Griekse publieke baden. Chronologische ontwikkeling, typologie en functie. (Katrien Luts)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

3. Synthese

 

3.1 Baden in religieuze context

 

De nood aan fysieke reinheid manifesteert zich in het religieuze leven op verschillende vlakken. Baden met een vrome meerwaarde waren in het oude Griekenland zeer courant, bij geboortes, funeraire riten, huwelijken… Ook bij heiligdommen was reiniging zeer belangrijk en daarom waren er diverse voorzieningen aanwezig waar men zich kon wassen. Soms was er zelfs sprake van een echt badcomplex dat gerelateerd was aan het heiligdom. In de culten van enkele goden speelde water dan ook een belangrijke rol.

 

3.2.1 Baden bij heiligdommen

 

De grootste heiligdommen bij de Grieken waren de Panhelleense. (Hoffmann 1999: 53-54) In de 5e eeuw ontwikkelde zich zo een steeds verder groeiend heiligdom in Olympia. Hier werden op een ruim gebied langs de Kladeosrivier, tijdens een lange periode, badhuizen, gymnasiongebouwen, zwem- en zweetbaden opgericht. Alle voorzieningen liggen niet ver van de Zeustempel, maar het is toch moeilijk om te bepalen of deze baden nu in functie stonden van de cultus of van het gymnasion. Dat gymnasion stond natuurlijk wel in dienst van de atleten die deelnamen aan de Olympische spelen die ter ere van Zeus werden gehouden. Het is een feit dat deze badinstallaties bij de best ontwikkelde van het Griekse vasteland horen, maar of dat een aanwijzing is dat ze primair voor de cultus bedoeld waren, is niet duidelijk.

Nog onduidelijker is het bad van Delphi (uit de late 4e eeuw v.C.). De atleten die participeerden in de spelen rond het Apolloheiligdom zouden hier een bad kunnen genomen hebben, maar ook uit het woongebied dat er vlakbij ligt, zouden badgasten kunnen komen.

Een andere dubbelzinnige situatie doet zich voor in Nemea. Daar ligt een badgebouw, uit het laatste kwart van de 4e eeuw v.C., met een zwembad en 2 ruimtes met wasbekkens op de hoek van het Zeusheiligdom. Er is discussie over de identificatie van dit gebouw als palaestra ( in samenhang met een gymnasion) of als badgebouw (eventueel in functie van het heiligdom). (Miller 1990: 256-258) Het stadion lag oorspronkelijk in de buurt van de tempel, ten noordoosten van het badgebouw. Mogelijk hebben we hier ook te doen met een bad dat zowel een functie heeft in de sportwereld als in de cultus.

In het Asklepiosheiligdom van Epidauros bevond zich geen apart badcomplex. Er waren wel badruimtes in het grote gymnasion uit de 1e helft van de 3e eeuw v.C. (Delorme 1946: 108-119) Deze badvoorzieningen stonden ook, behalve met de muziek- en sportwedstrijden, niet meer in verband met de cultus dan de andere gymnasionbaden die hier al werden aangehaald.

 

De verschillende badruimtes in Aigina bevinden zich in een dichtere relatie met de Aphaiatempel. (Hoffmann 1999: 54) De grotere huizen die er vlakbij liggen, werden vermoedelijk bewoond door priesters. Door de geringe omvang van de voorzieningen lijkt het alsof de baden niet bedoeld zijn voor de tempelbezoekers in het algemeen, maar eerder voor bepaalde personen, zoals de priesters. Er is in Aigina geen heilcultus bekend, maar door de ligging van de baden bij de ingang van de temenos doen ze eerder denken aan voorbereidende wassingen.

De rotsspleten aan de kust waarin de baden van Piraeus zijn geïnstalleerd, zouden oorspronkelijk vermoedelijk zelf een heilige plaats geweest zijn. (Judeich 1931: 435-436) Het bad van bij de overgang naar de 4e eeuw v.C. wordt gelinkt aan de cultus van (de nogal onbekende) Heros Serangos. Of zijn heiligdom aan de kust lag, is niet geweten, maar de badinstallaties hebben blijkbaar toch veel van een ‘Serangeionbad’. Dit opmerkelijke badcomplex bestaat uit 2 rotondes, een ovale plaats, 2 rechthoekige ruimtes, een grote brede verbindingskamer en een lange gebogen gang. De ovale kamer werd mogelijk als een groot bekken gebruikt, een klein trapje vergemakkelijkt de toegang en rondom rond staat een bank tegen de wand. Vanuit het ovaal vertrekt ook een lange smalle gang die overwelfd is en waarboven lichtschachten zijn ingewerkt. Mogelijk diende die gang als afvoerkanaal van het grote bekken. In de noordoostelijke ronde ruimte zijn 2 rijen nissen uitgekapt in de wand, waarschijnlijk stond er onder elk van die nissen een zitbadkuip. (Het zou kunnen dat die kuipen later zijn afgebroken om deze ruimte om te vormen in een zwembad.) Er wordt vermoed dat er achter een dichtgemaakte wand nog zo’n tweede rotonde ligt. Gezien de grootte van de badinstallaties, hun capaciteit en het werk dat men hierin heeft moeten steken, moeten de baden wel behoorlijk belangrijk geweest zijn voor de cultus. Maar omdat die cultus niet goed gekend is, valt er ook nog maar weinig te zeggen over de rol van deze baden.

Ook de wasvoorzieningen van op het eind van de 5e eeuw bij de Lernabron aan het Asklepiosheiligdom van Korinthe zijn nogal speciaal. (Ginouvès 351-359) Hier bevinden zich 6 lange smalle reservoirs langs een gang. Tussen die reservoirs liggen kleine donkere ruimtes die eventueel in functie konden staan van de cultus, misschien voor genezende baden die de god voorschreef of voor de voorbereidende reiniging die de orakelnacht voorafging. Hoe men zich hier nu juist kon wassen, met welke voorzieningen, is niet meer te zeggen.

In Isthmia (nabij Korinthe) zijn resten gevonden van een badcomplex uit de 4e eeuw v.C. De diverse rotssporen bevinden zich op een heuvel waarvan gesuggereerd wordt dat er tempeldienaren woonden. (Bronneer 1955: 123-128) Blijkbaar dienden deze bekkens om religieuze riten uit te voeren. (Ginouvès 1962: 340) Van welke aard die riten dan waren, is niet meer te zeggen.

Eveneens in de 4e eeuw v.C. kunnen we de 2 baden van het Amphiareion in Oropos plaatsen. (Petrakos 1995: 24 e.v.+51 e.v.) Hier zijn uit de antieke literatuur zowel mannenbaden als vrouwenbaden bekend. Het vrouwenbad wordt geïdentificeerd met een vierkant gebouw, ten noordoosten van de ‘zaal voor de genezende slaap’ in de stoa. Nog tot enkele eeuwen na Christus kon men zich in dat gebouwtje baden, door dat lange gebruik zijn de originele installaties niet meer bewaard. De befaamde bron van het heiligdom, van waaruit een kanaal loopt naar het vrouwenbad, ligt vlakbij het bad voor de mannen. Dat badgebouw bestaat uit een reeks van vertrekken, met een bronruimte en enkele waskamers. In die badkamers getuigt de gegroefde anti-slipvloer van het overvloedige watergebruik. De baden hier waren blijkbaar ook een voorbereiding op de consultatie van het orakel. Pausanias (1,34,5) zag die voorbereidende reiniging als een offer, en niet als een wassing.

Het zelfstandige badgebouw van Gortys ligt midden in het Asklepiosheiligdom, tussen de grote en de kleine tempel. (Ginouvès 1962: 185 e.v.) De eerste bouwfase dateert nog uit de 4e eeuw v.C., daarna bleef het bad nog in gebruik tot in de 1e eeuw n.C. Het is niet duidelijk of deze structuur al van in het begin een bad was, of dat het bad verder bouwt op een huis. Het is in ieder geval een bijzonder badgebouw dat zeer goed bewaard is. Er zijn 2 soorten ruimtes te herkennen, namelijk dienstvertrekken en algemeen toegankelijke badruimtes. Alle kamers zijn geschikt rond een grote centrale ruimte, deze is ongeveer ovaal en heeft 2 apsiden. Verder is er ook nog een rotonde met individuele zitkuipen, een kamer met verwarmde watervoorzieningen, een zwembad, een stookruimte, een zweetbad, een reservoir, een vestibule en nog meer. Dit badcomplex is dus zeer goed uitgebouwd en onderging nog veranderingen tijdens z’n gebruik. De verbinding van deze installaties met de cultus van Asklepios wordt niet enkel duidelijk door de ligging bij de tempels, maar blijkt ook uit het patroon dat de tegels vormen in de rotonde met zitkuipen. Deze vormen namelijk het woord “ΑΣΚΛΑΠΙΟΥΦΙ”. Er werd ook nog een baksteen aangetroffen in de buurt van de rotonde waarop datzelfde woord staat geschreven. Zieke mensen bevonden zich hier onder de directe bescherming van de god. (Ginouvès 1962: 360-361) Ze kwamen hier niet voor een simpele reiniging als voorbereiding op de orakelslaap, maar voor een bad met hygiënische en zelfs medische waarde. De religie gebruikt de fysieke voordelen van baden en plaatst ze hier onder haar controle. Blijkbaar gebeurde dat pas vanaf deze periode op zulke schaal, want vóór de bouw van dit complex (reeds in de 5e eeuw) bestond er al een bassin voor onderdompeling elders in het heiligdom. (Ginouvès 1962: 353) Dat enkele bekken voldeed kennelijk niet meer aan de nieuwe reinigingsbehoeften.

Bij de ingang van de temenos ligt het badgebouw van het kleinere Asklepiosheiligdom van Troizene, van rond het eind van de 4e eeuw v.C. (Ginouvès 1962: 359-361) Het aparte gebouw heeft enkele wasruimtes en voorzieningen om water op te warmen. Hier kon men als voorbereidende reiniging bij de incubatierite van het orakel dus een warm bad nemen. Of misschien was deze luxe wel enkel bestemd voor bevoorrechte personen, zoals bijvoorbeeld de priesters? (Dit werd ook al voorgesteld bij de voorzieningen van Aigina.)

In Kyrene ligt een uitgebreid badetablissement dat Hellenistisch wordt genoemd, mogelijk uit de 4e eeuw v.C. Het bestaat uit verschillende zalen, 2 rotondes met vlakke badkuipen, de rest ongeveer rechthoekig, allemaal in schemerige rotsholtes. (Ginouvès 1962: 384-385) In de tijd dat de baden werden ontdekt, kregen ze de naam ‘rituele baden’. Men vermoedt van zulke baden die helemaal in de rots zijn uitgewerkt, dat ze altijd een religieuze functie hadden. Het werk dat nodig is om zulke voorzieningen te installeren, zelfs als er deels gebruik gemaakt wordt van natuurlijke grotten, kan volgens sommigen enkel verantwoord worden als men een complex wou uitbouwen dat echt op een spelonk leek, en dat voor religieuze motieven. Er werd aangetoond dat de heilige omheining waarin het geheel zich bevindt, was gewijd aan Artemis. (Ginouvès 1962: 384 e.v.) Het ondergrondse bad zou ook deel moeten uitmaken van het Nympheion dat vermeld wordt in een heilige wet van de 4e eeuw v.C. en waarin de vrouwen moesten “afdalen”. De ondergrondse faciliteiten strekken zich trouwens verder uit dan de eigenlijke grenzen van het badcomplex. Er is nog een kamer waarin men afdaalde vanaf de zuidwesthoek van de tempel van Apollo, maar deze is moeilijk te interpreteren.

Het heiligdom van de mysteriecultus van Eleusis had vanaf het eind van de 3e eeuw v.C. een badhuis met 2 naburige rotondes, het lag langs de weg naar de Arthemistempel. Hoewel de buitenste diameter van de rotondes gelijk is, zijn de zitkuipen tegen de wand van de ene ruimte iets langer dan die van de andere. Dat verschil in grootte is mogelijk te wijten aan hun bestemming voor de verschillende geslachten. Omdat vrouwen doorgaans iets kleiner zijn dan mannen, heeft men misschien hun badkuipen ook iets korter gemaakt.

 

3.2.2 Rol van baden i.v.m. cultus

 

In het religieuze leven hebben baden een waarde op verschillende niveaus. Ze kunnen instaan voor de (eenvoudige) reiniging van allerlei onzuiverheden, maar ze kunnen ook een actievere rol spelen. De Grieken zagen een goddelijke aanwezigheid in zuiver water of in mineraalwater, ze hadden ook al kennis over de helende eigenschappen van bepaalde wateren. De meest bekende heilcultus was die van Asklepios en uiteraard werd er in zijn heiligdommen veelvuldig gebruik gemaakt van water. Maar niet alleen bij genezing was water belangrijk, ook bij de culten van andere goden speelde water een grote rol.

 

                        3.2.2.1 Asklepios

 

Het was in 420 v.C. dat de cultus van Asklepios werd geïntroduceerd in Athene. Vrij snel werd hij verspreid naar Troizene, naar Pergamon en in heel de Griekse wereld. De rol van water en baden bleek essentieel te zijn in deze heilcultus. (Ginouvès 1962: 349 e.v.) Er bestaat geen vast type van heilbaden, maar in alle heiligdommen, groot of klein, was er een constante relatie met bronnen. Later wou men overal Asklepieia, zodat er niet meer steeds werd gekeken naar de beschikbaarheid van een bron, ofwel werd er een bron omgewijd die eerst aan een andere god behoorde.

Die belangrijke functie van water in deze cultus vertaalde zich op verschillende niveaus. Eerst en vooral diende water, zoals in alle heiligdommen, voor de voorafgaande wassingen: wassen van de handen of besproeien aan de ingang of dicht bij het altaar vóór een offer. Hiervoor dienden de talrijke schalen en kleine bassins die overal in de heiligdommen werden aangetroffen. Naast die reinigingen, die gemeenschappelijk lijken in alle cultussen, bestonden er in de cultus van Asklepios ook 2 reeksen van baden, met een hele andere waarde. Het eerste soort bad vond plaats als voorbereiding voor de orakelslaap, met als doel de gelovige in de beste omstandigheden te plaatsen om goddelijke voorschriften te ontvangen. In hun dromen zou Asklepios immers tonen hoe men kon genezen en welke behandeling de zieke daarvoor moest volgen. (Hoffmann 1999: 194-195) Daarom was het belangrijk dat de badinstallaties zich dicht bij de plek bevonden waar de zieken de nacht zouden doorbrengen. Vaak zien we dat er ook fonteingebouwen in de buurt zijn om water te putten. In een aantal Asklepieia zijn er wel resten van fonteinen en andere hydraulische werken, maar konden er geen echte baden geïdentificeerd worden. (Dat was bijvoorbeeld het geval voor het bekende Asklepieion van Kos.) (Weber 1996: 118-121) Deze toch wel belangrijke rite is parallel aan die van orakelconsultaties bij andere genezende goden.

Baden deden zich verder nog eens voor in heiligdommen van deze heilgod, deze keer na de consultatie van het orakel, in een medische behandeling. De hygiënische en medische waarde die baden hier krijgen, verschilt niet veel van het belang dat de profane geneeskunde hen toekende. Ze verschenen hier te midden van andere hulpmiddelen die de god aanduidde om te genezen, samen met alternatieve remedies, diëten of fysieke oefeningen. Er is een progressieve ontwikkeling te zien waarbij badinstallaties steeds belangrijker worden. De hydraulische werken moeten voldoen aan alsmaar groeiende noden, kijk maar naar de reservoirs aan de Lernabron in Korinthe, of het hele nieuwe badcomplex in Gortys. Ook in het heiligdom van Lebena werden in de latere Hellenistische periode een reeks hydraulische werken uitgevoerd om de toenemende behoeften te bevredigen en in Epidauros verschenen inscripties, vanaf een vroege periode, met vermeldingen van echte badetablissementen die met hetzelfde woord werden aangeduid als de publieke badhuizen in de steden. Maar het zijn toch vooral architecturale documenten die getuigen van het toenemende belang van baden in het leven in de heiligdommen. Er konden immers badinstallaties geïdentificeerd worden in verschillende Asklepiosheiligdommen, zoals hier al vermeld werd: in Korinthe, Gortys en Troizene. Die nog vrij beperkte badvoorzieningen uit de 4e eeuw v.C. evolueren naar uitgebreide thermen die de heiligdommen vergezellen in de Romeinse periode, een ontwikkeling die duidelijk te volgen is in het complex van Gortys.

 

                        3.2.2.2 Andere goden

 

Ook Apollo is een god van purificatie, maar niet alleen dat. Hij is ook de god van de waarzeggerskunst en het is die tweede kwaliteit die wijst op de karakteristieke eigenschappen van zijn heiligdommen, namelijk de aanwezigheid van belangrijke hydraulische installaties. Die voorzieningen gaan van bronnen bij de tempel, fonteinen, putten, tot blijkbaar in sommige gevallen ook baden. Water had in deze cultus verschillende functies: het diende, zoals dikwijls, voor de voorbereidende reiniging, kon nodig zijn bij offers, werd soms gedronken door de profeet of profetes als bron van inspiratie, en dus ook voor wassingen.

De enige plaats waar baden mogelijk in verband kunnen gebracht worden met de cultus van Apollo, is Isthmia. (Ginouvès 1962: 340) Daar werden een reeks bassins en cisternes uitgekapt in de moederrots, aan de westgrens van de temenos. Men vermoedt dat deze heuvel bewoond was door tempeldienaars en volgens de opgraver waren er diverse aanwijzingen die dit gebied in verband brengen met de cultus. (Broneer 1955: 123-128) Het belangrijkste bassin, in een onregelmatige U-vorm, was bepleisterd en toegankelijk via 2 kleine trapjes. Tegen één van de zijden was een bank geplaatst. Het geheel is moeilijk te dateren, de gevonden ceramiek maakt ons alleen duidelijk dat de installaties in gebruik waren in de Hellenistische periode. Het is zo goed als zeker dat hier religieuze riten werden uitgevoerd, maar het karakter daarvan is helaas niet meer te bepalen. De aanwezigheid van het bankje doet wel denken dat het bassin nooit helemaal gevuld was met water voor een onderdompelingsbad. We kunnen eerder denken aan gedeeltelijke wassingen die werden uitgevoerd op de plek waar men in afdaalde, zoals ook gebeurde in fonteinen van andere Apolloheiligdommen.

 

De culten van Trophonios en Amphiaraos nemen een aparte plaats in in de Griekse religie, tussen de heilkracht van Asklepios en de waarzeggerskunst van Apollo. (Ginouvès 1962: 344-345) Het zijn beide heroïsche culten waarin voorspelling een belangrijke rol speelt. Voor Amphiaraos is die voorspelling gerelateerd aan geneeskunde, zoals in de cultus van Asklepios. De bekendheid van deze culten (bij een lokaal publiek) is blijkbaar wel al een stuk ouder dan de verspreiding van de Asklepieia.

We kennen de rituelen van het orakel van Trophonios door Pausanias (IX, 39, 5-8). De consulant moest eerst een offer uitvoeren, daarna werd hij door priesters meegenomen naar 2 naburige bronnen. Daar moet hij water van vergetelheid en water van herinnering drinken. Hier vinden we dus de factoren van drank en bad, want men moest zich ook wassen in de rivier (men moest zich onthouden van warme baden).

Over de cultus van Amphiaraos zijn we beter ingelicht. In het Amphiareion van Oropos hebben opgravingen namelijk interessante voorzieningen aan het licht gebracht. Het belang van de baden hier wordt weergegeven door een antieke tekst van Xenophon (Memorabilia, III, 13, 3). Hierin vergelijkt hij het water van het Asklepieion van Athene met dat van het Amphiareion van Oropos en benadrukt dat men op die laatste plaats baadde in bijzonder koud water, die rite zou gaan over de consultatie van het orakel. Door inscripties en de opgegraven gebouwen kunnen we ons een beeld geven van die praktijken. Een vreemd vierkant gebouw, dat geen juiste overeenkomstige structuren kent in de Griekse architectuur, is duidelijk een hydraulische installatie. Er is wel geen bron aanwezig, wat maakt dat water uit een centrale put moest geschept worden. Op deze plaats werden vermoedelijk voorbereidende wassingen uitgevoerd, waarbij de grote bron in de buurt van de tempel waarschijnlijk een aanzienlijke rol speelde. Pausanias (I, 34, 4) vertelt dat het verboden was om het water uit die bron te gebruiken bij reinigende offers of voor het wassen van de handen. Dit verbod wijst op de bijzondere waarde van het water dat misschien werd genuttigd als drank. In de buurt van de bron lag nog een gebouw dat ongetwijfeld een badfunctie vervulde. De voorzieningen in de verschillende kamers waren voldoende om zich te kunnen wassen, waarschijnlijk om zich voor te bereiden op de incubatie. Uit indirecte verwijzingen weten we ook dat men in minstens 2 gebouwen een echt bad kon nemen. Een inscriptie uit het midden van de 4e eeuw v.C. heeft het trouwens over een ‘bad van de mannen’ dat gescheiden is van het ‘bad van de vrouwen’. Het gebouw van de mannen wordt geïdentificeerd met het gebouw bij de bron met de reeks vertrekken, dat van de vrouwen zou onderdak hebben gekregen in het zeldzame vierkante bouwwerk.

De enige manier om het belang van de badinstallaties in het heiligdom van Oropos te verklaren, is door aan te nemen dat ze bestemd waren om een groot aantal gelovigen te laten deelnemen aan de deugden (geneeskrachtig en waarzeggend) van het water. Het lijkt karakteristiek voor de gekende voorzieningen dat ze vooral uit de 4e eeuw v.C. stammen. Dat is de periode waarin, ook in de Asklepiosheiligdommen, het bad nauw verbonden wordt met een orakelgeneeskunde.

 

                        3.2.2.3 Mysterieculten

 

De godheden waartoe de mysteriereligies zich richten zijn meestal dezelfden die ook de waarzeggende en geneeskrachtige wateren in hun macht hebben, maar de betekenis van de riten is wel verschillend. Het gemeenschappelijke van de culten zit in het feit dat ze gelukzalige onsterfelijkheid beloven, wel enkel aan de ingewijden. Natuurlijk bevatten die inwijdingsceremonies riten met een zuiverende waarde. Maar kunnen die wassingen ook geen andere rol hebben gespeeld, die belangrijker is dan een simpele voorbereiding? Zoals het water bij de orakels niet alleen reinigt, maar ook inspireert, en het bij de medische culten de zieke niet alleen geneest maar ook versterkt met nieuwe kracht?

De goden van deze culten zijn Demeter, Hera, Artemis en Athena. (Ginouvès 1962: 375 e.v.) De betekenis van wassingen werd op verschillende momenten in hun inwijdingsceremonies duidelijk. Eerst werden de handen gewassen, dan gingen de kandidaat-inwijdelingen collectief baden in zee, de dieren die men ging offeren werden eerst gewassen… (Het aantal en het belang van de wassingen kon variëren.) 2 dagen na die ceremoniën gingen ze in processie naar Eleusis, waar opnieuw diverse reinigingen plaatsvonden. Buiten het heiligdom, maar in de onmiddellijke omgeving, bevinden zich badcomplexen die mogelijk in verbinding stonden met de cultus. Hier is een complex aanwezig met 2 rotondes, kennelijk uit de 3e eeuw v.C. In de Romeinse periode werden de waterwerken op die plaats nog verder uitgebreid, met onder meer een fontein en thermen. Of er nog andere rituele wassingen gebeurden in het heiligdom zelf, is moeilijk te zeggen.

Het is opmerkelijk dat die rol van water niet beperkt bleef tot de cultus van Eleusis, maar dat er ook dergelijke getuigenissen zijn uit minder bekende Demeterheiligdommen. Zo werden er in Pergamon, Delos, Ceos en Agrigente ook enkele hydraulische installaties aangetroffen. Ook in de cultus van onder andere Hera blijken er gelijkaardige gewoonten geweest te zijn bij rituele baden ter gelegenheid van de mysteriën.

De cultus van Artemis, meesteres van de bronnen, kende ook bepaalde legendes waarin baden voorkomen. Van het uitgebreide badetablissement in Kyrene, dat volledig is uitgewerkt in de rots, is geweten dat het binnen een gebied ligt dat gewijd was aan Artemis. (Ginouvès 1962: 384) Dit complex zouden we kunnen verbinden met riten waarin water z’n rol van chtonische kracht terugvond. Er is hier ook een kamer te vinden die in verbinding stond met de tempel van Apollo. De interpretatie van deze ruimte is moeilijk, maar water speelde hier een essentiële rol in een mystieke rite die mogelijk vroeger is als de installatie van de god.

 

 

3.2 Baden in paleizen

 

Zoals in de inleiding al werd gezegd, stellen paleizen zich slechts in zekere mate open voor het publiek. Ze herbergen een groot aantal bewoners, mensen die door familiebanden gelinkt zijn aan de heerser, allerlei dienaren en gasten die voor korte of langere periodes op het landgoed verbleven. Het is wel niet altijd geweten voor welke bewoners (of bezoekers) de badvoorzieningen nu eigenlijk toegankelijk waren. In de vroegste paleizen werden de badruimtes opgenomen in het wooncomplex en stonden ze dus enkel ter beschikking van de mensen die toegang hadden tot het woongedeelte. Het publieke tentoonstellen van zoveel water (dat gebruikt wordt om in te zwemmen) impliceerde wel rijkdom en symboliseerde zo de macht van de koning. (Japp 2000: 36)

Het oudste voorbeeld dat we kunnen aanhalen, is het paleis van Vouni op Cyprus. (Gjerstad 1937: 130 e.v.) In de eerste bouwfase van rond het begin van de 5e eeuw v.C. was dit gebouwcomplex al uitgerust met badruimtes. 2 kamers zijn er uitgerust met een waterafvoer en vertonen sporen van bekkens. Waarschijnlijk werd het badwater eerst nog verwarmd in een keuken en werd het dan gedragen naar de badkamer. Later werd een naburige kamer ingericht als stookkamer, daardoor moest het warme water niet meer getransporteerd worden. In de 2e bouwfase (rond 470 v.C.) werd er langs de reeds bestaande badruimtes nog een zweetbad aangelegd met een vroege soort hypocaust. Elders in het paleis lag ook nog een wasruimte, vlak langs een keuken, voorzien van een afvoerkanaal. Misschien kunnen we hieruit afleiden dat die laatste kamer in dienst stond van het personeel en dat de beter uitgebouwde badkamers (aan de andere kant van het paleis) eerder bedoeld waren voor de belangrijkere bewoners en gasten.

Ook in het paleis van Aï Khanoum (Afghanistan) zijn al badinstallaties te vinden vanaf het begin van de 3e eeuw v.C. De badruimtes in een bepaald deel van het gebouw bevinden zich in 2 parallelle rijen. Ze hebben allen een mozaïekvloer en een afwateringskanaaltje, van watertoevoer of verwarming zijn er geen sporen. Op 2 andere plaatsen in het paleis (blok 4) werden nog meer badkamers in reeksen opgegraven. Er ligt telkens een klein vertrek voor de waterverzorging bij dat in 1 geval in verbinding staat met een stookplaats. Blijkbaar was het typisch voor dit paleis dat de badruimtes in een serie werden aangelegd. Op die manier konden de kleedkamer, de badkamer en de waterverzorgingsruimtes na elkaar doorlopen worden en konden die plaatsen tochtvrij gehouden worden. (Hoffmann 1999: 52-53) Opmerkelijk aan dit paleiscomplex is ook de installatie van een groot zwembad rond het midden van de 2e eeuw v.C., een stukje buiten het woongedeelte. Er werd voorgesteld dat dit rechthoekige bekken misschien bij het naburige gymnasion hoorde, maar als we naar de oriëntatie kijken, lijkt het waarschijnlijker dat het zwembad samenhangt met het paleisgebouw. Mogelijk hoorden sommige reeksen van badkamers bij het ‘officiële gedeelte’ van het wooncomplex, en waren ze enkel bestemd voor de heerser en z’n familie. Een andere reeks zou dan eventueel voor het personeel kunnen dienen, maar daarvoor zijn geen bewijzen. Dat het enorme zwembad open stond voor het publiek is anders wel zeer aannemelijk. Vermoedelijk lag het zwembad in een soort park, iets dat bijdraagt tot de creatie van een “paradijs” rond het paleis. (Nielsen 1999: 127) Het paradijsidee wordt nog versterkt door de aanwezigheid van water, zowel natuurlijk (de rivier die langs het complex stroomt) als artificieel (het grote zwembad).

Zulke grote zwembaden zijn iets wat we een beetje later wel meer zien bij de Hasmonaeïsche paleizen. (Die dynastie kwam steeds meer onder invloed van de Hellenistische manier van leven.) De plaats waar de badinstallaties het mooist bewaard zijn, is Jericho (in Palestina) met zijn complex van winterpaleizen. Het eerste paleis van Johannes Hyrkanos I (uit de 2e helft van de 2e eeuw) had naast joodse rituele baden ook badinstallaties in Griekse stijl. (Netzer 1999: 9-12) Er werden 2 zwembaden van een gelijkaardig model dicht bij elkaar aangelegd. Door hun ligging en overeenkomsten denkt men dat ze bestemd zijn voor 2 verschillende groepen van gebruikers, bijvoorbeeld voor mannen en voor vrouwen. En hoewel de grote bekkens overal ‘zwembad’ genoemd worden, is men toch niet helemaal zeker dat ze ook allemaal effectief gebruikt werden om te zwemmen. Er werd al voorgesteld dat ze eventueel ook konden dienen om vissen in te houden, want visvijvers waren in andere regio’s al vanaf vroege periodes gekend. (Japp 2000: 107) In ieder geval vormden baden vanaf het begin een integraal bestanddeel van het paleiscomplex in al z’n bouwfasen. Ze vormden een kostbaar bezit, want in die tijd waren zwembaden nog zeer zeldzaam. Toen Alexander Jannaios het paleis van zijn vader erfde, bouwde hij het nog verder uit met talrijke nieuwe zwembaden die nog groter en prachtiger waren dan de eerste. (Netzer 1999: 13-17) Zwemmen werd toen blijkbaar op korte tijd zeer populair. Natuurlijk was voor dit alles ook de nodige watervoorraad nodig, en die kwam er door verschillende bronnen in de buurt af te tappen. Deze nieuwe leiding stond toe dat het paleis kon worden uitgebreid en dat er een nieuw bekkencomplex kon worden aangelegd. Dat complex lag buiten het hoofdgebouw van het paleis en besloeg een gebied van ongeveer 1.2 ha groot, wat al veel zegt over het belang van de baden natuurlijk. Middenin werden er 2 bekkens aangelegd volgens dezelfde bouwprincipes als de bestaande baden, met trappen die erin afdalen. En net zoals bij de oude zwembaden wordt er hier ook sterke belangstelling getoond voor de omgeving van de bekkens. Ditmaal gebeurde de planning op grote schaal, wat niet alleen wijst op de betekenis die Jannaios het baden en zwemmen toeschreef, maar ook op de bedoeling om het bekkencomplex te veranderen in een plaats voor het verzorgen en ontvangen van gasten. Het ceremoniële en officiële aspect komt dan in de planning langs een enkele symmetrieas tot uitdrukking. De amusements- en ontvangstzijde van de zaak werd uitgedrukt in de oprichting van een paviljoenachtige hal rond de zwembaden en in de aanleg van een grote siertuin met kollonades langs het complex. Belangrijk is het feit dat het paviljoen, de beide baden en de tuin volgens dezelfde symmetrieas geordend zijn. (afb. 119) Een strook van een kalklaag op een bedding van kiezelstenen verbindt het bekkencomplex met het paleis. Op die strook vonden blijkbaar spelen plaats, wat aansluit bij de amusementsfactor van de baden. Verder is het aannemelijk dat het hele bekkencomplex was omgeven door een hoge omheining, zodat de badgasten beschermd waren tegen nieuwsgierige blikken en hun privé-sfeer werd gegarandeerd.

Uit een passage van Flavius Josephus (Joodse Oudheden, XV 53-56) wordt de betekenis van de zwembaden in het paleis duidelijk. (Netzer 1999: 16-17) We vernemen hier hoe men zich vermaakte, verstrooide en ontspande en verkoeling zocht in de middaghitte. Uit de tekst blijkt ook dat niet alleen de ‘heren’ maar ook de dienaren zich baadden in deze bekkens, verder dat er spelen van verschillende aard plaatsvonden en dat het amusement in de zwembaden meerdere uren duurde en zelfs werd verdergezet wanneer het al donker begon te worden. Binnen de Hellenistisch-Romeinse wereld verdiende dit unieke complex dan ook roemvolle erkenning. Het is ook werkelijk het enige bekende dat volgens een weldoordacht plan in een zwembadcomplex werd omgebouwd. Het was wel gebruikelijk dat zulke baden in badhuizen of paleishoven werden ingericht, maar dat er een apart complex voor werd gebouwd, is hier toch wel speciaal. De Hasmonaeërs kunnen de eersten geweest zijn die zwembaden zo dicht bij het private en ceremoniële gedeelte van het paleis aanlegden.

In de tweelingpaleizen van Alexandra (Netzer 1999: 25-31) zijn de badkamers van bijzondere interesse. Elk deel had een toegangsruimte, een kleedkamer en erlangs een badkamer. Die laatste was door een smalle gang en een overwelfde doorgang bereikbaar, vermoedelijk om warmteverlies te vermijden (deze opstelling van de badruimtes zagen we ook in het paleis van Aï Khanoum). Het systeem voor de waterverzorging, de oplossing voor de afwatering en de verwarming van het water (met een verwarmingsketel) in de beide paleizen verdienen in ieder geval bewondering. Toen deze paleizen werden opgericht, werden er ook enkele veranderingen doorgevoerd aan het bekkencomplex. Hoofdzakelijk vormen de aanpassingen de architectonisch-visuele verbinding tussen de baden en de hen omgevende plaats enerzijds met de tuin met zuilenomgang meer naar het noorden anderzijds. De verbouwingen tonen niet alleen een verfijnder architectonisch inzicht, maar ook een grotere exploitatie van het bekkencomplex en blijkbaar ook van het paleiscomplex. Verder werd er in deze fase ook nog een zwembad aangelegd, waarschijnlijk voor Johannes Hyrkanos II, en een kleiner rechthoekig bekken met alle kenmerken van een zwembad. Omtrent dat laatste bekken zijn er 2 veronderstellingen. Volgens de ene lag dit bad ooit binnen een gebouw en konden ‘bevoorrechte personen’ erin zwemmen in koude winterdagen of bij sterke wind. De andere stelling zegt dat dit bekken in dienst stond van een groter aantal minder belangrijke leden van de koninklijke familie.

In de laatste jaren van het bestaan van het Hasmonaeïsche paleis was er niet veel bouwactiviteit meer. Waarschijnlijk waren veranderingen en verbouwingen ook niet meer nodig omdat het paleis al zo goed ontwikkeld was. Het paleis nog verder uitbreiden ging trouwens niet zo maar, het stond immers bovenop een artificiële heuvel. Bijzonder moeilijk zouden ook de verbeteringen aan de badinstallaties geweest zijn, omdat deze ten eerste een waterverzorging met stromend water, en ten tweede een afwateringssysteem nodig hadden. Dat probleem loste men op door nog een laatste Hasmonaeïsch badgebouw op te richten in een gebied waar ooit een siertuin had gelegen. Dit badhuis in Grieks-Hellenistische stijl is misschien wel het meest ontwikkelde dat de Hasmonaeërs gebouwd hebben.

Het complex van winterpaleizen telde in z’n laatste dagen 7 zwembaden,  een uniek fenomeen in de Hellenistische wereld. Toch werd er geen enkele drup water verspild, want het water uit de diverse baden diende uiteindelijk om de velden en tuinen mee te bevloeien. (Nielsen 1999: 160-161) Het is wel belangrijk om te benadrukken dat het winterpaleiscomplex van Jericho niet het hoofdpaleis was van de koning, dat lag nl. in Jerusalem. Het paleis dat hier besproken wordt, is hoofdzakelijk een recreatieoord. Elementen als een monumentale toegangsweg, grote ceremoniële hallen en ook een administratieve afdeling, kunnen hier dus wel eens ontbreken. De residentiële en recreatie-elementen, samen met de industrie, kregen hier blijkbaar meer aandacht dan bijvoorbeeld in het hoofdpaleis in Jerusalem.

Na de aardbeving in 31 v.C. en na een politiek bewogen periode met gevechten tussen leden van het Hasmonaeïsche koningshuis en Herodes, was er blijkbaar toch een continu gebruik van het paleis tot aan z’n plotselinge verwoesting. Blijkbaar lag het paleis toch al enkele jaren in puin toen Herodes hier aan zijn paleis begon te bouwen. De badinrichtingen die vanaf dan worden geïnstalleerd in het paleis zijn in de Romeinse stijl. In Jericho werd waarschijnlijk ook het oudste badhuis opgegraven in een paleis van Herodes. Vermoedelijk was het dus ook deze heerser die de typisch Romeinse (bad)inrichtingen invoerde in Judea en zo de directe invloed van de Romeinse levenswijze en architectuur in zijn koninkrijk bracht. Het lijkt er zelfs op dat hij vóór was op de gelijktijdige Romeinse badgebruiken.

Uit die vroege periode van Herodes stammen ook de badvoorzieningen in het kernpaleis van Masada. De badkamers zijn nog van het Griekse model en ook het kleine badhuis is gebouwd volgens de Grieks-Hasmonaeïsche stijl. (Hoepfner en Brands 1996: 208) Er is dus geen twijfel over de identieke architecturale oorsprong van deze structuren en die van de Hasmonaeërs. Door de opvallende gelijkenissen tussen de kern van het westelijke paleis in Masada en de tweelingpaleizen van Jericho, schrijven de opgravers de structuren zelfs toe aan dezelfde (school van) architecten. De periode tussen de oprichting van de 2 constructies zou zo’n 40 jaar bedragen. De enige manier om dit fenomeen te verklaren is de hypothese dat Hasmonaeïsche architecten de opdracht kregen van Herodes om hier een van z’n eerste bouwprojecten neer te zetten. Die hypothese wordt volgens de opgravers ook weerspiegeld in de algemene planning van de gebouwen binnen de stad, in de 2 volgende fases is het schema immers helemaal anders.

Behalve het ene koninklijke paleis van Jericho in Judea, werd er ook een paleis van een Hasmonaeïsche gouverneur gevonden (uit de 2e helft van de 1e eeuw v.C) in Tell Judeideh. (Nielsen 1999: 160-161) Hierin kon een zogenaamd officieel Grieks deel (met een zwembad) onderscheiden worden van een privaat oosters gedeelte.

Laat-Hellenistische badvoorzieningen werden ook nog aangetroffen in een paleisachtige structuur in Rhodos. (Hoepfner en Brands 1996: 183-192) Door de latere Romeinse overbouwingen en veranderingen is er wel niet meer veel te zeggen over de aard van de installaties, maar volgens de opgravers waren ze eerder van privaat karakter. Mogelijk stonden ze dus alleen in functie van de familie die het landgoed bewoonde en waren ze niet bedoeld voor gasten, maar dat is niet meer te bewijzen.

 

Van waar kwam nu de inspiratie om zo’n paleizen te bouwen met zulke uitgebreide badvoorzieningen?

Het paleis van Aï Khanoum heeft sterke gelijkenissen met zowel Achaemenidische als Babylonische paleizen wat de layout betreft. Die overeenkomsten zijn vooral te zien in de officiële en administratieve gedeelten. De uitgebreide tuinen (met bijhorend zwembad) hebben voorlopers bij de Perzische ‘paradeisoi’. (Nielsen 1999: 127) Verder werd dit paleis ook geïnspireerd op de koninklijke paleizen van de Ptolemaeërs en de Seleuciden. De residentiële delen van het paleis, met de vele kamers en gangen en platte daken, kennen dan weer grote gelijkenissen met de Neo-Babylonische paleizen in Babylon. Die Griekse/ Macedonische invloed is vooral te zien in architecturale decoratie-elementen. De aanwezigheid van een gymnasion wijst ook op de Griekse oorsprong van de stad. (Hoepfner en Brands 1996: 211)

Beide paleizen van Jericho en Tell Judeideh tonen eveneens componenten uit zowel de oosterse als de westerse architecturale traditie, wat een reflectie is van de vroegere geschiedenis van Palestina. (Nielsen 1999: 162) Er zijn ook bepaalde gelijkenissen met lokale voorgangers, zoals de Perzen en de Seleuciden, maar in z’n geheel lijkt het paleiscomplex van Jericho toch een architecturale innovatie te zijn. Ongetwijfeld was de algemene opmaak van de gebouwen in de paradijselijke parken van Jericho, met grote omsloten tuinen en zwembaden, oorspronkelijk geïnspireerd door Perzische paleizen (door tussenkomst van Alexandrië en misschien Antiochië). De buitenkant en de architecturale elementen van het paviljoen (van Jannaios) in Jericho zijn dan wel Grieks, het plan is toch fundamenteel Perzisch.

Het feit dat een cruciaal element in de koninklijke paleizen in Macedonië en Pergamon, namelijk het peristylium, blijkbaar afwezig is in Jericho, is een indicatie van de oppervlakkigheid van de Griekse invloed. (Hoewel, in het paleis van Tell Jedeideh werd wel een primitieve variant van het peristylium gebruikt.) Die invloed was vooral beperkt tot decoratieve architecturale elementen, tot verfraaiing van het interieur en tot de badkamers in Griekse stijl (die zeer populair waren in deze periode). Hoewel badkamers verre van onbekend waren in het Oosten, waar ze gekenmerkt werden door geplaveide of bepleisterde ruimtes en waarschijnlijk uitgerust waren met verplaatsbare badkuipen (zoals de bronzen kuipen uit het Noord-Syrische paleis van Zinçerli), zijn de ingebouwde onderdompelingskuipen van de Hasmonaeërs toch van het Griekse type. In de periode waarin het paleis van Jericho z’n laatste vorm bereikte, in de 1e helft van de 1e eeuw v.C., was de mengeling van verschillende trends toch zeer groot.

Zelfs als de Hellenistische koninklijke paleizen van Alexandrië en Antiochië dat van Jericho hebben geïnspireerd, dan is het toch opvallend dat er totale afwezigheid is van ‘publieke’ gebouwen. De reden hiervoor is misschien dat het complex vooral recreatiedoeleinden had, maar we mogen ook niet vergeten dat de Hasmonaeïsche dynastie, tenminste in het begin, joods en zeer anti-Hellenistisch was. Ze voelden zich niet aangetrokken tot de instellingen van de Griekse polis, maar later werd het koningshuis dan toch tot op zekere hoogte gehelleniseerd. Een bewijs van hun joodse geloof kunnen we zien in de aanwezigheid van vele rituele baden (miqvaot) in het paleis, ze zijn echter wel dikwijls gecombineerd met Griekse badkamers of zwembaden. Hoewel zulke zwembaden gekend waren uit Hellenistische paleizen in het Oosten en uit Griekse gymnasia, zijn ze hier toch zeer prominent. De bijzondere nadruk op zwemmen staat daarom misschien in verband met het joodse ritueel van baden, en de zwembaden werden misschien ook gebruikt voor dat doel.

In de laatste fase van de paleizen van Judea, in het 2e kwart van de 1e eeuw v.C., zijn er tekenen van een toenemende ‘verwestelijking’. Met de komst van Herodes worden er dan ineens heel wat Romeinse invloeden binnengebracht.

Wat de vroege badinstallaties in het paleis van Masada betreft, kunnen we er zeker van zijn dat ze door dezelfde culturen werden beïnvloed als het complex van Jericho. Beide structuren werden immers door dezelfde architecten gebouwd. In Masada zal die stimulans wel snel veranderen door de Romeinse inbreng van Herodes.

Waar de Cyprioten het idee haalden om al in de 5e eeuw v.C. badinstallaties te voorzien in het paleis van Vouni, is niet duidelijk. Op het Griekse vasteland had men rond die tijd al wel een goed ontwikkelde kennis van het badwezen. Aangezien Cyprus reeds vroeg een belangrijke rol speelde in de handel en kolonisatie van de Egeïsche wereld, lijkt het aannemelijk dat ze gelijktijdige Griekse voorbeelden imiteerden. Cypriotische handelaars zouden op het vasteland met badinstallaties in aanraking kunnen gekomen zijn, om dan hun kennis ervan mee terug naar huis te nemen. Een andere mogelijkheid is dat er Griekse mensen op Cyprus belandden die daar de badvoorzieningen bouwden of toonden hoe het moest.

Door de weinig overgebleven resten van het bad in het laat-Hellenistische monumentale gebouw in Rhodos, is er ook in dat geval nog maar weinig te zeggen over de invloeden. Opnieuw gaat het hier om een eiland met een vooraanstaande positie in de handelsnetwerken van het Mediterrane gebied. De contacten met diverse culturen hebben hier zeker hun sporen nagelaten.

 

 

3.3 Publieke seculiere baden

 

In de moderne literatuur werd er al dikwijls gewezen op de verbinding die er vanaf het begin was tussen gymnasia en waterpunten. Zelfs voor men de nood had om speciale terreinen en gebouwen in te richten voor fysieke oefeningen, deed men wellicht al aan lichaamsbeweging op plaatsen waar de aanwezigheid van water het wassen en ontspannen vergemakkelijkte. Het is daarom dat gymnasia dikwijls gebouwd werden in de buurt van de zee, bij een waterloop of dicht bij bron. Voor die wassingen was er immers voldoende water nodig, men ging er ook de nodige installaties voor oprichten. Zo begon de ontwikkeling van primitieve wasvoorzieningen in gymnasia die steeds verder evolueerden om te voldoen aan de groeiende eisen van de gebruikers.

Voor de gewone burgers die geen eigen badkamer hadden in huis en voor iedereen die niet genoeg had aan de geringe wassingen in de fontein van de stad, was het nodig dat er publieke badhuizen werden opgericht waar iedereen kon genieten van het grootste comfort.

 

3.3.1 Chronologische spreiding

 

Hier wordt een lijst opgesteld van alle Griekse baden per periode. Voor de volledigheid worden hier niet alleen de seculiere baden opgenomen, maar ook de voorzieningen bij heiligdommen en paleizen. (De precieze dateringen van de baden zijn te vinden in de catalogus.) Indien er meerdere data zijn gegeven per complex, gebruiken we hier telkens de vroegste. Van de gevallen waarvan duidelijk gescheiden bouwperiodes gekend zijn, zullen die fasen ook afzonderlijk in de lijst worden geplaatst. De baden die eerder als ‘twijfelachtig’ werden bestempeld, staan hier in schuine letters. Degene die enkel literair geattesteerd zijn, worden hier niet opgenomen omdat er vaak geen datering van gekend is. Elke categorie krijgt een aparte kleur, zodat de evolutie van de types van baden ook zichtbaar wordt. We moeten in dit verband wel opmerken dat niet alle dateringen op een even betrouwbare basis werden gestoeld.

 

            Baden in gymnasia: groen

            Baden in publieke gebouwen: rood

            Baden in paleizen: grijs

            Baden in religieuze context: blauw

 

 

5e eeuw v.C.                                 Athene – Dipylonpoort

                                                       Olympia – Zweetbad

                                                       Olympia – Kladeos Bouw I en II

                                                       Selinunte

                                                       Aigina

                                                       Olympia – Zwembad

                                                       Vouni

                                                       Korinthe – Painted Building

5e/4e eeuw v.C., overgang      Korinthe – Lernabron

                                                       Korinthe – Centaurbad

                                                       Thera

4e eeuw v.C.                                Piraeus

                                                       Kolophon

                                                       Oropos

                                                       Isthmia

4e eeuw v.C., 2e helft                Gela

                                                       Delphi

                                                       Nemea

                                                       Morgantina

4e/3e eeuw v.C., overgang       Gortys

                                                        Troizene

                                                        Eretria – Gymnasion

                                                        Ai Khanoum – Paleis, onder kamer 20

                                                        Olympia – Kladeos Verbouwing IIa

                                                        Kyrene

3e eeuw v.C., 1e helft                 Epidauros

                                                       Megara Hyblaea

                                                       Olympia – Kladeos Bouw III

                                                       Qasr-Qarun

                                                       Delos – Gymnasion

3e eeuw v.C.                               Ai Khanoum – Paleis, blok 4

                                                      Eleusis

                                                      Eretria – Havenbaden

                                                      Olympia – Kladeos Verbouwing IIIa

3e/2e eeuw v.C., overgang     Olympia – Gymnasion

                                                      Oiniadai

                                                      Asafrah

                                                     Ai Khanoum – Badkamers 34, 35

2e eeuw v.C., 1e helft              Syrakuse

                                                    Aigeira-Hyperesia

                                                    Ai Khanoum – Badkamers 82-86

                                                    Ai Khanoum – Rotonde

                                                    Velia

2e eeuw v.C.                            Olympia – Hellenistisch bad

                                                   Ai Khanoum – Zwembad

                                                   Pergamon

                                                  Delos – Palaestra Graniet

2e eeuw v.C., 2e helft            Delos – Palaestra Heilig Meer

                                                  Priene

2e/1e eeuw v.C., overgang  Athene – Zuidwestbaden

                                                  Delos – Agora Italiërs

                                                  Jericho

                                                  Olympia – Kladeos Bouw IV

Ptolemaeïsch                         Kom en-Negileh

                                                 Kom Ganâdy

                                                 Abukir

                                                 Taposiris Magna

                                                 Hermopolis

                                                 Medinet-Ghoran

                                                 Tell Atrib

Hellenistisch                          Athene – Pouloupouloustraat

                                                 Korinthe – Fontein Lampen

                                                 Marsa-Matrouh

                                                 Rhodos

1e eeuw v.C.                          Masada

                                                 Petra

                                                 Tell Judeideh

                                                 Karnak

1e eeuw n.C.                          Tell Edfou (?)

 

Dankzij deze lijst kunnen we enkele vaststellingen doen. We zien namelijk dat er publieke badcomplexen verschijnen vanaf (het begin van) de 5e eeuw v.C. Bij die vroegste voorbeelden speelt vooral Olympia een grote rol en ook in Korinthe was men er blijkbaar als de kippen bij om badinstallaties op te richten (hoewel, de 3 eerste complexen daar zijn alle 3 twijfelachtig). Vanaf de 4e eeuw v.C. konden gymnasia en palaestra beschikken over wasvoorzieningen en ook in de heiligdommen kenden baden een vroeg succes. De reden waarom er na de 3e eeuw v.C. geen religieuze baden meer werden opgericht, is waarschijnlijk omdat de eerste baden nog lang in gebruik bleven. Ook van enkele baden in gymnasia en in publieke gebouwen is geweten dat ze hun functie pas een paar eeuwen later verloren. Bij de paleizen is het opmerkelijk dat Ai Khanoum het enige voorbeeld is waar al badvoorzieningen waren vanaf eind 4e/begin 3e eeuw v.C. De installaties in andere paleizen dateren pas van 2 eeuwen later, zij het dan wel in veel grotere omvang.

We moeten bij de baden uit de Ptolemaeïsche periode wel nog zeggen dat deze zeer moeilijk te dateren zijn. Ook bij de andere Griekse badhuizen uit boven- en beneden-Egypte moeten we steeds voorzichtig omgaan met de gegeven datering. Deze badcomplexen zijn relatief slecht gekend en meestal niet zo goed opgegraven. De dateringen zijn vaak gebaseerd op de constructiewijze, zelden op de relatie met gedateerde artefacten. Een belangrijke publicatie hieromtrent, van E. Breccia, dateert trouwens al uit 1923. Hij heeft wel enkele sites bezocht, maar zijn onderzoek ter plekke was meestal zeer bescheiden en hij geeft zwakke (of helemaal geen) argumenten voor z’n dateringen. De publieke baden in Egypte bleven trouwens zeer lang in gebruik, in vele gevallen leefden ze door tot in de Keizertijd. Ze stonden dan naast nieuwe Romeinse modellen en sommige Griekse baden werden omgebouwd in Romeinse thermen, of toch gedeeltelijk gemoderniseerd.

 

3.3.2 Geografische verspreiding

 

Om een goed overzicht te krijgen, zetten we hier alle sites (uit de verschillende contexten) opnieuw in een lijst, ditmaal per regio. De twijfelachtige baden staan weer in schuine letters en de literair geattesteerde zijn niet opgenomen in de reeks. Indien er meerdere complexen zijn op 1 plaats, dan staat het aantal er tussen haakjes bij. We gebruiken dezelfde kleuren per categorie als bij de chronologische lijst.

 

Griekenland

            Attica: Athene (3)

                        Eleusis

                        Oropos

                        Piraeus

                        Delphi

            Peloponnesos: Aigeira-Hyperesia

                                   Epidauros

                                   Gortys

                                   Isthmia

                                   Korinthe (1+2+1)

                                   Nemea

                                   Olympia (1+4)

                                   Troizene

            Akarnania: Oiniadai

            Eilanden: Aigina

                            Delos (2+1+1)

                            Eretria (1+1) (op Euboia)

                            Thera

                            Vouni (op Cyprus)

                            Rhodos

Klein-Azië (westkust): Kolophon

                                   Pergamon

                                     Priene

Italië: Velia

            Sicilië: Gela

                        Megara Hyblaea

                        Morgantina

                        Selinunte

                        Syrakuse

Noord-Afrika: Kyrene

                        Marsa-Matrouh

                        Tell Edfou

            Nijldelta: Abukir

                            Kom en-Negileh

                            Taposiris Magna

                            Qasr-Qarun

                            Kôm Ganâdy

                            Tell Atrib

            Neder-Egypte: Asafrah

                                   Medinet-Ghoran

            Boven-Egypte: Karnak

                                   Hermopolis

Palestina: Jericho

                Masada

                Tell Judeideh

Afghanistan: Aï Khanoum

Jordanië: Petra

 

Uit deze opsomming blijkt dat badvoorzieningen bijna over de hele Griekse wereld verspreid waren. Toch springt het Griekse vasteland eruit met z’n 24 badcomplexen (vooral in de Peloponnesos), de Griekse eilanden doen daar nog eens 10 plaatsen bij. Maar ook in Egypte (10 baden) en op Sicilië (5 sites) waren Griekse baden blijkbaar populair. Wat ook opvalt, is dat we voor badvoorzieningen in paleizen in het oosten moeten zijn. Baden in religieuze context treffen we, op Kyrene na, enkel aan op het Griekse vasteland en haar eilanden. Gymnasia waar men zich kon baden, zien we wel weer over een ruim gebied, maar publieke baden in het algemeen hebben zich toch nooit zó wijd verspreid als het gymnasion. In de Hellenistische periode kende het gymnasion immers een grote bloei in Egypte, Klein-Azië en Griekenland zelf. (Forbes 1945: 34)

Aanvankelijk speelde de Griekse kolonisatie (o.a. naar Sicilië en de westkust van Klein-Azië) een grote rol bij de verspreiding van hun badgebruiken. Later, in de Hellenistische periode, kwamen verschillende regio’s in direct contact met de Griekse wereld. (Nielsen 1990: 9)

 

Op een kaart (fig. 61+62) werden alle plaatsen aangeduid waar resten van Griekse publieke baden zijn aangetroffen: zowel de zekere, de onzekere als de literair geattesteerde baden.

 

3.3.3 Types van badcomplexen

 

In de seculiere sector onderscheiden zich 2 types van gebouwen waarin badvoorzieningen zijn ondergebracht, namelijk gymnasia en openbare badgebouwen. Omdat ze ieder een ander soort van voorzieningen hebben, voor verschillende wassingen bedoeld zijn en ook ten dienste staan van een ander publiek, worden ze hier eerst apart besproken.

 

                        3.3.3.1 Gymnasia

 

In de loop van de 7e eeuw v.C. wordt er meer aandacht geschonken aan atletiek en gymnastiek, door verandering in de sociale behoeften, stedelijke structuren die zich stilaan ontwikkelen en de vraag naar geoefende krijgsmannen. (Ginouvès 1962: 125 e.v.) Dit leidde stilaan naar de oprichting van georganiseerde gymnasia en de daarbijhorende wassingen. Hiervoor was natuurlijk genoeg water nodig, en wanneer de grote gymnasia zich ontwikkelden, kwamen er ook steeds betere oplossingen waarbij men het water soms van ver liet komen. Over die vroege periode zijn we niet zo goed ingelicht, omdat die primitieve structuren meestal vervangen werden doorheen de ontwikkeling van het gymnasion. Van vaasvoorstellingen uit die periode leren we wel wat over de aard van de installaties die er toen beschikbaar waren. Wassen onder een waterstraal in openlucht bleef nog lang gebruikelijk en ook simpele wassingen in fonteinbassins en verhoogde bekkens werden meermaals afgebeeld. Er was dus nood aan eenvoudige, makkelijk verplaatsbare bekkens. In de loop van de 4e eeuw v.C. veranderde de rol van het gymnasion in het alledaagse leven (door verandering in de gewoonten), het was niet alleen een instituut voor educatie, maar verwierf ook een aanzienlijke sociale en culturele rol. Dit gebouw ging  zich meer integreren in de urbane architectuur en werd gemonumentaliseerd. Er komen dan meer gerieflijke en aangename voorzieningen voor het wassen, dat gebeurde nu niet meer in openlucht, maar in een speciaal daarvoor voorziene kamer. Rond die tijd zien we ook het woord loutron voor het eerst verschijnen in antieke teksten en inscripties.

Het gymnasion of palaestra kon verschillende van die speciale ruimtes voor lichaamsverzorging bevatten. (Nielsen 1990: 10) We zijn geïnformeerd over het bestaan van een zalvingskamer (aleiptèrion), een kleedkamer (apodytèrion), een badkamer met koud water (loutron), soms met bijhorend zwembad of zweetbad. Al die vertrekken zijn niet altijd aanwezig en de resten ervan zijn dikwijls moeilijk te identificeren. Hoewel, er zijn toch enkele karakteristieke eigenschappen: het apodyterion kan herkend worden aan nissen of planken om kleding op te bergen, het loutron is voorzien van verhoogde bassins (lènoi genaamd) en watertoe- en afvoer en zwem- en zweetbaden hebben een typische vorm. De wasruimte neemt meestal een kleine, maar beschermde plaats in, in een van de hoeken van het gebouw. (Daar kon het water ook het best worden aangevoerd en weer worden weggebracht.) In de vele gevallen ligt het loutron ook nog eens achter een voorkamer, of achter een dubbele portiek. Zo is er geen directe luchttoevoer van buitenaf mogelijk. Die loutrones waren wel echte nutsruimtes, geen plaatsen voor ontspanning, en er werd enkel koud water gebruikt.

 

De ronde bekkens op een hoge voet worden nu bijna verlaten, in plaats daarvan worden de bassins nu op gootsteenhoogte tegen de muur geplaatst (daarvoor is een rechthoekige vorm uiteraard beter geschikt). (Ginouvès 1962: 130 e.v.) Ze worden in een continue rij achter elkaar geplaatst zodat het water van het ene bekken in het andere kan overlopen. Stromend water vloeit meestal door een tuit in de vorm van een dierenkop in de wasbakken. Resten van zulke loutrones konden op verschillende plaatsen vastgesteld worden.

Het oudste voorbeeld, uit de 4e eeuw v.C., is dat van Delphi. Daar werd het loutron aangelegd als een aparte structuur (in openlucht), buiten het palaestra. Er staan 2 symmetrische groepen van ieder 5 marmeren bassins op een rij met leeuwenkopsproeiers erboven. Ze rusten op voetstukken die tegen de ondersteuningsmuur van het bovenliggende terras staan. Het water stroomde door de sproeiers in de communicerende bassins en liep zo naar het midden, daar konden de 2 centrale bekkens het water laten overlopen in een goot. Het water in die goot stroomde naar een zwembad een beetje verder, daarover zullen we later nog iets meer zeggen. Deze installaties waren voldoende om een redelijk groot aantal atleten zich te laten wassen. (Ginouvès 1962: 131)

In dezelfde eeuw werden ook de wasvoorzieningen van Nemea gebouwd. Een apart gebouw, dat deel zou uitmaken van het gymnasion, wordt aan een zijde ingenomen door 2 kuipruimtes die een centraal zwembad flankeren. In de 2 zijruimtes staan telkens 4 verhoogde bassins op een rij opgesteld tegen de verste zijmuur. Het water uit een kanaal in de muur vloeide door openingen in de bassins, het overtollige water liep door ondiepe groeven in de rand op de vloer (die diende voor de afwatering). Om de watervoorraad te garanderen lagen er achter het gebouw enkele reservoirs.

De badinstallaties van het gymnasion van Eretria zouden dateren van het einde van de 4e eeuw v.C. De inrichtingen zijn analoog aan de voorgaande, oorspronkelijk stond er een serie van 7 bassins tegen de muur van de wasruimte. Elke kuip heeft een afvoergat en een U-vormig overloopgeultje.

Het gymnasion van Epidauros uit de eerste helft van de 3e eeuw v.C. had mogelijk 2 loutrones. Het is zeer aannemelijk dat er in die 2 ruimtes bekkens stonden op voetstukken tegen de muur, dat is af te leiden uit groeven op de bodem.

In Delos bestond er een inventaris die het loutron van het gymnasion vermeldde. De ruimte in de hoek van het gebouw kon als loutron geïdentificeerd worden, door de indirecte toegang, de dikke muren en de vloertegels (die elders in het gebouw niet aanwezig waren). De 5 verhoogde marmerbekkens die zich volgens de inventaris in dat vertrek bevonden, zijn niet teruggevonden.

Volgend in de rij is het gymnasion van Olympia, uit de 3e eeuw v.C. Hoewel de opgravers er aanvankelijk anders over dachten, kon het loutron hier later toch worden herkend in de hoek van het palaestra. Er komt een waterleiding toe bij deze ruimte en op vloerniveau ligt een afvoerpijp. Er werden enkele bekkens gevonden in de buurt die men hier reconstrueert. De langwerpige bassins zouden in een rij, vrijstaand in de ruimte, op voetstukken hebben gestaan. Een afvoer hebben de bekkens niet, maar wel een overloopgootje dat hen onderling verbond.

Van de troggenmuur van Aigeira-Hyperesia, uit de overgangsfase van de 3e naar de 2e eeuw v.C., vermoedt men d