Democratieën in Latijns –Amerika.  Een vergelijkende studie naar kies- en partijsystemen. (Fedde De Haan)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding

 

Begin jaren ’80 nam de democratisering van Latijns-Amerikaanse landen een grote vlucht. Midden jaren ’70 was het slechts in drie landen mogelijk de politieke elite via verkiezingen aan te wijzen: Costa Rica, Colombia en Venezuela. Zo’n vijftien jaar later was het beeld volledig gewijzigd. In vrijwel alle landen van Latijns-Amerika vonden min of meer democratische verkiezingen plaats. Notoire uitzondering in het democratiseringsproces was Cuba. (Payne, Zovatto, , Carillo Flórez, & Allamand Zavalla, 2002: 1, 7)

De instandhouding van de democratische instituties in deze landen is echter verre van een vanzelfsprekendheid. In het verloop van deze thesis zal hopelijk meer en meer duidelijk worden welke onvolkomenheden er in de meeste systemen zijn geslopen. Gezien het voorwerp van dit onderzoek zal mijn aandacht uiteraard vooral gaan naar de rol die kiessystemen hierin spelen. Kiessystemen vormen in het geheel van politieke instituties een cruciale schakel. Onvolkomenheden in kiessystemen reduceren mijns inziens het adaptieve vermogen van de meeste politieke systemen aanzienlijk. Hetgeen in het merendeel van de door mij onderzochte landen tot grote onvrede heeft geleid.

Een goede analyse is echter niet mogelijk zonder goede ondergrond. Daarom start deze drie delen tellende thesis met een theoretisch deel. Dit theoretische deel bestaat uit twee hoofdstukken.

In een eerste, zeer kort, hoofdstuk zal ik trachten te beargumenteren waarom ik ervoor koos de relatie tussen kies- en partijsystemen in Argentinië, Brazilië, Colombia, Mexico, Peru en Venezuela te onderzoeken. In het tweede hoofdstuk geef ik vervolgens een overzicht van de literatuur die omtrent de relatie tussen kies- en partijsystemen is verschenen.

Ik begin dat tweede hoofdstuk met een bespreking van het werk van Douglas W. Rae. Hij was, mijns inziens, de stamvader van dit type onderzoek en mag daarom zeker niet over het hoofd worden gezien. Vervolgens bespreek ik het werk van de misschien wel grootste politicoloog die de historie van deze discipline heeft gekend: Arend Lijphart.

De bevindingen van Rae en Lijphart hebben echter vooral betrekking op parlementaire systemen. Bij de relatie tussen kies- en partijsystemen in presidentiële systemen spelen bijkomende variabelen een rol. Daarom doen we tot slot van hoofdstuk twee een beroep op het werk van Matthew Soberg Shugart en John M. Carey. Zij toonden onder meer aan dat de plaats op de electorale kalender van de presidentsverkiezingen voor een groot deel bepaalt hoe de uitkomsten van de congresverkiezingen zullen zijn.

Zoals bij de meeste bevindingen in de politieke wetenschappen zijn de bevindingen van Shugart en Carey niet universeel toepasbaar. Op geaggregeerd niveau bestaat een tendens naar een tweepartijensysteem indien presidentsverkiezingen, volgens het relatieve meerderheidssysteem, gelijktijdig plaatsvinden met de congresverkiezingen. De politieke werkelijkheid leert dat ook nog andere factoren een rol spelen. Ik verwacht niet dat het ooit mogelijk zal zijn al deze factoren in één model te gieten.

Daarom kijk ik in een tweede deel, case per case, welke factoren van het kiessysteem het partijsysteem beïnvloeden. Latijns-Amerika is hiervoor de perfecte proeftuin. De meeste landen daar hebben immers een aantal grondige wijzigingen in het kiessysteem aangebracht gedurende de door mij kwantitatief geanalyseerde periode.

De eerste van de zes cases, die in hoofdstuk drie wordt behandeld, is Argentinië.

Argentinië tendeerde in de eerste jaren na de val van de militaire junta richting een tweepartijensysteem. De laatste jaren is het Argentijnse partijsysteem meer en meer gefragmenteerd geraakt. Ook de wijzigingen die werden aangebracht in de grondwet om het kiescollege af te schaffen en herverkiezing van de president mogelijk te maken, komen in dit hoofdstuk aan bod. Evenals de rol die de flamboyante, maar minder rechtschapen president Menem hierin speelde.

In hoofdstuk vier behandel ik Brazilië. Brazilië wordt vooral gekenmerkt door het onvermogen van partijleiders om partijleden in toom te houden. Mede hierdoor is het partijsysteem van Brazilië bijzonder gefragmenteerd. De wijze waarop de meeste politici worden verkozen is hiervan een belangrijke oorzaak. Daarnaast bespreek ik de invloed van federalisme en geld op de Braziliaanse politiek.

Colombia, voorwerp van onderzoek in hoofdstuk vijf, kent een zeer eigenaardig, doch niet geheel uniek, kiessysteem. Binnen elk kiesdistrict bestaat voor partijen de mogelijkheid met meerdere lijsten op te komen. Tussen deze lijsten is echter geen lijstverbinding mogelijk. Bovendien kan bijna elke burger met een lijst komen die de naam van een gevestigde partij draagt. Hiervoor is geen enkele instemming van de partijleiding vereist. De gevolgen van een dergelijk systeem worden in dit hoofdstuk besproken.

In hoofdstuk zes komt Mexico aan bod. In Mexico was één partij, de PRI, onafgebroken aan de macht van 1929 tot 2000. Het kiessysteem was voor de leiders van de PRI het middel bij uitstek om deze macht te bestendigen.

In hoofdstuk zeven kijken we naar Peru. Het land dat binnen enkele weken, op democratische wijze, werd veroverd door Fujimori. Hoewel er veel oorzaken zijn aan te wijzen voor zijn electorale doorbraak, zal ik betogen dat één aspect van het kiessysteem een noodzakelijke doch niet voldoende voorwaarde was voor de opmars van Fujimori.

In hoofdstuk acht ten slotte belicht ik het land dat lang als een voorbeeld werd gezien voor de regio: Venezuela. De macht van de partijleiding was daar echter weer te groot. Hetgeen zeker heeft bijgedragen tot de opkomst van de charismatische Hugo Chávez.

De kwantitatieve analyse omvat alle verkiezingen die werden gehouden van 1978 tot 2004. Helaas zijn van de kamerverkiezingen in Mexico tot 1991 en van de kamerverkiezingen van Argentinië in 2003 geen volledige resultaten bekend. De kwalitatieve analyse begint in een aantal gevallen eerder dan 1978, omdat in bepaalde landen het kiessysteem een reactie was op gebeurtenissen die in het verleden plaatsvonden. Brazilië is, zoals we zullen zien, hiervan een mooi voorbeeld.

In het derde deel, dat slechts één hoofdstuk telt, tracht ik de verschillende einden met elkaar te verbinden en zo tot een besluit te komen.

 

 

DEEL I : KEUZE VAN CASES & LITERATUURSTUDIE

 

HOOFDSTUK I: KEUZE VAN CASES

 

Het eerste hoofdstuk is meteen het kortste hoofdstuk van allemaal. In dit hoofdstuk beargumenteer ik op basis van welke criteria ik de zes cases heb gekozen.

Toen ik voor dit thesisonderwerp koos, deed ik dat niet enkel uit interesse voor kies- en partijsystemen, maar ook uit een sociale bekommernis. Zeker in Latijns-Amerikaanse landen kan de politiek het verschil maken. Daarom wilde ik inzicht verwerven in de kiessystemen van zoveel mogelijk landen tegelijkertijd. Om uiteindelijk te kunnen vaststellen op welk wijze die systemen een positieve dan wel negatieve invloed hebben op het leven van miljoenen mensen. Deze strategie zou echter ten koste gaan van de kwaliteit van de analyse. Daarom leek het me verstandiger om, de qua bevolkingsgrootte, zes grootste landen van Latijns-Amerika te selecteren. Hieronder volgt een overzicht van de bevolkingsgrootte van de twintig bevolkingsrijkste landen van de regio.

 

Tabel 1.1 Bevolkingsaantal van de twintig bevolkingsrijkste gebieden in de regio Cariben en Latijns-Amerika

Land

Bevolkingsaantal

Argentinië

38.400.000(4)

Bolivia

9.000.000(11)

Brazilië

176.600.000(1)

Chili

15.800.000(7)

Colombia

44.400.000(3)

Costa Rica

4.000.000(18)

Cuba

11.299.000(10)

Dominicaanse Republiek

8.700.000(12)

Ecuador

13.000.000(8)

El Salvador

6.500.000(15)

Guatemala

12.300.000(9)

Haïti

8.400.000(13)

Honduras

7.000.000(14)

Mexico

102.300.000(2)

Nicaragua

5.500.000(17)

Paraguay

5.600.000(16)

Peru

27.100.000(5)

Puerto Rico

3.898.000(19)

Uruguay

3.400.000(20)

Venezuela

25.500.000(6)

Bron: The World Bank, World Development Report 2005.
Oxford: Oxford University Press, 2004, p. 255-257, 264.

 

De met afstand zes grootste landen zijn: Argentinië, Brazilië, Colombia, Mexico, Peru en Venezuela.

Bovendien liggen alle zes de landen op basis van alle denkbare criteria (taal, cultuur, geschiedenis, kolonisator, etc.) in Latijns-Amerika.

De volgende vraag die zich stelde was of de zes landen voldoende democratisch zijn om een zinvolle analyse te kunnen maken van de relatie tussen het kies- en partijsysteem. De meest aangewezen bron hiervoor is Freedomhouse. Freedomhouse rangschikt sinds 1972 landen op basis van politieke rechten en burgervrijheden. Landen die voor deze twee factoren een gemiddelde score van 1 hebben zijn volledig vrij, landen die voor deze twee factoren een 7 behalen zijn in het geheel niet vrij.

Landen met een score variërend van 1 tot 2.5 worden door Freedomhouse als vrij beschouwd, landen met een score van 3 tot 5 gedeeltelijk vrij en landen met een score van 5.5 tot 7 niet vrij.

Geen enkel van de door mij onderzochte landen is in de periode 1980 tot 2004 continu volledig vrij. Belangrijker is de vraag hoeveel jaren ze in de periode 1980-2004 minimaal gedeeltelijk vrij waren.

Hieronder volgt daarom een overzicht van hoeveel jaar de zes door mij onderzochte landen vrij, gedeeltelijk vrij dan wel niet vrij waren vanaf 1980.

 

Tabel 1.2 Aantal jaren vrij, gedeeltelijk vrij en niet vrij sinds 1980

Land

Aantal jaren vrij

Aantal jaren gedeeltelijk vrij

Aantal jaren niet vrij

Argentinië

18

6

1

Brazilië

11

14

0

Colombia

9

16

0

Mexico

5

20

0

Peru

13

12

0

Venezuela

15

10

0

Bron: http://www.freedomhouse.org/ratings/allscores2005.xls

 

Op Argentinië na waren alle landen sinds 1980 ten minste gedeeltelijk vrij. Argentinië zat alleen in 1980 in de laatste categorie. Voor de overige jaren scoort Argentinië gemiddeld het beste. Het zou absurd zijn Argentinië voor één jaar uit de analyse te houden. Mexico komt vrij weinig voor in de categorie ‘vrij’. De scores die het land in de categorie niet vrij behaalt zijn echter nooit hoger dan vier. Bovendien levert Mexico een zee van informatie op over welke invloed kiessystemen in potentie kunnen hebben.

Geen enkel land valt daarom voorlopig af.

Het laatste wat nog moest gegarandeerd worden, waren volledige verkiezingsuitslagen om een zinvolle analyse mogelijk te maken.

Voor de kamerverkiezingen van 1979-1988 in Mexico zijn geen volledige resultaten beschikbaar. De belangrijkste tendensen zijn echter wel bekend. Ook van de kamerverkiezingen in Argentinië van 2003 zijn voorlopig geen volledige resultaten beschikbaar. Dergelijke onvolledigheden horen echter bij een dergelijk grootschalig comparatief onderzoek. Zo beschikte Arend Lijphart voor een in 1994 gepubliceerd onderzoek niet over voldoende data van de verkiezingen van 1990 in Denemarken en Duitsland. (Lijphart, 1994: 3)

Nu de cases zijn gekozen, begint het echte werk.

Allereerst gaan we in het volgende hoofdstuk kijken naar de theoretische literatuur over de relatie tussen kies- en partijsystemen.

 

 

HOOFDSTUK 2: LITERATUURSTUDIE

 

2.1 Inleiding

 

In dit hoofdstuk zal ik trachten een overzicht te geven van de belangrijkste literatuur omtrent de relatie tussen kiessystemen en partijsystemen. Drie (teams van) auteurs zullen hierin centraal staan.

Ten eerste zal ik het werk van Douglas W. Rae bespreken. Hij kan beschouwd worden als de stamvader van deze subdiscipline. Hij was namelijk de eerste die het verband tussen kiessystemen en partijsystemen op systematische wijze onderzocht. Bovendien ontwierp hij een aantal zeer interessante indicatoren. Aan de hand van de tekortkomingen van zijn indicatoren introduceer ik de vandaag de dag meest gebruikte indicatoren.

Ten tweede behandel ik het werk van Arend Lijphart. Niet zelden wordt hem het predikaat ‘grootste politicoloog’ toegekend. Hoewel in zijn werk een zeer breed scala aan onderwerpen wordt behandeld, hebben zijn publicaties over kiessystemen, mijns inziens, voor een niet onaanzienlijk deel bijgedragen aan deze lofuitingen.

Lijphart laat niet na te benadrukken dat hij parlementaire systemen verkiest boven presidentiële systemen. Misschien is het hierdoor dat zijn belangstelling voor presidentiële systemen in Latijns-Amerika relatief beperkt lijkt. Desondanks is zijn werk veel te waardevol om het om deze reden achterwege te laten.

Ten slotte behandel ik het werk van Shugart en Carey. Zij hebben, in regelmatig wisselende samenstelling, de studie naar presidentiële systemen in Latijns-Amerika, een zeer krachtige impuls gegeven. Zo hebben bijvoorbeeld Shugart en Carey aangetoond dat de belangrijkste verklarende variabelen van het partijsysteem in presidentiële systemen verschillend zijn van die in parlementaire systemen.

 

2.2 Evolutie in het onderzoek naar kiessystemen

 

Het onderzoek naar kiessystemen is binnen de politieke wetenschappen een tamelijk jonge discipline. In 1985 noemde Arend Lijphart het onderzoek naar kiessystemen zelfs ‘undoubtedly the most underdeveloped subject in political science.’ Lijphart stelt in hetzelfde artikel zeer verbaasd te zijn over het beperkte aanbod aan literatuur binnen dit domein. Volgens Lijphart verschijnt er in de jaren zeventig bijna een decennium lang geen enkel relevant werk over kiessystemen. Begin jaren tachtig is hierin echter een kentering te ontwaren. (Lijphart, 1985: 3-4,12)

Deze toenemende belangstelling beperkt zich niet alleen tot kiessystemen, maar strekt zich uit tot alle instituties die het politieke leven beheersen. Shugart en Carey spreken daarom, in navolging van anderen, van ‘new institutionalism’. (Shugart en Carey, 1992: 3)

Voor deze periode van bloei was het meest baanbrekende werk over kiessystemen ‘The political consequences of electoral laws’ van Douglas W. Rae uit 1967.[2] [3]

Lijphart bouwt in een aantal van zijn werken expliciet voort op dat van Rae. [4]

Bovendien zijn veel van de vandaag de dag gebruikte indicatoren verbeterde versies van de indicatoren die Rae in 1967 voorstelde. Het lijkt me daarom interessant eerst eens te kijken welke erfenis Rae precies heeft nagelaten.

 

2.3 Douglas W. Rae

 

Mijn literatuurstudie naar het verband tussen kiessystemen en partijsystemen begint bij Douglas W. Rae. In ‘The political consequences of electoral laws’ van 1967 draagt hij bij aan de theorievorming rond deze kwestie, definieert een aantal kernbegrippen en presenteert interessante indicatoren die tot op de dag van vandaag zeer veel gebruikt worden. Deze indicatoren zijn allemaal van numerieke aard en eenvoudig te hanteren. Indicatoren die zich toespitsen op partij-ideologieën worden buiten beschouwing gelaten. Een mijns inziens goede keuze voor een comparatief onderzoek waarbij geen gebruik wordt gemaakt van buitenlandse specialisten. Ideologische verschillen kunnen volgens mij beter verklaard worden door de historische, economische en sociologische achtergronden van een land dan naar het kiesstelsel te kijken.

Rae’s werk is verre van onomstreden. Vooral Sartori betoont zich een koele minnaar. Hij prijst Rae voor zijn bijdrage aan het statistisch instrumentarium van de politieke wetenschappen, maar bekritiseert hem fel omdat hij zich,volgens Sartori, te veel op de vlakte houdt en ostentatief weigert een aantal bestaande systemen meer in detail te belichten. Bovendien vindt hij dat Rae teveel een beroep doet op fractionalisatie-indexen.(Sartori, 1986: 45-48)

Hoewel de kritiek van Sartori niet geheel ten onrechte is, blijft Rae voor dit werk de ideale gids voor het eerste deel van de tocht.

 

2.3.1 Kieswetgeving: 3 fasen

 

Rae zoekt eerst naar een accurate definitie van het begrip kieswetgeving. Uiteindelijk komt hij tot de volgende definitie: “Electoral laws are those which govern the processes by which electoral preferences are articulated as votes and by which these votes are translated into distributions of governmental authority (typically parliamentary seats) among the competing political parties.”(Rae, 1971:14)

Rae reduceert dit complexe proces tot drie fasen: de wijze van stemmen, de grootte van kiesdistricten en het numerieke criterium waarop de zetelverdeling stoelt (de zogenaamde electorale formule).

 

2.3.1.1 Wijze van stemmen

 

Ten eerste kijkt hij naar de wijze waarop een stem moet uitgebracht worden.

Verloopt dit volgens een categoriaal (op één partij stemmen) of ordinaal systeem (partijen rangschikken naar voorkeur)?

Rae verwacht dat systemen waarbij de kiezer via een ordinale rangschikking zijn voorkeur kenbaar maakt een partijlandschap met meer partijen zal opleveren dan verkiezingen waarbij de kiezer geacht wordt één partij aan te wijzen. Het tegendeel blijkt echter waar te zijn. In systemen waar een categoriale stemprocedure wordt toegepast, blijkt het partijsysteem uit meer partijen te bestaan en meer gefractionaliseerd te zijn.

Rae werpt onder meer de suggestie op dat lang niet alle kiezers gebruik maken van de mogelijkheid om een ordinale rangschikking van partijen op te stellen.

Bij deze veronderstelling moeten we echter niet te lang stil blijven staan. De empirie wijst namelijk uit dat deze variabele een veel minder grote impact op het partijsysteem heeft dan de volgende twee variabelen.

(Rae, 1971:16-19, 126-129)

 

2.3.1.2 Kiesdistricten

 

Ten tweede kijkt hij naar de omvang van kiesdistricten.

Rae hanteert de volgende definitie voor kiesdistricten: “The units within which vote totals are translated into distribution of seats.”(Rae, 1971:19)

De omvang van het gemiddelde kiesdistrict is een bijzonder belangrijke determinant voor de omvang van het partijsysteem. We moeten hiervoor eerst het onderscheid maken tussen ‘single-member districts’ en ‘multi-member districts’. De laatste groep bevat alle kiesdistricten waarbinnen meer dan één zetel wordt toegekend.

Een land waar binnen elk kiesdistrict vijf zetels te verdelen zijn, onder voorwaarde dat er sprake is van een proportioneel systeem (zie verder), zal al meer kansen bieden aan relatief kleine partijen dan een land waar binnen elk kiesdistrict één zetel te verdelen is. In een land waar per kiesdistrict vijf zetels te verdelen zijn, is er nog altijd een effectieve kiesdrempel van 20% per kiesdistrict.[5] Middelgrote partijen die in elk kiesdistrict rond de 15% scoren, zullen waarschijnlijk geen vertegenwoordigers naar het parlement mogen sturen. De kans bestaat dat het kiespubliek van dergelijke partijen op een gegeven moment de moed verliest en de volgende keer op een andere partij stemt.

Uit dit voorbeeld blijkt waarom het aantal te verdelen zetels per kiesdistrict zeer belangrijk is. Rae hanteert hiervoor de volgende formule:

 

M = X/ Y (Rae D.W., 1971:20)

 

M staat hier voor de gemiddelde grootte van een kiesdistrict (Mean Magnitude), X voor het totaal aantal zetels en Y voor het totaal aantal kiesdistricten. Met grootte wordt uiteraard het aantal te verdelen zetels bedoeld.

Ik moet echter wel een belangrijke kanttekening maken bij het concept gemiddelde kiesdistrictgrootte. De grootte van elk kiesdistrict kan namelijk aanzienlijk verschillen. In sommige landen zijn enkele kiesdistricten ingericht met de bedoeling bepaalde minderheden te beschermen.

Bovendien zijn er landen waar de zetelverdeling via een tweevoudig traject verloopt. Een deel van de zetels wordt via tamelijk kleine kiesdistricten vergeven. De overige zetels worden toegewezen via een systeem waarin het gehele land één kiesdistrict is. De zetels voor het tweede deel worden via een proportioneel systeem verdeeld. Een dergelijk systeem wordt op dit moment onder meer in Mexico toegepast. (Rae, 1971:19-21, 114-125)

Lijphart vindt dat er erg voorzichtig moet worden omgesprongen met de formule M = X/ Y indien er sprake is van twee lagen van kiesdistricten. Het totale aantal zetels mag niet zomaar gedeeld worden door het totale aantal kiesdistricten. Er moet eerst gekeken worden op basis van welke laag de zetels worden gedistribueerd. (Lijphart, 1985:9)

Wie de waarde van M kent, kan dus niet direct een voorspelling doen over de numerieke karakteristieken van een partijlandschap. Over het algemeen is het echter wel zo dat er een positieve relatie is tussen de gemiddelde grootte van een kiesdistrict en het aantal partijen.

 

2.3.1.3 Absoluut/relatief meerderheidssysteem of proportioneel systeem

 

Ten slotte kijkt Rae naar het numerieke criterium waarop de zetelverdeling stoelt (door Rae ‘Electoral Formulae’ genoemd). Dit criterium verschilt enorm van land tot land. Toch kan er een driedeling worden opgesteld waarbinnen de meeste landen onder te brengen zijn. [6]

 

2.3.1.3.1 Absoluut meerderheidssysteem

 

Ten eerste is er het (absolute) meerderheidssysteem. Een partij verwerft één of meerdere zetels of het presidentsambt van zodra het meer dan de helft van de stemmen verworven heeft. Ze behaalt dus meer stemmen dan alle andere partijen tezamen. Vaak is er meer dan één ronde nodig alvorens men een winnaar kan aanwijzen. Dit systeem wordt vooral toegepast bij presidentsverkiezingen en bij parlementsverkiezingen waar per kiesdistrict maar één of enkele zetels te verdelen zijn. Het valt om evidente redenen af te raden dit systeem te hanteren bij zeer grote kiesdistricten indien men het parlement een representatieve afspiegeling van de stemvoorkeur wil laten zijn.

Het absolute meerderheidssysteem wordt dikwijls simpelweg ‘de helft plus één’ genoemd. Deze formulering is theoretisch gezien niet geheel correct. Rae betoogt terecht dat in het geval er een oneven aantal personen hun (geldige) stem uitbrengen de regel de helft plus één niet geldig is. (Rae, 1971:23-25) [7]

 

2.3.1.3.2 Relatief meerderheidssysteem

 

De tweede categorie waaronder veel landen te plaatsen zijn, is het systeem dat in het Engels ‘plurality’ wordt genoemd. Dit systeem wordt van beide meerderheidssystemen het meest toegepast.

Een partij moet in dit systeem meer stemmen halen dan elke andere partij afzonderlijk. Ik stel daarom voor verder de term relatieve meerderheid te gebruiken en voor het meerderheidssysteem de term absolute meerderheid of absoluut meerderheidssysteem te gebruiken. De term relatieve meerderheid wijst op het feit dat een partij relatief meer stemmen haalt dan welke andere partij ook zonder hiervoor een absolute meerderheid te halen ten opzichte van de verzameling van alle andere partijen. Rae kan de kritiek van collega’s van het vasteland van Europa op dit systeem maar moeilijk begrijpen. Hij probeert de stelling, dat dit systeem verkiezingen doet afglijden naar het niveau van sportwedstrijden, te weerleggen. Wel moet hij toegeven dat dit systeem bijna altijd de meest disproportionele vertaling in zetels geeft van het stemgedrag. (Rae, 1971:25-28, 91-94, 148-170)

 

2.3.1.3.3 Proportioneel systeem

 

Een systeem dat in principe dit omzettingsproces zonder verlies voor de kleinere partijen zou moeten maken is het proportioneel systeem. Dit systeem verschaft echter nog altijd een minimaal voordeel aan de grotere partijen. Zelfs in een systeem waar de kieskring de grootte van een land aanneemt, zoals onder meer in Nederland het geval is. Bovendien verwacht Rae dat parlementen niet snel geneigd zullen zijn een wetsvoorstel te steunen waarin de overstap van een meerderheidssysteem naar een proportioneel systeem centraal staat. De grote partijen zouden zichzelf dan in de vingers snijden. (Rae, 1971:28-31, 38-39)

 

2.3.2 Het partijsysteem

 

Na hierboven een grove schets te hebben gemaakt van de mogelijke variaties in kiessystemen wordt het nu tijd de afhankelijke variabele te bespreken: het partijsysteem. Zoals hierboven beloofd, zal ik me in het laatste deel van elk hoofdstuk dat een specifieke case behandelt vooral de kwantitatieve aspecten van partijsystemen analyseren. Opnieuw biedt Rae hiervoor een goede inleiding. Al zijn een aantal indicatoren niet zo sterk. Gelukkig zijn daar in de loop der jaren betere indicatoren voor in de plaats gekomen, die ik verder zal bespreken.

 

2.3.2.1 Twee subsystemen

 

Voordat we een aantal van de indicatoren van Rae de revue laten passeren, is het noodzakelijk eerst twee basisconcepten van Rae naar voren te schuiven.

‘The elective party system’ en ‘the parliamentary (legislative) party system’. Het eerste concept kan beschouwd worden als de verzameling van stempercentages van de verschillende partijen. Het tweede concept is de vertaling in zetels van het eerste concept. Wanneer we deze twee concepten met elkaar vergelijken, legt dat belangrijke karakteristieken van een partijsysteem bloot. (Rae, 1971:48) Al verklaren verschillen tussen deze twee concepten of subsystemen lang niet alles. Ik ga er namelijk van uit dat veel kiezers bij het uitbrengen van hun stem op voorhand het kiessysteem in acht nemen. Daardoor zullen mensen, in een land waar het kiessysteem alle karakteristieken heeft om het partijsysteem tot maximaal twee grote partijen te beperken, eerder geneigd zijn kleinere partijen uit te sluiten. De stemmen die deze kleinere partijen alsnog krijgen, blijken in een dergelijk systeem achteraf vaak waardeloos (afgezien van eventuele signaalfuncties) te zijn, in termen van zetels. De kleinere partijen verliezen dus op twee manieren zetels en stemmen.

In eerste instantie doordat personen, die zich wel aangetrokken voelen tot de standpunten van een kleinere partij, niet op de partij zullen stemmen, omdat ze verwachten dat de stemmen op deze partij niet in zetels zullen worden omgezet.

En in tweede instantie omdat de stemmen die wel op deze partij worden uitgebracht een verre van evenredige vertaling in zetels opleveren.

In vrijwel alle systemen worden grote partijen bevoordeeld ten opzichte van kleinere partijen. De vergelijking tussen de twee hierboven genoemde concepten kan dus alleen de bevoordeling van grote partijen in tweede instantie weergeven en daarmee gepaard gaand de benadeling van de kleinere partijen. De vergelijking van deze twee concepten gebeurt aan de hand van bepaalde indicatoren, waarvan ik er hieronder al een aantal zal presenteren.

 

2.3.2.2 Indicatoren

 

2.3.2.2.1 De fractionalisatie-index

 

Rae is vooral bekend om zijn ‘fractionalisatie-index’.Deze indicator geeft weer in welke mate een partijsysteem gefractionaliseerd is. De fractionalisatie-index’ (voor stempercentages) wordt als volgt berekend.

 

Ti is hier het stempercentage van partij i. De waarde van F varieert van 0 tot 1. Indien de waarde van F 0.0 bedraagt, is er sprake van een perfect éénpartijsysteem. Indien de waarde 0.5 bedraagt zijn er twee partijen met exact de helft van de stemmen. De waarde is 0.75 indien vier partijen exact een kwart van de stemmen in de wacht slepen. Hoe dichter F tot 1.0 nadert des te meer het partijsysteem gefractionaliseerd is. Van deze fractionalisatie-index bestaan twee varianten. De hierboven weergegeven fractionalistie-index voor stempercentages(Fe) en de fractionalisatie-index voor zetelaandelen in het parlement(Fp). Fp wordt berekend op basis van het percentage van het totale aantal zetels per partij(Si). De exacte notatie van de tweede indicator staat hieronder weergegeven. De berekening verloopt voor de rest volstrekt analoog met Fe.

 

Fe neemt bijna altijd een hogere waarde aan dan Fp. (Rae, 1971:49, 53-58, 62, 64, 79-84)

Het verschil tussen de waarden van beide indicatoren geeft een eerste indicatie van de disproportionaliteit van een kiessysteem.

 

2.3.2.2.2 Het aantal partijen

Het concept ‘Number of Parties’ is bij Rae niet goed uitgewerkt. Om deze lacune enigszins op te vangen, bekijkt hij systematisch de stempercentages van de grootste(Ta) en de twee grootste partijen tezamen(Ta + Tb). Om van een tweepartijensysteem te spreken moet er volgens Rae aan twee, nogal arbitraire, condities worden voldaan:

Pe (het stempercentage van de grootste partij)[8] moet lager zijn dan 70%. En We (het gecumuleerde stempercentage van de twee grootste partijen)[9] moet meer dan 90% bedragen. Pe en We hebben ook weer hun equivalent voor zetelaandelen in het parlement. Respectievelijk Pp en Wp. Deze worden berekend aan de hand van het procentuele aandeel van de zetels in het parlement van de grootste partij(Sa) en de zetelaandelen van de twee grootste partijen tezamen(Sa + Sb). Veel systemen die op basis van zetels het ideaaltype van het tweepartijsysteem benaderen, zijn dit op basis van stempercentages niet. Groot-Brittannië is hiervan het meest bekende voorbeeld.

Opnieuw is daarom de vergelijking tussen de indicatoren op basis van stempercentages en die op basis van zetelaandelen zo interessant.

Aan de hand van Pe en Pp stelde Rae een interessante typologie op met vier kwadranten.

In het kwadrant linksboven vinden we de partijsystemen waar één partij zowel qua stem-, als qua zetelaandeel een meerderheid heeft. De situatie in het kwadrant ernaast komt bijna nooit voor.[10] Hierboven stelde ik immers al dat kiessystemen zelden grote partijen benadelen. Hierdoor is het hoogst onwaarschijnlijk dat er zich een situatie voordoet waarbij een partij meer dan de helft van de stemmen behaalt, maar minder dan de helft van de zetels in handen krijgt.

‘Gemaakte meerderheden’ komen dan wel weer vrij frequent voor. De grootste partij weet niet de helft van de stemmen in de wacht te slepen, maar dankzij het kiessysteem heeft ze wel een meerderheid in het parlement. Bij natuurlijke minderheden moet een partij, indien ze een meerderheidsregering prefereert, coalities sluiten met andere partijen. Alleen kan deze partij dat niet. (Rae, 1971: 49-53, 61, 74-77)

 

2.3.2.2.3 ‘Effective number of parties’

 

Na Rae is het zoeken naar een goede indicator voor het tellen van het aantal partijen niet meer gestopt. Zeer veel auteurs stelden als criterium voor het aantal partijen boven een bepaalde grenswaarde te tellen. Bijvoorbeeld 5 [11] of 10%. Op deze manier wilden ze abstractie maken van de irrelevante partijen. Het probleem met een dergelijke werkwijze is dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen een partij die 30% van de stemmen weet te bemachtigen en een partij die het moet stellen met 6% van de stemmen. [12]

De index van Laasko en Taagepera, aan de hand waarvan de ‘effective number of parties’ kan worden bepaald, doet dit wel. Deze index wordt als volgt berekend:

N = 1/∑pi² (pi² staat hier voor het stemmenaandeel van partij i)

Indien één partij alle stemmen behaalt, heeft deze index een waarde van 1. Indien twee partijen de helft van de stemmen onder elkaar verdelen, heeft deze index een waarde van 2.

En indien tien partijen elk een tiende van de stemmen weten te bemachtigen, neemt de index een waarde van tien aan. Ook deze index is echter niet zonder gebreken. Taagepera moet toegeven dat deze index niet volstaat bij situaties waar één partij het partijlandschap domineert (meer dan 50% van de stemmen haalt) en waar een aantal kleine partijen het resterende deel van de koek verdelen. Bijvoorbeeld een situatie waar één partij 50% van de stemmen haalt en 5 partijen elk 10 procent van de stemmen halen. N komt in dit geval op 3.33 uit. Een verre van adequate beschrijving van de werkelijkheid.

Om deze reden stelt Taagepera voor een tweede index te gebruiken N. Deze wordt als volgt berekend.

N = 1/p1(waarbij p1 staat voor het stemmenaandeel van de grootste partij).

N bereikt in dit geval een waarde van 2. Bij een dergelijk verschil tussen de uitkomsten van N en N moeten we onmiddellijk onraad ruiken. In de meeste andere gevallen is N de betere indicator. (Taagepera, 1999: 497-504, Taagepera, 1997:145-151) N maakt bovendien de fractionalisatie-index van Rae overbodig, omdat N exact de inverse is van deze indicator.

Brian J. Gaines stelt dat alle auteurs die het aantal partijen trachten te indiceren op een cruciaal punt te kort schieten: de berekening vindt plaats op basis van de gemiddelde stempercentages over het gehele land. Gaines is de mening toebedeeld dat het beter zou zijn per kiesdistrict het aantal partijen te tellen. Het gemiddelde van deze subindexen zal iets lager liggen dan het gemiddelde op basis van de gegevens van het hele land. De kracht van deze subindexen ligt volgens Gaines echter op een ander vlak. Men krijgt zo een goed beeld van hoe homogeen het politieke landschap van een land is. (Gaines, 1997: 49-58)

Zowel uit praktische (de onmogelijkheid verkiezingsresultaten voor alle districten te achterhalen), als uit onderzoekstechnische overwegingen is deze methode voor dit onderzoek echter niet de meest ideale.

 

2.3.2.2.4 Stabiliteit

 

Een kwantitatief aspect van partijsystemen wat zeker niet onbesproken mag blijven, is de stabiliteit. Ook hiervoor heeft Rae een indicator ontworpen. De gemiddelde verandering van stemaandelen(Ee). Hiervoor moeten steeds twee, elkaar bij voorkeur opvolgende, verkiezingen met elkaar worden vergeleken. Alle absolute waarden van de veranderingen van stempercentages per partij moeten bij elkaar worden opgeteld en gedeeld worden door het totale aantal partijen. Hier doemen echter een aantal methodologische problemen op.

Ten eerste worden presidentiële verkiezingen gekenmerkt door zeer frequent wisselende coalities, die zich achter een bepaalde kandidaat scharen. Hierdoor is het zeer moeilijk de electorale scores van twee politieke partijen bij twee verkiezingen met elkaar te vergelijken.

Ten tweede beïnvloedt het totale aantal partijen dat meedoet aan verkiezingen de uitkomst van Ee. (Rae, 1971: 59-60, 62)

Vandaag de dag is de stabiliteitsindicator van Rae in onbruik geraakt. De meest gehanteerde stabiliteitsindicator is tegenwoordig die van Pedersen.

De Pedersen Index wordt op bijna identieke wijze uitgerekend als de Index van Rae. Er is echter één cruciaal verschil. De uitkomst van de optelling wordt niet gedeeld door het totale aantal partijen, maar door twee. (Payne, Zovatto, Carrillo Flórez & Allamand Zavalla, 2002: 131)

 

2.3.2.2.5 De mate van proportionaliteit

 

Rae heeft ook een indicator ontwikkeld om de proportionaliteit van een kiessysteem te meten. Hij telt de verschillen in stempercentages en zetelaandelen van alle partijen boven de anderhalf procent bij elkaar op om deze vervolgens door alle partijen boven de anderhalf procent te delen. Deze indicator geeft daarom de gemiddelde proportionaliteit van een kiessysteem weer. (Rae, 1971: 84)

De kritiek die ik op Rae’s stabiliteitsindicator uitte, kan ik hier herhalen. Het resultaat wordt voor een te groot deel bepaald door het aantal partijen. In dit geval het aantal partijen dat meer dan anderhalve procent van de stemmen binnenhaalt. Van partijsystemen met een groot aantal partijen kan daardoor ten onrechte worden verondersteld dat de zetelverdeling zeer proportioneel verloopt in vergelijking met partijsystemen met slechts twee partijen.

Deze index van Rae wordt ondanks haar tekortkomingen toch nog vrij veel toegepast. De meest gebruikte index voor proportionaliteit is vandaag echter die van Michael Gallagher.

Gallagher neemt in tegenstelling tot Rae alle partijen in ogenschouw. Hij vermijdt echter dat het resultaat van de index wordt beïnvloed door het aantal partijen dat mee doet aan de verkiezingen. Bovendien krijgen grote verschillen tussen stempercentages en zetelpercentages een groter gewicht doordat hij de verschillen kwadrateert. Al deze verschillen worden bij elkaar opgeteld en gedeeld door twee. Van deze uitkomst wordt vervolgens de wortel getrokken. In wiskundige symbolen ziet de formule er als volgt uit:

½ ∑ (%v -%s)²

(Maddens, 2004: 10)

 

2.3.3 De invloed van het kiessysteem op het partijsysteem

 

Aan het belang van kiessystemen is lang getwijfeld. Dankzij onder meer het werk van Duverger en Rae werd het standpunt dat kiessystemen de preferenties van kiezers niet beïnvloeden steeds meer een minderheidsstandpunt. (Sartori, 1977: 27-29)

Rae stelt wel dat deze invloed, in verhouding tot de preferenties, zoals deze door de kiezers zijn geuit, doorgaans beperkt is. Het omgekeerde zou uiteraard zeer zorgwekkend zijn.

Welke invloed heeft het kiessysteem dan op de uitkomsten van de verkiezingen en daarmee gepaard gaand het partijsysteem?

Rae was van mening dat twee aspecten van het kiessysteem een grote invloed uitoefenen op het partijsysteem. Namelijk de grootte van kiesdistricten en de electorale formule (meerderheidssysteem of proportioneel systeem).

 

2.3.3.1 Kiesdistrictgrootte

 

Het eerste aspect, de kiesdistrictgrootte, dicht hij van deze twee de meeste invloed toe.

Rae tracht het beeld te ontkrachten als zouden systemen met kleine kiesdistricten totaal geen kansen bieden aan nieuwe, opkomende partijen. Hij legt vooral de nadruk op een potentieel voordeel dat kleine partijen kunnen hebben bij ‘single-member districts’. Deze kiesdistricten maken het voor opkomende partijen mogelijk met een veel kleiner deel van het totale aantal stemmen een zetel in de wacht te slepen dan dat dit bij proportionele kiessystemen met grote kiesdistricten het geval is. Hieraan is echter wel een belangrijke voorwaarde verbonden: de aanhang van nieuwe, opkomende partijen moet geografisch zeer geconcentreerd zijn.

Dit is normaal alleen het geval bij partijen met sterke regionale of lokale bindingen. Partijen die over geheel het land ongeveer dezelfde aanhang hebben, zijn uiteraard meer gebaat bij een proportioneel systeem met grote kieskringen.

Voor kleine partijen in opmars biedt een proportioneel systeem met relatief grote kieskringen dus over het algemeen de meeste kansen. Vanuit dit perspectief bekeken is een proportioneel systeem het meest veranderingsstimulerende systeem. Voor de relaties tussen de gevestigde partijen is dit systeem echter tamelijk conservatief. De verschillen tussen de indicatoren voor stempercentages en zetelaandelen zijn namelijk zeer klein.

De proportionaliteit stijgt niet evenredig met de vergroting van kiesdistricten. Vanaf het moment dat de kiesdistrictgrootte twintig is, is de stijging van de proportionaliteit quasi nihil.

 

2.3.3.2 Electorale formule

 

Wel kunnen we, indien we de kiesdistricten even buiten beschouwing laten, een verschil ontwaren tussen meerderheids- en proportionele systemen. Het grenspercentage, vanaf waar het zetelaandeel lager is dan het stempercentage, ligt overwegend lager bij proportionele systemen. Bij proportionele systemen bevindt deze grens zich doorgaans rond twintig procent. Dit wil zeggen dat een politieke partij die bijvoorbeeld dertig procent van de stemmen haalt, bijna altijd een meer dan evenredig aantal zetels bemachtigt. In meerderheidssystemen gebeurt het frequent dat een politieke partij met een dergelijk stempercentage een minder dan evenredige vertegenwoordiging in het parlement verkrijgt.

Gemiddeld gezien hebben proportionele systemen een groter aantal partijen, zijn de zetels meer proportioneel verdeeld en is het partijsysteem meer gefractionaliseerd dan bij meerderheidssystemen. Meerderheidssystemen zijn echter minder stabiel. Zowel qua stempercentages, als qua zetelaandelen. Het verschil in stabiliteit ten opzichte van proportionele systemen is wel kleiner voor stempercentages dan voor zetelaandelen.

Over de vraag of een relatief meerderheidssysteem moet leiden tot een tweepartijsysteem is sinds Duverger onophoudelijk gediscussieerd. Rae stelt vast dat in landen waar het relatieve meerderheidssysteem wordt toegepast in ongeveer negentig procent van de gevallen een tweepartijsysteem bestaat. De uitzonderingen op deze regel komen, volgens hem, vooral voor in landen waar er lokale of regionale minderheden bestaan. (Rae, 1971:70-72, 79-84, 87-103, 115-125, 133-140, 148-170)

 

2.4 Arend Lijphart

 

Wie in dit literatuuroverzicht absoluut niet mag ontbreken is de tot Amerikaan genaturaliseerde politicoloog Arend Lijphart. Ik overdrijf niet wanneer ik stel dat hij één van de meest geciteerde, zo niet de meest geciteerde politicoloog is. In één van zijn vele bekende werken ‘Electoral Systems and Party Systems’[13] kijkt hij, de titel geeft het al grotendeels aan, naar de effecten van kiesstelsels op partijsystemen. Enig nadeel voor ons is het feit dat Lijphart in dit werk slechts beperkt oog heeft voor presidentiële systemen en al helemaal geen plaats inruimt voor presidentiële systemen in Latijs-Amerika.[14] Desondanks biedt zijn werk zeer veel nieuwe inzichten die hier absoluut niet mogen ontbreken.

 

2.4.1 Definitie kiessysteem en toepassing

 

Het eerste wat Lijphart in dit werk doet is een zeer eenvoudige definitie van een kiesstelsel of kiessysteem geven: “the set of methods for translating the citizens’ votes into representatives’ seats”. Lijphart noemt het kiessysteem zelfs “the most fundamental element of representative democracy”. (Lijphart, 1994: 1) Even later komt hij met een iets gedetailleerdere definitie, waar we vanuit analytisch oogpunt ook iets meer mee kunnen. Zijn precieze definitie van een kiessysteem luidt als volgt: “A set of essentially unchanged elections under which one or more successive elections are conducted in a particular democracy.” (Lijphart, 1994: 13)

Uiteraard is een verandering van de electorale formule een essentiële verandering van een kiessysteem. Daarnaast is een verandering van twintig procent of meer, in welke richting dan ook, in de kiesdistrictgrootte, in de wettelijke kiesdrempel of in het aantal leden van een wetgevend orgaan volgens Lijphart een essentiële verandering van een kiessysteem. Hierbij plaatst hij wel de kanttekening dat de verandering in de numerieke omvang van een gekozen orgaan een kleinere rol speelt bij systemen, die een andere electorale formule voor de zeteltoewijzing hanteren dan een proportioneel systeem. (Lijphart, 1994:13)

Een aantal landen hebben tamelijk complexe kiessystemen, waar binnen de verkiezing van één orgaan, meerdere niveaus van kiesdistricten bestaan. In dergelijke gevallen moet alleen gekeken worden naar het niveau dat een beslissende rol speelt bij de zeteltoewijzing. Is er geen verandering van twintig procent in boven vernoemde variabelen dan blijft een land volgens Lijphart onder hetzelfde kiessysteem vallen. (Lijphart, 1994:11, 13)

In tegenstelling tot Rae neemt Lijphart een reeks van verkiezingen onder een min of meer ongewijzigd kiessysteem als eenheid van analyse. Rae beschouwt elke verkiezing als een eenheid van analyse. (Lijphart, 1994:7)

Mijns inziens is het best te opteren voor een geïntegreerde aanpak. De aanpak van Lijphart schiet te kort bij het kijken naar verschillen binnen één en hetzelfde kiessysteem. Deze verschillen hebben echter veel belang bij het analyseren van presidentiële systemen. Vooral de plaats van congresverkiezingen op de electorale kalender ten opzichte van presidentsverkiezingen speelt een zeer belangrijke rol. Lijphart noemt dit fenomeen, aan het licht gebracht door Shugart en Carey, overigens expliciet in zijn werk. [15]

Alleen de aanpak van Rae gebruiken is echter ook geen optie. Een aantal door mij bestudeerde Latijns-Amerikaanse landen veranderde tijdens de periode, waarop dit onderzoek zich primair richt, van kiessysteem. Het lijkt ons daarom noodzakelijk deze kiessystemen en haar effecten te vergelijken met andere kiessystemen in hetzelfde land en met kiessystemen in de andere onderzochte landen.

 

2.4.2 Onafhankelijke variabelen

 

Lijphart laat weinig gelegenheden onbenut te benadrukken dat hij proportionele systemen verkiest boven meerderheidssystemen. Het mag gezien dit feit weinig verbazing wekken dat hij veel belang hecht aan het meten van de mate van proportionaliteit van kiessystemen. Zoals we al bij Rae zagen, is het niet alleen de electorale formule die de proportionaliteit van een kiessysteem determineert. Lijphart dicht drie variabelen de hoogste verklaringskracht toe. Op één na zijn dit dezelfde als die Rae gebruikte: de electorale formule, de districtgrootte en de kiesdrempel.[16] (Lijphart, 1994: 1, 14)

Belangrijk is het te vermelden dat Lijphart niet alleen kijkt naar het al dan niet bestaan van wettelijke kiesdrempels. Veel belangrijker is de effectieve kiesdrempel. De effectieve kiesdrempel is het stempercentage, gemeten op nationaal niveau, dat een partij minimaal nodig heeft om ten minste één zetel te verwerven. Deze effectieve kiesdrempel ligt soms gelijk en is soms hoger dan de wettelijke kiesdrempel. Indien bij bepaalde verkiezingen geen sprake is van een wettelijke kiesdrempel, wordt de effectieve kiesdrempel sowieso bepaald door het samenspel van de districtgrootte en de electorale formule. Vooral de districtgrootte speelt een cruciale rol. Volgens Lijphart kunnen de diverse karakteristieken van een partijsysteem best verklaard worden aan de hand van de effectieve kiesdrempel. Vandaar dat hij dikwijls de districtgrootte en de wettelijke kiesdrempel weglaat en alleen nog spreekt over de effectieve kiesdrempel. (Lijphart, 1994: 9, 11-12)

Naast de hierboven vernoemde onafhankelijke variabelen noemt Lijphart nog vijf andere variabelen waarvan het effect, volgens hem, niet heel groot te noemen is, maar die zeker ook niet geheel mogen weggelaten worden. Het gaat hier om het aantal leden van het belangrijkste, door het volk verkozen wetgevend orgaan, lijstverbindingen, ‘malapportionment’, de wijze van stemmen en de invloed van presidentiële verkiezingen op de congresverkiezingen.( Lijphart, 1994: 9, 12,14)

Van deze vijf dicht hij het aantal lagerhuisleden het meeste belang toe.

Van ‘malapportionment’ is sprake indien in bepaalde kiesdistricten veel meer zetels te verdelen zijn dan op grond van het bevolkingsaantal mocht verwacht worden. Vooral rurale gebieden profiteren hier doorgaans van. Uiteraard zorgt (een ernstige vorm van) ‘malapportionment’ ervoor dat de distributie van stemmen naar zetels weinig proportioneel verloopt. Lijphart schrijft dat dit fenomeen in de door hem onderzochte democratieën niet echt veel voorkomend is en bovendien geen ernstige vormen aanneemt. (Lijphart, 1994: 14-15)

Zoals we verderop zullen zien is ‘malapportionment’ in de door mij onderzochte landen echter wel degelijk een ernstig probleem. Het zal daarom in bepaalde analyses een tamelijk prominente plaats innemen.

Of het mogelijk is lijstverbindingen aan te gaan heeft zeker ook zijn invloed op de verschillende afhankelijke variabelen van een partijsysteem. Vooral Colombia is hier een zeer duidelijk voorbeeld van. Ook deze variabele zal daarom door mij worden beschouwd. (Lijphart, 1994: 15)

De wijze van stemmen is bij Rae al vermeld, voor meer uitleg over de invloed van presidentsverkiezingen op het partijsysteem leggen we ons oor hierna te luister bij Shugart en Carey.

 

2.4.3 Kiesdelertechnieken en delerreekstechnieken[17]

 

Douglas W. Rae besteedde geen aandacht aan de technieken die worden gebruikt voor de zeteltoewijzing in proportionele systemen. Arend Lijphart doet dit wel. Deze zeteltoewijzingstechnieken zijn zeker niet onbelangrijk. Ze beïnvloeden namelijk de proportionaliteit en het effectieve aantal partijen.

Globaal zijn de zeteltoewijzingstechnieken onder te verdelen in twee groepen: kiesdelertechnieken en delerreekstechnieken. [18] (Lijphart, 1994: 153)

 

2.4.3.1 Kiesdelertechnieken

 

Bij het gebruik van kiesdelertechnieken deelt men het totale aantal stemmen door het totale aantal zetels. De uitkomst van deze berekening is de kiesquota. Daarna deelt men voor elke partij het totale aantal stemmen door de kiesquota. De uitkomst van deze deling bepaalt op hoeveel zetels een partij recht heeft. Uiteraard is de uitkomst van deze delingen nooit een geheel getal. Indien niet alle zetels zijn opgebruikt dan gaan de overige zetels naar de partijen met de grootste restwaarde.

De hierboven beschreven techniek maakt gebruik van de zogenaamde Hare quota’s. Deze techniek is ongunstig voor grote partijen, omdat de quota zeer hoog ligt waardoor een zetel verhoudingsgewijs duur is. Indien men dit nadeel voor de grote partijen wil wegnemen, kan men gebruik maken van technieken waarbij de quota lager ligt. Dit doet men bijvoorbeeld door het aantal stemmen te delen door het aantal zetels plus één of plus twee. De uitkomsten van deze berekeningen worden respectievelijk ‘Droop quota’ en ‘Imperiali quota’ genoemd.[19] De Imperiali quota zijn het meest gunstig voor grote partijen. Hoe lager de quota, hoe kleiner de kans dat er veel restzetels overblijven. Kleine partijen moeten namelijk vaak een beroep doen op de restwaarde om leden naar het parlement te kunnen sturen. (Lijphart, 1994: 154-156)

 

2.4.3.2 Delerreekstechnieken

 

Bij delerreekstechnieken maakt men, het woord zegt het al, gebruik van delerreeksen voor het bepalen van het aantal zetels dat een partij krijgt. Het aantal stemmen van een partij wordt hierbij gedeeld door de verschillende waardes van de delerreeks. Deze delerreeksen zijn een reeks getallen met een vaste afstand van elkaar. Bijvoorbeeld 1, 2, 3, 4, 5, etc. Hoe dichter deze getallen bij elkaar liggen, des te gunstiger het is voor grote partijen. Dit is intuïtief gemakkelijk aan te voelen. Neem het voorbeeld van een kiessysteem met tien zetels en twee partijen die respectievelijk 40.000 en 30.000 stemmen bepaalden. Indien men deze stemmenaantallen deelt door achtereenvolgens 1,01, 1,02, 1,03, etc. krijgt de grootste partij alle zetels in handen. In de praktijk wordt de delerreeks gelukkig niet op deze wijze gehanteerd. De voor de grootste partijen meest gunstige delerreeks is het systeem D’Hondt. Hierbij worden de stemmenaantallen gedeeld door achtereenvolgens 1, 2, 3, 4, etc.

Minder gunstig voor de grote partijen is de Sainte-Laguë formule. Bij deze delerreeks deelt men de stemmenaantallen van de verschillende partijen door achtereenvolgens 1, 3, 5, 7, etc. In de praktijk wordt de Sainte-Laguë in een gewijzigde vorm toegepast. Deze methode is minder ongunstig voor de grote partijen dan de pure Sainte-Laguë formule. Er is slechts één verschil tussen de beide methodes. Het eerste getal waardoor wordt gedeeld bij de gewijzigde Sainte-Laguë formule is 1,4 in plaats van 1. (Lijphart, 1994: 153-154, 157)

 

2.5 Shugart & Carey

 

Eerder in dit hoofdstuk zagen we dat Douglas W. Rae de electorale formule en de gemiddelde kiesdistrictgrootte als de twee belangrijkste onafhankelijke variabelen van een kiessysteem beschouwt. Deze twee variabelen bepalen voor het grootste deel de mate van fractionalisatie van een partijsysteem.[20] Rae analyseerde niet het effect van wettelijke kiesdrempels. Lijphart deed dit wel. Hij vormde de wettelijke kiesdrempel en de kiesdistrictgrootte om tot één variabele: de effectieve kiesdrempel. Volgens hem is deze variabele de belangrijkste onafhankelijke variabele voor het verklaren van het effectieve aantal partijen.

Al deze variabelen hebben de tand des tijds voorlopig doorstaan en zijn nog altijd zeer relevant voor het verklaren van het effectieve aantal partijen.

Shugart en Carey en later Mainwaring en Shugart stellen echter dat deze variabelen vooral hun waarde hebben voor het verklaren van het effectieve aantal partijen binnen parlementaire systemen. (Mainwaring & Shugart, 1997: 417-418)

Wettelijke kiesdrempels zijn binnen de door mij onderzochte kiessystemen vrijwel onbestaande.Van deze variabele moet daarom weinig heil worden verwacht voor het verklaren van het effectieve aantal partijen. De door mij onderzochte landen maken bijna allemaal, vrijwel zonder uitzondering, gebruik van een proportioneel systeem bij de distributie van stemmen naar zetels. Ook van de variabele electorale formule mag daarom niet te veel worden verwacht. De (gemiddelde) grootte van een kiesdistrict blijft binnen een presidentieel systeem een belangrijke verklarende variabele. Shugart, Carey en Mainwaring stootten echter op een aantal andere aspecten binnen het kiessysteem die een grote verklarende kracht hebben.

 

2.5.1 Congresleden met overwegend nationale of regionale belangen

 

Een eerste element, dat voor een niet onaanzienlijk deel samenhangt met het kiessysteem, is het onderscheid tussen congresleden die overwegend oog hebben voor regionale of zelfs lokale belangen en congresleden wiens focus voornamelijk op nationale vraagstukken is gericht. Het zal niet verbazen dat de wijze van verkiezing van congresleden voor een groot deel bepaalt welke bril politici het vaakst opzetten. Uiteraard is op deze aardbol geen enkel congres te vinden waar congresleden uitsluitend oog hebben voor één van de twee belangen. Daarom stellen Shugart en Carey terecht dat er sprake is van een continuüm waarop systemen in theorie kunnen geplaatst worden. (Shugart & Carey, 1992: 167-168)

Politieke systemen, waarbij congresleden worden geacht zoveel mogelijk voordelen naar de eigen regio te brengen, schieten op het vlak van efficiëntie vaak te kort. Een dergelijk scenario is het meest aannemelijk indien binnen partijen sterke concurrentie om zetels bestaat. Congresleden zijn dan veel minder geneigd de merites van de eigen partij te benadrukken. De electorale campagne wordt vooral gekenmerkt door het aanprijzen van zichzelf en niet of nauwelijks van de eigen partij. (Shugart & Carey, 1992: 169-170)

Er zijn een aantal factoren die het meer waarschijnlijk maken dat congresleden vooral de belangen van de eigen regio zullen najagen.

Een van die factoren, die hieronder meer uitvoerig zal besproken worden, is de plaats op electorale kalender. Indien de verkiezing van het congres en de president niet gelijktijdig plaatsvinden, is de kans groter dat tijdens congresverkiezingen vooral regionale thema’s zullen uitgespeeld worden. Bij het gelijktijdig plaatsvinden van beide verkiezingen doet zich wel het gevaar voor dat veel kiezers aan ‘ticketsplitting’ gaan doen. Sommige critici pleiten er zelfs voor deze mogelijkheid af te schaffen en kiezers te verplichten voor zowel de congres- als de presidentsverkiezingen dezelfde partij aan te duiden.[21] (Shug