| Topografie en urbanistische ontwikkeling van Cumae: Vanaf de stichting van de Griekse kolonie tot de laatantieke periode (ca. 730 v.C.-4de/5de eeuw n.C.). (Bart De Graeve) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
III. Griekse periode (ca. 730 v.C. – 421/420 v.C.)
Vanaf het moment van de stichting van de kolonie werd een gebied afgebakend waarbinnen de stad zich later zou ontwikkelen[82]. Cumae was vanaf het begin een enorm bloeiende en rijke nederzetting, maar over de urbanistische evolutie tijdens de Griekse periode zijn er tot nu toe slechts beperkte gegevens.
Het meest bekend is de acropolis waar twee grote zones kunnen onderscheiden worden waarop telkens een heiligdom gebouwd werd[83]. Op de top verrees de zogenaamde “Tempel van Jupiter” terwijl op een lager gelegen terras op de oostflank van de Monte di Cuma een grote cultusplaats werd opgericht die gewijd was aan Apollo. Daar werden naast de eigenlijke tempel ook versterkingen en enkele andere constructies gebouwd waarvan de “Griekse cisterne” de meest intrigerende is. Beide sacrale zones werden al in de Griekse periode verbonden door een weg die van de toegangspoort in het zuidoosten langs de westelijke zijde van het complex van Apollo loopt en dan steil de helling opgaat in noordwestelijke richting om zo uit te komen bij het opperste heiligdom. Ondanks de vele sporen uit de eerste eeuwen van de kolonie zijn de interpretatie en de datering van de archeologische resten erg problematisch zodat er daar in de literatuur erg veel discussie over bestaat. Dit is niet zo verwonderlijk aangezien een groot gedeelte van de opgravingen bijna honderd jaar geleden uitgevoerd is waarbij weinig aandacht werd besteed aan de stratigrafie. Datering op basis van muurresten alleen is voor deze Griekse periode immers een erg moeilijk en riskant criterium, veel meer dan voor de Romeinse tijd. De variaties in het overal gebruikte opus quadratum zijn immers vaak niet te verbinden met chronologische verschillen en soms niet te onderscheiden van de Oskische periode[84]. Later onderzoek, dat wel aandacht had voor de stratigrafie en nieuwe dateringsmethodes, is dan weer nauwelijks gepubliceerd. Vooral over het heiligdom van Apollo is erg veel geschreven en de informatie is vaak zo complex dat de bespreking ervan onvermijdelijk uitgebreider is dan die van andere structuren.
De benedenstad in de Griekse periode is nog een veel grotere lacune in onze kennis. Recent onderzoek van de stadsmuren heeft over dit aspect wel veel nieuwe gegevens opgeleverd en ook over het stratenpatroon kan men al enkele interessante vaststellingen doen. Resten van specifieke gebouwen zijn er tot op heden echter nauwelijks.
Over de suburbane zone is er dan weer meer geweten. Vooral de necropool is al vrij grondig bestudeerd. Op basis van de grafinhouden heeft men een evolutie kunnen schetsen van het sociaal-economische kader van Cumae. Over de topografische aspecten is echter veel minder bekend. Andere elementen uit de Griekse periode in de periferie die besproken zullen worden, zijn het wegennet, de haven en de tempel van Hera.
1.1. Versterkingen
Dankzij de steile natuurlijke hellingen van de Monte di Cuma waren weinig ingrepen nodig om de defensieve kwaliteiten van de acropolis te versterken. De oostelijke flank was het kwetsbaarst en het is dan ook niet te verwonderen dat de meeste resten van muren zich hier bevinden. Zoals te zien is op het plan dat recent is opgesteld door F. Fratta[85], vertonen de archeologische resten nog op vele plaatsen hiaten. Dit is gedeeltelijk te wijten aan vernielingen die vooral in de loop van de 18de eeuw hebben plaatsgevonden. Volgens oude beschrijvingen stonden er toen nog indrukwekkende stukken van de muren en torens recht, vooral aan de noordelijke en oostelijke zijde. Daarnaast wordt het opsporen van restanten sterk bemoeilijkt door de dichte vegetatie, grondverschuivingen en erosie. Daarom is het verloop van de volledige fortificaties nog niet met zekerheid gekend. Op vroegere plannen is steeds een ononderbroken ommuring van de heuvel te zien[86], maar de huidige stand van het onderzoek laat niet toe om een dergelijke reconstructie te bevestigen. In het noordwesten en het westen zijn tot nu toe immers nog geen sporen van versterkingen gevonden. Volgens de recentste visie is het zelfs verre van zeker dat er daar ooit gebouwd zijn omdat deze zijden met hun voeten in de zee staan en zo steil zijn dat ze nauwelijks kunnen beklommen worden[87]. Wat men wel heeft kunnen vaststellen is dat de gekende stukken meestal min of meer de hoogtelijn van 50 meter volgen en vaak van verschillende ouderdom zijn.
De gegevens zijn momenteel nog te beperkt en op een te beperkte schaal onderzocht om een algemene chronologie en evolutie op te stellen voor het volledige circuit. Toch kunnen er momenteel al zeker vijf verschillende fases onderscheiden worden. Slechts één daarvan kan in de Griekse periode gesitueerd worden terwijl de vier andere later zijn. Twee daarvan worden ten tijde van de Campaanse overheersing geplaatst en de twee recentste in de 1ste eeuw v.C. Na de regering van Augustus lijken er geen aanpassingen meer gebeurd te zijn tot in de Byzantijnse periode (6de eeuw n.C.)
Het is erg onduidelijk of de Monte di Cuma in de Griekse periode al uitgebreide versterkingen gekregen had. Volgens een niet te verifiëren opmerking van Johannowsky zou er aan de zuidelijke flank van de heuvel een stuk muur teruggevonden zijn uit de 6de eeuw v.C., maar het hernieuwde onderzoek van de laatste jaren heeft dit nog niet kunnen bevestigen[88]. Tot nu toe zijn enkel op het oostelijke terras van het heiligdom van Apollo met zekerheid sporen uit de Griekse periode aangetroffen[89]. In feite gaat het om constructies die in de eerste plaats bedoeld zijn om een artificieel opgehoogd en genivelleerd terrein te ondersteunen dat rond 500 v.C. werd gecreëerd om de tempel op te bouwen. Het grondoppervlak vertoonde namelijk oorspronkelijk verscheidene depressies in het midden en helde zeer sterk af naar het oosten zodat dit niet meteen geschikt was om een groot complex op te richten. Daarom werd aan het westelijke, hoger gelegen gedeelte grond afgegraven om de oostzijde op te hogen en de putten op te vullen. Om alles op zijn plaats te houden werd een muur gebouwd waarvan in 1911 60 meter is teruggevonden[90]. Hij vertoont een gebogen verloop, is maximum 3,75 meter hoog en is opgebouwd uit 9 lagen van horizontaal geplaatste, rechthoekige tufsteenblokken[91]. De onderste zeven rijen zijn elk ca. 40 cm hoog en zijn trapsgewijs op elkaar gestapeld om zo beter de druk van het opgehoogde terrein op te vangen. De bovenste twee zijn iets dikker (ca. 50 cm) en zijn aan de buitenzijde schuin afgesneden, wat er volgens Fratta op wijst dat ze niet meer behoren tot de fundering maar het begin zijn van een bovenbouw die verder niet meer bewaard is. Ze denkt dan ook dat de constructie niet alleen bedoeld was als terrasmuur maar ook als versterking, te meer omdat dit zeker het geval was voor de latere verbouwingen[92]. Zowel aan het noordelijke als aan het zuidelijke uiteinde stopt de muur plots en zijn er geen sporen gevonden van een mogelijke voortzetting. In het zuiden sloot waarschijnlijk de toegang tot de acropolis hierop aan, maar aangezien deze zone in latere periodes grondig verstoord is, zijn hier geen Griekse resten aan de oppervlakte zichtbaar en kan deze hypothese dus niet bevestigd worden. Stratigrafisch onderzoek is hier namelijk nog niet uitgevoerd. Op basis van materiaal, dat in de opvulling van het terras teruggevonden is, heeft men deze constructie kunnen dateren op het einde van de 6de eeuw of ten laatste het begin van de 5de eeuw v.C. Daarom wordt dit bouwwerk graag toegeschreven aan de tiran Aristodemus, net zoals het tempelgebouw zelf en belangrijke veranderingen aan de noordelijke muren van de benedenstad[93], maar historische bewijzen hiervoor zijn er eigenlijk niet. Mogelijk zijn ze ook kort voor of na zijn bewind opgericht.
Aan de noordelijke rand van het terras zijn diverse gelijkaardige structuren aangetroffen waarvan de datering echter omstreden is. Eén ervan dateert waarschijnlijk nog uit de archaïsche periode (nr. 100). Het gaat om een muur die overbouwd is door een Romeinse tempel en waarvan momenteel enkel nog de bovenlaag zichtbaar is. Dit gedeelte is in 1917 opgegraven en volgens de gegevens uit het opgravingsjournaal lijken het uitzicht en de afmetingen van de tufsteenblokken sterk op die van de oostelijke fortificatie[94]. Een ander stuk (nr. 101) dat door een aantal archeologen ook in de Griekse periode geplaatst wordt[95], vertoont een heel andere constructiemethode en zou volgens Fratta ten vroegste uit de 4de eeuw v.C. kunnen dateren[96].
1.2. Terras van de Apollotempel
Op de oostelijke flank van de acropolis zijn veel archeologische resten zichtbaar waarvan de belangrijkste toebehoren aan de befaamde tempel van Apollo, maar de duidelijkste sporen dateren voor een aanzienlijk deel uit latere tijden en zullen dus hierna aan bod komen[97]. Over de situatie in de Griekse periode zijn we echter zeer slecht ingelicht. Nochtans is hier in het verleden de aarde al meerdere malen omgewoeld, maar jammer genoeg zijn die vroegere opgravingen slecht gedocumenteerd en nog nooit gepubliceerd. Gelukkig heeft men nu eindelijk het initiatief genomen om deze vondsten grondig te onderzoeken en de eerste resultaten beginnen nu aan de oppervlakte te komen.
1.2.1. Oudste sporen (ca. 730 – ca. 500 v.C.)
Zoals we in de historische inleiding gezien hebben, werden op deze plaats veel keramiek en ook wat metaal teruggevonden uit de Brons- en IJzertijd die wijzen op het bestaan van een nederzetting in de onmiddellijke omgeving van de latere tempel. Ook na het verdrijven van de inheemse bewoners bleven de Grieken deze plaats frequent bezoeken. Hoewel soms beweerd wordt dat uit de beginperiode van de kolonie geen sporen geattesteerd zijn, tonen recente studies van de oude opgravingen aan dat dit niet het geval is. Er is ontegensprekelijk een continuïteit vanaf de stichting van de kolonie tot de oprichting van het eerste monumentale gebouw rond 500 v.C.[98]. Jammer is uit deze eerste twee eeuwen enkel wat los materiaal in secundaire context bekend dat vermengd is met nog oudere, protohistorische resten. Er zijn geen duidelijke structuren aangetroffen zodat niet kan achterhaald worden wat de precieze bestemming van deze zone was tijdens de eerste eeuwen van de Griekse bewoning.
Dit gegeven is vooral te wijten aan het feit dat het brede, oostelijke terras geen natuurlijke situatie is, maar een creatie uit het einde van de 6de eeuw v.C. waarbij men enorm veel vroegere sporen vernietigd heeft. Het oorspronkelijke reliëf was immers veel grilliger en bestond uit een smal, vlak gedeelte dat naar het oosten toe sterk afhelde[99]. Bij twee sondages onder de fundering uit ca. 500 v.C. heeft Maiuri in de jaren ’30 al vastgesteld dat op er enkele meters afstand van west naar oost een daling was van de moederrots met maar liefst 2,70 meter. Uitgebreider onderzoek van Buchner in 1940 bracht aan het licht dat de hellingsgraad 45° bedroeg en dat voor de bouw van de laatarchaïsche tempel een immense massa grond verplaatst werd om zo een horizontaal vlak te creëren dat geschikt was voor de grootse constructie. Deze opvulling werd ingedamd en tegengehouden door de muur die ook een defensieve functie kreeg. De aangevoerde aarde bestond niet uit één homogene massa, maar uit meerdere lagen van diverse samenstelling die schuin op elkaar liggen. Toch weerspiegelt deze situatie geen chronologische opeenvolging. Het materiaal is immers sterk vermengd en scherven uit de IJzertijd werden niet zelden aangetroffen boven de Griekse. Dit wijst erop dat hier sprake is van grond die van diverse plaatsen aangebracht is en op korte tijdsspanne op elkaar gegooid is[100].
Literaire bronnen maken aanspraak op een hoge ouderdom van het heiligdom van Apollo. Toch is het zeer moeilijk om de betrouwbaarheid van deze tradities te achterhalen, vooral omdat de meeste pas in de Romeinse tijd verschenen[101]. Of deze site nu vanaf de aanvang van de stad een sacrale functie had, is dus verre van zeker, maar toch ook niet uit te sluiten, ondanks de late expliciete vermeldingen van de bronnen. Onlangs is nog een poging gedaan om het bestaan van cultuspraktijken op deze plaats vanaf het prille ontstaan van de stad archeologisch aan te tonen. Volgens de hypothese van Carafa zouden er sporen van votiefgiften teruggevonden zijn bij de oude opgravingen van Gabrici. Bij hem is er sprake van de vondst van een min of meer horizontale compacte laag aarde waarop verbrande stenen en metaalfragmenten van wapens lagen, ten oosten van de Apollotempel. Ook op een andere plaats in de omgeving zijn enkele resten van wapens gevonden op een bedje van tufsteenbrokjes[102]. In de visie van Carafa gaat het om primaire contexten uit het begin van de Griekse aanwezigheid met een sacraal karakter omdat dit typische archaïsche offers zijn voor Apollo[103]. Deze interpretatie is echter twijfelachtig aangezien het terrein erg verstoord is door de bouw van de tempel rond 500 v.C. Het is dan ook uitgesloten om een in situ votiefplaats te veronderstellen uit het einde van de 8ste eeuw/7de eeuw v.C.
Toch zijn er voldoende aanwijzingen dat er in de directe omgeving al cultusgebouwen moeten gestaan hebben vóór de aanleg van het terras en de monumentale tempel, al dateren die wel pas uit de 6de eeuw v.C. en niet uit de beginperiode van de kolonie. Tussen het opvullingsmateriaal zijn immers fragmenten van architecturale terracottaversiering gevonden die de overblijfselen blijken te zijn van constructies uit de periode voor 500 v.C. In de vrij uitgebreide collectie van archaïsche terracotta’s zijn er heel wat stukken die van deze plaats zouden afkomstig zijn, maar jammer genoeg wordt de studie ervan opnieuw gehinderd door de bekende kwalen: slecht gekende vondstomstandigheden en gebrekkige publicatie. Bovendien zijn heel wat elementen te slecht bewaard of niet karakteristiek genoeg om een duidelijke datering toe te kennen[104]. Daardoor is het niet mogelijk om te zeggen om hoeveel verschillende gebouwen en fases het hier gaat. Toch zijn er enkele interessante conclusies te maken. Zo is het duidelijk dat er minstens twee fases te onderscheiden zijn in de eeuw vóór de aanleg van het terras. Eén fragment is met zekerheid terug te brengen tot eind 7de-begin 6de eeuw v.C. en is vergelijkbaar met de resten van een klein heiligdom uit dezelfde periode dat op het nabij gelegen eiland Ischia is aangetroffen[105]. Uit de tweede helft van de 6de eeuw, vooral uit de laatste decennia, zijn heel wat meer architecturale terracotta’s bekend, maar die horen niet bij de oudste stenen tempel zoals soms wel eens beweerd wordt[106]. Ze zijn duidelijk aangetroffen in de opvulling van het terras[107] en sommige zijn zeker te klein om gebruikt te zijn in de monumentale constructie[108].
Waar de gebouwen stonden waarvan deze elementen afkomstig zijn, is moeilijk te zeggen, maar volgens Gallo zijn er twee groepen van stenen resten op het terras aanwezig die hij interpreteert als twee kernen van archaïsche heiligdommen[109]. Het eerste ensemble betreft de “Griekse cisterne” en enkele andere structuren die ten noorden van de latere tempel gelegen zijn[110]. Er is onder meer sprake van een muur, opgebouwd uit ongelijke lagen van onregelmatig gekapte tufsteenblokken, die zich 3m ten westen van de Griekse terrasmuur en 4,25m ten noorden van de noordmuur van de latere tempel bevond op 1,2m onder het oppervlak. Hij was bewaard over een lengte van 2,10m en is geïnterpreteerd als een fragment van een vroegere omheiningsmuur. Ten oosten van de latere tempel, tussen de Griekse en Oskisch-Romeinse versterking, meent Gallo een tweede groep van archaïsche resten te herkennen. Het betreft een vierkante structuur van 5 x 5m die zich aan de oppervlakte bevindt en waarvan drie muren bewaard zijn. Vlakbij is ook een geplaveide zone teruggevonden. Deze twee verschillende ensembles worden door de auteur rond het midden van de 6de eeuw v.C. geplaatst en zouden mogelijk twee verschillende culten vertegenwoordigen, namelijk naast die voor Apollo ook een voor Hera. Deze interpretatie werd al snel betwist wegens het gebrek aan stratigrafische ondersteuning van zijn theorie[111] en kan op basis van het recente artikel van Jannelli helemaal verworpen worden[112]. Zoals we al uiteengezet hebben, werd de volledige oostelijke zone pas ca. 500 v.C. gecreëerd door de aanleg van het terras en aangezien het vermelde gebouwtje zich dan nog tussen de Griekse en de latere ommuring bevindt, is het onmogelijk dat het hier om een archaïsch bouwwerk zou gaan. Hetzelfde argument kunnen we inbrengen tegen het fragment van de zogenaamde archaïsche omheiningsmuur. Enkel de “Griekse cisterne” gaat misschien tot deze periode maar de datering hiervan is erg betwist, zoals we verder zullen zien.
1.2.2. Eerste fase van de monumentale Apollotempel (ca. 500 v.C.)
Op het einde van de 6de eeuw of het begin van de 5de eeuw v.C. werd dus het grote terras aangelegd en volgens de gangbare theorie werd toen ook de eerste grote tempel gebouwd[113]. Daarvan rest nu enkel nog de basis in tufsteen. Van de opstand is niets meer overgebleven door de latere verbouwingen die het heiligdom grondig gewijzigd hebben[114]. In totaal heeft men tot nu vijf fases kunnen onderscheiden waarvan de eerste dus ca. 500 v.C. kan geplaatst worden. In de Oskische periode waren er waarschijnlijk ook enkele aanpassingen, maar de grootste ingreep dateert uit de tijd van Augustus. Behalve een vrij beperkte verbouwing ten tijde van Hadrianus is het gebouw in de Romeinse tijd verder ongewijzigd gebleven. Een vijfde en laatste fase wordt gekenmerkt door de verbouwing tot christelijke basilica in de 5de-6de eeuw n.C.
1.2.2.1. Beschrijving
Wegens de vele latere ingrepen is een reconstructie van de oudste fase erg moeilijk. Enkel het podium is nog bewaard. Het bouwwerk is noordoost-zuidwest georiënteerd is is het bouwwerk 30,90m x 18,30m groot, gemeten van de voet van de stereobaat[115]. De fundering bestaat uit een dikke massa tufsteenbrokken en aarde van nog niet bepaalde hoogte waarop een laag van tufsteenplaten van ca. 40cm hoog rust die fungeert als de euthynteria. Hierboven ligt de stereobaat die opgebouwd is uit drie lagen grote tufsteenblokken. De onderste rij bestaat uit stenen van 100-125cm lang, 35-40cm hoog en ca. 80cm breed, terwijl die van de bovenste twee gemiddeld vijf tot zelfs tien centimeter lager zijn. In totaal is de hoogte van de stereobaat 85 tot 90cm. Rond dit podium werd waarschijnlijk in deze eerste fase ook een plaveisel aangelegd dat nu nog aan drie zijden grotendeels bewaard gebleven is en op de euthynteria rust. Aan de oostelijke kant is dit vernield door de bouw van een pronaos in de Romeinse periode.
Gallo ging niet akkoord met deze interpretatie en meende dat de oorspronkelijke Griekse tempel een stuk kleiner was (26,30m x 12m) en pas in de Oskische periode op de volledige grootte werd gebracht[116]. Hij baseerde zich hierbij op een verschil in bouwtechniek tussen het centrale gedeelte en de buitenwanden van het podium en op de veronderstelling dat sommige stenen van het plaveisel tussen de stereobaat en de euthynteria zouden liggen, wat zou betekenen dat niet alles in één en dezelfde fase kan gebouwd zijn. Latere archeologen hebben zijn beweringen nagetrokken maar slaagden er niet in zijn vaststellingen te bevestigen en blijven daarom opteren voor de oude visie. Vooral het feit dat het plaveisel mooi aangepast is om rond de stereobaat gelegd te worden en ook perfect op de euthynteria rust, halen zijn stelling onderuit. Er zijn ook geen noemenswaardige verschillen vast te stellen in de bouwmethode[117].
Geen enkel ander stenen bouwelement kan met deze fase verbonden worden, wat er lijkt op te wijzen dat de bovenbouw nog in hout opgetrokken was, versierd en beschermd door architecturale terracotta’s waarvan enkele zouden bewaard zijn[118]. Dit maakt het zeer moeilijk om een reconstructie van de gehele tempel te maken, vooral ook omdat het podium zwaar aangetast is door de latere verbouwingen en de tientallen vroegchristelijke graven, maar iedereen gaat ervan uit dat het om een gewone peripteros ging met enkele zuilenrij. Over het precieze aantal zuilen bestaat geen zekerheid, maar de meest waarschijnlijke hypothese is 6 op de korte zijdes en 13 op de lange[119]. Het is ook niet duidelijk of de oorspronkelijke cella op dezelfde plaats stond als de Romeinse. De meeste auteurs situeren de ingang hoogstwaarschijnlijk op de korte kant in het zuiden[120], maar eigenlijk zijn hier geen doorslaggevende argumenten voor. Ook een noordoostelijke toegang, zoals Gallo en Pagano suggereren, is zeker niet uit te sluiten, vooral omdat men het terras in die tijd uitsluitend vanaf het noordwesten kon betreden[121].
1.2.2.2. Datering
Omdat in de opvullingslagen voor de constructie van het terras dus materiaal aangetroffen is van de tweede helft van de 6de eeuw, waarschijnlijk uit de laatste decennia, kan de bouw van de tempel dus zeker niet vroeger gebeurd zijn. Toch dateert men de monumentalisering van het heiligdom meestal in de jaren die er onmiddellijk op volgen, namelijk in de regeerperiode van Aristodemus (ca. 505-490 v.C.) omdat dit uitstekend zou passen in de propagandistische politiek van de tiran[122]. Hoewel een grote bouwwoede inderdaad vaak voorkwam bij de Griekse tirannen en deze hypothese dus zeker steek houdt, zijn er anderzijds ook geen duidelijke elementen die ze in het geval van Cumae goed kunnen ondersteunen. Behalve de vermelde aanleg van een ontwateringskanaal is er in de antieke bronnen geen sprake van andere grote projecten en is het mijns inziens best mogelijk dat de bouw van het complex na de val van Aristodemus is begonnen als een reactie van de aristocratie. De archeologische resten laten op dit moment niet toe om duidelijkheid te scheppen in dit probleem en het is ook zeer de vraag of het mogelijk is om met de terracotta’s voldoende chronologisch onderscheid te maken. Tenslotte heeft de heerschappij van Aristodemus amper 15 jaar geduurd, een erg korte tijdsspanne die het erg moeilijk maakt om zonder stratigrafische gegevens het materiaal aan de ene of de andere fase toe te wijzen. Bovendien is, zoals reeds gezegd, ook de herkomst van deze fragmenten in de meeste gevallen onduidelijk en indien wel meestal afkomstig uit de opvullingszone in het oosten, zodat het tot nu toe niet uit te maken is of er wel degelijk twee kort opeenvolgende fases geweest zijn, of dat ze misschien allemaal toebehoren tot de vroegere constructie of zelfs tot meerdere gebouwen[123]. Om deze redenen lijkt het mij beter om een voorzichtiger standpunt in te nemen en te spreken van een datering ca. 500 v.C. of begin 5de eeuw v.C. [124] in plaats van het koste wat kost te willen toewijzen aan de tiran Aristodemus.
Een volledig nieuw standpunt wordt ingenomen door Carafa die in zijn laatste boek opteert voor een veel latere datering, namelijk ten vroegste op het einde van de 5de eeuw of waarschijnlijk zelfs pas in de loop van de 4de eeuw v.C.[125] Hij meent immers op basis van de metrologie van het gebouw te kunnen vaststellen dat het hier niet om een Griekse tempel gaat maar om een naar Etruskisch-Italisch model. Terwijl de Helleense heiligdommen in de kolonies van Zuid-Italië en Sicilië een langgerekte vorm hebben met een verhouding tussen de breedte en de lengte van minstens 1: 2,16 is dit niet het geval voor het exemplaar in Cumae. Met afmetingen van 18,30m op 36,40m bedraagt die amper 1: 1,98, een waarde die dichter aanleunt bij de inheemse tempels[126]. Ook het Capitolium in de benedenstad heeft dezelfde verhouding en daarom meent Carafa dat ook het heiligdom van Apollo pas uit de Oskische periode zou dateren. Ook een reconstructie op basis van de Oskische voet van 0,275m zou veel beter uitkomen, vooral omdat de voorbouw erg breed is (1/3 van de volledige façade) en bijgevolg enkel een bovenbouw met gedrongen proporties mogelijk zou zijn. In hoeverre deze hypothese klopt, is op dit moment erg moeilijk te zeggen.
Het is in elk geval wel correct dat de verhoudingen niet beantwoorden aan de klassieke Griekse modellen (waarschijnlijk zelfs maar 1: 1,69 in plaats van de 1: 1,98 die Carafa aangeeft) en aansluiten bij de Italisch-Etruskische tempels, maar of dit effectief betekent dat het complex pas na 421/420 gebouwd kan zijn, is een andere zaak. Deze vorm is in Campanië al in de 6de eeuw v.C. geattestesteerd. In Pompeii bijvoorbeeld vertoont de “Dorische tempel” van het “Driehoekige forum” een gelijkaardig grondplan met eveneens erg gedrongen proporties (27,20m lang tegenover 17,20m breed)[127]. Bovendien is het terras van de Apollotempel duidelijk aangelegd ca. 500 v.C. In de opvulling ervan is in elk geval geen materiaal gevonden dat later kan zijn dan het prille begin van de 5de eeuw v.C. en een vroegere fase is niet aangetroffen onder het podium.
De steeds voortdurende discussies maken duidelijk dat er nog heel wat onderzoek zou moeten verricht worden, maar jammer genoeg is men niet van plan om hier nieuwe opgravingen uit te voeren. Het is trouwens de vraag of er wel nog voldoende onverstoorde contexten overgebleven zijn in de onmiddellijke omgeving aangezien de grond er in het verleden al ettelijke keren omgekeerd is. Betere mogelijkheden lijkt mijns inziens de binnenstructuur van de stereobaat te bieden aangezien daar in het verleden nog maar twee kleine sondages verricht zijn.
1.2.2.3. Identificatie van het heiligdom
Het heiligdom wordt traditioneel toegeschreven aan Apollo, maar eigenlijk bestaan hier geen concrete bewijzen voor wat de Griekse periode betreft. De oudste expliciete vermelding van een heiligdom op de acropolis gewijd aan deze god dateert pas uit de Hellenistische tijd, waarschijnlijk uit de 3de eeuw v.C.[128]. Daarna zijn er enkele latere vermeldingen van de cultus van de godheid[129], maar duidelijke aanwijzingen van de ligging van het tempelgebouw zelf zijn toch schaars en de bronnen vertellen enkel dat hij op de acropolis stond. Ongetwijfeld de interessantste en kleurrijkste informatie wordt door Vergilius gegeven in de Aeneis[130]. Daar wordt de bouw toegeschreven aan de legendarische architect Daedalos. Een andere belangrijke passage kan men lezen bij Servius, die in zijn commentaar op het zojuist vermelde meesterwerk expliciet schrijft dat er op die plaats geen tempel van Jupiter stond maar wel een van Apollo[131]. Tenslotte zijn er nog enkele referenties terug te vinden bij Livius die meermaals opmerkt dat het beeld van Apollo een voorteken gaf door te wenen[132]. Deze summiere informatie zorgde bij de geleerden tot in het begin van de 19de eeuw voor twijfel want op de Monte di Cuma waren niet één maar twee grote tempels bekend. Welke nu aan Apollo gewijd was, was onzeker, maar men nam aan dat het wel die op de top moest zijn aangezien die in de Romeinse tijd beschouwd werd als de belangrijkste god van de stad. Dit bleek een foute veronderstelling te zijn want in 1817 ontdekte de antiquarius De Jorio op het lager gelegen oostelijke terras een altaartje met het opschrift Apollini Cumano / Q(uintus) Tineius Rufus[133] naast fragmenten van een marmeren fries met afbeeldingen van onder meer een lier, het symbool bij uitstek van Apollo[134]. De identificatie van zijn heiligdom was verzekerd en dit zou bij de latere echte opgravingen nog bevestigd worden door de vondst van andere fragmenten van die fries.
Toch zijn al deze bewijzen pas laat, ten vroegste dus 3de eeuw v.C., en sommigen hadden dan ook twijfels of deze plaats in de Griekse tijd wel aan dezelfde godheid gewijd was. In enkele legendes wordt aan Apollo weliswaar een antieke status verleend door hem een prominente rol toe te bedelen bij de oprichting van de kolonie, maar het is wel opvallend dat deze tradities teruggaan op latere Romeinse bronnen terwijl in de oudere Griekse literatuur dit niet het geval is en eerder de nadruk gelegd wordt op het belang van Hera[135]. Het bestaan van een zeer vroege verering van deze godin is archeologisch ook aangetoond, al in het midden van de 7de eeuw v.C., door een sinds lang bekende bronzen schijf met een orakelspreuk, al is de vindplaats jammer genoeg niet bekend. Toen men op het oostelijke terras ook een stuk pleister aantrof met een opschrift waar de naam van de godin zou vermeld zijn en een omvangrijk votiefdepot op de noordelijke rand van het terras ook enkele vrouwelijke statuetten bleek te bevatten, raakten tal van geleerden ervan overtuigd dat de oostelijke flank van de acropolis oorspronkelijk aan deze godin gewijd was en pas later, waarschijnlijk pas in de loop van de Oskische periode, aan Apollo toegewezen werd. Die zou dan ook de orakelactiviteiten overgenomen hebben van Hera[136]. Nog een andere mogelijkheid die gelanceerd werd, was dat de temenos in de archaïsche periode gedeeld werd door beide goden en Hera later weggevallen was[137]. Door onderzoek van Valenza Mele in het uiterste zuidwesten van de stad is men er nu echter zo goed als zeker van dat het archaïsche heiligdom van de godin hier gelegen was en helemaal niet op de acropolis[138].
Toch kunnen ook enkele argumenten aangebracht worden tegen de visie dat Apollo in de beginperiode van de stad geen rol van betekenis speelde[139]. Zo is algemeen bekend dat zijn cultus in de hele Griekse wereld zeer wijd verspreid was en zeker ook in het Euboïsche moederland. Een zeer oud heiligdom is bekend in Eretria. Daarnaast was hij ook een van de belangrijkste goden in Napels, een stad die bij haar stichting teruggreep naar veel elementen van de alleroudste godsdienst van Cumae. Niet toevallig stamt de Romeinse traditie van Apollo als voortrekker bij de stichting van de stad uit Napels dus kan die toch teruggaan op een erg oude en authentieke bronnen. Het is dus toch vrij waarschijnlijk dat het gebouw of misschien meerdere gebouwen die er al in de 6de eeuw v.C. stonden al gewijd waren aan deze godheid en dat dit sacrale terrein sinds de archaïsche periode niet meer van titularis veranderd is. Of die cultus van Apollo al kan teruggevoerd worden naar het prille begin van de kolonie, zoals Carafa denkt, is echter veel moeilijker te zeggen en archeologisch gezien tot nu toe onmogelijk aan te tonen.
1.2.3. “Griekse cisterne”
1.2.3.1. Beschrijving en datering
Ongeveer 25 meter ten noordwesten van de Apollotempel situeert zich een rechthoekige structuur van 9m x 5,65m die zich momenteel grotendeels onder de grond bevindt en die perfect oost-west georiënteerd is[140]. Het vloerniveau ligt maar liefst 4,40m onder het huidige loopoppervlak maar in de Oudheid lag dit op deze plaats naar schatting 3 meter lager zodat het bouwwerk toen zeker er voor een groot stuk bovenuit stak. Het muurverband van de “Griekse cisterne” is een uitstekend verzorgde opus quadratum die van de beste makelij is die in heel de stad aangetroffen wordt. Het geheel is opgebouwd uit 13 rijen van zeer zorgvuldig gekapte, rechthoekige tufsteenblokken die met geen enkel hulpmiddel met elkaar verbonden zijn. De hoogte van de stenen is telkens 0,43m terwijl de lengte varieert van 1,17m tot 1,81m. Ook de dikte is erg verschillend. Terwijl de korte zijden perfect loodrecht zijn, lopen de lange schuin naar boven toe zodat men een trapeziumvormig profiel krijgt. De ruimte versmalt dan ook stelselmatig en is ter hoogte van de bovenste stenenrij gereduceerd tot 4,35m. Hoe de bedekking van de ruimte er uitzag is niet gekend omdat de muren niet hoog genoeg bewaard zijn. In de oudere literatuur werd vaak een grote stenen bovenbouw verondersteld in pseudo-koepelvorm of ook een kruisgewelf, maar dit is volgens de recente geleerden nogal onwaarschijnlijk wegens de te grote breedte en het gebrek aan ondersteunende elementen die hiervoor nodig zouden zijn. Daarom wordt nu meestal gedacht aan een vlak of schuin houten dak.
Van de wand zijn momenteel 10 lagen zichtbaar maar oorspronkelijk moet de ruimte nog dieper geweest zijn. Op de plaats waar een blok uit de basis ontbreekt, heeft men een kleine sondage verricht waarbij men heeft kunnen vaststellen dat onder de antieke tufstenen vloer, waarvan men oorspronkelijk dacht dat die de basis van de structuur vormde, nog een oudere verborgen ligt. Dit niveau bevindt zich 1,10m dieper (3 extra rijen) en is geen funderingslaag, zoals Gallo interpreteert[141], maar een echte vloer. Bij nader onderzoek is immers duidelijk geworden dat de lange zijwanden verder schuin naar beneden doorlopen en op het onderste platform rusten. Deze ophoging moet al in de Oudheid plaatsgevonden hebben, mogelijk nog in de Griekse periode, aangezien in de vulling van de “Griekse cisterne” veel antiek materiaal aangetroffen is. Jammer genoeg is dit nooit in detail bestudeerd en is bij de sondage geen bruikbaar materiaal gevonden zodat precieze chronologische aanwijzingen ontbreken. Daarom is de datering van het hele bouwwerk nogal onduidelijk en wordt in de eerste plaats een beroep gedaan op het muurwerk. Dit vertoont grote gelijkenis met de archaïsche versterkingen van de stad en wordt naar het einde van de 6de of ten laatste de tweede helft van de 5de eeuw v.C. gedateerd. Of de “Griekse cisterne” gelijktijdig is met de oprichting van de eerste steenbouwfase van de Apollotempel is mogelijk maar op geen enkele manier te bewijzen. Aangezien ze op de westelijke rand van het terras gelegen is, valt ze buiten de zone die ca. 500 v.C. opgehoogd en is het dus best mogelijk dat ze ook ouder is en uit het midden van de 6de eeuw dateert, zoals sommigen denken. In elk geval moet het begin van de Oskische periode (eind 5de-begin 4de eeuw v.C) als een terminus ante quem gezien worden. Ten laatste uit die tijd kan immers de portiek stammen die ten oosten van de “Griekse cisterne” te situeren is. Deze houdt duidelijk rekening met de “Griekse cisterne” en is dus zeker niet ouder[142].
1.2.3.2. Interpretatie
Over de functie van de “Griekse cisterne” is de laatste tijd ook heel wat discussie ontstaan. Traditioneel dacht men aan een waterreservoir maar deze visie is in de laatste decennia zwaar onder vuur genomen om de volgende redenen. Het belangrijkste argument is het volledig ontbreken van ook maar een klein spoor van waterbestendige bekleding of zelfs maar van een pleisterlaag. De tufstenen structuur op zich is allesbehalve waterdicht, dus hoe dit dan als een reservoir kon functioneren is zeer de vraag. Daarnaast is er geen duidelijk overblijfsel te vinden dat kan wijzen op het bestaan van kanalen om het water te verzamelen. In het verleden werd dikwijls gewezen op de aanwezigheid van een ronde opening van 20 cm diameter die zou gemaakt zijn om de afwatering te verzekeren, maar dit hoeft niet per se te wijzen op een functie als cisterne. Ook ondergrondse ruimtes met een andere bestemming kunnen zeker de noodzaak ondervonden hebben om overtollig water te doen wegvloeien.
Een totaal andere visie is naar voor geschoven door Pagano die ze beschouwt als de orakelgrot van de Sibylle[143]. Hij stoelt deze hypothese vooral op de plaats van de “Griekse cisterne”, namelijk vlakbij de tempel van Apollo. Volgens de Romeinse bronnen was deze zieneres nauw verbonden met de god en haar orakelgrot zou ook letterlijk dicht bij zijn heiligdom gelegen zijn. Het is niet de bedoeling van deze studie om uitgebreid de ingewikkelde historische problematiek rond deze legendarische figuur en het orakel van Apollo uit de doeken te doen. Toch duikt de Sibylle ook regelmatig op in het archeologisch onderzoek omdat men elke ondergrondse ruimte in Cumae en omgeving wel eens heeft geïnterpreteerd als haar grot. Daarbij liet men zich vooral inspireren door de gevleugelde verzen van Vergilius[144], maar ook bij tal van andere Romeinse auteurs komt de Sibylle wel eens opduiken en wordt steevast de nauwe band tussen Apollo en de profetes aangehaald. Dit zette de geleerden al van in de Renaissance aan om in Cumae en onmiddellijke omgeving te zoeken naar deze plaats en toen Maiuri in 1932 een lange, onderaardse gang ontdekte vlakbij de acropolis meende hij haar duistere hol uit de archaïsche periode gevonden te hebben. Deze interpretatie hield decennialang probleemloos stand tot Pagano die bijna 20 jaar geleden met overtuigingskracht onderuit haalde en de structuur een heel andere functie en datering toediende: een militaire constructie uit de Oskische periode[145]. Deze verklaring is nu algemeen aanvaard en daardoor is men sindsdien op zoek naar een andere locatie, een queeste die tot nu toe nog geen bevredigende oplossing gevonden heeft. De visie van Pagano, als zou de “Griekse cisterne” de befaamde grot van de Sibylle zijn, berustte behalve op het topografische argument enkel nog op de veronderstelling dat er in de zuidelijke wand een toegangstrap aanwezig was. Er is daar namelijk een grote lacune van de top tot op de bodem van 3,25m breed die volgens hem niet te wijten zou kunnen zijn aan een gewone instorting. Later onderzoek ter plaatse heeft uitgewezen dat deze veronderstelling verkeerd is en dat er in de zuidmuur helemaal geen ingang kan geweest zijn[146].
De zoektocht naar de grot van de Sibylle gaat ondertussen nog door, maar toch is het zeer de vraag of dit eigenlijk wel zinvol is. In een zeer diepgaande en degelijke studie heeft Valenza Mele immers uiteengezet dat de profetische activiteiten van deze legendarische personages, die niet alleen in Cumae maar vooral ook in Klein-Azië gekend zijn, niet mogen verward worden met de priesteressen van de gekende orakels die verbonden zijn met welbepaalde heiligdommen, bijvoorbeeld die van Apollo[147]. Het gaat om buitengewone figuren die vooral in de loop van de 7de en de 6de eeuw v.C. overal in de Griekse wereld rondtrokken en helemaal op zichzelf en onafhankelijk van eender welke godheid voorspellingen deden. Die profetieën waren meestal ook geen antwoorden op concrete vragen zoals onder meer de Pythia deed, maar ze bleven vaak erg vaag en waren in principe tijdloos zodat ze soms als richtlijnen voor moeilijke situaties in de toekomst konden gebruikt worden. Om die reden werden ze dikwijls verzameld, al in die vroegste periodes, en het is in die hoedanigheid dat ze ook in Rome werden gebruikt. Dat de Sibylles echte historische figuren waren die geïsoleerd stonden van eender welk traditioneel orakel is ook duidelijk doordat zij bij hun dood normaliter niet opgevolgd werden, in tegenstelling tot de normale orakelpriesteressen. In de loop der eeuwen ontstonden natuurlijk heel wat legendarische verhalen over hen, maar het is opvallend dat er in de Griekse traditie steeds een duidelijk onderscheid gemaakt wordt tussen de Sibylles en de gewone voorspelsters. Het is pas vanaf de Hellenistische periode en vooral in Romeinse bronnen dat Apollo er steeds nauwer gaat bij betrokken worden, de Sibylle een vaste plaats in zijn orakel krijgt en er sprake is van een grot[148]. Aangezien de historische figuur van Cumae waarschijnlijk op het einde van de 6de eeuw v.C. geleefd heeft en er toen ook absoluut geen sprake was van Apollo of van eender welke grot lijkt het mij terecht de soms dwangmatige zoektocht naar de grot van de Sibylle serieus in vraag te stellen. Het is best mogelijk dat de oorspronkelijke profetes van Cumae een van de vele spelonken in de omgeving van de stad gebruikt heeft en dat dit gegeven in de latere traditie opgenomen is, maar het is zeker zinloos om te denken dat het om een monumentale constructie ging die voor vele eeuwen als orakelplaats gebruikt werd.
Wat dan wel de functie was van de “Griekse cisterne” blijft nog een groot vraagteken. Het meest plausibele alternatief lijkt een schatkamer voor votiefgiften te zijn al is dit natuurlijk erg moeilijk aan te tonen[149]. Toch werd ook deze hypothese onlangs verworpen, echter zonder enig tegenargument te bieden, en werd opnieuw de oude visie van cisterne naar voor geschoven, echter zonder overtuigende nieuwe bewijzen op tafel te leggen[150]. De discussie is dus zeker nog niet ten einde.
1.2.4. Porticus
Zoals reeds kort aangehaald, bevindt zich loodrecht op de “Griekse cisterne” een structuur die geïnterpreteerd wordt als een portiek[151]. Ze is 5m breed en moet oorspronkelijk minstens 25 meter lang geweest zijn, maar verkeert in erg slechte staat en bij de opgravingen zijn slechts enkele stukken teruggevonden. Vooral het noordelijke gedeelte vlakbij de “Griekse cisterne” is nog bewaard. Op 3m onder het huidige loopoppervlak is daar een bevloering met heel wat lacunes aangetroffen van ca. 7,5m op ca. 4m. Die bestaat uit grote tufsteenblokken van zeer diverse afmetingen die allemaal oost-west georiënteerd zijn. Aan beide zijdes is deze vloer afgeboord door stenen die op een iets hoger niveau gesitueerd zijn en waarop oorspronkelijk waarschijnlijk zuilen stonden. In het westen is de wand van de “Griekse cisterne” hier volledig in verwerkt en is de muur nog over 11m lengte bewaard met blokken die noord-zuid liggen. De oostelijke boord heeft men over 13m nog kunnen volgen en is anders samengesteld. Hier zijn namelijk meerdere rijen boordstenen naast elkaar geplaatst. De eerste hiervan heeft dezelfde oriëntatie als de vloer met ernaast een smalle goot. Die wordt in het oosten afgelijnd met grotere stenen zoals de westelijke zijde. Hoe groot deze portiek oorspronkelijk was is niet te zeggen omdat die in het noorden bruusk wordt afgebroken door een Romeinse tempel en er meer naar het zuiden geen duidelijke resten meer aangetroffen zijn. Wegens latere constructies en vernielingen bij oude opgravingen zijn enkel nog hier en daar uitsparingen in de bodem te zien. Over de datering bestaat grote onduidelijkheid wegens latere verbouwingen en het gebrek aan stratigrafische gegevens. Enkel Pagano bespreekt het chronologisch probleem maar ook hij houdt het erg vaag. Op basis van de bouwtechniek is een mogelijke bouwperiode tussen de oprichting van de cisterne zelf (eind 6de eeuw v.C.?) en het begin van de 2de eeuw v.C. mogelijk, maar om onduidelijke redenen opteert hij toch voor een vroege datering, hoogstwaarschijnlijk vóór de Oskische periode[152]. In andere werken vindt men zowel een datering in de archaïsche als in de Hellenistische periode terug terwijl echter geen argumenten pro of contra gegeven worden[153].
1.3. “Tempel van Jupiter”
Boven op de top van de Monte di Cuma staat nog een andere tempel waarvan de oudste resten hoogstwaarschijnlijk teruggaan tot de Griekse periode[154]. Net zoals de Apollotempel heeft het gebouw meerdere fases gekend waarbij de latere interventies de oorspronkelijke constructie sterk gewijzigd hebben. Momenteel kunnen slechts drie verschillende periodes onderscheiden worden, al is de kans reëel dat het er meer waren aangezien de bouwgeschiedenis nog niet goed onderzocht is. Na de bouw van de eerste tempel, waarschijnlijk nog in de Griekse periode, zijn er tot de Romeinse keizertijd geen wijzigingen vastgesteld. In die 1ste eeuw n.C. werd de volledige opstand van het gebouw herbouwd. Een derde en laatste fase bestond uit de verbouwing van de heidense tempel tot een christelijke basilica. Mogelijk vond dit plaats in de 5de-6de eeuw n.C.
1.3.1. Beschrijving
Van de originele constructie is enkel het podium bewaard gebleven dat gedurende het eeuwenlange bestaan van de tempel steeds dezelfde omvang behouden heeft[155]. Het gebouw is vanaf de eerste fase oost-west georiënteerd en is qua afmetingen een stuk groter dan de Apollotempel die zich lager op het oostelijke terras bevindt (39,60m x 24,60m). De tempel was oorspronkelijk nog iets langer aangezien het westelijke uiteinde door erosie van de helling gegleden is. In tegenstelling tot de Apollotempel is de basis niet zo zwaar toegetakeld door latere verbouwingen en begravingen zodat het hier nog enigszins mogelijk is om het oorspronkelijke plan te reconstrueren. Aangezien de opgravingen zich hier in de eerste plaats beperkt hebben tot het blootleggen van de bovenbouw van de tempel en men nooit erg diepe sondages heeft verricht, heeft men de funderingen nooit bereikt. Daardoor weet men niet precies hoe hoog het podium in feite is en is het ook onduidelijk of er zich onder de huidig zichtbare structuur nog eventueel oudere sporen bevinden. Er zijn bovendien slechts enkele architecturale terracotta’s aangetroffen die eveneens niet toelaten om een voorganger te veronderstellen, zoals bij de Apollotempel wel mogelijk is.
Aan alle zijdes zijn in elk geval nog sporen zichtbaar van de basisstructuur in gele tufsteen. Langs de noordwand bevinden zich drie lagen boven het huidige loopvlak waarvan de onderste in de Oudheid waarschijnlijk onder de grond zat. In het oosten, waar de ingang zich bevindt, is nog een vierde laag te zien, maar aan de andere twee kanten steekt de tufsteen nauwelijks enkele decimeter boven de grond uit. Uit de studie van de overgebleven resten van de stylobaat blijkt dat de tempel in deze vroege fase in vijf beuken moet verdeeld geweest zijn en aan weerszijden van de cella een dubbele zuilenrij op de lange zijden moet gehad hebben[156]. Onder heel wat plaatsen van de latere Romeinse omheiningsmuur en pijlers zijn immers resten teruggevonden van een oudere basisstructuur in gele tufsteen. Op plan is duidelijk te zien dat er 6 parallelle, doorlopende funderingsmuurtjes over de lengteas liepen die zorgden voor een symmetrische opdeling[157]. Deze tussenruimtes zijn niet allemaal even breed en volgens Carafa kan hierop een modulair systeem toegepast worden dat de dikte van de tussenmuur als basiseenheid heeft[158]. Die bedraagt ca. 1,45m, ongeveer gelijk aan vijf Oskische voet van 27,5cm, ofwel aan vier Ionische voet van 34,7cm. De middenbeuk is het grootst, drie maal de basismaat, terwijl de vier andere tussenruimtes telkens maar twee keer zo breed zijn. Op basis van dezelfde module heeft hij een reconstructie van het volledige grondplan gemaakt[159]. Toegepast op de lange zijden kunnen zo veertien kolommen verondersteld worden met voor de ingang van de cella vier rijen van telkens zes zuilen zodat aan het geheel toch een sterkere frontaliteit verleend werd dan aan de klassieke Griekse tempel. Ook de verhoudingen tussen breedte en lengte wijken af van het traditionele model (amper 1: 1,6) en moeten het gebouw een gedrongen uitzicht gegeven hebben.
De cella zelf stond oorspronkelijk op dezelfde plaats als de Romeinse, maar had zeker niet de kleine westelijke uitbouw die nu gedeeltelijk verdwenen is. Toch was ze een stuk dieper dan haar Romeinse opvolgster, aangezien de dwarsmuur die nu zichtbaar is een latere toevoeging is. Zo kunnen we een erg langgerekte en smalle binnenruimte reconstrueren van ca. 25m x 7,25m. Verdere informatie over de bovenbouw is er niet, maar het is ook hier waarschijnlijk dat die grotendeels in hout was uitgevoerd en niet in steen.
1.3.2. Datering
Zoals gezegd zijn er slechts een paar terracottafragmenten die aan deze site worden toegeschreven[160]. Deze dateren wel uit de archaïsche periode en daarom plaatst men de bouw van de tempel meestal in de 2de helft van de 6de eeuw v.C. of ten laatste in de eerste decennia van de 5de eeuw v.C.[161] Aangezien niet geheel duidelijk is van welke plaats in of rond de tempel die enkele stukken afkomstig zijn en het om oppervlaktevondsten gaat, is het niet helemaal zeker dat ze tot de “Jupitertempel” behoren, maar het is toch wel niet zo waarschijnlijk dat ze van elders afkomstig zijn gezien de geïsoleerde ligging. We kunnen er dus toch met vrij zekerheid van uitgaan dat er een heiligdom op deze plaats gestaan heeft op het einde van de 6de eeuw v.C., maar dit betekent natuurlijk niet dat deze terracotta’s gelijktijdig zijn met de beschreven tufsteenbouw. Misschien kunnen ze ook toebehoren tot een oudere fase die nog niet gekend is zodat de nog zichtbare resten wel eens later kunnen zijn. Dit is ook de redenering die Carafa volgt en op basis van de metrologische gegevens is hij eerder geneigd een late datering te veronderstellen, net zoals bij de Apollotempel. Als terminus post quem neemt hij de tempel B uit Pyrgi aan waar voor de eerste keer een gelijkaardig schema gebruikt is (ca. 500v.C.). De sterkste parallel ziet hij echter in de grote tempel van Vulci die al uit de tweede helft van de 4de eeuw v.C. dateert en ook de gedrongen proporties wijzen er volgens hem op dat de constructie niet in de laatarchaïsche of vroegklassieke periode kan geplaatst worden. De auteur denkt dus dat ook deze tempel waarschijnlijk pas na de Oskische verovering gebouwd is, maar aangezien er geen bewijzen zijn, houdt hij ook de mogelijkheid open dat het misschien om een vroege voorloper van het Etruskisch-Italische model zou gaan uit het einde van de 6de eeuw v.C. Enkel nieuwe opgravingen kunnen mogelijk een oplossing bieden, maar net zoals bij het heiligdom van Apollo zijn er ook hier geen plannen voor de nabije toekomst.
1.3.3. Identificatie
Over de godheid aan wie de tempel op de top van de acropolis is toegewijd, bestaat de grootste onduidelijkheid. In de antieke bronnen is nergens sprake van een ander heiligdom op deze heuvel naast dat van Apollo. Het is dan ook niet te verwonderen dat de vroegere antiquarii dachten dat dit complex, dat groter in afmetingen is en op een meer in het oog springende plaats gelegen is, aan hem gewijd is. Nadat De Jorio aangetoond had dat dit niet het geval was, hebben er talloze hypotheses de ronde gedaan over wie het nu wel zou geweest zijn. In de 19de eeuw werd Zeus/Jupiter vaak genoemd en tot op de dag van vandaag heeft het gebouw die toewijzing overgenomen. Ondertussen is echter duidelijk geworden dat deze mogelijkheid kan uitgesloten worden[162]. Niet alleen is er de reeds vermelde opmerking van Servius: cum ubique arx Iovi detur, apud Cumas in arce Apollinis templum est[163], maar daarnaast zijn ook enkele opschriften van Jupiter Flazus teruggevonden die met zekerheid uit de benedenstad afkomstig zijn. Tenslotte zijn in Zuid-Italië ook geen tempels van Zeus gekend die op een acropolis gelegen zijn.
Een andere mogelijkheid die bij meerdere auteurs te lezen is, zijn de Dioscuren[164]. Men baseert zich hierbij vooral op de vondst van een tempel die aan hen gewijd was in Napels en op Statius die hen naast Apollo en Demeter als dei patrii van de stad noemt[165]. Uit onderzoek is gebleken dat bij de stichting van de nieuwe nederzetting veel elementen uit de godsdienst van Cumae overgenomen zijn, maar daar zijn ze echter nog op geen enkele manier rechtstreeks geattesteerd. Het is ook gevaarlijk om Napels als het perfecte spiegelbeeld te zien van de oude kolonie want er waren immers nog andere Griekse steden die invloed uitoefenden bij de oprichting, vooral Syracuse. Een ander argument tegen deze hypothese is bovendien dat het heiligdom van Castor en Pollux in de zone van de agora gelegen is en helemaal niet op de hoger gelegen heuvels[166].
Pagano kwam met een volledig nieuw voorstel, namelijk Demeter, maar ook deze mogelijkheid kan ondertussen uitgesloten worden. Dit is een van de weinige godheden die voor de Griekse periode met grote mate van zekerheid geattesteerd is. Bij Plutarchus is immer sprake van het feit dat na de val van de tiran Aristodemus zijn vrouw Xenocrites, die volgens zijn versie had meegeholpen met het complot tegen hem, de zeer eerbiedwaardige functie mocht bekleden van priesteres van Demeter[167]. Daarnaast is in het verleden ook een interessant opschrift gevonden uit de tijd van keizer Augustus dat van groot belang is voor de theorie van deze archeoloog[168]:
Cn. Cn. Luccei [ … pate]r et filius pr.
Sacra Deme[tros res]tituerunt
Lucceia Cn. f. Polla qui …[et Luc]ceia Cn. f. Tertulla Pia Galli
Aedem Demetros et quae circa [eam aedem su]nt et porticus p. s. restituerunt
Jammer genoeg is de precieze vindplaats niet gekend, maar Pagano meent dat het met redelijke mate van zekerheid kan toegeschreven worden aan de tempel op de acropolis. Er is namelijk sprake van herstellingen van een oudere tempel en het bestaan van een porticus. Dit lijkt op het eerste zicht wel te kunnen kloppen met de archeologische resten van de tempel en mogelijk zijn de grote Romeinse herstellingen inderdaad te plaatsen in de regeerperiode van Augustus[169]. Verder leidt hij uit het wat ongewone plan van het gebouw, dat volgens hem in de Griekse periode al omgeven was door een grote ommuring met drie smalle ingangen, af dat er hier een speciale cultus moet hebben plaatsgevonden die binnen deze omheining plaatsvond. Erbuiten is hier immers nauwelijks plaats voor. Een van de belangrijkste godheden die aan deze criteria beantwoordt, is Demeter Thesmophoros en omdat in het naburige Napels op het hoogste punt van de stad een heiligdom voor haar gevonden is en dit ook in een aantal andere Griekse kolonies in Zuid-Italië en Sicilië het geval is, leek de identificatie van de zogenaamde “Jupitertempel” zo goed als bewezen.
Toch zijn er enkele argumenten tegen waarvan het opschrift zelf het meest doorslaggevend is[170]. Er is namelijk sprake van het bestaan van gebouwen rond de tempel zelf (quae circa eam aedem sunt) en die zijn er in geen geval rond het heiligdom op de acropolis zelf zodat het wel om een ander complex moet gaan. Bovendien is de reconstructie van de eerste fase van het gebouw zoals Pagano die schetst niet correct. Zoals we gezien hebben, was de cella toen omgeven door een dubbele rij zuilen en is de omheiningsmuur pas gebouwd onder Augustus. Het is dus nogal voorbarig om een geheime, mysterieuze cultus te veronderstellen op deze plaats in de Griekse periode.
Aan welke godheid de tempel dan wel gewijd was, is tot op heden onopgehelderd en zal dit ook blijven zonder bijkomend historisch of archeologisch materiaal. Het is wel waarschijnlijk dat er moet gezocht worden bij een van de oudste en belangrijkste leden van het Euboïsche pantheon, maar dan blijven er nog enkele mogelijkheden over. Een optie die nog het meest plausibel lijkt, is Artemis/Diana, maar het blijft bij een pure hypothese die eerder op basis van uitsluiting kan gemaakt worden dan op positieve aanwijzingen[171]. De gegevens over deze godin wat Cumae betreft zijn erg schaars, maar dat ze er al vroeg aanwezig was, bewijst de vondst van enkele figurines in terracotta met een voorstelling van de godin (eind 5de-begin 4de eeuw v.C.)[172]. Aangezien de precieze plaats van herkomst opnieuw niet gekend is, kan dit natuurlijk niet als bewijs dienen voor de identificatie van de tempel op de acropolis. Interessant is wel de ruimtelijke associatie met haar broer Apollo een beetje lager op het terras en in die zin kan mogelijk een passage van Servius in zijn commentaar op de Aeneis geïnterpreteerd worden: congrue Apollini Dianae iuncta sunt templa[173]. Het gaat echter om een poëtische tekst gaat en omdat Vergilius allesbehalve als een betrouwbare topografische indicator bekend staat, is het twijfelachtig of deze woorden wel letterlijk kunnen genomen worden, vooral omdat enkele verzen verder Apollo en Diana op een symbolische wijze met elkaar verbonden worden[174]. Op basis van hetzelfde tekstfragment meent Pagano trouwens dat haar heiligdom de kleine, Romeinse tempel op het terras van de Apollotempel was[175] dus er zijn zeker meer gegevens nodig om deze moeilijke kwestie op te helderen.
2.1. Versterkingen
2.1.1. Algemene kenmerken
Net als bij de acropolis is de kennis van de stadsmuren in de benedenstad nog steeds fragmentair. Toch kan men het verloop ervan op de meeste plaatsen met grote mate van waarschijnlijkheid reconstrueren omdat ze de meest strategische posities in het landschap innemen en de variaties in het terrein volgen. Daarom kan men op basis van het reliëf en de enkele bekende restanten een goed idee krijgen van het oorspronkelijke circuit en dit werd ook al dikwijls in diverse publicaties aangegeven[176]. Het onderzoek van Fratta heeft alle bekende stukken geïntegreerd in een totaalstudie en dankzij de recente vondsten aan de noordmuur heeft men een veel duidelijker zicht gekregen op de chronologie en de evolutie van het geheel. Wat het verloop van het circuit betreft, kan men duidelijk stellen dat dit sinds de bouw in de 6de eeuw v.C. praktisch onveranderd gebleven is tot in de Byzantijnse tijd. Zelfs al voordien, bij de stichting van de kolonie, moet er een duidelijke scheiding gemaakt zijn tussen het urbane en extra-urbane gebied. Hoewel er helemaal geen sporen van wallen of grachten uit de 8ste of 7de eeuw v.C. gevonden zijn, blijken de Griekse graven allemaal buiten de latere stadsmuur te liggen. Dit is een duidelijk verschil met de voorgaande ijzertijdnederzetting waarbij een groot stuk van de necropool wel binnen deze latere grens gelegen was[177]. Of het terrein in die tijd afgelijnd was en op welke manier dit dan wel zou gebeurd zijn, is nog absoluut onduidelijk. Grote defensieve structuren kunnen dit zeker niet geweest zijn[178].
De ommuring zoals we die nu kennen is volgens de laatste stand van zaken opgericht rond het midden van de 6de eeuw v.C. Hij vertrekt vanaf de toegangspoort van de acropolis en loopt recht naar het zuiden op de kam van de “Zuidelijke heuvelrug”, parallel met de “Grot van de Sibylle”[179]. Dan moet hij op een bepaald moment naar het oosten draaien, maar waar precies is niet helemaal duidelijk. In elk geval loopt hij ergens ten noorden van het archaïsche heiligdom van Hera en is hij met zekerheid weer gesignaleerd bij het kruispunt boven het amfitheater, waar ook een van de poorten gelegen is. Daarna zijn hier en daar resten te zien langs de Via Arco Felice Vecchio, die na 180 meter echter afwijkt vanaf het antieke tracé. De ommuring loopt naar het oosten, recht de helling van de Monte Grillo op. Op dit gedeelte zijn verder geen sporen bekend, maar het verloop is makkelijk te volgen via een vallei die een natuurlijke grens vormt. Daarna moet hij over de vlakke rug van deze heuvel noordoostwaarts gaan, maar door de erosie en de huidige, zeer dichte vegetatie is aan de oppervlakte niets meer zichtbaar. Daarna keert hij met een scherpe hoek westwaarts en daalt zo via een andere depressie weer naar de voet van de Monte Grillo waar opnieuw duidelijke archeologische resten verschijnen. Vervolgens gaat hij noordwestwaarts langs de huidige Via vicinale per Cuma om uiteindelijk aan te sluiten op de acropolis in de buurt van de meest noordelijke uitsprong en van een hoek van het “Driehoekige terras”.
Zoals gezegd gaat dit tracé ten minste terug op de 6de eeuw, maar tot voor kort waren heel wat geleerden ervan overtuigd dat de oppervlakte van de benedenstad in de Griekse periode een stuk kleiner was omdat de flank van de Monte Grillo oorspronkelijk niet binnen de versterkingen zou opgenomen zijn. Pas in een later moment zou men dan de fortificaties uitgebreid hebben. Deze hypothese, die gelanceerd was door Gabrici op basis van enkele 19de-eeuwse vondsten[180], leek bevestigd te zijn door de ontdekking in de jaren ’70 van een muur die van Noord naar Zuid loopt naast de Via Vecchia Licola a Palombara, zo’n 200 meter ten zuiden van de oostelijke stadspoort, en die de ontdekker Tocco definieerde als deel uitmakend van de Griekse versterkingen[181]. Jammer genoeg wordt geen enkele beschrijving gegeven en zijn de resten verdwenen bij de aanleg van rioleringen zodat we geen enkel idee hebben over het uitzicht of de datering. Bij recente opgravingen in de buurt heeft men ook geen spoor kunnen terugvinden van deze constructie. Om verschillende redenen wordt de laatste jaren steeds meer getwijfeld aan de interpretatie als stadsmuur[182]. Ten eerste zijn er ten oosten van deze weg, op de helling van de Monte Grillo dus, enkele stukken van de fortificaties gevonden die dateren uit de 6de eeuw v.C. Ten tweede zijn bij recente prospecties tal van scherven, architecturale terracottafragmenten en andere resten uit de vroegste periode van de stad aangetroffen, niet alleen uit de 6de eeuw v.C. maar zelfs uit de beginperiode van de kolonie (eind 8ste - begin 7de eeuw v.C.). Tenslotte is het uitsluiten van de hoge heuvel uit strategisch oogpunt volledig onbegrijpelijk want het zou een efficiënte verdediging van de stad sterk bemoeilijkt hebben. Een meer plausibele verklaring is die van scheidingsmuur tussen stadsdelen (diateichisma), zoals in Velia, of gewoon een terrasseringsmuur.
Over het totaal aantal stadspoorten en hun ligging bestaat nog geen volledige duidelijkheid[183]. Aan de noordzijde zijn er zeker twee volgens de historische bronnen[184] en waarschijnlijk zelfs drie, voor zover we kunnen afleiden uit de getuigenis van de 19de-eeuwse opgraver Fiorelli[185]. Het gaat echter om een vage beschrijving zonder details in verband met de precieze vindplaats of een datering. Slechts één ervan, de middelste, is dankzij recente opgravingen met absolute zekerheid gelokaliseerd en is opgericht bij de bouw van de muur in de 1ste helft van de 6de eeuw v.C.[186] Naar alle waarschijnlijkheid is de oostelijke toegang te situeren op de kruising van de Via Vecchia Licola a Palombara en de Via vicinale per Cuma. Ook deze dateert uit de Griekse periode omdat de weg die vanaf deze plaats naar Capua liep al in die tijd bestond[187]. Waar de derde exact gelegen is, weet men nog steeds niet maar ze moet in elk geval te zoeken zijn in westelijke richting, naar de zee toe. Meestal situeert men haar in de nabijheid van de aansluiting van de muur van de benedenstad op die van de acropolis[188], maar volgens de recentste bevindingen moet ze nog verder westwaarts gezocht worden, waarschijnlijk bij het “Driehoekig terras”[189]. Dit zou betekenen dat deze toegang waarschijnlijk pas later gerealiseerd werd, aangezien er nog geen muurresten in deze omgeving gevonden zijn die met zekerheid vroeger te plaatsen zijn dan de 1ste eeuw v.C. In de nabije toekomst is men van plan het westelijke gedeelte van de noordmuur en het terras in detail te bestuderen dus dan zal dit probleem hopelijk opgelost worden.
In het zuiden zijn minstens twee poorten gesignaleerd aan de hand van 19de-eeuwse getuigenissen en het samenkomen van antieke wegen: de eerste ligt nabij het amfitheater (Croce di Cuma), de andere 180 meter verder naar het oosten[190]. Ook deze twee toegangen tot de stad zijn (nog) niet opgegraven omdat ze onder moderne wegen liggen, en daardoor ontbreekt dus tot nu toe elke verdere informatie. Toch dateren ze hoogstwaarschijnlijk ook uit de Griekse periode aangezien de oudste sporen van enkele onderzochte muurresten, die zich in de onmiddellijke omgeving bevinden, op het einde van de 6de eeuw v.C. kunnen geplaatst worden. Of er nog andere toegangen geweest zijn aan de zuidzijde, is niet zeker maar a priori niet uit te sluiten[191]. Er is zeker nog veel ruimte ten westen van de Croce di Cuma en het feit dat het archaïsche heiligdom van Hera hoogstwaarschijnlijk net buiten de muren ligt, lijkt het bestaan van een poort in deze buurt wel te suggereren. Een andere aanwijzing in die richting is de signalisatie van twee straten in de onmiddellijke omgeving door een 19de-eeuwse bron[192]. Aangezien er in deze zuidwestelijke zone echter nog geen enkel systematisch onderzoek geweest is, blijft het momenteel bij een pure hypothese.
Erg omstreden is ook de mogelijke aanwezigheid van een poort in het oosten van Cumae vóór de bouw van de Arco Felice. Onder keizer Domitianus (95 n.C.) werd deze grootse constructie opgericht op de top van de Monte Grillo[193]. Daarbij werden vele meters tuf weggehakt zodat de hindernis veel gemakkelijker kon genomen worden door de reizigers. Het monument werd tussen de twee uitgekapte flanken geplaatst en zorgde er dus ook voor dat deze niet instortten. Volgens sommige auteurs zou hier in de Griekse tijd al een toegang tot de stad geweest zijn[194]. Door de enorme werken in de Romeinse tijd zijn natuurlijk mogelijke oudere sporen weggevaagd, maar toch wijzen enkele elementen in deze richting. Johannowsky baseerde zich vooral op een passage uit Dionysius van Halicarnassus[195]. Bij het complot dat opgezet was om Aristodemus af te zetten, drongen soldaten binnen langs “de poort die leidt naar het Avernusmeer”. De Romeinse weg onder de Arco Felice komt inderdaad rechtstreeks uit op dit meer, maar niets sluit echter uit dat men in de Griekse tijd nog een omweg moest maken en dat het hier gaat om de noordoostelijke of zuidwestelijke stadspoort. Een veel sterker argument is opgedoken bij een stratigrafische analyse van de Via Domitiana aan de voet van de Monte Grillo in de benedenstad, net ten noorden van de “Centrale thermen”. Daar heeft men vastgesteld dat aan de Romeinse straat veel vroegere fases voorafgegaan zijn en dat er dus voordien al een weg naar het oosten, in de richting van de top van de heuvel, liep. De oudste bestrating is gedateerd in de tweede helft van de 5de eeuw v.C., maar zeer waarschijnlijk gaat ze nog vroeger terug in de tijd aangezien op het einde van de opgraving nog diepere lagen te zien waren die men jammer genoeg nog niet heeft kunnen bestuderen[196].
2.1.2. Chronologie
De evolutie van de versterkingen in de benedenstad is dankzij opgravingen van de laatste tien jaar een stuk beter gekend dan die van de acropolis. Zoals reeds vermeld, dateren de oudste, bekende sporen van de stadsmuur pas uit de 1ste helft van de 6de eeuw v.C. en is het niet bekend hoe de toestand daarvoor was. In elk geval is het duidelijk dat vanaf dat moment de ommuring steeds hetzelfde traject volgde, ook tijdens allerlei latere verbouwingen. Momenteel zijn er zes grote bouwfases onderscheiden. Sommige daarvan zijn ook geattesteerd op de acropolis, maar andere dan weer niet. Van een perfect gelijklopende evolutie is dus zeker geen sprake. De eerste twee fases behoren tot de Griekse tijd (begin 6de eeuw en ca. 500 v.C.), de derde en de vierde tot de Oskische en de twee laatste tot de Romeinse tijd. Zij zullen elk in de desbetreffende periode besproken worden.
2.1.2.1. Eerste fase (1ste helft 6de eeuw v.C.)
Voor de start van het Kyme-project tien jaar geleden was men steeds van mening dat de oudste sporen van de ommuring dateerden uit de tweede helft van de 6de eeuw v.C. Het was zeker dat er al een goede fortificatie moet geweest zijn in 524 v.C. toen de Etrusken er niet in slaagden de stad te veroveren[197], maar meer gegevens ontbraken tot nu toe. Bij de recente campagnes is gebleken dat ze al meerdere decennia vóór de veldslag moeten opgericht zijn, toch zeker in het moeilijkst te verdedigen noordelijke stuk. Wegens de grondige verbouwingen uit latere tijden en de moeilijkheden die de archeologen ondervinden om op de grote diepte te geraken waarop de oudste resten zich bevinden, zijn nog maar enkele fragmenten teruggevonden. De best onderzochte stukken betreffen de noordmuur en aangezien die vrij ver uiteen liggen[198], kan men met grote zekerheid stellen dat het volledige traject in het noorden op dat moment al moet gebouwd zijn.
Bij de “Middenpoort” heeft men in de oostelijke vleugel een redelijk goed bewaard gedeelte aangetroffen, ingekapseld door latere verbouwingen (nr. 808)[199]. De vroegste structuur is 4,90m breed en blijkt bestaan te hebben uit een kern van aarde die aan weerszijden omgeven is door een structuur uit onregelmatige tufsteenbrokken. Aan de buiten- en de binnenzijde was het geheel bekleed met zorgvuldig gekapte stenen in opus quadratum, maar die zijn bij latere verbouwingen tot op grote diepte uitgebroken en dus nauwelijks bewaard gebleven. Ten westen van de poort zijn de latere ingrepen zo grondig gebeurd dat er van deze oudste fase geen noemenswaardige restanten terug te vinden zijn. Omdat de westelijke zijde 1 meter vooruitgeschoven lijkt te zijn ten opzichte van de oostelijke, dacht men eerst dat men te maken had met een tangvormige poort[200], maar het allerlaatste onderzoek heeft uitgewezen dat hier geen plaats voor is en dat het hier een gewone axiale toegang betreft[201]. Hoe breed de opening was, is niet vast te stellen wegens de grondige verwoesting van de westvleugel, maar ze was in elk geval wel groter dan in de latere fases en het minimum bedraagt zeker 13 meter.
Bij een kleine sondage ten oosten van de Via Vecchia Licola a Palombara is een gedeelte van de buitenwand teruggevonden uit dezelfde vroegste fase[202]. Hier is de tufstenen bekleding niet volledig verwijderd. Die bestaat uit erg zorgvuldig gekapte steenblokken waarvan de hoeken afgerond zijn en die in isodoom opus quadratumverband op elkaar geplaatst zijn. De constructie heeft een schuin oplopend profiel en is tot 2 meter hoogte bewaard[203]. De twee funderingslagen bestaan uit horizontaal geplaatste, langwerpige blokken waarvan de bovenste 3 cm uitspringt ten opzichte van de bovenliggende rij.&nb