| Landbouwproductiviteit op basis van de kadastrale expertises in het arrondissement Dendermonde. (Raf Burm) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Hoofdstuk 2: Grondgebruik en Teeltplan in het arrondissement Dendermonde.
In de “slash and burn”-landbouw, de oudste en primitiefste vorm van het bewerken van de bodem om vruchten te winnen, werden jaar na jaar dezelfde gewassen, meestal broodgranen, op hetzelfde stukje grond geteeld. De moderne biochemie leert ons echter dat elke plantensoort haar specifieke behoeften heeft en de voor haar nodige chemische elementen aan de bodem onttrekt, terwijl de (voor haar) onnodige elementen onbenut in de bodem achterblijven, waardoor de bodem langzaam maar zeker (eenzijdig) uitgeput raakt. De eerste landbouwers werden dan ook geconfronteerd met het gegeven dat de oogstresultaten met het verstrijken van de jaren steeds magerder werden en dat ze andere oorden moesten opzoeken om hun bezigheden uit te oefenen.
Uit ervaring leerde men echter dat het ene gewas het andere niet was en dat een bepaalde volgorde van teelten voor veel betere resultaten zorgde. Men ondervond zelfs, wanneer de teelgrond met mest of een ander organisch afval was bedekt, die grond meer opbracht dan het voorgaande jaar. Op die manier kon men erin slagen op dezelfde plaats te blijven. De sedentaire mens was geboren.
Daar waar ze in oorsprong uiterst eenvoudige trekken vertoonde, denk maar aan het drieslagstelsel met haar opeenvolging van wintergranen, zomergranen en braak, ontwikkelde het vruchtopvolgingssysteem zich geleidelijk tot een uiterst complex mechanisme dat zich uitstrekte over meerdere jaren en gewassen. Als ware dit op zich al geen voldoende grote lokroep voor historici om zich vol overgave aan het historisch onderzoek naar deze fenomenen te begeven, is er daarnaast nog de vaststelling dat dit systeem vooral ook afhankelijk is van de draagkracht van de bodem, waardoor er zich genotypische regionale vruchtopvolgingssystemen schenen te ontwikkelen.
Men mag echter niet uit het oog verliezen dat het hier om complexe fenomenen gaat, die zich niet altijd in vakjes laten duwen. Uitzonderingen waren de regel, met als logisch gevolg dat historici zich vaak aan (foutieve) veralgemeningen bezondigen. Zo probeert Coperloos in zijn studie over de landbouwproductiviteit van enkele gemeenten uit de arrondissementen Gent en Aalst een algemeen teeltplan te distilleren. Om dit te kunnen verwezenlijken gooit hij de veeleisende wintergranen met de minder eisende zomergranen op één hoopje. Verder betitelt hij klaver en aardappelen (terecht) als voedergewassen, maar vergeet voor de lieve vrede maar gauw dat deze beide vruchten ook als nateelt werden gezaaid en bijgevolg ook ruimer benaderd dienen te worden.[71]
Jacob drukt zich op dat vlak iets voorzichtiger uit en weet in zijn studie over de landbouw in de kempen geen éénvormig teeltplan te onderkennen.[72] Andere auteurs zoals Lindemans en Jansen sluiten zich bij deze werkwijze aan en wijzen op de grote verscheidenheid binnen onze gewesten.
Om het geheel nog wat ingewikkelder te maken dient men ook rekening te houden met een verschillende chronologie. Zo deelt Jansen mee dat de Antwerpse polders pas rond de jaren 1800 overgingen naar een vast rotatiesysteem en dat dan pas de tijd van het experimenteren voorbij was.[73] Relatief laat in vergelijking met de meeste Vlaamse en Brabantse bedrijven, die reeds in de zeventiende eeuw over een vast rotatiesysteem beschikten.[74]
Uit dit kort geschetste beeld dienen we te onthouden dat, naast de noodzaak tot onderzoek naar de vruchtopvolgingssystemen en hun regionale diversiteit, de reconstructie van de teeltplannen en hun interpretatie met nodige omzichtigheid benaderd moet worden.
Inleiding
Tot diep in de middeleeuwen was braaklegging in West-Europa en elders het ultieme wapen tegen uitputting van de bodem, met als belangrijk nevenvoordeel het tegengaan van de wildgroei van onkruid.[75] Reeds in deze periode werden wel verscheidene systemen ontwikkeld om de braak zo efficiënt mogelijk te maken: men evolueerde van het koppelwirtschaft over het tweeslagstelsel naar het drieslagstelsel.
Aan het eind van de middeleeuwen ontstond er in Vlaanderen –en dit als eerste regio in west Europa- een intensievere vorm van landbouw, waarbij naast granen ook handels- en voedergewassen geteeld werden en de braaklegging meer en meer geweerd werd. De grote kentering situeert zich in de loop van de zeventiende eeuw.[76] Kleinere landbouwers, op zoek naar bijverdiensten droegen deze ontwikkeling. De verbouwing van handelsgewassen en de verwerking ervan brachten een welkome extra duit op, terwijl de voedergewassen, een overwintering garandeerde van het (weinige) vee. Ter compensatie van het verdwijnen van de braak diende men naast een intensievere bemesting en arbeidsinvestering ook steeds creatiever om te springen met de opvolging van de gewassen, om tot een blijvende (en zelfs stijgende) rendabiliteit te komen. In de negentiende eeuw was dit stelsel aldus tot een vrij ingewikkeld systeem geëvolueerd, met eigen regionale accenten.
Verschillende systemen
Landbouwbedrijfstelsels worden door agronomen vaak gedefinieerd op basis van de aard van de toegepaste bemestingstechnieken. Immers, zo stellen zij, zijn de diverse uitbatingwijzen inherent verbonden aan de toegepaste bemestingstechniek. Een idee dat door de bekende agronoom Lindemans gedeeld wordt. In zijn standaardwerk over de geschiedenis van de Belgische landbouw overloopt hij dan ook de verschillende bedrijfsstelsels op basis van de
gevoerde bemestingswijze. Hij onderscheidt naast het veldkruidbedrijf en het mestbedrijf, ook nog de subcategorieën euselbedrijf, herdgangbedrijf en driesbedrijf, als voornaamste bedrijfsstelsels.[77] Het oudste is wellicht het veldkruidbedrijf. In dit stelsel wordt een stuk land na één of maximum twee jaar weerom prijs gegeven aan de natuur en wordt een nieuw stuk ontgonnen. Na een cyclus van ongeveer twintig jaar wordt opnieuw begonnen met het eerste stuk land. De gewonnen teelten “teerden” dus in hoofdzaak op de veldflora.
Een iets gevorderde vorm van landbouwuitbating is het zogeheten mestbedrijf. De oudste vorm van bemesting is met het zogenaamde “stromest”. Dit principe steunde op de overtuiging dat hetgeen de bodem voortbracht terug naar de bodem moest gaan. Dit beginsel dat zodanig in de gewoonten was ingebakken, vond Lindemans zelfs terug in oude pachtbrieven.[78] Pachters mochten bv. het stro niet verkopen of verbranden in de haard. Stro werd met andere woorden door natrekking aan het onroerend goed verbonden. Dit beginsel diende de eigenaar de blijvende vruchtbaarheid van zijn gronden te garanderen. Het directe gewin zou een hypotheek leggen op de toekomst van de leefgemeenschap. Dit is trouwens een idee dat sinds de jaren 1970 door de ecologische beweging werd gerecupereerd en uitgebreid naar de andere vormen van natuurlijke rijkdom, zoals aardolie- en aardgasbronnen.
Naast deze stromest of “vette van de bodem” bestond er ook nog de weidemest. Deze uitbating bestond erin dat het vee (voornamelijk schapen) in een gesloten perk werden gehouden. Dit perk werd regelmatig (bv. dagelijks) verplaatst over het land en zodoende werd het land ‘bemest’. Soms werden de perken niet verplaatst: deze zogenoemde “messings” of “kooien” hadden het voordeel dat de geproduceerde mest beter werd aangedrukt en dus beter werd bewaard. Ook dit principe vond gedurende de jaren zeventig van de vorige eeuw opnieuw ingang in de landbouwuitbating. De zogeheten “potstal” is een moderne variant op de voornoemde “messings”. De mest blijft in de stal liggen en wordt door de dieren aangedrukt. Op die manier kan het occidatieproces dat nodig is om de organische mest om te zetten in anorganische plantvoedende bestanddelen uitgesteld worden totdat de mest effectief moet renderen.[79]
Met het mestbedrijf (waarmee zowel de stromest als de weidmest bedoeld werd) is ook een andere uitbatingsvorm verbonden. In tegenstelling tot het vogelweidebedrijf, waar men op een kwarteeuw maximaal 3 maal een oogst kon behalen, paste men bij het mestbedrijf reeds het twee slagstelsel en /of drieslagstelsel toe. Als belangrijkste varianten onderscheidt Lindemans het herdgang, eusel- en driesbedrijf. Het herdgangbedrijf werd getypeerd door dorpskouters die in oorsprong gemeenschappelijk werden uitgebaat.[80] Men gebruikte stro en weidemest om de akkers weer op krachten te doen komen. De weidemest verzamelde men uit de gemeenschappelijk herdgang of vroente waar vee geschut werd. De vroente bevond zich meestal in de buurt van de kouters. Op de kouters mochten enkel granen verbouwd worden. Het geproduceerde stro werd in de herdgang gebracht en later als stromest opnieuw op het land gevoerd. Later, toen de gemeenschap aan belang inboette en de kouters privaatbezit werden, bleef de vroente enkel nog bestaan in perifere gebieden, zoals de Kempen en de Ardennen.[81] Vooral de kleinere boeren waren verantwoordelijk voor de instandhouding van dit systeem. Elders bleef de herdgang bestaan onder de vorm van de naweide. In het najaar liet men het vee los op de meersgronden, om de toemaat te laten begrazen.[82] Naast de herdgang onderscheidde Lindemans ook nog het euselbedrijf als een variant op het mestbedrijf.
In tegenstelling tot de herdgang –waar de weidegang gemeenschappelijk in uitbating was- typeert het euselbedrijf zich door de private/individuele uitbating van de weiden of eusels.[83] De mest van deze eusels werd tesamen met de stromest op het akkerland gevoerd. Dit type bedrijf kwam vooral in Brabant en het Land van Aalst voor. Als variant op het mestbedrijf stipt Lindemans het driesbedrijf aan. In dit systeem wordt het vee noch in een herdgang (woest veld) noch in een vaste eusel beweid, maar in een dries. “Een dries is”, aldus Lindemans, “een deel van het winnende land dat gedurende een bepaalde tijd als vogelweide blijft liggen, om daarna terug omgezet te worden tot labeurland.” In dit bedrijf liet men ongeveer een derde van het winnende land voor een drietal jaren braak liggen. Het vee begraasde de spontane tot stand gekomen flora. Dit systeem beoogde betere resultaten dan het veldkruidbedrijf en het herdgangbedrijf. Immers hier behoorde de weide tot het winnende land. De bodem verwierf door dit systeem een grotere humuslaag en een betere structuur door de ettelijke ploegbeurten en de betere waterhuishouding. Dit laatste systeem was gedurende de late middeleeuwen zowel in Vlaanderen als in Henegouwen en de Condroz het meest verbreide systeem. Het driesbedrijf in zijn meest zuivere vorm was immers een graanwinning, bedoeld om consumptiegranen voort te brengen voor dominiaal gebruik. Met het verdwijnen van de dominiale economie, veranderden ook de bedrijfsstrategieën. De graanwinningen uit het Waalse legden zich meer en meer toe op de productie van broodgranen voor de markt. Het directe gewin spoorde de Waalse landbouwers aan om hun driesweiden in graanwinning te nemen.
Op termijn echter was dit een grove landbouwtechnische fout. Het vee kon enkel de schrale weiden rond de hofstede begrazen waardoor het bedrijf geen weidemest meer kon winnen. Hierdoor kon de graanwinning enkel rekenen op een strobemesting, hetgeen op termijn leidde tot een daling van de opbrengst, door de verschraling van de bodem. In de Vlaamse bedrijven bleef de dries een onderdeel uitmaken van de werkelijke vruchtomloop.[84] Wanneer het land onder de ploeg lag, werd het gewone drieslagstelsel toegepast: braak, wintergraan, zomergraan. Reeds werd met het zomergraan de driesweide ingezaaid. Zodoende kon het land na de oogst reeds een eerste maal begraasd worden. Het jaar erop werden deze percelen onttrokken aan het bouwland en werden ze als (dries)weide gebruikt. In oorsprong bleven zij driesweide gedurende 6 jaar, hetgeen het totale rotatieverloop op een termijn van negen jaar bracht.[85] In de loop van de late middeleeuwen en de nieuwe tijden ontstonden er varianten hierop. Zo zaaiden de Waaslandse boeren vanaf de zeventiende eeuw hun land met klaver op. Deze zogenoemde klaverdriesen hadden een dubbel effect, enerzijds vergrootte deze vlinderbloemige plant de vruchtbaarheid van de bodem, doordat ze in staat is om stikstof uit de lucht te onttrekken en deze in haar wortels vast te leggen, maar ze drong ook nog eens de schaapsteelt terug en bevorderde onrechtstreeks daarmee de rundveeteelt.[86] Schapen zijn immers enorm gevoelig voor stikstofrijke planten. Zij veroorzaken een te sterke methaangisting in de pens van het schaap, waardoor de pens enorm uitzet en het schaap stikt. M.a.w. werkte de klaverteelt onrechtstreeks de rundveehouderij in de hand en dus ook een grotere mestproductie. De klaverteelt verspreidde zich gedurende de nieuwe tijden vrij snel en tegen het einde van de acttiende eeuw was het nagenoeg over gans Vlaanderen bekend.[87] Vermeldswaardig in de evolutie van het drieslagstelsel was onder meer het opzaaien van de braak met boekweit. Deze uitheemse graansoort werd aanvankelijk niet tot de traditionele graansoorten gerekend, waardoor het bestaande gewoonterecht er ook geen vat op hadden. De verspreiding van de nateelten (o.a. rapen…), de aardappel (eigenlijk als nateelt begonnen) alsook van bepaalde industriegewassen zoals vlas, ontmantelde verder het klassieke driesbedrijf. De in oorsprong zes jaar durende dries werd teruggebracht en opgezaaid met bovenvermelde vruchten. Aldus ontstonden er in loop van de moderne periode allerlei verschillende systemen naargelang de regio, bodemgesteldheid en afzetmogelijkheden[88].
We hebben het noodzakelijk geacht deze (lange) ontstaansgeschiedenis van de vruchtomloop te schetsen, zonder evenwel de volledigheid te willen hebben pretenderen. In het verdere verloop van dit hoofdstuk zullen we nu proberen het teeltplan van de Dendermondse regio te reconstrueren en waar mogelijk de sporen van oudere vruchtwisselingsystemen terug te vinden.
Grondgebruik in het arrondissement Dendermonde.
De kadastrale expertises bieden –zoals gesteld- voor het begin van de 19de eeuw de unieke mogelijkheid om de vruchtopvolging per gemeente te volgen. Alvorens tot de bespreking van deze teeltplannen over te gaan loont het de moeite eerst eventuele verschuivingen in het grondgebruik op te sporen. Voor alle duidelijkheid wens ik toch eerst en vooral een onderscheid te maken tussen enerzijds het teeltplan als het vruchtopvolging systeem, met andere woorden de hoedanigheid waarin diverse gewassen elkaar afwisselen in een min of meer vaste cyclus en anderzijds het teeltplan als beteelde oppervlakte, met andere woorden het aandeel dat iedere vrucht ten opzichte van de totale oppervlakte akkerland inneemt. Met de term grondgebruik doelt men op de functionele bestemming die percelen binnen een bepaald ruimtelijk kader krijgen. We denken hier bijvoorbeeld aan recreatie, wegen of woning…. Zoals zojuist gesteld, wensen we in dit stuk dieper in te gaan op de wijzigingen in het grondgebruik. Hiervoor zullen gebruik maken van de telling van 1846.
Niet zelden ligt een verklaring van verschuivingen in de geteelde oppervlaktes in een verschuiving van het grondgebruik. In onderstaande tabellen geven wij achtereenvolgens de oppervlakte van de gemeenten (tabel 2.1 ) van het akkerland (tabel 2.2) en de weiden (tabel 2.3).
Algemeen overzicht
Bij een algemene overschouwing van de totale oppervlaktes van de onderzochte gemeenten, kunnen we in eerste instantie quasi geen verschillen vaststellen tussen enerzijds de oppervlakte uit document 11 van de Kadastrale Expertises en de gegevens uit de “statistique territoriale”anderzijds. Voor de Gemeente Massenem bleek de “statistique territoriale” geen gegevens te bevatten.[89] In tabel 2.1.1 hebben we dan ook een totaal overzicht gemaakt van de onderzochte gemeenten zonder Massenem. Het valt onmiddellijk op dat de globale verschuivingen uiterst minimaal zijn. De totale oppervlakte van de bestudeerde gemeenten is volgens de “statistique territorale” negen hectare kleiner tegen over de eerst kadastrale schatting, of een vermindering van nog geen 0.05% van de totale oppervlakte.[90] In tabel 2.1. hebben we een overzicht van alle onderzochte gemeenten opgegeven. Twee dingen kunnen we hierbij opmerken. In eerste instantie “het geval Massenem”: deze gemeente werd blijkbaar vergeten bij de opmaak van de “statistique territoriale”. Vrielinck wist hiervoor eveneens geen verklaring te vinden[91]. Een tweede punt dat we dienen aan te halen zijn de vrij aanzienlijke grenswijzigingen tussen enerzijds Berlare, anderzijds Overmere. In zijn geheel gaat het hem over 430 hectare. Alleen Overmere al verliest 388 hectare, terwijl Berlare er zo ‘n 400 hectare bijwint. Daarnaast blijken er nog een aantal kleine grenswijzigingen gebeurd tussen de beëindiging van document 11 en de opmaak van de “Statistique Territoriale”. Bij 14 van de 20 gemeenten blijken de verschuivingen zelfs minder dan 1 % te bedragen ten opzichte van de totale oppervlakte.
Tabel 2.1: Totale oppervlakte van de gemeente (in hectare).
|
gemeenten |
K.E. (ha) |
statistique territoriale (ha) |
verschil (ha) |
verschil (%) |
|
Appels |
366.65 |
367 |
0.35 |
0.1 |
|
Baasrode |
826.44 |
825 |
-1.44 |
-0.2 |
|
Berlare |
1370.9 |
1771 |
400.1 |
29.2 |
|
Dendermonde |
798.06 |
805 |
6.94 |
0.9 |
|
Grembergen |
998.27 |
992 |
-6.27 |
-0.6 |
|
Kalken |
2049 |
2048 |
-1 |
0.0 |
|
Laarne |
1994 |
1994 |
0 |
0.0 |
|
Lebbeke |
1550.48 |
1548 |
-2.48 |
-0.2 |
|
Massenem |
1033.2 |
- |
-1033.2 |
-100.0 |
|
Mespelare |
181.68 |
178 |
-3.68 |
-2.0 |
|
Opdorp |
504.74 |
505 |
0.26 |
0.1 |
|
Oudegem |
707.44 |
708 |
0.56 |
0.1 |
|
Overmere |
1759.39 |
1372 |
-387.39 |
-22.0 |
|
Schellebelle |
742.8 |
742 |
-0.8 |
-0.1 |
|
St Gilles Dendermonde |
1062.15 |
1062 |
-0.15 |
0.0 |
|
Uitbergen |
668.71 |
649 |
-19.71 |
-2.9 |
|
Wetteren |
2632.84 |
2631 |
-1.84 |
-0.1 |
|
Wichelen |
1400.25 |
1430 |
29.75 |
2.1 |
|
Wieze |
548.87 |
548 |
-0.87 |
-0.2 |
|
Zele |
3217.86 |
3196 |
-21.86 |
-0.7 |
|
TOTAAL |
24413.73 |
23371 |
-1042.73 |
-4.3 |
|
|
100 |
95.7 |
-4.3 |
- |
Zelfs in absolute cijfers zijn de verschuivingen zeer minimaal. Bij 10 van de 20 gemeenten blijkt de verschuiving zelfs kleiner dan 1 hectare te bedragen. De kleine wijzigingen zijn volgens Vrielinck dan ook een gevolg van kleine grenswijzigingen. We kunnen hieruit besluiten dat de Kadastrale metingen vrij nauwkeurig werden uitgevoerd.
Tabel 2.1.1. : Totale oppervlakte van de gemeente zonder de gemeente Massenem (in hectare).
|
|
K.E. |
Statistique territoriale |
Verschil |
|
|
|
|
|
|
TOTAAL (ha) |
23380.53 |
23371 |
-9.53 |
|
TOTAAL (%) |
100 |
99.96 |
-0.04 |
Akkerland
In een tweede orde gaan we na hoeveel van de totale oppervlakte er door akkerland werd ingenomen en welke veranderingen er zich tussen 1811 en 1846 hebben voorgedaan. We bekomen voor de negentien gemeenten van het arrondissement (zonder Massenem) een totale oppervlakte akkerland van 16 535 hectare. Dit blijkt zo’n een kleine 71 % van de totale oppervlakte te zijn. Op basis van de statistique territoriale bekomen we een verhouding die 2 % hoger ligt. Een cijfer dat perfect aansluit op het cijfer dat Vanderpijpen berekende voor de provincie Oost Vlaanderen op basis van de “Statistique Territoriale”. Hij bekomt voor de ganse provincie een verhouding van 70 %. [92] In dezelfde studie komt de auteur tot de conclusie dat de verhouding akkerland tot de totale oppervlakte het hoogst ligt in Oost-Vlaanderen (~Scheldedepartement). Hij vergelijkt de cijfers met de andere verhoudingen uit andere regio’s en gewesten en concludeert dat Oostvlaamse landbouw tot de meest intensieve behoort.
Tabel 2.1.2: Oppervlakte akkerland tov het totaal (in hectare en relatief)
|
|
K.E. |
statistique |
||
|
|
totaal |
akkerland |
totaal |
akkerland |
|
Totaal |
24 413.73 |
17 253.66 |
|
|
|
% |
100 |
70.7 |
|
|
|
totaal zonder Massenem |
23 380.53 |
16 535.3 |
23 371 |
17 008 |
|
% |
100 |
70.7 |
100 |
72.8 |
70 % van de totale oppervlakte onder de ploeg leggen, is inderdaad een behoorlijk intensieve bezigheid. Het laat weinig ruimte voor andere bestemmingen zoals woning, natuur (bos..), nijverheid,…
Toch wordt in het arrondissement Dendermonde tussen de jaren 10 van de negentiende eeuw en 1830 een kleine 500 hectare meer in cultuur gebracht, of zo’n een 3 %. In tabel 2.3.2. hebben we naast de absolute waarden (in ha) in een tweede kolom de relatieve daling of stijging uitgezet.(tegenover de cijfers uit de K.E.) De belangrijkste wijzigingen doen zich voor in de gemeenten Uitbergen en Wetteren, alwaar het akkerlandareaal een uitbreiding neemt met meer dan 11% . Een aantal gemeenten kennen een kleine stijging van het akkerlandareaal van om en bij de 5%. De andere gemeenten blijven in grote mate stationair. Slechts één gemeente kent een inkrimping van het akkerlandareaal, Dendemonde met net geen 9 % of ongeveer 24 hectare. Wellicht is een en ander een gevolg van de stadsuitbreiding.
Tabel 2.1.3: Oppervlakte van het akkerland (in hectare) en hun verhouding tov document 11.
|
|
akkerland |
|||||
|
gemeenten |
K.E. |
statistique territoriale |
1846 |
|||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Appels |
260.08 |
100 |
258.856 |
99.5 |
454.35 |
174.7 |
|
Baasrode |
438.06 |
100 |
434.83 |
99.3 |
484.57 |
110.6 |
|
Berlare |
875.11 |
100 |
919.99 |
105.1 |
761.26 |
87.0 |
|
Dendermonde |
||||||