van de meest interessante werken van Heriger. Aan de hand van dit modelvoorbeeld kan immers duidelijk aangetoond worden hoe complex een hagiografisch netwerk wel kan zijn.
Een belangrijke vraag betreft het probleem wie dit heiligenverhaal heeft opgetekend. Ook in dit werk heeft Notgerde proloog met zijn eigen naam ondertekend en zelfs van een bisschoppelijk zegel voorzien. De feitelijke redactie is echter met zekerheid van de hand van Heriger, maar het werk zal waarschijnlijk ook door Notger inhoudelijk gecontroleerd geweest zijn. Dit weet men uit het verhaal van een monnik te St.-Baafs, die in 982 -twee jaar na Herigers Vita Landoaldi en naar aanleiding van de tweede elevatio van o.m. Landoaldus ’ relieken- expliciet vermeldde dat het werk in opdracht van Notger door Heriger is geschreven, m.a.w. niet door Notger zelf:
“Iubente itaque eodem eximio pontifice ibidem miracula quae divulgaverant sunt collecta et per dominum Herigerum didascalum ac musicae artis peritum breviter...descripta necnon et ipsius episcopi sunt auctoritate roborata insuper sigilli sui impressione munita atque domino abbati ac omnibus fratribus Gandavensibus fideliter missa.”[262]
(En in opdracht van diezelfde uitmuntende bisschop [=Notger] zijn de wonderen, die op diezelfde plaats [=synode te Luik] ter sprake waren gekomen, verzameld en summier opgeschreven door Heriger, die bedreven was in de kunst van het onderricht en de muziek...en heeft deze bisschop het [=werk] met zijn auctoritas bekrachtigd, er bovendien zijn zegel ingedrukt en in vriendschap naar de abt en alle Gentse broeders gezonden.)
Om een kritisch antwoord te geven op de vraag wanneer Heriger juist dit werk heeft geschreven, moet men eerst de hele context die eraan voorafging even onder de loep nemen. Landoaldus(†ca.668), één van de gezellen van de H.Amandus(†ca.675) wordt in de historiografie omschreven als een belijder, die zijn leven doorbracht in het gezelschap van o.a. de H.Landrada(†ca.700), stichteres van het klooster te Bilzen. Samen met hun gezellen Amantius, Julianus, Vinciana en Adeltrude staan zij eerder bekend als de heiligen van Wintershoven. Rond het midden van de tiende eeuw werden door een zekere Sarabertus van Wintershoven enkele oude graven onder de plaatselijke kerk ontdekt. Diezelfde Sarabertus meende op basis van grafinscripties de resten van H.Landoaldus en zijn gezellen te hebben aangetroffen.
Nu is het historisch zo dat keizer Otto I I (973-983) in 976 datzelfde Wintershoven opnieuw aan de Gentse St.-Baafsabdij heeft geschonken.[263] Daarom namen de Gentse monniken op 25 maart 980, de dag van de adventus Landoaldi[264], vanuit Wintershoven de bewuste relieken onder luid gejubel mee naar hun abdij. Vervolgens stuurden ze Sarabertus naar Notger van Luik en vroegen hem een nieuwe Vita te (laten) schrijven over Landoaldus en zijn gezellen, die ze op die manier in herinnering wilden brengen.[265] Met een nieuwe Vita, die bovendien bekrachtigd was met het gezag van een bisschop, verkregen zij immers een stevigere legitimatie voor hun nieuwe ‘aanwinsten’.[266] Als concrete reden gaven ze hiervoor dat een oude versie in 955 zou vernietigd zijn door de invallen van de Magyaren:
“...nuperrime vero incursione Hungrorum propter incuriam custodum cum aliis rebus eundem libellum deflagrasse.”[267]
(...en datzelfde boek is zeer onlangs met de inval van de Magyaren wegens een slordigheid van de ‘bibliothecaris’ met andere zaken mee in de vlammen opgegaan.)
Niet iedereen hechtte nochtans evenveel geloof aan deze ‘verloren gegane versie’ en er ontstond een prestigeconflict tussen de St.-Baafsabdij en de St.-Pietersabdij te Gent. Het is geen toeval dat juist een nabijgelegen abdij furieus reageerde op de ‘toevallige vondst’ te Wintershoven. Men mag immers de politieke en commerciële gevolgen ervan niet onderschatten. Door deze vondsten zou de St.-Baafsabdij immers de gunsten van de rijksgroten en van talloze pelgrims kunnen winnen.[268] In ieder geval beweerden de monniken van de St.-Pietersabdij dat de beenderresten in feite van overleden misdadigers afkomstig waren en om die reden eerst de vuurproef moesten doorstaan.[269] De relieken werden echter voorlopig in de crypte opgeborgen en de monniken van de St.-Baafsabdij stuurden een (nood)bericht naar Notger De Luikse bisschop moet hoogstwaarschijnlijk de twijfel omtrent de authenticiteit van de beenderen vernomen hebben, vermits dit fragment uit de proloog in deze context kan begrepen worden:
“Si quis autem forte futurus obtrectator obliquo haec oculo non timuerit limare, odio obscuro morsuque praesumpserit venerare...”[270]
(Als een jaloers iemand er niet voor zal terugschrikken dit met een scheef [=afgunstig] oog door het slijk te halen, dan zal hij zich voornemen dit [=Vita] met een donkere haat en afgunst af te breken...)
Ondanks de voortdurende aantijgingen van de Gentse St.-Pietersabdij liet Notgervan Luik zich uiteindelijk toch overtuigen. Hij riep een synode bijeen en gaf Heriger de opdracht om alles wat Sarabertusverhaalde op te tekenen.[271] De scholaster was op dat moment echter druk bezig met zijn Gesta episcoporum Tungrensium, Trajectensium et Leodiensium en legde deze waarschijnlijk terzijde om aan deze toch wel dringende opdracht te voldoen.[272] Het was waarschijnlijk zo dat de Vita klaar moest zijn vóór de dag waarop de translatio van de heiligen zou plaatsvinden, nl. op 11 september 980.[273] In dit geval kan men echter de terminus antequem verder preciseren vermits de proloog eigenlijk bestaat uit een brief van Notger van Luik aan Womar, de toenmalige abt van de St.-Baafsabdij te Gent. Deze brief is heel precies gedateerd op 19 juni 980 zodat men het ontstaan van Herigers Vita Landoaldi kan plaatsen tussen 25 maart (adventus) en 19 juni 980.
Rekening houdende met het feit dat de opdracht eerst nog te Luik moest arriveren, betekent dit concreet dat Heriger verplicht was in de korte tijdspanne van ongeveer drie maanden een Vita ineen te knutselen, die de ontstane twijfels omtrent de authenticiteit van de relieken moest wegnemen. Het is daarom nu niet meer zo verwonderlijk dat men in het werk slechts zeer weinig historische informatie aantreft en dat de opbouw volgens zeer stereotiepe schemata gebeurde. Een tweede vaststelling die men nu al kan maken, luidt dat de inhoud zonder enige twijfel ‘aangepast’ moest zijn t.a.v. de Gentse verwachtingen, m.a.w. de objectiviteit wordt in Herigers Vita Landoaldi door de concrete omstandigheden compleet ondergraven.[274] Dit zal vanzelfsprekend ook fundamentele gevolgen hebben m.b.t. Herigers kritische zin.[275]
De St.-Pietersabdij bleef echter niet bij de pakken zitten en vroeg hulp bij de aartsbisschop van Reims.[276] Maar de St.-Baafsabdij kreeg hier lucht van en contacteerde eveneens de aartsbisschop, die zich door hen liet overhalen om niet in de interne Gentse ruzie in te grijpen. De verontwaardiging van de St.-Pietersabdij genoodzaakte echter een tweede elevatio (982) die door Lindulphus, bisschop van Noyon (977-989), werd voltrokken en plaatsvond met de toestemming van Adalbero, de toenmalige aartsbisschop van Reims (969-989).[277]
Na een korte biografische schets van de H.Landoaldus, verhaalde Heriger over de invallen van de Noormannen en de aangerichte verwoestingen te Wintershoven. Vervolgens behandelde hij heel stereotiep de gebeurtenissen van een type-heilige na diens overlijden, nl. eerst het vinden (inventio), vervolgens de aankomst (adventus) bij zijn vereringsplaats, de overbrenging (translatio) naar een reliekschrijn of urne, de verheffing (elevatio) van de relieken en tenslotte ook nog de verrichte wonderen (miracula).
Een zeer merkwaardig voorbeeld van zo’n miraculum is Herigers verhaal over de translatio van de H.Landradavan Bilzen naar Wintershoven. Heriger vertelde dat de H.Lambertus(†ca.701) vlak na de dood van de H.Landrada op mysterieuze wijze werd verwittigd dat deze in Wintershoven wou begraven worden. De H.Lambertus, bisschop van Maastricht en toenmalige heer van Wintershoven, liet het graf te Bilzen openmaken voor de overbrenging, maar het was leeg. De stoffelijke resten werden intact aangetroffen in een sarcofaag te...Wintershoven.[278]
Wanneer Heriger de invallen van de Noormannen (ca.882) behandelde, schreef hij de belangrijke passage dat de bewuste relieken van Landoaldusen zijn gezellen zouden begraven zijn:
“Mansit vero honor, cultus et reverentia circa sanctorum corpora quoadusque effere gens Nordmannorum, sedibus suis non contenta, totam pene Galliam proturbavit; et timore irruptionis eorum, ne sanctorum violarentur busta, terrae sunt...remandata”[279]
(Er heeft echter een cultus en eerbetoon bestaan omtrent de lichamen van de heiligen totdat de Noormannen, die zich niet tevreden stelden met hun eigen woongebied, bijna heel Gallië ondersteboven liepen. En uit vrees voor een inval van hen, zijn de resten van de heiligen begraven opdat ze niet geschonden zouden worden...)
A.D’haenens zal echter op dit bewuste fragment zijn (correct) inzicht baseren dat de behandelde heiligenfiguren onhistorische en dus fictieve personages zijn.[280] Meer specifiek heeft hij aangetoond dat de gebeurtenissen i.v.m. de relieken van de H.Landoaldus en van zijn gezellen ten tijde van de invallen verzonnen zijn. Hij stelt immers klaar en duidelijk dat men kostbare relieken omwille van de invasies juist niet ging begraven, maar bij zich ging houden ter bescherming.[281]
Algemeen beschouwd is de historiciteitswaarde van Herigers Vita quasi nihil.[282] Deze toch wel opmerkelijke vaststelling gebeurde op basis van het feit dat Heriger de orale traditie weergaf, die in latere werken nergens werd geciteerd of geconfirmeerd.[283] Zo is Heriger de eerste auteur, die het bestaan van een oude versie aanduidde en de figuur van Landoaldus op zich vernoemde. Landoaldus wordt immers niet vermeld in de Vita sancti Amandi, laat staan als diens rechterhand. Hij wordt tevens niet vermeld in de Vita sancti Lamberti, laat staan als diens leermeester.[284] Daarbij komt nog dat Heriger de eerste auteur was, die de tot dan toe totaal onbekend gebleven en ‘plots ontdekte’ relieken van de H.Landrada schriftelijk heeft vastlegd.
Op basis van alle eerder vernoemde argumenten mag men concluderen dat de H.Landoaldusen zijn gezellen nooit hebben geleefd, m.a.w. als fictieve personages mogen beschouwd worden. De basis van deze fictie werd gelegd door Sarabertus, wiens getuigenis door Heriger in opdracht van Notgerwerd opgetekend.
A. O Thomas didyme / O Thomas apostole / Ave per quam
UITGAVEN
Tekstuele uitgaven:
· R.J. Hesbert (ed.), O Thomas, didyme in: Corpus antiphonalium officii, III Rerum ecclasiasticarum documenta. Series maior. Fontes 7-12 (1968) 376 (nr.4083).
· G.M. Dreves (ed.) en M. Lutolf (ed.), Ave per quam in: Analecta hymnica medii aevi, XLVIII (1905) 103.
· G.G. Meerssemann (ed.), Ave per quam in: Der hymnos Akathistos im Abendland. I:Akathistos-Akoluthie und Grusshymnen. Spicilegium Friburgense, II (1958) 104.
Melodische uitgave:
· M. Huglo (ed.), Ave per quam in: Revue Grégorienne XXXII (1952) 115-116.
Het grootste deel van Herigers muzikale oeuvre is helaas verloren gegaan. De continuator van Folcuinus’ Gesta abbatum Lobiensium vermeldde slechts 2 antifonen[285] en 1 hymne:
“In honore etiam eius duas antiphonas, scilicet O Thoma Didime et O Thomas apostole, compuisse dicitur et hymnum de sancta Maria virgine, ave perquam, et quaedam alia.”[286]
(Men zegt dat hij [=Heriger] zelfs ter ere van hem [=de H.Thomas] twee antifonen geschreven heeft, nl. O Thomas didyme en O Thomas apostole en een hymne over de H.Maagd Maria, ave per quam en enige andere.)[287]
Over de ontstaansdatum van beide antifonen kan men niets met zekerheid formuleren. Wel kan men gevoeglijk aannemen dat ze ook een pragmatisch karakter bevatten en in de koorofficies werden gezongen. Heriger heeft waarschijnlijk reeds vrij vroeg deze muzikale werken aangevat. Het behoorde immers veeleer tot de taken van een jonge intelligente scholaster om het officie muzikaal op te fleuren.
Wat men wel met zekerheid uit dit fragment kan vernemen is het feit dat deze antifonen en deze lofzang bijna twee eeuwen later nog gekend waren[288] en men tevens nog wist dat ze ooit door Heriger waren geschreven. Intrigerend hierbij is wel het “et quaedam alia”. De omschrijving is echter vaag zodat men enkel met waarschijnlijkheid mag aannemen dat er nog ‘enige muzikale werken’ uit de hand van Heriger zijn ontstaan.
B. Hymnus abacedarius sancti Ursmari
UITGAVEN
Tekstuele uitgaven:
· K. Strecker (ed.) in: Monumenta Germaniae Historica, Poetae latini medii aevi, V (1970) 208-210.
· J. Szöverffy (ed.) in: Die Annalen der lateinischen Hymnendichtung. I:Die lateinischen Hymnen bis zum Ende des 11.Jahrhunderts (1964) 349.
Een aanwijzing naar die andere muzikale geschriften vindt men o.a. in het artikel van A.Dierkens, die beweert dat er ook een Hymnus abacedarius sancti Ursmari door Heriger is geschreven.[289] Deze hypothese is zeker niet onmogelijk, vermits Heriger minstens één hymne (ave per quam) heeft geschreven én tevens een Vita tertia Ursmari metrica. Verder specifiek onderzoek naar het auteurschap van deze hymne is echter noodzakelijk omdat Anso, abt van Lobbes (†800), reeds een hymne ter ere van de H.Ursmaruszou gekend hebben.[290] W.Levison toonde in dit verband aan dat deze bewaarde hymne op basis van tekstkritische gegevens na Ratherius’ Vita Ursmari (ca.939-945) moet geschreven zijn, m.a.w. zeker niet ten tijde van Anso’s abbatiaat.[291]
De hymne zelf is eigenlijk een muzikaal acrostichon, m.a.w. een gedicht waarvan de beginletters van de regels het Romeinse alfabet vormen. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat men in de tiende eeuw slechts 23 letters kende, vermits de letters ‘i/j’ en ‘u/v’ als éénzelfde letter werden beschouwd. De ‘w’ werd pas later als een zelfstandige letter erkend omdat zij oorspronkelijk een verdubbeling van de letter ‘u/v’ was.[292] Inhoudelijk vertelt deze lange hymne over het wonderlijke visioen dat Ursmarus‘ moeder zag vlak voor diens geboorte. In het visioen wordt met een duidelijke allusie op de eucharistie verteld:
“Hunc, inquit, ad educandum panem sume filium.”[293]
(Hij sprak: Neem dit brood om uw zoon mee op te voeden.)
Na dit visioen wordt achtereenvolgens Ursmarus’ deugdzaamheid, ascetisme, wonderbaarlijkheid en tevens zijn overlijden bezongen.[294] Vlak vóór de gebruikelijke gebeden en verzoekingen tot de H.Ursmarus -en ook tot Christus zelf- wordt de heilige begroet als een belangrijke beschermheer van de abdij:
“Salve, noster o patrone, Gegroet, onze beschermheer,
Salve praesul optime Gegroet, schitterende leider,
Salve cum sanctis Ursmare, Gegroet, Ursmarusmet de heiligen,
Salve pastor inclite, Gegroet, beroemde herder,
Salve iam cum Christo regnans Gegroet, die reeds met Christus regeert,
Salve nostri memorans.”[295] Gegroet, die in onze gedachten zijt.
Dat Heriger zich ook op het literaire genre van de lofzangen heeft toegelegd is op zich niet zo verwonderlijk. Uit zijn ervaringen als scholaster was hij immers door en door vertrouwd geraakt met de mogelijke pedagogische waarde van een hymne. Met liturgische gezangen kon men immers op een bevattelijke manier de godsdienstige en morele waarheden onderwijzen, een idee die reeds bij de kerkvader Ambrosius(†397) aanwezig was geweest.[296] Anderzijds schreef Heriger deze hymne omdat het officie bij een kerkelijk feest nu eenmaal ook zijn hymnen nodig had. Wat dit betrof, was Heriger natuurlijk de meest uitgesproken geletterde om deze taak op zich te nemen. De bewaarde hymne ter ere van de H.Maagd Maria is in verzen geschreven en gebaseerd op een in Kamerijk gemaakte oude Latijnse vertaling van de Griekse akathistos-hymne.[297] Op het einde van deze lofzang wordt Maria door Heriger op een paradoxale wijze omschreven als een sponsa insponsata (lett: ongehuwde verloofde). Dit raakt meteen de speciale positie die de H.Maagd Maria in de middeleeuwse mentaliteit bekleedde.[298]
UITGAVEN[299]
· J. Chappeavillus (ed.) in: Qui gesta pontificum Tungrensium, Trajectensium et Leodiensium scripserunt auctores praecipui, I (1612) 1-98.
· E. Martène (ed.) en U. Durand (ed.) in: Veterum scriptorum et monumentorum historicorum, dogmaticorum, moralium,... Amplissima collectio, IV (1727?) 837-912.
· J.-P. Migne (ed.) in: Patrologia latina, CXXXIX (1853) k.1001-1066.
· R. Köpke (ed.) in: Monumenta Germaniae Historica, Scriptores, VII (1968) 161-189.
KORTE BESPREKING
Vooraleer Herigers Gesta inhoudelijk te bespreken, mag men zich niet in de war laten brengen door de titel. Wanneer Heriger schreef over de geschiedenis van de bisschoppen van Tongeren, Maastricht en Luik behandelde hij in principe hetzelfde diocees, maar door de eeuwen heen is de bisschoppelijke residentie verschoven. Tongeren was waarschijnlijk de oorspronkelijke civitas, maar ca.535 is de zetel overgegaan op Maastricht. Pas in het begin van de achtste eeuw kwam de bisschoppelijke residentie te Luik.[300] Daarom schreef Heriger over de Gesta episcoporum Tungrensium, Trajectensium et Leodiensium.
Voor de inhoudelijke studie zelf moet er duidelijk gesteld worden dat deze bisdomkroniek geen zuiver historisch werk is. Herigers Gesta had immers nog zijn wortels in de hagiografische traditie en is er om die reden niet volledig van te scheiden.[301] Het bronnenmateriaal had hij immers reeds grotendeels verzameld tijdens het lezen en schrijven van vroegere heiligenlevens.[302] Een gevolg van deze afhankelijkheid is dat Heriger dan ook gebruik moest maken van de hagiografische topoi i.p.v. een historische feitenbeschrijving.
Heriger besteedde bijvoorbeeld veel aandacht aan het voorbereiden van de H.Euchariusop zijn dood. Vooreerst komt een engel Eucharius’ dood voorspellen (c.XI)[303], vervolgens verschijnt de H.Eucharius aan de H.Valeriusom zijn heengaan aan te kondigen (c.XII) en even later bereiden de H.Eucharius en de H.Valerius op hun beurt de H.Maternusvoor op zijn reis naar het hiernamaals (c.XIV).
Een tweede congruentie met het algemene hagiografische model, vormt de klassieke afscheidsrede van de heilige. Ook in Herigers Gesta episcoporum Tungrensium, Trajectensium et Leodiensium zijn deze in voldoende mate aanwezig, te beginnen bij die van de H.Petrus (c.V), gevolgd door de H.Eucharius(c.XI), de H.Maternus (c.XIV), de H.Servatius(c.XXIV-XXV) en tenslotte niet in het minst de lange afscheidswoorden van de H.Remaclus(c.LV).
Deze overvloed aan stereotiepe uitdrukkingen is te verklaren door de grote tijdsafstand tussen Heriger en deze Laatromeinse en Merovingische heiligen. Een belangrijke conclusie die men hieruit moet trekken is het feit dat Herigers ontleningen aan deze Vitae in zijn bisdomkroniek het zeer duidelijke bewijs leveren dat de hagiografie en de historiografie -niettegenstaande hun onderlinge verschillen- géén twee volledig te scheiden disciplines zijn. Ondanks deze verwantschap en afhankelijkheid van hagiografische bronnen, is het toch nuttig om deze historische kroniek te onderscheiden van Herigers Vitae, vermits Heriger voor zijn bronnenselectie andere (kritische) criteria aanwendde.[304]
Ook hier is een precieze datering niet mogelijk, maar zeker is wel dat men de bisdomkroniek moet dateren vóór 25 maart 980.[305] Men baseert zich hiervoor op een gedateerde brief (19 juni 980) van Notgervan Luik aan Womar, abt van de Gentse St.-Baafsabdij en opdrachtgever van de kort daarop geschreven Vita Landoaldi. Daarin is vermoedelijk sprake van de Gesta episcoporum Tungrensium, Trajectensium et Leodiensium, wanneer Notger in zijn proloog aan de Gentse monniken schreef: