Dierenopvattingen en -voorstellingen in de stand van de kennis in de 13de eeuw. (Caroline Everaert)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding

 

Reeds van in de prehistorie tot op de dag van vandaag werd de mens geïntrigeerd door dieren. De eerste uiting van deze fascinatie begon reeds zo’n goede 25000 jaar geleden toen de eerste mensen dieren op de rotswanden schilderden of uitkerfden – zoals in de grot van Altamira of de grot van Lascaux. Deze mens was afhankelijk van de dieren om te overleven, maar wist tegelijkertijd welke gevaren er schuilden in de natuur waarin hij leefde. Terwijl de eeuwen verstreken, bleef de mens het dier bewonderen en vrezen. In vele natuurreligies moesten de dieren goden of voorvaderen voorstellen. In Egypte bezaten de goden het lichaam van een mens maar hadden ze het hoofd van een dier, denk maar aan Anubis met de kop van een jakhals of Horus met die van een valk. Goden konden zichzelf in dieren veranderen – zo werd Zeus een adelaar of een stier of een zwaan – of ze hadden steeds bepaalde dieren bij zich – Odin werd vergezeld door zijn twee raven en wolven. Hoewel men vandaag anders naar de dieren kijkt, blijven ze integraal deel uitmaken van de menselijke leefwereld. Verschillende soorten dieren worden als huisdier gehouden, mensen gaan naar de zoo om dieren te bekijken en Disney verdient massa’s geld door dieren als sprookjesfiguren te laten spreken. De Middeleeuwen vormden hierop, zij het met cultuurhistorische nuances, geen uitzondering.

 

 

1. Doel, opzet en werkwijze

 

In deze verhandeling zal gepoogd worden te schetsen hoe de middeleeuwer naar de dieren keek. De Middeleeuwen omvatten echter maar liefst een goede duizend jaar. Het is dus onmogelijk om de gehele periode grondig te analyseren in dit beperkte bestek. De nadruk zal hier liggen op de 13de eeuw, omdat zoals zal worden aangetoond, in deze eeuw in de geleerde boekenwereld twee methoden om informatie te vergaren naast elkaar bestaan. De eerste methode is erg traditioneel en typerend voor de laat-antieke en vroeg-middeleeuwse cultuur. Deze methode werd gekenmerkt door een groot respect voor de zienswijzen en geschriften van voorgangers waarbij veel van hun kennis wordt overgenomen. Een nieuwe methode in de 13de eeuw is daarentegen een sterker encyclopedisch-kritische en meer empirische werkwijze. De bronnen die zullen geanalyseerd worden zijn afkomstig uit beide stromingen.

 

Om tot een inzicht te komen in de gedachtewereld van de middeleeuwer zullen verschillende bronnen bestudeerd worden. Alvorens hiermee te beginnen zal nog in deze inleiding worden uitgelegd welke bronnen hiervoor gebruikt zullen worden, wie de auteur was en voor wie hij het werk schreef. Een apart hoofdstuk is gewijd aan de 13de-eeuwse auteur Jacob van Maerlant en diens werk Der naturen bloeme dat als leidraad gebruikt wordt doorheen de verhandeling. Er wordt een korte biografie gegeven en tevens ingegaan op het geïntendeerde publiek van de schrijver. Hiervoor wordt voornamelijk gebruik gemaakt van het werk van Frits van Oostrom, Maerlants wereld. Daarnaast wordt Der naturen bloeme geplaatst binnen het genre van de bestiaria en de natuurencyclopedieën.

 

Het volgende hoofdstuk moet een inzicht brengen in de omgang van de toenmalige samenleving met de dieren. Het eerste deel van dit hoofdstuk behandelt de dieren waarmee de middeleeuwer vertrouwd was en die hij in het dagelijkse leven tegenkwam. Het tweede onderdeel van dit hoofdstuk zal een algemeen beeld scheppen van welke plaats het dier innam in de verbeelding en de kennis van de middeleeuwer. Hiervoor wordt aandacht besteed aan de morele en symbolische betekenis die men dieren toekende in encyclopedieën en de bestiaria, de religie, de literatuur, de kunst en de heraldiek.

 

In de daarop volgende hoofdstukken worden enkele dieren uit Der naturen bloeme gekozen en worden de beschrijvingen uit verschillende bronnen tegenover elkaar gezet. Het is de bedoeling om na te gaan wat iedere auteur zegt, of hij zich baseert op de traditie of empirische informatie, of hij hier een moraal aan toevoegt en of deze moraal christelijk religieus dan wel wereldlijk gekleurd is. Hiervoor werden uit ieder hoofdstuk met dieren van Der naturen bloeme twee dieren geselecteerd: een echt bestaand dier en een imaginair dier. Voor de viervoetige dieren werden de leeuw en de eenhoorn uitgekozen, voor de vogels de arend en de feniks, voor de watermonsters de krokodil en de zeemeermin, voor de vissen de walvis en de echinus, voor de gifslangen de salamander en de basilisk en voor de kruipende dieren tenslotte, de bij en de thamur of salomonsworm. Deze gegevens zullen dan vergeleken worden met de illustraties uit het Aberdeens bestiarium en Der naturen bloeme. Voor dit laatste werd gebruik gemaakt van de prenten uit de handschriften KB, KA 16 en KB, 76 E 4 die door de Koninklijke Bibliotheek van Nederland online beschikbaar zijn gemaakt. Het handschrift KB, KA 16 zou omstreeks 1350 tot stand zijn gekomen in Vlaanderen. KB, 76 E 4 werd in Vlaanderen of Utrecht gecreëerd en is ongeveer een eeuw later vervaardigd, ruw geschat tussen 1450-1500. De overeenkomsten in de illustraties doen vermoeden dat dit laatste gebaseerd is op het KB, KA 16 handschrift.

 

De confrontatie tussen fantasierijke en echt bestaande dieren is interessant omdat eruit kan afgeleid worden of ze door auteurs verschillend behandeld worden. Eventueel kan uit dat verschil blijken of het bestaan van sommige van deze dieren in vraag wordt gesteld. Men kan zich hier ook afvragen of de middeleeuwer werkelijk geloofde in hun bestaan. Deze vraagstelling is volgens Pamela Gravestock problematisch. Ze wijst erop dat men weliswaar gemakkelijk een onderscheid maakt tussen deze dieren, maar dat dit niet zo vanzelfsprekend is en men mag er niet van uitgaan dat de middeleeuwer dit ook deed. Dieren zoals de leeuw en de olifant mogen nu wel heel gekend zijn, voor de middeleeuwer waren ze wellicht even exotisch als de eenhoorn of de feniks. Fantasie en bestaande dieren werden met een zelfde hang naar realisme beschreven of beter gezegd, de beschrijvingen bevatten een zelfde dosis verbeelding. Naturalisten gaan ervan uit dat alle dieren in het bestiarium, hoe fantastisch ook, gebaseerd zijn op een reële observatie, maar door onbegrip of misverstanden, in de vertalingen of de beschrijvingen, hebben geleid tot het ontstaan van de fantasiedieren. De eale, een dier ter grote van een paard met een olifantenstaart en lange horens die hij in de richting kan buigen die hij maar wil, wordt bijvoorbeeld zo geïdentificeerd als een gnoe, een berggeit of een Indische waterbuffel. Gravestock vindt echter dat de veronderstelling dat de imaginaire dieren voortkomen uit fouten, onrecht doet aan de menselijke verbeelding. Het is anachronistisch om deze dieren daadwerkelijk in Ethiopië of India te gaan zoeken omdat deze plaatsnamen voor de middeleeuwer gewoon betekenden dat ze ver weg waren, zoals 40 dagen of jaren in de Bijbel gewoon een lange tijd betekenen. Daarenboven gaat deze stelling voorbij aan de morele betekenis die de dieren hadden gekregen.

 

Gravestock stelt een andere benaderingswijze voor waarbij men ervan uitgaat dat de meeste middeleeuwers in het bestaan van de imaginaire dieren geloofden. Dit wordt bevestigd doordat er in de manuscripten geen duidelijk onderscheid werd gemaakt en ze voorkwamen in dezelfde categorieën als de werkelijke dieren. De enige uitzondering hierop is het bestiarium van Westminster Abbey waar een speciale categorie bestaat voor de fantastische dieren. Toch is zelfs dit niet in tegenspraak met deze stelling omdat naast enkele mythologische dieren het merendeel, zoals de feniks, de draak, de griffioen, de eenhoorn en de eale, nog steeds bij de echte dieren worden gerangschikt. Zelfs in de 13de-eeuwse natuurhistorische werken van auteurs zoals Albertus Magnus, die ernaar streven het fantastische aspect weg te filteren, worden dezelfde dieren nog steeds vernoemd. Dat Albertus Magnus het bestaan van sommige dieren niet ontkent – zo zal ook blijken in deze verhandeling – heeft veel te maken met het feit dat sommige dieren een belangrijke religieuze, symbolische betekenis hadden en in de Bijbel voorkwamen. Zelfs een geleerde als Albertus Magnus zal niet zomaar ingaan tegen deze autoriteit. Mogelijk is dit een verklaring waarom men zolang vasthield aan het bestaan van deze dieren.

 

Dit alles brengt Gravestock uiteindelijk tot een nieuwe conclusie. Middeleeuwers wisten waarschijnlijk wel dat de imaginaire dieren niet bestonden. Toch is de vraag naar hun bestaan gewoon irrelevant. Bestiaria hadden niet de bedoeling om de wereld op een realistische manier te beschrijven, maar waren gericht op de moralistische connotaties of op de loutere amusementswaarde. Het onderzoek naar een basis van realiteit in deze fantastische beschrijvingen is een ontkenning van de inventiviteit van de middeleeuwer en verschaft bovendien geen dieper inzicht in de symbolische betekenis die de dieren kregen. Het is volgens Gravestock constructiever om trachten te achterhalen waarom de middeleeuwer deze fabelachtige dieren bewust in de kunst, de literatuur en de theologie gebruikte. In deze verhandeling zullen we trachten om Gravestocks theorie te onderbouwen en hopelijk zelf een verklaring te geven[1].

 

Er zijn heel wat werken die de dieren in de Middeleeuwen behandelen; vooral de bestiaria krijgen veel aandacht. Meestal worden enkele dieren eruit gelicht en worden de beschrijvingen van verschillende teksten met elkaar geconfronteerd. In mindere mate worden deze gegevens echter ook vergeleken met de encyclopedische werken, wat in deze licentiaatsverhandeling wel het geval is. Hier volgt een korte opsomming van de werken die het meest behulpzaam zijn geweest. Debra Hassig’s Medieval Bestiaries: Text, Image, Ideology (1995) is interessant; ondanks een beperkt aantal besproken dieren, tracht de auteur soms wel buiten het bestiarium te treden. Haar ander werk The Mark Of the Beast: the Medieval Bestiary in Art, Life, and Literature (1999) is een verzameling van essays van verscheidene auteurs waaronder Did Imaginary Animals Exist? van Pamela Gravestock en Bestiary Lessons on Pride and Lust. Francis Klingender bespreekt in zijn Animals in Art and Thought (1971) niet alleen de Middeleeuwen, maar geeft een overzicht van de evoluties die van de Oudheid tot de Late Middeleeuwen plaatsvonden. Beryl’s Rowland’s werk Birds with Human Souls: a Guide to Bird Symbolism bespreekt alle vogels die in de bestiaria aan bod komen en geeft een overzicht van de evolutie in hun verbeelding beginnende van de Oudheid tot de Nieuwe Tijd. Raymond van Uytvens’ recentelijk verschenen werk De papegaai van de paus (2003) bevat een schat aan informatie over het gebruik dat de middeleeuwse samenleving van de dieren maakte. Voor deze thematiek is er ook het werk van Robert Delort Les animaux ont une histoire (1984) dat echter meer dan de Middeleeuwen alleen behandelt. Hiernaast werden verschillende ander werken geraadpleegd die voornamelijk informatie gaven over de specifieke dieren die in de verhandeling aan bod komen en het beeld van de primaire bronnen al dan niet bevestigden.

 

Hoewel er heel wat werken over de dieren en de mens in de Middeleeuwen bestaan, is zeker nog niet alles gezegd. Door deze studie te beperken tot de 13de eeuw en niet alleen naar het bestiarium maar ook naar de encyclopedieën te kijken, zal getracht worden om tot een dieper inzicht te komen over hoe dieren door de middeleeuwers gezien werden. In de 13de eeuw stond men immers aan het begin van een wetenschappelijke heropleving, maar tegelijkertijd was de traditie nog sterk aanwezig. Welke beelden kwamen naar voren in de geest van de middeleeuwer? Hechtte hij geloof aan het bestaan van fantastische dieren? Waarom schreef men werken over de natuur? Om de natuur beter te begrijpen, om door te dringen tot de goddelijke wereld die erachter lag, voor de moraal of misschien gewoon om de tijd te verdrijven? Welke wetenschappelijke aspiraties had men? De lijst van vragen is omvangrijk, maar hopelijk zullen enkele beantwoord kunnen worden.

 

 

2. Bronnen

 

Om tot een beter begrip te komen van de kennis en de houding die men in de 13de eeuw had tegenover de dieren, zullen zes bronnen onderzocht worden. De voornaamste bron, en tevens ons uitgangspunt waarmee alle andere bronnen zullen vergeleken worden, is Der Naturen Bloeme van Jacob van Maerlant. De auteur en diens werk zullen uitvoerig behandeld worden in het tweede hoofdstuk. In deze inleiding komen de overige vijf bronnen in chronologische volgorde aan bod om enerzijds een betere kijk te krijgen op de respectieve auteurs en hun bedoelingen bij de redactie van hun werk en anderzijds te onderzoeken of er bepaalde ontwikkelingen kunnen worden ontdekt.

 

a. Physiologus (ca. 200)

 

De eerste bron is Physiologus, de enige tekst in deze verhandeling die niet geschreven werd in de 13e eeuw. Nochtans is dit werk van belang omdat het een grote invloed heeft gehad op de ontwikkeling van kunst en literatuur in de Middeleeuwen. Geleerden zoals Isidorus van Sevilla, Thomas van Cantimpré, Albertus Magnus, Vincent van Beauvais, Alexander Neckam en Bartholomaeus Anglicus waren allen vertrouwd met de Physiologus en gebruikten het als bron voor hun eigen werken. In de 12e eeuw ontstonden de eerste bestiaria, encyclopedische ‘natuurboeken’, en de meeste incorporeerden de verhalen van Physiologus. Er moet nochtans op gewezen worden dat het moeilijk te bepalen is of de auteurs van deze bestiaria ook echt vertrouwd waren met Physiologus. Het gebeurde immers wel vaker dat indien men niet zeker was waar een bepaald verhaal vandaan kwam, men het wel eens onterecht aan Physiologus ging toeschrijven. Dit neemt echter niet weg dat dit werk een grote invloed heeft gehad gedurende de gehele Middeleeuwen[2].

 

De originele Griekse tekst van Physiologus bestond uit 49 hoofdstukken waarin voornamelijk dieren, die in de Bijbel voorkomen, werden beschreven. Eigenlijk werden hier heidense verhalen afkomstig uit de Indische, Hebreeuwse, Egyptische, Griekse en Romeinse wereld samengebracht en kregen ze een christelijke moraal mee. De vele legendes werden aangepast om ze in overeenkomst te brengen met de christelijke doctrine. Een mooi voorbeeld hiervan is terug te vinden bij de slang. Plinius geloofde dat een slang wel een jaar lang zonder eten kon overleven. In Physiologus wordt deze bewering gelegitimeerd doordat de slang – net zoals Christus – gedurende veertig dagen en nachten vast. Op deze manier kreeg ze een belangrijke positie in de middeleeuwse symboliek. De tekst was nooit bedoeld als traktaat over de natuurgeschiedenis maar trachtte de natuur op een metafysische, morele en mystieke manier te interpreteren. Dit past zowel in de klassieke als de christelijke visie op de wereld waarin de transcendente wereld wordt weerspiegeld in de natuurlijke. De christelijke neo-platonisten zoals Origenes, geloofden dat God het mogelijk had gemaakt om door de bestudering van de wereld tot kennis te komen van die spirituele werkelijkheid. Dit is dus wat men bedoelt wanneer men over fysiologie praat en niet wat wij verstaan onder natuurkunde[3].

 

Physiologus werd aan verschillende auteurs toegeschreven. Salomon, Basilius, Petrus van Alexandrië, Ambrosius, Athanasius en Hieronymus zijn slechts enkelen die ergens in de loop van de geschiedenis als auteur werden opgegeven. Wie de eigenlijke schrijver was, blijft echter tot de dag van vandaag onbekend. Het feit dat de titel van het werk Physiologus is en duidt op een persoon en niet op de wetenschap zelf, suggereert dat de auteur heel wat werken heeft geschreven in deze traditie en dus een zekere reputatie had opgebouwd. Wanneer het werk geschreven werd, is ook niet helemaal zeker. Er zijn twee theorieën; de eerste helft van de tweede eeuw of gedurende de vierde eeuw, de voorkeur lijkt te liggen bij deze eerste datum. Wat wel algemeen aanvaard wordt, is dat de tekst geschreven zou zijn in Alexandrië. Dit wordt onderbouwd doordat sommige verhalen, waaronder dit van de krokodil en de feniks, duidelijk gebaseerd zijn op Egyptische tradities. Daarenboven wordt in het werk gebruik gemaakt van de allegorische methode die zich aan de Alexandrijnse school ontwikkeld heeft. De exacte oorsprong van het werk blijft dus onzeker hoewel over het algemeen aanvaard wordt dat het opgesteld zou zijn te Alexandrië omstreeks het jaar 200[4].

 

Physiologus blijft evenwel belangrijk gedurende de hele Middeleeuwen omdat het aan de basis ligt van het ontstaan van de bestiaria en door befaamde auteurs en geleerden werd gebruikt. Dit is vooral opmerkelijk omdat het door paus Gelasius (492-496) als een heidens werk werd bestempeld en op de lijst van verboden lectuur werd geplaatst. Desondanks blijft het veelvuldig en openlijk gelezen door menige orthodoxe schrijver. Het werd herhaaldelijk uitgebreid met nieuwe dieren en wonderbaarlijke volkeren en de tekst werd meermaals aangepast aan het geïntendeerde publiek. Niettemin getuigt de aanwezigheid van de wonderbaarlijke wezens in de gehele middeleeuwse cultuur van de invloed die Physiologus heeft gehad op de middeleeuwse literatuur, kunst en symboliek[5].

 

Hoewel niet alle dieren, die in deze thesis worden behandeld in Physiologus voorkomen, kan het werk in dit onderzoek toch nuttig zijn omdat het in verscheidene bestiaria en door verschillende auteurs als bron werd gebruikt. Het kan een idee geven van de mate waarin de moraal die aan een dier verbonden is al dan niet is geëvolueerd sinds het ontstaan van deze bron. Er wordt hier gebruik gemaakt van de vertaling van Michael J. Curley, die zich baseerde op twee Latijnse edities van Physiologus; de y- en de b-versie die volgens hem het dichtst bij de originele Griekse versie liggen[6].

 

b. Het bestiarium van Aberdeen

 

De jongste bron die gebruikt wordt, is het Aberdeens bestiarium. Dit Engels bestiarium zou geschreven zijn omstreeks 1200 in Noord Engeland. De keuze voor dit beestenboek is eerder van pragmatische aard, daar de Universiteit van Aberdeen het handschrift in zijn geheel online beschikbaar heeft gesteld. Zowel de tekeningen als de tekst zijn op de website van de universiteit van Aberdeen terug te vinden samen met de volledige vertaling naar het Engels.

 

De gehele geschiedenis van dit manuscript blijft grotendeels een mysterie. De eerste geschriften over het bestiarium gaan terug tot 1542, het jaar waarin het werd opgenomen in de inventaris van de oude koninklijke bibliotheek te Westminster. Hoewel de auteur onbekend blijft, werd het vermoedelijk geschreven voor een geestelijke, hoogstwaarschijnlijk een monnik. Dit zou af te leiden zijn uit de thema’s van de illustraties: zo is er bijvoorbeeld de tekening over de vuurstenen waar duidelijk een boodschap voor de lezer in schuilt, namelijk dat hij de vrouw en haar verlokkingen moet trachten te ontwijken. Deze verklaring lijkt echter onvoldoende om te bewijzen dat het manuscript werd samengesteld voor monniken. Een doorslaggevender argument is dat op een bepaalde pagina met een vrouwelijke devotiefiguur het papier vlekken vertoont die doen vermoeden dat iemand het boek herhaaldelijk heeft vastgehouden alsof hij de tekening aan iemand anders, vermoedelijk studenten, toonde. Dit lijkt te suggereren dat het bestiarium gebruikt werd in een klooster of een kathedraal om de broeders eruit te onderwijzen.

 

Dit zegt echter nog niets over het eigenlijke patronaat, in wiens opdracht het manuscript werd opgesteld. Wel kan men het plaatsen binnen een algemene tendens die zich rond het einde van de 12de en de 13de eeuw voordeed. In heel Engeland was er een grote interesse voor bestiaria. Zowel in de noordelijke als de zuidelijke provincies ontstond er een grote vraag naar dit genre werken. Niemand minder dan Geoffrey Plantagenet, aartsbisschop van York en bastaardzoon van Hendrik II, had zo opdracht gegeven tot het opstellen van het Sint Lodewijk Psalter. De luxueuze kwaliteit van het Aberdeens bestiarium doet vermoeden dat de opdrachtgever uit een welgestelde omgeving kwam; mogelijk was er een band met de koninklijke familie of tenminste de hogere clerus. De stijl van dit manuscript sluit erg aan bij het Aberdeens bestiarium. Het is slechts een van de vele geschriften die in deze periode ontstonden. Deze stijl verspreidde zich al snel over het hele Engelse eiland[7].

 

Het bestiarium en meer bepaald de illustraties zijn gebaseerd op een brede traditie. Aan de basis ligt de Physiologus, aangevuld met de Etymologiae van Isidorus van Sevilla. Verder steunt het bestiarium op de werken van Solinus, het Hexaemeron van Ambrosius, het Avarium van Hugo van Fouilloy. De stijl van de illustraties, zoals we reeds hebben aangegeven, was kenmerkend voor de Engelse bestiaria die in deze periode werden opgesteld[8].

 

Het bestiarium van Aberdeen zal hier worden gebruikt als een vergelijkingspunt voor Der naturen bloeme van Jacob van Maerlant. De bedoeling is om te zien in hoeverre de beschrijving van Maerlant overeenstemt met die van een ander bestiarium. Door de toegankelijkheid van deze bron is het ook mogelijk om de verhouding tekst – beeld te bestuderen, iets wat minder aanwezig is in de encyclopedieën die verder nog besproken zullen worden. Men mag echter niet vergeten dat het Aberdeens bestiarium een Engels werk is en dus in zekere mate niet dezelfde achtergrond heeft als het werk van Jacob van Maerlant. Het blijft echter een mooi voorbeeld van een middeleeuws bestiarium dat midden in de traditie van dit genre staat. Omdat we op deze manier een betrouwbare getuige hebben van de bestiarium-traditie, zien we ervan af om de Franse, volkstalige bestiaria in ons onderzoek te betrekken, omdat dit een heel gespecialiseerd domein is en het de zaken enkel maar geweldig zou compliceren.

 

c. Bartholomaeus Anglicus (ca. 1190-1272): De proprietatibus rerum

 

Het leven van Bartholomaeus Anglicus blijft grotendeels een mysterie. Er kan wel getracht worden om zijn leven te reconstrueren, maar in hoeverre de gegevens ook overeenkomen met de realiteit blijft de vraag. Hij zou vermoedelijk zijn geboren ca. 1190. Zijn naam zou verwijzen naar zijn Engelse afkomst, hoewel ook dit niet helemaal zeker is. Hij studeerde de artes liberales te Oxford en trok in 1220 naar Parijs waar hij verder theologie studeerde. Ca. 1224-1225 trad hij in bij franciscanen te Saint-Denis. Hij werd docent te Parijs en in 1231 te Maagdenburg in Saksen. Het is hier dat hij zijn werk De proprietatibus rerum afwerkte; maar over de datum bestaan uiteenlopende theorieën. Zeker is dat het vóór 1250 volledig af was, sommige schatten rond 1245, anderen gaan terug tot omstreeks 1230. In 1247, werd hij aan het hoofd van de provincie Oostenrijk gesteld en ca. 1255 was hij verantwoordelijk in Bohemen. Hij reisde naar Rome en werd in 1257 aangesteld als pauselijke legaat in Bohemen, Polen, Moravië en Oostenrijk. Zijn bisschopsambt te Lukow werd door de invasie van de Tartaren belemmerd zodat hij in 1262 weer een positie kreeg in Saksen. Hij stierf er in 1272. Hoewel over zijn leven weinig bekend is, blijft de invloed van zijn encyclopedie onmiskenbaar groot[9].

 

De proprietatibus rerum is een encyclopedie die al snel een autoriteit werd in de 13de eeuw. In negentien boeken kwam Bartholomaeus Anglicus tot een overzicht van alle kennis in zijn tijd. De boeken werden hiërarchisch ingedeeld en geven alzo een inzicht in Bartholomaeus Anglicus’ wereldbeeld. De eerste drie boeken handelen over De Deo (God), De angelis (de engelen) en De anima (de ziel). Vanaf boek vier tot en met tien wordt de mens behandeld: De elementis (het lichaam), De etate hominis (zijn leeftijden) en De infirmitatibus (de ziekten). Boek acht, De mundo et celo, gaat over het universum en boek negen, De temporibus, behandelt de tijd en de tijdsindelingen. Slechts enkele boeken zullen in het onderzoek betrokken worden namelijk boek twaalf, dertien en boek achttien. Boek twaalf, De avibus, behandelt de vogels en insecten. Boek dertien, De aqua, bespreekt het element water en de waterdieren. Tenslotte worden de landdieren uiteengezet in boek achttien, De animalibus. Aanvankelijk werd het boek opgesteld voor zijn studenten maar het werd ook gebruikt door zowel kerkelijke als wereldse geletterden en klerken. Het kende al snel een groot succes en werd internationaal verspreid[10].

 

Als compilatie van alle kennis die men over de wereld bezat in de 13de eeuw maakt De proprietatibus rerum gebruik van talrijke uiteenlopende bronnen. Hoewel Bartholomaeus Anglicus in zijn tekst meestal de naam van de auteur of het werk vermeldt, moet men deze informatie kritisch behandelen. Het is immers niet ongewoon dat er valse identificaties of fouten werden gemaakt. Het gebeurt dat hij een bepaalde auteur als bron aangeeft, maar er dan enkele citaten van andere werken aan toevoegt zonder dit te vermelden. Niettemin kan men de belangrijkste bronnen op een rijtje zetten. Het spreekt vanzelf dat de Bijbel veruit de voornaamste autoriteit is. De voornaamste bronnen waarop De proprietatibus rerum is gebaseerd zijn de encyclopedieën van Plinius en Isidorus van Sevilla. Daarnaast maakte Bartholomaeus Anglicus ook gebruik van de Glossen van Gilbert de la Porrée, de Sententiae van Petrus van Lombardije en de natuurkundige werken van Aristoteles. Deze lijst kan natuurlijk nog veel verder worden uitgebreid maar dat zal in de eigenlijke bespreking van de dieren duidelijker aan bod komen[11].

 

De proprietatibus rerum was een populair werk dat zich al snel over heel Europa verspreidde; drie eeuwen lang bleef het de populairste encyclopedie van Europa. Gedurende de 13de en 14de eeuw werd het Latijnse werk vertaald in het Italiaans, Engels, Frans, Provençaals, Spaans en het Middelnederlands. Het is deze laatste vertaling die in deze thesis zal worden gebruikt. Het gaat hier over een Haarlemse druk van Jacob Bellaert van 24 december 1485 met de titel Vanden proprieteyten der dinghen. Het originele werk wordt bewaard in de British Library te Londen[12].

 

d. Albertus Magnus (ca. 1193-1274): De animalibus libri XXVI

 

Albertus Magnus werd geboren te Zwaben omstreeks 1193. Hij zou afstammen van een ridderfamilie. Op jonge leeftijd trok hij naar zijn oom die in Padua (Lombardije) woonde. Vermoedelijk volgde hij er lessen aan de universiteit, hoewel hier geen schriftelijk bewijs van terug te vinden is. In 1223 trad hij toe tot de dominicanenorde en verdiepte hij zich verder in de studie van de theologie. In 1228 werd hij lector in de Duitse huizen van de orde te Keulen, Hildesheim, Freiburg-im-Breisgau, Regensburg en Straatsburg. In 1241 werd hij naar Parijs gestuurd om er een verdere academische opleiding te genieten in de theologie waarna hij er zelf les zal geven. Het is hier dat hij in contact komt met de logica en filosofie van Aristoteles. Het is waarschijnlijk ook te Parijs, in het klooster van Saint Jacques, dat Thomas van Aquino zijn leerling werd. Wanneer de orde in 1248 een nieuw “studium generale” oprichtte te Keulen, werd Albertus Magnus aangeduid als rector. Hij liet naast de ordeleden ook seculiere priesters en leken toe tot deze instelling. Toen hij in 1254 tot prior van de kerkelijke Teutonische provincie werd verkozen, visiteerde hij alle priorijen en kloosters in de regio. Deze reis, die hij te voet maakte, gaf hem de kans om zich verder te verdiepen in de vele domeinen van de natuurkunde. Tijdelijk gaf hij les aan de pauselijke Curia (1256-1257). Gedurende zijn verblijf in Italië kwam hij in aanraking met het werk De motibus animalium van Aristoteles dat hij becommentarieerde. Daarna keerde hij terug naar Keulen om er opnieuw les te geven. Uit de notities van één van zijn leerlingen blijkt dat hij hoogstwaarschijnlijk al begonnen was aan het schrijven van De animalibus in 1258 en het werk voltooide ca. 1262. Tegen zijn zin in werd hij in 1260 door de paus als bisschop van Regensburg aangeduid. Zodra paus Alexander IV stierf, trok hij zich terug uit het ambt. Zijn plicht voor de Kerk zat er echter nog niet op, want paus Urbanus IV gaf hem de opdracht om de kruistocht te prediken aan de Duitssprekende bevolking. Gedurende twee jaar trok hij opnieuw al predikend rond; toen de paus in 1264 echter stierf, betekende dat meteen het einde van Albertus Magnus’ omzwervingen. Na nog enkele jaren les te hebben gegeven in Wurzburg en Straatsburg, kon Albertus Magnus in 1271 eindelijk terugkeren naar Keulen waar hij verbleef tot zijn dood op 15 november 1280[13].

 

Om De animalibus volledig te begrijpen, moet men het werk in zijn 13de-eeuwse context plaatsen. Aan het begin van deze eeuw stroomden de Arabische en Hebreeuwse vertalingen van de werken van Aristoteles opnieuw Europa binnen. Tot dan toe had het Platoonse denken de voornaamste plaats ingenomen in de geleerde kringen. Onder invloed van Albertus Magnus zou Aristoteles echter zijn weg vinden in de scholastieke methode. Het is opvallend dat toen hij begon les te geven te Parijs, de banvloek op de leer van Aristoteles aan de universiteit werd opgeheven of op zijn minst openlijk werd genegeerd. Na enige tijd werd Albertus Magnus aangespoord om een natuurkundig boek op te stellen om zijn dominicaanse broeders te helpen om Aristoteles beter te begrijpen. De animalibus was slechts een onderdeel van dit immense werk. De auteur bespreekt maar liefst 477 diersoorten die hij in vijf groepen verdeelt; de wormen, de lopende dieren, de vliegende, de zwemmende en de kruipende dieren. Iedere groep wordt in een apart boek besproken. Hij beschrijft hun fysieke kenmerken, hun karakter, gewoontes en gedragingen. Daarbij zet hij uiteen hoe ze zich reproduceren, welke ziekten hen plagen en hoe men deze kan behandelen en tenslotte hoe hun lichaamsdelen kunnen gebruikt worden voor medische doeleinden[14].

 

Albertus Magnus put voor zijn beschrijvingen in De animalibus uit een hele reeks bronnen. De eerste en voornaamste bronnen zijn natuurlijk de werken van Aristoteles. Dit is vanzelfsprekend als men naar de reeds vermelde aanleiding tot zijn schrijven kijkt. Hoogstwaarschijnlijk steunt hij op de vertaling van Michaël Scotus die een Arabische editie van Aristoteles in het Latijn had vertaald. Zijn twee voornaamste bronnen zijn de Historia Naturalis van Plinius de Oudere en de Collectanea rerum memorabilium van Solinus, waarbij men natuurlijk niet mag vergeten dat deze laatste het merendeel van zijn beschrijvingen baseerde op Plinius. Voor de betekenis van de namen baseert Albertus zich op de Etymologiarum sive Originum libri XX van Isidorus van Sevilla. Daarnaast had hij een grote bewondering voor de Arabische filosoof en medicus Avicenna (Ibn Sina) uit de 11de eeuw. Albertus Magnus was vertrouwd met vertalingen van diens werken Canon en De animalibus. Wat hij vooral bewonderde bij deze Arabier was zijn aandacht voor detail en hoe hij zijn studie op eigen observaties baseerde. Ook werken van andere 13de-eeuwse auteurs werden aangehaald, zoals het Speculum naturale van Vincent van Beauvais, De proprietatibus rerum van Bartholomaeus Anglicus, Orientalis Historia van Jacobus van Vitry en dan vooral Thomas van Cantimpré en diens werk De natura rerum. Er is zelfs een hele grote overeenkomst tussen het werk van Albertus Magnus en de laatstgenoemde, Thomas van Cantimpré. Of er sprake is van kopiëren lijkt echter onwaarschijnlijk; mogelijk is de gelijkenis zo groot doordat beiden dezelfde bronnen hanteerden. Ondanks het feit dat Albertus Magnus gebruik maakt van verschillende andere bronnen, ligt de belangrijkheid van zijn werk juist daarin dat hij zich voornamelijk gaat trachten te baseren op zijn eigen ervaring. Dit is niet altijd mogelijk omdat hij veel van de dieren die hij beschreef, zelf nooit had gezien. Niettemin zal dit sterk naar voren komen in de bespreking van de walvis en in de manier waarop hij de autoriteiten vermeldt. Ondanks zijn grote eerbied voor hen zal hij er niet voor terugschrikken om kritiek te leveren indien hij het met iets niet eens is[15].

 

De vertaling van Scanlan, die hier gebruikt wordt, is gebaseerd op een handschrift van De animalibus dat bewaard wordt te Keulen. Onderzoek doet vermoeden dat dit manuscript, bestaande uit 427 folio’s, door Albertus Magnus zelf werd geschreven. Zijn visie op de dieren is van belang omdat hij erg afwijkt van wat men bij andere auteurs terugvindt; dit komt juist door zijn empirische aanpak die op dat moment in de 13de eeuw erg vernieuwend was[16].

 

e. Brunetto Latini: Li Livres dou Tresor

 

Brunetto di Bonaccorso Latini werd geboren omstreeks 1220 in Italië nabij San Giusto. Toen hij 34 jaar oud was, begon hij aan zijn carrière als notaris. Hij was gehuwd en vader van twee zonen en een dochter. In 1260 trok hij als vertegenwoordiger van de gemeentelijke regering van Firenze naar Spanje met de opdracht om Alfonso X hulp te vragen tegen de Ghibellijnen en Frederik II en diens zoon Manfred. Dat hij echter aan het hof van Alfonso verbleef, lijkt onwaarschijnlijk. Zijn bezoek beperkte zich voornamelijk tot Ronceveaux en Montpellier. Zijn missie mislukte en toen Manfred het Welfen leger versloeg, vluchtte Brunetto Latini naar Frankrijk. In 1263 duikt zijn naam als notaris voor verschillende Florentijnen terug op in verscheidene documenten, eerst te Arras en later te Parijs. Pas op 16 maart 1266 keerde hij terug naar Firenze na de dood van Manfred en de nederlaag van de Ghibellijnen. Dat hij hier in het gezelschap van Karel van Anjou verkeerde, lijkt uit de lucht gegrepen daar hier geen enkel bewijs voor is. Een jaar later werd hij wel de officiële notaris van de Florentijnse commune. Hij was erg succesvol in zijn werk en begon langzamerhand steeds hogere posities in de gemeenschap in te nemen. Als curator zal hij in 1284 deelnemen aan de besprekingen over een vrede met Pisa. Van 15 augustus tot 15 oktober 1287 was hij prior van de Porta di Duomo. Dit suggereert dat hij toch betrokken was in de Kerk. Hij was een gerespecteerd man die in de gemeentelijke regering een voorname positie bezat, zo zetelde hij in de Raad en was hij woordvoerder voor de hogere autoriteiten. Hij stierf in 1294 en werd begraven in de crypte van de Santa Maria Maggiore[17].

 

Toen Latini in 1266 terugkeerde naar Italië had hij reeds een eerste editie van zijn encyclopedie Li Livres dou Trésor uitgegeven. Het werk moest een verzamelwerk zijn, een encyclopedie gebaseerd op wat andere autoriteiten reeds hadden verteld. Brunetto Latini toont een grote eruditie en objectiviteit, hij heeft oog voor detail en voorkomt elke tegenspraak in zijn beschrijvingen. Hij schreef voor een seculier publiek en eveneens voor de hogere Italiaanse klassen; dit verklaart dat de encyclopedie in hun taal, het Frans, geschreven is.

 

Li Livres dou Trésor bestaat uit drie boeken. Het is het eerste boek dat hier van belang is. In dit boek behandelt Brunetto Latini de kosmologie, de wereldlijke geschiedenis, meteorologie, geografie en de natuurlijke geschiedenis. Voor dit laatste deel baseert hij zich op bronnen zoals Solinus, Isidorus van Sevilla, Palladius en Ambrosius. Verder citeert hij uit de Auzels Cassadors van Daude de Pradas en Il Libro del Gandolfo Persiano. Het werk steunt meer op Cicero dan op Thomas van Aquino[18].

 

Het opmerkelijke aan Li Livres dou Tresor van Brunetto Latiniis dat de auteur niet schrijft vanuit een eenzijdig geestelijk kader. Hij was een man die in de wereld stond en dus een andere visie had op de werkelijkheid, dan auteurs zoals Bartholomaeus Anglicus en Albertus Magnus.

 

f. Besluit

 

Er wordt hier gebruikt gemaakt van een enigszins afwijkend bronnencorpus. Hoewel alle bronnen een religieuze achtergrond hebben, zijn hun doel en opzet toch afwijkend en kunnen ze een inzicht brengen in de manier waarop men in de 13de eeuw trachtte om de natuur en dan meer bepaald de dieren te benaderen. Physiologus geeft een inzicht in de traditie waarop de bestiaria gebaseerd waren terwijl het Aberdeens bestiarium midden in die traditie staat. Beide bronnen zijn met een christelijk opzet samengesteld. Physiologus is moraliserend, terwijl het Aberdeens bestiarium dan weer werd gebruikt in de opleiding van de clerus.

 

Bartholomaeus Anglicus en Albertus Magnus schreven beiden voor hun studenten. Hun werkwijze was echter geheel verschillend en heeft een enorme invloed uitgeoefend op wat ze schreven. Bartholomaeus Anglicus kwam meer tot een synthese van wat reeds voor hem werd geschreven. Hij had een zeer groot respect voor de auctoritas en vatte samen wat zij hadden verteld. Hoewel Albertus Magnus een even groot respect had voor de autoriteiten was hij veel kritischer. Hij streefde naar een meer wetenschappelijke houding en schrok er niet voor terug om empirische informatie in zijn De animalibus in te voegen. Deze twee contrasterende houdingen zorgen ervoor dat beide werken een erg verschillende kijk leveren op de dieren die ze beschrijven en dat ondanks het feit dat beide auteurs deel uitmaakten van de geleerde clerus. Ten slotte is er nog Brunetto Latini die qua werkwijze iets meer aansluit bij Albertus Magnus maar niet diens wetenschappelijkheid bezat.

 

 

Hoofdstuk 1: Jacob van Maerlant

 

De rode draad doorheen deze eindverhandeling is het werk Der naturen bloeme van Jacob van Maerlant. In dit hoofdstuk volgt een uiteenzetting over de schrijver en het werk zelf om een beter inzicht te verwerven in deze bron. Hiervoor zal voornamelijk gebruik gemaakt worden van het werk van Frits van Oostrom, Maerlants wereld. Verder zal getracht worden om Der naturen bloeme te plaatsen binnen de traditie van de bestiaria en de kijk op de natuurkennis die men in het 13de-eeuwse Vlaanderen bezat.

 

 

1. Leven en werk

 

Hoewel Jacob van Maerlant een bekende middeleeuwse dichter is en er veel onderzoek naar zijn leven werd gedaan, blijft ontzettend veel ongekend. Over het algemeen wordt aangenomen dat Maerlant omstreeks 1230 werd geboren – Peter Burger voegt hier vijf jaar aan toe – in de omgeving van Brugge of wat men toen het Brugse Vrije noemde. Zijn geboorteplaats heeft men kunnen afleiden uit zijn werken zelf. Meermaals bestempelt hij zichzelf als Vlaming of geeft hij aan dat hij uit Vlaanderen afkomstig is of er resideert. In Alexanders geesten, zijn eerste werk, lijkt hij te suggereren dat hij geboren is in het Bruxambacht. Dat hij specifiek in Damme geboren zou zijn, is echter niet te bewijzen[19].

 

Waarschijnlijk volgde Jacob van Maerlant omstreeks 1240 een opleiding aan de kapittelschool van Sint-Donaas die, naast zijn gedegen programma van de ‘septem artes liberales’, voornamelijk bekend stond voor haar muzikale opvoeding. Harde feiten om dit te onderbouwen, zijn er echter niet. Men vermoedt immers dat Maerlant van relatief bescheiden afkomst was, als hij dus werkelijk aan deze kapittelschool les zou gekregen hebben, was dat enkel mogelijk omdat iemand zijn scholing betaalde. Van Oostrom suggereert dat Maerlant een buitenechtelijk kind was; het was immers niet zo ongewoon dat de adel zijn bastaards vergoedde door hen een goede opleiding te laten genieten. De kapittelschool is ook verbonden met de Vlaamse kanselarij. In de 13de eeuw neemt men immers een professionalisering waar in het grafelijke bestuur in Vlaanderen, waardoor de vraag naar geletterde ambtenaren steeg. Het mag dus niet verbazen dat Sint-Donaas, dat in het centrum van Vlaanderen lag, naast een geestelijke opleiding ook lessen recht aanbood voor leken die als geletterde klerken voor de grafelijke administratie zouden gaan werken. Die juridische achtergrond is duidelijk aanwezig in Maerlants oeuvre[20].

 

Zonder twijfel werd Maerlant ook opgeleid in het trivium van grammatica, retorica en dialectica en bezat hij dus een grondige kennis van het Latijn en de Latijnse retoriek. Dit verklaart waarom hij in staat was om zo een groot aantal klassieke en middeleeuwse werken te kennen of zelfs te vertalen zonder daarbij noemenswaardige vertaalfouten te maken. Zijn werken schreef hij echter in het Middelnederlands en niet in het Latijn. Dat is helemaal niet zo vanzelfsprekend; Latijn – en ook het Frans in onze streken – was immers de voertaal in het kerkelijke en het intellectuele milieu. Het mag dan niet verbazen dat Maerlant met bijna 300.000 verzen de middeleeuwse schrijver is die het meest in zijn volkstaal heeft geschreven[21].

 

Ondanks zijn intellectueel kunnen zal Maerlant het niet makkelijk hebben gehad. Hij bleef immers maar van een lage afkomst en al zijn vaardigheden konden zijn lage status niet compenseren. Van Oostrom ziet hierin de verklaring waarom Maerlant van omstreeks 1260 koster van de Sint-Pieterskerk op het Hollands-Zeeuwse eiland Voorne was. De parochie waarin hij terechtkwam stond bekend als “Maerlant” of anders gezegd: “mare-land”, land aan het brede water. Het is hier dat Jacob zijn toenaam “van Maerlant” kreeg en deze ook behield toen hij zich later in Damme vestigde. Het is immers in Voorne dat hij als schrijver bekendheid verwierf.

 

Het mag misschien eigenaardig lijken dat Maerlant van het bruisende Brugge naar dit kale eiland trok; dat is het echter niet. Gedurende de 13de eeuw was er een druk verkeer tussen Vlaanderen, Holland en Zeeland in zowel goederen, geld als mensen – waaronder zowel adellijke echtgenotes, clerici als litterati. Daarenboven waren de heren van Voorne directe familie van het Hollands-Zeeuwse gravenhuis. Maerlant gaf er vermoedelijk les aan de kinderen van de plaatselijke adellijke elite, iets wat eveneens als één van de vele taken van een koster werd beschouwd. Of de jonge Floris V(1254-1296) een van zijn leerlingen was, is niet te bewijzen, maar is in de gedachtegang van Van Oostrom beslist niet onmogelijk. Daarnaast hield hij zich waarschijnlijk ook bezig als ambtelijke klerk. Wel staat vast dat Maerlant op de een of andere manier verbonden was met het Hollandse gravenhuis.

 

Schrijven was duur in de Middeleeuwen en zonder het patronage van zijn beschermheren had Maerlant waarschijnlijk nooit veel op perkament kunnen zetten. Zijn eerste werk, Alexanders geesten, werd vermoedelijk opgedragen aan Aleide van Avesnes, de voogdes van Floris V. Ook het thema leek een verwijzing naar het gravenhuis. Willem II werd op 28 januari 1256 gedurende een strafexpeditie tegen de West-Friezen doodgeknuppeld wanneer hij vast kwam te zitten in het ijs. Dit zorgde voor een crisis in het Hollandse graafschap, aangezien de opvolger van de graaf slechts twee jaar oud was. Dat Maerlants eerste werk dan over Alexander de Grote gaat, is geen toeval. Alexander verloor eveneens op jonge leeftijd zijn vader, maar wist tegen alle verwachtingen in een immens rijk uit te bouwen. Deze boodschap was dus erg welkom in het toenmalige Hollandse gravenhuis[22].

 

Jacob van Maerlant vestigde zich in Damme omstreeks 1266, het begin van de regeerperiode van Floris V. Van Oostrom stelt zich de vraag of er een verband is tussen beide feiten en het eind van het mentorschap van Maerlant – voor Floris zelf of de kinderen van zijn Voornse broodheer. Traditioneel werd aangenomen dat Maerlant als schepenklerk fungeerde in deze havenstad van Brugge; deze hypothese werd echter reeds weerlegd omdat niets deze veronderstelling bevestigt.

 

Welke functie Jacob van Maerlant ook bekleedde in Damme, de verbintenis met Voorne verdween niet toen hij terugkeerde naar Vlaanderen. Der naturen bloeme en vermoedelijk ook de Rijmbijbel, werd geschreven in opdracht van Nicolaas van Cats, een Zeeuwse heer uit de entourage van Floris. Na deze twee werken, die tot stand kwamen rond 1270, valt de productiviteit van Maerlant nagenoeg stil. In Voorne had hij aan een ontzettend hoog tempo werken afgeleverd voor zijn opdrachtgevers, daardoor is het vrij opvallend dat Maerlant gedurende de volgende tien jaar slechts twee heiligenlevens neerpende. Van Oostrom wijst erop dat parallel hiermee Aleide van Avesnes in conflict geraakte met Floris V en het is slechts wanneer deze spanningen verdwenen dat Maerlant opnieuw een opdracht zou krijgen. Ditmaal gaf Floris zelf hem de opdracht tot het schrijven van zijn belangrijkste werk, de Spiegel historiael.

 

Wanneer Maerlant stierf is niet met zekerheid geweten. Het laatste werk dat hij schreef, is het gedicht Van den lande van Oversee. Het werd opgesteld kort na de val van Akko op 18 mei 1291. De vermelding van Maerlant door een van zijn bewonderaars in een gedicht, daterend van 1299, doet vermoeden dat hij toen reeds gestorven was. Zijn nalatenschap was omvangrijk genoeg om ervoor te zorgen dat hij toch niet werd vergeten. Te Voorne schreef hij Alexanders geesten, Historie van den Grale, Torec, Sompniarys, Lapidarys, Historie van Troyen en Heimelijkheid der heimelijkheden. Terug in Damme schreef hij aan een iets minder, maar niettemin eveneens impressionant tempo: Der naturen bloeme, de Rijmbijbel, Leven van de heilige Clara, Sinte Franciscus leven en de Spiegel historiael. En dit zijn nog niet eens al zijn werken[23].

 

 

2. Der naturen bloeme

 

a. Het werk

 

Er werd reeds verteld dat Der naturen bloeme omstreeks 1270 werd geschreven, kort na Jacob van Maerlants komst naar Damme. Het werk werd opgedragen aan Nicolaas van Cats, zoals blijkt uit de inleiding van zijn werk;

 

 “ende dit dichtic dor sinen wille

dien ix ian lude ende stille

dats mine here niclaus van cats

ende omme dat mi ghebreket scats

biddic dat hem ghename si

dit iuweelkin van mi[24]

 

Hierin suggereert Jacob van Maerlant dat hij met dit boek hoopt een schuld af te lossen bij deze Zeeuwse heer. Hij spreekt ook over een belofte die hij gemaakt had en die hij met dit werk vervult. Wat die schuld of belofte ook mag inhouden, het getuigt van persoonlijke banden tussen Maerlant en Nicolaas van Cats (†1283). Deze Zeeuwse heer begon een belangrijke positie in te nemen in de entourage van Floris V en werd al snel diens naaste vertrouweling in plaats van Albrecht van Voorne. De vader en oom van Nicolaas van Cats hadden voor hem reeds een prominente rol gespeeld in de voogdijraad van Floris. Nicolaas maakte reeds sinds 1270 deel uit van de entourage van Floris, maar werd pas in 1277 voor het eerst genoemd als consanguineus en amicus van de graaf. Hij had een goede militaire reputatie en was aanvoerder van het Hollandse leger in 1282 gedurende de strafexpeditie tegen de West-Friezen voor de moord op Willem II. Hiermee weten we ook meteen welk lezerspubliek Maerlant voor zijn werk beoogde. Hij schreef niet voor de intellectuele (en grotendeels kerkelijke) elite, die in zijn tijd voornamelijk gebruik maakte van het Latijn, maar voor de wereldlijke elite, een hofpubliek dat het Latijn in mindere mate of zelfs helemaal niet beheerste[25].

 

Een moeilijker te beantwoorden vraag is, wat Maerlant nu eigenlijk trachtte te bereiken met dit werk. Om hier inzicht in te krijgen, kan men het best de proloog van Der naturen bloeme lezen. Ten eerste wijst Maerlant erop dat het voor hem het nog nooit iemand gewaagd heeft om in het Diets te schrijven over de natuur – dit gebeurde voornamelijk in het Latijn. Het werk zelf is volgens hem gebaseerd op wat Albertus Magnus, die hij omschrijft als de “bloeme van der clergien”, aan gegevens heeft verzameld. Hier maakte Jacob van Maerlant echter een fout want het werk waarop hij Der naturen bloeme baseerde was niet afkomstig van Albertus Magnus. Het was eigenlijk De natura rerum van Thomas van Cantimpré, een leerling van Albertus Magnus (1201-1270). Jacob van Maerlant doet echter veel meer dan de beschreven feiten louter overnemen. Hij geeft het werk een eigen stempel door in zijn vertaling een ethische boodschap toe te voegen. De eigenlijke bedoeling van Der naturen bloeme verklaart hij een beetje verder:

 

“Wien so fauelen dan vernoien

ende onnutte loghenen moien

lesier nutscap ende waer

ende uersta dat noit een haer

om niet ne mekede nature

het nes so onwerde creature

sones teregher sake goet

want got die bouen al es vroet

dans te gheloeuene meer no min

dat hi hiet makede sonder min

noch gheene dinc ne makede har seluen

noch die duuel noch die heluen

ne makeden creaturen nie

dies willic dat elc besie

ende loue gode van allen saken

die wonderlic es in sijn maken[26]

 

Hoe onwaarschijnlijk sommige verhalen ook mogen lijken, Jacob van Maerlant houdt hier staande dat hij slechts de waarheid wil weergeven. Waarheid is hier bovendien verbonden met nut. In de komende hoofdstukken zal dit duidelijker worden. Maerlant geeft niet enkel een beschrijving maar gaat op zoek naar een diepere betekenis. Alles is immers door God geschapen en heeft daardoor steeds zijn eigen nut. Daarnaast is het werk door de beschrijving van de wonderen van de natuur een verheerlijking van God en Zijn schepping.

 

Der naturen bloeme omvat maar liefst dertien boeken, die ieder een categorie moeten voorstellen, waaronder men de gehele natuur thematisch – van volmaakte verschijningsvorm naar steeds minder volmaakte – kan indelen. Dit zijn achtereenvolgens: de mens en de wonderbaarlijke volkeren, de viervoetige dieren, de vogels, de watermonsters, de vissen, slangen, wormen (hieronder verstaat men insecten en kruipende dieren), bomen, specerijbomen, geneeskrachtige planten, bronnen, edelstenen en de zeven metalen. Het zijn deze hoofdstukken die weerspiegeld zijn in de opbouw van deze eindverhandeling, zoals reeds is aangegeven in de inleiding. Van hoofdstuk twee tot en met zeven zullen per hoofdstuk twee dieren worden uitgekozen: een imaginair en een echt bestaand dier[27].

 

b. De traditie van het bestiarium

 

Om Der naturen bloeme volledig te begrijpen, is het belangrijk dat men weet in welke traditie dit werk past. In de Middeleeuwen werd immers zelden iets volledig nieuws gecreëerd. Men steunt op eerder uitgegeven werken van personen die men als autoriteiten beschouwt; de opbouw en behandeling van de thematiek gebeurt volgens een vast stramien. Jacob van Maerlant is daar geen uitzondering op.

 

Op de website van het Aberdeens bestiarium wordt een bestiarium als volgt omschreven: “A Bestiary is a collection of short descriptions about all sorts of animals, real and imaginary, birds and even rocks, accompanied by a moralising explanation.[28] Der naturen bloeme valt volledig onder deze descriptie. Het is een samengaan van twee tradities: een wetenschappelijke en een moraliserende.

 

Als men deze definitie hanteert, kan men voor het ontstaan van het bestiarium terug gaan tot het reeds uitgebreid behandelde Physiologus (ca.200). Dit werk bracht de christelijke moralisaties aan bij een vijftigtal dieren en legde zo de fundamenten voor het bestiarium van de 12de eeuw. Physiologus bespreekt de dieren op basis van bijbelcitaten en verbindt hieraan een verhaal en een moraal.

 

Physiologus vormde de kern van de bestiaria, maar dit werd uitgebreid met verscheidene andere teksen. De Etymologiae van Isidorus van Sevilla (565-636) had dan een bijna even grote invloed op de ontwikkeling van het bestiarium. Door het gebruik van de etymologie trachtte Isidorus op zoek te gaan naar de ware aard van de dingen. Dit doet hij op een wetenschappelijke wijze zonder moralisatie. In de 9de eeuw voegde Hrabanus Maurus hier een christelijke moraal en theologische interpretaties aan toe in zijn De universo[29].

 

Een andere invloedrijke bron voor de bestiaria was het Hexaëmeron van Ambrosius van Milaan (ca.339-397), dat de zes scheppingsdagen behandelt. In boek vijf en zes bespreekt Ambrosius de vogels en de dieren. Zijn werkwijze is vergelijkbaar met die van Physiologus. Hij beschrijft het dier en interpreteert het gedrag volgens de christelijke principes en moraal.

 

De Collectanea rerum memorabilium (Verzameling van Gedenkwaardigheden) van Solinus (3de eeuw) was een erg populaire antieke bron die eveneens een grote invloed heeft gehad op de bestiaria. Het werk behandelt een wereldreis van de auteur die begint in Rome. Deze reis is echter een verzinsel en het boek is een herwerking van de Historia Naturalis van Plinius de Oudere (ca.23-79). Hierin vond men een samenvatting van de antieke kennis waarin zowel echte als fantastische dieren werden beschreven. Hierin was geen moraal terug te vinden maar die werd er in het bestiarium aan toegevoegd naar het voorbeeld van Physiologus[30].

 

Dit zijn de hoofdwerken die de bestiaria inhoudelijk hebben beïnvloed. Opmerkelijk is volgens Hassig dat Aristoteles weinig tot geen invloed heeft gehad op dit genre, ondanks het feit dat hij ontzettend veel over dieren heeft geschreven. Daarnaast zijn er middeleeuwse auteurs zoals Albertus Magnus die juist de bedoeling hadden om de fantastische verhalen te verbeteren en de empirie wilden doen primeren op de traditie. Volgens Hassig werden deze werken niet gebruikt in de traditie van het bestiarium en de overlevering ervan omdat ze deze juist zouden schaden. In het geval van Albertus Magnus kan men eveneens opmerken dat toen hij zijn De animalibus publiceerde, de traditie van het bestiarium reeds een feit was en er geen nood was aan zijn tekst. Albertus Magnus zit zelf ook meer in de encyclopedische traditie. Als men dan kijkt naar Bartholomaeus Anglicus, die eveneens een encyclopedie schreef, dan ziet men dat de verhalen die ook in het bestiarium worden vermeld, worden overgenomen. Hassigs stelling gaat een stap te ver. Albertus Magnus was immers een uitzondering op de regel en stond aan het begin van een eigen traditie die in de 12de en 13de eeuw – de gouden jaren voor het bestiarium – nog in zijn kinderschoenen stond[31].

 

Het onderscheid tussen de encyclopedie en het bestiarium ligt juist in die moralisatie. Het bestiarium is meer een verzameling van morele lessen dan wat tegenwoordig zou verstaan worden onder een encyclopedie. In de 12de eeuw ontstond er een nieuwe houding ten opzichte van de natuur. De scholastiek ging in de schepping op zoek naar het rationele bewijs van de creatieve kracht van God. Tegelijkertijd kregen ook de mystici meer aandacht voor de natuur om hen heen wat als een beginpunt kon gezien worden van hun spirituele pelgrimage naar God. Het is deels deze houding die doorsijpelt in de bestiaria, waar de natuur een allegorie is voor de spirituele werkelijkheid. De nadruk in het bestiarium ligt immers niet enkel op de natura van de dieren, maar ook op de figura. De bedoeling van het bestiarium wordt het best uitgelegd in dit citaat van de Engelse theoloog Thomas van Chobham (gestorven ca. 1236) uit zijn Summa de arte praedicandi, hoofdstuk 7:

 

The lord created different creatures with different natures not only for the sustenance of men, but also for their instruction, so that through the same creature we may contemplate not only what may be useful to use in the body, but also what may be useful in the soul...

 

Tezelfdertijd echter wordt het Corpus Aristotelicum herontdekt en in deze werken wordt men geconfronteerd met de onderzoeksmethoden van Aristoteles die gericht zijn op de observatie. Het is in diens navolging dat men Albertus Magnus en Thomas van Cantimpré moet plaatsen. Zij staan aan het begin van een nieuwe beweging in de 13de eeuw die inging tegen de tradities en ‘fabeltjes’ van het bestiarium[32].

 

 

3. Besluit

 

Waar moet men Der naturen bloeme dan juist plaatsen? Hij steunde immers op het werk De natura rerum van Thomas van Cantimpré, een encyclopedie, maar combineerde de feiten met een moraal net zoals gebeurde in de bestiaria. Maerlant bracht een bloemlezing die ondanks zijn geringe omvang een schat aan informatie opleverde maar ook voor vermaak moest zorgen en daarenboven de lezer meteen een paar wijze levenslessen wou aanleren. Hij vereenvoudigde de onderwerpen die Thomas van Cantimpré behandelde en liet sommige helemaal weg – waaronder de meteorologie en de kosmografische onderwerpen – mogelijk om ervoor te zorgen dat zijn publiek geïnteresseerd bleef. De structuur van Der naturen bloeme is echter duidelijk gebaseerd op de encyclopedie daar hij met de mens begint en vervolgens de dieren volgens de hiërarchie in de Schepping bespreekt. Wat vooral opvalt is dat hij in iedere categorie (viervoetigen, vogels, vissen…) alfabetisch te werk gaat, dit is kenmerkend voor een encyclopedie en gebeurt zelden in een bestiarium. Maerlant lijkt de traditie van het bestiarium te combineren met het genre van de encyclopedie waarin men tracht praktische kennis te vergaren[33].

 

Jacob van Maerlant lijkt de traditie te combineren met vernieuwing. Dat wordt al meteen duidelijk doordat hij in het Diets schrijft en niet in het Latijn, zoals dat in de meeste wetenschappelijke traktaten het geval is. Dit heeft hoogstwaarschijnlijk te maken met zijn lezerspubliek. Dit werk was immers rechtstreeks geschreven voor Nicolaas van Cats, een leek in plaats van een geleerde clericus. Dat Maerlant voor een wereldlijke heer schreef, heeft deels bepaald wat hij schreef. Zijn moraal moet immers zijn lezers aanspreken en zal dus aan hen aangepast worden. Deze twee feiten maken dat Der naturen bloeme een belangrijke bron kan zijn omdat men hier met zekerheid weet dat het werk tot buiten kloostermuren reikte en zelfs bestemd was voor een heel ander publiek dan de andere bronnen die tot nu toe besproken werden.

 

 

Hoofdstuk 2: Dieren in de Middeleeuwen

 

Dieren hebben in de westerse maatschappij een unieke positie ingenomen. Men geniet van het dier als huisdier of beschouwt het als een ster in de filmwereld en vergeet maar liefst dat wat op ons bord ligt ook van dieren afkomstig is. Anderen komen dan actief of passief op voor de dierenrechten (Gaia, Animal Rights Movements) en weigeren langer vlees of zelfs dierlijke producten te eten. Hoewel men in de Middeleeuwen van de vele aspecten van de dieren genoot, waren de dierenrechten nog ver weg. Als men geen vlees at, was daar waarschijnlijk wel een religieuze verklaring voor. Niettemin nam het dier geenszins een minder belangrijke positie in binnen het maatschappelijk leven van toen. In dit hoofdstuk zal dieper worden ingegaan op de wijze waarop de middeleeuwer met de dieren omging en welke positie het dier innam in zijn verbeelding en kennis.

 

1. Dieren in dienst van de mens

 

De middeleeuwers keken heel anders aan tegen de natuur. Niet de schoonheid van de natuur of het genieten ervan stond centraal, maar eerder het nut. Dit kan men bijvoorbeeld afleiden uit de manier waarop Jacob van Maerlant in Der naturen bloeme de dieren, planten en stenen bespreekt. Hoewel Maerlant sommige dingen wel kan appreciëren, ligt de nadruk voornamelijk op het nut van het dier. Onder nut zijn verschillende dingen te verstaan: het dier kan dienen als voedsel, als werkkracht in dienst van de mens of het kan zelfs gebruikt worden voor medicinale doeleinden. Een hond kan bijvoorbeeld ingezet worden voor de jacht of gebruikt worden als waakhond, ezels als pakdieren, paarden als vervoer, vossegal verbetert het gehoor, etc. Dieren die gewoon gehouden werden als huisdier vormen een minderheid. Van Oostrom noemt hier als uitzondering de valk, die door Jacob van Maerlant uitgebreid wordt behandeld en het best te vergelijken is met wat tegenwoordig onder huisdier wordt verstaan. Dit is echter een te beperkt beeld. Aan de hand van het werk De papegaai van de paus van Raymond van Uytven zal ik hier dieper ingaan op de positie van het dier in de middeleeuwse samenleving[34].

 

Om de verhouding tussen mens en dier in de Middeleeuwen te begrijpen, moet men teruggrijpen naar de Bijbel. In het scheppingsverhaal wordt de status van de mens als heerser over alle dieren meteen duidelijk:

 

“God sprak: ‘Nu gaan Wij de mens maken, als beeld van Ons, op Ons gelijkend; hij zal heersen over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, over de tamme dieren, over alle wilde beesten en over al het gedierte dat over de grond kruipt.” (Gen. 1,26)

 

De mens had een unieke plaats in de schepping. Hij stond boven alle dieren doordat hij naar het evenbeeld van God werd geschapen. Dit is echter niet genoeg om de mens van de dieren te onderscheiden; de dierenwereld bestond immers ook uit mensachtige of hybride dieren zoals de zeemeermin, de pilosus (een wildeman) en de centaur. Toch is er wel degelijk een verschil tussen deze wezens en de mens. In de Middeleeuwen wordt stellig geloofd dat de mens het enige dier is dat een ziel heeft. Dit kan men reeds terugvinden bij Augustinus en deze stelling werd een integraal deel van de christelijke ideologie. Daaruit volgt dat de dieren evenmin begiftigd zijn met rede. Wanneer een dier vlucht uit zelfbehoud of zijn nest bouwt, dan is dat ingegeven door een natuurlijke drang, aldus Albertus Magnus en Thomas van Aquino. Vreemd genoeg neemt dit niet weg dat dieren wel verantwoordelijk worden geacht voor hun daden. Dit getuigen de talrijke gerechtelijke processen die werden gehouden tegen dieren. Wanneer een dier bijvoorbeeld een mens doodde, dan werd het onmiddellijk afgemaakt en met zijn poten opgehangen. Thomas van Aquino’s betoog tegen dergelijke processen had weinig invloed en hoewel daartegen in de 13de eeuw er meer en meer werd geprotesteerd, ziet men dat zelfs tot in de 15de eeuw dieren terechtgesteld worden. Volgens de theologen ging het eerder om een veroordeling van het kwade dat beesten als instrument gebruikte en niet zozeer om de veroordeling van de dieren zelf[35].

 

Dieren zijn dus zielloos, redeloos en beschikken niet over een vrije wil zoals de mens. Dit houdt meteen in dat er voor hen ook geen plaats is in de hemel. Daarenboven waren in de hemel dieren van geen enkel nut want de onsterfelijke zielen hadden geen nood aan dieren. Dit leidt ons meteen naar het volgende punt. Toen de mens in het aards paradijs leefde, had hij geen dieren nodig. Hij droeg geen kleren en at slechts vruchten en planten. Met de zondeval veranderde dit en werd het dier een noodzakelijke leverancier voor eten en kleding. God had de mens immers geschapen als heerser over alle dieren, om erover te beschikken naar goeddunken. Dit wordt gereflecteerd in het middeleeuwse eigendomsrecht waarin dieren de mens toehoorden en hij ermee kon doen wat hij wilde. Daarnaast was er echter een gevoel van solidariteit tussen mens en dier omdat ze beide deel uitmaakten van de schepping van God. Dit neemt niet weg dat alle leden niet over dezelfde rechten beschikten. Niettemin plaatst een denker als Thomas van Aquino de dieren samen met de mens binnen de groep die over natuurlijke rechten beschikt. Hij is echter een van de weinigen die er in de Middeleeuwen zo over dacht[36].

 

De middeleeuwse samenleving was een agrarische samenleving waarin dieren op verschillende wijzen werden benut. Ten eerste was het dier een bron van voedsel. Aanvankelijk was de jacht vrij voor iedereen. In het Germaanse recht van de 9de eeuw bestonden helemaal geen restricties. De jacht was een confrontatie tussen de jager en zijn prooi, die vaak een materiële beloning meebracht (vlees, pelzen, ivoor,…). In de 10de eeuw begon hier echter verandering in te komen en werd de jacht op wilde dieren steeds meer een privilege van de adel en de militaire elite die over de nodige uitrusting beschikte. Jagen werd een bron van vermaak en was daarenboven een goede demonstratie van het kunnen van de ruiter en zijn paard. In de 11de eeuw maakte de spektakeljacht haar opkomst aan het hof. Deze jacht bestond uit twee varianten; de jacht met een roofvogel en de drijfjacht. De eerste ontwikkelde zich onder invloed van de islam en werd al snel een populaire sport in Europa. Het bezit van een jachtvogel werd een waar statussymbool voor de adel. In de drijfjacht maakte men gebruik van jachthonden om de prooi op te jagen. Het doden zelf werd door de jager gedaan. Deze jacht is een schouwtoneel, een manier waarop het hof zijn status kan bevestigen. Dit neemt echter niet weg dat de buit wel degelijk werd opgediend. Daarnaast beschikte men over beroepsjagers die ervoor moesten zorgen dat de tafels van de heer van wild voorzien werden. Zowel groot als klein wild werd door de adel gegeten: oerossen, wisenten (Europese bizons die in de 10de eeuw werden uitgeroeid), beren (deze verdwenen uit de meeste streken gedurende de 12de eeuw), everzwijnen, herten, konijnen, patrijzen, fazanten, etc. De populariteit van de jacht in combinatie met de toenemende ontginningen had zijn nadelen: in de 11de eeuw begon het grootwildbestand enorm af te nemen en was men meer aangewezen op het klein wild[37].

 

Als men zelf niet joeg, kon men ook naar de markt om zich wild te aanschaffen. De prijzen liggen hier echter zo hoog dat men kan veronderstellen dat enkel de adel of de erg rijke burgers zich het wild konden veroorloven. Het grootste deel van de bevolking kon enkel op hazen of vossen jagen, terwijl het andere wild behoorde tot het jachtrecht van de grootgrondbezitters: maar soms kozen deze ervoor om dit recht te verpachten. Ook de visserijrechten behoorden toe aan de grootgrondbezitters maar aan dit recht hield de adel minder vast dan aan het jachtrecht. Vissen was dan wel minder populair bij de adel, het had een belangrijke positie in de middeleeuwse maatschappij. Terwijl clerici niet mochten jagen, was het hen wel toegelaten om te vissen. Zoetwater- en zeevissen werden op de markten verhandeld. Aan de kusten bestonden vissersdorpen van waar men de producten tot diep in het binnenland vervoerde. Er bestonden strikte reglementen omtrent de visvangst om te voorkomen dat men aan overbevissing deed en om te verzekeren dat de vispopulatie kon blijven aangroeien. De visconsumptie lag vrij hoog in de Middeleeuwen, maar welke vis men voorhanden had, werd sterk bepaald door het seizoen en de locatie. Zo kende men in de Duitse dorpen geen zeevis, kabeljauw was voornamelijk beschikbaar gedurende de winter, forellen kon men vinden van maart tot september, etc[38].

 

De jacht leverde niet enkel vlees op, een ander belangrijk product waren de pelzen. Pelsdieren werden natuurlijk op een gehele andere wijze gevangen dan andere dieren om te voorkomen dat de vacht beschadigd werd. Er was een erg lucratieve handel in bont met de landen rond de Middellandse Zee (in pelzen van vossen, konijnen, lynxen, grijze eekhoorns, schapen, luipaarden,…), de duurste pelzen komen echter uit Scandinavië (otters, bevers, hermelijn, marters, vossen, bunzing,…) en Oost-Europa waaronder Pruisen, Polen en Rusland. Pelzen waren noodzakelijk voor de middeleeuwer om zich gedurende de winter warm te kleden. Terwijl de gewone bevolking zich tevreden moest stellen met konijnenbont, gebruikte de adel de wilde pelzen als een statussymbool om mee te pronken. Het dragen van bont werd een modeverschijnsel aan het einde van de 13de eeuw, zo zien we dat schapenvellen erg populair zijn van 1285 tot 1288 maar daarna concurrentie ondervinden van de hermelijn, marters, genetkatten en sabeldieren. De prijzen van de luxueuze pelzen steeg. De adel kocht niet enkel pelzen voor zichzelf maar gebruikte ze ook als vergoeding, geschenken aan rijke burgers of leenheren, compensaties voor diensten of zelfs als aalmoes voor de armen. Pelzen werden niet enkel gebruikt voor kleding maar meubels, tapijten, dekens, hoeden, handschoenen etc. konden ook uit bont gemaakt zijn. Naast pelzen was ook ivoor populair. Dit werd onder meer gebruikt voor de versiering van boekbanden, kammen en cultusvoorwerpen. Dieren waren dus een belangrijke bron van grondstoffen voor de middeleeuwer[39].

 

Niet enkel de wilde dieren stonden ter beschikking van de mens. Er werden ook tamme dieren gekweekt en gehouden, in de 11de en 12de leverden deze gedomesticeerde dieren het meeste van het vlees voor het gewone volk en hun belang nam enkel maar toe. Populair was het varken dat tot in de 12de eeuw 50% van het slachtvlees leverde en het meest gefokte en geconsumeerde dier was in de vleesindustrie. De varkens werden ofwel vetgemest met huis- of bedrijfsafval ofwel werden ze in kuddes gehoed in eiken- en beukenbossen. Varkens leverden vet spek, vlees, haren voor borstels. De varkensblaas was bruikbaar doordat ze waterdicht is en tot zwemblaas of bal kon worden opgeblazen. Varkensleder was echter minder populair vanwege de slechte kwaliteit. Varkensvlees werd het vlees van de lage standen. Een tweede belangrijk dier was het schaap dat voor allerlei doeleinden werd gehouden. De consumptie van schapenvlees nam toe in de tweede helft van de 11de eeuw, hoewel men relatief minder vlees van een schaap kreeg dan van een varken. Schapenvellen werden gebruikt voor de voering van kleding en voor het vervaardigen van perkament of leder. Van schapenmelk maakte men kaas en de mest was goed voor de bodem. Het belangrijkste product van het schaap was echter de wol. De Engelse wol stond bekend als de beste kwaliteitswol en lag aan de basis van de lakenindustrie in de Lage Landen[40].

 

Pluimvee, zoals ganzen en kippen, werden op de boerderijen voornamelijk gehouden voor eigen gebruik. Kippen hield men voor de eieren, terwijl ganzen werden opgediend als feestmaal. Daarnaast hield men ook duiven die ofwel opgegeten werden ofwel gehouden werden voor hun mest om de akkers te bemesten. Men maakte echter geen gebruik van de duif om boodschappen te versturen. Runderen werden eveneens voor verschillende redenen gehouden. Ossen werden als trek- en labeurdieren ingezet, koeien leverden melk waarvan men boter en kaas kon maken en het kalfsvlees was een lekkernij. Vanaf de 12de eeuw was rundsvlees belangrijker dan varkensvlees en nam het diens aandeel van meer dan de helft van al het consumptievlees over. Men mag niet vergeten dat in de middeleeuwse voeding dierlijke producten ongeveer de helft van alle voedseluitgaven vertegenwoordigde. Ossen, en later ook paarden, werden ingezet als werkdieren op het veld of om zware lasten te vervoeren. Deze sterke dieren werden in de 11de en 12de eeuw onontbeerlijk om de harde en zware gronden om te ploegen. Ezels werden als lastdieren gebruikt voor wie zich geen paard kon veroorloven. Dieren moesten de werklast verlichten, ze werden ingezet om molens te doen draaien, karren te trekken en dergelijke zware werken[41].

 

Paarden waren belangrijk in de Middeleeuwen maar ze waren ook heel erg duur. Het bezit van een paard was dus voornamelijk voorbehouden aan de adel. Op het slagveld waren de ruitertroepen de belangrijkste troef. Aanvankelijk werden alle paarden gebruikt, maar na enige tijd begon men verschillende soorten paarden te onderscheiden en ging men ze ook speciaal fokken voor de strijd. Albertus Magnus onderscheidt vier paardensoorten: de strijdrossen, de rijpaarden, de renpaarden en de vrachtpaarden. Jacob van Maerlant beperkt zich tot drie categorieën: de oorlogspaarden, rijpaarden en ploegpaarden. Vanzelfsprekend waren de strijdrossen het duurst, paarden eten immers ontzettend veel en in het torsen van een gehele uitrusting kroop heel wat energie. Die uitrusting ontwikkelt zich en men zal steeds betere manieren vinden om de stabiliteit en de stootkracht van de ruiter te optimaliseren. Naarmate de waarde van de paarden steeg, begon men zich ook emotioneel aan het dier te hechten. In de 12de en 13de eeuw ziet men in de literatuur een grotere appreciatie voor het rijdier. Niet voor niets smeekte Robrecht van Artois in 1302 gedurende de Guldensporenslag dat men zijn paard niet zou kwetsen terwijl men op hem insloeg. Paarden waren vitaal voor een militaire expeditie. Zelfs toen de zware strijdrossen minder belangrijk werden op het veld, zorgden paarden voor een maximale mobiliteit van het leger en nam het belang van de bereden boogschutters toe. Het eten van paardenvlees was eerder een taboe dat reeds bij de Gothen bestond. Toch gebeurde het dat op langere militaire expedities men soms genoodzaakt was om de paarden te slachten wanneer er een voedseltekort optrad. Toch ziet men dat gedurende de 12de en 13de eeuw het paard steeds meer werd ingezet als werkkracht, hoewel het dier de positie van de os zeker niet overnam[42].

 

Honden waren minstens even populair als paarden. Zij stonden symbool voor trouw, moed en kracht en waren de geliefde compagnon van de adel. Zowel mannen als vrouwen, en zelfs clerici, bezaten honden. Deze maakten deel uit van het intieme leven van de adel. Het was niet ongewoon dat de honden mee in bed sliepen. Er bestaan talloze verhalen over de trouw van de hond aan zijn baasje en over hoe honden diens dood zelfs wreken. Katten daarentegen waren een heel stuk minder populair. Rond 1000 kwamen ze vaker voor in Europa; vooral geestelijken hielden katten bij als huisdieren. Ze werden voornamelijk bijgehouden om muizen te vangen. In de 12de eeuw echter werd de kat steeds meer geassocieerd met het kwade; ze waren vals, geil en diefachtig. Katten werden gemarteld en in de meest wreedaardige tradities betrokken. In Metz was er sinds 962 een ritueel waarin men op kattenwoensdag katten opsloot in een kooi en deze levend verbandde. Pas in 1777 kwam er een einde aan dit volksgebruik. Katten werden als orgel gebruikt, dit zogenaamde kattenklavier[43] werd te Brussel in 1549 opgevoerd om de komst van Filips II te vieren. In Ieper werden er katten levend van het stadhuis gegooid. Gelukkig werden niet alle dieren zo gepijnigd; eekhoorns, vogels en aapjes werden als troeteldier gehouden door de adel en de clerici[44].

 

Al was een dier voor de middeleeuwer vooral belangrijk omdat het zijn nut bewees, men kan dus toch stellen dat er ook troeteldieren werden gehouden. Bovendien kan men bij de vorsten een hang naar exotische dieren opmerken. Deze uitheemse dieren moesten hun prestige verhogen. De Engelse koning Hendrik II (12de eeuw) bezat een menagerie waarin men leeuwen, luipaarden, lynxen en kamelen kon bezichtigen. Richard Leeuwenhart bracht van zijn kruistocht een krokodil mee die echter wist te ontsnappen in de Thames. Hendrik III kreeg van Lodewijk IX een olifant cadeau maar het dier stierf in het kille Engelse klimaat. Keizer Frederik II (1194-1250) had in zijn menagerie olifanten, dromedarissen, kamelen, luipaarden, giervalken, struisvogels en papegaaien[45].

 

Dieren waren dus alom aanwezig in het dagelijks leven van de middeleeuwse samenleving. Bij de lagere standen deden ze voornamelijk dienst als werkkrachten en dienden als voedsel terwijl de adel en clerus hun als gezelschap kon waarderen. Vooral paarden, honden en vogels waren geliefd bij de adel.

 

 

2. Dieren in de verbeelding en de kennis

 

Hierboven werd aangetoond dat de dieren een belangrijke positie hadden in het dagelijkse leven van de middeleeuwer. Er kan dus zonder probleem verondersteld worden dat men directe, toepasbare kennis had over de dieren waarmee men vertrouwd was. Wanneer men echter een bestiarium of een encyclopedie over de dieren opent, dan vindt men daar beschrijvingen in terug van dieren die de doorsnee middeleeuwer nooit in zijn leven ontmoet kan hebben omdat deze in verre landen leven of omdat ze simpelweg niet bestaan. De kennis die men bezat over de dierenwereld reikte veel verder dan de grenzen van Europa.

 

Het bestiarium was net zoals de meeste kennis in de 12de eeuw gebaseerd op werken die eeuwen voordien waren neergepend. Die boeken waren een ongelooflijke bron van informatie voor de lezers. Schrijvers, zoals Jacob van Maerlant of Albertus Magnus, baseerden zich op deze boekenwijsheid voor hun eigen werk. Een aantal van de fenomenen die zij beschrijven hadden ze immers zelf nooit kunnen aanschouwen. Het nadeel was echter ook dat juist doordat men niet voor alles een referentiepunt had in de werkelijkheid, men gemakkelijk interpretatiefouten kon maken. Hierdoor ontstonden er merkwaardige of verkeerde beschrijvingen die een leven op zich gingen leiden juist omdat men ze niet kon controleren. Het is nochtans verkeerd te denken dat alles eenvoudig werd overgenomen uit de boeken. Jacob van Maerlant zal bijvoorbeeld wel de dingen die hem niet juist lijken trachten te verbeteren, al blijft zijn commentaar erg beperkt. Dit kan beschouwd worden als een typische houding voor de 12de eeuw. Net zoals vele andere domeinen van de cultuur was er een wetenschappelijke heropleving. Er ontstond een nood om datgene wat de traditie vertelde beter te verstaan en wetenschappelijk te begrijpen. Steeds meer werd wat was opgeschreven vergeleken met wat men observeerde. In de 13de eeuw werd dit bekrachtigd door de herontdekking van de werken van Aristoteles. Zoals reeds werd aangegeven maakte Albertus Magnus deel uit van deze traditie. De opkomst van deze kritische en empiristische stroming betekent echter niet dat iedereen meteen wetenschappelijk te werk wou gaan. Men mag deze houding niet verwarren met wat tegenwoordig onder ‘wetenschappelijk’ wordt verstaan. Kijk maar naar Alexander Neckham (1157-1217) die de natuur nog steeds bekijkt als een spiegel voor de mens en geïnteresseerd is de moraal die men kan leren uit de kwaliteiten van de verschillende dieren[46].

 

De interesse die men in de Middeleeuwen voor het dier toonde, leek geboren te zijn uit de nood om de wereld om zich heen en zichzelf beter te verstaan. De natuur was een werk van God en leverde daardoor inzicht in die goddelijke wereld. Anderzijds kon de mens in de natuur een glimp opvangen van wat God nu juist van hem verwachtte. Dit kan gestaafd worden door het feit dat Honorius van Autun (12de eeuw) in zijn Speculum ecclesiae, een handboek voor de prediking, de allegorieën uit Physiologus als voorbeelden gebruikte. Juist in de 13de eeuw begon deze houding echter te evolueren en ontstond er geleidelijk aan interesse voor het dier ‘an sich’. Toch bleven de moralisaties bestaan en werden deze zelfs verder uitgebreid. Het was de bedoeling dat bestiaria en encyclopedieën de lezer hielpen om tot een beter inzicht te komen in de Bijbel. De symbolische betekenis van de dieren was belangrijk en bleef dat ook in de loop van de 13de eeuw[47].

 

De hoofse literatuur maakte gretig gebruik van de symbolische betekenis in de ontwikkeling van de genres van de fabels en satires. Deze genres steunen eveneens op de folklore. Het lijdt geen twijfel dat er onder het gewone volk een rijke traditie van dierenverhalen bes