Oost-Vlaamse mannen met een handicap in de negentiende eeuw. Een sociaal-demografisch onderzoek op basis van de conscriptieregisters. (Tom De Paepe)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

8 Algemeen Besluit

 

Aan de emanciperende kracht van de historiografie twijfelt niemand. Steeds nieuwe maatschappelijke groepen die zich profileren proberen zichzelf een gezicht te geven, een proces waarbij een blik achterom onvermijdelijk is. De historiografie heeft de laatste decennia veel aandacht gehad voor minderheidsgroeperingen die buiten het 'normale' spectrum vallen.

 

Vreemd genoeg is er in de geschiedschrijving nog nauwelijks aandacht besteed aan mensen met een handicap, volgens schattingen van de Wereld Gezondheids-organisatie toch een tien à vijftien procent van de bevolking. Met deze scriptie wilden we daarin verandering brengen. Doordat er weinig vooronderzoek beschikbaar was, ging het in eerste instantie om een terreinverkenning. Op het vlak van de theoretische achtergronden vonden we een aanknopingspunt bij de beweging van de disability studies, een angelsaksisch onderzoeksveld binnen de sociale wetenschappen dat hoofdzakelijk onderzoek voert naar handicaps. Ook daarin is de historische dimensie echter tot een minimum herleid. Pas de laatste jaren is daar verandering in gekomen.

 

We sloten ons aan bij de stelling dat de huidige maatschappelijke kloof tussen valide en invalide, met alle sociale gevolgen van dien, in het midden van de negentiende eeuw sterk was uitgediept en tot op de dag van vandaag in een definitieve plooi werd gelegd. Volgens de theoretici kwamen mensen met fysieke of mentale beperkingen in de verdrukking toen de industrieel-kapitalistische productiewijze de maatschappij ging domineren, en arbeidsproductiviteit bovenaan kwam te staan bij de vereisten op de arbeidsmarkt. Anderzijds zorgde de opkomende medische wetenschap er rond 1850 voor dat fysieke gebreken gedefinieerd werden in medische termen, waardoor het verschil valide – invalide een wetenschappelijk etiket kreeg opgekleefd. Beide processen worden met elkaar verbonden door de pogingen van de burgerij om meer greep te krijgen op de arbeiders, in de historiografie beschreven als het arbeidsdisciplineringsproces. Voor die periode zouden de meeste mensen met een fysiek gebrek een betere maatschappelijke positie ingenomen hebben.

 

Om dit theoretisch kader te kunnen testen hebben we gebruik gemaakt van de gegevens uit de conscriptieregisters, en vooral de data in verband met de medische keuring. Deze bron is al uitgebreid bestudeerd, maar nog nooit werden de gegevens van de medische keuring centraal gesteld in de analyse. Veel onderzoekers hadden immers pertinente vragen bij de kwaliteit van de gegevens. Na uitgebreid onderzoek van het wettelijk kader en de werkzaamheden in het kader van de conscriptie luidt ons besluit dat het fout zou zijn de gegevens niet te gebruiken. Er waren een aantal kritieken die we moesten onderschrijven. Veel termen blijven vaag, de kwaliteit van het medisch onderzoek kan niet groot geweest zijn, de normen en de aandachtspunten verschilden per regio, en niet alle redenen werden genoteerd. Soms waren er administratieve complicaties, bijvoorbeeld met de onderregistratie van de te kleinen in 1807 omdat die volgens de reglementen niet gekeurd moesten worden. Er was ook de fraude, hoewel het aantal indicaties dat dat een structureel probleem was beperkt blijft. Maar het Franse systeem was heel rigide en functioneerde vrij vlot, wat bewezen wordt door het feit dat het achteraf is overgenomen door de Nederlandse en de Belgische regeringen.

 

Bovendien ontdekten we dat de medische keuring vrij strak gereglementeerd was, met tabellen van rond 1800 waarin duidelijk voorgeschreven werd welke gebreken of ziekten in aanmerking kwamen voor vrijstelling. De overheid wist dus heel goed waar ze mee bezig was. De documenten passen ook in de theorievorming in verband met het proces van medicalisering, als een vroeg voorbeeld van de samenwerking tussen staat en medische wetenschap om de maatschappij te controleren. Op dat gebied vonden we dus al concrete ondersteunende informatie voor het theoretische luik.

 

De registers bieden het voordeel dat ze toelaten om diachrone vergelijkingen te maken. We hebben daarom twee periodes doorgelicht, met name 1807-1809 en 1846. Een tweede pluspunt is de periode waarvoor we informatie kunnen verzamelen, met name de eerste helft van de negentiende eeuw. Daarmee vangen we twee vliegen in één klap: we kunnen het theoretisch kader testen, en tegelijk bevinden we ons in één van de meest woelige sociaal-economische perioden. Specifiek in de Vlaamse context deed de omschakeling van een maatschappij gebaseerd op een hoogproductieve landbouw aangevuld met een huisnijverheid naar een industriële samenleving de bevolking wegzinken in een spiraal van ellende. Het antwoord van de bevolking past in de evoluties zoals die in het theoretisch model worden voorgesteld, met name door de arbeidsproductiviteit op te drijven. Meteen hebben we de theoretische krijtlijnen en de historische context geschetst van de problematiek waarop de meest actuele historische onderzoeken in de disability studies focussen. We zijn er vrij uitgebreid op ingegaan, omdat het inzichten zijn die in de niet-angelsaksische historiografie weinig bekend zijn.

 

De methodologie vormde een belangrijk aspect van dit onderzoek, gezien de traditionele terughoudendheid van historici tegenover de gegevens van de medische keuring. In dit onderzoek hebben we onze aandacht vooral toegespitst op extern-medische problemen, want we wilden vooral uitwendige lichamelijk defecten van blijvende aard bestuderen. Het voordeel is dat de registers net blijk geven van een sterke extern-medische kijk, en dat het aandeel van indicaties over intern-lichamelijke problemen vrij beperkt blijft. We hebben bovendien niet de conscriptieregisters als verwerkingseenheid gekozen, maar de indviduen zelf. We hebben de registers dus enkel gebruikt als opstapje om een groep jongemannen met een fysiek gebrek samen te stellen. Zo konden we al te vage omschrijvingen als zwakte links laten liggen. Uiteindelijk hebben we alle conscrits die we op basis van deze criteria weerhouden hebben ingedeeld in een negental categorieën van fysieke gebreken.

 

In een eerste fase van ons praktijkonderzoek hebben we een beeld proberen krijgen van het aandeel van de fysieke gebreken in de bevolking. We vonden de bevestiging van de al eerder in de historiografie gelanceerde hypothese dat voor de eerste helft van de negentiende eeuw steevast tien tot vijftien procent van de mannelijke conscrits te kampen had met een of ander medisch probleem, over verschillende regio's heen. Soms was er wel een kloof, bijvoorbeeld in België tussen het Noorden en het zuiden van het land. De conscrits die wij uit de registers selecteerden, bleken op hun beurt in een vrij vaste verhouding te staan tot het totaal aantal conscrits. Bovendien werd duidelijk dat we ons niet mogen verkijken op de meer spectaculaire gevallen van fysieke gebreken als blindheid of doofheid, aangezien die ruim in de minderheid zijn. Vooral problemen aan de onderste en bovenste lidmaten, het gezichtsveld en de gestalte maakten de dienst uit.

 

Het corpus van het onderzoek bestond uit de analyse van de individuele gegevens van de gebrekkige conscrtis aan de hand van de verschillende parameters waarover we informatie konden afleiden uit de conscriptieregisters. De centrale vraag daarbij was of het fysiek gebrek een invloed uitoefende op de maatschappelijke positie van de weerhouden conscrits, of dat ze meer de maatschappelijke stroom volgden.

 

Het beeld dat we gekregen hebben was heel divers. Voor de eerste onderzoeksperiode 1807-1809 valt het op hoezeer de weerhouden conscrits in het algemene plaatje passen dat geldt voor alle conscrits. Vooral geografisch viel de grote concordantie op: ze waren gelijk verspreid over de verschillende arrondissementen en woonden evenveel in de steden als alle andere Oost-Vlamingen. In 1846 was dat geografisch patroon echter doorbroken. Toen was onze populatie in de steden sterker aanwezig dan gemiddeld genomen voor de provincie. De arrondissementen Gent en Sint-Niklaas, gedomineerd door steden die dankzij de uitbouw van de textielindustrie flink groeiden, lieten een flinke oververtegenwoordiging optekenen.

 

Deze toename konden we niet toeschrijven aan een sterke stedelijke migratie. Hoewel gebrekkige conscrits zich iets mobieler toonden en gemiddeld genomen verder weg trokken, nam de stadsmigratie slechts een klein aandeel van de verschuivingen voor zijn rekening. De verklaring moet dus hoofdzakelijk in autonome factoren gezocht worden. We stelden vast dat in 1846 de Oost-Vlaamse conscrits vaker afgekeurd werden voor problemen met de gestalte, zowel in de stad als op het platteland. We zagen daarin de gevolgen van het opdrijven van het arbeidsritme en de inschakeling van kinderen in het arbeidsproces. In de stad werd deze tendens nog versterkt door de abominabele leefomstandigheden.

 

Een tweede opvallende vaststelling die wellicht samenhangt met de vorige conclusie is het kleine aandeel van de landbouwers in onze onderzoekspopulatie. Dat wordt echter gecompenseerd door een oververtegenwoordiging van de dagloners. Deze evolutie zet zich verder door naarmate de crisis vorderde, wat ons ertoe brengt om te besluiten dat mannen met een fysiek gebrek zich moeilijker konden handhaven in de landbouwsector. Dat kwam vooral de ambachten ten goede, maar het meest opvallend was de opkomst van de gebrekkige conscrits die blijkbaar geen beroep uitoefenden. Zij hadden meer dan gemiddeld te kampen met mentale problemen, woonden meer in de steden en hun vaders behoorden vooral tot de ambachten en de vrije beroepen. Dat toont aan dat naar het midden van de eeuw toe het niet meer ongebruikelijk was voor mensen met een mentaal of fysiek probleem om niet meer actief te zijn op de arbeidsmarkt, net wat het theoretisch model vooropstelde.

 

Een laatste, beperkte invloed van fysieke gebreken op de tewerkstelling vonden we terug bij diegenen die problemen hadden met de onderste ledematen. Zij kozen relatief meer zittende beroepen, zoals textielarbeider of ambachtsman. Niettemin moet dat in een juiste context geplaatst worden: de meeste gebrekkige conscrits volgden de voetsporen van hun vaders. Daarmee zijn we bij een volgende vaststelling gekomen: op een aantal gebieden speelde het een veel minder opvallende rol of je gebrekkig was of niet. Er was bijvoorbeeld geen noemenswaardig verband met onwettigheid, of met de ritmering van de concepties. Ook wanneer we in een tweede onderzoeksgedeelte een eenvoudige levensloopanalyse doorvoerden, botsten we dikwijls op het feit dat de verdeling bij alle conscrits door onze onderzoekspopulatie gevolgd werd. Zo migreerden het dienstpersoneel in beide gevallen opmerkelijk meer dan andere beroepsgroepen.

 

De variabele waarin fysieke gebreken het best hun invloed laten doorschemeren is de lengte. We ontdekten dat er, wars van variaties op basis van andere variabelen, er steeds een structurele kloof is tussen alle conscrits en de gebrekkige conscrits, die een aantal centimeter kleiner zijn. In 1846 is het uniforme patroon van de eerste onderzoeksperiode echter doorbroken, hoewel er een duidelijk onderscheid tussen de gebrekkige en alle conscrits waarneembaar blijft. Dan merken we immers dat diegenen die op het platteland wonen, relatief stand houden, en dat vooral in de steden de hardste klappen vallen. Soms tekenen we verliezen tot zes centimeter op. Dat kunnen we relateren aan de verklaring die we gaven voor de sterkere graad van verstedelijking waarvan onze onderzoekspopulatie blijk gaf.

 

We haalden al even aan dat we ook een korte levensloopanalyse gereconstrueerd hebben. Daaruit konden we niet afleiden dat fysieke gebreken een structurele invloed hadden op het huwelijks- of sterftegedrag. Als we de variabelen analyseerden op basis van de professionele activiteiten, bekwamen we een veel duidelijker beeld dat gelijkaardig was aan hetgeen we in andere onderzoeken naar huwelijken en sterfte.

 

Aan het eind van dit onderzoek rest de vraag wat de maatschappelijke positie van mannen met een handicap was in het Oost-Vlaanderen van de eerste helft van de negentiende eeuw. Een ding staat vast: we mogen niet denken dat het hier ging om een groep in de marge. Een fysiek gebrek was geen ticket om te moeten bedelen. Integendeel, onze onderzoekspopulatie gaf regelmatig de indruk vrij goed ingekapseld te zitten in de bestaande maatschappelijke structuren. Toch lijkt het erop dat ze een kwetsbare groep vormden, zoals we konden merken aan het steeds dalende aandeel van de landbouwers. Bovendien werkte de sociaal-economische crisis van de negentiende eeuw de verslechtering van de lichamelijke constitutie in de hand. De bevolking moest zich letterlijk krom werken om het hoofd boven water te houden. In de steden kwamen de slechte leefomstandigheden daar bovenop, wat de situatie nog verergerde. Een groeiende groep mannen met een fysiek gebrek die niet meer op de arbeidsmarkt terechtkonden is het beste bewijs dat het Oost-Vlaamse verhaal in het theoretische kader past.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende