| Landbouwproductiviteit op basis van de kadastrale expertises in het arrondissement Dendermonde. (Raf Burm) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Hoofdstuk 3: De landbouwproductie; opbrengsten en rendementen.
Factoren die de landbouwproductie bepalen.
Inleiding.
Bij de analyse van de fysieke productie is in het verleden steeds veel aandacht gegaan naar de economische implementaties van de productie. M. Goossens introduceert en definieert in haar werk het begrip ‘landbouwproduct’. Hiermee bedoelt ze de totale productie van de agrarische sector, meestal voor een land (het kan ook voor een streek of een regio berekend worden) per jaar.[137] Deze vraagstelling is dan ook zowat de centrale problematiek in haar werk. De technische analyse van dit product laat vooralsnog op zich wachten. Het is dan ook de bedoeling om –nadat we een uiteenzetting van de verschillende technische parameters hebben gegeven- de relatie tussen de technische en de economische parameters te analyseren.
Energie-systemen in de moderne landbouwwetenschap.
Sinds jaar en dag poogt de mens de productiviteit van de landbouw op te voeren. Waar vroeger de ervaring en de traditie de landbouwuitbating geheel beheersten, zijn nu modern management en ver doorgedreven specialisatie de grote toverwoorden. Met de introductie van de wetenschap in de landbouw, dit sinds pakweg halfweg de negentiende eeuw, is de grote kentering op gang gekomen. In de eerste plaats ging de interesse van de landbouwwetenschappers uit naar productie verhoging en arbeidsbesparing die op hun beurt zouden moeten leiden tot een prijsdaling van de landbouwproducten. Deze drang naar intensivering bepaalde ruim een eeuw lang de onderzoeken en werden zelfs in belangrijke mate politiek gestimuleerd. Getuige hiervan de conferentie van Stresa in Italië in 1958 waar de toenmalige Europese Economische Gemeenschap (EEG) de grondslagen van de Europese Landbouwpolitiek vastlegde. Goedkoop voedsel en een billijk inkomen voor de producent stonden centraal in dit beleid.
Zoals eigen aan iedere wetenschap was ook de landbouwwetenschap op zoek naar criteria en instrumenten om bepaalde facetten van de productie uit te drukken. Zo wordt de bemesting uit-gedrukt in de chemische elementen waaruit de mest bestaat. Zo heeft men ook een systeem uitgedokterd om de productiviteit van het rundvee uit te drukken in energiewaarden. Het is dan ook de bedoeling om deze systemen uit te leggen en de historische variabelen in de formules te stoppen. De resultaten laten toe om een technische evaluatie te maken van de vroeg-negentiende eeuwse landbouw. Deze interdisciplinaire aanpak is zeker niet nieuw in de wetenschap van de geschiedenis. Zo heeft Ch. Vandenbroeke reeds in de jaren zestig een studie uitgevoerd waarin hij het calorieënsysteem uit de voedingsleer toepast om mede de demografische groei te verklaren[138]. Naar analogie hiermee zullen een aantal energiesystemen uit de landbouwwetenschap op de historische context toegepast worden. Verder zal ook onderzocht worden in welke mate deze systemen relevant zijn voor het historisch onderzoek.
Vooraleer wij hiermee van start gaan, is het wel relevant om uit te leggen hoe de landbouwproductie in haar werk gaat. Zoals iedere andere economische activiteit is ook de landbouwactiviteit gericht op het maken van winst of liever het creëren van een meerwaarde. De boer zal er dan ook alles aan doen om zo hoog mogelijke opbrengsten te behalen. Terecht mogen we, vooraleer wij met dit betoog verder te gaan, ons afvragen of dit uitgangspunt wel correct is. Met andere woorden dienen wij ons ervan te vergewissen of de vroeg-negentiende eeuwse boer wel doordrongen was van zo’n "managementsmentaliteit". Aan het einde van dit opus zullen we daarover een uitgebreide analyse geven. Maar er zijn wel een aantal indicaties om aan te nemen dat dit wel zo is. Niet zonder enige fierheid, wensen we hierbij verwijzen naar de intensieve wijze waarop in de Vlaamse contreien de landbouwstiel beoefend werd. Toenmalige agronomen beschreven zeer vleiend de Vlaamse landbouwuitbatingen en verwonderden zich over de enorme productieresultaten die de Vlaams boeren haalden. Als kleine illustratie hierop citeren we uit het werk van de Engelsman Shaw die in zijn Essai sur les Pays-Bas Austrichiens het volgende beweerde : “La Flandre devint le pays de l’Europe le plus fertile et le mieux cultivé, et elle l’est toujours quoique beaucoup de nations aient suivi son exemple.”³ De lijst van gelijkgestemde berichten en verslagen is ellenlang. Liever dan ze één voor één aan te halen, opteren wij ervoor ons betoog verder te zetten. Een ander element dat ons doet overtuigen dat toen reeds de boer zich enigszins toelegde op het creëren van een meerwaarde, is het prestige dat een boer genoot. Goede en gezonde vruchten op het land bezorgde de boer een begeerde reputatie en maakte hem vaak tot een aanzienlijk man, niet onbelangrijk in de kleine leefgemeenschappen van die tijd.
Vertrekkend van het uitgangspunt dat de landbouwer goede en grote opbrengsten beoogt, mogen wij ervan uitgaan dat hij dan ook zal pogen om naar bestvermogen de voorwaarden om deze doelstelling te bereiken, zal bijsturen. Om een hoge opbrengst te behalen dienen dus de condities waarin het gewas opgroeit zo gunstig mogelijk te zijn. De belangrijkste voorwaarden om een goede opbrengst te behalen zijn:
de weersomstandigheden
een gezond bodemleven
de beschikbaarheid van voldoende plantvoedende stoffen
bestrijding van plagen, ziekten en van het onkruid
de kwaliteit van het zaaizaad
goede structuur en zuurtegraad van de grond
goede vochtvoorziening en luchtvoorziening
Wij zullen in het verdere vervolg van dit hoofdstuk deze voorwaarden van nader bekijken. Uiteraard zijn deze factoren niet los van elkaar te zien.
De weersomstandigheden.
Een belangrijke factor in het landbouwproductie proces is ongetwijfeld het weer. Genoeg vocht en licht bevorderen de groei of remmen ze af wanneer ze overmatig of ondermaats aanwezig zijn. De reconstructie van deze factor stelt de historicus voor een onnoemelijk probleem. Enkel vanaf 1833 zijn er concrete waarnemingen die door het KMI opgetekend werden. Voor voorgaande periodes, blijft het gissen. Enkelingen waagden zich op basis van beschrijvende bronnen alsook op basis van meetreeksen die door enkelingen gemaakt werden toch aan een klimaatreconstructie. Bekende standaardwerken zijn onder meer van de hand van E. Leroy-Ladurie, “l’histoire du climat” of meer specifiek voor onze contreien, de studie van J. Buisman “duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen”[139]. Voor Nederland zijn er reeds meetreeksen bekend vanaf 1706, maar de betrouwbare laten zich maar vanaf 1735 optekenen[140]. Voor de Zuidelijke Nederlanden is vooral het meetwerk van de Bergse meteoroloog Victor Francois van belang. Het verschaft ons meer informatie over de temperatuur gedurende de periode 1818-1838. Neerslaggegevens zijn (vooralsnog) niet gevonden. Dit is misschien te verklaren door het gebrek aan degelijke meettechnieken en –apparatuur. Op zich is het wel jammer te noemen, maar anderzijds is de temperatuur wel al een belangrijke indicator.
Een gezond bodemleven.
Een tweede belangrijke factor voor een gezonde plantengroei is een gezond bodemleven. De bodem bestaat naast het zand (SiCO) ook uit dood organische materiaal, resten van afgestorven planten en dieren. Dit materiaal bevat enorm veel potentieel plantenvoedsel, dat geleidelijk vrijkomt doordat micro-organismen ze ontbinden. Bij voldoende luchttoetreding (O2) wordt het organische restmateriaal omgezet naar anorganische of minerale producten (diverse zouten en daarnaast nog water en koolzuurgas). Dit proces noemt men “mineralisatie”. Daarnaast blijft er echter een gedeelte van het organische restmateriaal onverteerbaar voor de micro-organismen. Deze fractie noemt men de “bestendige” of “stabiele” humus. Deze bestendige humus is van enorm belang voor de goede structuur van de grond, meer bepaald voor het waterbergend vermogen en de vasthouding van de minerale, niet-plantvoedende stoffen. Het is namelijk zo dat dood organisch materiaal door levende bodemorganismen niet rechtstreeks in mineralen wordt omgezet maar in eigen organisch materiaal (humificatie) dat op zijn beurt als voedsel dient voor de aërobe microben die dit organisch materiaal mineraliseren. Een gezond bodemleven garandeert dat er weinig mineralen worden uitgespoeld. In de kadastrale expertises staan de gegevens over de dikte van de humuslaag opgenomen in document 5, hoewel ze niet altijd even nauwkeurig werden genoteerd.
De beschikbaarheid van voldoende plantvoedende stoffen
Voor de vorming en de groei van plantencellen zijn er dus grondstoffen nodig. Buiten het koolzuurgas dat via de bladeren wordt opgenomen, worden de voedingselementen normaliter via de wortels opgenomen. Het overbekende proces waarbij grondstoffen aangemaakt worden, voor de plantengroei, noemt men de fotosynthese. Het is een assimilatieproces waarbij koolzuurgas (CO2) en water( H2O) omgezet worden in koolhydraten (suikers, zetmeel, cellulose). Voor de vorming van andere organische stoffen zoals eiwitten, vetten e.d. moet de plant ook nog over andere anorganische stoffen beschikken. Zo is voor de aanmaak van eiwitten ook nog stikstof (N), fosfor (P), en zwavel (S)nodig. Om dus een goed overzicht te hebben welke plantvoedende stoffen er zijn en welke functie ze vervullen heeft men ze verder ingedeeld. Men maakt een tweeledig onderscheid. Enerzijds deelt men de plantvoedende stoffen in op grond van de hoeveelheden die opgenomen worden, anderzijds kan men ze indelen op basis van de functie die ze vervullen tijdens het groeiproces. Wanneer men het eerste selectiecriterium hanteert, kan men twee soorten voedingselementen onderscheiden. Naast de hoofd- of macro-elementen, kan men nog de spoor- of micro-elementen onderscheiden. Van de hoofdelementen worden aanzienlijke hoeveelheden opgenomen. De opname wordt in kilogram uitgedrukt. Planten nemen van de spoorelementen bijzonder kleine hoeveelheden op. Desondanks zijn ze onontbeerlijk voor de groei. Ze worden in milligram uitgedrukt. Het tweede criterium om de voedingselementen in te delen is de functie die het element dient te vervullen in het groeiproces. Het betreft de zogenoemde bouwelementen. Men onderscheidt vijf categorieën;
bouwelementen van de eiwitten : stikstof, zwavel, fosfor, koolstof, waterstof en zuurstof.
bouwelementen van de enzymen : ijzer, koper.
bouwelementen van het bladgroen : stikstof, magnesium.
schakel bij de fotosynthese (katalysator) : fosfor, kalium, ijzer.
schakel bij het transport binnen de plant : kalium.
Zoals wij kunnen merken, vervullen bepaalde elementen soms meerdere functies in het groeiproces. Dit hangt af van de stoffen waarvan ze deel uitmaken. Naast deze bouwelementen komen er ook nog andere elementen voor in planten waarvan natrium, chloor, aluminium en silicium de belangrijkste zijn. Deze stoffen hebben echter geen enkele invloed op de ontwikkeling van de plant zelf, maar ze hebben vaak wel een -doorgaans negatief- effect op de gezondheid van dieren of mensen die zich met deze planten voeden.
Tot hiertoe hebben wij de belangrijkste elementen en hun functie opgesomd. Laten we nu even dieper ingaan op de wijze waarop planten deze elementen opnemen. Zoals hiervoor gesteld gebeurt de opnamen van koolzuurgas via de huidmondjes van bladeren. Water wordt via osmose opgenomen door de wortels van de plant. Osmose vindt plaats als twee zoutoplossingen van verschillende concentratie gescheiden zijn door een zogenaamd halfdoorlatende membraan. Het water verplaatst zich dan van de zwakste concentratie naar de sterkste. Bij plantenwortels is het buitenste membraan van het cytoplasma van de wortelharen halfdoorlatend. Het bodemwater en het cytoplasma (is eigenlijk het celvocht) zijn in dit geval de beide zoutoplossingen. Doorgaans heeft het cytoplasma een hogere zoutconcentratie. Op die manier wordt vocht opgenomen. Ook het watertransport naar de houtcellen gebeurt op een analoge manier. Het transport van de houtcellen naar de bovengrondse delen van de plant gebeurt door massastroming; planten verdampen immers water. Door die verdamping oefenen bladeren een zuigkracht uit, waardoor het water als het ware naar boven gezogen wordt. Soms gebeurt het dat de zoutconcentratie van het bodemvocht veel hoger ligt (door bv teveel kunstmest); dan treedt het omgekeerde proces op. Het cytoplasma gaat dan water afscheiden naar het bodemvocht, zodat de plantcellen teveel vocht verliezen en dus afsterven. Men noemt dit verbranding.
De opnamen van andere voedingselementen kan enkel maar doorgaan als deze mineralen of zouten opgelost zijn in het bodemvocht. Opgeloste zouten zijn echter gesplist in elektrisch geladen deeltjes, hetgeen men ook wel eens ionen pleegt te noemen. De opname van deze elementen is dus eigelijk de opname van ionen. Als de plant echter ionen wilt opnemen, dienen de ionen het buitenste membraan van het cytoplasma te passeren. Hierover bestaan verschillende theorieën. Het belangrijkste verklaringsmodel is dat van de zogenaamde “carriers”. Volgens deze theorie bevinden zich in het cytoplasma bepaalde draagstoffen of “carriers” die in staat zijn om een ion aan zich te binden en die door het membraan van het cytoplasma (ook wel plasmalemma genoemd) te dragen en die dan vervolgens weer los te laten. Deze theorie is vrij analoog aan de wijze waarop zoogdieren zuurstof opnemen. Het is immers het element ijzer dat in de stof hemoglobine zit die de zuurstof door het lichaam transporteert. De theorie onderscheidt twee soorten draagstoffen. Enerzijds de specifieke, die maar één soort ion kan vervoeren en anderzijds de draagstoffen die meerdere ionen kunnen transporteren. Deze theorie is ook in staat te verklaren hoe het komt dat sommige plantensoorten bepaalde voedingselementen in een sterke mate weten op te hopen. Denken wij bijvoorbeeld aan suikerbieten. Door immers aan te nemen dat bepaalde plantensoorten een aanzienlijke hoeveelheid van een bepaalde specifieke draagstof bezit, is het niet moeilijk om te aanvaarden dat hierdoor een bepaalde reserve kan aangemaakt worden. Indien wij deze theorie aannemen resten er ons nog twee vragen. Hoe bereiken de ionen de plantwortels en hoe gebeurt het transport van deze voedingsionen naar de bladeren?
De ionen in het bodemvocht bereiken de plantenwortels op twee manieren. Enerzijds door massastroming; d.w.z. dat ten gevolge van wateropname door de plant, een bodemvochtstroom op gang gebracht wordt in de richting van de wortels. De niet gebonden voedingsionen worden op die manier dan meegevoerd tot aan de wortel. Anderzijds bereiken de ionen ook de plant door diffusie. Immers op het moment dat de plant ionen opneemt, verlaagt de ionenconcentratie rond de wortels. Door middel van diffusie worden opnieuw ionen aangebracht. Op dezelfde manier (massastroming en diffusie) bereiken de ionen via de cellen van de wortelschors de houtvaten (xyleem).
Zoals hierboven reeds uiteengezet, neemt een plant geen zouten op, enkel de in ionen gesplitste zouten. Er kunnen twee soorten ionen onderscheiden worden, namelijk positieve (kationen) en negatieve (anionen) . Doorgaans hebben de tegengesteld geladen ionen een gunstige invloed op elkaars opname. Zo bevorderen NO3- anionen de opname van de Mg2+ kationen. Dus een Mg (magnesium) gebrek bij planten kan men dus oplossen door bv. meer kalksalpeter, Ca(NO3)2 te bemesten. Dit verschijnsel noemt men synergisme. Omgekeerd belemmeren gelijk geladen ionen elkaars opname. Dit verschijnsel noemt men ionenantagonisme. Zo zal een overmatige K (kalium) bemesting tot een Mg (magnesium) gebrek lijden bij het gewas, hoewel er voldoende Mg kationen in de bodem aanwezig kunnen zijn. Deze “antagonistische” beïnvloeding valt ook door de “carrier”-theorie te verklaren. Men neemt aan dat K en Mg dezelfde draagstof hebben. Maar K bindt zich sneller, zodoende dat er onvoldoende Mg – kationen opgenomen kunnen worden. Zoals in deze laatste paragraaf tot uiting is gekomen, kunnen gebrekverschijnselen bij planten dus diverse oorzaken hebben. Is het gebrek een gevolg van een onvoldoende aanwezigheid van een bepaalde voedingsstof, dan spreekt men van een absoluut of een primair tekort. Zijn er echter wel voldoende voedingselementen aanwezig, maar worden er te weinig van opgenomen, dan spreekt van een relatief of een secundair tekort. We komen op dit laatste nog terug als wij de invloed van de pH (zuurtegraad) op het groeiproces bespreken.
Totnogtoe hebben we geprobeerd –zonder ons in details te verliezen- een nauwkeurige beschrijving te geven van de wijze waarop een plant zich van haar voedingsstoffen voorziet. Zoals men uit dit korte stukje kan opmaken, is de technisch-wetenschappelijke realiteit een vrij complexe aangelegenheid. Doch hebben we getracht ons van deze realiteit rekenschap te geven bij de analyse van de productie gegevens uit de expertises. De kadastrale expertises bieden ons unieke informatie in verband met deze bemesting. Bij de beschrijving van de productiekosten in document 5, hebben de enquêteurs ook de bemesting opgenomen. Methodologisch probleem dat hierbij optreed is dat deze bemesting werd opgenomen in “karren”. In het inleidende hoofdstuk hebben we reeds op dit probleem gewezen. Vooral de inhoud van een “kar” is nog steeds een raadsel, ondanks de berekeningen van o.m. Vanderpijpen. Echter ook de kwaliteit van de mest is een probleem. We dachten evenwel het probleem te omzeilen door na te gaan of een eventueel verband bestond tussen de bruto opbrengsten en het totaal aan toegediende mest in. Indien dit zo zou zijn, zouden we in staat moeten zijn om de bemestingswaarden (in kilogram stikstof, fosfaat,…) per kar te benaderen. We zouden hierdoor twee vliegen in één klap slaan. Ten eerste zijn van het methodologische probleem van de “karren” verlost, ten tweede zouden we in staat om – zij het uiteraard met een foutenmarge – om na te gaan wat nu eigenlijk zo’n kar voorstelt aan minerale voedingsstoffen.
Bij wijze van proefexperiment hebben we bovenbeschreven verband toegepast op het gewas tarwe. Dit omdat we in overtuiging verkeerden dat dit belangrijk gewas toch wel kon rekenen op de betere zorgen van de toenmalige landbouwers. Een voorafgaandelijke methodologische opmerking die moeten maken is dat we hier niet op zoek gegaan zijn naar een lineair verband maar wel naar een logaritmisch verband. Immer de wet van Liebig – de grondlegger van de moderne landbouwwetenschap stelt duidelijk dat het effect van de bemesting afneemt naar mate men meer bemest.[141]
Helaas moesten we vaststellen dat het berekende verband ons weinig hoop geeft. Een determinatiecoëfficiënt van 0.11 duidt op een zeer zwak, nagenoeg onbestaand verband. Er kunnen wellicht meerdere verklaringen gegeven worden. Wellicht zijn er te weinig waarnemingen voorhanden om een zulk verband doeltreffend te onderkennen.
verhouding literopbrengst en "karren bemesting" voor tarwe

Ook bij rogge deden we eenzelfde oefening. Hoewel we hier een determinatiecoëfficiënt van 0.21 berekenden, blijft het verband uitermate zwak. Het sterkere verband dat we voor dit gewas vonden, kan wellicht grotendeels verklaard worden door het feit dat rogge een sterker gewas is, om te verbouwen. Het is immers een stuk vorstvaster dan tarwe waardoor het minder gevoelig is aan de weersomstandigheden die ontegensprekelijk ook een belangrijke invloed uitoefenen op de uiteindelijke oogsten.
Een tweede verklaring voor het uitblijven van een overtuigend verband zal wellicht het feit zijn dat niet ieder “kar” even groot was. Hierdoor ontstaan er uiteraard vertekeningen, die nog eens versterkt worden door de weinige waarnemingen waarop we dit verband wensten te onderkennen. Wellicht biedt een uitbreiding van de onderzoekswaarnemingen meer kans op het vinden van dit verband. Want we kunnen ons hoegenaamd niet van de indruk ontdoen dat er wel degelijk een dergelijke verband kan gevonden worden.
Verhouding literopbrengst en karren mest voor rogge

Bestrijding van plagen, ziekten en van het onkruid
Onkruid en ziekten zijn belangrijke productiedervers. Uit de kadastrale expertises kunnen we aanwijzingen vinden, die ons toelaten te reconstrueren in welke mate men tegen dergelijke ongemakken optrad. Vooral in document vijf kunnen wij aanwijzingen vinden, die ons toelaten om het aandeel van onkruidderving (wieden) in de totale productiekost te reconstrueren. Hoewel men maar vanaf het eind van de negentiende eeuw in staat is om ziekten en onkruiden op een efficiënte, chemische manier te derven, was de vroeg negentiendeeuwse boer zich wel degelijk van de problematiek bewust. Zo werd zaaitarwe in het Wase reeds begin negentiende eeuw met blauwe aluin behandeld tegen steenbrand.[142] Het wieden zelf vormde een aanzienlijk deel binnen de uitgaven zoals wij zelf hebben kunnen vaststellen in de expertises. Voornamelijk kinderen en vrouwen hielden de velden vrij van onkruid. De bestrijding van ziekten echter was een ander paar mouwen. Tegen deze onverklaarbare verschijnsels hadden de tijdgenoten immers geen enkel verhaal.
Onkruid werd dan vlijtig wel gewied, maar tegen “plagen” (zoals bv. Muizenplaag) en “ziekten” kon men maar enkel verhopen hiervan gespaard te blijven. In het volksgeloof vinden we talrijke aanwijzingen terug die refereren naar beschermingsrituelen en afweerpraktijken die uitgevoerd werden om een goede oogst af te smeken en om gevrijwaard te blijven van ziekten, misoogst en andere tegenspoed. Deze materie is echter een vakgebied op zich en heeft met de kern van onze studie weinig vandoen. We wensten ze wel te vermelden, temeer omdat dit een wezenlijk onderdeel van het wereldbeeld van de toenmalige plattelandsmens vormde en wellicht voor sommige fenomenen een verklaring kan bieden.
De kwaliteit van het zaaizaad.
De kwaliteit van het zaaizaad is een belangrijke factor die de productie bepaalt. Heden tendage kan men dankzij de ongelooflijk snelle opmars van de genetische kennis planten ziekteresistent maken of slaagt men erin de vorstvastheid van de plantesoort te verhogen en dergelijke. Maar wij moeten er ons ook van vergewissen dat sinds de domesticatie van de eerste planten en huisdieren het de bedoeling was van de mens om bepaalde eigenschappen te kweken en te verkweken. Niet alleen de beoogde eigenschappen werden dan bekomen, ook de onbedoelde gevolgen zullen niet uitgebleven zijn. Bepaalde ziektegevoeligheden, groeistoornissen en dergelijke zullen integraal deel uitgemaakt hebben van dit experimenteel bedrijf. Dan zwijgen we van bepaalde ecologische gevolgen, zoals bv. het uitsterven van de natuurlijke rassen, eenkoorntarwe, oerrund,….
Wij mogen dus aannemen dat toen reeds veel belang gehecht werd aan de kwaliteit van het zaaigoed, hoewel dit natuurlijk in geen enkel opzicht te vergelijken valt met het huidige genetisch gemanipuleerde zaaigoed.
Goede structuur en zuurtegraad van de grond.
Gronden hebben een bepaalde structuur. Men onderscheid een drietal hoofdcategoriën, eerst en vooral de zandgronden, daarnaast zijn er ook nog kleigronden en leemgronden. Zandgronden hebben een grote zandkorrelstructuur en kunnen hierdoor moeilijker water ophouden. Ook het vastleggingsvermogen (nl. het vermogen om plantvoedende ionen vast te leggen) is zeer gering, zodat deze gronden vaak de neiging hebben om te verzuren (een lage pH ). Deze gronden zijn van nature uit nogal onvruchtbaar. Echter veel hangt af van het grondwaterpeil: hoe hoger de watertafel, hoe beter om gewassen te telen. Ook de aanwezigheid van de bestendige humus verbetert de landbouwwaarde, doordat het humuscomplex veel beter plantvoedende stoffen weet vast te leggen. Dit laatste aspect vereist gedurende zeer lange tijd intensieve bewerking. Poldergronden kenmerken zich door hun zeer kleine korrelstructuur waardoor de waterdoorlaatbaarheid sterk daalt. Door die kleine korrelstructuur zijn kleibodems in staat de plantvoedende ionen vast te leggen. De ionen binden zich met de korrel en komen vrij wanneer het zoutgehalte van het grondwater daalt (osmose). In Vlaanderen onderscheiden wij enerzijds de zeepolders en anderzijds de Scheldepolders. Vooral aan de benedenloop van de Schelde vinden vrij uitgestrekte polders terug, met voortzettingen langsheen de bijrivieren nl. Durme en Dender om de belangrijkste van de bestudeerde regio op te noemen. Deze lage kleigronden werden in de winter vaak gebruikt om het overvloedige water te bergen. Het laagje slib dat werd afgezet bij het aftrekken van de gronden, is bijzonder vruchtbaar Deze gronden werden bijna uitsluitend uitgebaat als hooiland, of, zij het in mindere mate, als weiland.
Een derde grondsoort die wij onderscheiden is leem. Dit is een samenstelling van zeer fijn zand en klei[143] Deze gronden combineren de voordelen van de twee voorgaand besproken soorten. Enerzijds is leem zeer goed te bewerken, anderzijds beschikken ze over een hoog vastleggingsvermogen. Deze bodems behoren dan ook tot de beste landbouwgronden. Deze gronden vinden vooral terug in het zuidoosten van de besproken regio.
Nauw in verband met de structuur van de grond staat de zuurtegraad. De zuurtegraad, uitgedrukt in pH-waarde, vertelt ons iets over het fysiologische milieu waarin de plantenwortel leeft. Het is de verhouding waterstof ionen (H+) tegenover hydroxide (OH-) . Wanneer deze verhouding in evenwicht is, spreekt men van een neutraal milieu. Een zuur milieu kenmerkt zich door een te hoge concentratie hydroxide ionen (OH-). Een base milieu door een te hoge concentratie waterstofionen (H+). De zuurtegraad (pH) van een bodem bepaalt mede de opneembaarheid van voedingsionen en structuur van de bodem. Teveel positieve waterstof ionen binden zich met de vrije negatieve en plantvoedende zoutionen zodat ze niet door de plant opgenomen kunnen worden. Het omgekeerde scenario doet zich voor wanneer er teveel vrije OH- ionen rond zweven. Echter de ideale zuurtegraad van iedere plant hangt af van de soort. Sommige planten hebben nood aan meer negatief geladen zoutionen en zullen dus een minder zuur milieu nodig hebben bv. gerst. Ook hangt de ideale zuurtegraad af van de grondsoort. Hoe zwaarder de grond, hoe minder zuur hij mag zijn, zo kan men wel stellen. Dit valt te verklaren door de complexe wisselwerking van enerzijds het vastleggend vermogen van de grond en anderzijds het opnamevermogen van de plant. Het evenwicht tussen de vrije positieve ionen en de vrije negatieve ionen is precairder dan bij bv. magere zandgronden. Bemesting is de belangrijkste factor die de zuurtegraad kan beïnvloeden. Ook hier zijn er gegevens van terug te vinden in de expertises. Het probleem dat zich echter hier stelt, is dat het om “mest” gaat en niet om de “bemestings”waarde. Wij zullen in het verdere vervolg een poging doen om dit probleem te omzeilen en proberen de “gemiddelde” bemestingswaarde van een “gemiddelde” kar mest te achterhalen. We zijn er ons terdege van bewust dat dit maar een benadering zal blijven, maar ons inziens wel een stap in de richting om het oude landbouwproductie proces van vroeger dieper te onderzoeken.
Goede vochtvoorziening en luchtvoorziening.
Tot slot willen wij bij de behandeling van de diverse productiefactoren even wijzen op het belang van een goede afwatering en alsook op een goede vochtvoorziening. Wortels hebben immers voor de opname van ionen energie nodig. Die energie wordt geleverd door de ademhaling van deze wortels. Het is dus van enorm belang dat de grond voldoende wordt losgescheurd, geploegd en geëgd. Een goed doorluchte en ontwaterde grond heeft trouwens het bijkomende voordeel dat de wortels dieper en beter kunnen vertakken wat dan weer het opnamevermogen vergroot. In een dichtgeslibde bodem, treedt een anaërobe gisting op. Tengevolge van dit verzuringproces, sterven plantenwortels af. Dit inzicht was reeds aan het begin van de negentiende eeuw vrij algemeen gekend. Dan zitten we al snel op de studie en de beschrijving van het toenmalige alaam. Hierover zijn er reeds belangrijke werken verschenen, denken wij maar aan de werken van o.a. Theuwissen[144] en Eloy.[145]
In het vorige deel van dit hoofdstuk werd dieper ingegaan op de factoren die de landbouwproductie bepalen. Sinds mensenheugenis poogde de mens de bovenvernoemde voorwaarden zodanig te beïnvloeden opdat zijn noeste landarbeid maximaal zou kunnen renderen. In dit hoofdstuk rekenen we voor de voornaamste gewassen zowel de bruto opbrengst als de netto opbrengst uit. Dit onderzoek is immers de enige weg om tot een beeld van de landbouweconomische productie te komen. Het laat de historicus toe streken met elkaar te vergelijken en daaruit een bepaald beeld te distilleren. We zullen in een eerste fase ons toeleggen op de studie van de totale opbrengsten. Na aftrek van de productiekosten, bekomen we alzo het rendement. Hier zullen we ons nader toeleggen op de interlokale extrapolering.
Methode
In de tabellen opgenomen in de bijlagen van hoofdstuk 3 (zie tweede deel : III.1 e.v.) hebben we voor iedere gemeenten de bruto opbrengsten berekend. De uiteindelijke bedoeling van deze omrekeningen is het bekomen van vergelijkbaar cijfermateriaal. Immers de kadastrale enquêteurs noteerden vaak zowel opbrengsten als onkosten in lokale of oude maten. Deze onderling vergelijken is dan ook een weinig correcte voorstelling van zaken. Wij zullen ons hier beperken tot het uitleggen van deze tabellen. Aan de inhoudelijke interpretatie kunnen we ons niet ten volle gewagen om de volgende redenen. Eerst en vooral omdat we hebben moeten vaststellen dat onze bron hierin tekort schoot. Uit het teeltplan opgenomen in document vijf van de expertises, kunnen we heel duidelijk het spoor van een bepaalde vrucht traceren en dat voor al de mogelijke klassen. Echter als we de productie wensen op te zoeken, dienen we ons te baseren op de tabel met de yieldratio’s die eveneens in datzelfde document is opgenomen. Zo is het dat de yieldratio’s van bepaalde gewassen slechts gedeeltelijk of soms helemaal niet in deze tabel terug te vinden is, hoewel ze toch in het teeltplan opgenomen staat. Deze handicap leidt ertoe dat de cijfers die we berekenen, zullen verschillen van de cijfers van andere tellingen (bv.1812). Dit hiaat indachtig, waren we de mening toegedaan ons meer toe te leggen op het becijferen van de bruto opbrengst per hectare.
Zowel wat de productie van het gewas betreft, als wat haar geldelijke waarde aangaat, biedt deze berekening ons een goede mogelijkheid om de bekomen resultaten met de telling van 1846 te vergelijken. In de bijlagen hebben we de volgende gegevens opgenomen:
(Kolom)
Is de naam van de gemeente
Is het gewas waarvoor de berekening werden gemaakt.
Is de klasse zoals die in document 5 van de expertises opgegeven werd en waarop de berekeningen betrekking hebben.
Is het zaaigoed in “zak” uitgedrukt per bunder, opgenomen uit document 5.
Is de opbrengst eveneens in “zak” uitgedrukt per bunder, opgenomen uit document 5.
Prijs per zak, opgenomen uit document 3.
Berekent de yieldratio door deling van de opbrengst met het zaaigoed.
Rekent de opbrengst uit kolom E om naar liter per bunder.
Rekent de opbrengst uit kolom H om naar hectoliter per hectare.
Rekent de hectoliter opbrengst om naar kilogramopbrengst per hectare.
Berekent het brutosaldo van het gewas in franse frank per hectare.
Berekent tenslotte de brutoprijs per kilogram.
Vooral de kolommen G en I zijn interessant voor de vergelijking met 1846. Kolom F met de marktprijzen hebben we herberekend. In de bijlagen hebben we de rekenbladen per gewas en per markt opgenomen. In een volgend puntje staan we dan ook even stil bij deze marktverschillen. Voor de berekening van de hectoliteropbrengst naar kilogramopbrengst hebben we “gemiddelde” genomen. Document twee geeft weliswaar de inhoudsmaten voor granen op, maar niet het kilogramequivalent. Voor tarwe namen we een equivalent van 80kg, voor rogge: 70 kg. Voor boekweit en haver namen we een equivalent van 50kg. Op zich zijn deze cijfers bediscusieerbaar. Toch menen we dat vooral de interlokale vergelijking het doel van dit onderzoek is en dat de absolute landbouwoutput vooral tegen een comparatief kader dient begrepen te worden.
Interregionale marktverschillen
Zoals al een paar keer in dit betoog vermeld wordt de keuze om een specifiek gewas te telen onder meer ingegeven door de marktopties die zich voordoen. In ons eerste hoofdstuk hebben we uitgelegd voor welke markt er door de landbouwers van een gemeente gekozen werd. We hebben aangetoond dat soms niet voor de dichtst bijzijnde markt werd geopteerd. Zo trokken de Grembergse boeren naar de markt van Lokeren, meer dan 8 km verder dan de dichter bijzijnde markt van Dendermonde!
Tabel 3.1.2: Gemiddelde prijs per zak(tenzij anders vermeld) absoluut en geindexeerd .
|
gewas |
prijs |
marktplaats |
|||
|
|
|
lokeren |
aalst |
gent |
dendermonde |
|
|
|
|
|
|
|
|
Tarwe |
gemiddelde prijs |
19.44 |
22.34 |
22.33 |
19.37 |
|
|
index |
100.4 |
115.3 |
115.3 |
100 |
|
mastulein |
gemiddelde prijs |
- |
17.31 |
17.31 |
17.27 |
|
|
index |
- |
100.2 |
100.2 |
100 |
|
rogge |
gemiddelde prijs |
11.48 |
13.55 |
14.16 |
11.91 |
|
|
index |
96 |
113 |
118 |
100 |
|
gerst |
gemiddelde prijs |
11.48 |
14.77 |
14.77 |
14.77 |
|
|
index |
78 |
100 |
100 |
100 |
|
haver |
gemiddelde prijs |
11.23 |
11.40 |
12.27 |
10.67 |
|
|
index |
105 |
107 |
115 |
100 |
|
aardappel |
gemiddelde prijs |
5.45 |
6.48 |
4.81 |
6.48 |
|
|
index |
84 |
100 |
74 |
100 |
|
boekweit |
gemiddelde prijs |
12.05 |
- |
12.34 |
12.15 |
|
|
index |
99 |
- |
102 |
100 |
|
coolzaad |
gemiddelde prijs |
- |
30.34 |
- |
30.34 |
|
|
index |
- |
100 |
- |
100 |
|
vlas |
gemiddelde prijs |
4.87 |
- |
4.82 |
4.67 |
|
(per 6 pond) |
index |
104 |
- |
103 |
100 |
|
lijnzaad |
gemiddelde prijs |
20.07 |
26.25 |
- |
26.25 |
|
|
index |
76.5 |
100 |
- |
100 |
Wanneer we de bovenstaande tabel bekijken valt het reeds op waarom. Wanneer we de absolute marktprijzen indexeren (Dendermonde = 100) , dan begrijpen we onmiddellijk waarom dit zo is. Grembergenaren die toch wel een belangrijk aandeel vlas verbouwden, waren zo’n 24% goedkoper af om hun lijnzaad in Lokeren te kopen dan op de Dendermondse markt. Bovendien kregen ze voor het vlas zelf zo’n goeie 4% meer dan op de Dendermondse vlasmarkt.
Rogge blijkt dan weer een gegeerd product te zijn op de Gentse markt. Het verklaart allicht mede de hoge bezettingsgraad (dit vaak oploopt tot 30% en meer) van deze teelt in de vruchtwisseling van gemeenten zoals: Laarne, Kalken, Overmere, Wetteren en Uitbergen. Gent ontplooide zich immers als een ontwakende industriële stad. De vraag naar levensmiddelen voor de wassende bevolking zal dan ook enorm groot geweest zijn. Ook de prijzen voor tarwe, haver en –zij het in mindere mate- boekweit liggen hoger dan in de kleinere steden ten oosten van deze stad.
Ook de prijs van aardappelen schommelt sterk. De Gentse en de Lokerse markt lijken oververzadigd. Ook hier laat dit zich in de teeltplanning gevoelen. De aan de Lokerse markt toeleverende gemeenten Zele en Berlare vertonen een opvallend klein aandeel aardappelen terwijl de andere gemeenten een vrij vast aandeel van hun bouwland met aardappelen verbouwen (tussen de 14 en de 16%). Volledigheidshalve moeten we eraan toevoegen dat het de prijzen per zak betreft. Dus eigenlijk gaat het hier om groothandelsprijzen. De indexering naar de prijzen van de Dendermondse markt geeft natuurlijk een uitvergroting van de realiteit. 2 of 3 frank meer of minder betalen voor een zak rogge van 130 liter betekent immers voor de kleine man enkele centiemen meer of minder. Wel niet onbelangrijk voor dagloners die tegen 1 frank 26 c werkten, maar zeker niet van marktontwrichtende aard. Bijgevolg mogen we stellen markteisen maar een geringe invloed uitoefenen op de teeltplanning.
Bruto opbrengsten.
Na een kleine uitweiding over de interregionale marktverschillen, gaan we nu over tot de bespreking van de bruto opbrengsten. In de bijlagen in onder hoofdstuk drie hebben we op basis van de produktiegegevens zoals die in document vijf werden weergegeven, de hectoliter-opbrengsten per hectare en per klasse uitgerekend. Deze oefening opent een mooie gelegenheid om deze opbrengsten eens te vergelijken met de opbrengsten in 1846. In tabel 3.2.1. hebben we deze oefening voor de gewassen tarwe en rogge toegepast. Om het vergelijken te vergemakkelijken werden de waarden geïndexeerd. Zo krijgen we per gewas drie tabellen. Een eerste met de gegevens uit de expertises, een tweede met de gegevens uit de telling van 1846 en een derde met de relatieve verhouding ten opzichte van de kadastrale expertises.
Tabel 3.2.1. Bruto productie per hectare in hectoliter. (index = 100 K. E. )
|
|
tarwe |
Rogge |
||||
|
|
K.E |
1846 |
index |
K.E. |
1846 |
index |