Invloed van globalisering op demografie. De vruchtbaarheidstransitie in Noord-Afrika. (Menno Ernst)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding

 

De tweede helft van de twintigste eeuw is een periode geweest waarin er in de wereld op relatief korte termijn heel wat is veranderd. Daarbij denken we onder meer aan de machtsverhoudingen op wereldvlak, zowel op het politieke als het economische terrein. Dagelijks wordt er in het nieuws gesproken over internationale en regionale conflicten, over honger en armoede en over schommelingen binnen de wereldeconomie. Er hebben echter ook heel wat minder zichtbare ontwikkelingen plaatsgevonden, waarvan men het belang geenszins mag onderschatten. Het gaat hier om processen die minder in de kijker staan, niet alleen omdat ze minder opvallen, maar ook omwille van hun geleidelijk verloop. Dit is op zich natuurlijk geen reden om te veronderstellen dat ze daarom minder belangrijk zijn.

Binnen deze verhandeling zal immers uitvoerig worden ingegaan op één van deze minder zichtbare veranderingen, met desondanks een grote maatschappelijke relevantie, namelijk de recente daling van de vruchtbaarheid in de derde wereld. Wanneer de demografie van ontwikkelingslanden bij ons in het nieuws komt, gaat het zo goed als altijd over explosieve bevolkingsgroei, met alle problemen vandien. Wat minder aan bod komt, is het feit dat deze bevolkingsgroei zich gedurende de laatste decennia van de twintigste eeuw heeft weten te manifesteren ondanks een daling van de vruchtbaarheid. Dit is uiteraard enkel mogelijk doordat ook de mortaliteit in deze landen sterk is afgenomen, met een stijging van de levensverwachting tot gevolg. Bij dit laatste aspect zullen we hier echter niet stilstaan, vermits we voornamelijk geïnteresseerd zijn in de dalende vruchtbaarheid. Dit blijkt van cruciaal belang te zijn voor het onder controle houden van de wereldbevolking in het algemeen, en voor de ontwikkeling van de derde wereld in het bijzonder. Ontwikkelingslanden hebben veelal te kampen met armoede, water- en voedseltekort, een slechte gezondheidstoestand van de bevolking en gebrekkige sanitaire voorzieningen. Daarbovenop komen vaak nog problemen op het vlak van onderwijs en huisvesting (Calvert & Calvert, 2001, pp. 49-64). Het zal dan ook niemand verwonderen dat een sterke bevolkingstoename geen oplossing is voor de problemen van deze landen, integendeel. Nationale overheden zijn in de huidige situatie nauwelijks in staat om, zonder hulp van buitenaf, het hoofd boven water te houden. De daling van de vruchtbaarheid kan in dit opzicht echter een uitweg bieden, aangezien het een tijdelijk demografisch voordeel met zich meebrengt, hetgeen ontwikkelingslanden een unieke kans biedt om een grotere welvaart te creëren voor hun bevolking (United Nations Population Fund, 2002).

Onze studie van de dalende vruchtbaarheid vangt aan met een bespreking van William Goode’s (1970) opvattingen over de verspreiding van het echtelijke gezin. Zijn destijds invloedrijke ideeën over demografische en gezinsveranderingen, daterend uit 1970, zullen gebruikt worden om een beeld te schetsen van maatschappelijke ontwikkelingen – voornamelijk uit de tweede helft van de twintigste eeuw – die het proces van vruchtbaarheidsdaling in het westen hebben beïnvloed. Een aantal van deze maatschappelijke veranderingen zal vervolgens verder uitgewerkt worden, met de bedoeling hun invloed op de vruchtbaarheid te illustreren. Dit alles dient als aanzet voor latere hoofdstukken, waarin de vruchtbaarheidstransitie in de derde wereld onderzocht zal worden.

Alvorens hiertoe over te gaan dienen we niet alleen inzicht te krijgen in de verschillende maatschappelijke ontwikkelingen, maar moet eveneens duidelijkheid geschapen worden over de globale context waarin de vruchtbaarheidsdaling plaatsvindt. De huidige internationale scène valt immers geenszins meer te vergelijken met die van pakweg honderd jaar geleden. De globalisering van de wereld is stilaan een feit geworden, omwille van de intensifiëring van wereldwijde sociale relaties. Dit heeft echter geenszins geleid tot meer eenheid op wereldniveau, aangezien het erop lijkt dat de bestaande verschillen tussen de geïndustrialiseerde en de niet-geïndustrialiseerde landen eerder blijven voortbestaan dan dat ze uitgeroeid worden. De westerse levensstijl wordt voorgesteld als ‘het goede leven’, de rijke landen beheersen de kapitalistische wereldeconomie, terwijl soevereine staten steeds meer zeggenschap verliezen ten voordele van internationale organen (Calvert & Calvert, 2001, pp. 14-15). De gevolgen van deze ontwikkelingen beperken zich echter niet tot het culturele, het economische of het politieke domein. Ook op het vlak van demografie lijken de gevolgen merkbaar.

We zullen dit trachten aan te tonen door om te beginnen het concept globalisering af te bakenen, uiteraard nadat we eerst een algemene inleiding op het thema hebben gegeven. Doorheen deze verhandeling zal gefocust worden op culturele aspecten van het globaliseringsproces, meer bepaald op internationale communicatiestromen en netwerken. Het functioneren hiervan zal vervolgens duidelijk gemaakt worden in een bespreking over theorieën omtrent internationale communicatie, aangevuld met een uiteenzetting over allerhande effecten die eruit voortvloeien. Op die manier hopen we in staat te zijn om op het einde van deze verhandeling tot conclusies te komen met betrekking tot de vraag naar de invloed van globalisering op demografie, meer bepaald op de daling van de vruchtbaarheid.

De transitie van hoge naar lage vruchtbaarheid is een fenomeen dat reeds vele demografen heeft beziggehouden. Het is dan ook intrigerend dat binnen een gehele samenleving het gezinsmodel evolueert – over een tijdsspanne van slechts enkele generaties – van grote, kroostrijke gezinnen tot gezinnen waarin het kinderaantal eerder beperkt is. Leete omschrijft deze ontwikkeling niet voor niets als één van de merkwaardigste veranderingen in sociaal gedrag doorheen de twintigste eeuw (2001, p. 3). Wij delen deze opvatting en gaan daarom op zoek naar de bestaande theorieën rond vruchtbaarheidstransities. Vervolgens zal een overzicht gegeven worden van ander demografisch onderzoek, dat telkens uitgaat van een specifiek theoretisch kader, en waarin gezocht wordt naar factoren die een invloed hebben uitgeoefend op de vruchtbaarheid. Op die manier hopen we een aantal maatschappelijke ontwikkelingen terug te vinden die ons in staat stellen een eigen theoretisch kader te vormen, dat de basis moet vormen voor verder onderzoek. Het doel is dus om met behulp van informatie uit voorgaand onderzoek tot een model te komen waarin we onze visie uiteenzetten ten aanzien van de aard van de relaties tussen de verschillende maatschappelijke processen en vruchtbaarheid.

Wanneer dit onderzoeksmodel op punt staat kunnen we overgaan tot de analyse van vruchtbaarheidsdalingen in ontwikkelingslanden. Rest ons enkel nog de keuze van een bepaalde regio, vermits de studie van de vruchtbaarheid op wereldniveau een té breed onderzoeksveld is en bijgevolg ten koste zou gaan van een diepgaande inhoudelijke analyse. In feite komen alle delen van de derde wereld in aanmerking. Onderzoek heeft immers aangetoond dat de vruchtbaarheid vanaf het begin van de jaren zestig in alle ontwikkelingslanden begon te dalen. Sub-Saharisch Afrika bleef lange tijd een uitzondering, maar ook daar ging de vruchtbaarheidstransitie aan het begin van de jaren negentig van start (Bongaarts & Watkins, 1996, p. 639; United Nations, 2000a, p. xv). De uiteindelijke keuze wordt bepaald door de culturele benadering van de vruchtbaarheidstransitie binnen deze verhandeling en door onze interesse voor de invloed van globalisering. Noord-Afrika lijkt in dit opzicht een geschikte onderzoeksregio, niet alleen omwille van de culturele context die sterk verschilt met die van het westen, maar ook omdat het ontwikkelingspad dat de landen in deze regio volgen sterk verschilt van het onze (Richards & Waterbury, 1996, pp. 62-65).

Eens het voorbereidend werk achter de rug is, zal worden overgegaan tot het feitelijk onderzoek, namelijk de studie over de Noord-Afrikaanse vruchtbaarheidstransitie. We hopen dat de toepassing van ons onderzoeksmodel op de beschikbare data vervolgens ook tot zinvolle resultaten kan leiden omtrent het belang van de verschillende maatschappelijke processen bij de vruchtbaarheidsdaling in Noord-Afrika. Het zijn immers deze resultaten, samen met de bevindingen omtrent globalisering, die ons uiteindelijk in staat moeten stellen te oordelen over de invloed van globalisering op vruchtbaarheidsdalingen in de derde wereld.

 

 

1. Gezinsveranderingen in het westen

 

1.1. Inleiding

 

De eerste demografische transitie, op gang gekomen in West-Europa omstreeks halfweg de 19de eeuw, zorgde aanvankelijk niet alleen voor een spectaculaire toename van de wereldbevolking, maar ging eveneens gepaard met wijzigingen binnen de samenleving in zijn geheel, en het gezin in het bijzonder. Dit proces werd voortgezet na de Tweede Wereldoorlog, toen de westerse samenlevingen opnieuw heel wat veranderingen ondergingen. De levensstandaard van de westerlingen steeg aanzienlijk, met de uitbouw van de welvaartsstaat tot gevolg. Deze maatschappelijke veranderingen hadden ook hun effect op gezinspatronen, die eveneens belangrijke wijzigingen doormaakten. William Goode bracht in 1970 zijn succesvol boek ‘World Revolution and Family Patterns’ uit, waarin hij een beeld schetste van de toenmalige demografische en gezinsontwikkelingen op wereldniveau. De ideeën die hij hierin uiteenzette omtrent de dominantie van een nieuw gezinspatroon konden destijds op veel bijval rekenen.

We zullen hier gebruik maken van Goode’s invloedrijke werk om een inleiding te geven over de westerse gezinsveranderingen in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog, die zich volgens de auteur geleidelijk aan verspreidden over de rest van de wereld. Deze ontwikkelingen zullen vervolgens geplaatst worden in hun maatschappelijke context. Dat zal gebeuren door uit Goode’s bespreking enkele ontwikkelingen te halen die gepaard gingen met de veranderingen op gezinsniveau en die hierop een grote invloed hebben gehad. Deze aspecten zullen verder toegelicht worden om zodoende te illustreren van welke belang zij zijn voor de veranderingen binnen het gezin. De bespreking van de ideeën van Goode – destijds zeer invloedrijk binnen de gezinssociologie – dient dus in feite als aanzet voor latere hoofdstukken, waarin zal worden nagegaan of er parallellen bestaan tussen gezinsveranderingen in het westen en in de rest van de wereld.

 

 

1.2. William Goode: het echtelijk gezin

 

In 1970 beschrijft William Goode de toenmalige demografische en gezinsveranderingen op wereldvlak. Na een grondige analyse van deze aspecten komt hij tot de vaststelling dat deze factoren allemaal convergeren in de richting van het westerse gezinsmodel. Hij verwijst hiermee naar de opmars van het ‘echtelijk gezin’, dat niet alleen dominant zou zijn in de westerse samenlevingen, maar zich stilaan verspreidt over de hele wereld. Bijgevolg is er sprake van het verdwijnen van traditionele samenlevingsvormen ten voordele van het echtelijk gezinsmodel.

Wanneer Goode het heeft over het echtelijk gezin, dan moet dit volgens hem geïnterpreteerd worden als een ideaaltype. Hiermee wordt in de eerste plaats verwezen naar bepaalde kenmerken die typerend zijn voor deze gezinsvorm. Daarnaast wil de auteur echter ook de normatieve lading van deze term benadrukken. Het echtelijk gezin geldt binnen de samenleving niet uitsluitend als het standaard-gezinstype, maar evenzeer als ‘dé ideale gezinsvorm’. Het is met andere woorden niet louter het type dat binnen een samenleving het meest frequent voorkomt, maar het is de norm waaraan elk gezin getoetst wordt. Er is volgens Goode sprake van een invloedrijke gezinsideologie binnen de westerse samenleving, die ook buiten de geïndustrialiseerde wereld aan belang wint. Goode is er immers van overtuigd dat de demografische patronen op wereldvlak overal waar het industrialiseringsproces op gang komt zullen evolueren in de richting van het echtelijk gezin (Goode, 1970, pp. 7, 20).

Wat zijn nu deze typische kenmerken van het westerse gezin, die zich geleidelijk aan over de rest van de wereld verspreiden? Om dit te verduidelijken beschrijft Goode het echtelijk gezin als het kerngezin dat een onafhankelijke verwantschapseenheid gaat vormen. Dit wijst meteen naar de essentie van deze gezinsvorm, namelijk het beperkte belang van verwantschapsbanden. Op basis van deze relatieve onafhankelijkheid kunnen veel andere kenmerken van het echtelijk gezin afgeleid worden. Zo beperkt de gezinssamenstelling zich tot de ouders en hun kinderen, in tegenstelling tot de meer uitgebreide gezinnen waarbij meerdere generaties of verwanten samenwonen onder één dak. De levensloop van individuen is echter niet langer onlosmakelijk verbonden met die van het gezin; kinderen gaan langer naar school, zoeken meer hun eigen weg, trouwen op latere leeftijd – waardoor ook het ouderschap uitgesteld wordt – en vervolgens daalt ook hun kinderaantal. De basis voor het vormen van een gezin steunt niet langer op economische motieven, maar eerder op wederzijdse aantrekking tussen de partners. Het gevolg hiervan is dat de onderlinge gezinsrelaties intenser en emotioneler zijn geworden en zich bovendien kenmerken door een grote mate van gelijkheid – vooral tussen de geslachten, maar ook tussen de verschillende generaties. Het intense van deze relaties, samen met de betrokkenheid van het gezin op zichzelf, is echter eveneens de oorzaak van de kwetsbaarheid van het gezin. De emotionele balans is immers voortdurend onderhevig aan storingen, wat aanleiding geeft tot onstabiele gezinsbanden. Hierin ligt volgens Goode de belangrijkste oorzaak van het toenemend aantal echtscheidingen in de westerse samenlevingen gedurende de afgelopen decennia (Goode, 1970, pp. 6-9).

De oorsprong van dit echtelijk gezinstype dient gezocht te worden in processen van industrialisering en de daarmee gepaard gaande urbanisatie. Drastische veranderingen in de algemene levensomstandigheden van mensen nopen tot een aanpassing van de tot dan toe geldende samenlevingspatronen. De opkomst van het echtelijk gezin als dominante samenlevingsvorm ziet Goode als een logisch gevolg van deze evolutie, aangezien men op deze wijze optimaal tegemoet kan komen aan de noden die uitgaan van de industriële samenleving. De vraag naar arbeidskrachten wordt opgelost door de toetreding van de vrouw tot de arbeidsmarkt, wat enkel mogelijk is door de dalende vruchtbaarheid van de vrouw binnen het echtelijk gezinstype, waardoor de opvoedende taken geen voltijdse bezigheid meer zijn. Bovendien gaan jongeren langer naar school, waardoor in de eerste plaats hun opleidingsniveau toeneemt – evenals hun productiviteit binnen de industriële samenleving – en in de tweede plaats wordt op deze manier het huwelijk en het ouderschap uitgesteld, waardoor koppels minder kinderen krijgen (Goode, 1970, pp. 10-11). De daling van het kinderaantal was volgens Goode gedeeltelijk te verklaren door de afname van de economische waarde van kinderen binnen de vernieuwde samenleving. Dit geeft echter geen volledig beeld van de ontwikkeling. Er moet ook gekeken worden naar sociale en culturele factoren, die ervoor gezorgd hebben dat de kinderwens van koppels verminderde doorheen de twintigste eeuw (Goode, 1970, pp. 50-51).

We staan vervolgens even stil bij Goode’s opvattingen omtrent convergerende demografische en gezinsfactoren. Hij was van mening dat het echtelijk gezinstype zich over de wereld zou verspreiden, zodra het industrialiseringsproces in een land van start ging. Naast deze noodzakelijke rol die vervuld werd door economische vooruitgang en technologische ontwikkeling, was er volgens Goode echter ook sprake van een verspreiding van de westerse gezinsideologie, die eveneens een belangrijke rol speelde bij de gezinstransformatie. Deze ideologie zou reeds door vooraanstaande personen – meestal van westerse afkomst – binnen een samenleving geïntroduceerd worden nog voordat de materiële condities voor de verspreiding ervan aanwezig zijn. De uiteindelijke doorbraak van de dominante westerse gezinsopvattingen is echter afhankelijk van de mate van industrialisering (Goode, 1970, pp. 19-21).

Voorts kunnen we stellen dat de ideologie van het echtelijk gezin vernieuwend is, aangezien ze breekt met de traditionele gezinsopvattingen en een nieuw model introduceert. Er kan tevens niet ontkend worden dat deze ideologie niet volledig politiek neutraal is. De ideeën worden immers uitgedragen vanuit een verlangen naar individuele gelijkheid en met het doel een einde te maken aan barrières gevormd door geslacht en klasse. Uit de grote aandacht die besteed wordt aan het individu blijkt dat de ideologie van het echtelijk gezin ook het principe van democratie in zich meedraagt (Goode, 1970, pp. 17-19). Tot slot kan er nogmaals op gewezen worden dat de ideologie van het echtelijk gezinstype voortkomt uit de noden van de industriële samenleving. De nood aan vaardigheden – waar ze ook te vinden waren – resulteerde in een pleidooi ten voordele van de ontwikkeling van de individuele mogelijkheden. Zowel de man als de vrouw kon zijn of haar nut bewijzen in het productieproces en dit heeft geleid tot een wijziging in de geslachtsrollen, meer bepaald tot een grotere gendergelijkheid[1] (Goode, 1970, p. 21).

Tot zover Goode’s interpretatie van de demografische en gezinsveranderingen die zich in de periode na de Tweede Wereldoorlog op globaal niveau afspeelden. Zijn boek, “World Revolution and Family Patterns”, heeft heel wat positieve, maar zeker ook negatieve reacties teweeggebracht bij sociologen en demografen. Vooral de veronderstelling van wereldwijde convergentie met betrekking tot gezinspatronen lijkt lang niet voor iedereen vanzelfsprekend te zijn. Goode’s bevindingen dateren al van ruim drie decennia geleden. Gezien het hoge tempo van de demografische veranderingen op wereldvlak is het zeker niet onwaarschijnlijk dat de huidige situatie er helemaal anders uitziet.

Toch is het werk van Goode voor ons nog steeds waardevol, aangezien hij enkele belangrijke aspecten aanhaalt die een ruimer beeld geven van de maatschappelijke processen die gepaard gingen met de veranderingen op gezinsniveau en die hierop ongetwijfeld een invloed hebben uitgeoefend. Net zoals andere maatschappelijke ontwikkelingen vonden ook de gezinsveranderingen immers niet plaats in een vacuüm. Het gezin is geenszins een eenheid die afgezonderd is van de rest van de samenleving, maar staat er daarentegen permanent mee in interactie (Arnot, 2002, pp. 350-351).

We zullen enkele van deze maatschappelijke processen die Goode in verband bracht met gezinsontwikkelingen hieronder kort toelichten. De bedoeling hiervan is enerzijds een beter inzicht te krijgen in de gezinsveranderingen die de afgelopen decennia plaatsvonden door ze binnen hun context te plaatsen; anderzijds moet dit ons helpen om in een later hoofdstuk de veranderingen binnen het westerse gezin te vergelijken met ontwikkelingen elders in de wereld, doordat we ze kunnen kaderen binnen een breder perspectief. Een eerste ontwikkeling die hier extra aandacht verdient, is de dalende kinderwens in de moderne samenleving. Vermits we geïnteresseerd zijn in het belang van de verspreiding van westerse waarden en opvattingen zullen we zeker en vast ook ingaan op de ideologie die achter de westerse gezinsveranderingen schuilgaat en de rol van de overheid bij de verspreiding van dit dominante denkkader. Ten slotte zal er ook aandacht uitgaan naar de ontwikkelingen ten aanzien van onderwijs enerzijds, en de sociale gelijkheid tussen mannen en vrouwen anderzijds.

 

 

1.3. Gezinsveranderingen in hun maatschappelijke context

 

Vooraleer we overgaan tot de bespreking van de maatschappelijke ontwikkelingen die de bredere context van de gezinsverandering vormen, gaan we nog kort in op de rol van sociaal-economische factoren. Goode was er immers van overtuigd dat het industrialiseringsproces de motor was die de gezinsveranderingen op gang heeft gebracht en gestuurd heeft. Lang niet iedereen is het eens met deze stelling. Volgens Glenn (1995) zijn er belangrijke – sociale – verschillen merkbaar binnen moderne samenlevingen, die niet verklaard kunnen worden door louter te kijken naar het stadium van industrialisatie. Vandaar dat de laatste jaren steeds vaker beroep wordt gedaan op culturele verklaringen voor sociale veranderingen, aldus Glenn. De oorzaak kan dus beter gezocht worden in verandering van waarden, geloof en attitudes binnen de moderne samenlevingen (Glenn, 1995, pp. 1-5).

Therborn is een van de huidige auteurs die zich min of meer aansluit bij de opvattingen van Glenn. Het is volgens hem te eenvoudig om gezinsveranderingen enkel terug te brengen op het industrialiseringsproces. Onderzoek wijst immers uit dat demografische en gezinsveranderingen evengoed plaatsvinden in landen die nauwelijks of niet geïndustrialiseerd zijn. Hij verwijst hiervoor naar het voorbeeld van de eerste demografische revolutie. Die vond het eerst plaats in Frankrijk gedurende de 19de eeuw, terwijl dit land op dat moment nochtans achteropliep op het gebied van industrialisering. Daarnaast wijst hij nog op de grote rol die vervuld werd door de invoering van de leerplicht. Deze maatregel heeft eveneens verstrekkende gevolgen gehad op het vlak van gezinsrelaties (Therborn, 2004, p. 239).

We gaan er hier dan ook van uit dat industrialisering en modernisering geenszins dé determinerende oorzaak is van gezinsveranderingen. Ze kunnen eventueel wel een rol hebben gespeeld (net zoals zoveel andere factoren), maar we veronderstellen desondanks dat het vooral een waardeverschuiving is geweest die de transitie binnen het gezin mogelijk heeft gemaakt. Goode vermeldde reeds dat de verspreiding van de westerse gezinsideologie een grote rol speelde bij de verspreiding van demografische en gezinspatronen, hoewel industrialisering voor hem wel een noodzakelijke voorwaarde bleef. Wij zijn, in navolging van andere wetenschappers, echter niet overtuigd van deze noodzaak en wensen verder in te gaan op het belang van ideologie bij de gezinsverandering van de afgelopen decennia. Om deze reden – en omwille van praktische afbakening van het onderzoek – zal hieronder niet expliciet meer uitgeweid worden over de rol van economische factoren. Het doel van de verhandeling is immers de westerse gezinsveranderingen te vergelijken met recente veranderingen in minder geïndustrialiseerde landen, die uiteraard gekenmerkt worden door andere economische omstandigheden. Daarom beperken we ons hier tot ontwikkelingen die niet-economisch zijn van aard.

 

1.3.1 Dalende kinderwens

 

We beginnen onze bespreking van maatschappelijke processen met een uitweiding over de daling van de kinderwens, hetgeen erg belangrijk was bij de overgang naar kleine gezinnen. De explosieve bevolkingstoename van de afgelopen eeuw heeft ervoor gezorgd dat binnen de huidige mondiale samenleving op bevolkingsniveau gestreefd wordt naar een nulgroei, of in sommige gevallen zelfs naar een afname van het bevolkingsaantal. Dit heeft ook effectief geleid tot een daling van het kinderaantal, waardoor de vruchtbaarheid van westerse koppels een relatief uniform karakter lijkt te hebben ontwikkeld. Het merendeel van de huidige gezinnen telt één, twee, drie of geen kinderen, waardoor kroostrijke gezinnen stilaan een uitzondering worden (Cliquet, 1987, pp. 5-7, 11). Er is bijgevolg sprake van een trend in de richting van een beperking van het aantal kinderen per gezin. Men omschrijft het huidige westerse gezin daarom ook wel als het ‘2-tot-3-kinderen-gezin’ (Garret, 1997, p. 340).

We zijn hier echter niet zozeer geïnteresseerd in de daling van de feitelijke vruchtbaarheid, dan wel in de voorkeuren van ouders met betrekking tot hun ideale kinderaantal. Aangezien men er in een samenleving nooit helemaal in slaagt beide te laten samenvallen, loont het de moeite om de kinderwens apart te beschouwen. Uit cijfers van het CBGS blijkt dat het gewenste kinderaantal in Vlaanderen reeds enkele decennia min of meer constant blijft op een relatief laag niveau[2]. De opvallendste ontwikkeling is echter dat het ideale beeld van het tweekindergezin steeds dominanter wordt, vermits in 1991 ruim twee derde van de Vlaamse echtparen aangaf twee kinderen te wensen, in tegenstelling tot amper de helft van de koppels in 1975 (Cliquet, e.a., 1996, pp. 99-101).

Wanneer we ons afvragen waar de oorzaken van deze veranderende gezinspreferenties liggen, moeten we om te beginnen kijken naar de verschillende niveaus waarop kinderwensen beïnvloed worden. Uit onderzoek naar waarden met betrekking tot kinderen is gebleken dat het gewenste kinderaantal (1) in de eerste plaats duidelijk een individueel georiënteerde keuze is. Volgens sommigen hangt dit af van het eigenbelang van ouders, terwijl anderen het hebben over het altruïsme van ouders ten aanzien van hun kinderen. (2) In de tweede plaats zijn er ook voldoende aanwijzingen om te veronderstellen dat er sprake is van intergenerationele beïnvloeding van ouders ten aanzien van hun kinderen. Niet alleen het reproductief gedrag van ouders, maar ook hun vruchtbaarheidsvoorkeuren zouden samenhangen met de geprefereerde vruchtbaarheid van hun kinderen. Het voorgaande neemt echter niet weg dat (3) vruchtbaarheidsvoorkeuren ook op maatschappelijk niveau geïnterpreteerd dienen te worden. Het individu maakt immers deel uit van de samenleving, en wordt beïnvloed door haar culturele erfenis, hetgeen doorgegeven wordt via socialisatieprocessen (Axinn, Clarkberg & Thornton, 1994, pp. 76-77; Cliquet, 1987, pp. 4-5).

Omwille van onze sociologische invalshoek zijn we hier niet echt geïnteresseerd in het belang van de individuele vruchtbaarheidspreferenties. Verder zullen we ook niet langer stilstaan bij de intergenerationele effecten van reproductieve preferenties van ouders ten aanzien van kinderen. De oorzaak van de gedaalde kinderwens zal bijgevolg gezocht worden in maatschappelijke processen die eveneens tot de transformatie van het westerse gezin leidden – zoals hierboven aangehaald werd bij de bespreking van de ideeën van Goode.

 

1.3.2 Ideologie en rol van de overheid

 

Goode benadrukt eveneens de autonomie van het echtelijk gezin, maar ook dit kenmerk moet in het juiste perspectief geplaatst worden, namelijk binnen de context van de verzorgingsstaat. Gezinnen worden enerzijds meer autonoom, maar anderzijds is het de maatschappij die – via allerlei instituties – steeds dieper ingrijpt in het hedendaags gezinsgebeuren. Paradoxaal genoeg gaat een grotere familiale autonomie bijgevolg gepaard met toenemende staatstussenkomst in gezinsaangelegenheden (Dumon, 1992, pp. 24-25). De overheid ging steeds meer een actief gezinsbeleid voeren, teneinde tegemoet te komen aan nieuwe problemen. Bovendien werd ook de wetgeving in veel westerse landen aangepast, met de bedoeling een eind te maken aan de bestaande ongelijkheden binnen de samenleving. Door het aanpassen van de wetgeving wilde men schoon schip maken met de patriarchale gezinsstructuur uit het verleden (Therborn, 2004, pp. 100-102).

Het is niet alleen belangrijk om stil te staan bij de rol die nationale overheden vervuld hebben bij de gezinsveranderingen van de afgelopen decennia; ook internationale organisaties hebben een cruciale rol gespeeld bij het beïnvloeden van de wereldbevolking. Vanaf het begin van de industrialisering in het westen tot aan de Tweede Wereldoorlog hebben landen gestreefd naar een expansie van hun bevolking – tenminste in de landen waar überhaupt nagedacht werd over een bevolkingsbeleid. Verontrustend nieuws omtrent overbevolking en de catastrofale gevolgen die daarmee gepaard zouden gaan, zorgden omstreeks de jaren vijftig van de vorige eeuw, voor een radicale omzwaai in het bevolkingsbeleid van de internationale gemeenschap – onder leiding van de westerse landen. Overheden en NGO’s gingen, onder impuls van globale elites, expliciet inspanningen leveren om de bevolkingsgroei te doen afnemen. Uiteraard heeft een dergelijk actief optreden vanwege de overheid verstrekkende gevolgen gehad voor de samenstelling van de bevolking, hetgeen op zijn beurt leidde tot wijzigingen binnen het gezin (Therborn, 2004, pp. 264-275).

We zijn ervan overtuigd dat bovenstaande paragrafen aantonen dat studies over recente gezinsveranderingen (op wereldniveau) niet voorbij kunnen aan de actieve rol die overheden sinds de tweede helft van de twintigste eeuw vervullen bij het beïnvloeden van demografische en gezinsveranderingen. Wij koppelen deze opvatting aan Goode’s visie omtrent de belangrijke rol van de westerse gezinsideologie. Deze zou volgens hem binnen samenlevingen geïntroduceerd worden door vaak westerse vooraanstaande personen, om vervolgens – eens de industrialisering op gang is gekomen – een grote invloed uit te oefenen op demografie en gezin. Naar onze mening is het de nationale overheid die, onder druk van internationale organisaties, voor een groot deel de verspreiding van dit westerse gezinsbeeld voor haar rekening heeft genomen.

 

1.3.3. Onderwijsveranderingen

 

De twintigste eeuw is ook een periode waarin het onderwijs binnen de westerse wereld een enorme expansie doormaakte. Europa kent op dit vlak reeds een lange en ononderbroken traditie, maar de snelle maatschappelijke veranderingen in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog resulteerden in opmerkelijke ontwikkelingen. In de eerste plaats was er sprake van een algemene verspreiding van het onderwijs. ‘Onderwijs voor allen’ werd de doelstelling, waardoor brede lagen van de bevolking de kans kregen op een opleiding, hetgeen voordien nog een voorrecht was. Niet alleen kinderen van lagere sociale afkomst konden voortaan beroep doen op dit massaonderwijs, ook de toenemende onderwijsparticipatie van vrouwen was indrukwekkend (Aitken, 1989, p. 15).

Het waren de nieuwe sociale en economische imperatieven van de moderne westerse samenleving die de hervorming en de uitbreiding van het onderwijs – voornamelijk het secundair en het hoger onderwijs – noodzakelijk maakten. In de eerste plaats nam de nood aan geschoolde arbeidskrachten snel toe, door veranderingen in de economische structuur. De wetenschappelijke en technologische vooruitgang deed de vraag naar geschoolde arbeidskrachten in de industrie immers sterk toenemen. Daarnaast was men ook binnen de overheid en de handelssector op zoek naar hooggekwalificeerde werkkrachten. In de tweede plaats was er ook de vraag van de massa naar betere onderwijsmogelijkheden. Vooral achtergestelde groepen zagen hierin immers een unieke kans op opwaartse sociale mobiliteit. Ten slotte was er ook de politieke doelstelling om de humanistische en culturele dimensie van de samenleving te versterken. Men wilde de burgers op deze manier ideeën van sociale rechtvaardigheid en wederzijds begrip bijbrengen, hetgeen nodig geacht werd om binnen het naoorlogse internationale klimaat de precaire vrede te handhaven (Aitken, 1989, pp. 11, 15-16).

Zoals gezegd profiteerden ook de vrouwen sterk van deze onderwijsontwikkelingen binnen de westerse samenlevingen. Het wegwerken van de gendervertekening binnen het onderwijs bleek immers één van de belangrijkste ontwikkelingen van het onderwijssysteem in de geïndustrialiseerde landen (Arnot, David, Weiner, 1999, p. 30). Het stijgende opleidingsniveau van vrouwen zorgde ervoor dat ook hun persoonlijke verwachtingen met betrekking tot de betrokkenheid in het publieke leven en de positie binnen het gezin toenamen (David, 1993, p. 20). Traditionele waarden werden herzien, terwijl nieuwe opvattingen zich snel verspreidden. Er werd gebroken met het verleden, waarin de huishoudelijke rol van vrouwen hen de mogelijkheid ontnam om zelf hun eigen leven uit te bouwen. Dit ging gepaard met nieuwe opvattingen omtrent vrouwelijkheid, die leidden tot een groter zelfbewustzijn en toenemende onafhankelijkheid (Arnot, David & Weiner, 1999, p. 123-124).

Het onderwijs nam overigens niet enkel toe in omvang, maar ook in duur. De leerplicht werd in bijna alle landen geleidelijk opgetrokken tot 18 jaar (Aitken, 1989, p. 15), terwijl velen ook nadien nog gingen bijstuderen. Dit had uiteraard belangrijke gevolgen voor het gezinsleven. Zoals we reeds aangaven bij de bespreking van Goode’s opvattingen omtrent gezinsveranderingen, resulteerde dit in een stijgende huwelijksleeftijd. Bovendien namen de kwaliteitseisen van werkgevers eveneens toe, waardoor jongeren na hun langdurige opleiding nog een loopbaan uitbouwden, hetgeen vaak voorrang kreeg op het ouderschap (Cliquet, 1996, p. 117). De ontwikkelingen van het onderwijs lijken bijgevolg een belangrijke invloed te hebben uitgeoefend op de omvang van het westerse gezin.

 

1.3.4. Genderontwikkelingen

 

Goode besteedde ruim aandacht aan de toenemende gendergelijkheid binnen het echtelijk gezin. Alvorens deze ontwikkeling toe te lichten staan we kort stil bij de inhoud van het begrip gender. Mason beschreef gendersystemen als de sociaal geconstrueerde verwachtingen voor mannelijk en vrouwelijk gedrag die terug te vinden zijn binnen elke samenleving, zij het in variërende vormen (McDonald, 2000, p. 427). Een eerste opmerking in dit verband heeft betrekking op veranderende geslachtsrollen binnen – en in mindere mate buiten – het gezin. Sokalski wijst er onder meer op dat deze veranderingen zeer ingrijpend waren en vaak ook problematisch bleken, vooral dan met betrekking tot de gewijzigde identiteit van man en vrouw naar aanleiding van de veranderende familiale rolverdeling (Sokalski, 1992, pp. 13-20). De domeinen van arbeid en gezin vormen twee cruciale terreinen voor de ontwikkeling van de persoonlijke identiteit. Wanneer deze drastische veranderingen ondergaan heeft dit uiteraard gevolgen voor de wijze waarop individuen betekenis geven aan zichzelf en aan hun leven (Kiernan, 1992, pp. 123-125). De evidente, vaststaande betekenissen van voorheen blijken plots niet meer bruikbaar en men moet op zoek gaan naar nieuwe betekeniskaders, wat lang niet altijd een eenvoudige opdracht blijkt, getuige de moeizame realisatie van ‘moderne’ idealen als gendergelijkheid.

Er wordt vaak beweerd dat de tweede helft van de twintigste eeuw een periode is geweest van emancipatie van de vrouw en van groeiende gelijkheid tussen man en vrouw, maar de vraag is of dit ook in werkelijkheid het geval is geweest. Zo zouden de structurele wijzigingen in de gezinssituatie problematische gevolgen hebben gehad voor de identiteit van de man, zowel als vader als in de rol van echtgenoot. Eind negentiende eeuw werd onder invloed van de burgerij in de westerse samenlevingen het ‘kostwinnersmodel’ geïntroduceerd. Dit impliceerde dat de vrouw thuis bleef en instond voor het huishouden en dat de man verantwoordelijk werd voor het gezinsinkomen (Gillis, 1985). Gedurende de tweede helft van de twintigste eeuw veranderden de gezinsopvattingen en het is dan ook binnen deze context dat het echtelijk gezin, volgens de betekenis die Goode eraan verleent, kan gesitueerd worden. Voor de buitenshuis werkende vrouw bood de ondergang van het kostwinnersmodel heel wat voordelen, aangezien haar wereld zich niet langer beperkte tot de zorg voor de kinderen en het huishouden. Haar rol werd met andere woorden uitgebreid. De rol van de vader binnen het gezin is gedurende dezelfde periode niet verder geëvolueerd dan de rol van broodwinner. Meer zelfs, de financiële rol binnen het gezin is niet langer uitsluitend het terrein van de vader.

Daarnaast kan men argumenteren dat nieuwe rollen voor de man nog onvoldoende ingeburgerd zijn. Het is vanuit deze gedachte dat de aandacht voor de vaderrol de laatste jaren sterk toeneemt. De invulling ervan moet de vader in staat stellen om voor zichzelf een nieuwe identiteit te creëren en op die manier zijn zelfrespect als echtgenoot en als vader terug te winnen (Meslem, 1992, pp. 64-68). De verzorgende en opvoedende functies binnen het gezin blijven daarentegen grotendeels het werkterrein van de vrouw. Deze ziet haar mogelijkheden buitenshuis bovendien sterk beperkt door haar rol als huishoudster (Sokalski, 1992, pp. 17-20). Hieruit kan afgeleid worden dat, ondanks de waardeverschuivingen die zich ontegensprekelijk gemanifesteerd hebben de afgelopen eeuw, het traditionele patriarchale systeem nog steeds zeer invloedrijk is binnen onze westerse samenleving. Bovendien lijkt de tewerkstelling van de vrouw tot nu toe in realiteit weinig effect te hebben gehad op de taakverdeling binnen het huishouden. De veranderingen binnen het gezin mogen met andere woorden ook niet overschat worden, daar de werkelijkheid achterop lijkt te lopen op het wijzigende publieke discours.

W. Dumon komt tot een gelijkaardig besluit in zijn artikel over veranderende familiepatronen in West-Europa (1992, pp. 24-25). Hij meent dat de rollen binnen het gezin vandaag niet langer vastliggen, in tegenstelling tot het kostwinnersmodel, maar daarentegen wisselbaar zijn. Dit impliceert niet dat gelijkheid tussen man en vrouw globaal beschouwd een feit is, maar heeft er wel voor gezorgd dat ongelijkheid tussen beiden als onrechtvaardig wordt beschouwd. Gelijkheid kan binnen deze context gezien worden als de te bereiken norm, waarvan de realisatie een doel is voor de toekomst. Een duidelijk voorbeeld van dit te bereiken ideaal dat echter nog niet helemaal werkelijkheid is geworden vinden we terug bij de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen. Ondanks het min of meer gelijke opleidingsniveau tussen mannen en vrouwen anno 2004, hebben vrouwen nog steeds niet dezelfde kansen in de zoektocht naar werk. Er worden de laatste jaren pogingen ondernomen om aan deze discriminatie een einde te maken – o.a. binnen het politiek systeem – maar het valt niet te ontkennen dat vooruitgang slechts moeizaam geboekt wordt (Masui, 1992, p. 197). Het lijkt dus voorbarig om nu reeds te gewagen van een volledige gendergelijkheid, daar de verwezenlijking ervan een werk van lange adem is. De voornaamste belemmeringen worden immers gevormd door diepgewortelde culturele en godsdienstige overtuigingen, die een grote impact hebben op het leven van het individu (Meslem, 1992, pp. 64-65).

Kortom, de volledige gelijkheid tussen man en vrouw mag dan al een ideaal zijn (geworden), het impliceert niet dat de realiteit hier ook effectief mee overeenstemt. Hoewel het vaak zo wordt voorgesteld, blijkt de overgang van een patriarchale naar een egalitaire gezinsvorm immers niet geheel vlekkeloos te verlopen. Wijzigingen binnen diep gewortelde familiale systemen zorgen eveneens voor nieuwe problemen, die door Goode niet behandeld worden in zijn ideaalbeeld van het echtelijk gezin. De strijd om een samenleving vrij van genderstratificatie lijkt vooralsnog niet gestreden…

 

 

1.4. Conclusie en probleemstelling

 

In dit eerste hoofdstuk werd een beeld geschetst van de veranderingen die zich de afgelopen decennia hebben voorgedaan met betrekking tot het westerse gezin. Hiervoor werd gebruik gemaakt van Goode’s opvattingen omtrent de overgang naar de echtelijke gezinsvorm. Deze bleven niet geheel van kritiek gevrijwaard, maar bleken desondanks een goede aanzet voor de studie van demografische en gezinsveranderingen. Uit de bespreking kon worden opgemaakt dat de gezinsveranderingen tijdens de tweede helft van de twintigste eeuw gepaard gingen met maatschappelijke veranderingen op andere niveaus, die allemaal een invloed uitoefenden op demografie en gezin. Enkele factoren werden vervolgens verder toegelicht, in een poging de maatschappelijke context waarin de gezinsontwikkelingen zich voordeden te verduidelijken. Hierbij werd echter bewust geen verdere aandacht besteed aan de rol van industrialisering, hoewel dit volgens Goode nochtans de aanzet vormde voor de ontwikkelingen. Deze keuze werd verantwoord door kritiek van andere wetenschappers, die erop wezen dat demografische en gezinsveranderingen ook zonder industrialisering konden plaatsvinden.

Uiteindelijk werd ingegaan op de dalende kinderwens, de invloed van ideologie en de rol van de staat, en op ontwikkelingen op het vlak van gender en onderwijs. Zoals gezegd was het de bedoeling een ruimer beeld te creëren van de context van de naoorlogse gezinsveranderingen. Op deze manier hopen we de weg vrij te hebben gemaakt voor de vergelijking van ontwikkelingen binnen het westerse gezin met veranderingen in ontwikkelingslanden. De doelstelling is om na te gaan of er, zoals Goode veronderstelt, effectief sprake is van een verspreiding van het westerse gezinsmodel over de rest van de wereld. Om van deze doelstelling te komen tot een toetsbare onderzoeksvraag dienen we evenwel een afbakening door te voeren. De gezinsveranderingen waarover Goode het had zijn immers relatief omvangrijk en een studie van ál deze aspecten valt buiten de opzet van deze verhandeling. Daarom hebben we ervoor gekozen ons toe te leggen op één element van de gezinsontwikkelingen. De keuze viel op een aspect dat duidelijk merkbaar is, maar moeilijker te verklaren valt, namelijk de opmerkelijke daling van het kinderaantal gedurende de decennia volgend op de Tweede Wereldoorlog. Vervolgens werd ook een geografische afbakening doorgevoerd, aangezien het niet haalbaar leek om in één studie alle samenlevingen in de wereld onder de loep te nemen, zonder dat de diepgang van het onderzoek eronder zou lijden. Omwille van redenen die hieronder nog verduidelijkt zullen worden, kozen we uiteindelijk voor de regio Noord-Afrika.

De doelstelling van deze verhandeling blijft echter niet beperkt tot een vergelijkende studie van de westerse vruchtbaarheidsontwikkeling met die van Noord-Afrika. Indien er in Noord-Afrika gedurende de laatste decennia van de twintigste eeuw sprake is geweest van een dalende vruchtbaarheid – net zoals dat het geval is geweest in het westen – dan kan de vraag worden gesteld welke rol processen van globalisering speelden in deze ontwikkeling. De uiteindelijke onderzoeksvraag van deze verhandeling valt bijgevolg uiteen in twee deelvragen: (1) “maakt de Noord-Afrikaanse vruchtbaarheid een gelijkaardige ontwikkeling door als die in het westen?”, en (2) “in hoeverre zijn de vruchtbaarheidsveranderingen in Noord-Afrika het gevolg van globaliserings-processen?”. Uitgaande van Goode’s opvattingen omtrent de expansie van het westerse gezinsmodel en het belang van de gezinsideologie, kunnen we hieruit tenslotte onze twee onderzoekshypothesen afleiden:

 

H1: De Noord-Afrikaanse vruchtbaarheid daalde opmerkelijk, onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen die ook verantwoordelijk waren voor de westerse vruchtbaarheidsdaling.

H2: De maatschappelijke processen die in Noord-Afrika de vruchtbaarheid hebben beïnvloed, zijn uitgedragen vanuit het westen via processen van globalisering.

 

 

2. Globalisering

 

2.1. Inleiding

 

Alvorens over te gaan tot het bestuderen van niet-westerse gezinspatronen, wordt eerst ingegaan op de mogelijkheid van de diffusie van het westers gezinsmodel – hier het dalend kinderaantal – op wereldniveau. Vermits we wensen na te gaan of elementen van het westerse gezin zich op wereldvlak verspreiden, is het van groot belang ook te weten op welke manier deze verspreiding plaats zou vinden. We moeten met andere woorden voorafgaandelijk meer inzicht verwerven in de wereldwijde processen die instaan voor de verspreiding van deze gezinspatronen. Deze stap is cruciaal met het oog op het aantonen van een eventueel causaal effect (hoewel zal blijken dat dit op basis van beschikbare gegevens sowieso zeer moeilijk is). Indien we enkel zouden nagaan in welke mate kenmerken van het westerse gezin eveneens terug te vinden zijn binnen andere culturen, dan zou dit nog geen enkel bewijs leveren omtrent de verspreiding van westerse gezinspatronen.

Om deze reden zal getracht worden aan te tonen dat processen van globalisering ook een effect hebben uitgeoefend op gezinskenmerken. Hierbij wordt verondersteld dat de westerse hegemonie op wereldvlak zich weerspiegelt in de controle over internationale netwerken, hetgeen resulteert in de verspreiding van aspecten van het westerse leven, waaronder het beperkt aantal kinderen per gezin. Deze redenering zal uitvoerig uiteengezet worden doorheen de volgende alinea’s, te beginnen met een definitie van het concept globalisering. Vervolgens zal een overzicht gegeven worden van bestaande theorieën rond internationale communicatie, die inzicht moeten verschaffen in de verspreiding van zowel informatie en gedrag, als van normen en waarden.

De onderstaande uiteenzetting zal de basis vormen voor het toetsen van de tweede onderzoekshypothese. We zullen in een later hoofdstuk de praktische gegevens uit onze analyse over de vruchtbaarheidsontwikkeling in Noord-Afrika in verband brengen met de bevindingen uiteengezet in dit hoofdstuk, in een poging de rol van globalisering in dit proces te verduidelijken.

 

 

2.2. Definitie globalisering

 

Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog, en dan voornamelijk de afgelopen decennia, hebben zich op wereldvlak sterke veranderingen voorgedaan. Een gevoelige toename van de internationale samenwerking en handel, evenals de snelle ontwikkeling van nieuwe technologieën, hebben geleid tot een explosieve toename van de stromen van kapitaal, informatie, mensen en goederen. Men spreekt in deze context van processen van globalisering. Deze term is voornamelijk de laatste jaren zeer populair binnen de academische en politieke wereld; de publicaties rond dit thema zijn dan ook nauwelijks nog te tellen. Het probleem hierbij is echter dat de term vele ladingen dekt en geen eenduidige betekenis kent. Zoals zo vaak het geval is bij multidimensionele concepten bestaat er ook voor globalisering niet één definitie, maar meerdere (Mowlana, 1996, p. 88). Toch zal de term om te beginnen grondiger beschreven worden, alvorens over te kunnen gaan tot de bespreking van de gevolgen op wereldvlak.

Globalisering kan beschouwd worden als de ontwikkeling waarbij mensen in toenemende mate opgenomen worden in afhankelijkheidsnetwerken (Heilbron & Wilterdink, 1995, p.11). Het gaat met andere woorden om wereldwijde stromen van kapitaal, mensen, goederen en beelden die de wereld onderling verbinden. Deze stromen zijn de laatste jaren bovendien in aantal toegenomen en versterkt. Uiteraard is globalisering geen volledig nieuw gebeuren, aangezien internationale relaties en zelfs netwerken al langer dan vandaag bestaan. Maar de schaal, de snelheid, het volume en de intensiteit van deze wereldwijde relaties zijn zonder enige twijfel uniek te noemen in de geschiedenis van de mens (Blanquart, 2003, pp. 5-6, p. 20). Deze ontwikkelingen op macroniveau hebben eveneens ingrijpende gevolgen voor de aard van interpersoonlijke relaties. De snelle opkomst van steeds nieuwe communicatiemiddelen en -technieken heeft gezorgd voor een ingrijpende transformatie van wat de sociale ruimte genoemd kan worden. Hiermee wordt bedoeld dat sociale relaties de laatste decennia meer en meer loskomen van hun specifieke territoriale locatie (Scholte, 2000, pp. 46-47). Interpersoonlijke communicatie is niet langer afhankelijk van fysieke nabijheid, integendeel. Men heeft de dag van vandaag meer contact met familieleden of vrienden aan de andere kant van de wereld dan met de eigen buren. Het zijn deze transformaties die Marshall McLuhan ertoe aanzetten te spreken over de wereld als ‘Global Village’, waar communicatiesystemen met eenzelfde gemak informatie de wereld rond sturen als de hoek omzenden (McPhail, 2002, p. 36). Een andere invloedrijke auteur op dit vlak, Anthony Giddens, is een gelijkaardige mening toegedaan. Sociale relaties vinden tegenwoordig plaats binnen nieuwe verhoudingen tussen tijd en ruimte, aldus Giddens. Deze creëren een complex samenspel tussen lokale gebeurtenissen en interacties over lange afstanden. Het gevolg is dat lokale gebeurtenissen vorm krijgen door evenementen die plaatsvinden op grote afstand en vice versa (Giddens, 1990, p. 64).

De term globalisering is in feite een vrij ruim concept waardoor er zoals gezegd ook verscheidene dimensies in onderscheiden kunnen worden. Naast een economische, een politieke en een sociale dimensie kan ook een culturele dimensie herkend worden. Uiteraard staan deze niet los van elkaar, maar zijn ze juist sterk met elkaar verbonden (Heilbron & Wilterdink, 1995, pp. 11-12). Zo is een transnationale onderneming bijvoorbeeld gebonden aan internationale handelsovereenkomsten, gerealiseerd door nationale overheden, en beïnvloedt zij – rechtstreeks of onrechtstreeks – de waarden en het zelfbeeld van een gemeenschap waarin zij haar producten afzet.

De laatste jaren wordt het debat rond globalisering steeds meer gedomineerd door critici die menen dat de ongelijkheid op wereldvlak alsmaar blijft toenemen. Kort samengevat beweren de tegenstanders van het huidige globaliseringsproces dat de westerse landen deze stromen domineren en er enkel op uit zijn zelf de vruchten ervan te plukken. Slechts enkele landen zijn er volgens hen – eerder ondanks dan dankzij het westen – in geslaagd om van de nieuwe wereldwijde netwerken en stromen gebruik te maken om effectief maatschappelijke vooruitgang te boeken die eveneens leidde tot een algemene stijging van de levensstandaard[3]. Het resultaat op wereldvlak is echter minder rooskleurig: de kloof tussen arm en rijk wordt groter en de hegemonie van de industrielanden breidt zich nog uit van de politieke en economische sfeer naar het culturele domein. De voorstanders van de huidige toestand beweren daarentegen dat de recente internationale verdragen en instituties de mogelijkheden tot ontwikkeling voor alle landen vergroten. Mits er op een correcte wijze deelgenomen wordt aan het globaliseringsproces levert het zo een winstsituatie op voor allen (Calvert & Calvert, 2001).

Met betrekking tot internationale communicatie kan men alleszins constateren dat er in het mondiale netwerk zowel verdichtingen als gaten te vinden zijn. Landen zijn met andere woorden niet altijd op eenzelfde wijze verbonden met de rest van de wereld. De hiërarchische structuur van globale netwerken zou er bijgevolg de oorzaak van kunnen zijn dat er op wereldvlak nog steeds geen sprake is van volledig gelijke kansen (Nierop, 1995, pp. 42, 44).

Het is hier echter niet de bedoeling om een algemene inleiding met betrekking tot globalisering te geven en daarom zullen we niet uitgebreid doorgaan op alle verschillende dimensies van dit onderwerp. De nadruk zal komen te liggen op het cultuuraspect, daar dit meer inzicht dient te verschaffen in de waarde- en gewoonteverschuivingen binnen culturen, als gevolg van processen van ‘internationalisering’. Er zal bijgevolg onderzocht worden hoe en in welke mate internationale stromen van communicatie, gedomineerd door de westerse landen, lokale culturen – en bijgevolg ook de gezinssystemen – beïnvloeden. Meer concreet wensen we na te gaan op welke wijze internationale communicatienetwerken een rol spelen bij de verspreiding van de ideologie van de kleine, westerse gezinnen. Dit hoofdstuk zal ingeleid worden door een beknopte, algemene uitweiding over de oorzaken van globalisering (Scholte, 2000, pp. 93-102), om de aandacht erop te vestigen dat de ‘culturele globalisering’ kadert binnen een allesomvattend, wereldwijd proces.

 

 

2.3. Oorzaken van globalisering

 

Een eerste factor die zeer belangrijk is geweest als oorzaak van globalisering is de verspreiding van het rationalisme als dominant betekeniskader. Dit typische kenmerk van de moderniteit onderscheidt zich door de volgende kenmerken: (1) een geseculariseerde wereld, die fysiek is en niet transcendent, (2) een antropocentrische visie, die de mens centraal plaatst, (3) een wetenschappelijk karakter, dat slechts één werkelijkheid toelaat en tot slot (4) een instrumentele benadering, die een onmiddellijke oplossing impliceert voor elk probleem. Het gaat hier bijgevolg in hoofdzaak om een ontwikkeling in de kennisstructuur van de mens die stilaan dominant is geworden en als motor heeft gefungeerd voor processen van globalisering. Naast de rationalisering heeft ook de opkomst van het kapitalisme een belangrijke functie vervuld in het globaliseringsproces. De typische productiestructuren, kenmerkend voor kapitalistische samenlevingen, die primair gericht zijn op de accumulatie van winst, hebben het belang van materiële krachten sterk doen toenemen. De intensifiëring van internationale relaties is immers deels een gevolg van zoektochten naar winstmaximalisatie en de bijhorende uitbreiding van markten. De uitbouw van wereldwijde netwerken werd vervolgens vergemakkelijkt door internationale verdragen, afgesloten door soevereine staten, en de instituties die hierdoor in het leven werden geroepen. Denk maar aan de Verenigde Naties en de vele organisaties die in het kielzog hiervan het leven zagen (IMF, Wereldbank, WTO,…). Om internationaal verkeer niet enkel mogelijk, maar ook aantrekkelijk te maken, is een regulerende sociale context immers onontbeerlijk. Ten slotte dienen we nog te wijzen op de cruciale rol die vervuld werd door technologische innovaties. Voor sommigen is dit aspect zo belangrijk dat het als enige oorzaak van globalisering naar voren wordt geschoven. Zo beweert Langhorne bijvoorbeeld dat globalisering veroorzaakt wordt door de geleidelijke communicatierevolutie, waarvan de geschiedenis gekenmerkt wordt door een permanente opeenvolging van uitvindingen (Blanquart, 2003, p. 11).

Hoewel technologische innovaties in het kader van deze verhandeling een belangrijke positie innemen, moet uiteraard voorzichtig omgesprongen worden met dergelijke vormen van eenzijdig deterministisch denken. Het is immers evident dat technologische ontwikkelingen er anders hadden uitgezien moest er geen sprake geweest zijn van rationalisering en de daarmee gepaard gaande verspreiding van kapitalistische waarden binnen een internationaal juridisch kader. Toch moet hierbij vermeld worden dat materiële vernieuwingen een niet te onderschatten rol vervuld hebben in het globaliseringsproces. Zij hebben immers voor heel wat infrastructuur gezorgd, die op haar beurt een noodzakelijke mogelijkheidsvoorwaarde heeft gevormd voor wereldwijde relaties. Naast de deterministische visie over de rol van communicatietechnologie bestaat er ook een alternatieve zienswijze die eerder uitgaat van een geïntegreerde benadering. Daarin wordt de relatie tussen ontwikkeling en technologische innovatie geschetst als een eerder diffuse samenhang. De globale context oefent immers een zeer grote invloed uit, en wordt gevormd door verscheidene factoren, waaronder politieke, economische, sociale en culturele processen (Mowlana, 1996, p. 61).

 

 

2.4. Theorieën omtrent Internationale Communicatie

 

Zoals reeds aangehaald werd, zal in deze bespreking de aandacht voornamelijk uitgaan naar de culturele dimensie van globalisering. Meer specifiek zijn we geïnteresseerd in de invloed die globalisering uitoefent op het aantal kinderen binnen niet-westerse culturen. De hoofdvraag hierbij luidt: is er sprake van culturele transformatie ten gevolge van processen van globalisering? In het eerste hoofdstuk van deze verhandeling werd immers reeds aangegeven dat nationale overheden en internationale instellingen gedurende de 20ste eeuw een expliciet bevolkingsbeleid hebben gevoerd. De wijze waarop deze expliciete beïnvloeding plaatsvond over nationale grenzen heen, zal onderzocht worden in het verloop van dit betoog, samen met wereldwijde processen die een indirecte uitwerking hebben op niet-westerse familiesystemen. We zullen trachten stapsgewijs tot meer inzicht te komen met betrekking tot deze materie, te beginnen met een beknopte uiteenzetting over een aantal theorieën met betrekking tot de invloed van wereldwijde communicatiemiddelen en het gebruik ervan.

 

2.4.1. Wereldsysteemtheorie

 

Een eerste theorie die hier besproken zal worden is de beroemde wereldsysteemtheorie van Wallerstein – ook wel afhankelijkheidstheorie genoemd – toegepast op internationale communicatie. Volgens Wallerstein is de wereld opgedeeld in concentrische zones, die zich van elkaar onderscheiden door hun stadium van economische ontwikkeling – en bijgevolg ook economische macht. De landen met een sterk ontwikkelde economie vormen de kern, terwijl de minst ontwikkelde landen tot de periferie behoren. Landen die zich in een tussenstadium van ontwikkeling bevinden vormen de semi-periferie. Tussen de verschillende zones bestaan eveneens ongelijke economische relaties; de meeste macht is geconcentreerd in de kern, die in principe de controle uitoefent over het economische gebeuren. De andere landen streven naar een zelfde ontwikkelingsniveau als de kern, dus de kernlanden vormen als het ware het voorbeeld voor de rest van de wereld. We kunnen in deze context de toename van massaonderwijs op wereldschaal als voorbeeld aanhalen. De machtige kernlanden, die het ook binnen de internationale organisaties grotendeels voor het zeggen hebben (Calvert & Calvert, 2001, pp. 90-91, 190), sturen aan op massaonderwijs in andere landen van de wereld. Landen die – onder druk – inspanningen verrichten om aan deze wens tegemoet te komen, spiegelen zich aan het westerse onderwijsmodel, dat op die manier uitgroeit tot het wereldmodel (Boli & Ramirez, 1987, pp. 14-15). Dit toont aan dat de economische machtspositie van de kernlanden zich weerspiegelt op andere domeinen, waardoor hun dominantie zich uitbreidt – onder meer naar andere niveaus, waaronder het onderwijs.

Toegepast op het vlak van internationale communicatie stelt de wereldsysteemtheorie dat de kern via massacommunicatiesystemen zorgt voor de verspreiding van mediamateriaal om op die manier ofwel een populaire cultuur te creëren voor de massamarkt, ofwel om nieuwe alternatieve culturen tot stand te brengen die sterk genoeg zijn om de import van selectieve mediaproducten rendabel te maken. Massamedia zijn met andere woorden instrumenten van de kernlanden waarmee ze de ondergeschikte zones trachten te indoctrineren. Het gaat bijgevolg om een weloverwogen strategie van de westerse landen met als doel hun dominante positie te handhaven en te verstevigen en tegelijkertijd de (semi-)periferie van hen afhankelijk te maken. Gunder Frank sprak daarom van de ‘ontwikkeling van de onderontwikkeling’. Anderzijds dient deze gedachte ook begrepen te worden vanuit een bezorgdheid van de kernlanden om zich te handhaven in het huidige informatietijdperk. Binnen bepaalde westerse landen vormen informatiegerichte diensten immers meer dan vijftig procent van het totale BNP en de economische prestaties van deze sector zijn dan ook cruciaal voor een gunstig economisch klimaat (McPhail, 2002, p. 23).

McPhail benadrukt in deze theorie nog de belangrijke rol van de verspreiding van kabeltelevisie en westerse tv-programma’s. Dit ging volgens hem gepaard met de opkomst van veel nieuwe waarden, wat op zich weer significante gevolgen had voor de perifere en semi-perifere landen, zowel op cultureel als op politiek en economisch vlak (McPhail, 2002, pp. 21-23). Vandaar dat men ook wel spreekt van cultureel imperialisme (cfr. infra: elektronisch kolonialisme). Westerse landen ondermijnen immers de culturele autonomie van de armere landen door hen afhankelijk te maken van westerse mediaproducten en -technieken (Thussu, 2000, pp. 60-62). De wereldsysteemtheorie gaat eveneens uit van een algemene geldigheid van de vooruitgangsgedachte. Dit impliceert dat landen economische groei zien als vooruitgang voor hun land, wat op zich weer veronderstelt dat bepaalde westerse waarden door perifere landen worden overgenomen om zo een gelijkaardige ontwikkeling door te maken (McPhail, 2002, pp. 15-20). Hierbij moet gezegd worden dat deze theorie de laatste jaren steeds meer kritiek te verwerken krijgt. Dat heeft alles te maken met een groeiende twijfel omtrent het vooruitgangsgeloof. De hedendaagse mens wordt immers steeds meer geconfronteerd met de negatieve gevolgen van het rationaliseringsproces en de daarmee gepaard gaande ‘vooruitgang’. Deze blijkt niet eindeloos te zijn, in tegenstelling tot de algemene veronderstelling aan het begin van de moderniteit[4].

 

2.4.2. Elektronisch kolonialisme

 

Een andere theorie met betrekking tot internationale communicatie wordt de theorie van het elektronisch kolonialisme genoemd. Deze beschrijft de periode vanaf het einde van de jaren vijftig, wanneer in vele landen de dienstgerichte informatie-economie zich ontwikkelt. Volgens de theorie oefenen deze veranderingen een significante invloed uit op de betreffende naties, die te vergelijken is met de kolonialistische regimes uit het verleden. Vandaar dat men spreekt van het elektronisch kolonialisme. Aanhangers van deze theorie menen dat de armste landen in deze wereld[5] opnieuw afhankelijk zijn van het rijkere westen, ditmaal op het gebied van communicatiemiddelen en -producten. Deze producten werden door het westen in de arme landen geïntroduceerd en hebben vervolgens gezorgd voor de vestiging van vreemde sets van waarden, normen en verwachtingen die – zij het in verschillende mate – geleidelijk de oorspronkelijke gewoontes, waarden en socialisatieprocessen hebben verdrongen. Men gaat met andere woorden uit van de veronderstelling dat de introductie van (massa-)media door het westen gericht is op het beïnvloeden van attitudes, verlangens, geloof, levensstijl en consumentengedrag. Het zou meer bepaald gaan om de langetermijngevolgen van blootstelling aan beeldende massamedia. Dit kadert binnen een strategie van westerse landen die als doel heeft het uitbreiden van markten en – daarmee gepaard – de invloed en de macht van de rijkere landen (McPhail, 2002, pp. 13-15).

 

2.4.3. Ontwikkelingstheorie

 

In de voorgaande paragrafen zijn twee theorieën besproken die de verspreiding van internationale communicatie beschouwen als een ontwikkeling gestuurd door de westerse landen met als doel hun hegemonie op wereldvlak te verstevigen. De ontwikkelings- of modernisatietheorie daarentegen ziet in internationale communicatie de sleutel tot ontwikkeling van de minder geïndustrialiseerde landen. Aanhangers van deze theorie waren eveneens overtuigd van de vooruitgangsgedachte (cfr. supra, vooruitgangsgeloof in wereldsysteemtheorie) en zagen de massamedia veeleer als een neutrale kracht die het ontwikkelingproces kon stimuleren door de overdracht van westerse modellen naar niet-westerse samenlevingen. Zij gingen zelfs zover om de verspreiding van communicatiemiddelen te hanteren als indicator voor de algemene ontwikkeling van een land. Het problematische aspect van hun visie lag echter in de veronderstelling van neutrale mediaboodschappen. In veel ontwikkelingslanden is het immers een kleine elite die de volledige macht in handen heeft, dus ook het beheer van de communicatiemiddelen. Zij gebruiken de media om het huidige status-quo binnen de samenleving te legitimeren. Zij zijn niet zozeer geïnteresseerd in de algemene ontwikkeling van hun land, maar eerder in de maximalisatie van hun persoonlijke belangen. Rekening houdend met deze maatschappelijke realiteit in vele niet-westerse landen lijkt de ontwikkelingstheorie bijgevolg weinig adequaat ter verklaring van internationale communicatiestromen (Thussu, 2000, pp. 56-58).

 

2.4.4. Innovatie-diffusietheorie

 

Een laatste theorie die hier besproken zal worden draait rond internationale communicatie en de verspreiding van nieuwigheden. Het gaat hier om de bekende innovatie-diffusietheorie van de Amerikaanse socioloog Everett Rogers (De Feijter, 1991, pp. 28-35). Deze kan zowel betrekking hebben op nieuwe technologische ontwikkelingen als op nieuwe ideeën en attituden. Als algemene definitie stelt Rogers dat diffusie neerkomt op “het proces waarbij een innovatie via communicatie(kanalen) doorgegeven wordt aan personen van een sociaal systeem, over de tijd heen” (Cleland, 2001, pp. 43-44). Het dient duidelijk te zijn dat Rogers zijn communicatiekanalen geenszins beperkt tot internationale communicatiemiddelen, maar aangezien deze er wel deel van uitmaken zullen we toch de belangrijkste aspecten van deze theorie verduidelijken.

De opkomst van innovaties wordt vergeleken met het verloop van een klokvormige curve: in de beginfase zijn er slechts enkelen die de vernieuwing overnemen, maar doorheen de tijd stijgt het aantal personen die de innovatie overnemen tot een maximum; wanneer de meerderheid zich uiteindelijk de vernieuwing heeft eigen gemaakt, daalt stilaan het aantal personen die zich toch nog – als achterblijvers – aan de innovatie aanpassen, tot nagenoeg iedereen de vernieuwing in zijn of haar leven heeft opgenomen. Cleland merkt hierbij op dat de kans op weerstand tegen de vernieuwing vanwege de samenleving het grootst is wanneer het gaat om veranderingen die betrekking hebben op voedsel, seksualiteit en voortplanting, aangezien dit onderwerpen zijn die in elke samenleving centraal staan. Radicale vernieuwingen op een van deze gebieden dienen bijgevolg eerst geïntroduceerd te worden door personen die over enig maatschappelijk aanzien beschikken (Cleland, 2001, p. 40).

De intrede van vernieuwingen wordt bijgevolg ingeleid door de zogenaamde vernieuwers of voorlopers, aan wie men bepaalde kenmerken kan toedichten (De Feijter, 1991): het zijn (1) personen die minder sterk gebonden zijn aan gedragsvoorschriften, normen en regels vanwege de sociale omgeving waartoe ze behoren[6]. Hieronder vallen ook jonge mensen, vermits zij een minder lange socialistiefase hebben ondergaan. Deze individuen beschikken over (2) meer mogelijkheden tot sociale mobiliteit, of weten beter gebruik te maken van de aanwezige kansen. Hierdoor beschikt men meestal over een relatief hoge sociale status. Bovendien staan dergelijke personen (3) in nauw contact met de (massa) media en andere informatiekanalen. Wanneer we deze kenmerken die Rogers aan vernieuwers toeschrijft overlopen, dan valt het op dat het voornamelijk om persoonskenmerken gaat. Bovendien is gebleken uit empirisch onderzoek – uitgevoerd onder Nederlandse respondenten (De Feijter, 1991, pp.139-140) – dat de kans om voorlopers aan te treffen het grootst is onder jonge mensen, hoger opgeleiden, wonend in grote steden[7] en die niet verbonden zijn aan kerkelijke instituties.

Tot slot kunnen we nog vermelden dat de nadruk in deze innovatiediffusie ligt op de culturele aspecten, met name het belang van nieuwe waarden, als voorlopers van (sociale) veranderingen. Vermits het belangrijk is ook de structurele aspecten niet uit het oog te verliezen, werden hierboven reeds enkele kenmerken van voorlopers opgesomd. Daarnaast kunnen we nog vermelden dat bij de sociale veranderingen, die zich voltrokken in de periode volgend op de Tweede Wereldoorlog, de opkomst van de massamedia eveneens een niet te verwaarlozen rol speelde (De Feijter, 1991, p.174). Op dit punt sluit de meer algemene diffusietheorie aan bij de andere theorieën in verband met internationale communicatie, die hierboven beschreven werden. Uit volgende hoofdstukken zal tevens blijken dat de diffusietheorie door verscheidene demografen toegepast wordt ter verklaring van het dalend aantal kinderen per gezin, hetgeen volledig aansluit bij de opzet van deze verhandeling.

 

 

2.5. Communicatie en culturele transformatie

 

We hebben zojuist een korte algemene inleiding gegeven tot de oorzaken van globalisering en een aantal theorieën besproken die betrekking hebben op internationale communicatie. In de volgende alinea’s zal vervolgens ingegaan worden op een aantal gevolgen die deze processen met zich mee hebben gebracht. De interpretatie ervan hangt uiteraard af van het standpunt waaruit men de effecten van massacommunicatie beschouwt. Daarom zal in de mate van het mogelijke getracht worden de bevindingen in verband met internationale communicatie te kaderen binnen de reeds besproken theorieën. Zoals eerder gesteld werd zal ook hier de nadruk komen te liggen op een culturele benadering van het globaliseringsproces.

 

2.5.1. Inleiding

 

Het kan niet ontkend worden dat – voornamelijk sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog – communicatiemiddelen en -toepassingen zich in een relatief hoog tempo over nagenoeg de hele wereld verspreid hebben. Bovendien waren het de rijke westerse landen die deze innovaties binnen de armere landen introduceerden en daarmee de bestaande sociale netwerken drastisch wijzigden (cfr. supra, theorie van elektronisch kolonialisme en afhankelijkheidstheorie). Op zich hoeft dit uiteraard niet negatief beoordeeld te worden: het is immers bewezen dat er een positief verband bestaat tussen kennis en onderwijs in een samenleving aan de ene kant en communicatiemiddelen en -technologieën aan de andere kant (Mowlana, 1996, p. 85). Bovendien worden vernieuwingen op het vlak van communicatie in de westerse samenleving over het algemeen geenszins negatief onthaald, kijk maar naar de positieve reacties op de recente verbreiding van het internet. De keerzijde van de ontwikkelingsmogelijkheden die communicatietechnologie biedt, is dat de boodschappen die erdoor verspreid worden grote invloed kunnen uitoefenen op de opvattingen, attitudes en zelfs op de levenswijze van mensen. Bij onderzoek naar de westerse beïnvloeding van niet-westerse gezinssystemen via globale communicatienetwerken is het daarom van cruciaal belang te weten wie invloed uitoefent over de inhoud van mediaboodschappen en welke doelstellingen hier eventueel de basis voor vormen.

Zoals reeds aangehaald beschouwt men communicatietechnologie als een instrument dat een belangrijke rol kan vervullen in de ontwikkeling van een land of regio. Binnen deze context van ontwikkeling bestaat de doelstelling dikwijls uit een poging het gedrag en de attitudes van het publiek te veranderen. Voor overheden bijvoorbeeld is communicatie noodzakelijk voor de verwezenlijking van nationale integratie, sociaal-economische mobilisatie en politieke participatie. De invoering van nieuwe technologieën die deze communicatie vergemakkelijken is dan ook vaak zeer geliefd in het kader van onder meer moderniseringscampagnes. De keerzijde ervan is dat het gebruik van telecommunicatie vaak ook leidt tot misbruik. Wanneer bepaalde groepen erin slagen het media-aanbod te controleren, dan levert dit hen een aanzienlijke macht op (Mowlana, 1996, p. 60). Zo is Pournelle ervan overtuigd dat de Verenigde Staten erin geslaagd zijn de controle over het globale communicatienetwerk te monopoliseren. De uitvinding van steeds nieuwe communicatietechnologieën heeft vervolgens de snelle distributie van de Amerikaanse cultuur mogelijk gemaakt. Deze bijzondere machtspositie heeft er onder meer voor gezorgd dat de Verenigde Staten vandaag op verscheidene terreinen de wereldtrends bepalen (Pournelle, 1997, p. 491). We zijn hier echter in de eerste plaats minder geïnteresseerd in wie invloed uitoefent op het media-aanbod, dan wel welke gevolgen een eventuele beïnvloeding met zich meebrengt binnen een samenleving.

 

2.5.2. De invloed op cultuur

 

Wanneer gesproken wordt over de culturele gevolgen van globalisering, dan heeft men het vaak over processen van heterogenisering op lokaal vlak en homogenisering op globaal gebied. Hiermee tracht men te wijzen op het feit dat door globalisering de verscheidenheid in het culturele aanbod op verscheidene plaatsen in de wereld toeneemt. Tegelijkertijd vindt men echter ditzelfde – zij het uitgebreide – aanbod overal ter wereld terug (de Swaan, 1995, p. 28; Tomlinson, 1991, pp. 307-312). Globalisering is immers de verschuiving van enerzijds het particuliere naar het universele, en anderzijds van het lokale naar het globale (Blanquart, 2003, p. 23). Een mooi voorbeeld van het proces van homogenisering op wereldvlak is terug te vinden binnen de ontwikkelingen op het niveau van onderwijs gedurende de decennia volgend op de Tweede Wereldoorlog. Er zijn immers aanwijzingen die toelaten te veronderstellen dat de inhoud van schoolcurricula in verschillende delen van de wereld steeds uniformer is geworden. Er is met andere woorden sprake van standaardisering, gestuurd door internationale organisaties en dominante wereldmachten binnen de moderne wereld, die voorschriften afleveren met betrekking tot de inhoud van de leerstof. Deze ontwikkeling op het niveau van onderwijs heeft bijgevolg verstrekkende implicaties op cultureel niveau, aangezien de uitbreiding van massaonderwijs op deze manier een vernietigende invloed uitoefent op lokale culturen (Benavot, e.a., 1991, pp. 86, 97-98).

Mazrui spreekt eveneens van homogenisering, maar verbindt dit concept met de rol van macht, meer bepaald met het proces van hegemonisering (Mazrui, 1999, pp. 98-99). Hiermee verwijst hij naar de concentratie van macht binnen een land of een bepaalde cultuur, die tegelijk uitbreidt en haar positie verstevigt (cfr. supra, onderscheid kern-periferie bij wereldsysteemtheorie van Wallerstein). Mazrui is van mening dat de concentratie van macht bij de rijkste (westerse) landen ter wereld resulteert in hegemonie op wereldvlak, hetgeen volgens hem voornamelijk het gevolg is van de verspreiding van westerse ideologieën. Hij ondersteunt met andere woorden onze visie op de verspreiding van het westerse gezinssysteem, als zou het gaan om de verspreiding van een westers waardensysteem.

Volgens Wole Akande is een van de belangrijkste gevolgen van culturele globalisering de commercialisering van cultuur. Cultuur wordt volgens hem immers wereldwijd geproduceerd en geconsumeerd, net zoals handelsartikelen. Dit oefent een storend effect uit op het dagelijkse leven van individuen, daar cultuur als zingevend instrument uit het leven is verdwenen ten koste van materiële behoeftebevrediging. Deze commodificatie wordt mogelijk gemaakt doordat nieuwe beelden en waarden worden opgedrongen. Akande besluit met te stellen dat globalisering enerzijds resulteert in globale integratie, maar anderzijds evenzeer leidt tot lokale desintegratie. Bovendien impliceert wereldwijde homogenisering van cultuur geenszins dat er voortaan sprake is van een algemene gelijke machtsverdeling. Net als op andere markten zijn er ook op de (massa)mediamarkt machtsverschillen terug te vinden (Blanquart, 2003, p. 27). Kapitalisme blijkt bijgevolg niet enkel een van de oorzaken van globalisering te zijn (cfr. supra), maar de verspreiding van het kapitalistisch gedachtengoed lijkt evenzeer een gevolg van globaliseringsprocessen. De introductie van consumptie als waarde zorgt voor verstorende effecten in niet-westerse culturen, die ondermeer verstrekkende gevolgen hebben op het gezinsleven. Zoals uit het volgende hoofdstuk zal blijken leidt de opkomst van de consumptiemaatschappij immers tot een daling van het kinderaantal, oftewel tot een dalende vruchtbaarheid (Basu, 2002, pp. 9-11).

Culturele homogenisering veronderstelt vervolgens dat waarde- en geloofssystemen zich verspreiden over de hele wereld. Volgens Mowlana bepalen waarden en geloof de natuur van de mens, en bijgevolg die van de gehele samenleving. Daar deze systemen een essentieel onderdeel vormen van het menselijk bestaan en centraal staan binnen elke samenleving, bepalen ze eveneens de kern van machtsstructuren in internationale relaties en zijn ze bovendien permanent aan verandering onderhevig. Deze geloofssystemen zijn vervolgens verbonden met structuren van macht, vermits geloof onder meer bestaat uit sets van collectief gedeelde waarden, die op hun beurt de bron zijn van de mobilisatie van individuen in nieuwe arrangementen. Ook ideologie speelt in deze context een belangrijke rol, daar het een centraal element is in geloofssystemen en waarden. Omwille van deze algemene, brede invloed die uitgaat van ideologie, spreekt Mowlana van ‘het collectief geloofssysteem dat opereert in dienst van zowel culturele, sociale, economische als politieke doeleinden’ (1996, pp. 76-78). Wij sluiten ons aan bij de visie van Mowlana, althans bij zijn opvattingen omtrent het belang van ideologie. Onze hypothese stelt immers dat de ideologie van het westerse gezin verspreid wordt over de rest van wereld, om op die manier – direct of indirect, bewust of onbewust – tegemoet te komen aan de belangen van de westerse landen.

 

2.5.3. Westerse dominantie over communicatienetwerken

 

Er werd reeds gewezen op de instrumentele mogelijkheden die geboden worden door moderne communicatiemiddelen. In het volgende deel zal vervolgens worden stilgestaan bij de actoren die hiervan gebruik maken. Door processen van globalisering hebben nationale en regionale gezagshebbers hun controle over de media geleidelijk aan verloren[8]. De versnelde invoering en verspreiding van nieuwe communicatietechnologieën als radio, tv, internet, satelliet en digitale technologie heeft immers ogenblikkelijke wereldwijde communicatie sterk vereenvoudigd. Het gevolg is dat mensen steeds meer blootgesteld worden aan waarden uit andere culturen. Vaak spreekt men in deze context van een ongelijke verspreiding van waarden, een vorm van eenrichtingsverkeer van westerse – of meer concreet Amerikaanse – waarden die zich over alle werelddelen verspreiden (Blanquart, 2003, p. 20 & de Swaan, 1995, pp. 17-18). Dus wanneer gesproken wordt over culturele homogenisering op wereldvlak, dan heeft men het meestal over de westerse cultuur die binnen traditionele samenlevingen de lokale cultuur dreigt te verdringen.

Elektronische media in het algemeen, en de kracht van beeldmateriaal in het bijzonder, is nauw verbonden aan de ‘ver-Amerikanisering’ van de wereld. De Amerikaanse cultuur bepaalt in grote mate de massacultuur, en centraal hierin staat de tv, die gedomineerd wordt door de kracht van het beeld, hetgeen op zijn beurt relatief onafhankelijk staat ten aanzien van taalbarrières (Thussu, 2000, p. 74). Doorheen de commerciële exploitatie van de populaire cultuur aan het massapubliek wordt men vervolgens overal ter wereld geconfronteerd met ‘the American way of life’ en de aantrekkingskracht die hiervan uitgaat (de Swaan, 1995, pp. 21, 25). Het gaat in dit geval niet noodzakelijk om een rechtstreekse, bedoelde invloed, maar eerder om een meer indirecte, subtielere beïnvloeding. Westerse landen oefenen nu eenmaal de controle uit over de internationale stroom aan media, en meer in het bijzonder aan televisieprogramma’s en films. Het effect van deze dominantie van communicatiekanalen laat zich zeer sterk voelen in de ontwikkelingslanden. Zo zouden zelfs ogenschijnlijk a-politieke en louter ontspannende televisieprogramma’s als soaps leiden tot de verspreiding van westerse, kapitalistische idealen (cfr. supra, consumptiemaatschappij) (MacBride & Roach, 1989, pp. 288-289). Zelfs in de moslimwereld, waar de tegenstand ten aanzien van westerse tv-programma’s het grootst is (Thussu, 2000, p. 205), is gemakkelijk de helft van de uitgezonden programma’s afkomstig uit westerse landen (Mowlana, 1996, p. 87). Deze effecten van internationale communicatie kunnen min of meer ondergebracht worden binnen Wallersteins wereldsysteemtheorie. Men veronderstelt immers dat de controle over het internationaal communicatienetwerk uitgeoefend wordt vanuit een machtscentrum, dat zich concentreert binnen de westerse samenlevingen in het algemeen, en de Verenigde Staten in het bijzonder. Deze dominantie wordt bewust aangewend om de machtspositie te bestendigen en de afzetmarkt van zowel materiële als culturele producten uit te breiden. Anderzijds gaan we ervan uit dat niet álle beïnvloeding uitgaande van het westen steunt op een bewuste strategie, maar ook gedeeltelijk het resultaat is van de oververtegenwoordiging van westerse communicatiestromen binnen het mondiale communicatienetwerk. Daar staat dan weer tegenover dat het westen niet snel bereid zal zijn het globale evenwicht binnen deze netwerken te herstellen, waardoor we toch eerder geneigd zijn te spreken van een vorm van cultureel imperialisme.

Naast de westerse (Amerikaanse) controle over het televisiemedium kan eveneens geconstateerd worden dat grote delen van de communicatie-infrastructuur het Engels als voertaal hebben. Kijk maar naar het internet, waar Engels steevast de ‘lingua universalis’ uitmaakt. Deze linguïstische dominantie vormt evengoed op een subtiele wijze een krachtig machtsinstrument bij het overbrengen van ideeën en waarden (Blanquet, 2003, p. 20). In dit geval lijkt de theorie van het elektronisch kolonialisme zeer toepasbaar. Innovaties op het vlak van communicatie-infrastructuur zijn immers veelal afkomstig uit westerse landen en steunen dan ook vaak op het Engels. De invoering van deze communicatiemiddelen in andere landen – met het internet als recent voorbeeld – maakt dat deze landen vaak beroep moeten doen op het Engels alvorens te kunnen genieten van de voordelen die deze innovaties kunnen teweeg brengen.

Ook het feit dat de westerse landen de inhoud van het wereldwijde nieuws bepalen kan hier toegevoegd worden om de indirecte, onbedoelde westerse beïnvloeding van traditionele culturen te illustreren. De rijke landen controleren de massamedia en enkel wat zij als nieuwswaardig beschouwen wordt bekendgemaakt. Het resultaat hiervan is dat een ontwikkelingsland – dat zelf niet over de middelen beschikt om over de hele wereld reporters te voorzien – de nieuwsfeiten afkomstig uit het westen overneemt. Hierdoor weet men in deze landen vaak meer over de gebeurtenissen en de toestand in het verre westen, dan in de nabijgelegen buurlanden. Dat kan het leven in de lokale gemeenschap vervolgens drastisch wijzigen. Doordat bijvoorbeeld de westerse aandacht voor de stijgende bevolkingsgroei in de ontwikkelingslanden tijdens de jaren zestig sterk toenam, stegen ook wereldwijd de inspanningen ter reductie van de vruchtbaarheid, zowel vanuit het westen als vanuit de betreffende landen zelf (Caldwell, 2001, p. 102).

 

2.5.4. ‘Globale cultuur’

 

Er blijkt min of meer een consensus te bestaan over de verspreiding van bepaalde westerse waarden en ideeën – waarvan het kapitalisme een duidelijk voorbeeld is – en men lijkt het er ook over eens te zijn dat processen van globalisering hier een belangrijke rol in hebben gespeeld. Daar mensen steeds meer met andere delen van de wereld in contact komen lijkt het evident dat men ook meer zaken van elkaar overneemt. Maar aangezien de westerse cultuur – en in het bijzonder de Amerikaanse – de communicatiekanalen domineren, spreken steeds meer auteurs eerder van een éénrichtingsverkeer dan van wederzijdse beïnvloeding (Tomlinson, 1991, p. 312). Binnen deze visie wordt dan ook gesproken van een zogenaamde globale cultuur, geschoeid op Amerikaanse leest, hetgeen bij velen kritische reacties opwekt. Zo heeft Mowlana het over het dysfunctionele en negatieve effect van de ongecontroleerde invoer van vreemde westerse waarden via mediaproducten sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog. Deze geïmporteerde waarden zouden nationale, traditionele en religieuze waarden ondermijnd hebben, zonder daarvoor nieuwe bronnen van sociale cohesie in de plaats te voorzien (Mowlana, 1996, p. 87).

Rothkop ziet daarentegen minder graten in de verspreiding van de Amerikaanse cultuur als dé globale cultuur. Hij is er immers van overtuigd dat de Amerikaanse cultuur op zich al de resultante is van een mengsel van invloeden en culturele aspecten van over de hele wereld. Wanneer gesproken wordt van ver-Amerikanisering van de cultuur, dan moet dit niet zozeer gezien worden als één bepaalde cultuur die alle andere culturen verdringt, maar eerder als het ontstaan van een hybride cultuurvorm die het resultaat is van veelvuldig onderling contact tussen verscheidene culturen. De globale cultuur is als het ware een mengvorm van allerlei verschillende culturele invloeden. Zo bekeken heeft ver-Amerikanisering minder te maken met machtsverschillen en bewuste manipulatie, maar meer met onbewuste beïnvloeding in de verschillende richtingen (Blanquart, 2003, pp. 29-30).

Er zijn echter ook auteurs die erop wijzen dat men niet zonder meer mag uitgaan van het bestaan van zoiets als een globale cultuur. Zo beweert Spybey dat het proces van culturele globalisering pas universeel kan worden wanneer het de particuliere culturele systemen weet te beïnvloeden (Blanquart, 2003, p. 24). Mowlana sluit zich min of meer aan bij deze visie door te beweren dat controle over de moderne media geen voldoende voorwaarde is voor de uitoefening van politieke invloed. Communicatiestromen moeten immers eerst weten binnen te dringen in lokale communicatiesystemen – wat geen evident gegeven is gezien de weerstand die traditionele culturen kunnen bieden ten aanzien van externe invloeden – alvorens ze gebruikt kan worden als sociaal, politiek, economisch of cultureel instrument (Mowlana, 1996, p. 84). Tomlinson is van mening dat cultuurcritici voorbijgaan aan de capaciteiten van gebruikers van communicatiemiddelen om de boodschappen die ze ontvangen aan een kritische evaluatie te onderwerpen. Het is bijgevolg bijzonder naïef om uit te gaan van een onmiddellijke ideologische beïnvloeding die zou resulteren louter uit de blootstelling aan imperialistische boodschappen. Het beeld van de passieve ontvanger is met andere woorden een inadequaat concept ter interpretatie van (internationale) mediaeffecten (Tomlinson, 1991, pp. 308-309). De auteurs die hierboven aangehaald werden ontkennen niet dat cultuur wereldwijd aan globalisering onderhevig is; waar ze echter wel hun twijfels bij hebben is het bestaan van één universele globale cultuur, die geleidelijk aan de culturele diversiteit verdringt.

Thussu waarschuwt vervolgens ook voor overdreven xenofobe reacties op de invloed die het westen zou uitoefenen op de nationale en lokale culturen. Volgens hem gaat het vaak om heftige kritiek ten aanzien van oppervlakkige en weinig betekenende elementen uit de westerse levenswijze. Op die manier komen tegenreacties tot stand die de vorm aannemen van een heuse ‘culturele revival’, dikwijls voortkomend uit politieke en religieuze overtuigingen. Op die manier tracht men een barrière op te werpen tegen alle communicatiestromen afkomstig uit het westen, terwijl deze informatie nauwelijks een betekenisvolle rol speelt bij culturele transformaties (Thussu, 2000, pp. 203-204).

Naast de discussie rond het ontstaan van een globale cultuur en de beoordeling hiervan is er de afgelopen jaren eveneens een discours op gang gekomen rond de transformatie van identiteit als gevolg van globaliseringsprocessen. De verspreiding van moderne telecommunicatie heeft de begrippen tijd en ruimte drastisch gewijzigd (zie supra), met als gevolg dat de constructie van identiteit en gemeenschap zich in grote mate heeft losgekoppeld van haar territoriale beperkingen. In de plaats hiervan is een soort van globaal bewustzijn tot stand gekomen waarin globale communicaties worden nagestreefd op basis van onder andere geslacht, klasse, beroep, seksuele geaardheid, enz… (Blanquart, 2003, pp. 9-10). Dit globale bewustzijn impliceert onder meer dat men de wereld gaat aanschouwen als één plaats, dat wereldwijde symbolen worden gebruikt en dat men participeert aan globale evenementen en solidariteit. Globalisering maakt hierdoor geen einde aan het principe van nationaliteit en soevereiniteit, maar het houdt wel in dat er een einde komt aan de monopoliepositie, met betrekking tot gemeenschap en identiteit van burgers, die vroeger door soevereine staten werd ingenomen (Scholte, 2000, pp. 55, 172).

 

 

2.6. Conclusie

 

Dit hoofdstuk over globalisering afronden met een duidelijk besluit is geen eenvoudige opdracht. Het gaat immers om ingewikkelde processen die een invloed uitoefenen op vele aspecten van het dagelijkse leven. Omwille van deze complexiteit beperken wij ons hier tot de culturele dimensie van globalisering, waarbij de aandacht voornamelijk zal uitgaan naar de effecten van internationale communicatiestromen op de omvang van het gezin. Verscheidene theorieën hieromtrent stellen dat deze stromen gedomineerd worden door westerse landen, meer in het bijzonder door de Verenigde Staten. Sommigen hebben het over misbruik van machtsposities, terwijl er volgens anderen juist sprake is van unieke ontwikkelingsmogelijkheden. De diffusietheorie concentreert zich daarentegen eerder op de meer onbewuste verspreiding van nieuwe ideeën en waarden.

De westerse controle over communicatienetwerken resulteert in een al dan niet directe en bewuste transformatie van niet-westerse culturen. Het gaat hier voornamelijk om de verspreiding van een westerse levensstijl, waarbij westerse waarden worden overgenomen. Dit roept vervolgens de vraag op naar het bestaan van een globale cultuur. Zonder hierop een eenduidig antwoord te hoeven formuleren, kan gerust gesteld worden dat de huidige westerse hegemonie op economisch en politiek vlak zich op wereldschaal weerspiegelt in een sociale en culturele dominantie. Dit heeft zo zijn belang voor de veranderingen ten aanzien van vruchtbaarheid, zoals zal blijken uit de volgende hoofdstukken.

Het doel van bovenstaande bespreking is het verwerven van inzicht in de huidige wereldverhoudingen en het illustreren van de gevolgen die voortkomen uit een ongelijke machtsverdeling. Via hun controle over wereldwijde communicatienetwerken zijn de westerse landen er immers in geslaagd – al dan niet als gevolg van een bewuste strategie – om hun economische dominantie uit te breiden naar het culturele domein, hetgeen een grote invloed gehad heeft op lokale culturele systemen. De westerse – of eerder Amerikaanse – levenswijze werd aldus via internationale communicatiekanalen verspreid, samen met de westerse gezinsideologie, en heeft op die manier een belangrijke rol gespeeld in een aantal recente maatschappelijke ontwikkelingen binnen niet-westerse landen. Hiermee is de aanzet gegeven tot de studie van de impact van globalisering – zoals het hier gedefinieerd werd – op een daling van het kinderaantal in Noord-Afrika. Vooraleer we hiertoe kunnen overgaan dienen we echter eerst onze kennis te vergroten omtrent zowel vruchtbaarheidstransities als recente maatschappelijke ontwikkelingen binnen de Noord-Afrikaanse samenleving.

 

 

3. Vruchtbaarheidsdaling

 

3.1. Inleiding

 

De transitie van hoge naar lage vruchtbaarheidscijfers is één van de merkwaardigste veranderingen in sociaal gedrag doorheen de twintigste eeuw. Zowel in rijke als in arme landen hebben gezinnen de dag van vandaag, al dan niet door toedoen van gezinsplanning, een opmerkelijk kleinere omvang dan in het verleden (Leete, 2001, p. 3) Deze transitie deed zich een eerste maal voor in het westen, halfweg de negentiende eeuw. De westerse landen kenden de daaropvolgende 150 jaar een geleidelijke overgang van hoge naar lage vruchtbaarheidscijfers. Deze demografische transitie werd ingezet door een daling van de sterftecijfers – voornamelijk door het terugdringen van de kinder- en zuigelingensterfte – waardoor de levensverwachting toenam. Kort daarop begon ook het aantal geboortes per vrouw gevoelig te dalen, waardoor de bevolkingsgroei afnam. De daling ging zo ver dat de westerse vruchtbaarheidscijfers zich momenteel lijken te stabiliseren onder het vervangingsniveau van de bevolking (Therborn, 2004, pp. 229-239).

De dag van vandaag voltrekt zich een gelijkaardige evolutie in de ontwikkelingslanden, met dit verschil dat de transitie zich voltooit aan een veel hoger tempo. De verbeteringen op het vlak van gezondheidszorg hebben de sterftecijfers op relatief korte termijn drastisch teruggedrongen en tegelijk de levensverwachting sterk doen toenemen. Ook de vruchtbaarheid daalde in dezelfde periode, zij het aan een opmerkelijk lager tempo, wat resulteerde in een vooralsnog ongekende bevolkingsexplosie (United Nations Population Fund, 1998). Tussen het begin van de jaren zestig en het einde van de jaren tachtig daalde het totale vruchtbaarheidscijfer van de ontwikkelingslanden in zijn geheel naar schatting met ruim 36 % - van gemiddeld 6.0 tot 3.8 geboortes per vrouw. De meest opvallende daling was merkbaar in Azië en Latijns-Amerika, terwijl deze in het Midden-Oosten en Noord-Afrika iets gematigder was (Bongaarts & Watkins, 1996, p. 639). De landen van Sub-Saharisch Afrika bleven lang een uitzondering op de regel van wereldwijde, dalende vruchtbaarheid, maar doorheen de jaren negentig kwam ook hier verandering in. Desondanks blijft het tot op vandaag de regio die gekenmerkt wordt door de hoogste vruchtbaarheidscijfers in de wereld (TVC = 5.4) (United Nations, 2000a, p. xv).

Kirk merkt hierbij op dat de hogere snelheid waaraan de huidige vruchtbaarheidstransitie zich voltrekt niet het enige verschil is tussen de recente vruchtbaarheidsdaling en de transitie die de westerse landen in het verleden hebben gekend. De huidige context verschilt namelijk in veel opzichten van de West-Europese samenlevingen uit de 19de eeuw, waarbij het vooral opvalt dat de transitie vandaag aanvangt in landen waar het niveau van sociaal-economische ontwikkeling veel lager ligt (Kirk, 1996, p. 383).

De mogelijke daling van de (hoge) vruchtbaarheid is van cruciaal belang voor de sociaal-economische ontwikkelingsmogelijkheden van derde wereldlanden, maar het is daarom nog niet meteen evident. Enerzijds zorgt de vruchtbaarheidstransitie voor een unieke mogelijkheid voor landen om zich in versneld tempo te ontwikkelen, maar anderzijds toont de harde realiteit aan dat landen zelden in staat zijn van deze eenmalige kans gebruik te maken. De ontwikkelingsmogelijkheden die voortkomen uit dalende vruchtbaarheidscijfers hebben betrekking op de zogenaamde ‘opening van een demografisch raam’. Hiermee wordt verwezen naar de maatschappelijke voordelen die voortkomen uit een toenemend aandeel van de actieve bevolking in de totale bevolking als gevolg van het dalend aantal geboortes. Zo resulteert dalende vruchtbaarheid in een relatief groter aantal arbeidskrachten. Deze tijdelijke kans dient door overheden aangegrepen te worden om gepast te investeren in menselijk kapitaal – met bijzondere aandacht voor het lot van meisjes en vrouwen – en verbetering van het lot van de armste bevolking, om zo het land in zijn geheel tot grotere welvaart te brengen. Maakt men echter niet tijdig gebruik van deze mogelijkheid, dan verdwijnt het demografisch voordeel opnieuw na één generatie, waardoor een unieke kans tot ontwikkeling verloren gaat. Verscheidene landen hebben weten te profiteren van de opening van het demografische raam – waarvan de bekendste de zogenaamde ‘Aziatische Tijgers’ (zie voetnoot 3, deel 2.2.). Andere landen hebben niet adequaat gereageerd, waardoor het demografisch raam zich voorgoed terug gesloten heeft (United Nations Population Fund, 2002). Dit inzicht heeft vooral belang voor de landen in West- en Centraal-Azië, Noord- en Sub-Sahara Afrika, voor wie het demografische raam zich nog moet openen of zich recent geopend heeft. Wanneer de mogelijkheden zich voordoen, dienen zij gesteund te worden door de wereldgemeenschap om het demografische voordeel om te zetten in groei en ontwikkeling.

Zoals gezegd blijkt dat landen in werkelijkheid vaak niet in staat zijn van deze unieke gelegenheid te profiteren. De landen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika vormen een goed voorbeeld van landen die geen gebruik hebben weten te maken van een daling in vruchtbaarheid. Omwille van de ondermaatse prestaties van hun nationale economieën worden deze landen geconfronteerd met hoge werkloosheidscijfers, vooral onder de jonge bevolking. Deze groep is zeer omvangrijk, omwille van de hoge vruchtbaarheid bij de vorige generatie, en heeft bovendien hogere toekomstverwachtingen als gevolg van een stijgend opleidingsniveau. Toch wordt dit potentieel niet benut, vermits de overheden niet of nauwelijks bereid zijn over te gaan tot een drastische herstructurering van de nationale economie. Dergelijke veranderingen impliceren immers dat zij de absolute controle over de samenleving uit handen moeten geven, hetgeen de macht en het voortbestaan van de zittende beleidsvoerders in het gedrang brengt. De belangen van de natie komen bijgevolg niet altijd overeen met die van het heersende regime, waardoor optimale oplossingen zelden bereikt worden (Richards & Waterbury, 1996, pp. 77-102).