Doping en de media. Epo voor de topsporter. Opium voor het volk. (Brecht Schabregs)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Bijlagen

 

Bijlage 1: Topic-lijst

 

1. Algemene gegevens

 

 

2. Nieuws en journalistiek

 

 

3. Sportjournalistiek

 

 

4. Doping

 

 

5. Doping en de media

 

 

 

Bijlage 2: Interview Chris Vander Auwera, Directeur-Generaal Administratie Gezondheidszorg

 

Telefonisch interview, Hoeselt, dinsdag 2 augustus 2005, 17u.

 

Hoewel hij aan het begin van het gesprek beweerde niet veel meer te zeggen te hebben dan wat hij in de persmededeling neergeschreven had, duurde het interview uiteindelijk 35 minuten.

 

Goeieavond, meneer Vander Auwera. Ik heb u opgebeld, niet zozeer omdat u een belangrijke functie uitoefent bij de gezondheidsinspectie, maar vooral omdat u in februari van dit jaar een persmededeling naar de Vlaamse media hebt gestuurd, die alles te maken heeft met het onderwerp van mijn eindverhandeling.

CVA: Ja, die is er gekomen na een frappante fout die toen in de media verschenen is. Het ging om een gerucht dat blijkbaar de ronde deed en dat werd als feit, als waarheid naar buiten gebracht. Achteraf bleek dan dat er niets van aan was en daarom heb ik dat toen gedaan, omdat ik vond dat er geen sprake was van enig respect voor de sportbeoefenaar.

 

U had het in dat persbericht duidelijk op de journalisten gemunt. Heeft u eigenlijk enige achtergrond in de journalistiek?

CVA: Nee, helemaal niet, ik ben nooit in die branche verzeild geraakt. Waar ik wel van op de hoogte ben, is de deontologische code van de journalisten. En dat is net de reden waarom ik toen gereageerd heb, omdat daar deontologisch gezien heel wat aan mankeerde. Hoe kunnen we nog spreken van rechten van de verdediging, als zo’n bericht, zonder dat het officieel bevestigd is om heel duidelijk te zijn, als zo’n bericht al integraal opgepikt wordt door de journalisten. En ik vraag me trouwens af van welke bron ze het hadden. Ik heb dan ook duidelijk gesteld dat er zoiets bestaat als het checken van de bron en het dubbelchecken ervan. Dat zou elke journalist ook moeten weten.

 

Het ging in dat geval om een gerucht, dat op nationale televisie naar buiten werd gebracht. Het was in ‘De Zevende Dag’ op zondag, een programma waarvan de samenvatting ’s nachts nog ettelijke malen herhaald wordt. Wanneer mag een bericht de wereld in volgens u en waarom is het zo erg dat het het nieuws haalt?

CVA: Elk gerucht dat ontstaat, waar dan ook en over wie dan ook, heeft sowieso een enorme impact, of het nu waar is of niet. In het desbetreffende geval waren de bronnen zeker niet voldoende gecontroleerd en zeker geen twee keer. Nee, ze schrijven of zeggen maar wat en ze zijn niet eens honderd procent zeker dat het wel waar is, ze moeten tweehonderd procent zeker zijn. En als het dan niet waar blijkt te zijn achteraf, dan komt er misschien wel een kleine rechtzetting van, maar dan is het kwaad toch al lang geschied. Journalisten horen maar wat en brengen het onmiddellijk uit, zonder blijkbaar na te denken over de gevolgen ervan. Zelfs bij de VRT is er precies minder en minder sprake van deontologische regels. Vroeger werd er eerlijk en waarheidsgetrouw bericht, nu kennen de journalisten bij wijze van spreken de uitspraak van het gerecht al, vooraleer de zitting begonnen is. Hetgene waar ik op hamer is correcte informatie en dat is toch ook de belangrijkste taak van nieuwsmedia. Dat is toch de essentie van journalistiek, dat wat ze schrijven of zeggen, moet gewoon juist zijn. Bij een dopingcontrole zijn er altijd meerdere fasen in een onderzoek. De eerste is de controle zelf, die bij iedereen kan voorvallen, maar ook dat al komt in de media. De tweede fase is die van het resultaat. En daar begint het schoentje te wringen, want er is blijkbaar niet meer zoiets als geheimhouding van het onderzoek. Ook al is iemand betrapt, dan nog is er nog eerst een tegenexpertise en dan pas kan het officieel bevestigd worden. Op een of andere manier staat het al in de krant, nog voor de onderzoeker op de hoogte is van het resultaat. En dan nog, als uit het onderzoek blijkt dat er middelen zijn aangetroffenn dan nog kunnen we te maken hebben met bepaalde verzachtende omstandigheden. Vooraleer het resultaat van het onderzoek officieel is, moet er rekening gehouden worden met de omgevingsfactoren, maar daar geeft de pers weinig om.

 

Om terug te komen op die bronnen, want u bent zelf al mijn vragenlijst aan het afwerken. Journalisten moeten van ergens van iemand iets te weten komen, er is altijd een bron. Dingen volledig uit je duim zuigen en dat dat in de krant zetten of in het journaal steken, dat ben ik nog niet vaak tegengekomen. Er moet altijd wel een bron zijn en in geval van geheimhouding een lek.

CVA: Kijk, neem nu het geval Beke deze week. (Bij een dopingcontrole in 2004 werd triatleet Rutger Beke betrapt op het gebruik van EPO, maar hij ontkende vanaf het eerste moment. Beke zou na een hevige inspanning een speciaal eiwit aanmaken, dat door de EPO-test herkend wordt als EPO. Hij heeft altijd zijn onschuld uitgeroepen, totdat er ook een onderzoek kwam naar een mogelijke fout in de test. Vorige week gaf Professor Delbeeke van het Gentse dopinglab na bijna een jaar na de feiten toe, dat er misschien wel een gebrek kan zijn. Maar ook in dit geval kwam de berichtgeving over onschuld veel sneller dan het resultaat, dat er tot op heden nog steeds niet is. Intussen is Beke wel al een jaar buiten competitie gehouden.) Professor Boogaerts (van de afdeling hematologie) van de KU Leuven werd in die zaak aangesteld als onafhankelijke waarnemer. Maar ook daar, vooraleer het signaal gegeven is dat Boogaerts in de media mag verschijnen en zijn bevindingen mag toelichten, waren de media al op de hoogte. Zoiets is onmogelijk in principe en komt zeker niet van bij ons. Dus de enige mogelijkheid die ik zie, is dat de advocaat van Rutger Beke alles naar de pers heeft gelekt. Ik zie niet hoe dat anders kan gebeurd zijn.

 

Waarom zou die dat gedaan hebben? Welk voordeel kan een advocaat daaruit putten?

CVA: Wel, de enige bedoeling die ik zie, is dat hij Beke in een goed daglicht probeert te zetten, hem wat populairder maken. Misschien heeft Beke niets gedaan en als dat zo is, moeten ze die jongen ook vrijspreken. Maar die advocaat weet ook hoe hij de dingen moet aanpakken, hé. Hij heeft een zaak te winnen en met Beke wat beter te laten overkomen in plaats van dopingzondaar, kan hij de publieke opinie beroeren. Via de media. En hoe sneller, hoe beter blijkbaar. Ik weet natuurlijk niet zeker dat het lek uit die hoek komt, maar ik kan me niet inbeelden van waar anders. Op een of andere manier komen die dingen toch in de media terecht en ik vraag me af hoe dat kan.

 

Maar die journalisten moeten het van ergens hebben, ze moeten toch bepaalde contactpersonen hebben, van wie niemand weet heeft blijkbaar. Ze komen het vroeg of laat altijd wel te weten op een of andere manier, en meestal zeer vroeg.

CVA: Meestal veel te vroeg en daarom gebeuren er van die dingen zoals toen op de VRT. Komaan zeg, nog voor de specialist iets weet, staat het al ergens op de voorpagina.

 

En als één krantenjournalist het weet, volgt de rest van de kranten en daarna moeten radio en televisie mee of omgekeerd. Ze moeten allemaal mee op dezelfde wagen.

CVA: O ja, is dat zo? Ik weet het niet, ik weet niet of dat moet. Vroeger waren er journalisten die daar heel correct mee omsprongen. Neem nu die, allez hoe heet die nu ook weer, die van de VRT.

 

Jan Wauters?

CVA: Nee, nee. Die van de televisie, die boomlange kerel, allez…

 

Ivan Sonck?

CVA: Ja, die is het. Die was altijd correct en die wist er bovendien heel veel van. Toen kwamen er veel meer roddels en geruchten naar boven in de pers, omdat ze altijd correct probeerden te handelen. Waar zijn nu nog de rechten van de verdediging, bestaat er nog zoiets? Ze hangen al aan de galg voor ze het zelf weten. Nu moeten journalisten ook praktisch geen opleiding meer volgen daarvoor, iedereen komt wel met een beetje moeite ergens in de media terecht, ook al weten ze er niets van af. Enfin, je vindt nu waarschijnlijk dat ik klink als een oude vent, maar soit.

 

Nee, helemaal niet. Elke mening is belangrijk en als het inderdaad zo blijkt te zijn dat ze vroeger andere en betere normen en waarde hadden, dan is die van u zeker van belang. Maar van de ene kant was het vroeger dan beter in de zin dat de informatie correcter was, maar van de andere kant stoot ik in de geschiedenisboeken ook telkens op de zogenaamde ‘omerta’. En ook uit mijn literatuurstudie en uit eerder gesprekken blijkt dat de zwijgplicht heilig was en misschien nog is. De sportjournalisten sliep in hetzelfde bed als de wielrenner en die mocht dat de volgende dag tegen niemand zeggen. Dus dat wat toen het nieuwe haalde was misschien correcter, maar er kwam ook een heleboel niet in, terwijl ze je er nu dagelijks mee om de oren slaan.

CVA: (Even stilte) Daar heb je wel gelijk in, ik weet dat dat toen zo was en ik weet ook dat dat nu ook nog vaak genoeg voorkomt. In principe is er niemand die er baat bij heeft om zoiets naar buiten te brengen. Maar als je er van uitgaat dat dat altijd zo is en dat iedereen z’n mondje dicht houdt, waar zijn we in godsnaam dan mee bezig? En dat laatste vraag ik me wel vaker af.

 

Laten we er even van uitgaan dat er nu geen sprake meer is van die omerta, welke rol is dan weggelegd voor de sportjournalist?

CVA: Eerst en vooral, wat hij ook doet en waarover hij het ook het heeft, heeft hij zich te houden aan de deontologie. Ik vind dat dat boven alles moet staan. Ook wij hier hebben een zeer strenge deontolgische code en als iemand zich daar niet aan houdt in het gavl van een zware fout, dan wordt die buitengeflikkerd. Voor mij moeten ze niemand buitengooien bij de media als er zoiets gebeurt, maar ze moeten wel iets doen, want anders blijft iedereen iedereen bezighouden. Pas als de controle-instantie voor tweehonderd procent zeker is en er sprake is van zoiets als een waarheid, van een feit, dan pas begint de publieke taak van de journalist, namelijk zijn publiek informeren. Informatie geven en het duiden van die informatie is de opdracht van een medium, niet meer en niet minder. Oordelen en een opnie geven ligt volgens mij niet in het domein van de journalist. Een dopingcontrole bij iemand is geen nieuws, een positieve controle ook nog niet, want dan is er nog geen zekerheid. Vaak is het zo dat alles al uitgesmeerd wordt nog voor die zekerheid er is. Al is er maar een kleine link of aanwijzing in die richting, dan al is de naam van de sporter in kwestie besmeurd. Hoe kan die zich in hemelsnaam dan nog verdedigen?

 

Maar als één medium er mee naar buiten komt, kan ik me voorstellen dat de andere moeilijk kunnen achterblijven, want ook zij moeten verkopen, ze hebben allemaal een publiek, lezers, luisteraars of kijkers. En een krant kan nog wachten, zij verschijnen ‘pas’ om de vierentwintig uur, maar radio en televisie moeten en kunnen gebruik maken van hun speciale eigenschap, namelijk dat ze heel snel kunnen inpikken op de actualiteit. En elke dag is er weer een nieuwe sportkatern die moet volgeschreven worden, elke dag zijn er deadlines en een bepaald aantal lijnen die gehaald moeten worden, journaals die inhoud nodig hebben. En de hoeveelheid sport in het nieuws en de kranten is vrij omvangrijk in Vlaanderen. Hebben zij wel de mogelijkheid om te wachten als ze ergens al zo goed als zeker van zijn en zeker als ze weten dat ze het de dag erna kunnen rechtzetten, zonder echte kwalijke gevolgen?

CVA: Ze moeten wachten, als het strookt met deontologische code. Als er geen reden is om iets te schrijven, waarom dan niet wachten? Maar dat is nu net het probleem met de media van tegenwoordig. Het belang van journalisten wordt alleen maar groter en dat van de deontologie gaat alsmaar achteruit. En de media maken hun eigen regels, hé, ze hebben die macht nu. Als er iets fout is gelopen, dan vullen ze de pagina’s de volgende dag met een kleine rechtzetting, die door veel minder mensen gelezen wordt. En inderdaad, de volgende dag is er weer een nieuw journaal en een nieuwe krant, en ze draaien de bladzijde gewoon om.

 

De media werpen zichzelf steeds op als de vierde macht, de watchdog. In de Verenigste Staten bestaan er onafhankelijke organisaties, zoals ‘Accuracy in Media’, een drukkingsgroep voor nauwkeurigere berichtgeving in de media. Maar wie controleert de media en hun berichtgeving hier in Vlaanderen en België, wie kan er optreden als ze iets mispeuteren?

 

CVA: Ah, maar ze controleren zichzelf, hé. (Hij doelt op de Raad voor Journalistiek, een onafhankelijke instelling voor zelfregulering van de media. Zej zijn opgericht door de Vlaamse journalistenverenigingen, de uitgevers en de mediahuizen. Burgers kunnen bij de Raad terecht met vragen en klachten over de journalistieke beroepsethiek.) Ze zijn tegelijkertijd partij en rechter in een rechtszaak die er nooit komt. Journalisten zijn ontzettend belangrijk in onze samenleving. Nee, ik druk me verkeerd uit. Ze hebben gewoon een enorme impact, alles waar zij over berichten wordt door een heel aantal mensen opgepikt. Ze zijn eigenlijk niet-verkozen volksvertegenwoordigers, met dezelfde of misschien wel meer macht. En pas op, de media zijn heel goed georganiseerd, hé! Ze hebben zichzelf eigenlijk zo ongelooflijk belangrijk gemaakt en ze hebben veel macht, dat is zeker. Ik weet uit eigen ervaring ook dat als ik commentaar weiger in een of andere zaak, dat ik dan onmiddellijk aan de kant van de beschuldigde gezet word. Ik weiger vrij vaak commentaar, net omdat ik niet wel dat ze er te vroeg over schrijven en informatie geven die niet klopt. Maar ik weet, als ik niets zeg, dat ze dadelijk denken dat er iets aan de hand is. Dat ze zeggen van “oh, hij durft niets te zeggen, dus er moet wel iets niet pluis zijn”. En hup, de volgende dag lees ik dat dat in de krant. En ik lees dan ook dat ik er niets over wou zeggen. Dat is dan ook zo, maar het is op een suggestieve manier geschreven, gewoon al omdat er niet bij staat waarom.

 

De media zijn enorm belangrijk, ze kunnen veel te weeg brengen. Ze zijn massamedia die in theorie altijd ook een massa bereiken. Maar is dat dan geen mes dat aan twee kanten snijdt? Mensen gebruiken de media om zichzelf te promoten, om letterlijk in de kijker te staan. Het risico dat je dan loopt, is dat als je iets mispeutert, dat dat dan ook in het lang en het breed uitgesmeerd wordt. Ze kunnen je ophemelen, maar er is altijd een keerzijde aan die medaille. Kijk naar Frank Vandenbroucke. Hij bespeelt als geen ander de media als hij in vorm is en hij maakt er graag gebruik van, dat is waarschijnlijk ook de reden dat hij kan blijven koersen, omdat z’n kop bekend is. Maar vorige week zei hij dan weer in ‘Het Laatste Nieuws’ dat ze zijn naam altijd aan doping blijven linken en dat ze maar doen, die media.

CVA: Ja, Vandenbroucke is natuurlijk wel een geval apart. Maar de sporters van tegenwoordig weten maar al te goed wat ze aan de media hebben. Ze weten ook: hoe meer media-exposure, hoe hoger hun prijs stijgt. Ik vind eigenlijk dat sportbeoefenaars veel te veel met de media bezig zijn. Elke voetballer en wielrenner krijgt wel mediatraining, iedereen doet mee. Ik vind dat ze ook eens ‘nee’ moeten leren zeggen. Door altijd toe te geven en mee te werken, geef je ze ook veel macht.

 

Maar het is wel een manier om je brood te verdienen als sporter. Of tenminste om nog meer brood op de plank te krijgen.

CVA: Uiteraard, maar zo houdt iedereen iedereen wel bezig. Neem nu een rit in de Tour. De eerste uren gebeurt er niets, behalve dat er constant renners proberen te demarreren. Niet meteen om te winnen, maar om in beeld te komen, voor zichzelf en zeker voor de sponsor. Dus dan zitten wij in de zetel te kijken naar iemand die zich om commerciële redenen in de kijker rijdt. Je kan je soms afvragen waar het sportieve gebleven is. Het gaat eigenlijk vooral om de manier waarop vind ik. Van sommige media kan je niets anders verwachten, maar zelfs de VRT begint het belangrijk te vinden om uit te pakken met ‘sexy quotes’. Deontologisch stelt het allemaal niet meer veel voor, als zij daar ook al mee beginnen. En waarom eigenlijk?

 

U heeft het over de VRT. Vanuit bepaalde hoeken komt er ook nogal wat kritiek op de onafhankelijkheid van hun journalisten. Men maakte de bedenking dat Michel Wuyts, de vaste wielercommentator en woordacrobaat van de openbare omroep, voor de start van het wielerseizoen een aantal ploegvoorstellingen presenteert. En dat met de glimlach, in aanwezigheid van alls sponsors, ploegleiders, verzorgers en renners. Een aantal weken en maanden erna moet diezelfde Michel Wuyts als objectief journalist trachten kritisch zijn over die personen die hij daar heeft voorgesteld en over de ploegleiding, door wie hij betaald is om daar te komen presenteren.

CVA: Daar stoor ik mij dus enorm aan. En ik vind ook dat ze dat eigenlijk moeten verbieden. Net zoals met nieuwsjournalisten die buiten de uren debatten gaan leiden en daar goed voor betaald worden en in het geval van Bracke met het Vlaams Belang was het zeker een heikel punt. Ze hebben hem daarna daar ook over aangepakt hoor, ik denk ook dat het sindsdien niet meer mag, maar daar ben ik niet zeker van. (Journalisten kunnen buiten het kader van hun normale journalistieke opdracht en al dan niet bezoldigd, activiteiten uitoefenen zoals het modereren van debatten, het afnemen van interviews of het geven van lezingen. Voorwaarde is wel dat de journalisten daarbij hun onafhankelijkheid of die van hun redactie niet in het gedrang brengen. Dat zegt de Raad voor de Journalistiek in een advies dat op 23 juni 2005 is goedgekeurd.) Ze moeten dat gewoon doortrekken naar alle takken van de journalistiek. Hoe kunnen ze nu nog objectief zijn als ze betaald worden door degene die ze kritisch moeten bekijken? Maar ik snap het wel hoor, het is waarschijnlijk een mooie extra premie die ze krijgen. Het zijn zeer handige jongens, laat daar geen twijfel over bestaan. Ze hebben mij ook al vaak gevraagd om mee te gaan zitten in een volgwagen bij de ‘Ronde van Vlaanderen’. Veel ministers hebben dat al gedaan, maar ik heb dat elke keer geweigerd.

 

U bent toch geen journalist?

CVA: Nee, maar ik wil het risico niet lopen dat ik mijn recht van spreken daardoor moet inleveren. Ik vind, vanaf het moment dat je je daarmee bezighoudt, je niet meer onafhankelijk bent. Maar iedereen speelt daar gewoon mee.

 

Van Siegfried Bracke naar doping dan. U bent Directeur-Generaal van de gezondheidsinspectie. Gezondheidszorg is uw domein, wat is uw mening over doping eigenlijk?

CVA: Goh, dat is geen makkelijk vraag, hé. Voor mij mogen ze het volledig toelaten, maar dan moeten ze wel een aparte competitie oprichten, alleen voor die wat met doping rijden. Dan weet iedereen tenminste dat ook. Dan weet het publiek dat ze naar een circus aan het kijken zijn. Dus dat ze alles maar toelaten, maar die gebruiken moeten dan in aparte wedstrijden meerijden, in het circus (sarcastisch). Maar kijk gewoon al naar de Tour die pas afgelopen is, dat is toch niet voor mogelijk te houden wat die mannen drie weken lang moeten doen, dat ze daar eens wat aan doen.

 

Deze editie van de Ronde van Frankrijk was alweer de snelste aller tijden, terwijl je na de Festinatour van intussen al weer zeven jaar geleden zou denken dat het nu minder snel zou moeten gaan, omdat er meer controles zijn en ook minder gepakt wordt in het peloton. Of toch beweerd wordt.

CVA: Of er nu minder doping is dan toen, dat weet ik niet. Maar de snelheid mag je zeker niet zomaar toeschrijven aan doping. Er is nu beter materiaal en er zitten daar nu mannen tussen, die het hele jaar niets anders doen dan zich toeleggen op de Tour. Zeker de winnaar ervan toch. Maar wat het wielrennen betreft zijn er twee belangrijke dingen. Ten eerste is er de UCI, die kan ingrijpen op vlak van zware rittenkoersen. Overdreven inspanningen kunnen ervoor zorgen dat ze naar middelen gaan grijpen. Dat is de sportieve kant. Ten tweede wordt de koers op zich zo hard gemaakt, omdat het allemaal draait om publiciteit. Iedereen wil wel mee met die bepaalde vlucht die de hele namiddag in beeld komt. De sponsor en ploegleider staan er op dat ze in beeld komen, zeker als de ploeg nog niet veel gepresteerd heeft in de dagen of weken ervoor. Er is zeker een bepaalde druk van die kant, wat ook niet meer dan normaal is. De sponsor wil redenen zien waarom hij er geld in heeft gestoken en de werkgever vraagt prestaties aan zijn werkgever. Maar het zijn natuurlijk handige jongens, die renners. Ze weten ook wel precies wat mag en niet mag. Zo kan je toch ontkomen aan een straf nadat je bepaalde middelen hebt genomen. Je kan met een dokterspapiertje aantonen dat je dat bepaalde product wel mag nemen, omdat je bijvoorbeeld astma hebt. En twee jaar geleden zagen we dan in de Tour dat vijfentachtig procent van peloton plots astmalijder was.

 

Welke aandacht moet doping als fenomeen in de media krijgen?

CVA: Dat is nog het belangrijkste van allemaal, en dat wil ik benadrukken, wat is eigenlijk de maatschappelijke relevantie van doping? Allez, wat is nu het belang van doping in de sport voor onze samenleving? De kranten staan er vol van, de sportjournalistiek besteedt er meer dan genoeg aandacht aan. Maar hier (bij Gezondheidszorg) hebben wel meer te doen dat dan alleen. Zo is er de zelfmoordpreventie. Allez, vergelijk die twee nu eens met elkaar. Sporters die wel of geen doping pakken achterna hollen en het proberen te voorkomen dat mensen uit onze samenleving zichzelf van het leven beroven. Dat zijn twee van de dingen waar wij ons hier mee bezighouden, maar ze krijgen allebei helemaal niet dezelfde aandacht, hé. Ik kan u vertellen dat bij die dopingcontroles in de sport ongelooflijk veel werk komt kijken, terwijl ik vind dat er belangrijkere dingen te doen zijn. Het is een enorme administratie om al die dossiers te behandelen en bij te houden. Het kost zoveel geld, we moeten zoveel manschappen inzetten om gewoon al regelmatig die controles te kunnen doen, om dat allemaal te kunnen bolwerken en waarom eigenlijk? Wat is nu de echte maatschappelijke relavantie ervan, als je het vergelijkt met iets als zelfmoord en als je ziet hoeveel middelen naar het een gaan en hoeveel naar het ander. Komaan, hé zeg. Wat we moeten doen, is toch een bepaald evenwicht zien te vinden, want ik vind dat er veel te veel aandacht, geld en moeite naar doping gaat.

 

Maar die controles moeten toch gebeuren op een of andere manier, anders kunnen we inderdaad beter aparte competities oprichten en wie weet wat er gebeurt als elke renner carte blanche krijgt om te doen met zijn lichaam wat hij wil.

CVA: Natuurlijk moet er gecontroleerd worden, maar er moet een bepaald evenwicht gezocht en gevonden worden. En dan nog hé, die controles. Dat gebeurt niet alleen voor of na een wedstrijd, maar tegenwoordig mag dat ook buiten competitie. En dan gaat het niet alleen over de momenten dat ze aan het trainen zijn, hé. Dus stel u maar eens voor. Zo een renner gaat op zondag met vrouw en kinderen naar de bomma. En dan staan ze daar plots voor de deur. Allez, is er ergens nog sprake van privacy? Wat moet die bomma denken en vooral die kinderen? Die zitten dan daar allemaal mooi in besloten kring en daar staan dan plots twee controleurs aan te bellen. Of ze op hun vrije dag wat bloed en urine kunnen meegeven en liefst op dit moment. En weigeren gaat niet, want dat staat gelijk aan een positieve controle. Allez, komaan, dat is toch niet voor mogelijk te houden, die hebben niets privacy meer, hé.

 

Stel, die controleurs vinden iets en ook de tegenexpertise is positief, dus de renner is dan officieel betrapt. Maar de sportjournalist die er op moet springen, moet dan wel een sportieve, medische, chemische, farmaceutische, economische en gerechtelijke kenner zijn en in gevallen als Frank Vandenbroucke en wijlen Marco Pantani liefst ook nog wat kaas van psychologie en antropologie hebben gegeten. Hoe kan een journalist nog de hele waarheid schrijven en alles en correct weergeven? Die kan toch onmogelijk over al die facetten perfect op de hoogte zijn. Maar het moet de volgende dag wel in de krant staan.

CVA: Maar waarom moet dat dan al in de krant? Natuurlijk kan jij niet alles weten, dat is ook niet nodig. Om goed ingelicht te zijn, heeft hij zijn bronnen die daar wel veel van afweten. De journalist moet zich op de eerste plaats zelf laten informeren door betrouwbare bronnen en dan pas de mensen informeren. Ik weet dat er ook maar heel weinig in Vlaanderen zijn die van veel op de hoogte zijn. Bij ‘De Morgen’ hebben ze er wel eentje, Hans Vandeweghe. Dat is, iemand die daar echt heel veel over weet en vooral gezorgd heeft dat hij daar veel over weet. Een sporter wordt betrapt op, neem maar iets, clenbuterol. Wel, dan gaat die eerst wat zitten rondbellen om te weten wat dat precies is en wat dat doet met uw lichaam en dan weet hij dat ook weer. En dan kan die daar correct over schrijven.

 

Ik heb zelfs gehoord dat hij die dingen dan ook zelf gaat uittesten achteraf, maar misschien is dat ook maar een gerucht. En ik heb het ook nog niet gedubbelcheckt (lach). Om de cirkel van dit interview rond te maken: welke impact heeft uw persmededeling eigenlijk gehad?

CVA: (Zucht) Wel, ik weet dat een heel aantal websites die tekst hebben overgenomen en daar ben ik heel blij om. Van journalisten heb ik geen enkele reactie gekregen. In die mededeling heb ik eigenlijk gewoon gezegd wat ze al lang weten. Of toch zouden moeten weten. Wat ik vraag, is dat ze respect hebben voor de sportbeoefenaar en voor z’n privacy.

 

Ik ben benieuwd naar hun antwoord. Heel erg bedankt voor dit gesprek.

CVA: Graag gedaan en succes met je thesis!

 

 

Bijlage 3: Interview Jan Wauters, ex-sportjournalist

 

Ten huize Jan Wauters, Bornem, vrijdag 5 augustus 2005, 10u35.

 

Jan Wauters maakt al vanaf de eerste seconden zijn reputatie van taaldribbelaar waar, door me aan te manen ’ van wal te steken’.

 

Laten we beginnen met wie u bent, wat u bereikt heeft en wat u nu doet.

JW: Ik ben en ik was Jan Wauters. Vroeger actief in dienst van de radio, weliswaar afgestudeerd als germanist, maar altijd veel belangstelling gehad voor de actualiteit in het algemeen en de sport in het bijzonder. Actualiteit was voor mij ook politieke berichtgeving. Ik heb dan ook een jaar op de algemene redactie gewerkt bij de radio, nieuws en ‘Actueel’. En tegelijkertijd ook sport, ik was met een klein contract op de sportredactie terechtgekomen en dan via het algemeen examen, zoals dat vroeger heette in vaste dienst, was ik dan bij de BRT en kreeg ik dan al gauw de leiding van de sportredactie-radio, die uit hun amateuristische tijd kwam. Sportjournalistiek was in de kranten op dat moment nogal traditioneel en niet zo kritisch. Wel mensen die met veel liefde over hun sport schreven enzovoort. In die zin hebben wij op de sportredactie, in navolging van mensen die u niet meer kent, Maurice Dieudonné en Piet Thijs sportjournalistiek dus toch meer kritisch proberen te brengen, weliswaar met overgave, met veel gevoel voor de sport, maar ook met een wat kritische afstandelijkheid. Dat riep weerstanden op, zowel bij het medecollega’s in de media als het publiek en ook wel bij de sporters die dat, medio jaren ’70, niet zo gewoon waren. In die periode werd doping een topic. Er waren al dramatische gevallen geweest. Ik heb bijvoorbeeld zelf op de motor tijdens de Ronde van Frankrijk het geval Tom Simpson meegemaakt. Maar er waren al vroeger andere gevallen. In het lgemeen werd ervan uit gegaan dat renners zich niet met een biefstuk en weet ik veel wat op de fiets konden houden zo lang en was er dus al wat het gevoel van ‘er worden versterkende middelen gebruikt’.

 

We zullen dat nog even voor straks houden. Waarom bent u eigenlijk met sportjournalistiek begonnen?

JW: Dat heb ik al even aangehaald in die zin dat ik nog steeds aan de ene kant beschouwelijk van aard, filosoferend en redenerend ben, en dat vraagt tijd en afstand. Aan de andere kant ben ik zeer betrokken bij de actuele dingen. Ik luister nog altijd naar twintig nieuwsuitzendingen op de radio en op televisie en naar achtergrond. Ik was heel politiek getint als jonge gast, ik had dat meer dan mijn medeleerlingen op het college en zeker aan de universiteit. Taal en literatuur interesseerde me ook, vandaar de studie ‘Germaanse Talen’ met in het achterhoofd dat ik reporter zou worden. Naast die politieke algemene belangstelling voor actualiteit en achtergronden enerzijds en de taal en literatuur die me min of meer voorbestemd maakten om iets in de media te gaan doen anderzijds, was er die sportbelangstelling. In mijn jongensjaren, de jaren ’50, lag sport overal op straat in Vlaanderen. In cafés waren boogschuttergilden, biljartclubs enzovoort. Er werden loopwedstrijden en koersen georganiseerd. Mijn vader die een winkel had deed dat bijvoorbeeld. Als jongen mocht ik dan al eens aan de microfoon zitten en droomde ik van de Ronde van Frankrijk. Sport was iets wat ik zelf ook deed. Ik heb gevoetbald bij voetbalclub Boom en sport was dan ook een groot deel van mijn jongensleven. En toen kwamen de studies, journalistiek bestond niet, wat kon ik doen? Toen werd me aangeraden, toch in die periode, om hogere studies te gaan doen. Voordien kenden journalisten geen specifieke opleiding. Mensen maanden me aan om toch eerst hogere studies te doen. Ik leerde er vooral mijn beoordelingsvermogen oefenen: wat is belangrijk, wat niet? Wat vraagt nadere beschouwing, wat is detail? Hoofd- en bijzaak kunnen onderscheiden. Een breed perspectief kunnen zien, sport zit niet op een eiland, maar maakt deel uit van de maatschappij. Nu wordt dat algemeen zo aangenomen en gaan ook de betere kranten steeds meer over sport brengen. Men hypet nu de sport, maar dat was vroeger zeker niet het geval. Van intellectuele kant werd er eerder denigrerend gesproken over sport. Ik kwam onlangs een oud-professor van me tegen en die vroeg me hoe ik eigenlijk in de sport was ‘verzeild’ geraakt. Ik koos daarvoor, hoewel ik ook de aanleg had en de ambitie om op algemene journalistiek te werken, maar ik ondervond dan dat ik eens ik op de radio was ik meer vrijheid kreeg in die sportjournalistiek. Dat je niet zo werd gecontroleerd zoals toen de politiek en de algemene berichtgeving veel meer onder controle stond en de vrijheid om ook in je taal iets te doen en als je vergissingen maakte was dat misschien niet zo erg. Je kon die zelf rechtzetten. Je werd er minder op de vingers getikt. Je kon meer uitproberen. Samengevat: je kon meer creatief zijn. Ik heb zo dan die algemene journalistiek opgegeven op verzoek van mijn voorganger Piet Thijs en ik heb me dan volledig in die sportjournalistiek gelanceerd.

 

Je hebt altijd bij de VRT gewerkt. Er kwam onlangs wat kritiek dat u voor VT4 en Kanaal Twee had geanalyseerd tijdens de ‘Confederations Cup’. Volgens Humo was het vreemd dat Jan Wauters net ging werken voor de ooit door hem zo verguisde commerciële omroep. Is er volgens u nog een verschil tussen de commerciële zenders en de VRT?

JW: Door mij verguisd? Ik leef nu en ben gelegenheidsmedewerker. Na mijn actieve carrière leef ik op uitnodiging en als dat een uitnodiging is om wat mee commentaar te geven, als het is om van mijn diensten gebruik te maken, zie ik dat verschil ook niet zozeer. Ik zal trouwens niet de eerste zijn die beweert dat de VRT vaak commerciëler ageert en op de markt is. Dat onderscheid is voor een deel weggevallen. Ik werk ook niet full-time en ga me zeker niet verbinden aan VT4. Ik kies niet voor ‘de commerciële’.

 

Wanneer hebt u uw actieve carrière eigenlijk beëindigd?

JW: Ongeveer 5 jaar geleden. Mijn laatste wedstrijdverslag was de finale van Euro 2000 en dan heb ik bij gelegenheid nog her en der een beetje voortgedaan. En de Confederations Cup was, net zoals ik nu enkele keren te gast ben in het programma van Frank Raes op zondag, op uitnodiging.

 

Volgt u de sportactualiteit nog?

JW: Ik volg de actualiteit, ik kan dat niet laten. Trouwens, was dat een lezersbrief of van Humo zelf? (Het kaderde in de voetbalenquête van Humo, de opmerking kwam van sportjournalist Rudy Lanssens.)Ik had het nog niet gelezen. Rudy Lanssens werkt natuurlijk ook voor de commerciële omroep, hoewel ik hem wat minder zie de laatste tijd.

 

Wat is doping volgens u?

JW: Er is geen sluitende definitie natuurlijk, zoals van veel elementen en verschijnselen. Maar voor mij komt het erop neer dat doping het gebruik is van stimulerende, prestatiebevorderende middelen die oneerlijke concurrentie met zich meebrengen en tegelijk schadelijk zijn voor de gezondheid op korte of lange termijn. Daarnaast zijn er ook nog de maskerende producten.

 

Iedereen zegt eigenlijk wat anders of toch ongeveer hetzelfde. Er wordt ook wel gezegd dat doping datgene is wat op de lijst staat.

JW: Dat is een cliché geworden om dat zo te zeggen, maar uiteindelijk kun je daar terecht om ergens concreet te zijn. Maar die lijst is ook voor verandering vatbaar blijkbaar. Men interpreteert sommige dingen anders. Efedrineachtige stoffen waren vroeger echt verboden, nu niet echt meer. Er zijn verschuivingen mogelijk zoals ook in de moraal zelf. We mogen niet te streng zijn. Op die lijst staan die producten wel, maar als die deskundig gebruikt zijn en gewoon om een verkoudheid of wat dan ook te verhelpen, heb ik daar geen enkel bezwaar tegen. Een voorbeeld van vele jaren geleden, Labo Debacker- De Vleeschauwer in Gent deed de eerste proeven inzake dopingbestrijding, die nog maar wettig is van 1965. In ‘67 kwam ik bij hen voor een groot enquêteonderzoek. Hij gaf me het voorbeeld dat in Amsterdam op de wereldkampioenschappen er een paar gevallen waren waar efedrine was gebruikt, maar in zo’n geringe mate bv. tegen verkoudheid, verzweringen enzovoort. Daarentegen waren er ook enkele waarvan men dacht dat ze een heel flesje efedrine hadden uitgedronken. Dat is dan niet meer curerend, niet meer gezondheidsbevorderend maar prestatiebevorderend. Wanneer dat los komt van het gezondheidsaspect, dan moeten we ingrijpen. Ik ben tegen doping, ik vind ook de sport een ethische basis moet hebben, de fair play. Sport verschilt van spel omdat het ernstig moet worden genomen, in die zin dat het gaat om winnen of verliezen. Nu kan je zeggen dat het je niet interesseert of je wint of verliest, maar toch is dat de essentie van sport. Het gaat om het winnen. En gelijkspel is als het ware maar een schijnoplossing. Als dat proces kunstmatig wordt beïnvloed door scheidsrechterlijke beslissingen, door omkoperij, door dopinggebruik, dan ben je de sport aan het verkrachten. En ook al vinden sommige mensen sport onnuttig, wat stelt het immers voor, net zoals sommigen kunst onzinnig vinden, maar toch is het belangrijk. Op een andere manier is ook sport in die zin belangrijk dat het, voor mij persoonlijk dan, een soort metafoor is. Je kunt al je lichamelijke en geestelijke krachten erop instellen en ermee winnen of verliezen. Dat is eigenlijk wat in het leven van ons verwacht wordt. Nu ja, ik zal niet zeggen ‘verwacht wordt’, maar wat is de zin van het leven? We willen het beste uit onszelf halen voor onszelf en voor anderen. In de sport is dat gratuit. Als je daar dan doping gebruikt, speel je eigenlijk vals.Dat is eigenlijk meer de definitie van doping dan datgene wat op de lijst staat. Ik weet wel dat dat hetgene is waar je het mee kan doen, maar de moraal van de sporters is vaak geweest: je kunt pakken zolang je niet gepakt wordt.

 

Het was Willy Voet die zei: “geen positieve controle is geen doping”.

JW: Dat is de banale, clichématige manier. Het is de moraal ook waar ik me altijd tegen heb verzet. Het is een triviale manier van uitleggen. Je hoort te weten als volwassen sporter met het milieu waarin je verkeert en de mogelijkheden om dat te checken via begeleiders, via je dokter, via je trainer en als zelf volwassen sporter weet je dat er een lijst bestaat die je kan helpen, maar waar je zeker niet aan moet komen.

 

Er zijn al heel veel debatten over geweest, al 35 jaar. Er is nu zelfs een website opgericht, ‘www. dopinglijn.be’, met als leuze ‘wie sport moet weten waar de lijn ligt’, maar zelfs de instanties weten niet waar de lijn ligt. Cannabis staat bijvoorbeeld op de lijst, terwijl dat onmogelijk prestatiebevorderend kan zijn. Er staan middelen op die niet op de WADA-lijst staan.

JW: Men is wel aan het proberen om één eenvormige lijst te creëren, maar zelfs de meest sluitende definitie van doping, de meest sluitende lijst laat toch nog altijd interpretatie toe. Dat is met abortus, met euthanasie, met alle dingen die op de rand komen zo. Ik kan me bijvoorbeeld voorstellen dat cannabis op de lijst staat omdat het een kalmerend effect kan hebben in bepaalde sporten. Betablokkers destijds bij het boogschieten, dat je dus op een manier wordt van buitenaf zodanig wordt geprepareerd dat de stress onderdrukt wordt. Zo zijn er ook producten op de lijst die op zich geen doping zijn, maar wel het gebruik van bepaalde middelen kunnen maskeren. Dat zal altijd voor interpretatie min of meer vatbaar blijven. In die zin is er een grijze marge, zowel voor de beoefenaars en ook voor diegenen die moeten oordelen en beoordelen. Er is niet één strikte lijn. Diegene die altijd gelooft dat de lijst strikt is, is gauw geneigd fundamentalistisch te oordelen, wat ik bestrijd. Maar als je niet fundamentalistisch wil oordelen, dan kom je wel eens met jezelf in tegenstrijd. Het is een beetje zoals het probleem van de rechter. Een rechter moet ook oordelen over goed en kwaad, vrijspraak of niet. Op een bepaald moment is dat, wanneer gevallen op mekaar lijken, ook een dubbeltje op zijn kant. Waarom werd daar een straf van 5 jaar en daar dan weer één van 3 jaar gegeven? Hetzelfde met de lijst. Het is wel erg makkelijk en fundamentalistisch te stellen dat wanneer je gepakt wordt met iets van op de lijst, je carrière is afgelopen. Als het niet op de lijst, dan niet.

 

Dit vormt dan natuurlijk een probleem voor journalisten, iets waar we straks zeker op terugkomen. Wat is eigenlijk nieuws voor u? Wanneer is iets ‘nieuws’?

JW: Dat hangt af van het beoordelingsvermogen. Heel belangrijk voor een journalist is dat dat goed gevormd wordt en men is nu gauw geneigd om mensen zonder opleiding, zonder veel zelfkennis en ervaring journalistiek te laten doen. Het is waar dat journalistiek vaak oppervlakkig is. Enkel de echte onderzoeksjournalistiek, die niet vaak wordt beoefend omdat ze lastig en duur is, gaat dieper en achter de dingen. Alle andere journalistiek wordt beoefend aan de oppervlakte, alles wat zichtbaar is. Men is wel alerter dan vroeger, wat een ontwikkeling is in de journalistiek in het algemeen. Men is sneller bij hét nieuws, maar nieuws blijkt soms geen nieuws te zijn. De fout die men nu maakt is dat men te snel is, wat enerzijds natuurlijk beter is, want men laat minder liggen dan vroeger. Alles is versneld. In het begin van mijn carrière was er een minder geavanceerde technologie. Bovendien was er toen nog geen concurrentie en dat brengt mee dat men steeds meer op alles en nog wat gericht is en denkt ‘het is nieuws’ en het dan ook maar aanbrengt als nieuws, terwijl het vaak een controle verdient die het niet krijgt. Je moet dus constant genoeg zijn in jezelf en op je redactie en de toets onder mekaar ook hebben. Nieuws wordt het als je denkt dat het een feit wordt volgens de logica. Als het voordien nog niet bestond en je hebt nu de zekerheid of de waarschijnlijkheid dat het bestaat en in de goede vormgeving aangeeft dat er nog twijfel is, dan heb je nieuws.

 

Je hebt een journaal van een bepaald aantal minuten. Er kan een bepaalde hoeveelheid binnen -en buitenlands nieuws in, een bepaalde dosis sport, een item doping in de sportberichtgeving. Wat is de maatschappelijke relevantie van sport in nieuws en doping in sport in nieuws?

JW: Dat zijn natuurlijk enorme vragen en grote vragen. Maar dat verandert, hé. Sport werd vroeger zeer volks beoefend, misschien wel meer en op een natuurlijkere manier dan nu, minder in clubverband enzovoort. Wij deden aan sport zonder dat we dat beseften: wij liepen naar school, onderweg durfden we wel eens in de beek springen. Wij leerden dat allemaal, wij konden dat allemaal, iedereen voetbalde mee, we gingen fietsen enzovoort, maar de samenleving beschouwde sport niet als nieuws. In mijn beginjaren op de radio was sport nog niet zo belangrijk en als het niet zo belangrijk was, dan werd het ook niet gevaarlijk geacht. We konden dus onze zin een beetje doen, veel meer dan op de algemene redactie. Sport heeft een lange tijd het odium gehad van voor de volksmens te zijn. Er was natuurlijk tennis dat wat meer afgezonderd was, dat was voor de mondaine wereld. Zo is sport steeds belangrijker geworden, mede door het geld, mede door de commerciële input. Het is natuurlijk ook zo dat niets gelijk blijft. De sport als element in de samenleving is men belangrijker gaan achten. Men heeft gezien hoeveel mensen er eigenlijk belangstelling voor hadden en hoeveel commerciële waarde dat had. Door de televisieuitzendingen die de sport overal in huis hebben gebracht, met alle mogelijke technologische ontwikkelingen, is er een wereld van verschil met dertig jaar geleden. Ik heb ritten van de Ronde van Frankrijk zitten bekijken, en wat je allemaal ziet vooraan en achteraan in het peloton, drie motoren tussen ontsnappingen en dan blijkt sport inderdaad een ‘appèl’ op ons te doen. De maatschappij is vatbaar voor de sensatie van de sport maar ook voor de emoties. Sport is hartveroverend. Het emotionele kreeg vroeger geen kans, dat was voor de kermis en de café’s, het gewone volk dus. Nu krijg je op televisie ook steeds meer programma’s waar je je hart kan uitstorten en sport heeft op zichzelf ook een zeer emotionele factor, door de spanning, door de werveling.

 

Soms merk je wel dat een nieuwe transfer in het nieuws net na een bomaanslag komt. Hoe valt dat te verklaren?

JW: Dat botst inderdaad soms. Sport komt soms voor. Men weet dat sport belangstelling wekt en men plaatst het dus vaak onterecht voor andere nieuwsitems om volkser te berichten. Laten we zeggen, om niet meer op eigen oordeel af te gaan maar op het oordeel van de kijkcijfers en de concurrentie. Men gaat dus met commerciële en concurrentiële criteria werken en blijkt de sport een vehikel te zijn om emotioneel te scoren. Ik vind dat er een overhyping van sport in het nieuws is, ook van en door de sportjournalistiek. Mensen raken het zicht kwijt, men wil scoren met sport.

 

Vorig jaar was het Belgisch voetbal 15 miljoen euro waard, dit jaar zijn dat er 36 miljoen.

JW: De grote commerciële spelers hebben zich gemoeid. Er woedt nu in het voetbal een concurrentiestrijd tussen Belgacom en Telenet. Die waren er 15 jaar geleden niet eens, maar ze zien nu het digitale tijdperk aankomen en willen vooral niet achterop lopen. Voetbal is blijkbaar de bal die is gegrepen door Belgacom, die er niet klaar voor zijn en onvoldoende mensen en middelen hebben, voorlopig… maar die er beslag op hebben gelegd uit vrees dat anders Telenet er mee weg was. Er komen allerlei niet journalistieke elementen in de plaats van de waardebeoordeling. Een waardebeoordeling blijft echter ook altijd afhankelijk van de geest van de tijd. Bepaalde waarden zijn nu anders. Ook in de ethiek, in welke gemeenschap ook is er een wijziging van leefregels. Het is nodig te veranderen van inzicht en aanvoelen, de maatschappelijke context telt dus mee, maar je kan wel stellen dat er bepaalde waarden zijn bij volwassen journalisten zwaarder zouden moeten doorwegen, bomaanslagen, terreur, politieke beslissingen. Politieke verschuivingen zijn veel belangrijker voor onze manier van samenleven dan de sport maar de sport neemt wel een emotionele plaats in. Er wordt van de sport gebruik en misbruik gemaakt en ik kom terug op een definitie die ik ooit eens gegeven heb dertig jaar geleden, maar sport gedraagt zich vaak als een hoer, laat zich gebruiken. Wie geeft ons geld, wat krijgen we ervoor. Het is enkel omdat een hoer ook aantrekkelijk kan zijn dat er geld wordt aan uitgegeven.

 

Hoe zwaar weegt de deontologische code nog door op een redactie?

JW: Ik ben nu vijf jaar weg, maar weet zelf hoe moeilijk het is om vast te houden aan je eigen lijn. Ik was bijvoorbeeld streng, maar ook streng voor mezelf. Ondanks die uiterlijke zekerheid, was ik ook twijfelend aan mezelf, want dat moet je altijd blijven. Ik was een dissident van mijn eigen systeem. Ik dacht vaak: “Het is zo, maar is het wel zo?” Ook al heb je een uitstekende waardebeoordeling en kende je een prima opleiding, toch denk je achteraf steeds na over wat en hoe je iets hebt ingeschat. Iets kan doorheen de jaren ineens erg onbelangrijk blijken. Met de Vlaamse strijd, verschillen tussen Wallonië en Vlaanderen, wordt nu anders omgegaan dan dertig jaar geleden. Toen moesten Vlamingen nog steeds leven onder een soort Franstalige superioriteit, dat heb ik zelf ervaren. Hoe dan ook is die Vlaamse strijd, die ontvoogding, nu anders namelijk zo goed als voltooid. Je ziet zelfs blijk van eigen superioriteit nu, dus dat is allemaal veranderd. Dat is in de sport ook zo, de opkomst van de loges bijvoorbeeld. Maar het voordeel is dat dat ook een zekere opstoot aan de sport heeft gegeven om te professionaliseren, om betere uitrusting te krijgen. Zonder die extra’s van de extrasportieven, hoe banaal en op eigen belang gericht vaak ook, kon de sport zich waarschijnlijk niet zo goed ontwikkeld hebben. Commerciëlen hebben echter vaak enkel als doel winst te maken en daar verzet ik me dan tegen als dat absoluut voorrang heeft op al de rest. Maar de rigide staatsomroep, de BRT van vroeger, is nu ook een veel soepelere vereniging van algemene rechten, die ook commerciële trucs gebruikt en een soort passie voor commercialisatie heeft doorgevoerd. In die zin groeit dat naar mekaar en zo zijn er in die extrasportieve inmenging elementen die meer mogelijkheden geven om je medium te verrijken, om beter in te spelen op de toestanden in de sport enzovoort.

 

Er was wat commotie rond Michel Wuyts, vooral door andere sportjournalisten. Voor het wielerseizoen ging hij bijvoorbeeld de voorstellingen doen van bepaalde wielerploegen. Kritiek kwam dan ook van collega’s of hij nog wel objectief kan blijven als hij betaald werd door de sponsors.

JW: In de eerste plaats, is de vraag of hij zelf beide facetten gescheiden kan houden. Ik zou het daar moeilijk mee hebben, maar dat moet hij zelf uitmaken. In het algemeen is er een soort toenadering, om het woord ‘osmose’ niet te gebruiken, tussen de sportbeoefenaars en de sportverslaggevers. Dat is door de commercialisering in de hand gewerkt, ze hebben mekaar nodig. Ik heb al wel eens gesproken over de zogenaamde gouden driehoek: sport, commercie en televisie. Vooral in die driehoek trekt men met mekaar op en je merkt ook dat in die driehoek een andere algemene sfeer is dan toen wij, in de jaren zeventig, vanuit het amateurisme volwaardige, onafhankelijke sportjournalistiek probeerden na te streven. Dat klimaat is veranderd. Het onderscheid tussen VRT en commerciële zenders is veel kleiner geworden. Het onderscheid tussen de onafhankelijke journalistiek, de sportbeoefenaars en het sportkader is bij mekaar gekomen. Maar toch moet ik ook toegeven, ter verontschuldiging van Wuyts en zo, dat sportjournalisten kritisch blijven, op de tenen blijven trappen. Er wordt in het voetbal vaak lof gestrooid, maar men is ook kritisch. En dan vinden de sporters dat de pers hen te grazen neemt. Dus aan de ene kant is de journalist hun maatje, maar aan de andere kant kan hij hen ook op de tenen trappen. Er is eigenlijke een grote samenhorigheid binnen die ‘club’, join the club, maar toch is er ook een verschillende benadering. Sporters voelen zich hierdoor vaak verraden. Het is in ieder geval een verraderlijk pad.

 

Het is het systeem van maken en kraken. Sporters worden vaak groot door de media, maar kunnen er eveneens door gekraakt worden als er iets fout loopt. Ze verdienen immers hun loon door op televisie te komen.

JW: Je mag het ook niet te banaal zijn, maar het is waar dat de televisie zich daartoe leent. Televisie dient er echter niet voor. Dat beseft men wel voor een deel en soms pakt men dan wel eens iemand terug. Men probeert wel eens in het gevlei te komen, en je hebt dat niet altijd door. Maar wie gebruikt nu wie, kan je je dan afvragen. Of je hebt het wel door omdat het mensen zijn uit het milieu die je goed kent, en dan heb je het moeilijk om daar afstand van te doen. Ik verzet me nog steeds tegen het feit dat je zelf de vedette wil zijn., hoewel er zo ook zijn. Sportjournalisten die daardoor aangestoken zijn en meer gericht zijn op eigen ijdelheid en entertainment. Sport en sportjournalistiek is echter geen show, zeg ik dan. Sport heeft een eigenheid en is een spel dat je serieus moet nemen. Hoe onbelangrijk op zichzelf ook, dat een bal over een lijn gaat, of een wiel dat over een witgekalkte streep rolt, maar dat men zich daar voor geeft en dat men onderling en met zichzelf in concurrentie gaat, is een menselijke activiteit die ten diepste des mensen is. Zich te willen meten, wie is de beste van ons, is een manier van hoe de mens zich uitdrukt. Dat brengt daarvoor de maatschappij niet dichter bij mekaar, maar het wezen is zichzelf kunnen meten met de anderen en zichzelf. Er zit inderdaad entertainment in vanwege de emotie. Er zijn natuurlijk de technologische en lichamelijke ontwikkelingen. Maar als de media daar telkens meedoen, creëer je mensen als Cipollini, die boven zich uitgroeien door de media. Dat stoort me eerder af dan dat het me aantrekt.

Ik vind dat mensen zich ervan bewust moeten zijn dat sport een entertainmentfactor heeft, maar die factor kan en mag niet overheersen. Ik ga verder, die mag zelfs de sport niet in de weg staan en dat gebeurt soms. Criteriums na de Ronde van Frankrijk is eigenlijk het publiek iets wijsmaken, maar het publiek wil soms ook iets wijs gemaakt worden. Het publiek houdt ook van show in de sport. Er zijn dus ook reporters die zich meer als entertainer gedragen en daarvan genieten en daarvan bestaan.

 

Eddy Merckx zei in Humo: “De journalisten van toen, die kenden hun vak nog. Tegenwoordig mag de eerste de beste pipo over het wielrennen schrijven, maar in die jaren was dat nog een serieuze zaak, sportverslaggever zijn.”

JW: Sportjournalistiek bestond vroeger uit mensen die voortkwamen uit het vak en uit het volk. Aanvankelijk kende men niet al te veel opleiding, maar wel veel passie en belangstelling, een soort verwevenheid op sportgebied. De betrokkenheid was veel groter en dat leverde veel voorkennis op. De generatie voor mij kwam uit de sport zelf. Toen kwam er een generatie die ik mee heb helpen uitdragen, de generatie die Merckx gekend heeft, die dol was op de sport. Sport was overal, je droeg dat mee en je had er een soort opgeslagen, inwendige kennis van. Meer dan de vorige generatie werd er een soort journalistieke bekwaamheid aan gekoppeld. Verbaliteit, kritische afstandelijkheid, beoordelingsvermogen, taal en zo was er in de eerste generaties nog niet. Zo zijn er nu ook nog journalisten, een Hans Vandeweghe bijvoorbeeld, die echt de sport willen onderzoeken, willen kennen en toch met kennis van zaken. Je ziet steeds meer mensen aangelokt door het medium televisie. Er is een soort ‘verjongingscult’, niet alleen in de journalistiek, maar ook in de politiek. Overal zie je dat ouderen worden weggehouden. En jongeren zijn prima, maar ze moeten opgeleid worden en daar is tijd voor nodig. Er is vaak geen tijd, de sfeer van nu is: niet wachten. Dus jongeren met minder opleiding en minder sportervaring komen sneller aan de bak, die de zweetgeur niet kennen. Ik vind dat je zelf gesport moet hebben. Je kan toch ook geen muziekcriticus zijn als je zelf nooit muziek hebt gespeeld of noten hebt geleerd. Je hoeft geen topper te zijn, maar je moet op de een of andere manier de zweetgeur, de kleedkamer opgeslagen hebben in jezelf. Anders sta je vaak toch vreemd te kijken en is er de kans dat je de bal toch mis slaat. Ik vind de drive om het werk goed te doen echter even belangrijk, gepaard met de opleiding, het beoordelings- en taalvermogen. Journalisten van tegenwoordig zijn zeer snel bij de zaak en doen alles, maar zijn ook veel oppervlakkiger. Ze zien iets, ruiken er eens aan en vragen zich af: “Is dit stront, is dit geen stront?”. Staat vandaag dat in Het Nieuwsblad, dan probeert men het daags nadien nog bruiner te bakken in een andere krant. Er zijn nog mensen als Jacques Sys, Vandeweghe, Colin, die dan wat te serieus de oudere waarden willen verdedigen en dan schieten ze misschien ook wel eens hun doel voorbij. Je moet kritisch zijn, maar je moet het ook kunnen verpakken, rekening houden met het publiek bijvoorbeeld zonder tekort te doen aan andere. De meest intellectuele, wantrouwige mens moet me kunnen volgen, maar ook de meest naiëve volksmens wil ik kunnen bereiken. Daarom moet je niet wijzigen in de inhoud, maar wel in de vorm. Je moet niet altijd hoogdravend willen zijn. Je moet ook zien dat je niet verzuurt in het vak.

 

De enige kritiek van Herman Van Pelt op u was dat hij vond dat u te kritisch was, te veel uit de rand, linksheid wordt een soort heilige plicht, te veel openbaarheid en bekrompenheid.

JW: In die tijd was de politiek ook erg betrokken. Men noemde dat inderdaad een soort linksheid, waar ik zelf nooit in geloofd heb. Ik zie het eerder in de marge daarvan allemaal met mijn eigen intellectueel en algemeen beschouwelijk gevormde opinie. Tegelijkertijd was er een manier die je leert, dat je jezelf naar de mond leert grijpen. Je weet dat je schrijfstijl en je denkstijl soepeler verwoord worden. Aan de ene kant is er die algemene vorming en die intellectuele eigenschappen, maar aan de andere kant had je ook dat je op de duur een meester wordt in het hanteren van een creatieve mondelinge taal die ook aantrekkelijk moet zijn voor het gewone volk. Reportages hadden evenveel aantrekkingskracht voor de gewone man. Het was wel een soort balans die ik bij mezelf betrachtte om dat los te maken, met woorden te schilderen en mensen iets mee te geven. Er waren zelfs vrouwen die luisterden, niet omwille van de inhoud, maar omwille van de taal, omdat het goed gebracht was. Ik kon echter bij alles betrokken blijven. In een wedstrijdverslag met tientallen uitroeptekens, waren er altijd ook wel enkele vraagtekens. De combinatie van het vraagteken, het intellectuele en het veroverende van de sport ging voor mij goed samen.

 

In welke mate moet je dan aan het publiek blijven denken?

JW: Je denkt daar niet vooraf aan, maar je weet dat. Je moet feeling hebben, je moet niet op je knieën gaan zitten en zeker niet flauw worden. Ook al was ik los, nooit verkocht ik flauwekul. Van alliteraties herhalen, flauwe woordspelingen enzovoort heb ik wel last van gehad, maar probeerde ik te vermijden. Aan de ene kant heb je het plezante, aan de andere kant het beschouwelijke, maar je moet die twee uitersten wat proberen te vermijden. Je moet je eigen ‘personality’ zo kneden. Je moet een artikel spannend kunnen maken, maar je moet het ook ontspannend kunnen brengen. Ik was vaak heel gelukkig met het resultaat, kreeg veel waardering, maar als ik zelf ook wist dat die balans goed zat. Tussen de kracht en de souplesse van de geest.

 

Is er nu niet veel meer sprake van consumptiejournalistiek?

JW: Het verschil is dat wij vroeger vrij waren. We zaten in een beperkte groep waar we soms moesten voor vechten om die in stand te houden, maar we werden zelden tot nooit van bovenaf gedelegeerd. Nu nog zegt men ergens van bovenaf dat alles verbreed moet worden. Dit jaar vond ik bijvoorbeeld het Tourjournaal weer beter dan enkele jaren geleden tijdens het WK voetbal toen er enkele plezanteriken samen zaten. Er is nu nog steeds een jacht naar sensatie, naar scoren, die tot verbreding en dus ook tot verplatting leiden. Er zijn gelukkig ook tendensen die daartegen in gaan, type Frank Raes. Het wordt van bovenaf meer geregeerd, met als belangrijkste doel, dat wat jij wil horen: scoren.

 

Misschien tijd om over te schakelen naar het laatste topic: de vermenging tussen doping en sportjournalistiek. Iets wat vaak terugkomt als vernieuwing door Jan Wauters is de ‘confrontatiejournalistiek’.

JW: De waardering kwam ook vaak door mijn meeleven, het openstaan voor de sport, het als medium te kunnen doorgeven. Het ongelooflijk frappante is ook dat mensen zich laten kennen in de sport. Zet mensen in een tribune of op een sportterrein en het worden heel andere mensen. In een tribune komt het slechtste boven in mensen of het nu arbeiders of advocaten zijn. Je ziet brave huismoeders die de scheidsrechter het ergste verwijten. Zo ook op het veld. Jan Ceulemans was naast het veld maar een slome kerel en op het veld tovert hij creatieve bewegingen, had hij overzicht en een soort valse traagheid. Hij werd een ander figuur als hij op het veld stond. Dat is ook één van de redenen waarom ik altijd in de sportjournalistiek gebleven ben, goed willen kijken en observeren en mezelf en anderen willen beoordelen. Dat is de diepste journalistiek die eventueel nog kan uitgediept worden als je dieper graaft, maar dan moet je de oppervlakte laten schieten. Die oppervlakte is zo tastbaar, maar er zijn nog meer mensen en middelen nodig om daarop in te spelen. Het medium radio liet dat ook niet toe.

 

Tegenwoordig zijn er wel journalisten die kritisch zijn of proberen te zijn, maar het moet ook steeds sneller gaan. Als een gerucht gepubliceerd wordt en waar blijkt te zijn, is het onderzoeksjournalistiek. Is het niet waar, gaat het om riooljournalistiek.

JW: De journalistiek en de omgeving doen aan van die zware tegenstellingen, er ligt echter veel meer tussen riooljournalistiek en kritische journalistiek. Je mag het niet zien in de zin van dat ze allemaal in vuinisbakken gaan snuffelen.

 

Waar ligt de grens dan?

JW: De grens wordt bepaald door beide partijen, hoever gaan de betrokkenen met de manier van gebruiken, ontwijken en ontduiken. Wanneer is het ontwijken, wanneer ontduiken? Wat durven ze? Durven ze producten gebruiken tot het allerlaatste moment om ze dan toch maar weg te gooien in een pamper? Op den duur moet men dan wel gaan zoeken. Het is flikken of geflikt worden. Er is iets heel triviaals in de sport. Naast alle glorie en alle hartveroverende dingen gaat het ook om geld verdienen, rijk worden, hard zijn voor mekaar, bedriegen. Eigenlijk heeft topsport een element van schelmachtigheid in zich, op alle mogelijke manieren proberen de beste te zijn. Dat is zeer des mensen, maar er is ergens een grens die ik zelf niet wil trekken. Soms gaat men eroverheen vanwege de sporters, soms vanwege het onderzoek. Als sporters zover gaan dat ze vlak voor een controle aspirinewater gaan slikken, dan zal ook die controle wel eens doorslaan naar de andere kant en komt men tenslotte in de vuilnisbak terecht. Ik wou dat het niet waar was, maar het is nu zo.

 

Stef Wijnants zei in ‘De Zevende Dag’ dat Peter Van Santvliet en nog twee renners betrapt waren op doping. Twee dagen later kwam het nieuws dat er niets van aan was en dat hij geblunderd zou hebben. Maar intussen zijn de namen van die renners wel besmeurd en plakt er een link aan hun lijf vast. Vanaf welk moment mag een gerucht in het nieuws?

JW: Eerst moet een gerucht natuurlijk worden nagetrokken bij de betrokkenen. Je kan ook een valse bron hebben. Je moet daar omzichtig mee omgaan en dat gebeurt ook in kleinere dingen makkelijker dan vroeger, vanwege de concurrentie en de snelheid van uitvoering. Op zichzelf moet je er dus beducht voor zijn. Aan de andere kant is er natuurlijk het gegeven iets te hebben, een primeur te hebben. Dat is niet het gevolg van onderzoeksjournalistiek. Men doet een zeker onderzoek, oppervlakkig, en te oppervlakkig soms. Wat je dan te weinig ziet, en dat is één van mijn kritieken op de huidige sportjournalistiek, dat is dat mijn zelden geneigd is zichzelf te blameren en zichzelf te verontschuldigen. Zelfs met de voorspellingen, zoals Hans De Clerq zegt dan “zoals ik dus gezegd heb”, maar eigenlijk had hij het tegenovergestelde gezegd. Bijvoorbeeld over die Wim Van Huffel zijn top 15 tijdens de Giro zei hij iets totaal anders de dag erna, er heerst een grote vergetelheid. In de sportjournalistiek is er toch nog een soort vrijwillige vergeetachtigheid. Men komt er zelden op terug, terwijl dat net moet. De echt kritische sportjournalistiek moet ook kritisch zijn op zichzelf. Dat gebeurt te weinig. Ik zeg niet dat ik dat altijd gedaan heb, maar het was alleszins de bedoeling, want dan ben je pas geloofwaardig. Je moet je durven excuseren en je moet ook proberen te vermijden dat je je moet excuseren. Soms zijn het details die het verschil maken. Sport is vaak een soort metafoor van wat in het leven gebeurt en zichzelf uittest. Het zichzelf uittesten, anderen van de weg rijden, anderen bedriegen, jezelf in het ootje nemen, al die dingen gebeuren ongelooflijk op een, mag ik het nog één keer zeggen, verhevigde manier. En soms heb je ook vaak de verhevigde weergave van de reporter: ‘Alleluja’ of de doodsklokken luiden. Je moet zien dat dat niet altijd zo van de ene op de andere dag verschilt. Je moet er een soort balans in vinden. Voetballer De Mul een jaar geleden was vier keer ingevallen bij Ajax en moest dan ineens internationaal worden. Geen enkele kritische sportjournalist die ik ken, komt daar nu op terug, ook al was het wel erg voorbarig. Je moet niet te gauw de klokken van Rome luiden en daarna de doodsklokken.

 

Wat vindt u hiervan? (Ik haal de DENG naar boven en toon de cover waarop Lance Armstrong te zien, met een doodshoofd, de tekst ‘het geheim van Lance Armstrong’ bovenaan en, ‘de groeimarkt van de hormonenmaffia’ op zijn truitje.)

JW: Dat had ik nog niet gezien.

 

In het artikel staat dat Armstrong er mee verantwoordelijk voor is dat er nu nog meer hielenlikkers dan vroeger zijn en minder kritische geesten, een drama voor de sport.

JW: Er is inderdaad een soort nieuwe revue-achtige journalistiek, waar bewijzen niet echt nodig meer zijn. Ik vind wel dat het kan, alleen zo suggestief, men schaamt zich nergens meer voor.

 

Ik lees dit artikel nu, maar er zijn heel wat mensen die enkel de krantenwinkel voorbijlopen en dan zien ‘Bedrog van Armstrong’ en die afbeelding.

JW: Dit hier: “Ook al vallen er in deze Tour vijftien doden, toch zal alles bij het oude blijven”, is je reinste onzin.

 

Wie heeft er uiteindelijk belang bij dat iemand gepakt wordt? Dat is ook een vraag die daarin gesteld wordt. Niemand toch?

JW: Dat denk ik niet. Hun imago wordt toch besmeurd. Ze willen dat dan toch wat reinigen, ook om effectief geloofwaardiger over te komen. Ik denk niet dat ze niet alles zouden doen om dat te vermijden.

 

Louis De Pelsmaeker zei dat de sportjournalistiek ten dode is opgeschreven, zoveel commercieel overwicht. Wat denkt u daarvan?

JW: Ik hoed me voor dat soort definitieve uitspraken. Men is uit een amateuristische, zeer betrokken journalistiek gekomen via een uitbraak mei ’68. Er kwamen meer journalisten, die toch een opleiding en taal-en denkvermogen hadden om er iets meer mee te doen dan de vroege generatie. Daaruit is dan weer door de professionalisering en commercialisering een topsportkader ontstaan met ook een ander soort berichtgeving, met meer entertainment en behagen van het publiek. Misschien is dit wel een soort pendelbeweging, misschien gaat dat wel eens te ver. Ik kan me niet voorstellen dat journalistiek en sportjournalistiek en onderzoeksjournalistiek helemaal gaan verdwijnen. Het kan enkel dat het meer naar de marge zal worden verdreven.

 

Omerta, is dat er nog? En heeft u daar ooit mee te maken gehad?

JW: ‘Omerta’, pff, dat zijn zo van die verwoordingen…

 

Anders dan. Dingen die de mensen niet mogen weten, censuur.

JW: Ik heb me nooit vrijwillig ingehouden voor iets, of gedacht “dat mag het publiek niet weten”. Sportjournalisten weten vaak minder dan ze willen suggereren. Het tegendeel van wat men in het algemeen gelooft, wij wisten niet zoveel. Ik heb een paar keer het geluk gehad dat ik via Martin Vandenbossche, een dorpsgenoot van mij, ploeggenoot van Eddy Merckx, een paar jaar tijdens de Giro op de kamer mocht en die verhalen bracht ik dan ook uit. Ik heb confrontaties met Merckx en zijn manager gehad. Dan nog besefte ik hoe weinig ik echt wist. Nu ook in heel het geval Armstrong, wat weten we daar nu echt van? Ik vind alleen, en dat veegt veel weg voor mij, iemand die zich zo kan, eventueel met middelen, maar vooral met zijn ongelooflijke geesteskracht. Ik vind sowieso dat topsport wordt gedomineerd door de geest, niet door het lichaam. Zet het hoofd van Baguet op Armstrong en je krijgt geen toprenner, omgekeerd wel, tenzij wat te hoog vetpercentage. Armstrongs kop zegt alles. Die man heeft zich een leefstijl opgelegd, een bepaald trainingsritme, de manier waarop hij een persconferentie aanpakt, hij heeft zichzelf gemaakt tot kampioen. Het respect dat ik daarvoor heb, weegt momenteel niet op tegen de beschuldigingen. Men zal met feiten moeten komen om de geesteskracht van Armstrong in het niets te laten verdwijnen. Hij heeft ook fouten gemaakt, net zoals Hinault en Merckx. Maar de kracht die ze gebruikt hebben om zichzelf beter te maken, zichzelf zo goed te maken, vind ik geweldig. Daar raak ik niet op uitgekeken, alle grote kampioenen hebbend dat gehad, Coppi, Van Looy. Vandenbroucke zie je met wit haar, rood haar. Zie je Armstrong? Zie je, daar gaat het om, hé, zeggen dat het deze jaren enkel om topsport draait en niets anders. Ik hou van het onverbiddelijke van topsport en je eraan kwetsen. Voor die kwetsuren bestaan zalven, misschien ongeoorloofde. Je kwetst jezelf en je kwetst anderen in topsport. Dat is een pijnlijk nevenverschijnsel dat je soms monomaan moet zijn, dat je jezelf een zodanige discipline moet opleggen dat je algemene ontwikkeling misschien wel eens tegenwerkt, hoewel ik daar bij Armstrong geen tekenen van zie. Dat je anderen soms tekort doet in menselijkheid, in benadering, dat je soms vernedert letterlijk of figuurlijk. Er is geen enkele activiteit in het menselijk leven die enkel positief is. Wij zijn geen goddelijke wezens.

 

Is doping niet iets dat de sportjournalistiek overstijgt? Je krijgt een bericht binnen. Dan moet je iets weten over de farmaceutische en medische kant van de zaak, de sportieve, commerciële en gerechtelijke aspecten. En in het geval van Vandenbroucke liefst ook psychologisch wat onderlegd.

JW: Ik heb altijd beseft dat we van een aantal dingen zelf niet genoeg weten. Zelfs van ons vak zelf en zeker ook van de dopingproblematiek. De definitie van doping die ik in het begin van het interview heb gegeven, moet voor mij hanteerbaar zijn. Ik besef dat wij in het algemeen niet de tijd, niet de middelen hebben om dat werkelijk allemaal te doorgronden. Dat zou een specialiteit zijn op zichzelf, doping en dopingproblematiek. Dan kom je bijna niet meer aan journalistiek toe bijna. Dat is een onderdeel van een vak, je kan daar een wetenschappelijke carrière aan wijten. Maar, je hebt wel algemene principes die je kan toepassen, je moet zien dat je op de hoogte bent van de aard van de stoffen, de drang en de druk om die te gebruiken. Weten dat er een verschuiving mogelijk is tussen de softdrugs en harddrugs. Weten dat een amfetamine geen efedrine is, dat EPO van een andere aard is enzovoort. Je moet daar genoeg van weten om daar met redelijke kans op een eerlijke uitkomst te kunnen meepraten.

 

Maar het publiek is zelden op de hoogte.

JW: Dan is dat niet goed genoeg gecommuniceerd door de sportjournalistiek. Er moet veel meer vertaling naar het publiek zijn inzake het onderscheid tussen alle middelen, maar men neemt daar de tijd niet voor. Men krijgt de kans ook niet en we verontschuldigen ons teveel dat we dat niet geweten hebben. Of we verontschuldigen ons net niet. We hebben altijd, en dat is waarschijnlijk in elk vak zo, onze excuses klaar. Ook al spreken we die niet uit, want ik vind dat men te weinig zijn excuses uitspreekt in de sportjournalistiek.

 

Als er fouten zijn gemaakt.

JW: Dat er maar een klein deel van de waarheid in de mening zat, en dat het andere deel niet waar was bijvoorbeeld. Men nuanceert dat niet genoeg. In het algemeen vind ik dat men in de huidige sportjournalistiek, en ook zeer gericht op de doping, te weinig nuanceert. Het is stoer voor de fundamentalisten te eisen dat je het moet goed- of afkeuren, je moet voor of tegen zijn. Het is diffuser, ook alles rond doping en de medische begeleiding en het is een delicate wereld om er, ten dele als onbevoegde sportjournalist die je bent, zo radicaal over te kunnen oordelen. Maar ik apprecieer wel dat mensen à la Vandeweghe hun nek uitsteken en proberen met een scherp oordeel te komen. Je moet er naar streven om een scherp oordeel te hebben, maar je moet weten of het verantwoord is dat je het ook uitspreekt of neerschrijft.

 

Ik zal er aan denken. Heel erg bedankt voor dit gesprek.

 

 

Bijlage 4: Interview Christophe Vandegoor, sportjournalist

 

Plantentuin VRT, Brussel, vrijdag 5 augustus 2005, 13u45.

 

Ik begin met het laten zien van de cover van de ‘Deng’ van juli-augustus 2005 (zie bijlage 9) en zeg hem dat dat eigenlijk zowat alles omvat waar mijn thesis over gaat. Christophe Vandegoor schrijft ook af en toe een artikel voor dit tweemaandelijkse blad.

 

CVG: (Lacht) Twee weken voor Filip Meirhaeghe gepakt is met doping, heb ik hem voor Deng nog geïnterviewd. Ook nu heb ik een klein beetje meegewerkt aan het artikel over doping en hormonen (dat toevallig of niet net voor het artikel over Lance Armstrongs vermeende bedrog geplaatst is) en ik vind dat Deng nog probeert onafhankelijk te werk te gaan.

 

Net voor het stuk over Lance Armstrong staat dat artikel over hormonen, doping en wielrenner Marc Lotz, die net betrapt is. Toeval?

CVG: Ja, geen idee eigenlijk, kan wel zijn dat dat speciaal zo gezet is. Na Lance Armstrong komt ook het artikel over Danny Mommens (een helft van de flamboyante Vlaamse electroformatie ‘Vive la fëte’), dan zitten we weer bij doping (allebei lachen).

 

In het artikel over Armstrong wordt er wel een klein beetje genuanceerd, maar wie niet verder kijkt dan de cover, wie niet verder leest dan de titel ‘Het bedrog van Lance Armstrong’ of wie gewoon al de etalage van een krantenwinkel passeert, wordt misleid, want er zijn geen harde bewijzen.

CVG: Ja, die denkt ‘wat een kop’, hé.

 

Maar daarover gaan we het straks zeker hebben. Laten we beginnen met jezelf even voor te stellen.

CVG: Wel, ik heb sociologie gestudeerd aan de KU Leuven. Het onderwerp van mijn thesis was ‘jeugdwielrennen’. Het onderzoeken van de sociale klasse, van waar zijn ze eigenlijk, hun socio-demografisch profiel.

 

Die ligt er nog steeds.

CVG: Ligt die er nog altijd, ja? Toen werd er echt mee gelachen door de promotoren. Van “oei, we hebben hier een socioloog die iets over sport gaat doen”. Maar dat was eigenlijk heel boeiend. Dat was bij de mensen in Herentals van de Vlaamse wielerschool. Boeiend om echt zo na te gaan vanuit welke sociale klasse ze komen en te zien of die thesis wel ondersteund is, dat ze van de lagere sociale klasse komen. En daar kwam eigenlijk als leukste uit dat mensen uit de lagere klasse eigenlijk de duurste fietsten kochten voor hun kinderen, terwijl dokters en advocaten eerst tegen hun zonen zeiden van “koop u maar een goede tweedehandsfiets en dan zullen we zien of je het kan”. Dus dat onderschrijft, dat heeft al te maken met later, wat misschien aan bod komt met uw doping, dat mensen uit de lagere sociale klasse in de sport echt een middel zien om hogerop te komen in de maatschappij. Stefan Everts, bijvoorbeeld. Z’n vader heeft vroeger onder de sterrenhemel geslapen, negen kinderen. Wegens geen geld, gerechtsdeurwaarder aan de deur en zo. Maar die hebben zich door middel van sport kunnen opkrikken in de maatschappij en ze zijn nu zelfs rijk, in die mate dat Stefan in Monaco woont, om maar een voorbeeld te geven. En bij coureurs is dat blijkbaar ook zo, veel mensen van de lagere klassen. Dus dat was een onderdeel van m’n thesis. En dan nog, euh, is het een anachronisme in 2012, was de titel, waarom het aantal jonge wielrenners daalt. En na vier jaar sociologie een jaar postgraduaat gedaan aan de KU Leuven, communicatie euh, hoe heet dat nu weer. Media en informatiekunde van De Grooff, en dan moest je een maand stage doen en dat heb ik hier gedaan, bij Radio 1 op de sportredactie. Na twee jaar en twee examens vast in dienst begonnen in de plaats van Carlos Devene, de atletiekjournalist die met pensioen ging. Motorcross, veldrijden, wielrennen, ja een beetje vanalles gedaan. Presentatie van de programma’s, olympische programma’, Radio Tour, Open Doel, Sportmarathon. Qua doping heb ik samen met Renaat Schotte het Festina-proces in Rijsel gevolgd. En nu vanaf september begin ik met TV-sport. Neue Karriere.

 

Je werkt nu ook voor Radio 2 Limburg, daar presenteer je het algemene nieuws. Merk je een verschil tussen regionale en nationale verslag- of berichtgeving? Ik weet uit eigen ervaring bij OH Leuven (voetbalclub in tweede klasse) dat er bij persconferenties eigenlijk maar één persoon de vragen stelt en de rest, van de concurrentie dus, neemt alles gewoon over en niemand heeft daar blijkbaar problemen mee. En de volgende dag staat dat dan ook nog eens erg mooi in de krant, zonder al teveel kritiek.

CVG: Ja, daar heb ik niet zoveel ervaring mee, ik heb wel twee jaar in Limburg gewerkt. Ik behandel mijn publiek niet anders omdat ik plots daar werk, en ik heb trouwens ook een andere achtergrond dan de meeste regionale journalisten, maar ik zie dat wel, dat vele regionale sportjournalisten graag vriend aan huis zijn, die al jaren één club doen, Racing Genk of Sint-Truiden. Ze zijn kind aan huis, maar ze komen ook alles wel veel sneller te weten, maar die zijn ook bijna nooit kritisch. Dat is gewoon ‘wiens brood men eet’, enzoverder. Maar dat heb je bij nationale journalisten ook hoor. Veel mensen die eigenlijk graag er bij willen horen, dat zie je wel. Ik moet wel zeggen, ik heb dat wel gehad of tegenaan gezeten met Joël Smets en Stefan Everts, dat je die op een bepaald ogenblik zo goed kent, dat je, ja, het wordt te familair. Dat je soms tijdens interviews samen in lachen uitbarst, dat je denkt van “ow, dit kan niet meer, terug afstand nemen”. En de echt grote mannen, zoals een Vandenbempt bijvoorbeeld (Peter, voetbalcommentator Radio 1, verslaat de grootste wedstrijden in de Belgische competitie en die van de Rode Duivels), die doet dat ook, die hoort er ook graag bij, bij het voetbal. Maar als puntje bij paaltje komt, zoals een paar jaar geleden met Aimé Anthuenis. Toen was er sprake dat die geld in z’n zak stak voor transfers. Dan was hij ook wel de eerste die kritische vragen toch nog stelde aan Anthuenis, van “klopt het dat” en “men zegt dat”. Dus zo kan je de echte toppers wel van de andere scheiden. Door afstand te durven nemen.

 

Waarom ben je eigenlijk ooit begonnen met sportjournalistiek?

CVG: Gewoon, omdat ik dat altijd graag wou doen. Zelfs sport gedaan vroeger. En vroeger toen ik klein was, bestond de sportredactie van televisie maar uit zeven personen, hé. Dat was een Depelsmaeker, Uytterhoeven, Vanlombeek, Sonck, Alain Coninx enzovoort. Dus ja, als je daar ooit zou kunnen zitten, amaai. Maar nu is dat allemaal gedegradeerd, iedereen komt tegenwoordig aan de bak omdat ze zoveel volk nodig hebben. Dus ja, toen die kans zich voordeed van een stage, heb ik dat onmiddellijk gedaan.

 

Vroeger, ik praat dan over nog veel vroeger dan die zeven, waren de meeste sportjournalisten ook ex-sportlui. Ze wisten er dan wel ongelooflijk veel van, maar ze het was ook moeilijk om nog objectief en onafhankelijk op te treden. Een Fred de Bruyne bijvoorbeeld.

CVG: Ja, maar die mensen heb ik nooit meegemaakt, dus daar kan ik niet zo over oordelen. Tja, ze zeggen soms, sportjournalisten zijn ‘sporters raté’, hé. Het zelf willen zijn, maar niet kunnen.

 

Is er een verschil tussen de sportjournalist en de ‘algemene’ journalist?

CVG: Je bedoelt in verband met betrokkenheid en zo?

 

Ja.

CVG: Van wat ik gezien heb van de mensen van de nieuwsredactie van de radio en van wat ik ook in de media volg van Brackes en consoorten, is dat het daar net hetzelfde is eigenlijk. Het graag er willen bijhoren en beseffen van ‘ik ben wetstraatjournalist en zo zijn er eigenlijk maar drie of vier’ en ‘ik heb het GSM-nummer van Verhofstadt’, en dat geeft toch wel een bepaalde vorm van ijdelheid, macht misschien, die allicht even groot en even verslavend is als de macht van de politici zelf. Ik denk dat er daar heel weinig verschil in zit en in de muzieksector is dat net hetzelfde. Dat zie ik ook bij Radio 2 waar ik nu werk. Die komen heel veel in contact met Vlaamse artiesten, de Will Tura’s van deze wereld. Ja, dat is tot op zekere hoogte gatlikkerij, hé.

 

Is dat dan journalistiek?

CVG: Ja, wat is journalistiek? Voor uzelf kunnen uitmaken van waar je te ver gaat of waar je jezelf teveel in laat meeslepen, of wat krijgt de overhand? Het gevoel van ‘ja, ik hoor hier bij die happy few’ of toch nog proberen in de mate van het mogelijke onafhankelijk te berichten.

 

Een soort zelfanalyse.

CVG: Ja, eigenlijk wel ja. En dat is dan wat Jan Wauters waarschijnlijk zal gezegd hebben, van dissident zijn van jezelf en af en toe eens afstand kunnen nemen. Daarom dat ik ook voor een blad als Deng nu en dan dingen doe, want die zijn echt onafhankelijk. Die heulen niet mee met ‘Humo’. Ja, dat zou maar erg zijn, want het zijn concurrenten. Het is niet zoals Humo, dat vaak mensen van TV-programma’s voor de twaalfhonderdste keer gaat interviewen. Nu laatst met Rob Vanoudenhoven, een interview waar niets in staat, gewoon om hem te vriend te houden. Maar dat zijn persoonlijke zaken vind ik. Ofwel draai je mee in het circus, ik ben bekend en ik kan me dingen permitteren. Ofwel ga je daar tegen in.

 

Is er eigenlijk iemand die de journalisten controleert?

CVG: Er is de Beroepvereniging van Sportjournalisten, die heeft raadgevingen over de deontologische code, maar daar blijft het meestal bij, bij die raad. Als er echt conflicten zijn, zaken van ‘recht van antwoord’ en zo, dan beginnen ze zich te moeien. Bijvoorbeeld ook het inspreken van reclamespotjes door journalisten. Dan is