Het beleid van de grafelijke gerechtsdienaren tijdens de Gentse opstand in Brugge en het Brugse Vrije. (1379-1385) (Koen Van Huele)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel I. Grafelijke Gerechtsofficieren

 

Hoofdstuk 2. De Gerechtsofficieren in de kasselrij van Brugge.

 

1. De totstandkoming en ontwikkeling van het baljuwskader.

 

Het baljuwsambt dat, in een poging om de uitgebreide macht van de burggraven in te tomen, opduikt in het laatste kwart van de XIIe eeuw, komt in de meeste andere kasselrijen pas met zekerheid vanaf de jaren '20 van de volgende eeuw voor.  De Brugse baljuw verschijnt voor het eerst in 1209, waar hij naast de burggraaf administratieve en gerechtelijke bevoegdheden uitoefent.[21]  In eerste instantie is de territoriale bevoegdheid van de baljuw in het graafschap beperkt tot de stad, doch deze breidt zich in de loop van het eerste kwart van de XIIIe eeuw uit tot het omliggende platteland, al is het door het beperkt bronnenmateriaal moeilijk met zekerheid te stellen wanneer en op welke manier deze overgang plaats vond.[22]  Hoewel Johanna van Constantinopel er in 1224 in slaagt het in leen gehouden erfelijk ambt van burggraaf Jean de Nesle over te kopen[23], wordt de territoriale bevoegdheid van de baljuw in de kasselrij van Brugge ons pas in 1255 bevestigd.  In zijn rekening worden niet alleen ontvangsten genoteerd uit de stad Brugge, maar tevens uit het "officium brugense" waartoe het platteland en de smalle steden behoren.  Deze rekening is de bevestiging van de situatie die in het begin van de jaren '20 van de XIIIe eeuw was ontstaan.[24]  Niet alleen zijn er aanwijzingen van zijn optreden binnen de kasselrij na 1224, maar reeds voor het verdwijnen van het burggrafelijk leen treedt de baljuw er in 1220 in opdracht van de gravin op binnen de administratie van het grafelijk domein.  Van een directe overdracht van territoriale competentie na de verkoop van het burggraafambt is in de strikte zin geen sprake.[25]

 

De kasselrijbaljuw van Brugge, sinds het midden van de XIIIe eeuw baljuw van Brugge en het Vrije, was eveneens bevoegd binnen de smalle steden in de kasselrij.  Zijn taak wordt echter al vlug ondersteund door de oprichting van verschillende baljuwsambten in de belangrijkste smalle steden binnen de kasselrij.  Een evolutie die uitermate merkbaar is binnen het Brugse Vrije, waar deze zichtbaar wordt vanaf het midden van de XIIIe eeuw en tot volle ontplooiing komt in de loop van de XIVe eeuw.

 

De eerste afsplitsing van het district van de baljuw van Brugge was Damme, waar de baljuw er naast de uit 1255 gekende rekening van de Brugse baljuw een eigen rekening indiende.  Hij was enkel competent binnen het schependom van de stad, tot in 1280 ook de nabijgelegen stadjes Monnikerede, Hoeke en Mude onder zijn bevoegdheid vielen.[26]  Aardenburg valt in 1255 nog steeds onder het gezag van de baljuw van Brugge, maar distantieert zich wel al van de andere smalle steden door de opmerkelijk hogere inkomsten.[27]  Dit gegeven moet niet vreemd geweest zijn aan het feit dat vanaf 1298 een aparte baljuw wordt vermeld voor Aardenburg.  De rekening van de baljuw van Aardenburg uit het hierop volgende jaar toont ons eveneens een administratief vrij onafhankelijke positie, doch kan zich nog niet beroepen op eenzelfde zelfstandig statuut.  Hoewel de baljuw een eigen rekening opstelt en zich kan beroepen op een uitgebreide territoriale machtsbasis binnen de nabijgelegen smalle steden IJzendijke, Oostburg, Hughenvliet, Lang-Aardenburg en Waterduinen, wordt het saldo van de rekening in het begin van de XIVe eeuw nog opgenomen in de rekening van de baljuw van Brugge.  Een situatie die ten laatste in het midden van de XIVe eeuw ongedaan wordt gemaakt, wanneer ook de baljuw van Aardenburg een volledig zelfstandig statuut verwerft en zijn rekening rechtstreeks indient bij de ontvanger van Vlaanderen.[28]  Naast Damme en Aardenburg is er op het einde van de XIIIe eeuw tevens een baljuw te Sluis, maar deze verschilt in belangrijke mate van de voornoemde baljuws, doordat hij niet rekenplichtig was aan de graaf van Vlaanderen en in die zin niet aan de controle was onderworpen van de grafelijke centrale instellingen.  Het ambt is niet ontstaan als een opsplitsing van de territoriale machtsbasis van de kasselrijbaljuw, noch van één van de andere zelfstandige baljuws in het Vrije.  De stad en heerlijkheid van Sluis was door Gwijde van Dampierre in leen gegeven aan zijn zoon Jan van Namen.  Pas wanneer Filips de Stoute erin slaagt de stad en heerlijkheid Sluis in te ruilen voor de stad Bethune in Artesië, wordt de baljuw ondergeschikt aan de graaf van Vlaanderen en zijn centrale instellingen.  Rekenplichtig aan de centrale rekenkamer, dient de baljuw van 1386 zijn rekeningen in te Rijsel en dateren de oudste rekeningen uit deze periode.[29] 

 

In het begin van de XIVe eeuw is de baljuw van Brugge, op voornoemde smalle steden na, bevoegd binnen de volledige kasselrij.  Voor het eerst duiken in de rekeningen van de baljuw van Brugge uit het eerste decennium van de XIVe eeuw de steden Blankenberge, Oostende, Diksmuide, Eeklo en Kaprijke en de grafelijke heerlijkheden Gistel en Oudenburg op.  Een situatie die tot in het midden van de XIVe eeuw onveranderd blijft, wanneer een belangrijke verandering naar voor komt.  De baljuwsrekeningen uit de jaren '60 laten duidelijk een verdere differentiatie zien binnen het baljuwskader, maar moeten hier als een bevestiging worden gezien van een bestaande situatie.  Het ontbreken van gegevens terzake tussen het eerste decennium van de XIVe eeuw tot in het midden van de jaren '60 laat ons niet toe duidelijkheid te scheppen in het ontstaan van de talrijke nieuwe ambten en in hun onderlinge verhouding.[30]  Het uitblijven van deze veranderingen in de rekening van de baljuw van Brugge uit november 1331, laat ons toe te argumenteren dat Lodewijk van Nevers niet in eerste instantie van zijn sterke machtspositie heeft gebruik gemaakt om het baljuwskader uit te breiden.[31]  Hij had immers via de toekenning van nieuwe keuren zijn gezag op lokaal vlak sterk verruimd.  Niet alleen had hij de grafelijke invloedssfeer binnen het stedelijk bestuur en de rechtspraak uitgebreid, maar tevens verstevigde hij de positie van zijn gerechtsofficieren aan het hoofd van het kader van ondergeschikte gerechtsdienaren en verruimde hij hun administratieve en politionele bevoegdheden.  Een kwantitatieve uitbreiding van het kader der gerechtsofficieren is echter op het einde van de regering van Lodewijk van Nevers, gezien de onstabiele politieke situatie, onwaarschijnlijk.  Niettemin kende hij de slagkracht van een uitgebreid net van gerechtsofficieren, dat zou functioneren als een hefboom van het grafelijk gezag.  Het totstandkomen van een ambt, dat specifiek bevoegd is voor de ordehandhaving op het water is hiervoor tekenend.[32]  Maar waar de creatie van het waterbaljuwsambt van Mude dateert van voor het uitbreken van de kustopstand en haar onmiddellijke nasleep, kon de graaf van Vlaanderen vanaf het midden van de jaren '30 niet langer het politiek gezag uitoefenen om een dergelijke verruiming door te voeren.  Het ontstaan van nieuwe baljuwsambten in de smalle steden binnen de kasselrij moet daarom gesitueerd worden in de politiek stabiele jaren '50 en '60 in het kader van de directe vestiging van het grafelijk gezag op het lokale niveau. 

In de smalle steden en grafelijke heerlijkheden binnen de kasselrij doken nieuwe baljuwsambten op, die dezelfde bevoegdheden als de kasselrijbaljuw uitoefenden binnen hun ressort, maar hem administratief ondergeschikt waren.  De schout van Brugge, de rewaard van Diksmuide en de baljuws van het Houtse, Sijsele, Blankenberge & Oostende, Gistel en Oudenburg maakten een eigen rekening op, maar dienden deze in bij de kasselrijbaljuw.[33]  De rekeningen van de baljuw van Brugge bevatten dan ook de ontvangsten van elk van deze baljuws, die in aparte hoofdstukken worden onderscheiden van de ontvangst van de baljuw van Brugge.  Eventuele uitgaven werden op het einde van de rekening samen met deze van de baljuw van Brugge gebundeld.[34]  Andere smalle steden, ressorterend onder het financieel beheer van de baljuw van Damme of Aardenburg kennen dezelfde situatie.  Beide baljuws fungeerden als "overballiu" over hun ondergeschikte gerechtsofficieren, mits ze financieel verantwoordelijk waren voor hun administratief ondergeschikte baljuws en legden in deze hoedanigheid de eed af in de verschillende smalle steden.[35]  Hun rekeningen uit september 1373 geven dit beeld weer: de ontvangsten van de baljuw van Monnikerede & Hoeke zitten vervat in de rekening van de baljuw van Damme.  Wanneer de baljuw van Monikerede & Hoeke, omwille van de uitzonderlijke omstandigheden ingegeven door de overwinning van de Gentse opstandelingen op het Beverhoutsveld (3 mei 1382), zijn rekening rechtstreeks indient bij de commissie van raadsheren en rekenmeesters, worden de ontvangsten voortvloeiend uit zijn ambtsuitoefening voor de periode januari tot mei 1382 niettemin opgenomen in de eerst volgende rekening van de baljuw van Damme.  Hierin wordt de administratieve ondergeschiktheid van dit ambt tegenover de baljuw van Damme extra onderlijnd.[36]  De baljuws van Oostburg, IJzendijke en Lang-Aardenburg worden in aparte hoofdstukken opgenomen in de rekening van de baljuw van Aardenburg.  Het ambt te Lang-Aardenburg werd verpacht en als dusdanig in de rekening opgenomen, eerst net als de baljuws van IJzendijke en Oostburg in een apart hoofdstuk, doch vanaf 1374 als een post in de ontvangsten van de baljuw van Aardenburg.[37]  Lang zou deze praktijk echter niet bestaan, want Lang-Aardenburg overstroomde net als Waterdunen tijdens de najaarsstormen in 1375 en wordt na enkele opeenvolgende overstromingsjaren definitief verlaten.[38] 

 

Waar enkel de baljuws van Brugge, Damme, Aardenburg en de waterbaljuw van Mude in het midden van de XIVe eeuw als administratief zelfstandige baljuws financiële verantwoordelijkheid droegen en hun rekeningen rechtstreeks indienden bij de ontvanger van Vlaanderen, verwerven Mude, Hughenvliet en Eeklo eenzelfde statuut in de loop van de jaren '60 van de XIVe eeuw.  De inkomsten van de baljuw van Mude, niet te verwarren met de waterbaljuw, verdwijnen uit de rekeningen van de baljuw van Damme[39], de baljuw van Hughenvliet oefent zijn ambt zelfstandig uit totdat de stad definitief onder de golven verdwijnt in 1404[40] en de baljuw van Eeklo vestigt zijn gezag binnen Eeklo, Lembeke en Kaprijke[41].  Deze tendens, waarbij de baljuws bevoegd binnen het eigen schependom administratieve zelfstandigheid verwerven en rekenplichtig worden tegenover de Rekenkamer te Rijsel, kent in het midden van de XVe eeuw verder uitbreiding.  De baljuw van de door de graaf van Vlaanderen in 1411 in leen gegeven heerlijkheid Gistel en de schout van Brugge maken hierop een uitzondering.[42]

Het baljuwskader dat op het einde van de XIVe eeuw was ontstaan in het Brugse Vrije is, net als in de andere Vlaamse kasselrijen, zeer omvangrijk.  Naast de kasselrijbaljuw van Brugge, waren er de baljuws van de smalle steden Damme, Monnikerede & Hoeke, Aardenburg, Oostburg, IJzendijke, Hughenvliet, Blankenberge & Oostende, Eeklo, Lembeke en Kaprijke, de rewaards van Sluis en Diksmuide, de waterbaljuw van Mude, de schout van Brugge[43] en de baljuws van de grafelijke heerlijkheden[44] Sijsele, het Houtse, Gistel en Oudenburg.  Een onderscheid tussen de verschillende ambten kan niet worden gemaakt op basis van hun statuut: ze hadden immers dezelfde bevoegdheden en werden (onrechtstreeks) onderworpen aan eenzelfde financiële en gerechtelijke controle vanuit de centrale overheid.  De baljuws van Brugge, Aardenburg, Damme, Hughenvliet, Eeklo en de waterbaljuw van Mude kunnen op het einde van de XIVe eeuw op een dergelijke manier niet van elkaar onderscheiden worden, maar verschillen toch aanzienlijk van elkaar wat hun prestige en autoriteit betreft.

Click om te vergroten

fig. 1  De evolutie van het grafelijk baljuwskader in de kasselrij tussen de XIIIe en XVe eeuw, met differentiatie naar administratief zelfstandige baljuws en totstandkoming van administratief ondergeschikte en zelfstandige baljuws.

 

Het onderscheid moet gezocht worden in hun territoriale bevoegdheid en in het verlengde hiervan, in de manier waarop deze ambten ontstonden op het einde van de XIIIe en in de loop van de XIVe eeuw.  Baljuws uit de kleine steden en grafelijke heerlijkheden ontstonden als een afsplitsing van het bestaande baljuwsambt: ze werden bevoegd voor de stad of de grafelijke heerlijkheid waarin ze werden benoemd, maar traden in tegenstelling tot de kasselrijbaljuw niet op in het omliggende platteland.  Maar naast deze territoriale bevoegdheidsverschillen, wordt de hiërarchie nauwkeuriger weerspiegeld in de jaarwedde die deze, in tegenstelling tot hun collega's van het oude type, ontvangen.  De hoogte van de wedde was nauw verbonden met elk ambt afzonderlijk en verschilt dan ook naargelang het belang van het ambt.[45]

 

2. Hiërarchie en carrièremogelijkheden: het verplaatsbaar en bezoldigd karakter van het baljuwsambt.

 

Hoezeer het belang van elk ambt afzonderlijk doorweegt blijkt uit de differentiatie in het gemiddeld maandelijks salaris van de afzonderlijke ambten.  De baljuw van Brugge geniet de hoogste wedde onder de kasselrijbaljuws, doch dit is niet verwonderlijk. Hij staat immers aan het hoofd van een kasselrij waar het grafelijk bezit zeer omvangrijk is en beheert er bijgevolg als hoofdbaljuw, financieel verantwoordelijk voor zijn administratief ondergeschikte gerechtsofficeren, omvangrijke en voor de grafelijke schatkist niet onbelangrijke inkomsten.  Zijn jaarsalaris bedraagt 240 pond parisis, uitgekeerd in drie schijven van 80 pond of een maandelijks gemiddelde van 20 pond. De baljuws van de overige kasselrijen genieten een jaarsalaris tussen 160 en 50 pond parisis, waarbij opvalt dat het salaris van de waterbaljuw  van Mude en de baljuw van Biervliet deze van de kasselrijbaljuws van Kortrijk en Oudenaarde overtreffen en de baljuw van Damme even veel verdient.  Zij scheren hiermee de top wat de overige baljuws betreft, doch dit bevestigt nogmaals dat het belang verbonden aan het ambt primeert op haar strikt territoriale bevoegdheid.  De overige baljuws van de kleine steden en de baljuw-ontvanger van de grafelijke heerlijkheid Male ontvangen ongeveer 30 à 20 pond parisis per jaar.

 

 

fig. 2  Gemiddeld maandelijks salaris in pond parisis van de door de graaf rechtstreeks bezoldigde gerechtsofficieren in het midden van de XIVe eeuw, in: Nowé (H.).  Les Baillis Comtaux de Flandre.  Bruxelles, 1928, pag. 118 - 120.

 

Binnen de kasselrij van Brugge is een dergelijke hierarchie van het volledige baljuwskader louter op basis van het jaarsalaris onmogelijk.  Slechts de baljuws van Brugge, Damme, Aardenburg en de waterbaljuw van Mude genieten een vast salaris dat ieder kwartaal in hun rekening wordt afgeschreven.  De wedde van de andere gerechtsofficieren werd niet vermeld of bleek niet periodiek gelijk.  Opvallend hierbij was dat de ambten gevormd op het einde van de XIIIe of uiterlijk in het begin van de XIVe eeuw een vast jaarsalaris genoten.  Andere administratief zelfstandige baljuws, noch de administratief ondergeschikte bajuws wiens ambt was ontstaan in het midden van de XIVe eeuw, kenden dit.  Het ontbreken van de rekeningen van de baljuw van Mude geeft ons hierin geen uitsluitsel, doch de baljuw van Hughenvliet en de rewaard van Diksmuide ontvangen een wisselend salaris[46] en in de rekening van de baljuw van Eeklo wordt geen melding gemaakt van een ambtsvergoeding.  Een bijkomend onderzoek naar de extra inkomsten die de gerechtsofficieren ontvingen zou grote onvolledigheden met zich meebrengen en is quasi onmogelijk.  Naast de wedde werden bijkomende inkomsten verbonden aan het baljuwsambt.  Deze emolumenten vloeiden voort uit gewoonterechtelijke aard, waarbij de baljuw recht had op een deel of het geheel van de opbrengst der boeten van specifieke aard, of werden vanuit de lokale of regionale overheid toegekend.  Doordat deze niet werden opgenomen in zijn rekeningen, sporen hiervan slechts sporadisch opduiken in officiële documenten en stadsrekeningen voor de oprichting van de Rekenkamer te Rijsel zeldzaam zijn, is een volledig beeld uitgesloten.[47]  De ons overgeleverde stadsrekeningen van de stad Brugge en Oudenburg illustreren het belang van deze toelagen, niet alleen als aanvulling van het jaarsalaris, maar vooral in het beklemtonen van de goede relatie tussen beiden.  Jaarlijks werd de baljuw van Brugge een vast bedrag toegekend door de schepenbank van het Vrije, dat werd aangevuld met een aantal premies in natura of contant, door de stad Brugge en de smalle steden in het Vrije.[48]  De goede verstandhouding tussen de stad Brugge en de waterbaljuw van Mude werd expliciet omgezet in een niet onaanzienlijke gift, die hun jaarsalaris overtrof.[49]

 

Een bijkomende vergelijking in het opstellen van een hiërarchie drong zich daarom op aan de hand van het specifiek belang van het ambt voor de grafelijke schatkist.  De combinatie van de gemiddelde maandelijkse inkomsten en het gemiddeld maandelijks salaris biedt ons een meer sluitende hiërarchie.

 

 

fig. 3  Het gemiddeld maandelijks salaris en de gemiddeld maandelijkse inkomsten in pond parisis, genoteerd uit de rekeningen van de gerechtsofficieren binnen het Brugse Vrije in de periode mei 1373 tot september 1379.  De ambten werden van links naar rechts gerangschikt naargelang de werkelijke inkomsten door de grafelijke gerechtsofficieren.

 

De rangschikking op basis van de gemiddeld maandelijkse inkomsten biedt een hiërarchie die in de lijn ligt van de toegekende jaarwedden, maar hierbij blijft het maandsalaris een onmisbare correctiefactor.  De quasi gelijke maandelijkse inkomsten geïnd door de baljuw van Brugge en de waterbaljuw van Mude, plaatsen beide ambten niet op eenzelfde niveau.  De kasselrijbaljuw droeg immers de bijkomende financiële verantwoordelijkheid over de administratief ondergeschikte baljuws in het Vrije en bovendien behoorde zijn wedde tot het hoogste onder de gerechtsofficieren in het graafschap, waardoor een strikte vergelijking ongenuanceerd is.  De hoge maandelijkse inkomsten geïnd door de waterbal-uw onderlijnen niettemin het belang van de aanwezigheid van deze ambtenaar op het Zwin, als verkeersader bij uitstek in de handel op korte en lange afstand.  De schout van Brugge distantieert zich van de andere baljuws van de steden in het Vrije in deze hiërarchie, waarbij het ontbreken van zijn wedde wordt verklaard doordat hij als 'erfgenaam' van de feodale schout de ambtelijke inkomsten van deze had overgenomen.  De baljuws binnen de grafelijke heerlijkheden het Houtse en Sijsele onderscheiden zich hierbij eveneens van een aantal baljuws uit de smalle steden in het Vrije en hun inkomsten overtreffen trouwens deze van de administratief zelfstandige baljuw van Hughenvliet.  De hoge wedde van de baljuw-ontvanger van Male in vergelijking tot de inkomsten kadert in het feit dat deze ontvangsten enkel van strafrechtelijke aard zijn en zijn functie voornamelijk van domaniale aard is.  Een wedde die hierin gerechtvaardigd is.

 

Verscheidenheid in hiërarchie bij bezoldigde en verplaatsbare ambtenaren betekent automatisch de mogelijkheid tot het opbouwen van een carrière.  Het salaris was immers verbonden met het ambt en een verplaatsing van de ambtenaar kon een bevordering of een stap terug betekenen in de ambtelijke hiërarchie.  Het volstaat om de baljuwslijsten uit de XIVe eeuw te volgen[50] om bepaalde namen terug te zien opduiken, doch de periodieke aanwezigheid van de baljuwsrekeningen vanaf het begin van de jaren '70 van de XIVe eeuw laten ook toe de loopbaan van een aantal administratief ondergeschikte gerechtsofficieren op de voet te volgen.  Maar niet alleen binnen het kader der gerechtsofficieren was promotie mogelijk, mits de graven van Vlaanderen sinds de tweede helft van de XIIIe en vooral in de XIVe eeuw meer en meer een beroep gingen doen op financiele en gerechtelijke experts binnen de centrale administratie, was een carrière op centraal niveau mogelijk.[51]  Waar de graven van Vlaanderen reeds in het begin van de XIVe eeuw het ambt van ontvanger van Vlaanderen veelal toekenden aan een baljuw, liet vooral Lodewijk van Male zich omringen door ambtenaren uit het baljuwskader.  Een aantal onder hen zetelden regelmatig in de Audiëntie of waren raadsheer van de graaf.

 

Het aantal gerechtsofficieren dat op het eind van hun loopbaan kon terugkijken op een dergelijke rijke carrière is uiteraard beperkt.  Een groot aantal baljuws nemen slechts een of meerdere baljuwsambten waar en verdwijnen na enkele jaren uit het beeld, anderen slagen erin een carrière van tientallen jaren uit te bouwen.[52]  Vooral de ambten met een bescheiden karakter lijken te zijn ingevuld door eendagsvliegen, die hoogstens enkele jaren het ambt bekleden.  Gillis den Brunen neemt te Oudenburg in 1374 het ambt op, diens opvolger Boudin Floreins besluit na vier jaar zijn carrière in de heerlijkheid Sijsele.[53]  Dergelijke voorbeelden zijn talrijk, maar niettemin slagen anderen erin hun functie langer uit te oefenen.  Het beperkt aantal topfuncties aan het hoofd van een kasselrij of een van de belangrijke steden in het graafschap, zorgt ervoor dat slechts enkelen erin slagen een loopbaan aan de top uit te bouwen, anderen hun loopbaan eindigen in een aanzienlijke positie, maar de meesten zelfs hierin nooit slagen.  Een aantal voorbeelden wijzen aan dat vele loopbanen in stijgende lijn worden bewandeld.  Jaquemin Baken is achtereenvolgens baljuw te Hughenvliet, Blankenberge & Oostende, Sijsele en het Houtse.[54]  De opeenvolgende ambten sluiten qua karakter vrij nauw bijeen, maar hierarchisch is er een stijgende opeenvolging waar te nemen.  Het aantal gevallen waar men erin slaagt van het laagste echelon op te klimmen tot kasselrijbaljuw of tot een gelijkwaardige functie zijn beperkt.  Jan f. Pieters klimt van baljuw te IJzendijke tot baljuw van Biervliet.[55]  Dit mag worden beschouwd als de kroon op zijn carrière, want het ambt was even goed bezoldigd als dat van waterbaljuw van Mude.  Beide loopbanen situeren zich toevallig in het noordelijk deel van het graafschap en quasi volledig binnen de kasselrij van Brugge.  Dit is echter geen regel, want tal van baljuws werden benoemd doorheen het graafschap om hun verbondenheid met een bepaalde regio niet in de hand te werken.  Een dergelijke onpartijdigheid werd in de meeste steden sinds ca. 1330 reeds verzekerd doordat de baljuw, noch veelal zijn echtgenote geboren of afkomstig mocht zijn, noch het poorterschap dragen van de stad waar hij zou worden benoemd.[56]  Een bijkomende voorwaarde was de noodzaak tot wettige geboorte zodat bastaards waren uitgesloten.  Beide bepalingen werden algemeen nagevolgd, doch uitzonderingen op deze komen eveneens voor.  Zo namen telgen uit een van de belangrijkste Aardenburgse families in de late Middeleeuwen, Lennoot en Niemare, in deze stad het baljuwambts waar.[57]   

 

De onpartijdigheid werd tevens gewaarborgd door een politiek van regelmatige herbenoeming en verplaatsing van de gerechtsofficieren.  Willem Slyp was achtereenvolgens onderbaljuw van Ieper, baljuw van de Vier Ambachten en van Aalst, schout van Antwerpen, lid van grafelijke diplomatieke en fiscale missies in het oosten van het graafschap en uiteindelijk schout en baljuw van Brugge. Een schoolvoorbeeld van een quasi rechtlijnige loopbaan, die hij afsloot als baljuw in Brugge en waarbij hij tijdens de eerste jaren van de regering van Filips de Stoute regelmatig optrad als raadsheer van de Audiëntie en de Raad van Vlaanderen.[58]  De regelmatige opeenvolging van het ambt van schout en baljuw te Brugge valt op.  Niet alleen Willem Slijp, maar ook Godefroids Helts en Riquarde vander Beerst bekleden het baljuwsambt nadat ze schout waren te Brugge.[59]  Deze evolutie is echter niet vanzelfsprekend en kan misschien als een strategie worden aanzien tot het invullen van een dergelijk  ambt.  Zo kon Jan f. Pieters als schout niet opklimmen tot het baljuwsambt van Brugge, maar werd het ambt, vooraleer het in handen kwam van Riquaerd vander Beerst, hernomen door Willem van Stavle.

 

3. Bevoegdheden der grafelijke gerechtsofficieren.

 

De grafelijke gerechtsofficieren, met name de kasselrijbaljuws en de baljuws in de steden en grafelijke heerlijkheden onderscheiden zich niet alleen van hun collega's van het oude type door hun bezoldigd en verplaatsbaar karakter, maar ook door de invulling van hun uitgebreide bevoegdheden.  Hun taak was voornamelijk van gerechtelijke aard, maar hiernaast bezaten zij niet onbelangrijke financiele en bestuurlijk-administratieve bevoegdheden.  Naast een duidelijk verschil in territoriale competentie, werpt zich de vraag op of in de invulling van de andere bevoegdheden eveneens verschillen zijn waar te nemen.

 

3.1. Gerechtelijke bevoegdheden.

 

De beteugeling van de misdaad stond centraal in de uitoefening van het baljuwsambt, waarbij uitgebreide gerechtelijke bevoegdheden de gerechtsofficier toelieten misdrijven op te sporen en te vervolgen.[60]  De baljuw was niet afhankelijk van de private klacht vooraleer hij kon overgaan tot het vervolgen van de daders, wat de slagkracht van dit ambtenarenkader sterk uitbreidde in vergelijking met de gerechtsofficieren van het oude, feodale type.  Maar de algemene verspreiding van de mogelijkheid de misdaad ex officio te vervolgen, in het kader van de krachtige reorganisatie van het Vlaamse strafprocesrecht tijdens de regering van Filips van de Elzas en gekoppeld aan de oprichting van een modern ambtenarenkader, betekend nog niet dat deze grafelijke gerechtsofficieren van meet af aan een verdachte rechtstreeks konden betichten en voor de rechtbank brengen.  Het principe van de private aanklacht bleef tijdens de eerste helft van de XIIIe eeuw dominerend.[61]  De doorgaande waarheden stelden niettemin de overheid in staat misdrijven te vervolgen die langs de normale gerechtelijke weg en bij gebrek aan een private klager onberecht zouden blijven.[62]  Het principe bestond erin dat de opgeroepen personen onder ede moesten antwoorden op een reeks vragen die peilden naar hun kennis omtrend specifieke inbreuken op de rechten van de heer.  De hierbij uitgesproken beschuldigingen werden op hetzelfde niveau geplaatst als de private aanklacht en verder voor de vierschaar afgehandeld.[63]  Maar deze hadden tot nadeel dat door de periodiciteit van de waarheden overtredingen pas lang na datum werden aangeklaagd, met alle gevolgen voor de bewijslaste van deze, en bovendien vereiste dit principe dat derden buiten de betrokken partij om een misdrijf zouden aanklagen.  De betekenis van deze waarheden mag echter niet onderschat worden, want met een meer algemene verspreiding van het persoonlijk vervolgingsrecht, blijven ze bestaan als opsporings- en onderzoeksprocedure.[64]

 

De vervolging ex officio, waarbij de gerechtsofficier zelfstandig overgaat tot het opsporen van misdrijven en deze voor de schepenbank brengt, is op het einde van de XIVe eeuw algemeen verspreid in het graafschap.  Binnen de steden Gent en Brugge is dit recht echter nog aan een aantal beperkingen onderworpen.  Waar de Gentse baljuw in deze zijn bevoegdheid volledig is beknot, dient de schout te Brugge voorrang te verlenen aan de private klacht en is hij genoodzaakt drie dagen te wachten totdat ze "in 's heren handen valt".[65]

 

Maar met de mogelijkheid om ambtshalve de misdaad te kunnen opsporen en aanhangig te maken bij de schepenbank wordt de bewijslast bij deze in de schoenen van de gerechtsofficier gestopt.  Hij is echter niet verplicht tot strafvordering over te gaan, want hij kan overgaan tot het sluiten van een minnelijke schikking met de verdachte.  Deze gaat hierbij veelal gretig op in want hiermee koopt hij als het ware alle verdenking en de mogelijke vervolging erop volgend af.  Enkel wanneer het een private aanklacht betrefd is de baljuw verplicht het misdrijf te vervolgen en voor de schepenbank te brengen.  Het compositierecht is zeer uitgebreid en laat de baljuw toe, zowel voor het proces als tijdens de duur van het geding en dit voor quasi alle misdrijven waarvan de vervolging onder zijn bevoegdheid vallen, een minnelijke schikking te treffen.  De drijfveer tot het afsluiten van een compositie kan gebaseerd zijn op objectieve criteria, wanneer ze quasi als een noodzaak moet aanzien worden, of op subjectieve criteria, wanneer de baljuw vrijwillig tot compositie overgaat.  Wanneer bij voorbaat blijkt dat de vervolging weinig kans maakt tot slagen, door een gebrek aan bewijzen of doordat het poorterschap of clerusschap wordt ingeroepen, gaat de baljuw over tot een compositie.  Dit evenzeer wanneer het medeleven kan worden ingeroepen van de gerechtsofficier, veelal op expliciet verzoek van een aantal vooraanstaande leden van de gemeenschap, omwille van de minderjarigheid of armoedige levensomstandigheden van de verdachte.[66]  Het staat de baljuw vrij te composeren, doch voor bedragen hoger dan zestig pond parisis was hij verplicht het advies van de ontvanger-generaal of souverein baljuw te vragen.[67]

Binnen de feitelijke vervolgingsprocedure was het de plicht van de baljuw de verdachten aan te houden of te dagvaarden, ze ter vierschaar te betichten, bewijzen ten laste aan te voeren en van de rechters een veroordeling te verlangen.  De eerste vervolgingsdaad was de arrestatie.[68]  Dit recht was, om de willekeurige aanhouding te vermijden, aan strenge voorwaarden onderworpen en vastgelegd in de keuren.  Want afgezien van het feit dat de dader op heterdaad werd betrapt, diende de schepenbank de aanhouding van een verdachte achteraf expliciet goed te keuren en te bevestigen.  Binnen de stad Brugge en het Vrije was deze toestemming zelfs noodzakelijk, wanneer het de arrestatie van een poorter of een vrijlaat betrof.  De baljuw werd verplicht alle kosten op zich te nemen en de poorter of vrijlaat te vergoeden wanneer dit toch gebeurde.[69]  Bovendien was het recht territoriaal begrensd.  Enkel binnen het eigen ressort mochten de gerechtsofficieren de vermeende dader arresteren, waarbij inbreuken aanleiding konden geven tot de sanctionering van de betreffende "vangher".[70]  Wanneer de verdachte of de dader buiten het eigenlijke ressort kon ontsnappen en een arrestatie buiten zijn bevoegdheid zou vallen, diende de gerechtsofficier samen te werken met de betreffende gerechtsofficier.  De baljuw kon direct tot samenwerking overgaan of indien deze niet voor de hand liggend was in naam van hemzelf en de stedelijke overheid een delegatie uitsturen om de arrestatie en berechtiging van de verdachte te verzoeken.[71]  Maar in twijfelachtige gevallen, waar de gerechtsofficier schijnbaar zijn bevoegdheid te buiten gaat wordt onmiddellijk verzet aangetekend.  Zo had de schout van Brugge niet het recht een kerklaat te arresteren binnen de dubbele heerlijkheid van St.-Donaas, wanneer de Proost- of Kannunikse laat binnen de terra comitis een misdaad had gepleegd en terug binnen de kerkelijke heerlijkheid van St.-Donaas kon komen.[72]  Strikt gezien genoten enkel de kerklaten dit voorrecht, doch ook de willekeurige andere arrestatie binnen de heerlijkheid zou aanleiding geven tot het aantekenen van verzet.[73]  Maar naast het gegronde toezicht vanuit de stedelijke en territoriale overheid op dit arrestatierecht, bleef het voornaamste doel de misdaad te beteugelen.  De baljuw werd in de praktijk dan ook bijgestaan door zijn ondergeschikte gerechtsofficieren en dienaren, die uit hoofde van hun ambt of in opdracht van de baljuw tot arrestatie konden overgaan.  De belemmering van een ambtenaar in functie was een ernstig vergrijp, dat streng werd bestraft.  Veelal gaat het hierbij om de arrestant die zich tegen zijn aanhouding verzet, doch gevallen van fysiek geweld tegen de ondergeschikte gerechtsdienaren in deze zijn geen uitzondering.[74]  Het was bovendien een algemene regel dat men hulp moest bieden wanneer de gerechtsdienaar hierbij hulp inriep.[75]

 

De grafelijke gerechtsofficier trad in de leenhoven, stedelijke en territoriale schepenbanken op als vertegenwoordiger van de graaf.  Hij heeft hierbij geen enkele rechtsmacht, maar is verantwoordelijk voor de formele rechtsgang.  De mannen of schepenen hebben als enige de macht het vonnis te vellen.  Wanneer het gaat om de vervolging van een private aanklacht, of de vervolging uit hoofde van zijn ambt, steeds is de grafelijke officier verantwoordelijk voor de verdere organisatie van het proces.  Hiertoe is hij in staat de betrokken partijen en getuigen te dagvaarden en de vierschaar samen te roepen.  Wanneer de rechters hierom verzoeken, opent hij het proces en staat verder in voor de rechtsgang.  Hij nodigt de klager uit tot klagen, de beklaagde tot antwoord, de getuigen tot optreden en maant de rechtbank aan tot het uitspreken van tussenvonnissen van de naar voor gebrachte geschillen vooraleer de rechters zich voor het uiteindelijk vonnis achter gesloten deuren terugtrekken.  Door het formalisme en de vaste procedures gekoppeld aan de procesgang en uit vrees voor eventuele vormfouten, werden de betrokken partijen er vertegenwoordigd door een taalman of voorspreker, die in hun naam het geding leidde.  De aanstelling ervan gebeurde onder toezicht van de gerechtsofficier, die eveneens de toestemming moest geven wanneer men zonder taalman wou procederen.  Hij waakt hiermee over de correcte rechtsgang van het proces en ziet toe op een objectieve rechtspleging.  Schepenen die rechtstreeks of onrechtstreeks bij de zaak zijn betrokken worden in deze geweerd.  De zetelende rechters verbinden zich er immers toe hun kennis onvoorwaardelijk aan te wenden en het proces binnen een redelijke termijn af te handelen.[76]  De baljuw kon zich als maner van de rechtbank laten vervangen door zijn ondergeschikte gerechtsofficier.  Niet de kasselrijbaljuw van Brugge maande de Brugse schepenen, doch de schout, noch de schepenen van het Vrije, maar de krikhouder.  Het was in de XIIIe en XIVe eeuw veelal gebruikelijk dat het burgerlijk recht de ondergeschikte gerechtsofficieren werd toevertrouwd en het strafrecht de gerechtsofficieren was voorbehouden.[77]

 

Maar waar de maner onmisbaar is tot het bekomen van een geldige rechtspleging, is de gerechtsofficier eveneens afhankelijk van het schepenvonnis voor een verdere rechtsvervolging.  Enkel nadat het vonnis was uitgesproken en de maner de opdracht ertoe had gekregen, kon hij overgaan tot het innen van de boete of opdracht geven tot het uitvoeren van de lijfstraf of terechtstelling van de veroordeelde.  Het innen van de compositie moet echter los gezien worden van deze noodzaak, omdat ze niet tot stand kwam ten gevolge van een schepenvonnis, maar door de minnelijke schikking waarbij de gerechtsofficier afstand deed van zijn vervolgingsrecht.  Opvallend  hierbij echter is hoe tot de vorming van een vlot draaiend gerechtsapparaat dient te worden bijgedragen door de goede verstandhouding en noodzakelijke samenwerking tussen de schepenbank en de gerechtsofficier.[78]

 

3.2. Bestuurlijk-administratieve bevoegdheden.

 

Als vertegenwoordiger van de graaf op het laagste niveau, stond de baljuw in voor de eerbiediging en naleving van de vorstelijke prerogatieven.  De grafelijke invloed binnen het lokale bestuur, die werd weerspiegeld in de samenwerking tussen de grafelijke vertegenwoordiging en de stedelijke en territoriale schepenbanken, varieerde naarmate de slagkracht van het grafelijk gezag.[79]

 

Reeds op het einde van de XIIe eeuw kwam de baljuw tussen bij het uitvaardigen van ordonnanties door de magistraat in Brugge, Gent, Ieper en Oudenaarde.  De keure van Filips van de Elzas verbood de stad zonder tussenkomst van de graaf of zijn vertegenwoordiger de geldende regels te veranderen.  Een tussenkomst die tijdens de XIIIe eeuw quasi een algemene regel werd in de steden van het graafschap doch, onderhevig aan de wisselende machtsverhouding tussen grafelijk gezag en stedelijke autonomie, in een periode van zwak centraal gezag beperkt bleef tot een formaliteit.  De aanklacht vanuit het Brugse gemeen tegen de eigenmachtige uitvaardiging van nieuwe keuren door het patriciaat overheerste stadsbestuur bevestigt dit beeld in 1278.  Maar waar Gwijde van Dampierre na de onderdrukking van de Moerlemaye erin was geslaagd een grafelijk annulatierecht op te leggen, kromp zijn directe invloed in het begin van de XIVe eeuw opnieuw in.  De Brugse schepenen kregen ingevolge de keure van 1304 de macht, na eenvoudige kennisgeving aan de graaf, eigenhandig de keuren te wijzigen of in te trekken.  De graaf verbond er zich toe alle door de schepenen getroffen maatregelen te bevestigen.  Een onaanvaardbare aantasting van het grafelijk gezag, die met de toekenning van de nieuwe keuren in 1330 zou worden ongedaan gemaakt, al was dit herstel van grafelijke macht slechts van korte duur en keerde men terug tot de situatie van na 1304 op het einde van hetzelfde decennium.  De tussenkomst van de baljuw in de stad Brugge beperkte zich tot het bekrachtigen van alle door de magistraat uitgeschreven ordonnanties die betrekking hadden op het lokale bestuur.[80]  Eenzelfde vrijheid werd door de andere  steden nagestreefd, maar deze slaagden er niet in deze vrijheid in dezelfde mate te bekomen als de grote steden Gent en Brugge.  De baljuw bleef een essentiële schakel binnen het stedelijk wetgevend bestuur, want hoewel hij geen actief aandeel vervulde in het opstellen van de stedelijke reglementen was zijn goedkeuring essentieel tot het uitvaardigen ervan.  De baljuw had immers tot taak de grafelijke rechten te vrijwaren en in die functie op te treden wanneer deze werden geschonden.

 

Als vertegenwoordiger van het grafelijk gezag kon de baljuw eveneens door de graaf worden aangesteld als lid van de grafelijke commissie die instond voor de jaarlijkse vernieuwing van de schepenbank en het doornemen van de stadsrekeningen.  Zijn aanwezigheid en aanstelling als lid van deze commissie is echter geen algemene regel, hoewel ze op het einde van de XIVe eeuw meer en meer voorkomt.  Het afnemen van de eed der nieuw verkozen schepenen gebeurde onder andere in Brugge en het Vrije door de baljuw, al lijkt dit slechts een voorrecht van enkelen en wordt ze in de andere steden binnen de kasselrij door deze grafelijke commissie waargenomen.[81]

Een meer actieve rol kende de baljuw in het kader van zijn politionele bevoegdheden.  Hij moest ervoor zorgen dat de grafelijke ordonnanties en de reglementen der schepenen werden bekendgemaakt en in acht genomen, de stedelijke privileges werden geëerbiedigd in het omliggende platteland en de openbare vrede, vastgelegd in een klimaat van sociaal-economische en politieke rust, werd instandgehouden.  Het bekendmaken van grafelijke ordonnanties gebeurde in de praktijk echter enkel op uitdrukkelijk bevel, want hoewel de baljuw geacht werd de ordonnanties uit te voeren, werden ze niet automatisch aan de bevolking bekendgemaakt.  De meeste vorstelijke verordeningen dienden immers niet ter kennis worden gebracht van de hele bevolking.[82]  Een gelijkaardige dubbele positie bekleedde hij in de praktijk wat het naleven van de stedelijke privileges betrof in het omliggende platteland.  Want op de strafrechtelijke vervolging van individuele inbreuken na, kon de baljuw slechts op uitdrukkelijk bevel van de graaf een breedschalig onderzoek opstarten.  Temeer doordat de baljuw van Brugge evenzeer bevoegd was binnen het Vrije en geprangd tussen de specifieke en veelal afwijkende belangen van beide ressorten, zou hij een bemiddelende functie opnemen.  Veeleer stond hij als tussenpersoon tussen de centrale en lokale belangen in, een precaire positie in tijden van politieke onrust wanneer hij het grafelijk gezag diende te waarborgen.[83]  Maar diezelfde functie bood hem in de normale  omstandigheden een niet onaanzienlijk gezag, daar hij garant stond voor de goede gang van zaken, zowel wat het vlot functioneren van het stedelijk bestuur betreft als het verzekeren van de openbare vrede en veiligheid.

 

3.3. Financiele bevoegdheden.

 

De baljuw, wiens taak van hoofdzakelijk gerechtelijke aard is en die als vertegenwoordiger van de graaf en het grafelijk gezag een aantal administratieve bevoegdheden uitoefent, heeft in het verlengde van zijn ambtsuitoefening eveneens belangrijke financiële bevoegdheden.  Het baljuwskader vertegenwoordigt immers niet onaanzienlijke inkomsten voor de grafelijke schatkist, een belang dat wordt weerspiegeld in de nauwkeurigheid waarmee inkomsten en uitgaven werden genoteerd in zijn rekeningen, en in de financiële en gerechtelijke controle waaraan het beleid van de baljuw wordt onderworpen.  Het is immers de ontvanger van Vlaanderen die als algemeen ontvanger en beheerder van de grafelijke schatkist aan het hoofd staat van het baljuwskader, totdat zijn taak van 1372 af wordt verlicht door de oprichting van het souverein baljuwsambt.  Een commissie van raadsheren en rekenmeesters licht, op speciaal hiertoe gehouden zittingen, om de vier maanden de rekeningen door en controleert ze op eventuele onnauwkeurigheden en onterecht aangehaalde uitgaven.[84]  Doorgehaalde posten en nota's in de kantlijn getuigen hiervan.[85]

 

De inkomsten kunnen worden ingedeeld in twee grote groepen, want naast de inkomsten van gerechtelijke aard is de baljuw immers verantwoordelijk voor de inning van een aantal heerlijke en feodale rechten.  In eerste instantie getuigen de rekeningen van de inkomsten die enerzijds voortvloeien uit de rechtsbedeling, waarbij de graaf een vast aandeel genoot van de boeten, en anderzijds volgen uit de inning van de minnelijke schikkingen die waren afgesloten tussen de baljuw en de verdachte en de grafelijke schatkist volledig toekwamen.  Het substantieel aandeel dat de graaf toekwam in de boeten varieerde van baljuwsschap tot baljuwsschap.  Enkel in de ambachten van het Vrije en de grafelijke heerlijkheden Oudenburg, Gistel en Sijsele kwamen de boeten de graaf volledig toe.[86]  De graaf was uiterlijk in het midden van de XIVe eeuw erin geslaagd zijn rechtsmacht binnen de heerlijkheden Sijsele, Oudenburg, Gistel en het Houtse te vestigen.[87]  In de overige baljuwsschappen, dit voornamelijk binnen de steden, maakten derden minstens op een deel van de boeten aanspraak.[88]  Hierbij denken we niet alleen aan de stedelijke overheid, maar binnen een aantal ressorten duiken eveneens ondergeschikte gerechtsdienaren op die in het verlengde van hun feodale afkomst loonafhankelijk zijn van een deel van de boeten, hoewel ze hun ambt niet langer in leen hielden.[89]  Dit in tegenstelling tot de burggraaf van Diksmuide waar de rewaard het grafelijk gezag vertegenwoordigde, evenals de heren van Maldegem, Oostkamp en Wulfsberge die binnen de heerlijkheid het Houtse hun lenen hielden.[90]  Het variabel karakter in het grafelijk aandeel van de boeten heeft geen rechtstreeks gevolg voor de feitelijke financiële bevoegdheid van de baljuw.  Vergelijking tussen de verschillende baljuwsschappen blijft bovendien mogelijk doordat een procentuele vergelijking deze verschillen opheft.  Niettemin moeten we toch opmerken dat de baljuw van het Houtse, doordat hij de boeten tot drie pond parisis niet ontvangt binnen het leen Oostkamp en Ruddervoorde, de beteugeling van de kleine misdrijven aan zijn neus ziet voorbij gaan.  Een gegeven dat eerder consequenties heeft voor de invulling van de gerechtelijke bevoegdheden van de baljuw van het Houtse.

 

De hoogte van de boete was afhankelijk van het misdrijf en gewoonterechtelijk bepaald, net zoals het grafelijk aandeel in deze boete.[91]  Wanneer de baljuw voor de uitspraak van het vonnis met de betichte tot een minnelijke schikking kon komen en hierbij afstand deed van zijn vervolgingsrecht, kwamen deze bedragen de schatkist volledig toe.  Eenduidigheid naar de omvang van de composities ontbreekt echter.  De enige constante is dat zowel hoge als lage boeten in aanmerking komen, want eenzelfde misdrijf met gelijke verzachtende of verzwarende omstandigheden betekent niet dat eenzelfde compositie wordt afgesloten.[92]

 

Naast de inkomsten van gerechtelijke aard, int de baljuw als vertegenwoordiger van de graaf binnen zijn ambtsgebied een aantal heerlijke en feodale rechten.  Deze kwamen de baljuw louter traditioneel toe, want ze konden evengoed aan specifieke ambtenaren toevertrouwd worden of kwijtgescholden door de graaf.  De hieruit voortvloeiende inkomsten werden in aparte paragrafen opgetekend, zodat de totale sommen gemakkelijk te onderscheiden zijn van de beboete en gecomposeerde misdrijven.[93] 

 

De heerlijke rechten bestonden uit goederen in natura, die vooraleer de opbrengst in de rekening kon worden ingeschreven ten gelde moesten worden gemaakt.  Het ging hierbij om het bastaardgoed, het recht van beste hoofd of dode hand en de onbeheerde goederen.  Het recht op de bastaardgoederen betrof de volledige nalatenschap van de bastaard, zowel onroerende als roerende goederen.  Gedetailleerde boedelbeschrijvingen getuigen hiervan.  Het recht op het bastaardgoed vinden we terug in de rekeningen van alle baljuwsschappen vanaf het begin van de jaren '70.  In het voorafgaande decennium was de inning van het grafelijk recht in handen gegeven van bijzondere ontvangers en waren de ontvangsten uit de rekeningen van de baljuws in het Vrije tijdelijk verdwenen.[94]  Het beste hoofd of de dode hand was het meest waardevolle roerende goed uit de nalatenschap van de lijfeigenen, doch wegens het vrije karakter van de inwoners van het Vrije komt dit in de rekeningen van de baljuws binnen deze kasselrij niet voor.  De onbeheerde goederen op hun beurt zijn alle goederen die geen private eigenaar meer hebben en waarvan het eigendomsrecht overgaat op de vorst.  Hierbij denken we niet alleen aan de strandvondsten en verloren goederen, maar ook aan de goederen uit de nalatenschap van overleden vreemdelingen, die in het verlengde van het gastrecht tot de onbeheerde goederen werden gerekend.[95]  Het is vanzelfsprekend dat enkel de baljuws aangrenzend aan de zee, het krekengebied en de waterlopen het lagaanrecht konden innen.  Behorend tot het grafelijk domein kwamen immers alle goederen die door averij of schipbreuk op het strand aanspoelden of voor de kust ronddreven de graaf toe.[96]  De aard van deze rechten, verbonden aan de meldingsplicht en de volledige ter beschikkingstelling van de desbetreffende goederen, gaf aanleiding tot misbruik.  De baljuw diende strafrechtelijk op te treden tegen hen die bastaardgoederen achterhielden of gevonden goed niet aangaven bij de bevoegde baljuw.  Veelal werden naar aanleiding hiervan omvangrijke minnelijke schikkingen getroffen, mits het diefstal betreft van grafelijk eigendom.[97] Naast deze heerlijke rechten die quasi een constante zijn in de baljuwsrekeningen, komen eveneens de opbrengsten voor van de verbeurd verklaarde goederen.  Ze vormen echter geen aparte groep, want ze worden tussen de gewone inkomsten van de gerechtsofficier genoteerd en niet zoals de andere heerlijke en feodale rechten in een aparte paragraaf.  Bovendien vloeien ze voort uit een criminele praktijk, waarbij het bezit van de terechtgestelde of veroordeelde crimineel de grafelijke schatkist toekomt.

 

De feodale rechten daarentegen hadden een ander karakter, want hierbij ging het niet om de ontvangst van goederen in natura, maar om het verhef van lenen en de tiendepenning bij verkoop van lenen of lijfrenten op lenen.  Bij elke overgang van een leen, zowel bij erfopvolging als bij verkoop, was men verplicht het verhef te betalen, doch enkel bij verkoop was men het recht van de tiendepenning verschuldigd.[98]  Dit vinden we enkel terug in de rekeningen van de baljuw van Brugge, die in de hem ondergeschikte baljuwschappen de tiendepenningen op leengoederen ontvangt.[99]

Ten laatste heeft men de buitengewone inkomsten die gekoppeld zijn aan enkele baljuwsambten.  Binnen de havensteden Mude, Damme, Hughenvliet, Oostburg en IJzendijke innen de baljuws tevens de doorvoerrechten op een aantal economisch belangrijke importproducten.  Enkel de waterbaljuw van Mude inde meer dan alleen de invoerrechten op het Nedersaksische hopbier, maar dit is gemakkelijk te verklaren door zijn sleutelpositie aan de monding van het Zwin.  Hij inde naast de zogenaamde "portaigen" op wijn, de "orlove" op pek, teer, hout, wol, mede en andere handelsproducten en de buitengewone tol op kaakharing bestemd voor de doorvoer.[100]  Deze inkomsten worden door de waterbaljuw van Mude en de baljuw van Damme in de jaren '70 en het begin van de jaren '80 telkenmale genoteerd in de gewone baljuwsrekeningen.  Maar van een dergelijke periodiciteit was er bij de baljuws van Hughenvliet, Oostburg en IJzendijke geen sprake en de enkele aanduiding in hun rekening is eerder een uitzondering.  Een ons overgebleven rekening, opgesteld door de baljuw van Hughenvliet toont ons hoe de geïnde doorvoerrechten op het hopbier in een aparte rekening werden genoteerd en ingediend op de jaarlijkse vergadering van de kamer van de redeningen.[101]  Niettemin loopt deze rekening slechts over een periode van zes maanden en vervolgt de baljuw in zijn gewone rekening de ontvangsten voor de resterende overlappende periode.[102]

Naast deze grote diversiteit aan inkomsten werden de onkosten die gepaard gingen met de invulling van het ambt en de ambtsuitoefening, afgetrokken op het einde van de rekening.  Net zoals de ontvangsten is de omvang van de uitgaven verbonden met het belang van het baljuwsambt, want waar de kasselrijbaljuw een hele reeks uitgaven noteert, vermelden de baljuws van de kleine steden vaak geen onkosten.  Steeds vermeldt de baljuw, wanneer hij een wedde geniet, zijn salaris het eerst, eventueel gevolgd door de uitkeringen toegekend aan de hem ondergeschikte ambtenaren of andere personen die traditioneel een uitkering kregen.  Zo genoten niet alleen ondergeschikte gerechtsofficieren, zoals onder andere de krikhouder en de amman, of de "verlieden" die de waterbaljuw en de sergeanten dag en nacht over het water vervoerden, maar ook "mins heren capellaen" en de "scoolkindren van Sinte-Donaes" genoten een jaarlijkse vergoeding.[103]

 

Na de wedden volgen de gewone uitgaven.  Hierbij kunnen we uitgaven onderscheiden van administratief-juridische aard, strafuitvoerende aard en de onkosten gepaard gaande met de inning van de heerlijke rechten.  Direct volgend uit de gerechtelijke bevoegdheid diende de baljuw de kosten voor het houden van de waarheden op zich te nemen en in het contact met het rondtrekkende grafelijk hof of het bisschoppelijk hof te Doornik werden reisonkosten afgetrokken.  De taak toe te zien op de strafuitvoering, verplichtte de gerechtsofficier deze onkosten op zich te nemen.  Vergoedingen voor de beul en het materiaal dat hij nodig had bij de pijniging van verdachten of terechtstelling van de veroordeelde, volgden bij iedere executie, terwijl het noodzakelijke onderhoud of vernieuwing van de infrastructuur regelmatig opdook.[104]  Het innen van de heerlijke rechten vergde soms ook noodzakelijke uitgaven, waaronder de onkosten die gepaard gingen met het opvissen van zeedriftige goederen of het vervoeren van bastaardgoeden die niet ter plaatse konden worden verkocht.[105]

 

Maar de rekeningen bevatten ook een reeks uitgaven die niet direct voorvloeiden uit de uitoefening van het baljuwsambt.  Mits de speciale opdracht of toelating van de graaf of diens centrale ambtenaren nam de baljuw buitengewone uitgaven voor zijn rekening.  We noteren niet alleen de door de graaf gevraagde leningen, die tijdens opeenvolgende rekeningen werden afgerekend, en de onmiddellijke voorafbetalingen geïnd door de ontvanger van Vlaanderen, maar ook de eenmalige uitgaven op grafelijk bevel of op bevel van zijn centrale ambtenaren.  Hij trad bovendien regelmatig in opdracht van de graaf op, opdrachten die in tegenstelling tot de bevoegdheden die hem werden toegekend bij zijn benoeming op uitdrukkelijk bevel van de graaf gebeurden.  Deze opdrachten konden van administratieve, gerechtelijke of politiek-militaire aard zijn.[106]  Het kon hierbij gaan om de begeleiding en het bijstaan van een grafelijke delegatie met een specifieke opdracht binnen de kasselrij, tot het verrichten van arrestaties en dagvaardingen of de begeleiding van gevangenen naar het grafelijk steen te Rupelmonde.[107]  Maar bovenal onderhield de graaf op deze manier nauw contact met zijn plaatselijke vertegenwoordiger die hem kon inlichten over de concrete situatie binnen de kasselrij.  Het is daarom niet verwonderlijk dat hij tijdens de politiek onrustige periode in het begin van de jaren '80 van de XIVe eeuw, die overheerst werd door de Gentse opstand, voortdurend contact hield met de baljuw van Brugge en de waterbaljuw van Mude.  Maar niet alle dergelijke buitengewone uitgaven stonden in het verlengde van zijn ambtsuitoefening.  Soms werd de gerechtsofficier eveneens belast met persoonlijke aankopen voor de graaf of diens hofhouding.[108]

 

De gerechtelijke, bestuurlijk-administratieve en financiele bevoegdheden zijn in tegenstelling tot de territoriale bevoegdheden niet ingeperkt in het verlengde van hun ambtsinvulling.  Ze verschillen in essentie niet tussen de baljuws van de grafelijke heerlijkheden of de stads- en kasselrijbaljuws.  De verschillen die niettemin zijn op te merken, vloeien voort uit de specifieke vrijheden die de desbetreffende gemeenschappen genieten of het specifiek economisch-geografisch karakter van het baljuwsschap.

 

4. Ondergeschikte gerechtsofficieren en gerechtsdienaren.

 

De baljuw, die de grafelijke vertegenwoordiger bij uitstek was op het lokale en regionale vlak, was het hiërarchisch hoofd van een omvangrijk kader van ondergeschikte gerechtsofficieren en gerechtsdienaren.  Dit kader kwam tot stand door de overkoepeling van een complex geheel van gerechtsofficieren actief op het strikt lokale vlak en ontwikkelde zich verder in de loop van de XIIIe en het begin van de XIVe eeuw.  De ontwikkeling van een nieuw ambtenarenkader op het einde van de XIIe eeuw had immers niet alleen tot doel de ongebreidelde macht van de burggraven in te dijken, maar eveneens een einde te stellen aan het eigengereide optreden van lokale gerechtsofficieren, die hun ambt veelal erfelijk in leen hielden.  Een aantal onder hen konden hun feodaal karakter tot in de XIVe eeuw handhaven, doch in andere steden en territoriale omschrijvingen kwamen ze in handen van de graaf en ondergeschikt aan diens gezag onder de controle van zijn lokale vertegenwoordiger, de baljuw.[109]

 

4.1. Ondergeschikte gerechtsofficieren.

 

De ambten van schout en amman bestonden op het einde van de XIIe eeuw naast elkaar, doch verschilden in de uitoefening slechts in het feit dat de schout, in tegenstelling tot de amman, vrij was en vrije lieden voor de vierschaar kon dagen. Wanneer het standenverschil tussen beide vervaagde in de loop van de XIIIe eeuw en de amman tot de vrije stand mag worden gerekend, kon deze dezelfde bevoegdheden uitoefenen en werden de justitiële bevoegdheden van de schout minimaal.  Doordat de amman, die als plaatsvervanger van de schout door hem werd aangesteld, steeds meer volmachten tot het uitoefenen van gerechtelijke taken toegewezen kreeg, nam hij in de praktijk ook steeds meer bevoegdheden waar.  Beide ambten hadden niet langer een reden naast elkaar te bestaan en versmolten, op een aantal uitzonderingen na.  De ambachtsschouten  van de kleine officia werden op de achtergrond gedrongen, terwijl deze van de grote polderambachten Gistel, 'sHeerwoutermans en Oudenburg hun aanzien slechts behielden in het verlengde van het prestige van hun leen.  De schouten van de appendante heerlijkheden binnen de kasselrij konden hun macht langer in stand houden doordat ze fungeerden als echte ambachtsheren met een eigen schepenbank.[110]  Maar niet alleen op het platteland had zich dit ambt ontwikkeld, want ook binnen steden zoals in Brugge en Aardenburg ontstond een stadsschout of had de schout uit het omliggende ambacht specifieke rechten binnen de stad.  Hun ontstaan en aanwezigheid op het einde van de XIVe eeuw lijkt af te hangen van de invloed die de lokale schout kon laten gelden toen de betreffende gemeenschap stadsrechten verkreeg en de mate waarin de stadsbaljuw zich in de loop van de XIVe eeuw kon handhaven.  Het is immers uitgesloten dat dit ambt met feodaal karakter zou ontstaan waar deze invloed onbeduidend was en overstemd door het baljuwsambt.  Tekenend voor deze machtssituatie is hoe de schout van 'sHeerwoutermansambacht, die met de toekenning van stadsrechten aan Oostende in 1267, zijn rechten in gevaar zag, een deel van de opbrengst van de rechtspraak kon opeisen.  De macht van de ambachtsschout was er nog steeds omvangrijk en van het dubbelbaljuwsschap Blankenberge & Oostende was nog geen sprake.  De invloed van de andere schouten is in de tweede helft van de XIIIe eeuw schijnbaar minder omvangrijk, wanneer de overige smalle steden hun stadsrechten hadden verkregen.  Doch dit verklaart de afwezigheid van deze ambtenaren van het oude type in de stad Damme niet.  Zoekend naar een verklaring stuiten we hier echter op de gebrekkige gegevens die ons een licht zouden kunnen werpen op de concrete uitbouw van het baljuwskader in haar aanvangsfase op het einde van de XIIe eeuw, vooraleer uiterlijk in het midden van de XIIIe eeuw er een stadsbaljuw het grafelijk gezag vertegenwoordigde.[111]  De schouten hielden hun ambt en de dotatie er mee verbonden erfelijk in leen, doch hieraan kwam een einde wanneer het ambt in het bezit kwam van de vorst.  Het erfelijk karakter van deze lenen verviel op het einde van de XIIIe eeuw in de stad Brugge en het begin van de XIVe eeuw in de stad Aardenburg, waarop het ambt rechtstreeks door de graaf of zijn vertegenwoordiger werd ingevuld.  Eenzelfde evolutie is in het Vrije sinds het midden van de XIIIe eeuw waar te nemen, doch dit betekende niet dat het erfelijk karakter van deze ambten van het oude type overal verdwijnt of de baljuw alle ammanschappen kan benoemen.[112]  Op het einde van de XIVe eeuw bestonden de ambten van schout en amman slechts in uitzonderlijke gevallen naast elkaar ; in het algemeen was een van beide ambten verdwenen of waren ze in een personele unie aan elkaar gebonden.[113]  Ze vormden bij uitstek de verbinding binnen hun ambachten tussen het centrale gezag en de plaatselijke bevolking.  De amman of ambachtsschout daagde de personen die voor de rechtbank moesten verschijnen, maakte de beslissingen en mededelingen van het lokaal en centraal bestuur bekend, zag toe op de uitvoering ervan en kon overgaan tot arrestatie en inbeslagneming van goederen.[114]  Doordat deze doorgeeffunctie zo essentieel was in de goede werking van bestuur en gerecht, werd nauwkeurig toegezien op een correcte uitvoering ervan en werd nalatigheid streng bestrafd.[115]  De stadsschouten van Aardenburg, in aanwezigheid van de baljuw, en Brugge bezaten tevens het recht de vierschaar te manen, wat voor de schepenbank van het Vrije bij afwezigheid van de baljuw gebeurde door de krikhouder.  Deze ambtenaar van oude origine is, in tegenstelling tot de voorgaande ambten van het oude type, afzetbaar en door de baljuw benoemd.[116]

Maar naast deze ondergeschikte gerechtsdienaren van het oude type waren er nieuwe ondergeschikte ambtenaren van het moderne type ontstaan.  Deze door de baljuw benoemde onder- of subbaljuws vullen de taak aan van de kasselrijbaljuws en baljuws van de belangrijkste steden.  Binnen de kasselrij van Brugge vindt men ze op het einde van de XIVe eeuw enkel terug in Kaprijke en Sluis.[117]

 

4.2. Gerechtsdienaren.

 

De baljuw werd in de uitoefening van zijn taak bijgestaan door een korps gerechtsdienaren, die de talloze hun opgedragen opdrachten moesten uitvoeren.  Het waren ambtenaren die zowel in de stad als op het platteland voorkwamen.  De taak van deze sergeanten en beriders of 'sergeants à cheval' was in hoofdzaak beperkt tot de handhaving van de openbare orde, de opsporing en beteugeling van de misdrijven, verrichten van aanhoudingen en de uitvoering van de vonnissen.  Het was al bij al een zeer omvangrijke taak die ze steeds uitvoerden in opdracht van hun meerdere die het benoemingsrecht in handen had.  De benoeming van deze dienaren door de baljuw was aan een aantal strikte regels gekoppeld.  Niet alleen was hun aantal beperkt, maar bovendien moesten ze vreemd zijn aan de stad en van onbesproken gedrag, waarna ze werden voorgedragen voor de schepenbank en een dubbele eed aflegden met het oog op het eerbiedigen van de grafelijke rechten en de stedelijke vrijheden.   Herkenbaar voor de bevolking dienden ze steeds hun ambtskledij te dragen.  Gewoonterechtelijk was hun aantal in de stad Brugge op twaalf en in de steden Aardenburg en Damme op twee vastgelegd, doch ook binnen het waterbaljuwsschap van Mude werd de gerechtsofficier bijgestaan door een aantal sergeanten.[118]  Evenmin is het aantal berijders en hun knapen gekend die actief zijn binnen het Vrije.  Als uitvoeringsagenten werd de nadruk gelegd op een strikte en getrouwe uitvoering van hun ambtsopdracht, waarbij onmiddellijk werd ingegrepen wanneer enige twijfel rees omtrent de aanvaardbaarheid van hun actie.[119]  Misbruiken konden rijzen.  De sergeanten werden immers niet vergoed volgens een vast salaris, maar genoten een aandeel in de minnelijke schikkingen en werden per prestatie betaald.[120]

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[21] Gent (1169-70), Ieper (1172), Brugge (1209)*, St.-Winoksbergen (1221), Veurne (1221), Kortrijk (1225), Oudenaarde (1225), Bourbourg (1230), Kassel (1231), Dowaai (1235), Rijsel (1235), Aalst (1248), in: NOWÉ (1928), pag. 53-58, 61.  Deze lijst* in het standaardwerk van Nowé vertoont, ondanks de ontegensprekelijke waarde van het werk in het algemeen, tekorten: Luykx (T.) en Warlop (E.) slaagden erin aanvullingen toe te voegen aan de lijst en de vermelding van de eerste baljuw van Brugge te situeren in 1209 i.p.v. 1217.  WARLOP (E.).  De baljuws van Brugge tot 1300, in: Album Albert Schouteet, pag. 221 - 234.  Brugge, West-Vlaams Verbond van Kringen voor Heemkunde, 1973.

[22] NOWÉ (1928), pag. 61.

[23] BLOMMAERT (W.).  Les Châtelains de Flandre.  Gand, Faculté de Philosophie et lettres d'Université de Gand, 1915, pag. 17.

[24] "Computatio domini Renarii, ballivi Brugensis facta Malee, anno MCCLIIII, feria secunda post Letare Jherusalem", baljuwsrekening 8 maart 1255, in:  NOWÉ (1928), pag. 420 - 422.

[25] NOWÉ (1928), pag. 61 - 62.

[26] NOWÉ (1928), pag. 68 - 69.

[27] Verdeling van de inkomsten uit de rekening van de baljuw van Brugge en het Vrije geïnd tussen 8.x.1354 en 1.i.1355 (n.s.), opgesteld te Male 8.iii.1355(n.s.): Brugge 209.85 lb., Aardenburg 22.8 lb., Mude, 9.75 lb., Oostburg 5.5 lb., Monnikerede 2.9 lb., Eeklo 2 lb., Lang-Aardenburg 1.75 lb., in: NOWÉ (1928), pag. 420 - 422.

[28] de MELKER (B.R.).  De ontwikkeling van de stad Aardenburg en haar bestuurlijke instel-lingen in de Middeleeuwen, in: Scriptiereeks Commissie Regionale Geschiedsbeoefening Zeeland, III. Middelburg, provinciebestuur Zeeland, 1987, pag. 128 - 129 en NOWÉ (1928), pag. 69, voetnoot 8.

[29] BAUTIER (R.-H.), SORNAY (J.) en MURET (F.).  Les sources de l'histoire économique et sociale du moyen âge.  Tôme 1.  Les états de la maison de Bourgogne.  Parijs, Centre National de la Recherche Scientifique, 1984, pag. 168, 174.