| Griekse publieke baden. Chronologische ontwikkeling, typologie en functie. (Katrien Luts) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
2. Analyse
aleipterion: ruimte waar men zich met olie kon insmeren, ‘zalvingskamer’ in verbinding met het Griekse gymnasion (Yegül 1992: 487)
apodyterion/ apodyterium: vestiaire of kleedkamer in een badhuis (Weber 1996: 184)
caldarium: (belangrijkste) verwarmde badruimte in Romeinse thermen (DeLaine 1989: 119)
ephebeion/ ephebeum: de hoofdkamer in een Grieks gymnasion, beschreven door Vitruvius als “de ruimte van de jonge kerels… het is een zeer ruim vertrek met zitbanken erin”. Dit is het leslokaal voor de ‘epheben’ (jongelingen in het stadium net voor volwassenheid), deze ruimte zou zowel een functie gehad hebben in de opleiding als in het sociale leven. (Yegül 1992: 490)
frigidarium: de koude badruimte in Romeinse badcomplexen (Gros 1996: 392)
gymnasion/ gymnasium: de plaats waar jongens en mannen in de Griekse wereld een opleiding kregen de ‘mousikè’ (retoriek, poëzie, muziek…) en de gymnastikè (sportopleiding), naast hoofdzetel van onderwijs en sport had dit gebouw nog heel wat nevenfuncties (Forbes 1945: 33)
hypocausis/ hypocaust(um): letterlijk “een vuurhaard die van onderuit verwarmt”, een verwarmingssysteem dat bestaat uit een verhoogde vloer en/of holle muren (soms ook een hol gewelf) en door een stookoven wordt verwarmd (Nielsen 1990: 14)
in situ: nog ter plaatse voorhanden (Weber 1996: 185)
laconicum: komt van ‘zweten op de Laconische manier’, een hete, droge zweetkamer in badgebouwen (dikwijls in de ronde vorm zoals aangeraden door Vitruvius) (Nielsen 1990: 11, Yegül 1992: 491)
lènos (ληνός): Grieks woord voor ‘kuip’, meestal gaat het om rechthoekige bekkens (Ginouvès 1962: 132)
loutron: badruimte in een Grieks gymnasion, voorzien van koud water, oorspronkelijk in openlucht, later in een aparte (rechthoekige) kamer, gekarakteriseerd door een rij onderling verbonden bekkens (Nielsen 1990: 10-11)
opus signinum: de Italiaanse ‘cocciopesto’, vloerbedekking van beton met ceramiekscherven ingedrukt in de massa, het oppervlak wordt bestrooid met kleinere stukjes (Adam 1984: 253)
palaestra: sportterrein in/aan het gymnasion met kamers aan één of meerdere zijden, ze konden ook onafhankelijk bestaan (wordt besproken door Vitruvius in z’n 5e boek) (Nielsen 1990: 10)
púelos (πύελος): een badkuip, benaming gebruikt in enkel antieke bronnen (Sears 1904: 219)
sudatorium/ sudatio: een zweetkamer met vochtige warmte (niet te verwarren met het laconicum; het droge zweetbad) (Yegül 1992: 493)
suspensura: in de beschrijving van de hypocaustumvloer door Vitruvius “hangende vloer” of “zwevende vloer”, eigenlijk gaat het over een vloer (in een verwarmingssysteem) die gedragen wordt door dunne pilaren (Yegül 1992: 493)
tepidarium: lauwe ruimte in Romeinse baden, als tussenschakel tussen het koude en het warme bad (Gros 1996: 391)
testudo/ testudines: metalen vat in de vorm van het schild van een schildpad (open aan het ene uiteinde en gesloten aan het andere) om water te verwarmen en warm te houden (Weber 1996: 186)
tholos: rondbouw, vaak overdekt door een gewelf (al dan niet met centrale opening) en anders door een puntdak, dikwijls gebruikt in Griekse badcomplexen of als zweetkamer in Romeinse thermen (Ginouvès 1962: 197)
Dit overzicht werd zoveel mogelijk chronologisch opgesteld. De baden worden ingedeeld per categorie: publieke badgebouwen, baden in religieuze context, baden in paleizen en baden in gymnasia. Indien het niet helemaal duidelijk is in welke context de badvoorzieningen zich bevonden, dan worden ze hier bij ‘publieke badgebouwen’ geplaatst. Omdat de oudst gekende voorbeelden tot die categorie behoren, staan ze hier ook eerst. Bij de gymnasia zijn de oudste badinstallaties twijfelachtig en de andere gevallen zijn een stuk later, daarom komt deze groep hier als laatste aan bod. ‘Zekere’ Griekse baden (met duidelijke argumenten) en ‘onzeker geïdentificeerde baden’ (twijfel of ze wel als Grieks of als publiek kunnen bestempeld worden), worden in deze lijst door elkaar geplaatst. (De namen van de onzekere baden zijn schuin gedrukt.) Op die manier blijft de chronologische volgorde zoveel mogelijk gerespecteerd. De literair geattesteerde baden waarover niet veel geweten is, werden alfabetisch gerangschikt omdat een datering meestal ontbreekt.
2.2.1 Zeker en onzeker geïdentificeerde Griekse baden
PUBLIEKE BADGEBOUWEN
Nr. 1 Selinunte (westkust Sicilië)
Literatuur: Gabba en Vallet 1980: 408-410, Ginouvès 1962: 38+87, Hoffmann 1999: 178
Opgravingen: Deze site kon pas in de 16e eeuw geïdentificeerd worden, het ‘Deutsche Archäologische Institut’ heeft er enkele jaren opgegraven.
Topografische ligging: in een woongebied ten westen van tempel C
Datering: 6e-5e eeuw v.C. (door historische gegevens gedateerd vóór 409 v.C.; voor de verwoesting door de Karthagers)
Beschrijving:
Algemene vorm:
niet meer te zeggen
Afmetingen:
niet gekend
Bewaringstoestand:
badkuip vrij goed bewaard, weinig overgebleven van het gebouw (enkele resten van bodembedekking)
Overzicht:
Van op de straat, die parallel loopt aan de westelijke fundamenten van tempel C, kwam men door een smalle doorgang in een soort hal waar aan de zuidkant een kamer uitsteekt. In die ruimte werd in 1921 een vrijstaande terraccottabadkuip gevonden, die gedateerd moet worden in de periode voor 408 v.C., voor het begin van de wederopbouw van Hermokrates. De kuip heeft een gebogen voorzijde, de bodem heeft een uitholling in het voorste deel en een zitje achteraan. Verder wordt er ook nog een afvoergat vermeld (zonder verdere aanwijzingen). De vloerbedekking van de kamer bestaat uit aangestampte leem, één van de wanden wordt doorboord door een kanaal. Dat kanaal is in de ondergrond uitgegraven en leidt het water over een bepleisterd gangetje naar een verzamelbekken.
Noot: We kunnen hier niet zeker zijn of het gaat om een openbaar bad als onafhankelijke eenheid, of om een badkamer in een groter gebouwcomplex. De grootte van dat bouwcomplex laat dan weer niet toe om het bad te bestempelen als een privé-voorziening in de enge zin, de nabijheid van de tempel doet ook eerder denken aan een publieke functie. Volgens Hoffmann hebben we hier te doen met een paleiscontext (zonder een reden te geven), maar daarover is niets terug te vinden bij de andere auteurs. Door het gebrek aan meer gegevens en de voorzichtige interpretatie, kan deze structuur dus niet zeker als een Grieks publiek bad gezien worden.
Nr. 2 Athene – Dipylonpoort (afb. 8)
Literatuur: Ginouvès 1962: 184+193, Pierce Blegen 1936: 547-549, Travlos 1971: 180
Opgravingen: In 1914-1915 werd de regio ten noorden van de Dipylonpoort al onderzocht door H. Johannes en K. Gebauer. Ze hadden toen al alle Middeleeuwse en laat-Romeinse lagen verwijderd, zodat de opgravingen van de oudere lagen konden verder gezet worden.
Topografische ligging: tussen de Dipylonpoort en het graf van de Lacadaemoniërs, buiten de poort aan de westkant van de straat
Datering: Het bad werd opgegeven in de tijd dat het Lacadaemonische graf werd gebouwd, nl. in 404/403 v.C. De verschillende vloerbedekkingen dateren allemaal uit de 5e eeuw v.C. (Travlos geeft geen reden voor de datering, mogelijk is deze wel te vinden in Archeologische Anzeiger 1936 p. 208-212, maar die uitgave was voor ons niet toegankelijk)
Beschrijving:
Algemene vorm:
resten van een ronde structuur
Afmetingen:
vloer: 8.20m diameter met buitenzone, 5.40m diameter mozaïek
Bewaringstoestand:
enkel vloerbedekking en waterleidingen overgebleven, tegenwoordig overdekt
Overzicht:
Binnenin het bad lag een mozaïekvloer, deze bodem was blijkbaar belangrijk, want er waren 3 voorgangers van dezelfde diameter (allemaal uit dezelfde eeuw). De eerste 2 zijn eenvoudige aangestampte vloeren van aarde, de latere 2 bodembedekkingen bestaan uit een zeer goed gepolijste mozaïek van keitjes. Errond ligt een lege krans en het middelpunt ligt iets hoger zodat het water kon afvloeien naar het smalle kanaal rond de kant. Alle 4 de structuren hadden afvoerleidingen van terracottabuizen of stenen kanalen. Enkele grote cisternes, bedekt met een pleisterlaag, die in de buurt werden gevonden, behoren misschien tot dit badgebouw. De ronde mozaïekvloer blijkt een deel te zijn van een gesloten badkamer.
In de antieke bronnen werd dit bad ook vermeld. (zie Pierce Blegen 1936: 547-549) Volgens Isaeus (in Harpokration) stond er in de 1e helft van de 4e eeuw een bad voor de Thriasische poort, de voorloper van de Dipylonpoort, nabij het graf van Anthemokritos. Pausanias (I, 36, 3) vermeldde een bad langs de ‘Heilige Weg’ (de weg in dit gebied kruist de weg naar Eleusis).
Noot: Er zijn parallellen gevonden met mozaïeken uit Thera, Eretria, Oiniadai en Piraeus.
Ginouvès denkt dat er in de lege krans rond de mozaïekvloer misschien een reeks zitbekkens te reconstrueren is.
Nr. 3 Olympia – Zweetbad (fig. 3)
Literatuur: Hoffmann 1999: 162, Kunze en Schleif 1944: 39-40, Mallwitz 1972: 268-269, Wacker 1996: 80-85
Opgravingen: Tijdens Duitse opgravingen in 1879/80 (o.l.v. E. Curtius en F. Adler) werd dit gebouw opgegraven, het werd toen bestempeld als ‘Heroon’. Tijdens de campagnes in 1940/41 werden de ruïnes opnieuw onder de loep genomen door E. Kunze en H. Schleif.
Topografische ligging: ten zuidoosten van het Griekse badgebouw aan de Kladeosrivier
Datering: moeilijk te dateren volgens fundamenten, muren en dakpannen, mogelijk bestond het gebouw al ten tijde van het oude zitbad II, bijgevolg is het gelijktijdig of vlak na Bouw I opgericht, d.w.z. 1e helft 5e eeuw v.C. (de schrifttekens op het altaar wijzen op een laat-Hellenistische periode)
Beschrijving:
Algemene vorm:
bijna vierkant gebouw met 3 ruimtes, de tholos is ingebouwd in een vierhoekige structuur
Afmetingen:
portaal: 4.50m diep
zuidoostruimte: 9 x 7m
tholos: 8.04m diameter, orthostaten: 0.48m dik, deuropening (W): 1.65m breed
Bewaringstoestand:
in slechte staat door 20 graven die het gebouw hebben verstoord
Overzicht:
Aan de westkant neemt een portaal met een grote open muurzijde, waarin 4 zuilen staan, de volledige breedte van het gebouw in. Van de kleinere zuidoostruimte zijn enkele onduidelijke fundamentresten gevonden, die door de aslaag rondom als ‘altaar’ of ‘haard’ worden verklaard, maar ze kunnen evengoed tot een grote oven behoren. Het zogenaamde altaar is verschillende malen bepleisterd en het woord ‘ΗΡΩΟΣ’ staat erop geschreven.
In de vierkante hoofdruimte aan de noordoostzijde is een tholos ingepast. De sokkel bestaat uit grote orthostaten die enkel aan de binnenkant zijn gebogen, hier bovenop stond een dunne wand uit vakwerk van leemtichels. De ruimte was dus onmogelijk overwelfd. De vierkante structuur rond de tholos had als bovenbouw ook enkel een vakwerkwand, waarop dan een houten tentdak kon rusten. Op het vloerniveau in de tholos vond men een dikke laag groenachtige klei, waaraan bij de identificatie als ‘Heroon’ geen bevredigende verklaring zou kunnen gegeven worden. Als waterdichte onderlaag van een (nu verdwenen) leemvloer of bodem van stenen platen zou het wel een aanwijzing kunnen zijn voor het gebruik als zweetbad. De onderneming van dit zweetbad gebeurde op de meest eenvoudige manier. In de zuidoostelijke ruimte werden kruiken met water verwarmd op een soort oven, deze werden dan door het portaal (dat misschien ook als kleedkamer diende) naar de tholos gebracht om voor damp te zorgen. In die tholos waren er, behalve vermoedelijke houten banken rondom, geen voorzieningen en er zijn ook geen sporen van watertoe- of afvoer gevonden. De bron net ten noorden van het gebouw zal wel voor het nodige water gediend hebben. Mogelijk had de tholos aan die noordkant nog een toegang voor de bediening.
Noot: Het gebruik van de tholos als zweetbad moet ten laatste ingesteld zijn bij de verbouwing van het technisch veel hoogstaandere zweetbad, een beetje meer naar het westen (het ‘Griekse hypocaustbad’). Het kleine gebouw bleef daarna wel nog staan en werd zelfs in de Romeinse periode nog hersteld, dat wil zeggen er in het antieke Olympia nog lang een badcultuur was. Waarschijnlijk is de tholos in een latere periode omgevormd tot Heroon, toen hij z’n oorspronkelijke functie verloren had.
Nr. 4 Olympia – Badgebouw aan de Kladeos (fig. 4)
Literatuur: Ginouvès 1962: 43+184-189+191+206-208, Hoffmann 1999: 158-161, Kunze en Schleif 1944: 32-39+46-56, Mallwitz 1972: 269-273, Sinn 2004: 123-125
Opgravingen: in 1939 werd het badcomplex ontdekt door een Duits team o.l.v. E. Kunze, tijdens de campagnes van 1940/41 werden de opgravingen voltooid
Topografische ligging: aan de oever van de Kladeos-rivier, ten oosten van het zwembad, ten zuidwesten van het palaestra en ten noordwesten van het zweetbad
Datering: de bouwfasen werden gedateerd aan de hand van de bouwtechniek en ceramiek- en muntvondsten:
Bouw I: 5e eeuw v.C., 1e helft
Bouw II: 5e eeuw v.C., rond 450 v.C.
Verbouwing IIA: rond of vlak na 400 v.C.
Bouw III: rond 300 v.C.
Verbouwing IIIA: 3e eeuw v.C.
Vernieling bouw III: vóór 170 v.C.
Bouw IV: rond 100 v.C. (I. Nielsen is niet overtuigd van deze datering, zie Nielsen 1990: 22, noot 96 voor haar argumenten. Hier zal die datering echter wel gevolgd worden.)
Vernieling bouw IV: rond 100 n.C.
Beschrijving:
Algemene vorm:
badcomplex met diverse rechthoekige kamers, de zitbaden zijn in rijen tegen de wanden geplaatst, het hypocaustbad heeft een halfronde apsis
Afmetingen:
Bouw I: 21.32m OW x 5.32m NZ/ bron a: 7.50m diep
Bouw II: 5.94 x 9.34m/ deuropening van I naar II: 1.60m breed/ kuipen: 1.50m lang buitenkant, 1.23m lang binnenkant, 0.29m diameter verdieping, 0.32m breed zitje, 0.16m hoog zitje/ waterreservoir c: 0.8m3/ waterreservoir b: 2.25m3, 0.40m brede rand, 0.15m hoog boven 0.07m diepe goot
Bouw III: 4.23 x 9.30m aanbouw/ kuipen: 1.38m lang buitenkant, 1.07m lang binnenkant, 0.54-0.58 breedte, 0.26m breed zitje, 0.10m hoog zitje, 0.25m diameter verdieping, 0.10m dikke bodem
Bouw IV: hoofdruimte: 7.92 x 9.51m/ apsis: 3.17m diep/ pijlers: 0.80-0.85m hoog, pijlertegels: 0.32 x 0.32 x 0.05m/ waterbekken: 1.26 x 3.30m, 0.60m hoog/ voorruimte: 3.00 x 2.70m
Bewaringstoestand:
De verschillende bouwfasen hebben elkaar verstoord, vooral Bouw I is niet goed bewaard. Een deel van het complex is ook weggespoeld door de rivier, maar door muurresten en vloeren e.d. kon er toch nog een algemeen plan opgesteld worden.
Overzicht:
De oudste Bouw I
De eerste ontwikkelingsvorm van het badgebouw bestond uit een eenvoudige, rechthoekige ruimte. Het bewaarde fundament bestaat uit een enkele rij rechthoekige steenblokken, de oost- en noordmuren zijn zo volledig bewaard, aan de west- en zuidkant liggen nog maar een paar blokken in situ. Van de onderste laag van de bovenbouw zijn nog 11 orthostaten overgebleven, voor het hele gebouw moeten er dat 39 geweest zijn. De vlakke bekroningslaag van de steensokkel, die karakteristiek is voor de Hellenistische bouwwijze, ontbreekt nog.
Van een interne onderverdeling van de lange structuur is aan de noordwand niks te zien. Enkel de plaats van de ingang aan de noordkant is zeker.
Binnenin, in de westelijke helft van de ruimte tegen de zuidwand, ligt een bron a. Het muurwerk hiervan bestaat uit in de horizontale doorsnede kwartcirkelvormige kleiplaten. Een stenen rand ontbreekt.
Noot: De grootte en constructie van de bron a lijkt sterk op een andere bron die ten noorden van het Leonidaion gevonden werd.
Het oudere zitbad II (fig. 5)
Ten zuiden van Bouw I wordt een andere ruimte aangebouwd. De zuidmuur van I wordt grotendeels afgebroken en samen met de nieuwbouw in eenvoudige steenbloktechniek terug opgebouwd. Een deel van deze zuidwand, de westwand en het grootste stuk van de noordwand zijn in de latere bouwperiode IV verwoest geworden. De toegang tot de nieuwe bouw ligt in zijn noordwesthoek, een trapje ten zuiden van de deur voert vanuit Bouw I (nu portaal) naar de kiezelpleister van de nieuwe ruimte. Direct naast dat trapje beginnend, staan tegen de noordmuur 6 en tegen de oostmuur 5 zitbadkuipen. Hun bovenrand werd op gelijke hoogte afgewerkt. De kuipen zijn van het type dat elders ook gekend is: met een halfkoepelvormige verdieping vooraan en een zitje achteraan. De binnenste ronding van de kuipen is vooraan in een rechte porosmuur, die de kuipen verbindt, ingesneden. De scheidingswanden tussen de verschillende zitkuipen bestonden uit ongewone steenblokken met de smalle kant naar boven, deze ontbreken tegenwoordig allemaal. De kuipen zijn vanbinnen en vanbuiten met een dunne, gladde pleisterlaag (blijkbaar van marmer) overtrokken. (De wand achter de rugleuning van de kuipen was al tot onder bepleisterd voor de zitbaden er geplaatst werden.) De kuipbodem bestaat uit een zeer harde kalklaag met kleine steentjes waarin vooraan een schotel uit marmer als verzamelbekken werd ingezet.
In de hoek tussen de 2 kuiprijen werd een waterreservoir c aangelegd dat met een eenvoudig deksel kon afgesloten worden. (afb. 9) Een afvoer was er niet, de toevoer komt vanuit het oosten door de muur van de ruimte in de zuidoosthoek van het reservoir toe. De hoofdleiding waaruit de toevoer bevoorraad wordt, loopt als een open goot parallel langs de zuidwand van het palaestra.
In de zuidwesthoek van zitbad II ligt een 2e reservoir b. Het is rechthoekig en een stuk dieper als c en heeft een overloopgootje op 15cm boven de vloer van de ruimte. Een afvoer heeft het reservoir niet, wel een open toevoer. De opgravers herkenden hierin een badkuip waarin men een koud bad kon nemen.
Er moet nog een 3e waterreservoir d tegen de zuidwand gelegen hebben, want van daaruit loopt een smalle afvoergoot die zich bij reservoir b met het overloopgootje verenigt voor de gezamenlijke afvloeiing door de westwand. Over de vorm van dat veronderstelde reservoir kon men door latere verstoringen niks meer zeggen. De nood aan een 3e reservoir in deze betrekkelijk kleine badruimte, kan enkel begrepen worden als hierin water verwarmd werd.
De vloer van zitbad II is uitermate solide samengesteld. Eerst liggen er porosplaten van 15cm dik, dan komt er een dunne mortellaag met baksteenmeel en dan een laag van grove kalkzandmortel waarin redelijk grote kiezelstenen zijn ingebed. Het eigenlijke oppervlak van de bodem bestaat uit nootgrote kiezels die met kalk overgoten zijn en fijn gepolijst werden.
Verbouwing IIA en IIB (afb. 10)
Waterreservoir b wordt opgegeven en dichtgegooid. De westwand van het zitbad wordt doorbroken voor de aanleg van een stookkanaal. De wanden van dat kanaal tonen sterke brandsporen. Het eigenlijke haardvuur moet iets meer naar het westen gelegen hebben, de resten daarvan zijn volledig verdwenen door de aanleg van reservoir g. Wat er nu over het toegegooide reservoir b opgericht wordt, is door de geringe resten niet met zekerheid te herkennen. Met baksteenstukken wordt een vierhoek (van ongeveer 2.60m) ommuurd. De muren hebben geen rechte binnenlijn en zijn alleen aan de buitenkant bepleisterd, blijkbaar was deze constructie opgevuld en diende ze als een soort sokkel. Ook de eerste, westelijke zitbadkuip wordt nu opgevuld en in een soort ‘platform’ opgenomen.
Later (IIB) worden er nog 2 hoeken opgevuld, zodat het verband tussen het platform en de sokkel duidelijk werd. Op die sokkel moet iets verwarmbaars gestaan hebben, maar meer viel daar niet meer over te zeggen. Het schijnt een grote oven geweest te zijn, die van het geheel eigenlijk een zweetbad maakte. (Om van een zelfstandige zweetbadruimte te spreken, is de sokkel wel te klein.) Op die oven stond dan een grote metalen ketel om damp op te wekken. Het nieuwe waterreservoir e zou voor het nodige water in die ketel gezorgd hebben.
Het jongere zitbad III (fig. 6)
In deze bouwperiode wordt het bouwcomplex I/II naar het westen uitgebouwd. Aan het westelijke uiteinde van Bouw I wordt hoekvormig naar het zuiden een grote ruimte gebouwd. Tegen de 3 buitenmuren worden 20 zitbadkuipen geplaatst, dus dubbel zoveel als in de vorige fase. Qua bouwwijze en maten zijn de nieuwe kuipen veel armoediger dan de oude. (afb. 11) Uit kiezelstenen, baksteenstukken en veel mortel zijn de wanden, bodems, zitjes en leuningen gevormd. De uitschepschotels zijn eenvoudige, niet helemaal halfbolvormige kleischalen. Alles is met een tamelijk ruwe pleisterlaag overdekt. Ook de vloerbedekking van de ruimte is zeer eenvoudig ten opzichte van het oudere zitbad. Een laag kiezel dient als onderlaag voor een redelijk fijnkorrelige kalkzandlaag waarin nootgrote kiezels zijn ingedrukt, deze is door een fijnere kalklaag gelijkgemaakt. De ingang van het jongere zitbad moet in het noordelijke deel van de nieuw opgerichte oostwand gelegen hebben, maar is niet meer bewaard. Iets meer naar het zuiden is er een onderbreking in de wand en tegelijk een verdieping in de vloer. Die verdieping is met een pleisterkrans omgeven, datgene wat hierin heeft gestaan moet in verband gezien worden met de smalle ruimte ten oosten van het jongere zitbad. Wegens zijn rondom roodgebrande muur en sterke as- en houtskoollaag op de bodem wordt die ruimte als stookkamer herkend. Op de breedste plaats, direct naast de muuronderbreking moet het eigenlijke haardvuur gelegen hebben dat vanaf de zuidkant bediend werd. Naar het noorden toe (tegen de zuidwand van Bouw I) versmalt de stookkamer en daar moet in de hoek een schoorsteen gestaan hebben. Binnen het jongere zitbad bevindt zich geen waterreservoir, er zijn ook geen dieperliggende waterleidingen. De watervoorraad lijkt uit reservoir f geput te zijn. Dat reservoir ligt tamelijk hoog, blijkbaar om genoeg verval en druk te hebben om de veronderstelde ketel boven de stookruimte te kunnen vullen. Net boven de vloer van de kamer is er een afvoer naar bron a. Vanuit de zuidwesthoek van de vloer vertrekt een afvoergoot uit het zitbad, tussen de beide kuiprijen aan de zuid- en westwand, doorheen de zuidwesthoek van de kamer en zet zich dan in een gepleisterde goot richting zuiden verder. Op die plaats zijn nog de onderste funderingslagen van de zuidwand van een nevenruimte bewaard, de ingang daarvan is niet meer te herkennen.
Overbouwing van zitbad II door III
Alles wat nog van zitbad II bewaard was, wordt nu volledig met een kalkpleisterlaag overdekt. Die nieuwe laag op de bodem loopt vanaf alle zijwanden af naar het midden, waar blijkbaar een afwatering was voorzien. Het waterreservoir c en de badkuipen worden met puin opgevuld, net zoals het binnenste van de sokkel en het platform. Dit deel van de ruimte wordt met een meestal dubbele kiezellaag, in zeer harde kalkmortel ingelegd, overtrokken. Daarover komt dan nog eens een 2e laag als vloeroppervlak.
De noordwand van zitbad II wordt voor de helft afgebroken en de nieuwe gepleisterde ruimte wordt zeer waarschijnlijk naar het noorden uitgebreid (tot tegen de oude noordwand van bouw I). De oude toegang van bouw I in de noordwand, blijft nog altijd in gebruik. Waartoe deze nieuwe grote kamer met T-vormig plan diende, is niet zeker te zeggen.
Later wordt er in het westelijke deel van de ruimte een groot waterreservoir g ingepast. Direct op de pleisterlaag werd op 1.80m ten oosten van de westwand een 35cm dikke baksteenmuur opgericht, zo werd een stuk van 9.5 m2 van het grondvlak afgebakend. De nieuwe wand werd aan de westkant van een dikke pleisterlaag voorzien waarin vlakke stukken baksteen zijn ingewerkt. De binnenkant van het bekken is geïsoleerd gebouwd. Na het afbreken van de westwand wordt dit reservoir nog verder uitgebreid in de westelijk aangrenzende ruimte. De bodem ervan bestaat dan uit baksteenplaten met een mortellaag erover, alle wanden zijn bepleisterd.
Iets later wordt in het zuiden een grotere vuurplaats uitgebouwd, maar ook hiervan zijn weinig resten overgebleven. Het ronde diepe stookgat ligt voor een lange noord-zuidmuur die tegen waterreservoir g begint. Het stookkanaal doorbreekt deze muur en is zover te volgen dat er met zekerheid kan gezegd worden dat de eigenlijke oven (of heetwaterketel) in de zuidoosthoek van het vroegere zitbad II lag. In het begin van het stookkanaal ligt een 2e stookgat waarboven men misschien een waterketel kan vermoeden, omdat er meteen ten zuiden daarvan een afvoergoot naar het zuiden loopt. Het is zeer waarschijnlijk dat dit stooksysteem nog in gebruik was ten tijde van het jongere zitbad III.
Overbouwing van zitbad III
Dat zitbad was zeker verwoest toen er ten noorden van het stooksysteem aan waterreservoir g een 8m lange ruimte aan de westkant werd bijgebouwd.
Het Griekse hypocaustumbad IV (fig. 7)
Deze verder ontwikkelde nieuwbouw toont een grondige verandering in de badgewoonten, die in de grote bouw IV hun architectonische gestalte vinden. Mogelijk werd hier het oudste gekende voorbeeld van antieke vloerverwarming ontdekt.
Zonder navolging van de oudere bouwdelen ontstond deze grote, noord-zuid gerichte bouw die gedeeltelijk de zitbaden II en III overbouwt. Het muurwerk tot op het niveau van het loopoppervlak bestaat uitsluitend uit baksteen. De bovenliggende muren zijn enkel aan de westkant een stuk bewaard, daar zijn de onderste lagen gevormd uit de brokstukken van een architraaf van een grote, niet-geïdentificeerde structuur. Of daar bovenop weer baksteenlagen of porosmuurwerk kwam, is niet meer te herkennen. De lange zijmuren zijn sterker dan de korte muren, bijgevolg was de structuur overdekt met een tongewelf. De zuidwand is doorbroken door een diepe apsis, deze was met een half-koepel overwelfd.
Het goed bewaarde verwarmingssysteem onder het loopoppervlak is door latere verstoringen deels vrij gelegd, het grondplan van de hypocaustkelder kon dus goed in kaart gebracht worden. Onder de apsis ligt geen kelder. Op de massieve onderlaag van grote kiezelstenen, zeer vaste kalkmortel en grote baksteenplaten staan 90 pijlers in 13 rijen geschikt. De noordelijke rijen zijn blijkbaar als eerste opgesteld, die pijlers bestaan uit 11 vierkante bakstenen waarop als kapiteel een grotere en dikkere plaat ligt. Verder naar het zuiden ging men over naar het gebruik van allerhande brokstukken en dakpannen van verschillende grootte. Vooral de laatste rij, die vlak tegen de zuidwand staat, is zeer onregelmatig. Tegen de buitenwanden loopt een steunsokkel voor de bovenliggende vloer, deze is enkel in het noorden voor de monding van het stookkanaal en aan de beide oostelijke hoeken voor rookafzuigingen onderbroken. Onderaan sluit de sokkel met een pleisterrand op de onderlaag aan. De pijlers zijn zo opgesteld dat op elke deksteen 4 hoeken samenkomen. Op de baksteenplaten op de pijlers is een mortellaagje gesmeerd. In de noordwesthoek is een waterbassin i op die laag gezet. De eigenlijke vloerbedekking van de hoofdruimte is gevormd uit een mortellaag met kleine langwerpige baksteenblokken waarover een gelijkmakende kalklaag ligt. In de loop der tijd wordt er een nieuwe vloerbedekking aangelegd, opnieuw uit mortel met baksteen met daarover een kiezellaag.
De wanden van waterbekken i zijn zo’n 60cm boven het loopoppervlak gemetseld met baksteenbrokken en veel mortel. Het zuidelijke muurtje heeft langs binnen en buiten een trapje gehad, de korte oostwand had enkel aan de buitenzijde een trapje. De bodem van het bekken lag iets hoger als de eerste vloerbedekking van de ruimte doordat er een versterkende mortellaag op aangebracht is.
In de 3e vloerbedekking is langs de westelijke muur een vlakke, brede afvoergoot uit de kiezelvloer gespaard, die L-vorming aan het waterbekken begint en het overlopende water met gering verval door de zuidwand aan de zuidwesthoek naar buiten brengt.
De apsis was, zoals reeds gezegd, niet verwarmbaar. De eerste bedekkingslaag op de vloer ligt op een onderlaag mortel met kiezelstukken. In het middelpunt van de apsis is de omtrek bewaard van een rond, uit baksteen gemetseld voetstuk, waar op het zuidelijke punt een gelijkaardige muur naartoe loopt. Hier kunnen we een dampketel met ommantelde toevoer reconstrueren. De bijhorende stookruimte is door een overstroming weggeveegd.
De ingang tot de badruimte is niet overgebleven, maar heeft waarschijnlijk in het noordoosten gelegen. Symmetrisch aan de plaats waar de toegang wordt verondersteld, ligt ten oosten daarvan een kleine kamer met een eigen afwatering die zo groot is, dat men vermoedt dat het water waarmee de vloer in de badruimte gepoetst werd, hier samenkwam. In een latere fase wordt deze afvoer opgegeven en met een kiezelvloer bedekt. Ten zuiden ligt in dezelfde rij nog een andere ruimte waarvan enkel de funderingen zijn overgebleven, waarschijnlijk was dit het apodyterion.
Over de hele smalle noordzijde van de badruimte ligt de stookkamer. Om het stookkanaal aan te leggen, groef men door de verschillende pleisterlagen en stootte daarbij op 2 zitbadkuipen uit een vorige bouwfase. Deze gebruikte men dan maar om daar het stookgat in te richten. De bepleisterde wanden van het stookkanaal zijn niet tot op een voldoende hoogte bewaard om te zien of het overwelfd was. Ook de rookafzuiging voor het vuur is niet bewaard gebleven. Wat hier wel opvalt is dat, in tegenstelling tot hypocaustuminstallaties bij de Romeinen, alles volledig zuiver en roetvrij werd aangetroffen, enkel in het stookgat lag een dikke laag witte assen. Blijkbaar gebruikte men hier dus houtskool als brandstof, maar zelfs dan moet er een of andere voorziening geweest zijn om de assen uit de hypocaustkelder te houden. Dat de droge hitte in de hypocaustruimte zeer aanzienlijk was, bewijst de toestand van de bepleistering op de pijlers: alles is rood gekleurd door de gloed en pleister en mortel zijn brokkelig gebrand.
Het water in bekken i werd door een ‘schildpad’ (of ‘testudo’) verwarmd. (afb. 12) De zekere resten later er geen twijfel over bestaan dat de voorziening die anders enkel in Romeinse thermen geattesteerd is, een duidelijk Griekse uitvinding is. Het is zelfs waarschijnlijk dat deze methode, om water in een bekken te verwarmen, vroeger werd gebruikt dan de vloerverwarming. (fig. 8)
De uitsparing in de noordmuur voor de doorgang van het stookkanaal was met baksteen overwelfd. De monding van dat stookkanaal wordt aan beide zijden door aangehechte sokkels ingesloten.
Ten noorden van de stookkamer wordt in de muur naar het oosten een deuropening gebroken en een voorkamer met een oostwand in dezelfde lijn aangelegd, als een soort windvanger voor de badingang.
In het westen wordt het tot hiertoe g genoemde waterreservoir blootgelegd en van nieuwe zijmuren voorzien. Het vernieuwde reservoir heet nu h en diende voor de watervoorraad van bekken i. De bron a bleef ook nu verder in gebruik.
Nr. 5 Olympia – Zwembad (fig. 3)
Literatuur: Mallwitz 1972: 270, Ginouvès 1962: 134, Hoffmann 1999: 162, Kunze en Schleif 1944: 40-46
Opgravingen: in 1939 ontdekten E. Kunze en H. Schleif sporen van een afgeronde kant van kiezelpleister, tijdens de opgravingscampagne van 1940/41 werd er verder onderzoek gedaan
Topografische ligging: aan de oever van de Kladeos-rivier, enkele meters ten westen-zuidwesten van Bouw I van het Griekse badgebouw
Datering: Voor de periode wanneer het zwembad werd opgericht, is er geen duidelijke aanwijzing. De solide techniek van de bepleistering lijkt wel sterk op die van de bodem in zitbad II van het Griekse badgebouw, misschien ontstond het zwembad rond de tijd wanneer men het zitbad in een warm bad omvormde (IIA), dus rond het midden van de 5e eeuw v.C. Een direct verband met alle andere fasen van het badgebouw is er niet. Uit de opvulling van het bad blijkt dat het in ieder geval tot in de 1e eeuw v.C. in gebruik bleef, dan werd het opgegeven.
Beschrijving:
Algemene vorm:
vrijliggend rechthoekig zwembad in openlucht
Afmetingen:
NZ-lengte: aan de rand 32.05m = 100 Olympische voet, aan de bodem: 24.60m = 75 Ol. voet
OW-breedte: aan de bodem: 16.40m = 50 Olympische voet
diepte: 1.60m = 5 Olympische voet
Bewaringstoestand:
het zuidelijke deel werd overbouwd door de Kladeos-thermen, zeker meer dan de helft van het bad in een NO-ZW-diagonaal is verwoest doordat de Kladeos-rivier van bedding veranderde
Overzicht:
De zorgvuldig met kalkmortel afgeronde kant van een kiezelbepleistering strekt zich in rechte lijn uit naar het zuiden. Resten van een westelijke kant waren niet meer duidelijk te herkennen. Op de plaatsen waar er wel nog pleister werd gevonden, gaat het spoor parallel, maar afgebrokkeld verder. De bepleistering is zonder onderlaag in de vaak zandige bodem gelegd en over die kiezelpleister is op sommige grote plekken nog een grauwe, met fijn grind gemixte mortellaag bewaard. De oppervlaktehoogte van de omgeving is door z’n aard, zoals de opgehoogde afgeronde kant, zeker te herkennen en komt overeen met het buitenniveau van Bouw I. In het zuiden verdwijnt de kiezelpleister onder een aanbouw van de Kladeos-thermen, maar binnen de muren daarvan kon de laag toch nog op enkele plaatsen teruggevonden worden.
Op verschillende plaatsen werd gegraven om de bodem van het zwembad te vinden. Dit bestond uit een buitengewoon solide samengestelde pleisterlaag. Op grote porosblokken liggen 2 kiezellagen, ieder in ongewoon harde witte mortel ingebed. Daarover ligt nog een gele mortellaag en het zichtbare oppervlak bestond uit een sterke gladde laag uit zeer goede, fijne mortel die er tegenwoordig nog als witte gepolijste steen uitziet. In een latere fase wordt het oppervlak vernieuwd door een mortellaag waarin stukken dakpan zijn ingedrukt. Over deze onderlaag vormt een laag met bonte kiezelstenen de nieuwe zwembadbodem. Om een nog groter kleureneffect te bekomen, werden er naast de kiezeltjes ook stukken rode en helgrijze baksteen gebruikt. De bodem van het zwembad heeft een noordzuid-afhelling. In het midden van de zuidkant ligt blijkbaar het diepste punt, daar zou dan ook de afvoer van het zwembad gelegen hebben, maar die werd nog niet teruggevonden.
Door de grootte van het bouwwerk, de vorm en de toestand waarin het bewaard is, kon men besluiten dat de structuur in openlucht lag.
Ten noordoosten van het zwembad lag een waterreservoir k, dat waarschijnlijk in een latere fase is opgericht, maar toch duidelijk rekening houdt met het zwembad. De assen van beide liggen parallel en wijken daarmee af van de richting van de toevoerleiding X uit het oosten. Vanuit het waterreservoir voert, tegenover de watertoevoer X, een merkwaardige goot richting zuidwesten. Hiervan kan niet met zekerheid gezegd worden of het om toevoer of afvoer gaat. 3m verder naar het zuidwesten loopt de goot toe naar een grote vierkante steen, en zo komt de goot ongeveer toe bij de hoek van het zwembad en vervulde daar een doel dat niet zeker te bepalen is.
Noot: Het gaat hier waarschijnlijk om het eerste gekende Griekse zwembad. Een ander voorbeeld vond men in Delphi, maar dat is veel kleiner en rond.
Nr.6 Korinthe – ‘Painted Building’ (afb. 13)
Literatuur: Delorme 1960: 64-65, Hoffmann 1999: 207, Ginouvès 1962: 136, Scranton 1951: 157-163
Opgravingen: in 1929 werd er een algemene opgraving (van de Romeinse markt, de stoa en andere constructies aan de oostkant) uitgevoerd door F. J. de Waele, in de zomer van 1949 deed R. L. Scranton nog enkele kleinere onderzoeken
Topografische ligging: ten noorden van de Archaïsche tempel, ten westen van de resten van een Archaïsche weg, ten oosten van de noordstoa
Datering: 5e eeuw v.C. (volgens Scranton, door vergelijking met omliggende structuren, verder geen argumentering)
Beschrijving:
Algemene vorm:
enkele kamers in een groot gebouw, nog maar weinig te zeggen over de vorm
Afmetingen:
zie in tekst (technische beschrijving)
Bewaringstoestand:
enkel de resten van het zuidelijke deel van het gebouw zijn nog in situ (het gaat vooral om resterende sporen op de rotsbodem), de rest van de constructie werd afgebroken bij de uitgravingen die de bouw van de Romeinse markt vooraf gingen
Overzicht:
Voor de originele constructie zijn er nog maar een paar aanwijzingen in verband met zijn vorm. Blijkbaar hebben we te maken met een gebouw dat verdeeld was in verschillende kamers, of ze volledig gesloten waren of open aan de noordkant, is nog moeilijk te zeggen.
Er zijn ook een aantal fenomenen die moeilijk te verklaren zijn. Zo zijn er verschillende verkleuringen op de rotsgekapte muren, die mogelijk veroorzaakt zijn door vuur. Op de vloer, die oorspronkelijk bedekt was met een pleisterlaag, is een verzameling van verschillende soorten uitgravingen te zien en op sommige plaatsen ook brandsporen. Één soort uitgravingen bestaat uit min of meer onregelmatige gaten (20-40cm diameter, 10-20cm diep) waarin behoorlijk grote ophopingen as werden gevonden. Een andere groep kleinere sporen, zowel vierkant als rond, tonen geen duidelijke resten van brand. De 3e reeks grotere overblijfselen, rechthoekig van vorm en met verschillende diepte, bevat 1 spoor met veel assen en verkoold materiaal, andere bevatten ook een bepaalde hoeveelheid zwartgeblakerde materie, maar niet genoeg om van een echt vuur te kunnen spreken op die plaats.
De verklaring van die fenomenen is een nogal speculatieve zaak, maar in het algemeen kunnen de omstandigheden erop wijzen dat een bepaald soort kachels werd geplaatst in het gebouw, op verschillende tijdstippen. Die kachels hadden dan een soort bak voor het vuur, op een bepaalde afstand van de muur, en een lage dubbele muur die zich van daar naar de muur uitstrekte. Op die muur konden dan recipiënten worden geplaatst boven de vlammen.
Aan de westkant van de originele structuur was een klein reservoir geconstrueerd door een porosplaat (0.20m dik en 0.65m hoog) recht te zetten tegen de zuidelijke muur, zodat er een bassin van 0.70m breed wordt gevormd langs de westmuur. De stenen plaat staat tegen de pleisterlaag van de zuidmuur, en is dus duidelijk een latere toevoeging, maar ze is zelf ook overdekt met pleister en de voegen zijn zorgvuldig gedicht met hetzelfde materiaal.
De westelijke uitbouw (uit de 2e periode) van het Painted Building is vooral interessant door z’n relatie met een andere cisterne die onderaan de rots ligt. Die cisterne bestaat uit een lange tunnel van 17.50m lang die met trapjes ongeveer van noord naar zuid loopt. Aan het zuidelijke einde komt deze tunnel uit in een verticale schacht (met opening op de top van de tempelheuvel). Aan het noordelijke eind is het systeem redelijk ingewikkeld, maar de originele vorm is daar niet meer te bepalen. Er was ook nog een kleine ruimte waarin de mensen konden staan om water uit de cisterne te putten, de ingang van deze kamer lag binnen in de westelijke uitbouw.
De oorspronkelijke versie van het Painted Building bestond dus uit een structuur met verschillende kamers waarin voorzieningen waren die geïnterpreteerd zijn als een soort kachels. Er stonden ook verticale palen en voetstukken voor bepaalde objecten (mogelijk om kleren aan te hangen, of om grote schalen op te plaatsen). Die installaties behoren niet allemaal tot dezelfde periode. Het gebouw was ook gekarakteriseerd door muren met een harde pleisterlaag en in het westen was er toegang tot een cisterne. In de 2e bouwperiode werd er een kamer toegevoegd die de cisterne omringt en werden er nog andere kleinere veranderingen doorgevoerd.
Noot: Door de waterdichte bepleistering en de aanwezigheid van cisternes is het waarschijnlijk dat er in dit gebouw bepaalde soorten wassingen gebeurden. Omdat er geen echte badinstallaties gevonden werden, kunnen we toch niet zeker spreken over een Grieks bad.
Nr.7 Korinthe – Centaurbad (Griekenland, Peloponnesos) (fig. 9)
Literatuur: Hoffmann 1999: 205-207, Williams en Fisher 1976: 99-162, Williams 1977: 40-58, Williams 1991: 1-11
Opgravingen: Er werd al een aantal jaren onderzoek verricht rond het Romeinse forum van Korinthe door de ‘American School of Classical Studies’ toen in 1975 het Centaurbad ontdekt werd. Kamer 1 en 5 en het haardvuur werden onderzocht tijdens die lentecampagne, het jaar erna ging het onderzoek van het badgebouw verder.
Topografische ligging: het bad staat onmiddellijk ten zuiden van de zuidoosthoek van de temenos van tempel E, direct ten zuiden van het pentagonale gebouw
Datering: het gebouw werd opgericht in het laatste kwart van de 5e eeuw v.C., die eerste fase werd vernield in de jaren ’20 van de 4e eeuw v.C., waarna het gebouw meteen werd heropgebouwd, voor datering van de definitieve opgave is zeer weinig bewijs (terminus ante quem rond 320 v.C.)
Beschrijving:
Algemene vorm:
onregelmatig vierhoekige ruimtes rond kamer met centrale mozaïek
Afmetingen:
kamer 5: 3.30 x 3.30m
diensthof: 3.75 x 4.25m
mozaïek in kamer 1: 4.60 x 4.60m
Bewaringstoestand:
het badgebouw is niet goed bewaard gebleven, het centrum is vernield door de bouw van een Romeinse kelder en andere verbouwingen hebben verschillende andere sectoren van het bad verstoord
Overzicht:
De noordzijde van het gebouw bestaat uit een reeks dienstvertrekken. In de noordwesthoek van het bad is een soort diensthof met een vuurhaard om water op te warmen. De zuidelijke muur van die haard maakt deel uit van de funderingen van de noordelijke muur van kamer 1, de oostelijke wand van de ruimte scheidt deze van kamer 5. Die laatste bevoorraadt het bad met water uit bron 75-5. De overloop van water dat naar de kamer met de vuurhaard gaat, wordt door een kanaal geleid om uit te komen in 2 andere afvoerbuizen uit andere delen van het badgebouw. Ze komen samen met het stenen kanaal onder de vloer van kamer 4. Van daaruit gaat de afvoerleiding in noordoostelijke richting en buiten het bad door de noordmuur. Buiten het gebouw mondt de leiding uit in het publieke riool dat langs de noordmuur van het bad loopt. (Al die leidingen behoren tot het originele drainagesysteem van het gebouw.)
Voor kamer 1 vermoedt men dat ze oorspronkelijk was uitgerust met badkuipen tegen de westmuur, of misschien met een bank en kleine bassins langs de muur. Door vergelijking met de voorzieningen in andere badcomplexen denkt men hier dat vertrek 1 een stoomkamer zou kunnen geweest zijn in de 1e fase. In die fase bestond de rand uit een geplaveide vloer waarop banken voor de badgasten zouden kunnen gezet worden. Het bijna vierkante haardvuur zou een ondiep waterbassin kunnen ondersteund hebben, aangrenzend aan de ruimte met een raam (voor de verbinding tussen bassin en kamer 1). Stoom voor het bassin kon dan makkelijk circuleren in kamer 1 door de opening in de muur. Het brede haardvuur en bassin zouden dan ook gediend hebben voor de betere verdamping van water in stoom. Zoals het hier wordt voorgesteld, zou kamer 1 in z’n aanvankelijk ontwerp een zeer vroeg voorbeeld van een Grieks stoombad zijn.
Op de vloer van ruimte 1 ligt een wit-zwarte kiezelmozaïek die door een vierkant met een cementband wordt omgeven. Het motief van de mozaïek toont binnenin een wiel met 4 spaken, waarrond banden met driehoeken, meanders en golven liggen. In de 2 hoeken die nog zichtbaar zijn staat een ezel en een centaur. Tussen de westwand en de mozaïek ligt nog een 1.18m brede cementstrook die ronde gaten van 0.90m diameter vertoont. Hierop kunnen mogelijk bekkens gestaan hebben.
Vertrek 2 is een vestibule die in contact staat met ruimte 3. De drempel in de deuropening tussen de 2 is nog gedeeltelijk bewaard. De vloer is bedekt met een laag cement vol kiezelstenen van lage kwaliteit. Die bodem is gedeeltelijk overdekt door een beter geconstrueerd platform, een waterdichte cementvloer die aan de noordkant wordt afgeboord door een rand van poros (deze maakt deel uit van een radicale wijziging aan het bad). De originele vloer werd ook nog gevonden verder naar het oosten dan de oostmuur van kamer 3. Mogelijk was ruimte 2 dus niet alleen een voorkamer voor kamer 3, maar was het een soort gang of portiek voor andere kamers.
Van kamer 3 zijn geen muurblokken in situ bewaard, dus kunnen de exacte afmetingen er ook niet van bepaald worden. Deze ruimte is een eetkamer, die functie is af te leiden door de vorm van de bewaarde stukken cementvloer. De centrale rechthoek is van cement met veelgekleurde kiezels, wat een decoratief effect heeft. Deze wordt omringd door een hoger platform van geelachtig cement met een glad oppervlak. Het podium moet ongeveer een meter breed zijn geweest langs alle muren van de ruimte, er was alleen een onderbreking aan de deuropening naar kamer 2.
De vloer van kamer 4 is over grote stukken bewaard, maar van de muren ontbreekt het grootste deel. De vloerbedekking is wel vernield daar waar ze aanvankelijk de afvoerbuizen bedekte die onder de bodem lopen. (De meeste afdekplaten zijn in een latere periode verwijderd om het drainagesysteem te kunnen schoonmaken.) De vloer heeft een onderlaag van zongedroogde tichels met daarop een dunne cementbekleding. De rand van de vloerbedekking is nog bewaard tegen de onderkant van de westmuur; hier is een streep rode muurverf en een opgezette pleisterrand te zien tot tegen het witte vloeroppervlak. Elders werd er op de bodem een grote hoeveelheid koolstof gevonden, die waarschijnlijk de accumulatie is van as en houtskool uit verschillende branden. De dunne cementlaag wordt aan de noordkant van de kamer begrensd door een lage oost-westrand die blijkbaar begon tegen de westelijke muur. Ten noorden van die rand bestaat de vloer uit dikke, waterbestendige cement met kiezelstenen, die ook de porosrand bedekt. Het gebied met de waterdichte vloerbedekking was blijkbaar gebouwd om zich te wassen en hiervan werd gedacht dat het hardere verwering en meer water moest kunnen opvangen. De exacte functie is door de weinige resten in deze kamer nog onduidelijk.
Al de steenblokken van de westkant van het badgebouw zijn geroofd, enkel de funderingsgracht blijft nog over. De noord-zuidmuur, die waarschijnlijk de westelijke buitenmuur van het bad was, is ook enkel nog te zien als een lege funderingsgracht die parallel loopt aan de westmuur van kamer 1. Sporen van een oost-westfundering werden aangetroffen op enkele meters ten zuiden van de noordmuur van diezelfde kamer.
Ten zuiden van die oost-west georiënteerde muurgracht ligt kamer 7, waarin nog iets minder dan de helft van de cementvloer is overgebleven. De vloer is ovaal in plan, maar heeft een golvende kant die zich verticaal opricht. Die golvende pleisterrand is nergens hoger dan 10cm bewaard en blijkt de voorkant van een verhoogd podium of een bank te zijn die ongeveer rond de hele kamer gaat. De minimum breedte van de bank is ca. 0.90m en is iets groter in de hoeken. De golvingen langs de voorkant van de bank tonen mogelijk de plaatsen waar badkuipen ooit in of op de bank werden gebouwd. Dat er in deze kamer water werd gebruikt, is te zien aan de stenen afvoerbuis die onder de mozaïekvloer van kamer 1 doorkomt en afhelt naar de noordoosthoek van het badgebouw.
Het Centaurbad is gebouwd op een helling met de vloer van elke kamer op een ander niveau, wat toelaat dat de stenen waterleidingen van een kant van het gebouw kunnen lopen, onder de vloer van elke kamer. Het vloerniveau van elke kamer is bepaald door z’n positie op de helling, nergens werd een ruimte uitgehouwen in de heuvel. Op het laagste punt van het badgebouw, in de noordoosthoek van kamer 4, vloeien alle afvoerbuizen naar de noordmuur van het bad en komen ze uit in een stadsriool.
In de 2e bouwfase zou het badgebouw grondig zijn veranderd. Tijdens die ondernemingen werd kamer 6 smaller gemaakt, het vloerniveau in ruimte 2 werd aangepast en mogelijk horen ook de herstellingswerken aan de kiezel-cementband op de vloer van kamer 1 hierbij. In kamer 7 wordt de cementvloer verlaten en wordt er nu een reeks van cementen kuipen gebouwd tegen de westmuur. Resten van 2 kuipen met een bepleisterde bodem en een gebogen porosrand van 1.50m lang (die met de bekkens geassocieerd wordt) werden aangetroffen aan de oostkant van de westelijke muurgracht. Het is wel mogelijk dat de diverse sectoren van het badgebouw op verschillende tijdstippen werden verbouwd.
Noot: Ook hier is het niet zeker of het wel degelijk om een badcomplex gaat, er zijn immers geen echte badkuipen of iets dergelijks aangetroffen in verband met de originele structuur. De vorm van het Centaurbad is complex, en hoewel er een variëteit aan grondplannen is gekend voor Griekse baden, lijken eetfaciliteiten daar nooit in voor te komen. De combinatie van een eetkamer en badruimtes doet C. K. Williams ook denken dat het misschien om een soort volksherberg gaat. Maar hij zegt zelf dat zolang het zuidelijke deel van het gebouw niet volledig opgegraven is, er geen definitieve conclusies kunnen getrokken worden over de bestemming van het gebouw.
Nr. 8 Kolophon-noord (westkust Klein-Azië) (fig. 10)
Literatuur: de Boccard 1922: 549, Fowler 1922: 256-260, Ginouvès 1962: 186+191, Holland 1944: 91-171
Opgravingen: Een Amerikaanse missie, samengesteld uit een delegatie van ‘l’École américaine d’Athènes’ (o.l.v. M. C. W. Blegen en M. L. B. Holland) en van het ‘Fogg Museum of Art’ van de universiteit van Harvard (o.l.v. Miss Goldmann) hebben in Kolophon-noord opgegraven in de zomer van 1922.
Topografische ligging: de site ligt op een groot terras boven het dorp Deirmendéré
Datering: 4e eeuw v.C. (volgens bouwfase van stadsdeel)
Beschrijving:
Algemene vorm:
rechthoekige kamer
Afmetingen:
niet gekend
Bewaringstoestand:
niet gekend
Overzicht:
Op het terras werd een badcomplex herkend dat nog niet volledig werd opgegraven. Het bestond uit minstens 5 grote ruimtes met hydraulische voorzieningen. In 1 rechthoekige kamer bevonden zich vroeger 14 kleine vlakke badkuipen in terracotta, langs elkaar geschikt tegen de wanden. Er liggen ook verschillende afvoerleidingen, bestaande uit terracottabuizen, op het terrein.
Noot: Er is niet veel informatie beschikbaar over dit badcomplex, maar blijkbaar was het voor de archeologen toch duidelijk dat het hier om een Grieks bad gaat.
Nr. 9 Gela (zuid-Sicilië) (fig. 11)
Literatuur: Ginouvès 1962: 33-35+429-430, Hoffmann 1999: 127-128, Orlandini en Adamesteanu 1960: 181-203
Opgravingen: in februari 1957 werden er bij de bouw van een nieuw armenhuis de resten van een Griekse badkuip gevonden, dit leidde tot een eerste opgravingscampagne, onder leiding van Orlandini en Adamesteanu, die toeliet om op korte tijd het badcomplex vrij te leggen, het onderzochte gebied bedraagt zo’n 220 m2, maar zou nog moeten worden uitgebreid naar het westen, noorden en oosten
Topografische ligging: in het Hellenistische kwartier op de westelijke helling van de heuvel van Gela (Capo Soprano), tussen Via Palazzi en Via Scavone
Datering: de bouw van het complex is later dan 339 v.C. (en waarschijnlijk dan 310 v.C.) en vroeger dan de vernieling in 282 v.C. (volgens bouwgeschiedenis stadsdeel), volgens de opgraver dateert de eerste fase (met terracottakuipen) van vlak na 310, de tweede (met rotonde, gebouwde bekkens en hypocaust) zou onder constructie geweest zijn op het moment van de verwoesting
Beschrijving:
Algemene vorm:
vierkant gebouw met ingebouwde rotonde en rechthoekige ruimtes
Afmetingen:
oppervlak badcomplex: 14 x 14m
bassins van cement in A: 0.90-1m lang, 0.45-0.55m breed, 0.25-0.30m diameter uitholling van ongeveer 0.15m diep
terracottabekkens in A: 1m lang, 0.85-0.90m binnenin, 0.45m breed, 0.25-0.30m diameter uitholling van 0.15m diep
bekkens in B: 0.50-0.70m lang
ruimte H: 2 x 1.25m
G1 en G2: 0.50m breed, 4.65m lang
G3: 0.36m breed
Bewaringstoestand:
in het westelijke deel van het complex zijn de funderingen en muren/ kuipen bewaard tot op ca. 0.50m hoog, aan de oostkant liggen de resten van de hypocaust op zo’n 2m onder vloerniveau
Overzicht:
Het complex bestaat uit 2 delen, beide zijn omgeven door een licht gebogen muur in ruwe stenen met bepleistering. Achter de noordelijke bekkens was een 5.50m lange, 0.50m dikke en 0.60m hoog bewaarde muur te zien van grote stenen, verbonden met leem. Dit was de noordelijke omheiningsmuur. Er bevond zich een grote hoop tegels, in verschillende vormen, in een aslaag, waaruit men een vernieling door brand kan opmaken.
De westelijke helft van het complex bevat 2 ruimtes met badkuipen, een rechthoekige A en een ronde B. De rotonde B was eenvoudig omgeven door 22 bekkens, hiervan zijn er 15 bewaard, maar dan enkel het voorste deel met de halfronde uitholling. (afb. 14) De bodem is van cement en helt af naar een afvoerleiding. Ruimte A, geplaveid met vierkante terracottategels, had oorspronkelijk 14 bekkens in hoefijzervorm geschikt. De kuipen langs de rechte stukken zijn gemetseld uit gecementeerde conglomeraatsteen (zandsteenafval en terracottascherven) en door een fijne witte pleisterlaag bedekt. In de ronding zijn de bekkens draagbare terracottakuipen. In de huidige staat zijn er 2 parallelle rijen van geconstrueerde bassins, met respectievelijk 5 en 3 elementen, elk met een halfronde holte en een zitje achteraan. (afb. 15) De 3e zijde van het vertrek, met de bekkens die een soort boog vormen, moet 5 kuipen gehad hebben, maar enkel de eerste is goed bewaard gebleven (afb. 16), van de laatste 2 blijven nog fragmenten over. Het is opmerkelijk dat het hier om terracottabekkens gaat, die volgens de opgraver tot de eerste fase behoren, waarin men later een zitje van cement heeft toegevoegd. De reeks van 3 steunt tegen de eerder vermelde stenen muur, de kuipen in de ronde zijde staan tegen een muur van stenen en een groot kalkblok en in de overige rij liggen de bekkens met de rug naar de rotonde.
Langs een kuip in de boog van ruimte A ligt een afvoerbuis uit ineengeschoven terracotta-elementen in een goot van halfronde tegels. (afb. 17) Deze is 1.60m lang en eindigt in kanaal E. Dit laatste begint aan de noordkant van de rondbouw, bestaat uit omgedraaide ronde tegels en is 0.15m breed. Het neemt water van de buis T van de bekkengroep A op en mondt uit in een verzamelkanaal C. Westelijk van die pijp bestond nog een leiding uit in elkaar gepaste terracotta-elementen, hiervan is het verloop niet gekend.
In het andere, oostelijke deel (afb. 18) werd een hypocaust aangetroffen, maar het onderzoek ervan is niet helemaal afgerond. In de huidige staat lijkt deze inrichting zich rond een kleine ondergrondse kamer H te schikken, waarvan de bodem 1.60m onder het niveau van de tegelvloer ligt. Er zijn 3 leidingen te zien; 2 naar het noordoosten (G1 en G2) en 1 naar het zuidwesten (G3) die onder de tegelvloer bewaard is gebleven en uitkomt in een verticale schoorsteen. Een groot blok sluit de gang G2 aan de binnenkomst in H, maar een kleine opening laat wel een verbinding toe. (afb. 19) Deze buizen, waarvan de bodem en wanden zijn gemaakt met baksteen, werden gevonden vol met assen. De opgraver vroeg zich af of ze helemaal bedekt waren en een hypocaust vormden of dat ze dienden voor de verwarming van de waterrecipiënten. (Verdere opgraving zou meer duidelijkheid moeten brengen.)
Noot: In Delphi en Eretria zijn parallelle transformaties van badkuipen te zien.
Nr. 10 Morgantina (zuidoost-Sicilië) (fig. 12a+b)
Literatuur: Allen 1974: 370-382, Hoffmann 1999: 148-149
Opgravingen: In 1970 en 1971 werd er opgegraven onder leiding van H. L. Allen (het gebied werd verdeeld in 3 grote delen waar sleuven in oostwestrichting werden opgegraven). In 1972 werd er niet meer opgegraven, maar gebeurden de laatste studies voor de publicatie
Topografische ligging: de baden liggen in de opgegraven sector VI (tussen de agora en de westelijke stadspoort)
Datering: originele bouwfase (met tholoi en buitenmuren van de andere structuren): begint niet later dan het einde van de 4e eeuw v.C. of de eerste helft van de 3e eeuw v.C. (volgens ceramiekvondst) / 2e fase (nieuwe vloer in de zuidtholos, 2e uitgang voor noordtholos en huidige vorm voor de bepleisterde ruimtes) / 3e fase: enkele oppervlakkige veranderingen / algemene verwoesting van het site: 211 v.C.
Beschrijving:
Algemene vorm:
2 rotondes, telkens ingesloten door andere rechthoekige ruimtes
Afmetingen:
schacht: 5.50m diep
tholoi: 5.70 tot 5.75m diameter, diagonale afstand tussen de 2: 30m
Bewaringstoestand:
de resten van de noordelijke tholos zijn max. tot op 1.40m hoogte bewaard, verder geen gegevens
Overzicht:
De baden zijn verdeeld in 2 groepen die deel uitmaken van een groot complex met een oppervlakte van ongeveer 100 x 50m. De groepen worden van elkaar gescheiden door een mogelijke straat of doorgang die van noord naar zuid loopt. In de zuidelijke groep baden loopt er ook een dubbele muur van oost naar west die in 2 periodes is gebouwd, hij scheidt de zuidelijke tholos en de aanpalende ruimtes van de andere vertrekken meer naar het zuiden.
Direct ten zuiden van de zuidtholos ligt een kamer die helemaal gevuld was met terracotta figurines, altaren, munten en ceramiek. Deze werd helemaal opgegraven en geïnterpreteerd als een cultusruimte. Of de tholos werkelijk een badruimte was, of misschien ook iets met de cultus te maken had, is niet zeker te zeggen. Buiten de symmetrie met de noordelijke tholos en de nabijheid van een waterdichte kamer, zijn er geen aanwijzingen voor een identificatie als badkamer.
Die zuidelijke tholos toonde sporen van een vroeger vloerniveau, buiten de tholosmuur en ten noorden van de scheidingswand lagen uitgekapte circulaire funderingen. (Die laatste resten komen overeen met het laatste gebruiksniveau in andere gebieden.) De tholos wordt geflankeerd door een aantal rechthoekige kamers, waarvan enkel de meest westelijke volledig werd opgegraven. De kamer was waterdicht gemaakt en verdeeld in 2 even grote compartimenten. Aan de oostkant lijkt het alsof er een ingang was van op de noordzuid-doorgang naar de ruimte achter de tholos en de aangrenzende vertrekken.
De in 2 verdeelde ruimte die in de noordelijke groep werd opgegraven, leidt door een gebogen doorgang naar een andere tholos. Deze had een 2e uitgang aan de zuidkant die uitkwam in een rechthoekige kamer. Net zoals de zuidelijke tholos, lijkt ook deze structuur opgenomen te zijn geweest in een reeks rechthoekige kamers. De middelste ruimte aan de zuidkant van de tholos heeft 2 nissen in de bepleistering die de zuidwesthoek van de kamer vormen. Verder is er een ronde nis te zien in de muur en de gepleisterde vloer van de zuidelijke toegang tot de noordtholos. In de verdeelde kamer ten westen van de tholos stonden banken tegen de bepleisterde muren, eronder liep een grote afvoerleiding richting westen (naar de straat). Er werd in die ruimte ook een schacht ontdekt waarin 2 tunnels (uit het zuiden en uit het westen) toekomen. Deze schacht was niet waterdicht en diende dus niet als cisterne. De bodem van de schacht en van de tunnels was bedekt met waterig geel zand. De opgraver denkt dat deze structuur een bron was.
In de noordelijke tholos werd een aantal buizen en pleisterstukken gevonden op het vloerniveau. De buizen waren onderling verbonden en gebogen, ze hadden ook sporen van bepleistering aan 2 kanten. Dit wijst op een halfronde koepeloverdekking van de tholos met een innerlijke structuur van terracottabuizen in verticale rijen.
Zowel de 2 kamers ten westen van de noordtholos als die ten zuiden ervan hebben bepleisterde muren die in de onderste regionen roze gekleurd zijn. In de tholos was het net andersom; daar begint de helderroze kleur pas op 56cm boven de grond en is de onderste strook wit gelaten. In één van de kamers in de zuidelijke groep werd bewijs gevonden dat de wanden beschilderd waren met helderrode banden. Het gewelf van de tholos werd daar blauw geschilderd en de muren hadden blijkbaar een wit met blauwe decoratie. Er werd ook een pleisterfragment gevonden met enkele decoratieve friezen en een figuratieve scène (met de afbeelding van een vrouw en een leeuw).
Het badcomplex bestaat dus uit 2 tholoi die omgeven zijn door rechthoekige, waterbestendige kamers met uitvoerige drainage. Meteen ten zuiden van de noordtholos lag een bron en in de tholos zelf werden fragmenten van terracotta badkuipen gevonden. De combinatie van al die elementen doet denken dat het complex ten noorden van de cultusruimte een bad was uit de Hellenistische periode. Om een meer gedetailleerde analyse te kunnen maken van de functie van de individuele kamers, moet er eerst verder onderzoek verricht worden. Het kan ook niet uitgesloten worden dat deze badinstallaties geen gewone publieke voorzieningen waren, maar in verbinding stonden met een cultus. Er is immers een dichte relatie tussen de baden en de cultuskamer, de architectuur en de decoratie zijn van uitstekende kwaliteit, op een pleisterfragment staat een vrouw afgebeeld en er werden offergaven gevonden in de bron.
Noot: De opmerkelijke constructie van een koepel met interne buizen boven de noordtholos kan volgens H. L. Allen begrepen worden als het resultaat van een vruchtbare culturele uitwisseling tussen Syrakuse (onder Hieron II) en het Ptolemaeïsche Alexandrië.
Er zijn verschillende overeenkomsten tussen dit complex en de baden in Syrakuse. Het gebruik van tholoi in badgebouwen van die tijd is trouwens ook bewezen.
Nr. 11 Megara Hyblaea (oostkust Sicilië) (fig. 13)
Literatuur: Gros 1996: 390, Hoffmann 1999: 146-147, Vallet, Villard en Auberson 1983: 49-60
Opgravingen: Het badgebouw werd blootgelegd 1962 tot 1964, maar werd daarna slechts sporadisch vermeld in artikels. Vallet, Villard en Auberson hebben daarom 10 jaar later de resten onderzocht en uitgebreid gepubliceerd.
Topografische ligging: de baden bezetten het hele zuidelijke deel van de agora, aan de westkant van het gebouw loopt de weg C1
Datering: eerste helft 3e eeuw v.C. (volgens vergelijking met andere Griekse badinstallaties op Sicilië)
Beschrijving:
Algemene vorm:
rechthoekig gebouw met 1 rotonde en verder allemaal rechthoekige/ vierkante ruimtes
Afmetingen:
badgebouw: 24 x 21m
kamer c: 6 x 4m, doorgangen: 0.50m en 0.55m breed
kamer d: 5.50 x 4.50m, doorgang naar f: 2m breed, doorgang naar g: 0.60m breed, bank: 1.70m lang
ruimte f: 4 x 2.50m
ruimte g: 5.80 x 4.70m
kamer h: 5.80 x 1.20m
vertrek i: 3.20 x 2.70m
rotonde k: 6m diameter, mozaïek: 3.70m diameter, open krans: ca. 0.90m breed
Bewaringstoestand:
de vloeren en de onderkant van de muren zijn goed bewaard
Overzicht:
Het badgebouw heeft 2 ingangen, een aan de noordkant (van op de agora in kamer a), de andere in de westmuur (van op de straat C1 in kamer b). De 3 vertrekken aan de zijde van de agora (a, r, s) en ruimte t in de noordwesthoek zijn mogelijk in een 2e fase aan het hoofdgebouw toegevoegd. (t heeft trouwens ook een dikke, versterkte buitenwand, die aan een bijzondere dakconstructie doet denken.) De ingang aan de noordzijde zou dan in ruimte c zijn geweest en de publieke put in r zou eerst in openlucht gelegen hebben, alvorens te zijn opgenomen in de noordelijke uitbreiding van het badcomplex.
In het noorden kwam men binnen in kamer a (die communiceert met t aan de westkant en met ruimte r met de publieke put aan de andere kant), zo kon men dan verder naar ruimte c. De vloer in opus signinum valt meteen op. Die vloerbedekking zien we trouwens in alle badkamers, met varianten in de doorgangen. Tegen de west- en zuidwand van c en in de noordoosthoek staan banken die ongetwijfeld dienden om kleren op te leggen. Het gaat hier dus om een apodyterion waarvan de wanden van de muren en van de banken zijn bedekt met een fijne, roodgekleurde pleisterlaag. (afb. 20) In ruimte c zijn 2 doorgangen, naar de kleinere kamer e en een andere naar vertrek d, die heel smal zijn om warmteverlies te vermijden. De deuropening tussen c en d is schuin en wordt benadrukt door de tekening in de vloerbedekking. Het gaat hier niet om opus signinum, maar om een klein echt mozaïekstuk van witte en groene steentjes dat aan beide kanten afgeboord wordt door een rij witte regelmatige steentjes. (afb. 21)
Ruimte d en f hebben dezelfde vloer van opus signinum waarin witte vierkantjes regelmatig zijn ingewerkt. (afb. 22) De doorgangen vanuit d naar de annex f en de ruimte g zijn opnieuw speciaal uitgewerkt. Die eerste passage is een opus signinum waarin talrijke kleine witte, gele en groene vierkante steentjes zijn ingelegd, terwijl de tweede een echt dambord vormt van vierkante terracottastukjes die witte steentjes afwisselen. (afb. 22 detail) Rechts van die doorgang naar g, staat er in kamer d een kleine bank waaronder de afvoerleiding met water uit ruimte g doorloopt. Die leiding doorkruist de kamer verder, het geultje is nog te zien in de vloer.
In de ruime kamer g ligt een opus signinum met rijen witte vierkantjes op 5cm van elkaar. Een bank bezet de noordwesthoek van de kamer, nog een andere (smallere) bank staat tegen de hele lengte van de oostmuur. Tegen de zuidwand bevindt zich, tussen 2 posten, een voorziening die moeilijk te identificeren is. Deze installatie moet een soort bekken of schaal hebben gedragen op een zekere hoogte.
Via een enge passage ging men vanuit g naar de smalle en lange ruimte h. In dat vertrek staan banken tegen 3 zijden (noord, oost en zuid) en bestaat de vloerbedekking opnieuw uit opus signinum. Het meest belangrijke aspect van deze ruimte is dat er haardvuur onder lag. (afb. 23) De opening daarvan (aan de zuidkant) ligt zo’n 1.20m lager, aan de ingang van een soort smalle gang p die naar een ander vuur j leidt. Het lijkt zeker dat ruimte h afgesloten was en het feit dat ze zo smal is en bijna helemaal wordt omgeven door banken, doet vermoeden dat het hier om een zweetbad gaat.
De doorgang in de noordoosthoek van g leidt naar het kleine vertrek i. Deze ruimte heeft ook een vloer in opus signinum en een soort bassin tegen de oostmuur.
We keren nu terug naar stookoven j die zich bevindt aan het einde van de smalle gang p. (afb. 24) Deze installatie heeft latere veranderingen ondergaan: het vuur voor de Hellenistische baden werd omgevormd in een kalkoven in de Romeinse periode. De achterkant heeft enkel het begin van verkoling ondergaan. Die transformatie gebiedt wel voorzichtigheid bij de interpretatie van de structuur en z’n werking. Het is wel zeker dat de stookoven bestond en dat hij dezelfde rechthoekige vorm had. Het verschil met de installatie in ruimte h is dat deze oven niet de bovenliggende bodem verwarmde, maar wel recipiënten met water.
Het water dat daar verwarmd werd, diende voor de wassingen in de ronde ruimte k (meer naar het zuiden). (afb. 25) Ook deze structuur heeft een vloer in opus signinum en laat een volledige ‘krans’ open rondom. In die ruimte kan een reeks badkuipen uit terracotta gereconstrueerd worden. Het waren zo goed als zeker zitbaden, in de vorm van de zitkuip die herbruikt werd in de woning 13,22.
Ten westen van die rotonde, die waarschijnlijk overdekt was met een koepel, liggen 2 kamers, l en m, die beide voorzien waren van banken. (afb. 26) Ongetwijfeld gaat het hier om ruimtes waarin de badgasten even konden uitrusten, wachten of praten.
De plaatsing van de oven j zorgt wel voor een probleem: hoe kon men vanuit de ruimtes rond d naar de rotonde k en de 2 annexen