| Criminaliteit in het land van Waas 1700 - 1750. (Peter Catthoor). |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Deel 3: Vagebonden en zigeuners.
1. INLEIDING
De toenemende proletarisering tijdens de Nieuwe
Tijden had ertoe geleid dat een massa zwervers, bedelaars en vagebonden door de
landen van West- Europa trokken. Het probleem was nochtans niet nieuw.
Pauperisme, ellende en behoeftigheid waren reeds inherent aan de middeleeuwse
maatschappij.[1]
De prangende onzekerheid van oorlogstijden, natuurrampen, hongersnood,
epidemieën en schommelende economische conjuncturen leidden tot een
voortschrijdend proces van verpaupering dat in de komende eeuwen meermaals een
sterke opstoot zou kennen.
In de middeleeuwen was er een consensus ontstaan over wie mocht bedelen en
wie niet. Bedelarij was slechts toegestaan aan
bejaarden en gebrekkigen die de toestemming daartoe hadden gekregen van de
gemeentelijke overheid, de parochiepriester of de meesters van de tafels van de
Heilige Geest die de nood van de armen poogden te lenigen.[2]
Voor anderen waren bedelarij en landloperij dus strafbaar en dat zou voor eeuwen
zo blijven. Het gangbare proces van disciplinering tijdens de Nieuwe Tijden was
er duidelijk op gericht om komaf te maken met zogenaamde “ledichghengers”.
Reeds vanaf de late middeleeuwen vaardigde de centrale overheid ordonnanties uit ter beteugeling van landloperij. Dit blijkt uit de vonnissen waarin landlopers altijd werd verweten een misdaad begaan te hebben ‘ jeghens zijne Majesteits placcaten ‘. In de 18e eeuw was dit niet anders. Bij criminaliteitsstudies over deze periode krijgt men als vorser dus ook met dit fenomeen te maken. Bij onze opzoekingen in de gerechtelijke onderzoeken en vooral in de vonnisboeken zijn we op een redelijk aantal van dergelijke zaken gestoten waardoor het nuttig leek een apart deel aan deze materie te wijden zonder er echter heel diep op in te gaan. Dit is reeds in andere studies en licentiaatsverhandelingen gebeurd.
In vergelijking met vorige eeuwen werden naar
aanleiding van de oorlogsomstandig-
heden in de eerste helft van de 18e
eeuw door de overheid eerder kortstondige acties ondernomen en regels
uitgevaardigd. Voor het Waasland vonden we een dergelijk voor beeld van een
edict van het Hoofdcollege terug in 1725: “
Medebringhende ende wel expresselijck
verbiedende aan alle bedelaers, ledighgangers, deugenieten als oock de soo
gesegde Egiptenaeren ende Egipteneressen van in desen lande te komen op pene
van…”
Of deze ordonnanties effectief waren valt erg
te betwijfelen.
Specifiek voor het Waasland zien we een golf
van bedelaars opduiken in de periode 1730-1750. Dat er zich in de eerste 30 jaar
van de 18e eeuw opmerkelijk minder bedelaars aandienden dan de
daaropvolgende jaren zou kunnen verklaard worden door de geringere werking van
het gerechtelijk apparaat tijdens die woelige oorlogsjaren.
Het kan ook gewoon zijn dat er in die laatste
20 jaar van de door ons onderzochte periode nu eenmaal gewoon heel veel
bedelaars opdoken in vergelijking met voor-
gaande decennia. Dat het Waasland tijdens die
jaren bijna met een ‘zwerversplaag’ kreeg af te rekenen blijkt ook uit de studie
van andere bronnen. De kroniek van François- Joseph de Castro maakt er eveneens
melding van: “ Op 8 februari 1745 werd er in het Waasland een algemene klopjacht
op vagebonden gehouden die reeds lange tijd het land teisterden. Sommigen onder
hen werden opgeknoopt, anderen gegeseld en verbannen.”[3]
In het leger zaten ook nogal wat landlopers die
dienst hadden genomen “om den brode” en die, toen in vredestijd de legers werden
ontbonden, zich opnieuw genoodzaakt zagen te gaan zwerven.
Uit het onderzoek van J. Blomme was reeds
gebleken dat het Waaslandin de volle 18e eeuw een vrij welvarende
regio bleek te zijn waar de levensstandaard een aanvaard baar niveau bereikte.
Deze welvaart kon een belangrijke aantrekkingspool gevormd hebben voor vele arme
zwervers die vaak niet meer wisten van welk hout pijlen te maken.
Het Waasland was ook een grensgebied. Dit
bracht met zich mee dat verbannen vagebonden uit andere gebieden vaak in het
Waasland terecht kwamen en daar voorlopig bleven rondhangen totdat ze opnieuw
gearresteerd en naar elders werden verbannen.
Naast deze verklaringen zouden nog wel andere
kunnen worden aangehaald. Het blijft een feit dat er voorlopig geen sluitende
verklaring te vinden is voor dit fenomeen. De waarheid ligt waarschijnlijk in
een samengaan van voorgaande verklaringen en een dosis toeval.
Naast een kleine uitweiding over de sociale
politiek die door de overheden werd gevoerd ten overstaande van landlopers en
bedelaars zal dit hoofdstuk vooral bestaan uit een inventaris van de
persoonlijke gegevens van de landlopers die gedurende die tijdspanne van vijftig
jaar in het Waasland werden veroordeeld. Er zal een overzicht gegeven worden van
hun afkomst, hun leeftijd en hun beroep. Ook zal gekeken worden of ze naast het
bedelen en zwerven nog andere delicten op hun geweten hadden. Hierbij moet
steeds rekening worden gehouden dat dit slechts mogelijk was naargelang de
bronnen het toelieten en er dus de nodige gegevens beschikbaar waren.
Men maakte gedurende de moderne tijden een
onderscheid tussen autochtone zwervers en bedelaars en zwervers van vreemde
origine, met name de zogezegde zigeuners en ‘Egyptenaeren’. De gegevens van deze
laatste groep zijn mee verwerkt in het hiernavolgende overzicht. Over hun
afkomst en geschiedenis zal in een laatstehoofdstuk iets verder ingegaan worden.
2. DE SOCIALE POLITIEK
Bedelarij en vagebonderij zijn eigenlijk al zo
oud als de sedentaire mens. Een ernstige opstoot van het probleem in West-
Europa kwam er tijdens de middeleeuwen en dan vooral tijdens de tweede helft van
de 13e eeuw en tijdens de 14e en 15e eeuw.
Tijdens deze periode was er al een soort
consensus over de houding tegenover bedelarij. Vanaf de 16e en 17e
eeuw, na de verspreiding van het humanistische gedachtegoed, kwam er een
maatschappelijk onderscheid tussen zogezegde “goede” en “slechte” armen.[5]
“Goede” armen waren “bonafide”. Ze waren door ongeluk of voorbestemdheid in de
armoede verzeild geraakt. Het waren personen met een ziekte, een lichamelijk
gebrek of handicap of het waren mensen die getroffen waren door een of andere
vorm van zwakzinnigheid. Ze konden dus niet in hun eigen onderhoud voorzien. Hen
trof dan ook weinig tot geen schuld. Deze armen poogde men tegemoet te komen via
een systeem van armenzorg.
Deze opvattingen blijken duidelijk uit de
gerechtelijke bronnen. Vele veroordeelde landlopers
kregen van de leenmannen en de schepenen regelmatig het volgende te
horen: “Hoewel ghij kloeck van lichaam zyt
en bekwaam om met werken uwe kost te winnen, zijt ghij toch in dese lande komen
vagabonderen…”
Deze humanistische benadering was er bij
uitstek één in termen van morele waarden, hetgeen concreet betekende dat de
sociaal-economische oorzaken van de armoede nooit ter discussie stonden.
Eind 17e, begin 18e eeuw
zou deze visie op het pauperisme langzaam gaan veranderen. Met het opkomende
Verlichtingsdenken gingen de filosofen en de gerechtsmensen meer aandacht
besteden aan de maatschappelijke oorzaken van de armoede en ging men meer naar
verklaringen zoeken.[6]
Er werden verbanden gelegd tussen het pauperisme, de economische problemen en de
evolutie van het bevolkingscijfer.
Uit kwalitatieve en kwantitatieve analyses van
het pauperisme vloeide de idee voort dat de economische situatie en de
maatschappij voor dit fenomeen verantwoordelijk waren.
Naar aanleiding van de toename van het aantal
werklozen rond 1770 ging de Oostenrijkse regering, onder andere in de persoon
van minister Stahremberg, zich quasi permanent met het probleem van armenzorg,
bedelarij en landloperij inlaten en ging men tot ingrijpende maatregelen over.[7]
De behandeling van dit nijpend sociaal probleem werd in datzelfde jaar in de
Geheime Raad toevertrouwd aan Goswin de Fierlant. Het was diens overtuiging dat
men de armen tot werken moest dwingen en de bestraffing (met geseling en
verbanning), die toch niets uithaalde, diende af te schaffen. Het plan bleef
echter in het administratief dossier steken en werd niet gerealiseerd.
Een initiatief van een ander magistraat, met name
Villain XIV, zou meer succes kennen. Als burgemeester van Aalst, schepen van
Gent en daarna voorzitter van de Staten van Vlaanderen en de Bestendige
Deputatie maakte hij overvloedig kennis met het armoedeprobleem van zijn tijd.
Nadat hij zonder veel succes klopjachten had georganiseerd besloot hij met
financiële hulp van de gegoede klasse een tuchthuis op te richten.
Belangrijk om te vermelden, zeker vanuit het
oogpunt van een studie over het Waas-
land, is het feit dat deze vernieuwingen zich
beperkten tot de steden en geen doorgang vonden op het platteland.
Verdere veralgemeningen van de hervorming van
het strafrecht en de armenzorg bleven steken op een sterke weerstand van het
provinciaal particularisme.[11]
Tenslotte werd er in onze gewesten een poging
ondernomen om de bijstand te her-
vormen volgens een plan dat Jozef II had
gesteund. Doch ook dit project kende weinig succes net als de meeste
hervormingsplannen die voordien werden uitgewerkt.
Algemeen gezien kan men dus de conclusie
trekken dat de strijd tegen het pauperisme op het einde van het Ancien Régime
was mislukt.[12]
3. LANDLOPERIJ EN BEDELARIJ IN HET
LAND VAN WAAS
3.1. OVERZICHT
Voor de periode 1700-1750 zijn er in de
onderzochte gerechtelijke bronnen 77 sententies teruggevonden met een
veroordeling voor bedelarij en landloperij. Deze delicten waren soms
alleenstaand, in andere gevallen werden de betreffende personen nog voor andere
delicten veroordeeld.
Naast de hier behandelde delicten kwamen in de
gerechtelijke dossiers nog 3 gevallen van dronkenschap en 4 gevallen van
onwettig stropen voor. Deze delicten worden hier niet besproken.
Voorbeeld ter illustratie: de 141e
onderzochte sententie verhaalt de veroordeling van Magdaleine Hendrickx en Marie
Willems. Beide zigeunerinnen waren afkomstig uit Holland en zwierven samen rond
te Lokeren. Daar werden ze door de ronde opgepakt. Zij waren samen reeds in
Lombvan (Frankrijk) al eens gebrandmerkt en veroordeeld wegens dezelfde feiten.
Deze twee “Europa- reizigsters” werden levenslang verbannen uit de keizerlijke
landen.[13]
Onderstaande tabel geeft een meer specifiek
overzicht voor welke politiedelicten deze 105 personen nu precies werden
veroordeeld.
|
|
1700-‘09 |
1710-‘19 |
1720-‘29 |
1730-‘39 |
1740 |
Totaal |
|
vagebonderen |
2 |
3 |
18 |
15 |
14 |
52 |
|
vagebonderen en bedelen |
|
|
1 |
10 |
9
|
20 |
|
zigeuners en egyptenaers |
|
2 |
1 |
11 |
13 |
27 |
|
bedelen |
|
1 |
1 |
3 |
1 |
6 |
|
TOTAAL |
2 |
6 |
21 |
39 |
37 |
105 |
Een eerste belangrijke opmerking bij
bovenstaande tabel is dat het aantal veroordeelde personen (105) niet gelijk is
aan het aantal vermelde landlopers of bedelaars in de sententies. Het komt voor
dat tijdens het proces van een bendelid zijn compagnons soms met naam en toenaam
worden vermeld, maar van een eventuele veroordeling van deze personen is nergens
iets terug te vinden. Is de rest aan het gerecht kunnen ontsnappen? Heeft de
veroordeelde tijdens zijn ondervraging geklikt?
Als men de vermelde personen waarvan geen
veroordeling is teruggevonden erbij rekent, komen we op een totaal van 140
zwervers, bedelaars of zigeuners.
Voorbeeld ter illustratie: op 9 november 1730
werden drie vrouwelijke vagebonden te Sint-Niklaas
veroordeeld. Het betrof Marie Van Vlasselair, Catharina Suyders en Sibille
Gysen. De 3 vrouwen mochten een paar dagen overnachten in de schuur van Frans
Burssens, woonachtig omtrent de Raepenbergh te Bazel. Ze verbleven daar echter
niet lang alleen. Algauw kregen ze gezelschap en hun groep groeide aan tot 12 à
14 man. Het waren zowel mannen als vrouwen. Enkele onder hen zijn in de
sententie bij naam genoemd. Het ging om een zekere Wouter, Piet, Jan, Jentien,
zwarte Coben en andere. In die schuur verbleven zij een drietal nachten alvorens
door enkele “guarden” ontdekt te worden. De ‘stadhouder van den lande’ werd
dadelijk verwittigd om de bende te komen arresteren. De leden sloegen algauw op
de vlucht. De drie vrouwen werden te Vrasene door de ronde onderschept en voor
het leenhof gebracht. Van de andere bendeleden is in de dossiers niks meer
vernomen.[14]
Een tweede opmerking betreft het feit dat in de
tabel een aparte rubriek ‘vagenbonden en bedelaars’ opgenomen werd. Hiertoe werd
overgegaan omdat een aantal personen in de dossiers in één adem van beide
delicten werden beschuldigd. Beide delicten werden door de overheid als aparte
misdaden beschouwd, dus is er een onderscheid tussen een persoon die enkel
rondzwierf en een persoon die rondzwierf en tegelijk bedelde. Om dus een beter
overzicht te krijgen van alle gepleegde delicten werden deze personen in een
aparte rubriek ondergebracht.
Ten opzichte van de periode 1700-1720 vormt er
zich een geweldig contrast. In de laatste 20 jaar van de eerste helft van de 18e
eeuw werd maar liefst 72% van alle ver-
oordelingen tegen zwervers en bedelaars
uitgesproken ten opzichte van 7,6% in de eerste 20 jaar. Het decennium 1720-1730
lijkt op zich een logische aanloopperiode te vormen voor de daaropvolgende 20
jaar.
Het proces van verpaupering was al veel langer dan 1730 bezig. Het kan dus niet dat er in de periode voor 1720 zo weinig vagebonden waren. De verklaring dient hier, naast een dosis toeval, meer dan waarschijnlijk gezocht te worden in de onefficiënte werking van het politieapparaat. Wanneer het gerechtelijk apparaat ontredderd is, is het allesbehalve makkelijk om in die troebele tijden de misdadigheid te gaan onderzoeken.[15]
Er werd reeds meerdere malen op gewezen dat
gedurende de periode van de Spaanse Successieoorlog er in het Waasland een grote
wanorde heerste als het op het bestuurlijk en gerechtelijk vlak aankwam.[16]
Als de hoogste echelons van het gerechtelijk apparaat niet naar behoren werkten,
zal dit zeker ook hebben gegolden voor de lagere echelons.
In het Waasland waren vanaf 1661 reeds 2 speciale
patrouilles van elk 30 man sterk opgericht die naast de gewone lokale ronden
opereerden en de verschillende parochies doorkruisten op zoek naar vreemdelingen
(in tegenstelling tot de kleinere lokale ronden die in hun eigen wijk of
parochie bleven om de wacht te houden).[17]
Deze wachten en rondemannen hadden, naast het feit
dat ze in die periode weinig tot geen orders kregen wegens de afwezigheid van
het hoofdcollege en de baljuw, waarschijnlijk wel andere dingen aan hun hoofd.
Bescherming van hun eigen gezin en goed vergde in die woelige oorlogsjaren meer
van hun aandacht en energie dan het uitkijken naar zwervers en zigeuners.
Velen van die zwervers bevonden zich in die
periode waarschijnlijk in de rond-
trekkende en vechtende legers die zich in groten
getale in de Zuidelijke Nederlanden ophielden. Het leger voerde nu eenmaal een
grote aantrekkingskracht op dergelijke figuren uit die er een kans op gratis
voedsel, kledij en onderdak in zagen.
Dit alles stond in schril contrast met de oorlogsjaren 1740-1748. De gerechtelijke werking in het Waasland was toen veel beter (een standvastig hoofdcollege en baljuw) wat zich duidelijk liet gevoelen. In de jaren ’40 werden er in het Waasland enkele grootschalige klopjachten op vagebonden ingezet. Ook de gewone vervolgingen werden met veel meer hevigheid gevoerd dan in de voorgaande periode.[18]
De georganiseerde klopjachten op zich, die in
sommige verhalende bronnen zijn terug te vinden (onder andere in de kroniek van
F.J. de Castro) leveren het bewijs van de toevloed aan vagebonden. Niet alleen
in de jaren ’40 leidde dit tot reacties, ook in 1732 liep het de spuigaten uit
en werd er in het Waasland een algemene klopjacht op landlopers georganiseerd.[19]
Een voorbeeld hiervan is in de gerechtelijke bronnen terug te vinden.
Voorbeeld ter illustratie: op 6 oktober 1732
diende de 34 jarige handschoenmaker Christian Goossens met andere mannen de
wacht te houden aan het parochiehuis van Sint-Niklaas. Ze dienden daar te
wachten op het bevel om samen met andere mannen uit de verschillende parochies
en gemeenten jacht te maken op enkele bendenvagebonden die zich vooral
bezighielden met de diefstal van lijnwaad. Spoedig werden aan het kwartier
“Vossekot”2 vrouwen opgepakt die gestolen lijnwaad en lakens bij zich hadden.[20]
Naast enkele algemene klopjachten die het hele
Waasland bestreken werden in die jaren ook plaatselijke klopjachten gehouden
door groepjes guarden en privé-personen.
Een ander belangrijk repressieapparaat dat door de
overheid tot stand werd gebracht, was dat van nachtwacht of ‘handuyten’. De
oprichting van de wacht groeide uit de organisatie van klopjachten die reeds in
de 16e eeuw werden gehouden om de dorpen en gehuchten van bedelaars
en landlopers te zuiveren.[21]
Een aantal verklaringen werden reeds kort in
hetinleidende deel van dit hoofdstuk aangehaald. Ze worden nog even hernomen om
ze hier wat verder te onderbouwen via een paar illustraties uit het
bronnenmateriaal.
Een mogelijke verklaring is te vinden in het feit
dat men in woelige tijdsomstandigheden altijd met een hoger peil van vagebondage
krijgt af te rekenen. Er is reeds aangetoond dat deze stelling in het Waasland
slechts gedeeltelijk gold, al kon het excuus van een bestuurlijke en
gerechtelijke desoriëntatie worden ingeroepen.
Een andere verklaring diende men bij de legers
zelf te zoeken. Nogal wat landlopers namen zoals gezegd “om den brode” dienst in
het leger dat in dergelijke omstandigheden als een soort werkgever voor de
armere klasse fungeerde. In het kielzog van voorbijtrekkende legers trokken dan
menigtes vrouwen en kinderen mee ( de zogenaamde “soldatenkinderen”), net als
een mengsel van halve of hele criminelen op zoek naar winst en buit.
Voorbeeld ter illustratie: de 20 jarige Geeraerd
Schobbens werd, naast het feit dat hijverdacht werd van een hele rits
diefstallen, gearresteerd en veroordeeld wegens vagebonderen en bedelen. Hoewel
hij was voorzien van de stiel van schoenmaker en ‘kloeckledig’ en gezond van
lichaam was had hij toch voor het ruwe zwerversbestaan gekozen. Als argument had
hij aangehaald dat hij een soldatenkind was en hetrondtrekken reeds van kinds
been af gewoon was. De rechters konden hiervoor weinig begrip opbrengen. Een
levenslange verbanning uit Vlaanderen werd zijn deel.[22]
Na het afsluiten van de vredesverdragen werden de
legers ontbonden en stonden vele armoedzaaiers (al dan niet met vrouw en
kinderen die in het zog van het leger steeds meetrokken) gewoon terug vanwaar ze
gekomen waren. Ze trokken dan vaak op met de reeds in die streek aanwezige
paupers, zwervers, deserteurs en andere buiten de wet gestelden. Hierbij voegden
zich nog vaak personen uit de ontredderde klasse van handarbeiders en vele, door
de oorlog geruïneerde ambachtslui.[23]
Voorbeeld ter illustratie: op 18 maart 1739 werden
Pierre Coutumier en Louis Joseph La Mart wegens landloperij veroordeeld. Beiden
waren vroegere wevers die uit armoede en wegens geldgebrek in het Franse leger
waren verzeild geraakt. Ze warenechter gedeserteerd en nu zwierven ze met een
vals paspoort door het Waasland.[24]
Voorbeeld ter illustratie: Jan Beda Adriaens uit
Overmeire was soldaat geweest in het infanterieregiment van Walon in de Staten
van Holland. Daarna had hij geen vaste woonplaats meer en was hij beginnen
zwerven en bedelen in plaats van werk tezoeken. Wegens een vechtpartij op de
kermis van Elversele werd hij uit het Waasland verbannen.
Voorts kan men als verklaring inroepen dat de
jaren 1740 een periode waren van zware economische crisiswaardoor het
verarmingsproces en al de gevolgen dat dit met zich meebracht nog eens in alle
hevigheid werd versterkt.[25]
Voor de jaren 1720 en 1730 zou er een andere
mogelijke verklaring kunnen worden naar voor geschoven. Zoals eerder aangehaald
vormde de periode 1650-1750 in Europa een periode van hevige depressie op
agrarisch gebied.[26]
Onze gewesten waren er echter in geslaagd deze depressie op te vangen. De
Zuid-Nederlandse landbouw stond sterk in deze periode (cf. de getuigenissen van
buitenlandse waarnemers). Dit gold dus ook voor de Wase landbouw.
Over het geheel gezien kende het Waasland vanaf
het begin van de 18e eeuw een stijgende levensstandaard en een
redelijk niveau van tewerkstelling. Het Land van Waas was globaal gezien dus een
vrij welvarende regio. Deze reputatie was tot in het buitenland bekend en zal
dus waarschijnlijk wel tot de verbeelding hebben gesproken van de talrijke armen
en ‘gelukzoekers’ die dachten dat het geluk er voor het grijpen lag. De waarheid
draaide heel anders uit.
3.2. GESLACHT
Tabel: Overzicht van het geslacht van de
veroordeelde landlopers en bedelaars
|
|
M |
V |
|
Vagebonden
|
20 |
32 |
Vagebonden en
bedelaars |
10 |
10 |
|
Bedelaars
|
3 |
3 |
|
Zigeuners
|
9 |
18 |
|
TOTAAL
|
32 |
63 |
Uit deze tabel kan men een opmerkelijk resultaat
aflezen. Het aantal vrouwen blijkt er redelijk ruim in de meerderheid te zijn
(60 % van de veroordeelde zwervers was een vrouw).
In de categorieën vagebonden- bedelaars en
bedelaars is er nog een mooi evenwicht tussen beide geslachten, maar in de
categorie van de zigeuners en de vagebonden zijn de vrouwen (ruim) in de
meerderheid. Er zijn tweemaal zoveel vrouwelijke zigeuners veroordeeld als
mannelijke, bij de vagebonden zijn er 1/3 vrouwen meer veroordeeld.
Bij een eerste gedachte zou men geneigd zijn te
stellen dat men te doen heeft met een eerder uitzonderlijke situatie, zeker als
er vergeleken wordt met cijfers in andere misdaadcategorieën. Bij nader
vergelijkend onderzoek blijkt dit niet zo te zijn.
In haar studie over de landloperij in de kasselrij
Oudburg in de 18e eeuw kwam Katarina Vande Velde tot dezelfde
resultaten.[27]
Hoewel in haar werk het verschil tussen het aantal veroordeelde mannen en
vrouwen niet zo groot was (55 vrouwen ten opzichte van 50 mannen), was er
eveneens sprake van een overwicht aan vrouwelijke delinquenten.
Vooreerst kan men een aantal vooroordelen zoals ‘vrouwen konden makkelijker van de plaatselijke armensteun genieten dan mannen’ of ‘vrouwen waren niet bestand tegen het ruwe zwerversbestaan’ voorgoed naar het rijk der fabelen verwijzen.
Toen vrouwen voor de schepenen van de kasselrij
Oudburg werden gebracht verklaarden ze veelal dat zij door hun mannen in de
steek waren gelaten en zich zodoende genoodzaakt zagen te gaan rondzwerven bij
gebrek aan enig ander inkomen. Mannen waren vaak de kostwinner en wanneer zij
vertrokken viel de vrouw terug op een inkomen dat ontoereikend was om in het
levensonderhoud te kunnen voorzien.[28]
Ook in onze bronnen vonden we een aantal gevallen
terug die deze theorie kunnen onderbouwen.
Voorbeeld ter illustratie: de 21 jarige Joanna
Therese Terwebroodt werd geboren in Brugge. Toen haar vader ervandoor ging bleef
ze met haar moeder en zussen alleen achter. Na een zwerftocht belandden ze in
Sint-Niklaas waar ze een armzalige kleine woning konden betrekken. Om aan geld
te raken ging zij met haar zussen regelmatig op bedeltocht in het Waasland. Op
een van die tochten werden ze betrapt op de diefstal van een kleed. Het leverde
haar een verbanning van 10 jaar uit het Waasland op.[29]
Volgens K. Vande Velde verlieten mannen hun vrouw
meestal om dienst te nemen in het leger om ofte gaan varen op schepen die naar
de kolonies in de Nieuwe Wereld trokken. Deze stelling hebben we aan de hand van
de doorgenomen bronnen echter niet kunnen bekrachtigen.
Een andere mogelijke verklaring zou kunnen zijn
dat het hier om alleenstaande dagloonsters en arbeidsters ging (bijvoorbeeld
weefsters en spinsters) die rondtrokken om ergens hun diensten te gaan
aanbieden. Maar door de sterk toegenomen werkeloosheid (zeker in de crisisjaren
van 1740) in deze troebele en arme tijden raakten deze personen maar weinig aan
de bak en door de armoede zagen zij zich dan maar genoodzaakt te gaan zwerven,
bedelen en stelen. Onderweg kwamen zij dan in contact met andere vrouwen die met
dezelfde problemen te kampen hadden. Dat zou ook mee kunnen verklaren waarom
zoveel, meestal nog jonge vrouwen meestal in groep rondtrokken.
Voorbeeld ter illustratie: de 22 jarige Anne
Vande Sande uit Gent had er al een hele zwerftocht door Vlaanderen en reeds 2
veroordelingen (één te Kortrijk en één in de kasselrij Oudburg) opzitten toen ze
samen met 2 andere personen in het Waasland binnenkwam om te vagebonderen en
diefstallen te plegen. Op haar proces dat uiteindelijk tot haar doodstraf zou
leiden verklaarde ze dat ze van armoede was gaan zwerven. De leenmannen hadden
er geen oren naar (het Verlichtingsdenken was nog niet doorgedrongen) en
veroordeelden de jonge vrouw tot de strop.[30]
Voorbeeld ter illustratie: de reeds eerder
vermelde Marie Van Vlasselair en haargezellen Sibille Gyelen en Catharina
Suynders trokkenmet hun drieën rond alvorens samen met een grotere groep in een
Bazelse schuur betrapt te worden.
Voorbeeld ter illustratie: op 11 juni 1732
werden 2 jonge vrouwen (respectievelijk 19 en 23 jaar oud) uit Duinkerken en
Rijsel wegens landloperij en diefstal veroordeeld. Nochtans waren beide vrouwen
“gesont van lichaam en bekwaam om met
werken hunne cost te verdienen in plaats van in desen lande te komen
vagebonderen”.[32]
3.3. LEEFTIJD
Zowel bij de
mannen als bij de vrouwen bevinden de meeste personen zich in de
leeftijdscategorie 20 tot 39 jaar.
Opmerkelijk ook is het aantal tieners dat in
de sententies voorkomt. Meestal zwierven ze samen met hun ouders, oudere
broers of zussen rond of verkeerden ze in het gezelschap van andere oudere
mensen.
Voorbeeld ter illustratie: de 14 jarige
Filiphina Hendricksen trok samen met haar oudere zus van 26 jaar rond in het
Waasland. Haar zus was te Meppen al eens gegeseld geweest. Toen haar oudere
zus werd gearresteerd wegens diefstal werd tegen haar dezelfde aanklacht
gevoerd en net als haar zus werd ze gegeseld en gebrandmerkt (op een leeftijd
van 14 jaar!!).[1]
Het kwam echter ook voor dat tieners alleen
of samen met leeftijdsgenoten rondzwierven.
Voorbeeld ter illustratie: op 4 augustus 1740
werdentwee jongens voor het leenhof gebracht. Ze waren respectievelijk 13 en
14 jaar oud en afkomstig uit “Geertsberghen” en Zottegem. Ze zwierven samen
rond “zonder eene fixe woonplaatse
hebbende” en leefden van wat zij met bedelen te pakken kregen.
De leenmannen hielden rekening met
“hunnen jonckheit” en veroordeelden hen tot een 10 jarige verbanning
uit het Waasland.[2]
Erg opmerkelijk in vergelijking met de
leeftijdsstructuur van mannen is het feit dat bij vrouwen erg veel tieners
aanwezig waren. Van de 46 vrouwen waarvan de leeftijd is bekend waren er 15
jonger dan 20 jaar. Bij de mannen waren dit er slechts 6.
Ook hier is de leeftijdscategorie 20-39 jaar
erg sterk vertegenwoordigd (52 % van de gevallen).
De oorzaak van het plegen van criminele
feiten op relatief jeugdige leeftijd moet men gaan zoeken in de
tijdsomstandigheden. Een kind werd in die tijd zeer vroeg in de wereld van de
volwassenen opgenomen. In de laagste klassen waren kinderen zelfs vaak al op
zeer jeugdige leeftijd op zichzelf aangewezen.[3] In Frankrijk was de
historicus N. Castan al tot dezelfde conclusie gekomen.[4]
Als men beide geslachten samen bekijkt, zijn
het vooral de leeftijdscategorieën 20-29 jaar en 30-39 jaar die er bovenuit
steken.
Deze studie is echter gebaseerd op Gent. Of
bovenstaande stelling ook gold voor meer landelijke regio’ s (zoals het
Waasland) is maar zeer de vraag.
Een aantal landlopers poogde zijn leeftijd te
verdoezelen. Door zich veel jonger of veel ouder voor te doen hoopten ze
strafvermindering of gratie te verkrijgen.
Voorbeeld ter illustratie: toen Elisabeth en
Elena Daussaert voor de schepenen van het leenhof dienden te verschijnen,
poogden ze deze ervan te overtuigen dat ze respectievelijk 14 en 15 jaar oud
waren. Afgaande op het antwoord van de schepenen bleek dat deze niet echt
geneigd waren dit te geloven: “Nochtans
dragende ghij de visionomie van een persoon diep in de 20 jaren.”
Voorbeeld ter illustratie: toen Christoffel
De Clerq uit Gent voor het leenhof diende te verschijnen, verklaarde hij aan
de rechters “zijnen leeftijd niet
precies te weten.”[9]
3.4. AFKOMST
In de meeste gevallen is de geboorteplaats
van de landloper in de sententie opgenomen. In sommige gevallen werd de stad
of streek genomen waar deze personen uit afkomstig waren of waar ze lange tijd
verbleven hadden alvorens aan hun zwerftocht te beginnen. In 4 gevallen werd
het land of de regio genomen waar deze personen het laatst hadden
rondgezworven.
In 26 gevallen is omtrent de oorspronkelijke
afkomst of de eerdere zwerfgebieden van de landlopers niets geweten of wordt
het in de bronnen niet vermeld.
Tabel: Afkomst der landlopers en bedelaars
|
Antwerpen
|
7 |
|
Bergen Op Zoom |
4 |
|
Bouchout
|
1 |
|
Breda |
1 |
|
Brussel |
3 |
|
Dendermonde
|
4 |
|
Duinkerken |
3 |
|
Dyck |
1 |
|
Friesland |
4 |
|
Gelderland |
5 |
|
Gent |
11 |
|
Hulst |
1 |
Kalken
|
2 |
|
Lieser |
1 |
|
Luik |
4 |
|
Luxemburg |
2 |
|
Maastricht |
3 |
|
Mechelen |
4 |
|
Namen |
1 |
|
Oudenaarde |
6 |
|
Parijs |
3 |
|
Rijsel |
2 |
|
Steenhuffel |
1 |
|
Zele |
1 |
|
TOTAAL |
75 |
Slechts 4 personen kwamen uit het Waasland
zelf. Zij zijn in bovengaande tabel niet opgenomen. Twee van hen waren
afkomstig uit Sint-Niklaas, een persoon uit Vrasene en een uit Sint-Gillis.
Twee van deze personen waren bedelaars die in de buurt van Sint-Niklaas en
Vrasene aan het bedelen waren zonder vergunning op zak.
Van de 75 andere personen waren er 47
afkomstig uit de Zuidelijke Nederlanden en 28 kwamen uit het buitenland.
In tegenstelling met de situatie in de
kasselrij Oudburg, waar het grootste deel van de landlopers in de eerste helft
van de 18e eeuw een relatief kleine mobiliteit vertoonde[10],
hadden de landlopers die het Waasland aandeden veelal reeds een lange tocht of
tal van omzwervingen achter de rug.
Op zich hoeft dat niet te verbazen. Het
Waasland was immers een grensgebied (nabijheid van het huidige Zeeuws-
Vlaanderen, Brabant, …) dat vanuit verschillende provincies dus makkelijk en
redelijk snel te bereiken was. Zoals eerder al werd aangehaald deden in deze
periode ook tal van vreemde legers het Waasland aan en in hun kielzog trokken
ook allerlei ongure elementen, zwervers en mensen uit allerlei randgroepen
(bijvoorbeeld de zogenaamde “soldatenvrouwen en –kinderen”) mee.[11]
Dat vele van deze landlopers al een heel
zwerversbestaan achter de rug hadden toen ze in het Waasland werden gevat,
wekt om een andere reden evenmin verbazing op.
De oorzaak kan men gaan zoeken in de strenge
wetgeving en bestraffing tegen landlopers en zigeuners die in heel West-
Europa gold.
Voorbeeld ter illustratie: Anne Verbeke,
geboren op het fort Sint- Marie, werd op 17 mei 1709 te Audenbosch (Bergen Op
Zoom) samen met Jan Raes gegeseld en gebrandmerkt wegens diefstal. Na haar
veroordeling was zij naar het Waasland afgezakt om te komen zwerven en stelen.[12]
Voorbeeld ter illustratie: de 18 jarige te
Gent geboren Pieter Pauwels was op 20 februari 1727 te Brugge veroordeeld tot
8 jaar verbanning wegens “deugnieterijen en vagebonderen”. Nauwelijks een week
na zijn veroordeling wordt hij op 28 februari te Lokeren door de ronde
opgepakt wegens diefstal en landloperij.[13]
Voorbeeld ter illustratie: de 20 jarige Anne
Marie uit Gelderland was na een veroordeling (gegeseld, gebrandmerkt en
verbannen) te Holland samen met een andere vrouw in Sint- Gillis beland. Naast
er rond te zwerven pleegden beide vrouwen minstens drie inbraken. Anne Marie
belandde op het schavot waar ze opnieuw werd gegeseld en gebrandmerkt (het
brandmerk kende de vorm van een galg, om autoriteiten erop te wijzen dat bij
een derde veroordeling haar de strop moest worden gegeven) en een levenslange
verbanning uit de keizerlijke Nederlanden kreeg.[14]
Voorbeeld ter illustratie: ook Jan François
Gordijn uit Dyck had er reeds een hele zwerftocht opzitten toen hij samen met
zijn vrouw te Temse werd gearresteerd.
Hij was zelfs al eens opgepakt geweest te