Doping en de media. Epo voor de topsporter. Opium voor het volk. (Brecht Schabregs)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding

 

Wat we vandaag maar al te goed beseffen, is dat een onderwerp dat al geschiedenis is veel minder frustrerend om te behandelen is dan doping, dat steeds in beweging is, altijd maar verder kronkelt en waarschijnlijk nooit op zal houden. Om een beeld te schetsen: sinds de eerste gedachte over deze eindverhandeling, is Johan Museeuw veroordeeld en loeihard van zijn sokkel gedonderd, heeft Frank Vandenbroucke zijn vrouw in z’n tuin met een tweeloop achtervolgd en een monsterboete van 200.000 euro gekregen, heeft Marco Pantani zelfmoord gepleegd en zijn er na jaren van speculaties mogelijk bewijzen over het dopinggebruik van Lance Armstrong. Louis De Pelsmaeker hekelde in 1982 het gebrek aan een deontolgische code voor sportverslaggevers, omdat die enkel voor nieuwsmakers in het leven was geroepen. Ook vandaag is er nog steeds dat gebrek, hoewel er pogingen in de goede richting zijn ondernomen, maar tot nu toe is er niets officieels uit de bus gekomen. De Pelsmaeker vervolgde zijn betoog met de bewering dat communicatiewetenschappers en sportpsychologen daarin geen aanleiding mogen zien om nog langer apathisch toe te zien op de taak en de zending van de sportjournalistiek. De sportjournalist informeert het publiek grotendeels op eigen oordeel, wat in zaken als doping meermaals voor problemen heeft gezorgd en daarom hebben wij beslist zeker niet apathisch te blijven. In dit werk willen we onderzoeken op welke manier de media berichten over doping en welke positie de sportjournalist inneemt. In een eerste deel gaan we alle interessante literatuur na over sport, doping, nieuws, journalistiek en sportjournalistiek, zodat we onze probleemstelling in een juiste context kunnen plaatsen. Daarna beschrijven we in een tweede deel op welke manier we het onderzoek zullen voeren en welke onderzoekseenheden we selecteren. We stellen de vraag naar de kwaliteit van de berichtgeving, die we willen beantwoord zien door een elite op het vlak van sportjournalistiek en doping. Die antwoorden en meningen analyseren we in een derde en laatste deel, waarin we onze vraagstellingen concretiseren en op punt stellen, zodat we tot een sluitende conclusie kunnen komen.

 

 

DEEL 1: LITERATUURSTUDIE

 

1. Sport

 

1.1. Inleiding

 

Om de berichtgeving over doping in sport te kunnen situeren, moeten we ook even blijven stilstaan bij wat we precies bedoelen met ‘sport’. We gaan na wat de betekenis en essentie van sport zijn, wat haar en moraal en ethiek zijn, welke evolutie ze heeft doorgemaakt en wat ze betekent voor het publiek.

 

1.2 De betekenis van sport

 

In het Van Dale-woordenboek vinden we als definitie van sport terug: ‘Lichamelijke bezigheid ter ontspanning of als beroep met spel- of wedstrijdelement waarbij conditie en vaardigheid vereist zijn, respectievelijk bevorderd worden en waarvoor bepaalde regels gelden’. Laten we meteen al duidelijk stellen dat het onderwerp van ons onderzoek niet slaat op sport als bezigheid ter ontspanning, maar wel als beroep. We zullen het hebben over de professionele sport (de topsport) en niet over de amateursport (de breedtesport). Dat doen we, omdat recreatieve of amateursporters in hun bezigheid niet te maken hebben met commerciële belangen, met professionele regelgeving en een salaris voor hun sportieve prestatie. Zij zijn tevens zelden of nooit het voorwerp van sportverslaggeving, media-aandacht is nooit een doel op zich voor de recreant.

     Een andere denkpiste die we voor ogen houden om ons domein af te bakenen, is dat we het verschil maken tussen sport in competitieverband en sport buiten competitie. Maar wat dan te doen met de talrijke ‘cafévoetbalploegen’, de senioren die op een mooie zomeravond om de hoek een spelletje petanque spelen of de eenzame jogger, die steeds met zichzelf in competitie is? Deze laatste voorbeelden zijn maar een kleine greep uit het enorme gamma aan sportcompetities die dagelijks in onze maatschappij plaatsvinden, waarbij er geen sprake is van professionele activiteit en bezoldiging. Om die reden vinden we het noodzakelijk beide sferen nadrukkelijk te scheiden, wat niet wil zeggen dat de topsport geen invloed kan hebben op de amateursport en omgekeerd, maar het gaat in technisch en moreel opzicht om erg verschillende zaken. Het is dus de topsport die centraal staat in ons onderzoek.

 

1.3. De sportmoraal

 

 “Een mens zonder moraliteit is onder alle levende wezens het meest roekeloze

 en het ruwste. Met betrekking tot de geslachtsdrift en de speelzucht is hij

het allergemeenste schepsel.” (Aristoteles in zijn werk ‘Over de politiek’

 

Volgens Braems staat er slechts een zaak boven aan de ladder van de sportmoraliteit: de ‘fair play’ (De Haes, 1980, p. 96). Op zich lijkt het een eenvoudig begrip, maar niets is minder waar. Fair play lijkt niet meer te zijn dan dat elke speler in het veld respect heeft voor de gangbare regels. Dat is ook de essentie van de sportmoraal, maar de bovengenoemde ‘speler’ mogen we niet alleen letterlijk interpreteren, het heeft betrekking op elke speler die deel uitmaakt van het spel dat door de topsport in haar totaliteit wordt gespeeld. Niet enkel de sporter heeft regels om te respecteren, maar ook de economische, de medische, de farmaceutische, de politieke, de gerechtelijke en de mediawereld moeten het spel eerlijk spelen. Volgens Braems kan fair play enkel mogelijk zijn, als de speler, die van kindsbeen af juist en rechtvaardig opgevoed en opgeleid is, gestimuleerd en geleid door trainers en ploegleiders die het maximum eisen, tegen vergoeding, binnen relativerende en haalbare perken, in een kader van prestatie- en spektakelappreciërende kijkers (door nieuwsmedia juist en sensatieloos ingelicht) evolueren onder leiding van een bekwame en begrijpende scheidsrechter. Meteen wordt duidelijk dat er heel erg veel aspecten bij beroepssport komen kijken, waarvan we er geen enkel kunnen negeren om in een later stadium tot een sluitende conclusie te kunnen komen. Késenne komt tot dezelfde vaststelling, maar verwoordt het eenvoudiger, door te zeggen dat de enige juiste ethische instelling tegenover de topsport, die van de verantwoordelijkheid is (Van Pelt et al, 1982, p. 57).

 De sportmoraal lijkt in een crisis te verkeren, als we afgaan op de berichtgeving over dopinggebruik, omkoopschandalen en toenemende agressie. Maar van de andere kant waren er nooit zoveel mensen in staat om intensief een sport naar keuze te beoefenen als vandaag en prestaties van huidige topsporters doen die van eerdere generaties tot onbeholpen amateurisme verbleken. Terwijl vroeger veel sporten voorbehouden waren voor een kleine elite, worden die nu massaal beoefend. De grote massa hield zich toen bezig met primitieve en soms gewelddadige volkssporten, zoals zaklopen, klootschieten en kattenmeppen. In vele opzichten heeft de sportbeoefening een gedaanteverwisseling doorgemaakt, zoals de toegenomen aandacht voor fair play, de verfijning van de regelgeving en de depolitisering van de sport. Vooral de enorme commercialisering springt in het oog, die in vele gevallen heeft geleid tot professionalisering, kwaliteitsverbetering en meer onafhankelijkheid van topsporters ten opzichte van sportorganisaties. Van de andere kant dreigt ze de sportbeoefening ondergeschikt te maken aan commerciële belangen, zowel sponsor- als mediabelangen. Een andere opmerkelijke evolutie is die van de toegenomen medicalisering van de sport. Die leidt niet enkel tot een betere medische begeleiding van sporters, maar ze vervaagt ook de grens tussen die begeleiding in strikte zin en competitievervalsing door het gebruik van middelen die de prestatie bevorderen.

Op die verschillende aspecten komen we later nog terug, maar we willen duidelijk maken dat ze behoren tot en invloed hebben op de moraal van de topsport en niet de amateursport. Beide hebben als gemeenschappelijke deler de prestatie, met dat verschil dat in de topsport de prestatie overdreven aangeslagen wordt (Van Pelt et al, 1982, p. 56). Alle oneerlijkheid en onsportiviteit kan volgens Késenne herleid worden tot de ethische houding dat punten scoren, als eerste over de meet rijden en records, hoger op de waardenschaal liggen dan het respect voor de medemens. Alle uitwassen die in de sport aanwezig zijn, kunnen op de rekening geschreven worden van een eenzijdige ethiek van het resultaat. Het opschroeven van de prestatie als absoluut doel heeft er voor gezorgd dat er naar middelen wordt gegrepen om ze te verhogen en dat de sport geen ‘school van gerechtigheid’ meer is. Het is over die middelen, uitwassen dat we het verder willen hebben en omdat ze zich voornamelijk situeren in de beroepssfeer, zullen we topsport of beroepssport hieronder afkorten tot ‘sport’, met in het achterhoofd dat we de amateursport buiten beschouwing laten.

Los van het sportieve aspect, heeft Mercy het over een driekoppige draak die de sport bedreigt (Van Pelt et al, 1989, p. 51). Ten eerste zijn er de politieke problemen die overslaan naar de sportwereld. We denken daarbij aan de aanslag tijdens de Olympische Spelen van 1972, die gehouden werden in het Duitse München. Acht Palestijnse terroristen bestormden in de vroege ochtend van vijf september het onderkomen van de Israëlische ploeg. Tijdens die actie vielen er twee doden en ook een aantal atleten werden uren gegijzeld. Toen een strijdmacht de terroristen probeerde te overmeesteren, kwamen nog eens vijftien mensen om. De volgende dag, op zes september, riep Avery Brundag, de toenmalige voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité, de sporters op om vooral door te gaan. Met zijn legendarische woorden “the games must go on” trachtte hij het vervolg van de Spelen zo normaal mogelijk te laten verlopen, maar later bleek dat lang niet iedereen echt in de gaten had wat voor drama zich in het Olympisch dorp had afgespeeld. Meer dan dertig jaar later is de dreiging van terreur groter dan ooit en niets sluit uit dat ook sportmanifestaties het doelwit van een politiekgerichte aanslag kunnen zijn. Ook aan de vooravond van de laatste Olympiade in 2004 in Athene, waren er twijfels over de veiligheid van atleten en toeschouwers, ondanks zware maatregelen (de Jongh, 11.08.2004). Zeventigduizend ambtenaren werden ingezet om de veiligheid in de straten, het luchtruim en de zee te waarborgen. Gevechtsvliegtuigen en raketten stonden klaar om in te grijpen. Alsof dat niet voldoende was, vroeg Paus Johannes Paulus II de Heilige Maagd Maria om bescherming. Toenmalig VS-veiligheidsadviseur en huidig minister van buitenlandse zaken Condoleezza Rice verkondigde op de vooravond van de Olympische Spelen op de Amerikaanse nieuwszender CNN dat het een illusie is te denken dat een aanslag voorkomen kan worden. De tweede kop van het monster, die volgens Mercy de sport bedreigt, betreft het commerciële gevaar voor de sport (Van Pelt et al, 1989, p. 51). Sport is in vele gevallen een bijzonder goeddraaiende economie geworden, waarbij de sporters beschouwd worden als vogelvrije handelswaar. En tot slot zijn er de elementen die betrekking hebben op de gezondheid. Het geweld op en rond het veld of terrein is toegenomen, jongeren beginnen almaar vroeger aan professionele sport en er is het gevaar van overtraining en dopinggebruik. De opdracht is zich sterk af te zetten tegen die uitwassen en ze trachten in te perken. Als dat niet gebeurt, kan de sport ten onder gaan aan wat ze zelf heeft voortgebracht of toegelaten en zo zal ze haar geloofwaardigheid verliezen.

Wat opvalt, is dat de problemen vooral de kop opsteken bij grootse sportmanifestaties, zoals de Olympische Spelen. Het lijkt ons nuttig om na te gaan wat Pierre de Coubertin, de oprichter van de moderne Spelen, er toe heeft aangezet om die Olympische Spelen nieuw leven in te blazen. Van de Coubertin onthouden we vooral zijn gevleugelde woorden “meedoen is belangrijker dan winnen”, maar we vragen ons dan ook meteen af hoe het komt dat de grootste problemen en bedreigingen zich in die sfeer voordoen.

 

1.4. De Olympische Gedachte

 

Het was baron Pierre de Coubertin die er in 1896 voor zorgde dat de Olympische Spelen na zovele eeuwen hun renaissance kenden. Iedereen kent wel de leuze die eraan gekoppeld wordt, namelijk dat deelnemen aan het grootste sportevenement ter wereld belangrijker is dan op het hoogste schavotje te staan (De Haes, 1980, p. 15). Het valt te betwijfelen dat de Coubertin die woorden ook echt meende. Van diezelfde Olympische Spelen kennen we ook een andere leuze: ‘citius, altius, fortius’, of ‘sneller, hoger, sterker’. Twee leuzen die volgens ons niet compatibel zijn en vragen naar nader onderzoek. Voor Eddy Merckx, vijfvoudig winnaar van de Ronde van Frankrijk, is winnen het enige echte doel van sport, of dat nu in een kermiskoers is of op de Olympische Spelen. Hij gelooft niet dat deelnemen belangrijker kan zijn dan winnen (Humo, 29.03.2005, p. 18). Pierre de Coubertin was op de allereerste plaats een vertegenwoordiger van de conservatieve Franse bourgeoisie en een patriot en expansionist in hart en nieren (De Haes, 1980, p. 15). Hij had het er erg moeilijk mee dat Frankrijk in 1870 in de oorlog tegen Duitsland genadeloos verslagen werd, waarop hij besloot naar Engeland te trekken. Dat land was zijn lichtend voorbeeld geworden, omdat de Engelsen er wel in slaagden zijn geliefd expansionisme succesvol in de praktijk om te zetten. De Coubertin raakte overzee onder de indruk van het werk van de pedagogische darwinist Thomas Arnold, die in 1842 gestorven was en die geloofde dat diegene die fysiek het sterkst was gelijk had en als leider erkend zou worden. De Coubertin meende dat daarin de sleutel tot het nieuwe succes voor Frankrijk lag, in het geloof dat de sport de mens niet alleen fysiek, maar ook moreel en sociaal tot burger vormde. Sport zag hij als het meest betrouwbare en actieve element in de lichamelijke en geestelijke vervolmaking waarover men als jongeman kan beschikken.

Pierre de Coubertin had echter niet begrepen dat het expansionisme van Engeland een bijproduct was van de industriële revolutie, zoals ook de competitiesport dat was ter vervanging van het spel zonder discipline (De Haes, 1980, p. 17). Hij zag de sport als een middel om de Franse elite een nieuw elan te bezorgen, als politiek instrument om Frankrijk een nieuw en geïnspireerd leiderschap te geven, zowel thuis als in de overzeese gebieden. Terug in zijn thuisland Frankrijk werd hij niet begrepen door de elite en daarom zocht hij naar een andere weg. Die kwam er toen de Engelse arts W.F. Brokes het woord ‘olympisch’ liet vallen, met betrekking tot een beker die hij naar Griekse wedstrijden in het hardlopen had gestuurd. Dat was een signaal voor de Coubertin, die zoals vele Fransen in het woord een diepere betekenis zag en erin geloofde dat ‘Olympische festijnen’ succes zouden verzekeren. Carl Diem, een Duitse sportgeleerde, merkte op dat de Coubertin de Spelen niet had gesticht om de sport en de internationaliteit ervan te bevorderen, maar wel als laatste uitweg om zijn plan te doen slagen (De Haes, 1980, p. 19). Op die manier werden de Olympische Spelen een politiek instrument om de Franse elite te revalitiseren in dienst van het expansionisme. Veel meer dan de pure sportprestaties was het hem te doen om een massamobilisatie, om de imponerende totaalindruk van het feest. Sport werd bedoeld als religieus massaritueel om zowel atleten als toeschouwers onder te dompelen in gevoelens van lijdzaamheid en aanvaarding van de bestaande orde, de sociale status quo en de eerbied voor de natuurwet van de hiërarchie (De Haes, 1980, p. 28).

Dat deelnemen belangrijker is dan winnen, is dus tot op zekere hoogte een waarheid in de visie van de Coubertin, maar niet in de betekenis die er vandaag aan gegeven wordt. Zijn eerste opzet was om zoveel mogelijk leden van de jonge Franse elite te laten deelnemen, als een manier tot morele herbewapening, om de hegemonie van Frankrijk te kunnen bereiken, om een nieuwe wind te laten jagen door zijn geliefde maar verslagen vaderland. Het was hem te doen om een massamobilisatie van zowel de sporters als het publiek. En het belangrijkste van allemaal, is dat meestal het tweede deel van zijn bekende leuze achterwege blijft. Hij zei dat deelnemen belangrijker is dan winnen, maar hij voegde er aan toe dat tot het uiterste gaan de grootste overwinning is (De Haes, 1980, p. 19). De Coubertin was dus helemaal geen tegenstander van wedijver en concurrentie, integendeel zelfs: excessen zijn volgens hem de essentie van sport, waarbij ‘citius, altius, fortius’ als enige echte leuze naar voren komt. Die sport gebruikte hij om de massa op de been te krijgen, zowel de actieve als passieve deelnemers. Wat hij wilde bereiken en uiteindelijk ook bereikte, verschilt in wezen niets van het tweevoudig doel van de oude Grieken met hun Olympische Spelen of de Romeinen met hun gladiatorengevechten en wagenrennen. Allemaal probeerden ze door de combinatie van ‘brood en spelen’ een hoger politiek doel te bereiken en de bevolking te paaien en vermaken. Bij de Romeinen was het een middel om het plebs stil te houden en revoluties te verhinderen, de Coubertin wilde net de massa mobiliseren, maar in beide gevallen werd de sport als spektakel gebruikt en misbruikt. ‘Spelen’ kunnen we opvatten als het sportieve element, ‘brood’ als het economische. Hierna zullen we dieper ingaan op sport als politiek instrument en we combineren het met het economische aspect.

 

1.5. Opium voor het volk

 

Begrippen als ‘opium voor het volk’ en ‘panem en circenses’ (brood en spelen) komen vaak uit de mond van de aanhangers van de Marxistische visie. Ze hanteren ze als verwijzing naar de onderdrukking van het plebs bij de oude Romeinen en symboliseren daarmee hun standpunt ten opzichte van sport en politiek (Listhaeghe, 1992, p. 13). De Marxistische theorie bekijkt de functies en de interne structuur van sport als geconditioneerd door haar relatie met de heersende klasse. Net zoals bij Pierre de Coubertin, benadrukt ze hiërarchie als een sleutelaspect van de sport, die de klassenstructuur recreëert door de hegemonie van de heersende bevolkingslagen te steunen. Sport bevat een bourgeois ideologie, hoewel ze zich opwerpt als iets dat buiten de politieke wereld staat. Volgens de Marxistische aanhangers bestaat er een relatie tussen sport en klassenongelijkheid, met als een van de fundamentele aspecten dat sport vervreemdend werkt voor professionele atleten, omdat ze helemaal opgeslorpt worden door het productieproces (Listhaeghe, 1992, p. 14). Ook De Haes (1980, p. 7) is van mening dat de topsporter in de loop der tijden evenzeer vervreemd is geraakt van het ludieke element van de sport, als de arbeider van zijn arbeid.

     Zoals hierboven gezegd en wat de Coubertin niet begrepen had, is dat de opkomst van de moderne sport samenvalt met het begin van de industriële revolutie. Die samenhang is niet toevallig, want de sport verernstigde, verdrong onschuldige spelvormen en nam de vorm aan van een economisch model dat de huidige samenleving draaiende houdt. Een model dat is opgebouwd uit arbeidsdeling, concurrentie, bureaucratisering, prestatiezucht, doelgerichtheid, discipline, specialisatie en rationele organisatie. De atleet of topsporter ziet zijn leven beheerst worden door prestatiedrang en -plicht en hij is loonafhankelijk geworden. Meer vrije tijd stond niet gelijk aan meer creativiteit en speelsheid, maar de beleving ervan ging zich schikken naar dezelfde productievoorwaarden die in de arbeidswereld heersen. Sport werd economie, maar vast te stellen valt dat de economische wetenschap zich nooit erg heeft ingelaten met sport. Volgens Késenne was de georganiseerde sport lange tijd slechts een ludieke, anti-economische en apolitieke bezigheid voor de gegoede klassen, maar door de democratiseringstendensen heeft de massa de laatste decennia haar weg naar de sportterreinen gevonden (De Haes, 1980, p. 177). Meer sporters en meer competitie brachten met zich mee dat er meer belangstelling voor sport kwam, zowel wat het publiek als de massamedia betrof. Politieke en commerciële functies werden ontdekt en die openden dan weer mogelijkheden voor professionalisering en bezoldigde sportbeoefening. Die ontwikkelingen hadden ook de nodige economische implicaties, zoals nieuwe infrastructuur, organisaties, sportkledij en -materiaal en een degelijk beleid, die er op hun beurt voor zorgden dat steeds meer kapitaal en arbeid naar de sportsector ging. In de Marxistische traditie is sport dan ook een van de minst efficiënte reacties tegen de machine van het productieproces in de kapitalistische maatschappij (Listhaeghe, 1992, p. 14). Dat kan ook niet anders volgens De Haes (1982, p. 7), want sport is op de allereerste plaats een product van ons westers maatschappijsysteem, dat het kapitalisme heet. Niet voor niets wordt het begin van de moderne sport in Engeland gesitueerd rond het midden van de negentiende eeuw, samen met de industriële revolutie. De Marxisten hekelen het spektakel dat het spelelement in de sport heeft verdrongen. Dat spektakel is enkel een tijdelijke afleiding voor een gestandaardiseerde en door machines gedomineerde wereld, waarin geen plaats meer is voor creativiteit en beslissingsmacht (Listhaeghe, 1992, p. 14).

     Sport in de huidige samenleving is een opium voor het volk geworden, zoals religie dat honderd jaar geleden was. De kapitalistische organisatie van het productieproces heeft het volk beroofd van haar eigen macht om te kiezen en te beslissen, waardoor ze op zoek gegaan is naar middelen om zich te vermaken, om te consumeren, kortom om afgeleid te zijn van datgene waarvan ze vervreemd is geraakt. Sport leent zich uitstekend als drogeermiddel, als massaspektakel. Bovendien heeft sport, verschillend van andere vormen van vertier, nog een extra dimensie: haar publiek kan zich identificeren met de gladiatoren van de huidige maatschappij, denk maar aan wielrenner Tom Boonen, tennisster Kim Clijsters, voetballer Vincent Kompany of spurtster Kim Gevaert.

 

1.6. Besluit

 

Deelnemen aan een sportwedstrijd of een groot sportevenement kan voor sommigen al voldoende zijn, maar dat dat even belangrijk of zelf belangrijker zou zijn dan winnen, wordt door de grootste sporters ontkend en is ook volledig uit zijn context getrokken. Pierre de Coubertin liep inderdaad hoger op met zo veel mogelijk mensen deel te laten nemen aan een massaspektakel dan met de sportprestaties op zich, omdat hij sport als een middel zag en helemaal niet als doel. Het gevolg ervan en mede mogelijk gemaakt door de industriële revolutie aan het einde van de negentiende eeuw, was dat het volk haar weg massaal naar de sport had gevonden. Wat volgde was een enorme economische en commerciële injectie, waardoor de beroepssport zich volop kon ontwikkelen. De sport kreeg een economisch model, waarin het hoog aanslaan van de prestatie en concurrentie centraal staan en het resultaat als enig en hoogste doel beschouwd wordt. Excessen zijn de essentie van sport, altijd maar sneller, hoger en sterker. Maar net door de aandacht zo te richten op het resultaat, komt de fair play in het gedrang en loopt de sport het risico van uitwassen. Winnen in de topsport betekent niet alleen prestige, maar staat garant voor een hoger salaris, een tevreden sponsor of een nieuw, verbeterd contract. De beroepssporter is vervreemd geraakt van zijn sport en is een pion geworden in een strategisch spel, dat de wetten van de economie volgt. En waar zeer veel geld aanwezig is, is er steeds een grotere kans op valsspelers, die het spel volgens andere regels spelen en hun graantje van de oogst willen meepikken. Het zijn de ‘freeriders’ die trachten te profiteren van de mogelijkheden in de samenleving en die, wat de beroepssport betreft, de prestatie en vooral het resultaat naar hun hand willen zetten. Citius, altius, fortius, stultius? We zullen onze aandacht richten op een fenomeen dat het wezen van de sport raakt: dopinggebruik.

 

 

2. Doping

 

2.1. Inleiding

 

 Wat we hieronder zullen doen, is ten eerste proberen een sluitende definitie te geven van ‘doping’ in sport. Het is een zeer oud begrip dat elke dag opnieuw door velen in de mond wordt genomen, een term waarover zeer veel wordt geschreven en gediscussieerd en die bovenal haar plaats in de kranten en de audiovisuele media heeft. Maar heeft iedereen het over hetzelfde en zijn er verschillende interpretaties mogelijk? Vervolgens gaan we na welke beweegredenen een sporter heeft om doping te gebruiken. In een vorig deel hadden we het over de overdreven focus op het resultaat, maar we vragen ons af of dat de enige stimulans is om naar verboden middelen te grijpen. Dat verbod wordt opgelegd door de wetgever en een aantal grote sportorganisaties, die de sporters controleren en sanctioneren bij een overtreding. We belichten ook de rol die de medische en farmaceutische wereld spelen, om daarna over te gaan tot het eeuwige debat. Al decennia lang is de discussie aan de gang hoe de strijd tegen doping aangepakt moet worden en of die strijd überhaupt zinvol en nodig is. Voor sommigen is de nultolerantie heilig, voor anderen is dan weer het liberaliseren van doping in de sport de beste oplossing.

 

2.2. Wat is doping?

 

2.2.1. Etymologisch

 

Als we op zoek gaan naar de etymologische origine van het woord, komen we twee mogelijkheden tegen, met telkens Hollandse kolonisten in de hoofdrol (Nelissen, 2000, p. 51). In de ene versie vinden we dat ‘doping’ afgeleid is van het woordje ‘dop’, dat een alcoholische, zelfgestookte drank is uit Zuid-Afrika. De zwarte Afrikanen gebruikten het drankje om zich op te peppen en in trance te geraken voor stammenoorlogen en krijgsdansen. Het zijn Nederlandse kolonisten die het woordje oppikken uit het dialect van een Zuid-Afrikaanse stam. Via de ‘Boeren’ wordt het woord als ‘dope’ doorgegeven aan de Engelsen. Sinds 1889 heeft ‘dope’ zijn plaats in het Engelse woordenboek.

     Een andere versie heeft het over diezelfde kolonisten, maar plaatst ze in Nieuw Amsterdam, het huidige New York. Om hun uithoudingsvermogen te vergroten en hun vermoeidheid klein te krijgen eten de Hollanders een speciale saus. De saus is een Indiaans recept en heeft onder meer buskruit als ingrediënt, brood en ander voedsel worden erin gedrenkt. Die dikke saus noemen ze ‘doop’, wat West-Fries is voor saus. Het goedje versnelt de hartslag en stelt de kolonisten in staat om nooit geziene prestaties te leveren, maar na een tijdje merken ze de keerzijde van de medaille: er vallen op korte tijd zoveel doden door toedoen van de wondersaus, dat prompt in 1666 de eerste anti-dopingwet wordt ingevoerd door de Engelse bewindvoerders, die intussen de overmacht hebben (Nelissen, 2000, p. 52).

 

2.2.2. Definitie

 

Wat is doping eigenlijk? De Van Dale leert ons dat we onder doping moeten verstaan: ‘het toedienen van stimulerende middelen die de sportprestaties oneerlijk beïnvloeden’. Hoewel deze definitie op het eerste gezicht eenduidig is, roept zij een aantal vragen op, want in een tweede betekenis vinden we een verwijzing naar het woord ‘dope’ terug, dat staat voor ‘stimulerende, verdovende of hallucinerende middelen’, met een verwijzing naar drugs. Hier al zitten we met een probleem: slaat doping nu enkel op stimulerende middelen of horen de verdovende en hallucinerende middelen daar ook bij? De Britse topsprinter Mark Lewis-Francis, die in 2004 in Athene nog Olympisch goud won op de 4x100 meter spurt, werd op vijf maart van dit jaar in Madrid betrapt op het gebruik van cannabis, een verdovend en absoluut geen stimulerend middel. Lewis-Francis moest wel zijn zilveren medaille inleveren, die hij afgelopen winter won op het EK indoor in Madrid. Hij kreeg een officiële waarschuwing, maar kon een schorsing van twee jaar ontlopen, omdat hij de stof als ‘passief roker’ geïnhaleerd zou hebben. En ook het laatste deel van de definitie zet aan tot nadenken. Volgens Van Dale zijn het middelen die de prestaties ‘oneerlijk beïnvloeden’. In die betekenis gaat doping verder dan de middelen en methoden die de sportieve prestatie bevorderen en gunstig beïnvloeden. De nadruk ligt dan meer op de oneerlijkheid ten opzichte van de tegenstander, dan op het opkrikken van het eigen kunnen.

 

 

2.2.2.1. Vlaanderen en België

 

Misschien moeten we onder stimulerende middelen verstaan, dat het middelen zijn die de prestatie stimuleren, daarom niet noodzakelijk in positieve zin, en niet enkel betrekking hebben op het lichaam, maar ook de geest. Het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (2002, p. 9) omschrijft in haar decreet van 27 maart 1991 doping als:

 

a)het gebruik van substanties en middelen die door de Vlaamse regering verboden zijn

b) het gebruik van substanties of van middelen met het oog op het kunstmatig opvoeren van het rendement van de sportbeoefenaar, wanneer hierdoor schade veroorzaakt kan worden aan zijn fysieke of psychische integriteit

c)het gebruik van substanties of van middelen met de bedoeling dopingpraktijken die opgesomd zijn in a en b te verdoezelen

 

Die dopingpraktijken zijn verboden wegens het mogelijk oneerlijk voordeel in wedstrijden en het respect voor de fair play; de mogelijk nadelige effecten op de eigen gezondheid; de mogelijke gevaren voor medesporters of tegenstanders. Van slechts weinig substanties is het wetenschappelijk bewezen dat ze prestatieverhogend werken, maar vele stoffen staan op de dopinglijst omdat ze in de sport dikwijls langdurig en in zeer hoge dosissen worden gebruikt, omdat ze een vermeend effect teweegbrengen, en omdat ze ernstige gevaren kunnen opleveren voor de gezondheid.

Het Vlaams decreet stelt ook nog gelijk aan dopingpraktijken (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2002, p. 10):

 

Enkel in Vlaanderen al wordt er geen echte duidelijke definitie gegeven van wat doping is, maar er wordt verwezen naar de substanties en middelen die niet toegelaten zijn en bovendien worden doping, dopinggebruik en dopingpraktijk de ene keer op een hoop gegooid, maar een andere keer weer op een verschillende manier gebruikt. De Vlaamse dopinglijst is trouwens geïnspireerd op de lijst van het Internationaal Olympisch Comité, die niet helemaal identiek is en voor elke uitgevoerde controle in Vlaanderen is enkel de Vlaamse lijst wettelijk van toepassing.

     Sinds een samenwerkingsakkoord van 2001 wordt diezelfde lijst ook gehanteerd in de andere Gemeenschappen van België, omdat men van mening is dat enkel een gecoördineerde aanpak de duidelijkheid naar de sportbeoefenaar toe kan dienen (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2002, p. 19). Maar die sportbeoefenaar heeft niet alleen rekening te houden met de Vlaamse dopinglijst, omdat die verschillen toont met die van andere controlerende instanties, zoals de UCI en WADA. Bovendien weten we sinds de zaak-Beke dat de verschillende dopinglaboratoria in bepaalde gevallen de resultaten van een dopingtest op een verschillende manier kunnen interpreteren. Het dopinglab van Gent gaf aan dat Beke positief had getest op epo, terwijl dat van Parijs geen doping vaststelde. Doping of geen doping oftewel hangen of ontsnappen hangt soms aan een zijden draadje, hoewel een schorsing en veroordeling nooit een kwestie van geluk mogen zijn.

     Wat de bestraffing van dopingzondaars betreft, is Vlaanderen kampioen. Naast het WADA heeft Vlaanderen nog twee aparte dopingrechtbanken, eentje voor 'gewone' sporters (de disciplinaire commissie van de Vlaamse Gemeenschap) en eentje voor wielrenners (de KBWB) met aparte strafsancties. De maximumstraf bij de eerste is bijvoorbeeld twee jaar schorsing, bij de tweede levenslang. Ook de UCI was niet gelukkig met de huidige gang van zaken en vroeg Vlaanderen onder lichte dwang haar wetgeving te harmoniseren. Die aanpassing staat op til, omdat Vlaanderen anders enkele Europese en wereldkampioenschappen zou kwijtspelen Wielrenner Andy Capelle kreeg twee jaar beroepsverbod voor het gebruik van een corticoïdezalf tegen zadelpijn. Voor hetzelfde vergrijp ging een voetballer vrijuit. Elke Vlaamse sporter kan beroep aantekenen bij de disciplinaire raad van de Vlaamse Gemeenschap. Wielrenners zijn een uitzondering, want zij moeten naar het Internationaal Sporttribunaal ‘TAS’ in Lausanne, waar ze zelf moeten opdraaien voor de kosten van hun advocaat, de tolk en de vertaling van hun strafdossier. Volgens senator en ex-judocoach Jean-Marie Dedecker (12.04.2005, p. 32) hebben we te maken met een ‘klassenjustitie’ in Vlaanderen. Een Albanese maffialeider krijgt in ons land een gratis tolk, vertaling van zijn dossier op kosten van de belastingbetaler en een pro deo-advocaat. Het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens legt elk rechtscollege de verplichting op de beklaagde kosteloos een tolk toe te wijzen. Dat is niet van toepassing op wielrenners. Het corticoïdezalfje van Andy Capelle is sinds 1 januari 2005 van de dopinglijst geschrapt. Hij is gebroodroofd voor een product dat vandaag toegelaten is.

 

2.2.2.2. Internationaal

 

De Ronde van Frankrijk kende in 1998 haar absoluut dieptepunt door het dopingschandaal rond de Festina-ploeg. Het IOC had begrepen dat er veel meer aan de hand was dan ze dachten, namelijk dat doping aanwezig was in de sport, maar niet dat handel en massaal gebruik schering en inslag waren. De activiteiten op het vlak van dopingbestrijding werden verhoogd en een internationaal anti-dopingagentschap (WADA) werd uit de grond gestampt in Lausanne op tien november 1999, met als opzet de samenwerking tussen de sportbeweging en de overheid te coördineren en meer financiële middelen zien te verzamelen (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2002, p. 20). Sinds 2002 is de hoofdzetel van het WADA in Canada gevestigd en voert ze het bewind, wat het wereldwijde dopingbeleid betreft. Pas vanaf dat moment zijn de verschillende bonden gaan samenwerken om een enkele dopinglijst op te stellen, om doping onder een enkele noemer te brengen, zodat misverstanden en mazen in het net kunnen vermeden worden. In 1988 wordt de Spanjaard Pedro Delgado aan het begin van de Tour betrapt op probenicide, een middel tegen jicht. Dat iemand met jicht aan een zware rittenkoers kan en mag beginnen, laten we in het midden, maar het middel werkt ook maskerend voor bepaalde verboden middelen. Het middel stond toen wel op de lijst van het IOC, maar het had zijn plaats nog niet op de lijst van de UCI. Delgado ging vrijuit en wint drie weken later de Ronde van Frankrijk. En nu nog steeds hanteren de verschillende bonden en regeringen verschillende lijsten, wat maar al te vaak tot misverstanden leidt, maar volgens IOC-voorzitter Jacques Rogge (01.12.2003) zijn de lijsten en regels, ook wat de penelisatie betreft, voor 95 procent gelijkgetrokken.

 Opvallend is dat het WADA sinds haar oprichting in 2002 nog met geen enkele definitie van wat doping nu precies is, naar buiten is gekomen. De reden daarvoor is volgens ons dat ze het ook niet nodig achten om dat te doen, omdat doping kan herleid worden tot de lijst van producten die ze hebben opgesteld. Dopinggebruik is dan ook niet meer of niet minder dan het gebruik van de verboden middelen en methoden die op die lijst staan. Het lijkt een makkelijke oplossing, maar de zoektocht naar een hanteerbare definitie voor doping is blijkbaar heel erg moeilijk en lijkt bovendien irrelevant. Maar welke middelen zijn dat dan? Voor een uitputtend antwoord op deze vraag schrikt zelfs een apotheker terug. De complete dopinglijst die het WADA hanteert, geeft een eindeloze opsomming van stoffen en preparaten. Een beknopte samenvatting ervan lijkt ons nuttig te zijn, om weer te geven waarover we het hebben als we over doping spreken.

 

2.2.3. De lijst

 

Bij doping gaan onze gedachten in de eerste plaats uit naar THG, nandrolon en epo, de middelen die tegenwoordig veelvuldig in de media opduiken. Om deze stoffen in hun juiste context te plaatsen, dient eerst duidelijk gemaakt te worden hoe de lijst van verboden groepen van stoffen en verboden methoden van het IOC is samengesteld. Het WADA onderscheidt op de dopinglijst drie belangrijke categorieën, die op hun beurt onderverdeeld zijn in groepen. Sinds 20 januari 2004 wordt er bij dopingcontroles een onderscheid gemaakt tussen ‘in competitie’ en ‘buiten competitie’. Onder de eerste vorm van controles worden die controles verstaan die verbonden zijn aan een bepaalde wedstrijd of competitie. De andere controles kunnen op elk ander moment dan de competitie uitgevoerd worden (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2004, z.p.). De belangrijkste categorie is die van de verboden groep van substanties in competitie, die uit zes subgroepen bestaat: de stimulantia, de narcotica, de anabolica, de diuretica, de peptide hormonen en de corticosteroïden, aangevuld met de maskerende middelen. De tweede categorie is die van de verboden methoden en de laatste categorie omvat de producten die onder bepaalde omstandigheden verboden zijn (Nelissen, 2000, p. 90).

 

Categorie I: verboden stoffen

 

Onder stimulantia vallen onder andere amfetamines, cocaïne, coffeïne en efedrine. Sommige middelen zijn niet geheel verboden. Zo mag de urine een beperkte hoeveelheid coffeïne bevatten, maar na drie koppen koffie kan die grens al bereikt zijn. Efedrine komt vaak voor in neusdruppels en hoestdranken. Het gebruik daarvan moet vooraf bij de dopingcontroleurs gemeld worden. Een aantal middelen is toegestaan, op voorwaarde dat ze geïnhaleerd worden. Amfetamines zijn vooral populair in de duursporten. Bijwerkingen zijn rusteloosheid, hoofdpijn, duizeligheid, hartkloppingen en een verhoogde bloeddruk.

     Narcotica, de officiële benaming voor pijnstillers, stellen de sporter in staat beter 'af te zien'. Morfine, heroïne en methadon vallen onder deze groep. Codeïne, zeer effectief tegen het hoesten, was jarenlang verboden, maar is nu weer toegestaan. Vaak optredende klachten bij gebruik zijn misselijkheid, ademhalingsmoeilijkheden en obstipatie.

     Anabole steroïden zijn afgeleid van het mannelijk geslachtshormoon testosteron en vergroten de spiermassa. Daarom worden zij gebruikt bij kracht- en vechtsporten en bij duursporten, waarbij kracht een vereiste is, zoals in het roeien. De stoffen kunnen oraal worden ingenomen of door middel van een injectie. Het gebruik van anabole steroïden is bijzonder gevaarlijk en kan zelfs tot de dood leiden. Een aantal typisch mannelijke bijwerkingen zijn impotentie, prostaatkanker, borstvorming, en kaalheid. Vrouwen riskeren menstruatiestoornissen, borstverkleining, stemverlaging, kaalheid en mannelijke beharing. Voor beide seksen geldt het risico van onvruchtbaarheid, psychische afwijkingen, suikerziekte, hoge bloeddruk en leverfunctiestoornissen.

     Diuretica zijn plaspillen en worden gebruikt om snel gewicht te verliezen. Ze worden geslikt door kracht- en vechtsporters die in een lagere gewichtsklasse meer kans denken te maken op medailles. Bodybuilders gebruiken diuretica omdat bij groot vochtverlies de spiergroepen duidelijker zichtbaar worden. Ten slotte hopen sporters die andere verboden middelen hebben genomen door een verhoogde urineproductie de concentratie van die stoffen te verlagen en zo door de dopingcontrole te komen. Het gebruik van diuretica kan leiden tot hartritmestoornissen, uitdroging, oververhitting, verzuring van de spieren, spierkrampen en duizeligheid.

     Peptide hormonen en verwante stoffen stimuleren lichaamseigen hormonen zoals steroïden en testosteron. Een aantal stoffen zijn alleen bij mannen verboden. Groeihormoon bevordert tot de puberteit de lichaamsgroei. Sporters willen zo de spiermassa verder opbouwen maar riskeren enorme gezondheidsproblemen. Andere bekende middelen die onder deze subgroep vallen zijn epo, dat het aantal rode bloedcellen verhoogt, en insuline. Dat laatste middel is uiteraard wel toegestaan voor suikerpatiënten. Het gebruik van groeihormoon kan hart- en vaatziekten, suikerziekte, spierzwakte en gewrichtsaandoeningen tot gevolg hebben. Met epo riskeert de sporter een hoge bloeddruk, longembolie, hart- en herseninfarct, stuipen en trombose.

     Corticosteroïden worden in het lichaam door de bijnierschors geproduceerd. Ze worden gebruikt om ontstekingen te verminderen en om euforische effecten teweeg te brengen. Bekende voorbeelden van corticos zijn zalfjes voor op het zitvlak en neus-, oog- en oordruppels. Het algemene gebruik via de mond is toegestaan, rechtstreekse inspuiting in de bloedsomloop en rectale toediening niet.

     De laatste groep in deze categorie vormen de maskerende middelen. Dit zijn producten die mogelijk de uitscheiding van verboden stoffen verhinderen of hun aanwezigheid maskeert in urine of andere monsters die gebruikt worden bij dopingcontroles. (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2004, z.p. en Nelissen, 2000, pp. 90-94).

 

Categorie II: verboden methoden

 

De bekendste verboden methode om de sportprestaties te bevorderen is bloeddoping. Daaronder wordt verstaan het toedienen van bloed, rode bloedcellen of verwante bloedproducten. Daarbij is het bloed vaak in een eerder stadium afgetapt. Als de atleet, die in de 'bloedarme' staat doortraint, de rode bloedlichaampjes dan weer toegediend krijgt, kan meer zuurstof naar de spieren worden gebracht. Een voorbeeld van een atleet die in de jaren zeventig en tachtig veel profijt heeft gehad van bloeddoping is de Finse langeafstandsloper Lasse Viren. De Amerikaanse wielrenner Tyler Hamilton werd in 2004 geschorst voor dezelfde feiten en moest zijn medaille als wereldkampioen in het tijdrijden inleveren.

     Een andere voor de hand liggende verboden methode is die van de farmacologische, chemische en fysieke manipulatie, oftewel het in de maling nemen van de controleurs. Daarbij moet gedacht worden aan het afgeven van oude of andermans urine bij de dopingcontrole of het toevoegen van maskerende stoffen aan de afgegeven urine. Zo zou de Ierse zwemster Michelle Smith haar plasje met alcohol besprenkeld hebben, waardoor het urinemonster onbruikbaar werd.

     De laatste verboden methode is genetische doping, ook wel ‘celdoping’ genoemd. Tot dusverre zijn er nog geen gevallen van genetisch verbeterde atleten bekend, maar gezien de stromachtige ontwikkelingen in de genetica valt dit voor de toekomst niet uit te sluiten.

 

Categorie III: middelen die onder bepaalde omstandigheden verboden zijn

 

Hierbij gaat het vooral om alcohol, marihuana en hasj en bètablokkers. Deze middelen zijn in een aparte categorie gerangschikt omdat zij niet door alle sportorganisaties verboden zijn. Mits gebruikt in kleine hoeveelheden vermindert alcohol het trillen van de handen. Ook helpt het de sporter zich te ontspannen en doet het zijn zelfvertrouwen groeien. Met name bij biljarten, snooker, darts en schietsporten kan dat goed van pas komen. Te veel alcohol leidt op korte termijn tot afname van het beoordelingsvermogen en de oog-hand-coördinatie en tot evenwichtsstoornissen. Op de lange termijn treden leverkwalen op.

     Ook het roken van een joint kan ontspannend werken. Voor cannabis geldt echter dat het de stemming waarin iemand verkeert, versterkt. In die zin kan het effect contraproductief zijn. Een biljarter die zich onzeker voelt, zal juist nadeel ondervinden van marihuana of hasj omdat zijn onzekerheid alleen maar toe zal nemen. Andere nadelige effecten zijn hoge bloeddruk, verminderd reactievermogen, concentratieverlies en een stijging van de hartslag.

     Bètablokkers zijn geneesmiddelen tegen hoge bloeddruk, pijn op de borst, migraine en hartritmestoornissen. Ze worden geslikt in takken van sport als schieten, moderne vijfkamp, duiken, bobsleeën en motorracen om het trillen van de handen tegen te gaan en de hartslag gelijkmatig te houden. In de meeste takken van sport beïnvloeden ze de prestatie echter juist nadelig.

 

2.3. Geschiedenis

 

Van heksenmelk tot genetische doping. Over de definitie van doping valt uren te discussiëren, maar wat zeker is, is dat de essentie ervan minstens 25 eeuwen teruggaat. Die essentie is de lichamelijke en/of mentale prestatie opkrikken met behulp van een middel van buitenaf. Volgens Nijs is het de Griek Herodikos, de allereerste sportarts ooit en met Hippocrates als leerling, die in de vijfde eeuw voor Christus gebruik maakt van zulke middelen om zijn atleten voor te bereiden op belangrijke wedstrijden (De Haes, 1980, p. 143). Hij is ook de eerste die de link legt tussen gymnastiek en geneeskunde. Herodikos heeft in de Griekse hoofdstad Athene zijn academie voor gymnastiek staan, waar jonge sporters zich voorbereiden op de Olympische Spelen. De jonge atleten schrijft hij naast een speciaal dieet van rood vlees ook zware purgantia van natuurlijke oorsprong voor, zoals wilgenbladeren en hydromel of heksenmelk, de drank der goden. Herodikos’ visie luidt dat je als sporter je vermoeidheid bestrijdt door andere vermoeidheid, niet door rust. De atleten kunnen na dertig kilometer hardlopen hun vermoeidheid kwijt in een worstelduel. Als ze er echter te slecht aan toe zijn, kunnen ze zich herstellen door het drinken van moedermelk. Twee eeuwen later staat de Griekse kennis van de werking van de flora op punt: een aantal soorten paddestoelen wordt gebruikt om de sportieve prestaties op te drijven. De Romeinse gladiatoren in het colosseum vermengen stimulantia met alcohol om zich extra te laten gelden tijdens de gevechten (De Haes, 1980, p. 143). Ook gemalen leeuwentanden en pasteitjes van stierentestikels zijn erg in trek in het Circus Maximus. Meer voorbeelden zijn er op te noemen van Noormannen met paddestoelen, ridders uit de Middeleeuwen die zich voorbereiden met pepmiddelen op het steekspel, de mescaline van de Azteken en de cocabladeren van de Inca’s.

     In de negentiende eeuw duiken de eerste wedstrijdsporters op, die cafeïne, in ether gedoopte suikerklontjes en ‘Vin Mariani’ (wijn vermengd met coke) gebruiken om meer uit zichzelf te halen. In 1865 wordt een eerste dopinggeval gemeld in de sport, het gaat over enkele gedopeerde kanaalzwemmers in Amsterdam. In 1879 worden allerlei middeltjes, bereid uit cocaïne en heroïne, uitgeprobeerd in wielerzesdaagsen (Vandevoort, 1980, p. 218). Op het einde van de negentiende eeuw valt het eerste officiële dopingslachtoffer, wat betekent dat dit de eerste keer is dat er ook geregistreerd en toegegeven wordt dat de dood te wijten is aan doping. In 1896 wint de Brit Arthur Linton de monsterkoers Bordeaux-Parijs, maar eens over de meet valt hij van zijn fiets en betaalt die zege met zijn leven. Linton sterft aan een overdosis trimethyl, een variant op alcohol.

     Het is in de twintigste eeuw, samen met de opkomst en bloei van de chemische industrie, dat doping stilaan een echte kanker wordt (De Haes, 1980, p. 144). In 1904 vinden de Olympische Spelen plaats in St. Louis in de Verenigde Staten. Thomas Hicks neemt deel aan de marathon, maar na 30 kilometer wil hij opgeven. Zijn verzorgers duwen hem een fles in de mond, die gevuld is met brandy en strychnine, een veel gebruikt pepmiddel. Hicks ziet het licht weer, raast naar de finish en wordt nog tweede. Uiteindelijk wordt hij tot olympisch kampioen uitgeroepen, omdat de winnaar het grootste deel van het parcours gelift heeft. Hicks wordt bedacht als de eerste olympische dopinggebruiker (Nelissen, 2000, pp. 54-55). De lijst met schandalen vanaf het begin van de twintigste eeuw is eindeloos. Een opvallend feit is dat de gebroeders Pelissier in 1923 toegeven dat ze amfetamines gebruiken, terwijl die pas vanaf 1935 in de medische wereld gesignaleerd worden. De Pelissiers verklaren aan de pers dat het Tourorganisator Henri Desgrange is die hen heeft aangezet tot doping, omdat ze anders de finish niet halen. Tachtig jaar later circuleren nog steeds dezelfde bedenkingen in de wandelgangen.

     De katalysator van het dopinggebruik is de Tweede Wereldoorlog (Vandevoort, 1980, 218). Soldaten slikken en experimenteren met amfetamines om de vermoeidheid tegen te gaan, wat na de oorlog leidt tot de massale intrede van amfetamines in het peloton, waar in die periode ook al geëxperimenteerd wordt met anabole steroïden. Het is wachten tot de Deense wielrenner Knut Jensen in 1960 op de Olympische Spelen van Rome sterft, vooraleer er stemmen rijzen om het dopinggebruik te controleren en te bestrijden (De Haes, 1980, p. 144). Jensen, die overlijdt aan een overdosis amfetamines, krijgt alsnog de gouden medaille.

     Definities van doping lopen heel erg uit mekaar, afhankelijk van door welk land of welke organisatie ze zijn opgesteld. In 1963 doet de bevoegde commissie van de Raad van Europa een poging (Vandevoort, 1980, pp. 220-221):

 

“Doping is de toediening aan of het gebruik door een gezond individu van een lichaamsvreemde stof langs welke ook of van een lichaamseigen substantie in abnormale hoeveelheden of langs abnormale weg met de enige bedoeling op een kunstmatige manier de prestaties op te drijven bij het individu wanneer het deelneemt aan een competitie.”

 

Vanaf dat moment begint de voortdurende race tussen doping en medische controle. Het duurt tot 1965 voor de eerste anti-dopingwetten worden aangenomen in Oostenrijk, Frankrijk en ook in België. Op zes mei verschijnt de tekst van de wet van twee april 1965, uitgewerkt door de Ministeries van Volksgezondheid en Justitie, die de dopingpraktijk als volgt beschouwen:

 

“Het gebruik van substanties of het aanwenden van middelen met het oog op het kunstmatig opvoeren van het rendement van de atleet die deelneemt of zich voorbereidt op een sportcompetitie, wanneer hierdoor schade kan veroorzaakt worden aan de fysische of psychische gaafheid.”

 

Een mijlpaal in de wielergeschiedenis is de dood van Tom Simpson op dertien juli 1967 (Nelissen, 2000, p. 57). De Brit, die twee jaar eerder wereldkampioen geworden was, sterft tijdens de Ronde van Frankrijk op de flanken van de legendarische Mont Ventoux. De fatale combinatie van hitte, inspanning, alcohol en doping doet hem de das om. De Internationale Wielerunie of de UCI legt later dat jaar de eerste sancties op aan een aantal renners dat positief bevonden wordt op doping of weigert een controle te ondergaan. De dood van Simpson en van een aantal anderen zorgt ervoor dat de publieke opinie wakker geschud wordt: niet alleen de wielerunie, maar ook de atletiekbond, het Internationaal Olympisch Comité en andere organisaties voegen een speciale anti-dopingclausule toe aan hun reglementen (De Haes, 1980, pp. 144-145). Een jaar later, in 1968, vinden de eerste dopingcontroles op de Olympische Spelen in Mexico plaats. Vier jaar eerder al op de Spelen van Tokio doen veel alarmerende geruchten de ronde. Omdat Mexico City de gaststad is, heeft het IOC een extra reden om in te grijpen en zware maatregelen te treffen: de stad ligt op zo’n grote hoogte, dat de kans op dopingdoden enorm is. De controles worden elk jaar opgevoerd en de namen van betrapte sporters verschijnen in het lang en het breed in de kranten, onder wie Jacques Anquetil, Joop Zoetemelk en Eddy Merckx.

     De amfetamines maken in de volgende decennia plaats voor hormonale doping, die niet kan teruggevonden worden in de urine. Ook cortisonderivaten en anabole steroïden zijn populair (De Haes, 1980, p. 145). In 1972 ontdekt een Zweedse wetenschapper een manier om via bloedtransfusies het aantal rode bloedlichaampjes in het lichaam te verhogen. Er is voor het eerst sprake van bloeddoping, oftewel het opkrikken van de hematocrietwaarde, die de jaren tachtig doen uitpuilen van schandalen. Op het einde van dat decennium duiken er meer alarmerende berichten op. Een aantal vrouwelijke atleten zou zwanger gemaakt zijn, om zo te kunnen profiteren van de hormonale veranderingen in het lichaam, die prestatieverhogend werken. Alles voor de sport.

De jaren negentig brengen geen beterschap. In het wielrennen is het aantal dopingzondaars haast niet bij te houden en dat is vooral te danken aan het ‘wondermiddel’ erythropoïetine of epo, dat aan het eind van de jaren tachtig zijn intrede al had gedaan, gevolgd door groeihormonen (Nelissen, 2000, p. 10). Epo zorgt voor een betere zuurstofopname, een groter uithoudingsvermogen en zou in een zware rittenkoers eerder een gezonde dan een ongezonde uitwerking hebben. Het is pas in 1994, door het ontslag van dokter Ferrari, ploegarts bij het team Gewiss, dat het epo-schandaal op straat ligt. Uit een rapport dat ondersteund wordt door schokkende getuigenissen van renners, verzorgers en ploegleiders, blijkt dat op grote schaal wordt gebruikt in het wielerpeloton. Aan het eind van 1996 en het begin van 1997 pakken buitenlandse sportkranten uit met uitgebreide artikels over erythropoïetine en groeihormonen, waardoor het publiek ook ingelicht wordt. Uit alle publicaties blijken argwaan, roddels en achterklap, vooral tegenover Italiaanse teams. Een jaar later barst de bom op acht juli 1998: Willy Voet, verzorger bij het Franse Festina-team, wordt door de douane vlakbij de Belgisch-Franse grens tegengehouden met 400 ampullen epo in de koffer (Rijckaert, 2000, pp. 18-19). Voet wordt gearresteerd en bekent dat hij in opdracht van de Festina-ploeg handelde. Meteen wordt duidelijk dat de producten niet voor een renner bestemd zijn, maar dat het gaat om handel en een mogelijk netwerk. Even later verdwijnt ook de ploegarts van Festina, dokter Eric Rijckaert, de cel in. Het is het begin van het grootste dopingproces uit de geschiedenis. Daarop komen we later terug.

     De sport- en wielerwereld dachten dat men na afloop van het Festina-schandaal in 1998 en het proces dat volgde in 2000, komaf zou kunnen maken met dopinggebruik, maar niets is minder waar. Ook in de eenentwintigste eeuw heeft doping nog steeds een belangrijke plaats in zeer veel takken van de sport. In de Verenigde Staten breekt een groot schandaal uit rond het Balco-laboratorium en het product THG, met topsprinters Dwight Chambers, Tim Montgomery en meervoudig Olympisch kampioene Marion Jones als protagonisten. Hoewel Jones nooit effectief betrapt is, wordt ze ‘uit voorzorg’ toch geweerd van alle grote meetings. In het wielrennen viert epo nog steeds hoog tij. Tour- en Girowinnaar Marco Pantani wordt meermaals betrapt en pleegt begin 2003 zelfmoord door een overdosis cocaïne. Dichter bij huis komt de affaire rond veearts Landuyt aan de oppervlakte. Wielerheld Johan Museeuw wordt in 2004 samen met drie anderen geschorst voor het gebruik van verboden middelen, waaronder epo en nesp, hoewel ze nooit betrapt zijn. Het is een ellenlange lijst die nog lang niet aan haar einde is, integendeel zelfs: in de media doen de geruchten dat genetische doping de toekomst is voor topsporters. Om dat te controleren, zal er huidweefsel moeten afgenomen worden van de sporter, wat niet evident is.

     Wat opvalt, is dat we in de geschiedenis van doping en topsport een steeds terugkerend fenomeen terugvinden: de gebruikers zijn telkens een stapje voor op de jagers en twee stappen op de regelgeving. Vanaf het moment dat onderzoekers in staat zijn om een bepaalde substantie op te sporen, is een andere en nieuwe methode al gangbaar in het peloton. Het is een onophoudende strijd, waaraan nooit een einde zal komen, omdat sporters waarschijnlijk nooit zullen stoppen met zich te vergrijpen aan doping. Hierboven hebben we meegegeven dat doping als uitwas van de sport is ontstaan, door een overdreven gerichtheid op de prestatie en vooral het resultaat. In het volgende deel proberen we de verschillende redenen voor dopinggebruik in de sport bloot te leggen en gaan we na waarom het resultaat als hoogste doel geldt.

 

2.4. Waarom doping?

 

Ellenlange lijsten van verboden middelen kunnen opgesteld worden, allerlei wetten en decreten kunnen gemaakt worden om doping uit te topsport te weren, door er sancties aan vast te knopen en door voorbeelden te stellen. Kortom, de wetgever en de sportbonden treden repressief op tegen al diegenen die zich boven de wet stellen en niet mooi de regeltjes volgen. Wielrenners als Chris Peers en Jo Planckaert zagen hun loopbaan plots gekortwiekt, omdat ze geschorst werden voor dopinggebruik. De Roemeen Adrian Mutu had net een contract bij topclub Chelsea versierd, voordat hij aan de galg moest wegens cocaïnegebruik. Volksheld Johan Museeuw moet met een schitterend palmares op zak de eeuwige smet van bedrog met zich meeslepen. Mountainbiker Filip Meirhaeghe liet zich net voor de Olympische Spelen van Athene betrappen en schorsen, terwijl hij uitzicht had op een gouden plak. Frank Vandenbroucke werd veroordeeld tot het betalen van een monsterboete van 250.000 euro en kreeg het etiket van drugsverslaafde opgeplakt.

     Dit zijn maar enkele van de tientallen voorbeelden van sporters die naar verboden middelen grepen, terwijl ze er een topcarrière op nahielden, achter de rug of nog voor de boeg hadden. Allemaal weerstonden ze de verleiding niet en proefden ze van de verboden vrucht. Het is opmerkelijk dat zovele getalenteerde en vaak ook succesvolle sporters hun toevlucht nemen tot doping en het risico om zich te laten betrappen. Dat een sporter het zinvol vindt en het waard acht om iets onsportief te doen, iets illegaal en oneerlijk om net dat trapje hoger te geraken, met als keerzijde dat hij zijn beroep tijdelijk of helemaal kwijt is, dat hij plots geen inkomen meer heeft en dat hij publiekelijk ten schande wordt gemaakt. We vragen ons af waarom een sporter zich inlaat met dopingpraktijken en die verleiding toch zo groot is, waarom de fair play niet boven aan de piramide staat en waarom doping überhaupt deel uitmaakt van de topsport.

     Volgens Bart Vanreusel, hoogleraar Sportsociologie aan de KU Leuven, heeft topsport de oude definitie van sport grotendeels laten varen. Die oude definitie is dat je een vrijwillige strijd aangaat, en dat je je houdt aan de regels die je daarvoor hebt afgesproken. Dat noemt men dan fair play. Op het moment dat je dat loslaat, ben je het oude fundament kwijt. We weten nu al vaak niet waar de sport eindigt en het theater begint, en andersom. Maar we blijven wel vasthouden aan de idee-fixe van een zuivere sport. Doping is niet meer en niet minder dan een verlengstuk van topsport, het verlengstuk van een redenering die lijnrecht is doorgetrokken. En topsport is lijnrecht: het gaat om winnen, op welk vlak dan ook (Wagendorp, 01.07.2003). Dat een beroepssporter zich niet enkel uit pure nieuwsgierigheid van doping bedient, staat buiten kijf. Hij is wel nieuwsgierig naar welke voordelen een dopingkuur kan opleveren, wat hij er bij te winnen heeft als dat risico genomen wordt. Die winst kan drievoudig zijn, namelijk op sportief, financieel en commercieel vlak.

 

2.4.1. Het sportieve aspect

 

We hadden het eerder al over Pierre de Coubertin, die excessen als de essentie van sport zag en ‘tot het uiterste gaan’ als de grootste overwinning die er is (De Haes, 1980, p. 28). We moeten geen diepgaande literatuurstudie doen, om erachter te komen dat de topsporter, die van zijn sport zijn leven heeft gemaakt, de beste wil zijn in wat hij doet. Want sport is competitie, wedijver en dat houdt winnen en verliezen in. Winnen betekent dan niet noodzakelijk de eerste plaats behalen, maar wel het beste halen uit wat erin zit. De zogenaamde ’knechten’ in het wielrennen weten dat ze meer dan waarschijnlijk nooit de Ronde van Vlaanderen zullen winnen of in de gele trui zullen aankomen op de Champs Elysées. Maar ze proberen wel de beste knecht te zijn die er is, om van hun team het beste team te maken of om hun kopman in een zo goed mogelijke positie te brengen.

 ‘Topsport’ heeft twee belangrijke elementen. Ten eerste gaat het over de absolute top, die in dezelfde sporttak en competitie tegen elkaar strijdt en die top is heel erg uitgebreid, de verschillen zijn miniem. En ten tweede houdt de mogelijkheidsvoorwaarde voor competitie in dat de basisomstandigheden voor alle deelnemers gelijk zijn. Net als bij een wetenschappelijk experiment, moeten alle andere variabelen zoveel mogelijk gelijk blijven, willen bepaalde variabelen, zoals lichaamskracht, spelinzicht of conditie, de doorslag geven. In die zin is elke competitie in wezen oneerlijk, want opleiding, opvoeding, DNA, afkomst, financiële en trainingsmogelijkheden etc. spelen allemaal een rol in de sportieve prestatie en het resultaat. Maar al die opgesomde dingen worden getolereerd en gelden niet als oneerlijk. Dat Lance Armstrong alle mogelijkheden krijgt om zijn volledig seizoen toe te spitsen op een enkele wedstrijd, dat hij twee keer per jaar op hoogtestage kan en dat een heel team van superknechten in dienst van hem rijdt, wordt niet afgedaan als bedrog of valsspelerij. Dat Michael Schumacher jaren na mekaar wereldkampioen wordt in de snelste bolide die er is, omringd door de allerbeste technici en ingenieurs, dat wordt niet gezien als niet eerlijk tegenover de andere deelnemers. Maar vanaf het moment dat blijkt dat doping er iets mee te maken heeft, wordt de zondaar in kwestie belaagd met alle zonden van Israël. Terwijl die eigenlijk niet meer heeft gedaan dan een van die variabelen gemanipuleerd, die invloed uitoefenen op het resultaat. Die variabele is dan zijn eigen lichaam en tot wat dat in staat is. In die zin neemt de sporter dan doping, puur om meer te halen uit zichzelf, om zijn lichaam en geest te verrijken, om verder te kunnen gaan dan tevoren. Maar de verklaring dat de sporter enkel met lichamelijke ontplooiing in het achterhoofd doping neemt, lijkt ons iets tekort te schieten, zeker in de huidige wereld van de topsport. Als we het eerste bovengenoemde element van topsport eraan koppelen, de competitie, komen we misschien wel tot een meer bevredigende oorzaak. De sporter wil beter zijn dan al de rest, als winnaar uit de concurrentieslag komen. Daar de top breed is en winnen en verliezen soms van kleine details afhangen, ziet de sporter de mogelijkheid om net wat boven die rest uit te steken als hij toevlucht neemt tot een verboden, prestatiebevorderend middel. Het effect van doping, namelijk een verhoogde lichamelijke en/of geestelijke capaciteit, betekent nog niet dat de overwinning verzekerd is, maar de kansen zijn in elk geval groter. De sporter kan ook enkel op zeker willen spelen, ook al weet hij dat hij zonder hulpmiddelen een grote kans heeft op slagen, zoals de student die de stof voldoende beheerst om een goed examen af te leggen, maar toch voor alle zekerheid en als mentale ruggensteun een spiekbriefje naar binnen loodst. In deze betekenis gebruikt de sporter doping om zijn kansen op de overwinning te vergroten. Hij weet dat hij tot de top behoort, maar hij weet ook dat hij de absolute top kan zijn, indien hij dat bepaalde middel gebruikt. Of dat hij tot de subtop behoort en er prat op gaat om bij de echte top te behoren of langer mee te kunnen en vol te houden, bijvoorbeeld in een zware bergetappe. Of dat hij de zekerheid heeft om gewoon nog mee te kunnen en zijn plaats te hebben in de competitie. Zo verklaarde de pas geschorste wielrenner Chris Peers in de Gazet van Antwerpen (26.08.2004, p. 24), dat het tegenwoordig onmogelijk is om zonder doping te kunnen presteren. Als je de trein niet opstapt, vertrekt hij zonder je en dan kan je ander werk zoeken. Peers is naar eigen zeggen qua medisch gebruik altijd bij de braafsten geweest, maar hij kreeg de indruk dat iedereen het doet en hij zat al in de spreekwoordelijke laatste wagon. Peers werd voor twee jaar geschorst, stopte met wielrennen en ging een café runnen. Peers heeft het over wat Van den Bulck (1999, p. 138) met het ‘band wagon effect’ bedoelt: de indruk wordt gewekt dat iedereen het doet en de neiging bestaat om niet achter te blijven bij de rest van de groep waartoe ze horen.

Eerder hadden we het al over de gebroeders Pelissier die in 1923 toegaven amfetamines te slikken, niet in de eerste plaats om de beste te zijn, maar om de finish te halen. De Franse wielrenners legden de schuld bij de organisator van de Tour, die de rittenkoers onmenselijk zwaar zou maken (Nelissen, 2000, p. 55). Ook nu nog horen we dezelfde kritiek, dat de sporters zulke grote inspanningen moeten leveren, dat zonder niet meer kan. Maar ook bij die verklaring, dat organisatoren die zelf als de dood zijn voor dopinggevallen in hun evenement te zware prestaties vragen, hebben we bedenkingen. Dat de sporters de beste willen zijn en de allergrootste eer willen behalen, door net dat tikkeltje meer te kunnen door doping, door die laatste jump of demarrage te kunnen plaatsen waar de andere moet afhaken, daar kunnen we inkomen. Zo verklaarde veldrijder Ben Berden in Het Belang van Limburg (13.01.2005, p.23) dat hij het moe was dat Sven Nijs zoveel beter was dan hij. Maar dan nog vermoeden dat er in de meeste gevallen meer aan de hand is dan prestige, eergevoel en de grootste beker mee naar huis nemen. Dat de sporter zijn sportief summum wil bereiken ligt voor de hand, maar dat die daar zijn verdere carrière voor op het spel wil zetten, betwijfelen we ten zeerste. Het zijn de gevolgen die aan een overwinning of topprestatie verbonden zijn, die ons een veel grotere rol lijken te spelen.

 

2.4.2. Het financiële aspect

 

Sport is hiërarchisch. De winnaar staat letterlijk een trapje hoger op het podium dan de tweede, de derde kan er nog net op en de rest blijft achter. Eeuwen geleden bij de Grieken was dat al zo en nu is dat niet anders. De professionalisering en commercialisering hebben ervoor gezorgd dat een overwinning of ereplaats niet meer blijft bij eer en een medaille.

     Vele sporttakken zijn uitgegroeid tot volwaardige beroepen, die het de sporter mogelijk maken zich tot miljonair te kronen en op te klimmen op de sociale ladder. Volgens Jean Nelissen (Tribune, 20.02.2004, z.p.) verdient Lance Armstrong zo’n 16 tot 18 miljoen dollar per jaar. Van zijn team, sponsors en uit ‘clinics van coast to coast’. Zijn prijzengeld schenkt hij zelfs weg. Jan Ullrich heeft jaren gehad dat hij zo’n tien miljoen Duitse Mark beurde. En zet daar dan eens een Michael Schumacher tegenover, die in de Formule 1 zo’n tachtig miljoen dollar per jaar krijgt, om nog maar te zwijgen over golfers en tennissers. De topsport, die het resultaat als hoogste doel heeft, betekent broodwinning en hoe beter de prestaties en resultaten, des te hoger het salaris. De sporter die weet dat hij toptien waard is maar geen podiumplaats, of die weet dat hij de kwartfinale kan halen maar een mirakel nodig heeft voor een finaleplaats, kan z’n heil zoeken in een prestatiebevorderend middel, niet alleen voor meer eer maar ook voor meer kwaliteit van het beleg op de boterham. Een premie van vijfduizend euro in plaats van tweeduizend kan tellen als enorme verleiding. De sporter die weet dat hij een jaar eerder kan stoppen met ‘werken’ en naar luilekkerland kan, als hij net dat tikkeltje meer kan presteren in een seizoen. Dat tikkeltje wordt mogelijk gemaakt door een middel dat hem net wat sterker maakt, helder van geest houdt en de vermoeidheid tegengaat. Er zijn er veel die de absolute top kunnen zien en haast kunnen aanraken, maar er op eigen kracht nooit zullen geraken, maar wel weten dat de middelen bestaan die hun dichter bij die top kunnen brengen.

     Als we het over de financiële kant van de zaak hebben, dan gaat het niet alleen over de premie die verdiend kan worden in een wedstrijd, maar ook over de status van de sporter, die er elk jaar opnieuw voor moet zorgen dat hij een contract versiert en liefst een verbeterd contract. Hij moet trainers en ploegleiders verleiden, sponsors onder de indruk laten komen en zichzelf proberen te verkopen en dat is mogelijk door prestaties te leveren, die belangstelling wekken. De sporter leeft en werkt met de constante druk om resultaten neer te zetten en, daar spelen de media een grote rol in, zichzelf in de kijker te zetten. En dat heeft niet alleen betrekking op degenen die de top willen bereiken, maar ook op degenen die er willen blijven of die zich minstens willen handhaven in de beroepssport.

     Van de andere kant hebben de sporters zelf niet gezorgd voor de supervette contracten en geldprijzen die de pan uit swingen. Dat bijvoorbeeld tennisster Kim Clijsters op tweeëntwintigjarige leeftijd al de kaap van de tien miljoen dollar heeft gehaald, is een gevolg van de ‘business’ die erachter zit. Organisatoren en voorzitters die zich blauw betalen om toch maar die topper te kunnen binnenhalen, sponsors die er niet voor terugschrikken om het jaarloon van David Beckham, Tom Boonen of Anna Kournikova te verdubbelen, zolang ze maar de merknaam of het logo goed in beeld brengen. Dat laatste heeft alles te maken met het commerciële aspect, dat dicht aanleunt tegen het financiële aspect en dat we in het volgende deel bespreken.

 

2.4.3. Het commerciële aspect

 

Geld en tv-rechten, sponsoring en commercialisering hebben van de topsport een business gemaakt, waarin volgens Jean Nelissen menselijke waarden overspoeld dreigen te worden (Tribune, 20.02.2004, z.p.):

 

Er is geen topsport meer mogelijk zonder de commercie. Je kunt geen Olympische Spelen meer houden zonder de honderden miljoenen aan tv-gelden uit Amerika. En de menselijke waarden zijn daarbij ondergeschikt. Je kunt die wals niet tegenhouden. Ik zat eens naast Gerrie Knetemann in de Tour, toen hij de gele trui droeg. Toen hebben we samen het aantal reclamevignetjes op zijn trui geteld. Het waren er 57! Wat moet je dan nog?

 

Volgens sportsocioloog Vanreusel is de topsport druk bezig zich los te maken van haar traditionele voedingsbodems (Wagendorp, 01.07.2003, p. 28). Ze verandert in hoog tempo in een pure entertainmentindustrie. Niet dat de sport daarmee te koop loopt, want voor de legitimatie van het entertainment wordt nog altijd geput uit de oude doos met morele argumenten. De Olympische Spelen zijn nog altijd ‘een verbroederend sportfeest voor de jeugd van de wereld’ en zullen niet snel worden geafficheerd als een ‘sportspektakel rond Coca Cola-reclames’, wat ze in feite al lang zijn. Van de grote evenementen heeft de Tour de France het duidelijkst gekozen en de ideologische lading van zich afgeduwd. Ze zeggen: “Wij zijn entertainment en wij gaan dat honderd procent uitspelen”. Misschien is dat zo omdat de wielersport van meet af aan was ingebed in de commercie en zich toch al nooit opstelde als de grote volksverheffer. De Tour is een spektakelstuk, waarin je mensen kunt zien lijden en afzien in een prestatiecontext. Het is prachtig? Soms vallen ze zelfs dood. De entertainment-industrie heeft de functie overgenomen van de religie, van de ideologie. Dat heeft ze perfect gedaan. De grote verhalen die we vroeger in de bijbel lazen, van allerlei sagen en mythen, die vinden we nu terug in de sport. De spektakelindustrie is niet dom. Die doet dat op een prachtige, sterke manier. De Tour is fantastisch, het is entertainment en prachtig entertainment, heel echt en doorleefd. En de entertainer grijpt naar de dope. Wij verwachten van hem dat hij doping neemt. De atleet doet precies wat de maatschappij van hem wil (Wagendorp, 01.07.2003, p. 28).

     In de lijn van de evolutie van sport naar business, entertainment en massaspektakel, stoten we vaak op verhalen van sporters die beweren doping te hebben genomen onder druk van de ploegleiding of van de sponsor. We hadden het eerder over Ben Berden die de hegemonie van Sven Nijs niet kon verdragen, maar hij voegde er ook aan toe dat hij zijn supporters en sponsors niet wou ontgoochelen en daarom naar doping greep. In een reactie op Berdens verklaring, zei een van zijn sponsors in Het Belang van Limburg (13.01.2005, p. 24), dat dat het einde was van een mooi verhaal: “Zonder Berden heeft het geen zin om door te gaan. Hij was de man die onze bedrijven elke week op televisie en in de kranten bracht.” We stellen ons bij zulke uitspraken meteen de vraag naar welke druk er op een sporter ligt, als een heel team op de schouders van één persoon ligt. De Fransman en ex-wielrenner Philippe Gaumont ging nog veel verder. In La Dernière Heure (02.06.2005, p. 25) haalt hij zwaar uit naar de sponsors, die de renner zwaar onder druk zetten. Renners zijn volgens hem de ‘slachtoffers van een rot systeem dat liquideert wie niet presteert’. Hij zag zijn dopinggebruik als rechtstreeks gevolg van de plicht en druk om resultaten te boeken: “Vroeg of laat bezwijk je aan de druk en ga je gebruiken. Bovendien staat de strijd tegen doping nergens, controles zijn makkelijk te ontwijken. Ik nam alles wat teamdokters me gaven. Alles, als ik er maar sneller door ging fietsen. En op geen enkel moment vroeg ik me af of je ook op een andere manier resultaten zou kunnen behalen”. De bekentenis van Gaumont werd door alle partijen ontkend, zowel door dokters als door sponsors, die alle verantwoordelijkheid van zich af schoven. Maar als er ook maar een klein beetje waarheid zit in de vertelsels van de ex-wielrenner, dan is dat een verontrustende situatie, waarvan de oorzaak quasi onmogelijk kan weggenomen worden. Ook wijlen dokter Eric Rijckaert (2000, p. 156), een oude studiegenoot van IOC-voorzitter Jacques Rogge, had het over een oneerlijk systeem: geld, nationale eer en de belangen van de ploeg en de sponsors staan centraal en van de dikbetaalde renners wordt verwacht dat ze topprestaties leveren en hoge ethische normen aanhouden.

     Daarbij komt dat sponsors en het publiek blijkbaar niet afgeschrikt worden door dopinggevallen. Wielerploegen blijven voortbestaan, ondanks de schandalen van hun renners. Sinds de oprichting van de ‘Pro Tour’ in 2005 zijn de ploegen verplicht een charter te ondertekenen, waarin staat dat een betrapte renner onmiddellijk moet ontslagen worden. Op die manier wast de ploeg haar handen in onschuld en moet enkel de renner voor de bijl en in zijn plaats komt een nieuw talent. En ook het publiek blijkt er niet van wakker te liggen. De Fransman Richard Virenque was een van de beschuldigden in het Festina-proces. Na zijn schorsing kreeg hij een plaats aangeboden bij de Vlaamse ‘Quick-Step’ ploeg en groeide hij opnieuw uit tot de Franse ‘chouchou’, die hij voor de Tour van 1998 was. PDM, een dochterbedrijf van ‘Philips’ en jaren als sponsor in het peloton, liet, beducht voor zijn naam, na het dopinggeval van werknemer Gert-Jan Theunisse een enquête houden in Nederland. Uit de resultaten bleek dat slechts vier procent van de mensen het gebeurde afkeurde en de rest kon het niet schelen (Tribune, 20.02.2004, z.p.).

     We hebben het gehad over de verleidingen waaraan sporters blootgesteld worden en wat de mogelijke aanzetten tot dopinggebruik zijn. Maar vooraleer de sporter zich kan bedienen van verboden middelen, moeten die ook op een of andere manier voorhanden zijn en moet de sporter over de nodige knowhow beschikken om gebruik te maken van een product. In een volgend deel bespreken we de rol die de farmaceutische industrie en de medische wereld spelen.

 

2.5. Homo Farmaceuticus

 

2.5.1. Medicijnencultuur

 

Een ander aspect, dat de sport overstijgt, is de medicijnencultuur waarin we leven. Volgens Nijs heeft de mens altijd al zijn prestaties kunstmatig willen opdrijven, of dat nu in een gevecht of in de sport was (De Haes, 1980, pp. 143-144). Maar dopinggebruik bleef altijd kleinschalig, totdat de farmaceutische industrie zo’n 75 jaar geleden een hoge vlucht nam. Doping werd pas een echte kanker voor de sport in de loop van de twintigste eeuw, vooral door de bloei van de scheikunde, die in de topsport een prachtig en enorm afzetgebied zag. Professor Debackere had het in 1979 al over de toenemende medicalisering van de maatschappij en dat doping niet los te koppelen is van het al te gemakkelijk grijpen naar geneesmiddelen. Hij ziet doping als een der aspecten van de plaag waaraan onze ‘permissieve’ maatschappij lijdt, namelijk de overconsumptie aan geneesmiddelen. Het is niet eigen aan de sporter maar aan de mens in het algemeen, die voor het minste naar de dokter loopt en niet tevreden is als er geen pilletje is voorgeschreven (De Backere, 1979, p. 237 & Vanden Bossche, 25.08.1979, p. 117).

 

2.5.2. Geschiedenis

 

De geschiedenis van het ‘moderne’ dopinggebruik begint in 1935. In dat jaar ontdekken drie onderzoeksteams, gesponsord door met elkaar wedijverende farmaceutische firma’s, een manier om het mannelijk geslachtshormoon testosteron te maken uit cholesterol. Het synthetische geslachtshormoon wordt op korte tijd een rage. Tienduizenden mannen gebruiken het in de daaropvolgende jaren als ‘tonicum’, als een algemeen middel dat meer vitaliteit, meer gezondheid en een gespierder lichaam moet opleveren. Advertenties prijzen het nieuwe wondermiddel aan als ‘de fontein der jeugd’ en veel huisartsen schrijven met hetzelfde gemak testosteroninjecties voor. In een paar subculturen waar mannelijkheid erg belangrijk is, groeit het gebruik van het hormoon uit tot epidemische proporties. Bepaalde legereenheden waarderen vooral de agressie en vechtlust die het middel veroorzaakt. Iets soortgelijks was aan de hand in de Amerikaanse georganiseerde misdaad.

Volgens sommige journalisten was het gebruik van hormoonpreparaten binnen de kringen rond notoire maffiosi als Lucky Luciano en Al Capone enorm (Koert, 2000, z.p.). Daar zou ook de karakteristieke hese stem vandaan komen die het handelsmerk was van een groot aantal maffiosi, en die de wereld heeft leren kennen van een acteur als Marlon Brando. Een hese stem is een kenmerk van een hoog testosterongehalte. Na de Tweede Wereldoorlog beginnen de aanwijzingen voor de schadelijke kanten van testosteron zich op te stapelen en worden artsen terughoudender in het voorschrijven van het hormoon. Maar atleten hebben intussen de mogelijkheden van het hormoonpreparaat ontdekt. In de jaren vijftig komt John Ziegler, de coach van het Amerikaanse team van gewichtheffers, daar op pijnlijke wijze achter. Zijn pupillen raken steeds verder achter op de Russen en bijten bij elk internationaal treffen in het stof. Tijdens een wedstrijdevenement merkt Ziegler dat een aantal Russische atleten niet meer gewoon kan urineren. Een beschonken Rus legt hem uit dat een opgezwollen prostaat de urinewegen blokkeert. Het is het gevolg van dagelijkse injecties met testosteron. Nadat hij het geheim van de Russische sportieve overmacht heeft achterhaald, wendt Ziegler zich tot chemici binnen het farmaceutisch concern ‘Ciba’, met de vraag of zij niet iets kunnen maken wat het spierweefsel net zo hard laat groeien als testosteron, maar wat minder bijwerkingen heeft? De vraag wordt positief beantwoord en eind jaren vijftig lanceert het bedrijf ‘Dianabol’, het eerste effectieve anabole steroïde (Koert, 2000, z.p.). Op die manier gaat de bal aan het rollen en sluipt de farmaceutische industrie de sportwereld binnen. Eerst zijn het vooral bodybuilders en gewichtheffers (en acteurs) die ze gebruiken, maar enkele jaren later is het gebruik gemeengoed in alle takken van de sport waar fysieke kracht van belang is: zwemmen, sprinten en andere atletiekonderdelen. De wielrenners volgen pas in de jaren zestig, omdat zij vooral met amfetamines experimenteren. De atletiek van de jaren zeventig en tachtig werd gedomineerd door de Oostbloklanden, door de inbreng van scheikundigen en farmacologen. Achteraf blijkt dat sommige van die sporters daar een hoge prijs voor moeten betalen. Vrouwelijke sporters ontwikkelen mannelijke beharingpatronen of worden onvruchtbaar. Atleten van beide geslachten krijgen ernstige blessures, kapotte gewrichten, leverstoornissen en soms zelfs kanker. Eind jaren tachtig trekt de medische stand zich grotendeels uit de doping terug. De belangrijkste reden daarvoor is dat het gebruik van hormonen grote medische risico’s met zich mee blijkt te brengen. Omdat er ook in de medische wetenschap steeds minder toepassingen voor anabolen zijn, stopt de ene na de andere farmaceutische onderneming met de productie. Maar het was al te laat, want een internationale undergroundcultuur had zich ontwikkeld waarin alles draait om het opvoeren van menselijke prestaties. Bodybuilders grijpen naar alle mogelijke middelen om zo groot en gespierd mogelijk te worden. Traditionele sporters proberen records te breken. De middelen die ze daarvoor gebruiken, komen niet langer van artsen en steeds minder vaak van gerespecteerde farmaceutische ondernemingen. Centraal in de anabolencultuur staan de dopinggoeroes en de handelaren, die vanaf de jaren tachtig hun middelen steeds vaker van criminele organisaties moeten kopen. ‘Wilde laboratoria’ waarin steeds extremere experimenten uitgevoerd worden, zien het leven, op zoek naar nieuwe combinaties van middelen en technieken die grenzen kunnen verleggen. Dat nieuwe product is het groeihormoon, een combinatie van menselijke hormonen en anabole steroïden. Groeihormoon, zoals THG, werd hot. ‘De champagne van de verboden middelen’, noemden journalisten het (Koert, 2000, z.p.).

Ondertussen is het taboe rond doping volkomen. Artsen en bekende ondernemingen, atleten en sportorganisaties hebben zich er officieel van afgekeerd. Maar in het laboratorium in het wild, in de dopingunderground, gaat de zoektocht ongehinderd verder. En wat verboden is, moet clandestien gebeuren, met alle gevaren en gevolgen van dien.

 

2.5.3. Het medische korps

 

In navolging van de toegenomen medicalisering in de hele maatschappij, zijn ook de topsportlui ervan overtuigd geraakt dat het zonder doping niet meer gaat (Vandevoort, 1980, p. 219). Het medische korps, dat een eindeloos vertrouwen heeft in de farmaceutische industrie en het geneesmiddelenarsenaal werkt dapper mee, zonder stil te staan bij de gevaren die eraan verbonden zijn. Een sportman kan probleemloos anabolica voorgeschreven krijgen en even probleemloos cortisoninspuitingen als hij pijn ervaart. Maar artsen vergeten maar al te vaak dat sporters na de consultatie naar huis gaan en aan zelfmedicatie doen. Als de arts gezegd heeft dat één spuitje wel zal volstaan ter voorbereiding van een wedstrijd, dan zal de sporter er in de toekomst twee nemen, om een dubbel effect te krijgen. Nijs is van mening dat men radicaal van in het kabinet van de arts of apotheker moet weigeren om middelen ter hand te stellen, die gevaar inhouden (De Haes, 1980, p. 172). De sportman die gezond is, heeft geen geneesmiddelen nodig. Die middelen zijn er voor zieke mensen. De sporter mag in geen enkel geval zelf voor arts of apotheker gaan spelen. Tijdens een huiszoeking bij wielrenner Frank Vandenbroucke in februari 2002 werd een halve apotheek dopingproducten aangetroffen, die een topsporter met een rechte levenswandel niet in huis hoeft te hebben (Het Belang van Limburg, 29.11.2004, p. 25). Vandenbroucke zelf hield het bij een vervallen geneesmiddel en een medicament voor zijn hond, maar later kwam uit dat hij zeven verschillende verboden producten in huis had, waaronder epo, morfine en hormonen.

     Volgens Nijs moet men de mensen er op wijzen dat sport enkel zin heeft zonder doping en dat het gevaarlijk en bovendien immoreel is om wel verboden middelen te gebruiken (De Haes, 1980, pp. 173-174). Alternatieven als wetenschappelijke training, aangepaste voeding en continue verzorging moeten aangewend worden. Het publiek moet voorlichting krijgen, die kadert in een algemene campagne tegen de overconsumptie van geneesmiddelen. Maar we vragen ons af of wat Nijs voorstelt nog wel haalbaar is in de huidige maatschappij en zeker in de context van de wielersport. Een campagne ‘pro gezondheid’ weegt volgens ons niet op tegen de roem en het geldgewin die door toedoen van medicamenten binnen handbereik liggen. De wielersport heeft bovendien een jarenlange traditie van medicijnengebruik, van begeleiding door verzorgers en ploegdokters, met daarachter een business met enorme geldsommen die circuleren in een clandestien circuit van maffioso, de farmaceutische industrie en zelfs veeartsen.

     Wijlen dokter Eric Rijckaert (2000, pp. 62-63) beweerde dat de hoofdregel in het zaken doen en in de moderne sport ‘producten afleveren die verkoopbaar zijn’ is. Hij vroeg zich af of de eerlijkheid tegenover de koper de doorslag moest geven of de eerlijkheid tegenover de concurrentie, die ook niet vertelde wat zij achter de hand hield. Het zijn de renners die vragende partij zijn en de overdreven aanwezigheid van producten in het milieu is niet meer dan een erfenis van jarenlang ongeremd gebruik van geneesmiddelen, dat niet meer terug te dringen is. Rijckaert verklaarde dat hij als dokter voor een voldongen feit stond bij de opkomst van epo en dat er enkel de mogelijkheid restte om de sporters te beschermen tegen een ongecontroleerd en gevaarlijk gebruik, met de gezondheid voorop. De Festina-ploeg ging over naar een gecontroleerd gebruik van epo en naar een soort aankoopsysteem, omdat er zo geen clandestiene handel zou ontstaan. Rijckaert dokterde een strategie van medische begeleiding uit, om gevaren zo veel mogelijk uit te sluiten. We mogen hier niet zomaar uit besluiten dat alle dokters in de sportwereld geen keuze hebben en enkel handelen met de gezondheid van de sporter voor ogen. Rijckaert werd door zijn terughoudende en begeleidende aanpak ‘dokter Punto’ genoemd, omdat hij het andere uiterste was van de Italiaanse dokter Ferrari. In 2003 werd die laatste veroordeeld tot een voorwaardelijk gevangenisstraf van een jaar wegens sportieve fraude en misbruik van het beroep van apotheker. Hij werd beschuldigd van het toedienen van verboden dopingproducten aan wielrenners. Tot zijn cliënteel behoorden onder andere Mario Cipollini, Axel Merckx, Pavel Tonkov en ook Lance Armstrong. De Amerikaan kwam mede door zijn banden met Ferrari in opspraak. In een aantal boeken van ex-renners wordt ‘Il dottore’ zonder veel omwegen aangewezen als de persoon bij wie altijd wel een potje snoep te krijgen is (Het Belang van Limburg, 24.08.2004, p.28). Armstrong verklaarde dan weer dat hij bij de Italiaan te rade gaat voor zijn uitzonderlijke kennis van trainingsschema’s en de biomechanica en dat ze nog nooit over medicijnen hebben gepraat. Hij ontkende niet dat hij een adept was van Ferrari en zei (in 2001) dat niemand schuldig is tot iemand dat kan bewijzen. Na Ferrari’s veroordeling verbrak Armstrong naar eigen zeggen de banden met de Italiaanse wonderdokter. We moeten dus oppassen met het generaliseren van de rol van de medici, want de ene dokter is de andere niet. Van Ferrari werd gezegd dat hij de hele bovenlaag van het peloton bevoorraadde, bij Rijckaert was niets te krijgen en die kreeg daar dan een bijnaam voor. Rijckaert vond dat sporters tegen zichzelf moesten beschermd worden. Producten onder de tafel en automedicatie moesten geweerd worden. Hij zag wat hij deed als niet meer dan begeleiden, omdat hij tegen een overmacht stond en mee moest spelen of de overstap naar kermiskoersen maken. En verboden producten hebben niets te maken met het uiteindelijke principe van de geneeskunde, aldus Rijckaert (2000, p. 75), want enkel het beveiligen van de gezondheid is van belang. De hoofdbedoeling voor een dokter is de sporter in staat stellen zijn werk en zijn loopbaan te vrijwaren.

     Het verschil tussen doping en medische begeleiding lijkt essentieel in het dopingverhaal. In het volgende, afsluitende deel van het dopinghoofdstuk, confronteren we een aantal vooraanstaande meningen met mekaar. Meningen en argumenten pro en contra dopinggebruik en het al dan niet liberaliseren ervan.

 

2.6. Het dopingdebat

 

Eerder zegden we al dat doping een fenomeen is dat de sport overstijgt. De deelnemers aan een debat over doping komen uit heel verschillende secties van de maatschappij. De sportman en -vrouw, de dokter, de verzorger, de ploeg- of clubleiding, de sponsor, het gerecht, de wetgever, de farmacie, de ethicus, de sportbonden en de gezondheidsinspectie hebben allen hun zegje en aandeel in de discussie. Doping omarmt zeer veel werelden, waartussen wrijvingen bestaan. Het ligt niet in onze bedoelingen om een oordeel te vellen over de wenselijkheid en toelaatbaarheid van doping in sport, maar we achten het wel zinvol om beknopt de belangrijkste argumenten pro en contra aan te kaarten.

     De drie grote argumenten contra zijn dat doping oneerlijk, ongezond en onnatuurlijk is. Met andere woorden, doping ondermijnt de gelijkheid van kansen, het kan de gezondheid schaden en je dient prestaties te leveren op natuurlijke wijze, wat dat dan ook is. Volgens sportsocioloog Bart Vanreusel kan je elk van die drie argumenten gemakkelijk onderuithalen (Wagendorp, 01.07.2003).

     Ten eerste is er het argument van de kansengelijkheid. Er zijn massa's ongelijkheden, vanaf het begin af. Materiaal, financiën, genen etc. Als je doping vrijlaat, dan pas heeft iedereen gelijke kansen, aldus Vanreusel. Daarbij stellen we meteen de vraag naar de heiligheid van de fair play. Als doping getolereerd wordt, dan worden degenen die het spel ‘eerlijk’ willen spelen er de dupe van en wordt elke atleet verplicht om doping te gebruiken, wil hij de top bereiken. Veel sporters die ‘clean’ willen blijven, zullen afhaken en de rest zal een soort chemische wedloop houden, waarbij degene die zijn leven het meest in de weegschaal durft te leggen, het verst zal komen. In theorie is er een vrije keuze om de handen af te houden van prestatiebevorderende middelen, maar de praktijk en de werkelijkheid zijn anders. Uit hoofde van het vrijheidsprincipe is elke mens vrij te doen wat hij doet met zijn lichaam, maar worden de anderen dan niet van hun vrijheid beroofd, omdat zij zich geneigd zullen voelen mee te moete doen? (Vandevoort, p. 232) Bovendien leidt het vrijlaten van doping niet rechtstreeks naar meer gelijkheid, want er steken onmiddellijk nieuwe variabelen de kop op. Wie de beste dokter heeft, wie het makkelijkst aan de beste producten kan geraken en wie het meest kapitaalkrachtig is, wie lichamelijk het best reageert op een bepaald product etc. Eric Rijckaert (2000, pp. 74-75) pleitte ook voor het vrijlaten van doping, maar met controle door bevoegde artsen. Doping kan en zal nooit uit de sport te houden zijn en vroeger gebruikte men veel gevaarlijkere producten, omdat het ieder voor zich was in alle clandestiniteit. Nu hebben ploegdokters nog enig zicht op welke producten er circuleren, zodat er kan gewaarschuwd worden voor gevaren voor de gezondheid. Vroeger vielen er ook veel meer doden vanwege gevaarlijke dopingcocktails. Toen deden ze maar wat.

     En dan komen we meteen bij het tweede argument, dat van de gezondheid. Bertold Brecht zei dat topsport begint waar de gezondheid ophoudt. Ook Vanreusel denkt dat het misschien veel ongezonder is de Tour de France zonder doping te rijden dan met. Het ongezonde is niet doping, maar de Tour zelf. (Wagendorp, 01.07.2003). De idee van een gezonde geest in een gezond lichaam hoort niet meer in de topsport thuis. Topsport en de illusie van gezondheid horen niet bij elkaar. Als we de gezondheid van de renner voorop zouden stellen, moeten we in een zware rittenkoers zes rustdagen inlassen en die hele hoge bergen eruit gooien. Het zijn allemaal rationalisaties, maar de werkelijkheid is anders. Zoals hierboven gezegd, maken we de bedenking of het kan dat gezonde individuen geneesmiddelen gebruiken, want enkel zieke mensen moeten genezen worden. Dokter Rijckaert (2000, pp. 75-78) vindt het gebruik van die middelen wel gerechtvaardigd, omdat de symptomen van een min of meer normaal ziekteproces aanwezig zijn. Hij vindt het onlogisch dat elke medicatie gelimiteerd wordt wegens het theoretisch gevaar op een betere prestatie. Alle gebruik van producten wordt gecriminaliseerd, terwijl die de gezondheid ten goede kunnen komen, ook al zijn ze verboden en prestatiebevorderend. Het beveiligen van de gezondheid staat bovenaan en als de balans van het gebruik van een product positief is, dan is er geen beter principe dat het tegendeel kan verdedigen. Claeys (1986, p. 104) vindt dat sport op de eerste plaats de gezondheid moet bevorderen en niet op een onnatuurlijke wijze benadelen. Doping is een gevaar voor de psychische en fysische integriteit van de atleet, sport zonder doping is de enige waarborg voor de ‘echte’ sportbeoefenaar. We kunnen ons afvragen of dit geen nobele, maar erg hypocriete houding is ten aanzien van de realiteit. De strijd tegen doping moet niet gestaakt worden, want er lopen zeer veel malafide figuren rond in de sportwereld, die uit eigenbelang handelen en bijvoorbeeld hun producten aan de man moeten brengen, omdat ze commercieel ingesteld zijn en het gevaar voor de gezondheid bagatelliseren. De rotte appels moeten opgespoord worden, maar het beeld van een zuivere sport lijkt ons utopisch, naïef en evenzeer ongezond. Mensen als dokter Rijckaert die, niet zoals de moraalridders, in het milieu zitten, gaan ervan uit dat doping de facto deel uitmaakt van het sportgebeuren. Zij nemen het erbij, maar ijveren voor een gecontroleerd gebruik, omdat veel van de verboden én toegelaten producten kunnen leiden tot misbruik, gewenning en verslaving (Vandevoort, p. 223). Het geval Erik de Vlaeminck is er een schrijnend voorbeeld van. De Vlaeminck is zevenvoudig wereldkampioen veldrijden, maar hij was zwaar verslaafd aan het middel ‘pervitine’. Zijn langdurige inzinking zou te wijten zijn aan verslavingsverschijnselen. Om aan het middel te komen, vervalste hij recepten, smokkelde hij vanuit het buitenland en pleegde hij zelfs overvallen op apotheken. Dichter bij huis lukte het ook, want op een wielerproces van eind 1975 te Gent, waar renners, verzorgers en dokters terechtstonden, werden twee dokters beschuldigd van het voorschrijven van pervitine aan De Vlaeminck (De Haes, pp. 165-167). Het voorbeeld van De Vlaeminck toont aan dat sporters op eigen houtje aan hun gerief geraken, wat tot excessen kan leiden zonder controle door een arts. Maar van hetzelfde verhaal leren we dat er tussen de artsen ook malafide personen zitten, die een loopje nemen met de ‘eed van Hippocrates’. We herinneren ons dat Hippocrates de leerling was van Herodikos, de allereerste sportarts die zijn leerlingen dopeerde.

     Tenslotte is er het argument dat doping biologisch en fysiologisch onnatuurlijk is. Zonder twijfel staan we binnen een à twee generaties met genetisch gemanipuleerde atleten. Dan is heel het debat over natuurlijk en onnatuurlijk een achterhaalde kwestie. Vanreusel vergelijkt het met Sinterklaas. Het doet zo'n pijn als je hoort dat hij niet meer bestaat. Wij willen graag in een mooie schone wereld leven, maar dat kan niet en we willen het ook niet echt. We zouden aan elk dopingproduct een markeermolecule kunnen hechten. Maar we doen dat niet, omdat we daarmee de spectaculaire sport zoals wij die willen zien in gevaar zouden brengen. Vanreusel vraagt zich af of doping het kwaad is of eer