Een biografie van Filips van Courtenay (ca. 1240-1283): een vorst op de dool en onderzoek naar de titel ‘titulaire Latijnse keizer van Constantinopel’. (Tarek Peeters)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

DEEL IPORPHYROGENETUS

 

I. HET BEGIN. Het Latijnse keizerrijk en de jonge Filips van Courtenay

 

1. Boudewijn II van Courtenay

 

Zoals hiervoor al uiteengezet werd Boudewijn II van Courtenay na de dood van Jan van Brienne op 23 maart 1237 de nieuwe keizer. Zijn moeder, Yolande van Vlaanderen, was zwanger van hem toen ze in april 1217 vanuit Brindisi de overzeese route naar Constantinopel nam[75]. Laat in 1217 – de exacte datum is niet bekend - beviel ze in Constantinopel van de toekomstige keizer. Zijn vader, Peter II van Courtenay, werd in Griekenland door Theodor I Doukas, despoot van Epirus, gevangengenomen. Hij zou in juni 1219 in gevangenschap overlijden, zonder ooit zijn jongste zoon te zien[76].

Filips en Robert, de oudste zoons van Peter en Yolande, bleven achter om de familiebezittingen te beheren. Filips werd de nieuwe heer van Courtenay, Châteaurenard, Charny en Champignelles, en markgraaf van Namen. Auxerre, Tonnerre en Nevers gingen als bruidschat naar de oudste dochter, Mahaut. Na de dood van Yolande in september 1219 weigerde Filips de Latijnse keizerskroon en bleef tot zijn dood in 1226 markgraaf van Namen (als Filips II, reg. 1216-1226). Zijn jongere broer Robert werd de nieuwe Latijnse keizer (reg. 1221-1228). Na diens overlijden in 1228 werd Jan van Brienne keizer in afwachting van Boudewijns meerderjarigheid. Volgens de overeenkomst van april 1229 zou Boudewijn huwen met Jans dochter, Maria.

Vermits Jan en Berengaria in 1224 in het huwelijk waren getreden, kon Maria in 1229 niet meer dan vijf jaar oud zijn[77]. Boudewijns leeftijd lag tussen elf en twaalf. Waarschijnlijk trouwden ze in 1235[78], wanneer Maria een aanvaardbare huwelijksleeftijd had bereikt.

Boudewijn bracht het grootste deel van zijn regering door in het Westen op zoek naar financiële en militaire hulp voor het keizerrijk. Vlak na de gecombineerde aanval op Constantinopel van Ivan Asen II en Johannes III Doukas Vatatzes vertrok Boudewijn naar Rome[79]. In 1237 stierf Jan van Brienne en werd Boudewijn Latijns keizer. De nieuwe keizer bevond zich toen aan het hof van Lodewijk IX de Heilige, koning van Frankrijk (reg. 1227-1270)[80]. Daar bepleitte hij de zaak van het Latijnse keizerrijk voor de koning en zijn moeder, Blanche van Castilië. Boudewijns genegenheid voor het Franse hof kwam voort uit de sterke bloedbanden tussen het Latijnse keizerrijk en Frankrijk. Blanche van Castilië was immers de zuster van Berengaria, de vrouw van Jan van Brienne en de moeder van Maria van Brienne, Boudewijns echtgenote. Daarenboven hadden Boudewijn en Lodewijk een gezamenlijke voorvader in Lodewijk VI de Dikke, koning van Frankrijk[81]. De mening van Blanche over Boudewijn was niet bepaald positief. Ze vond hem kinderlijk, onverantwoordelijk en achtte hem niet wijs genoeg om over een keizerrijk te regeren[82]. Niettemin kreeg hij de steun van het Franse hof.

In 1237 wist hij zijn aanspraken op het markgraafschap Namen door te drukken[83]. In 1238 bezocht hij Hendrik III, koning van Engeland (reg. 1216-1272), in Londen. De Engelse koning schonk hem wat geld[84].

Uit Constantinopel kwam het bericht van zijn vrouw dat de hoofdstad te lijden had onder de voortdurende aanvallen van hun vijanden. Sommige baronnen waren reeds ’s nachts uit de stad gevlucht[85]. Boudewijn keerde onmiddellijk terug naar zijn keizerrijk met een leger onder het bevel van Jan van Béthune. In Italië werden hij en zijn strijdmacht opgehouden door Frederik II, keizer van het Heilig Roomse rijk, die op dat moment Milaan belegerde. Pas nadat een razende paus Gregorius IX Frederik tot de orde riep, gaf hij hen een veilige doorgang[86]. In Venetië overleed Jan van Béthune, en het leger viel uit elkaar[87]. Constantinopel werd gered door een Venetiaanse vloot.

Toen Boudewijn aan de macht kwam werd het Latijnse keizerrijk gekenmerkt door drie belangrijke gebreken die het regeren van de keizer op een constante evenwichtsoefening doet uitdraaien. Die gebreken omhelsden een gebrek aan externe steun, een door verdragen opgelegde beperking van de keizerlijke macht en een voortdurend geldgebrek.

 

2. Het gebrek aan externe steun

 

De meerderheid van de Europese vorsten was niet bereid zich in te spannen voor het Latijnse keizerrijk. Lodewijk IX was te druk bezig om orde in zijn koninkrijk te bewerkstelligen om zelf op kruistocht te kunnen gaan. Frederik II beloofde sinds 1215 regelmatig om op kruistocht te gaan, maar kwam er niet toe omdat zijn onrustige Duitse rijksvorsten en de uitbouw van het koninkrijk Sicilië hem meer interesseerden. Hendrik III had zijn woelige baronnen en zijn Franse bezittingen. De koningen van Aragon, Castilië en Portugal interesseerden zich meer voor de kruistocht tegen de Moren op het Iberische schiereiland dan voor het verre Constantinopel.

Dichter bij het Latijnse keizerrijk was Béla IV, koning van Hongarije (reg. 1235-1270) aan het proberen om het koninklijke gezag te herstellen na een troonstrijd in het begin van de eeuw[88]. Het Tweede Bulgaarse rijk stond vijandig tegenover het keizerrijk. De tsaren zagen liever zichzelf op de keizerstroon. Epirus, onder Johannes Doukas (reg. 1237-1244) maakte eveneens aanspraken op Constantinopel. In Klein-Azië was Epirus’ rivaal Nicaea onder Johannes III Doukas Vatatzes de Latijnen aan het terugdringen. Het Seldsjoeken-sultanaat van Rum, onder Kay Khosru II (reg. 1236-1245) was een staat in verval. De kruisvaardersstaten in Palestina konden het zich niet veroorloven om niet alleen aan hun eigen veiligheid denken.

De lijst van bondgenoten van het Latijnse keizerrijk is beduidend korter. Meestal joegen ze alleen hun eigen interesses na. De paus steunde Boudewijn omdat hij meende dat het keizerrijk de terugkeer van de orthodoxe kerk in de schoot van de kerk van Rome zou bevorderen. Venetië steunde de Latijnen alleen om haar handelsimperium te behouden. De kruisvaarderstaten op de Balkan zagen liever Constantinopel dan zichzelf als buffer tegen het opkomende Nicaea fungeren.

 

3. De beperkte macht van de Latijnse keizer

 

Bovenaan de hiërarchische ladder stond de keizer. Naast hem stond de podestà, het hoofd van de Venetiaanse commune in Constantinopel, en vertegenwoordiger van de doge. De administratie van de podestà was gebaseerd op het model van Venetië. Hij bezat judices communi (commune-rechters), conciliatores (raadgevers), een camerarius (een kamerheer), en avocatorio. Vanaf 1207, toen Marino Zeno vervangen werd door Ottaviano Quirino, moest de podestà een eed afleggen voor de doge[89].

De keizer werd bijgestaan door de podestà en zijn raad, samen met de niet Venetiaanse baronnen. Deze gezamenlijke raad – eigenlijk de raad van het Latijnse keizerrijk – duidde – naar Venetiaanse gewoonte – rechters aan om zaken te horen[90]. De keizer moest dus rekening houden met een Venetiaanse podestà en een raad. Bovendien bezaten de Venetianen een groot deel van het veroverde grondgebied – getuige de titel ‘quartae partis et dimidiae totius imperii Romaniae Dominator[91].

De macht van de Latijnse keizer was vrij beperkt. Voor zijn kroning moest elke nieuwe keizer zweren dat hij de overeenkomsten van drie verdragen moest nakomen. Het verdrag van maart 1204 was het eerste verdelingsverdrag tussen de kruisvaarders en Latijnen, opgetekend voor de tweede belegering van Constantinopel. Het voorzag in een verdeling van de buit en de verkiezing van een Latijnse keizer en een Latijnse patriarch. De verdeling van gebieden zou gebeuren door een commissie, waarop de keizer geen enkele zeg had. De keizer zou slechts beperkte macht krijgen[92].

In oktober 1204 kwam er een tweede verdelingsverdrag, samengesteld door een commissie van twaalf kruisvaarders en twaalf Venetianen[93]. Hierin werd een definitieve gebiedstoewijzing doorgevoerd, gebaseerd op het verdrag van maart 1204.

Het laatste verdrag was gesloten in oktober 1205 tussen Hendrik – toen nog moderator van het Latijns keizerrijk – en de Venetiaanse podestà Marino Zeno (reg. 1205-1207)[94]. Dit belangrijk verdrag bond Venetië aan het keizerrijk en perkte de macht van de keizer nog verder in. Als de podestà, zijn raad en de Latijnse baronnen overeenkwamen met de keizer dat er nood was aan een veldtocht, zouden alle Venetiaanse en niet-Venetiaanse ridders moeten deelnemen in deze campagne. Hun deelname was verplicht tussen 1 juni en 29 september. Als er een vijandelijke invasie zich voordeed, kon de diensttijd verlengd worden. De duur van de verlenging hing af van de gezamenlijke raad van de podestà en de Latijnse baronnen. De keizer moest zich naar de wil van de raad schikken. De keizer noch de ridders konden elkaar straffen opleggen als deze regels geschonden werden. Hiervoor werden door de Venetianen en niet-Venetianen voor elke zaak rechters aangesteld. De keizer zou dan, afhankelijk van de beslissing van de raad, genoegdoening schenken aan beide partijen[95].

De ‘grondwet’ van het keizerrijk bestond dus uit de drie verdragen van maart en oktober 1204 en oktober 1205. Het belang van deze drie documenten komt bijvoorbeeld goed naar voren bij Hendrik I. Niet alleen moest hij bij zijn aanstelling als moderator op de eerste twee documenten zweren, maar bij zijn kroning moest hij dit nogmaals doen, maar dan voor de drie verdragen[96].

De Latijnse keizers beschouwden zich als de rechtmatige opvolgers van het Oost-Romeinse rijk, gesticht door Constantijn de Grote, keizer van het Romeinse rijk (reg. 306-337). Voor hen was het Byzantijnse rijk sinds het schisma van 1054 een schismatisch rijk, dat zich had afgekeerd van de moederkerk van Rome[97]. De verovering van Constantinopel in 1204 was dus rechtvaardig, daar de ware (katholieke) kerk werd hersteld in het oosten. Innocentius III, paus tijdens de Vierde Kruistocht (reg. 1198-1216), berustte – na een aanvankelijke terughoudendheid en berisping van de kruisvaarders – in het Latijnse keizerrijk en gaf het de pauselijke steun en plaatste het onder zijn bescherming. Tevens werd absolutie geschonken aan de plunderaars van de Byzantijnse hoofdstad. De aanstelling van een Latijnse patriarch vervolledigde de terugkeer naar Rome.

De Latijnse kroningsceremonie ging grotendeels terug op het Byzantijnse voorbeeld, dat ze afgekeken hadden van de kroning van Aleksios IV Angelos. De Byzantijnse insignia – purperen kleding en de keizerlijke adelaars op de mantel – werden overgenomen. De keizers noemden zich ‘Porphyrogenetus’ en ‘semper Augustus’. Ze ondertekenden hun documenten met de heilige, keizerlijke rode inkt en gebruikten Griekse letters. De door hen verleende titels waren een mengeling van Byzantijnse en Westerse benamingen[98]. Het Latijnse keizerrijk was dus eigenlijk een eigenaardige combinatie van Byzantijnse en Westers-feodale elementen.

Officieel noemden de keizers zich leenheren van het koninkrijk Thessalonica, het Griekse schiereiland met daarop de heerlijkheid Athene en het vorstendom Achaea, en de Egeïsche eilanden. In werkelijkheid voerden de plaatselijke leenmannen veeleer hun eigen politiek, onafhankelijk van Constantinopel[99]. Alleen in uiterste nood schoten ze hun leenheer te hulp.

De meeste Latijnse keizers waren niet geschikt voor het regeren van het subtiel wespennest dat hun rijk uitmaakte. Alleen Hendrik had voldoende politiek inzicht om het keizerrijk in goede banen te leiden. Één van de grootste vereisten om degelijk te kunnen regeren was om de steun van de plaatselijke – meestal Griekse - bevolking te winnen. Aanvankelijk werden de kruisvaarders over het algemeen door de Grieken goed ontvangen. De Byzantijnse keizers waren al ettelijke jaren niet meer in staat om hun grenzen terdege te verdedigen tegen de vele invallers en de boeren leden onder een zware belastingsdruk, die de Byzantijnse schatkist broodnodig had om haar – vooral uit huurlingen bestaande – legers te betalen en te onderhouden. In steden als Thebe en Adramyttion werden de Latijnen verwelkomd[100]. De Latijnse bezetters verloren al snel hun krediet door hun nieuwe onderdanen als lijfeigenen en horigen te behandelen, net als bij hun thuis. Hun onverdraagzaamheid tegenover de orthodoxe kerk hielp ook niet echt harmonie scheppen. Veelal werd de orthodoxe geestelijkheid vervangen door een Latijnse clerus, die inzicht noch respect hadden voor hun grotendeels orthodoxe kudde. Voor de meeste kruisvaarders waren de Byzantijnen te bekeren schismatici, die dankbaar mochten zijn voor een kans om terug te keren tot het ware – katholieke - geloof. In 1205 reeds was de Bulgaarse heerser Ioannitsa in staat om de steun te winnen van de boeren en de gegoede klassen van Thracië in zijn veldtocht tegen de Latijnen[101]. Mettertijd keken de bezette Grieken naar Epirus of Nicaea om voor hun bevrijding te zorgen. Nicaea had het voordeel van de aanwezigheid van de orthodoxe patriarch van Constantinopel, wat hun hof een zweem van legitimiteit verleende. Verscheidene Byzantijnse clerici die genoeg hadden van de Latijnse onderdrukking, vluchtten naar Nicaea om zich bij ‘hun’ patriarch te voegen.

Alleen keizer Hendrik was in staat om de genegenheid en het respect van zijn nieuwe onderdanen te winnen. Hij stelde voormalige Byzantijnse ambtenaren aan als zijn leenmannen[102] en kon op den duur zelfs Griekse troepen inzetten tegen de Byzantijnse erfstaten. Zijn rechtspraak werd overal geëerd als rechtvaardig. Belangrijker nog was dat hij inzag dat de orthodoxe kerk gerespecteerd moest worden, wilde het keizerrijk ooit echt regeren over het voormalig Byzantijns grondgebied[103]. Zijn opvolgers verloren de door Hendrik zo moeizaam opgebouwde sympathie van de Byzantijnse bevolking door terug te keren naar hun oude onderdrukkende gewoontes.

 

4. De armoede van het keizerrijk

 

Boudewijns grootste probleem was echter zijn aanhoudend geldgebrek. Dit was ook de voornaamste reden voor zijn voortdurende reizen in het buitenland. Door het verlies van het grootste gedeelte van het Latijnse gebied in de veldtochten van 1217-1225 waren er te weinig leenmannen om het rijk te verdedigen. De keizer moest zich voortaan beroepen op huurlingen en vrijwilligers, waarvoor de fondsen hem eigenlijk ontbraken[104].

Daardoor was Boudewijn ook bekend om zijn verkoop van de Byzantijnse relikwieën. Hij kreeg waarschijnlijk dit idee omdat zijn baronnen het voordeden: een eerste heilig voorwerp, de doornenkroon, werd tijdens Boudewijns eerste reis tussen 1235 en 1239 door de Latijnse baronnen verpand aan de Venetianen. Uiteindelijk werd de doornenkroon in bewaring gegeven aan de Venetiaan Niccolo Querini. In 1238 werd ze vrijgekocht door Lodewijk IX van Frankrijk. Ze belandde in de speciaal voor haar gebouwde Sainte-Chapelle in Parijs.

In 1239 wou Boudewijn zijn bezittingen in Courtenay verkopen aan Godfried II van Villehardouin, vorst van Achaea. Lodewijk IX kwam tussenbeide en verbood de verkoop. In een brief van Boudewijn aan Lodewijk in 1239 pleitte de keizer armoede als excuus voor de verkoop. De Latijnse keizer was gelukkig dat Lodewijk op tijd tussenbeide was gekomen, daarom schonk hij de heerlijkheid Courtenay voor het leven aan de Latijnse keizerin Maria van Brienne[105]. Volgens Robert L. Wolff zag Lodewijk Courtenay niet graag overgaan in andere handen omdat de Courtenay een zijtak van de Capetingen waren[106]. Een andere mogelijkheid is dat de koning Courtenay ooit zelf in bezit wou hebben en bij het kroondomein voegen. Gezien de precaire financiële toestand van Boudewijn lag hier een opportuniteit voor de Franse koning.

Nog in datzelfde jaar leende de Franse koning hem 50.000 livres parisis. Het onderpand was het markgraafschap Namen[107].

Van de Franse adel moest Boudewijn ook niet veel verwachten, militair noch financieel. In plaats van hem te hulp te schieten zeilde een deel van hen in juni 1239 naar de stad Akko in Outremer, in plaats van naar Constantinopel[108]. Boudewijn ging over land naar Constantinopel, aan het hoofd van ongeveer 30.000 broodnodige manschappen die hij waarschijnlijk met zijn leningen bekostigd had[109]. In 1240 werd er een klein succes geboekt door de verovering van Tzurulum[110]. Een Venetiaanse vloot versloeg voor de tweede maal de schepen van Johannes III Doukas Vatatzes[111].

 

5. De geboorte van Filips van Courtenay

 

Er bestaat geen zekerheid over de geboortedatum van Filips van Courtenay. Hij is ten vroegste geboren in 1240 en ten laatste in 1243. 1240 is de vroegste datum omdat Boudewijn van 1235 tot de tweede helft van 1239 in het buitenland verbleef terwijl Maria van Brienne in Constantinopel was, en Filips dus onmogelijk voor de tweede helft van 1239 verwekt kon zijn. 1243 is de laatst mogelijke datum omdat hij dan voor het eerst verschijnt in de contemporaine rijmkroniek van Philippe Mouskes.

Mouskes’ werk eindigt in 1243. Één van de laatste noteringen gaat over Boudewijn en Maria. De volledige tekst luidt:

 

De vers Grisse revint noviele

Assés périlouse et non biele,

Que mors estoit li emperère

Baudouins, ki fut Robert frère,

L’empéreour mort devant lui.

S’en ot sa feme grant anui,

Qui fille fu au roi Jehan,

Qui pour Dieu ot paine et ahan.

I fil avoient moult petit.

Or fu mestiers c’on li ait.

Jofrois, ki la seroi avoit

L’emperéour, ki mors estoit,

Grant genst i mena de moins lius,

Quar il en vat iestre baillus;

Et, pour sa feme et pour l’enfant,

Avoir et gent i mena tant,

Et par galies et par nés,

Quar larges ert, preus et senés.’[112]

 

Volgens Mouskes deed het valse gerucht de ronde dat Boudewijn tijdens een reis in het Westen overleden was (‘Que mors estoit li emperère’). Toen dit Godfried II, vorst van Achaea (‘Jofrois’), ter ore kwam, reisde hij onmiddellijk af naar Constantinopel. Daar eiste hij het regentschap op (‘Quar il en vat iestre baillus’) voor de zoon van Boudewijn, dan nog een klein kind (‘moult petit’). Godfried kon dit op grond van zijn huwelijk met Agnes van Courtenay, dochter van Peter II van Courtenay en Yolande van Vlaanderen en zuster van Boudewijn, in 1217[113].

In 1243 was Filips dus ‘moult petit’, zeer klein, of, met andere woorden, een onmondig kind. Waarschijnlijk werd Filips ca. 1240 geboren[114], en was hij ten tijde van Mouskes’ opmerking een kind van twee à drie jaar. Als de troonopvolger in 1243 geboren was, zou Mouskes dit waarschijnlijk vermeld hebben in zijn rijmkroniek, voorgenomen dat hij dit op de één of de andere manier te weten was gekomen.

De geboorteplaats van Filips was, met zekerheid, de hoofdstad van het Latijnse keizerrijk, Constantinopel[115]. Maria van Brienne verbleef sinds haar huwelijk in Constantinopel, waar ze zeker tot 1247 resideerde. Een precieze locatie is onmogelijk te achterhalen. Waarschijnlijk gebeurde dit in het verblijf van de Latijnse keizers, het paleis van Boukoleon. Boukoleon lag aan de zee van Marmara, in het zuiden van Constantinopel, waar ook een haven lag. Het paleis was door het verdrag van maart 1204 toegewezen aan de overwinnaar van de keizersverkiezing van 1204[116].

 

6.  De familieleden van Filips van Courtenay

 

Filips was het eerste kind van Boudewijn en Maria.. Volgens de Europäische Stammtafeln[117] werd er in 1244 nog een zoon geboren, die stierf toen hij nog een kind was. Ik heb hier echter geen verdere vermelding van kunnen vinden. Mocht het waar zijn, zou dit alleen Filips geboortedatum bevestigen.

Zijn grootouders, zowel langs vaders- als moederszijde, heeft hij nooit gekend. Er waren wel nog ooms en tantes.

Peter van Courtenay en Yolande van Vlaanderen hadden immers dertien kinderen. Ten tijde van Filips geboorte waren er daarvan, buiten Boudewijn, nog vier met zekerheid in leven.

Er was Mathilde, de oudste dochter van Peter en Yolande. In 1199 was zij gehuwd met Hervé IV, heer van Donzy. In 1213 scheidde ze van hem, om in 1226 te hertrouwen met Guy IV, graaf van Forez. Kort na Filips geboorte in ca. 1240 overleed Guy in 1241. Mathilde overleefde haar man nog tot 12 oktober 1257[118].

Margaretha huwde in ca. 1210 met Raoul III van Issoudun. Raoul overleed in 1216, waarop ze in datzelfde jaar nog met Hendrik I, graaf van Vianden, huwde. Hendrik overleed in 1252, Margaretha op 17 juli 1270[119].

Elizabeth huwde met Gaucher, graaf van Bar-sur-Seine. Na diens dood in 1219 hertrouwde ze met Eudes III, hertog van Bourgondië (reg. 1192-1218) In 1269 stelde ze haar testament op. Ze stierf na 1269[120].

Agnes was in 1217 door haar moeder uitgehuwelijkt aan Godfried II van Villehardouin, vorst van Achaea. Ze stierf na 1247[121].

Uit het huwelijk van Jan van Brienne en Berengaria van Castilië waren, buiten Maria van Brienne, nog drie zonen voortgekomen.

Alfons van Brienne, graaf van Eu en chambrier van Frankrijk, was voor 1210 gehuwd met Maria van Lusignan, die het graafschap Eu als bruidschat meebracht. Alfons zou later overlijden op de tweede kruistocht van Lodewijk IX, op 25 augustus 1270.

Lodewijk, burggraaf van Beaumont-au-Maine, was bij Filips’ geboorte nog vrijgezel. In 1253 huwde hij Agnes van Beaumont-au-Maine, dat hem het burggraafschap Beaumont-au-Maine opleverde. Hij stierf pas na 1 september 1297.

De jongste zoon, Jan, boutelier van Frankrijk sinds 1235, was eveneens ongetrouwd bij Filips’ geboorte. Na de dood van Alexander II, koning van Schotland (reg. 1218-1249), huwde hij diens weduwe, Maria Van Coucy. Zij stierf, en in 1251 hertrouwde hij met Johanna van Châteaudun, de weduwe van Jan I, graaf van Montfort. Jan werd zo graaf van Montfort[122]. In 1235 had hun vader hen naar het hof van Lodewijk IX gestuurd, samen met hun schoonbroer Boudewijn[123].

Filips was dus rechtstreeks verwant met het Franse koningshuis, en onrechtstreeks met dat van Castilië. Hij was van koninklijken bloede. Bij zijn geboorte werd hij automatisch de troonopvolger van het Latijnse keizerrijk van Constantinopel, en was dus ook van keizerlijken bloede.

 

7. De vroege jeugd van Filips van Courtenay

 

In 1240 werd Boudewijn – eindelijk - tot Latijnse keizer gekroond[124]. Zijn kroning was uitgesteld door zijn reis in het Westen tot 1239. Het is ook goed mogelijk dat de zwangerschap van zijn vrouw eveneens een rol gespeeld heeft, aangenomen dat Filips in ca. 1240 het levenslicht zag.

Zoals over de geboorte is er over de jeugd van Filips weinig geweten. Zonder twijfel was zijn vader maar al te blij met een mannelijke erfgenaam die de rechtstreekse mannelijke lijn van Latijnse keizers kon verderzetten. Vermoedelijk speelden de eerste levensmaanden en –jaren zich af in en rond het Boukoleon.

Het Boukoleon was gebouwd door Theophilos, keizer van het Byzantijnse rijk (reg. 829-842). Het lag in het zuiden van Constantinopel, aan de zee van Marmara, en was gebouwd in een verlengde van de omwallingen in deze buurt, waar de muren al enkele jaren eerder verdikt waren. Onder keizer Nicephoros II Phokas (reg. 963-969) werd het paleis binnen de nieuwe omwallingen gebracht. Het behoorde tot het Grote Paleis en was het voornaamste woonvertrek ervan tussen de negende en de elfde eeuw. Sinds 1081 waren de Byzantijnse keizers verhuisd naar het Blachernae-paleis als hoofdresidentie, maar het Boukoleon bleef in gebruik. Sinds 1204 dan was het de officiële residentie van de Latijnse keizers. Misschien stond Filips in zijn jonge jaren ooit op het balkon en keek hij naar de aankomende schepen. Niets is zeker hieromtrent.

Waarschijnlijk stond hij gedurende zijn eerste levensjaren onder de hoede van vrouwen[125], te beginnen met zijn moeder. Normaal gezien leerde hij een weinig lezen en schrijven. Latijn en Frans zullen de voornaamste talen geweest zijn. Latijn omdat het – voor de Latijnse kruisvaarderafstammelingen – nog steeds de lingua franca was, voor zowel de kerk als op het gebied van de politiek. Maar Filips was bovenal ook een Franse prins, en dus zal Frans meer dan zeker op het programma hebben gestaan.

Helaas voor hem werd zijn opvoeding rond zijn acht jaar abrupt onderbroken.

 

 

II. VENEZIA LA SERENISSIMA. Filips van Courtenay als onderpand van de Venetianen

 

1. De aftakeling van het Latijnse keizerrijk van Constantinopel

 

De laatste twee decennia van het Latijnse keizerrijk werden gekenmerkt door een steeds versnellende neergang. De onmacht en de armoede van de keizer waren de voornaamste redenen voor dit verval. De verkoop van de relikwieën van Constantinopel was geen onuitputtelijke bron van inkomsten.

In 1241 kwam de tijding dat Gregorius IX op 22 augustus overleden was. Dit was een zware slag voor Boudewijn, die een machtige steun verloor. In het daaropvolgende bewogen conclaaf – het eerste in de pauselijke geschiedenis – werd op 25 oktober 1241 de bejaarde theoloog Goffredo da Castiglione verkozen, die de naam Celestinus IV aannam[126]. Celestinus overleed echter kort daarna op 10 november, en de kardinalen vluchtten uit de stad zonder een nieuwe paus te verkiezen. Het zou tot 1243 duren voor er een nieuwe plaatsvervanger van Christus op de troon van Petrus zetelde[127]. Van Rome was voorlopig niet veel hulp meer te verwachten.

Gelukkig voor het keizerrijk stierf ook Ivan Asen II, heerser van de Vlachen en de Bulgaren, in 1241. Hij werd opgevolgd door zijn minderjarige zoon Koloman. De Bulgaren stelden een regentschap in, dat zich vreedzaam opstelde tegenover de Latijnen[128].

In Nicaea zag Johannes III zijn kans schoon om zijn Europees grondgebied uit te breiden. Hij sloot een wapenstilstand met Boudewijn – die maar al te gretig inging op een moment van rust aan zijn grenzen – en rukte op tegen zijn aartsrivaal Epirus. Daar regeerde nog steeds Johannes Doukas, die zich nog altijd profileerde als keizer in Thessalonica. Vatatzes versloeg Johannes Doukas en dwong hem om de keizerstitel af te leggen en zich tevreden te stellen met de titel despoot. Johannes werd gedwongen om de titel aan te nemen bij de gratie van Nicaea[129]. In 1244 overleed Johannes Doukas. Hij werd opgevolgd door Demetrios Doukas (reg. 1244-1246).

Boudewijn ondertussen had in een brief van augustus 1243 koningin-moeder Blanche van Castilië in een brief moeten verzekeren van zijn loyauteit voor het katholieke geloof. Blanche had door geruchten vernomen dat de Latijnse keizer gebruik maakte van Griekse – orthodoxe – raadgevers. Boudewijn ontkende haar aantijgingen en zwoer een dure eed dat hij nog nooit in zijn regeringsperiode raad had gevraagd aan schismatici, en dat zeker ook nooit zou doen[130]. De tegenstelling met de tolerantie van Hendrik enkele jaren eerder kon niet groter zijn. Het weinige vertrouwen van de Griekse bevolking in hun Latijnse overheer – als er nog wat was overgebleven sinds Hendriks dood in 1216 - was tot op een dieptepunt gezakt.

In die periode ontving hij een interessant aanbod van Kay Khosru II, sultan van het Seldsjoeken-sultanaat van Rum. Door Boudewijns onvermogen om zijn huurlingen te betalen, waren een duizendtal Latijnse ridders in dienst gegaan bij Kay Khosru. Hun verdiensten tijdens de Mongoolse invallen in het sultanaat stelden de Seldsjoek zo tevreden, dat hij Boudewijn een alliantievoorstel deed, met de vraag om een Latijnse prinses als bruid om het bondgenootschap te bevestigen. Het kwam ter sprake, maar werd blijkbaar door Blanche en haar zoon Lodewijk ronduit afgewezen[131].

In Rome werd op 25 juni 1243 Sinibaldo Fieschi als Innocentius IV tot nieuwe paus verkozen, na een sedisvacatie van bijna twee jaar[132]. In 1243, of in de eerste maanden van 1244, vertrok Boudewijn weer naar het Westen, om te bedelen om hulp voor zijn wegkwijnende keizerrijk[133].

Daar woonde hij in 1245 het Eerste Concilie van Lyon bij. In de concilieteksten werd het onderwerp ‘Aangaande hulp voor het keizerrijk van Constantinopel’ aangehaald[134]. De documenten spreken van de aandacht nodig voor ‘de bevrijding van het keizerrijk van Constantinopel’[135], hoewel ‘we ons bezig houden met moeilijke zaken en afgeleid zijn door vele andere bekommernissen’[136]. Het werd voorgesteld dat als er hulp voor Constantinopel kwam, ‘er hieruit volgend ook hulp wordt verleend aan het Heilig Land’[137]. Een volledige absolutie van de zonden werd geschonken aan hen die Boudewijn kwamen helpen. De Latijnse keizer zat tijdens het concilie rechts van de paus, op de ereplaats van de wereldlijke leiders. De Latijnse patriarch, Niccolo de Castro Arquato, was ook aanwezig en vertelde de volledige vergadering over de schismatische dreiging van de Byzantijnen. Het resultaat was dat Boudewijn een tiende van het inkomen van de paus kreeg toegewezen, met daarbij, onder bepaalde voorwaarden, de helft van het inkomen van een beneficium[138].

Vatatzes van Nicaea viel in 1246 het Tweede Bulgaarse rijk aan en slaagde er in om door zijn nieuwe veroveringen Thessalonica te omsingelen. De stad gaf zich over aan Vatatzes, waarmee er een einde kwam aan het keizerrijk Thessalonica. Demetrios Doukas werd meegevoerd naar Klein-Azië[139]. Het despotaat Epirus bleef echter voortbestaan door toedoen van Michael II Angelos, die zich in de jaren dertig gevestigd had in Acarnania. In 1249 zou hij door Vatatzes tot despoot van Epirus benoemd worden (reg. 1249-1271)[140].

In 1247 kwam Blanche van Castilië weer tussenbeide toen Boudewijn zich gedwongen zag om het markgraafschap Namen te verkopen. Ze leende hem 20.000 livres – het is onbekend of het hier om livres parisis of livres tournois gaat – om de verkoop niet te moeten laten plaatsvinden[141].

In 1247 eindigde ook een wapenstilstand tussen de Latijnen en Vatatzes. Deze was vlak voor het Eerste Concilie van Lyon gesloten, door bemiddeling van Frederik II, keizer van het Heilig Roomse rijk[142]. Frederik genoot goede relaties met Vatatzes. Beiden vonden elkaar in hun gezamenlijke vijand, de paus. Vatatzes huwde zelfs de onwettige dochter van Frederik, Constance. Tzurulum werd terug ingenomen, evenals Vizya. Gelukkig voor Boudewijn wendde Vatatzes zich naar Rhodos, waar een gezamenlijke aanval van het vorstendom Acheae en Genua bezig was[143].

 

2. Het in pand geven van Filips van Courtenay

 

In oktober 1248 keerde Boudewijn terug naar zijn hoofdstad[144]. De situatie was er zo uitzichtloos dat de baronnen er reeds waren toe overgegaan om het lood van de paleisdaken te verkopen, teneinde wat geld bijeen te sprokkelen. Het is waarschijnlijk in deze periode dat Boudewijn overging tot de radicaalste maatregel sinds het begin van zijn regering. Hij besloot zijn enige zoon Filips, de erfgenaam van het Latijnse keizerrijk van Constantinopel, te gebruiken als onderpand voor een lening[145].

Bij zijn terugkeer gaf hij op 8 oktober een volmacht aan zijn vrouw om al zijn bezittingen in het Westen als onderpand te gebruiken om een schuld van 24.000 hyperpers te betalen die hij verschuldigd was aan niet bij naam genoemde Constantinopolitaanse kooplieden[146]. Volgens Boudewijn was er geen enkele andere mogelijkheid om aan zo een grote geldsom te geraken[147]. Waarom was Boudewijn ineens bereid om al zijn Westerse bezittingen in onderpand te geven? Marino Sanudo Torsello, de veertiende-eeuwse kroniekschrijver, geeft het antwoord in zijn drie belangrijke werken – de Secreta Fidelium Crucis, de Istoria del Regno di Romania en zijn Fragmentum. Filips werd als onderpand voor een lening gegeven.

 

3. De datum van het in pand geven van Filips van Courtenay

 

De desbetreffende passages in Sanudo’s drie werken[148] zeggen allemaal hetzelfde. In de Secreta Fidelium Crucis wordt verteld hoe Boudewijn door toedoen van zijn vele vijanden zo arm was geworden dat hij verplicht was om zijn zoon Filips aan enkele burgers van Constantinopel in onderpand te geven in ruil voor geld – hoeveel wordt niet vermeld. Om zijn veiligheid te garanderen, werd de jongen naar Venetië gestuurd. Sanudo’s precieze term voor Filips is ‘puerulum’, kleine jongen[149]. In de Istoria del Regno di Romania vinden we de namen van de Constantinopolitaanse burgers: leden van het Venetiaanse huis Cà Ferro, die als Venetianen ook het burgerrecht van Constantinopel hadden[150]. In het Fragmentum tenslotte wordt gezegd dat het verblijf in Venetië van lange duur was, tot na de herovering van Constantinopel door de Byzantijnen (25 juli 1261)[151].

Samengevat geeft dit het volgende. Boudewijn had dringend geld nodig. Op een bepaald punt was zijn nood zo hoog dat hij overging tot het in pand geven van zijn enige zoon Filips aan de Venetiaanse firma Cà Ferro. De Cà Ferro stuurden Filips naar Venetië, omdat het daar veiliger was dan in Constantinopel.

Waarschijnlijk vond de transactie voor of vlak voor 8 oktober 1248 plaats, getuige de wanhoop van Boudewijn als hij al zijn bezittingen wou verpanden. Grondgebied was één ding, het verliezen van de enige mannelijke erfgenaam van de familie iets heel anders. Er zijn verschillende argumenten om dit te ondersteunen. De som van 24.000 hyperpers is een groot genoeg getal om tegenover een keizerszoon te plaatsen. Het getal is bijna twee keer zo groot als het onderpand voor de Doornenkroon, dat 13.134 hyperpers bedroeg[152]. Omgerekend geeft het getal van rond de 100.000 Amerikaanse dollars van 1954[153], bijna 100.000 euro. De huidige dollar is ongeveer vijf à zes keer meer waard. Het getal stijgt dus al snel tot bijna  500.000 à 600.000 euro – een duizelingwekkend cijfer, maar toch passend voor een keizerszoon.

24.000 hyperpers staat gelijk aan 15.000 livres tournois[154]. Om toch een idee te geven van de grootte, volgen hier enkele voorbeelden. De gemiddelde dagelijkse kosten voor op kruistocht te gaan bedroegen meer dan 1.000 livres tournois[155]. De jaarlijkse uitgaven van de Franse kroon tussen 1255 en 1259 bedroegen 113.785 livres tournois[156]. Het losgeld voor Lodewijk IX na zijn gevangenschap in zijn kruistocht in Egypte bedroeg waarschijnlijk rond de 200.000 livres tournois[157]. Het gaat hier dus zonder twijfel om een groot getal.

Er is de verwijzing naar Filips door Sanudo als ‘puerulum[158]. ‘puerulum’ duidt op een kleine jongen. Aangenomen dat Filips in ca. 1240 geboren was, zou hij ongeveer acht jaar oud zijn als zijn vader overging tot het verpanden.

Niet bij naam genoemde kooplieden van Constantinopel gaat goed op voor het huis Cà Ferro, dat ongetwijfeld, als Venetiaanse firma, een huis in Constantinopel gevestigd had. Sinds 1204 was Constantinopel de belangrijkste stad van het Venetiaanse handelsimperium, op de moederstad na uiteraard. Een huis in zowel Venetië als Constantinopel was een natuurlijk gegeven voor een firma van Venetiaanse kooplieden, zoals de Cà Ferro waren[159].

Filips van Courtenay werd dus waarschijnlijk vlak voor 8 oktober 1248 in onderpand gegeven aan het huis Cà Ferro voor een lening van 24.000 hyperpers of 15.000 livres tournois.

 

4. Filips van Courtenay en zijn verblijf in Venetië

 

De Venetianen brachten Filips naar Venetië. Hoe dit gebeurde is onbekend. Rekening houdend met het feit dat het imperium van Venetië en haar kooplieden een maritiem rijk was, gebeurde dit waarschijnlijk per schip. Een reis over land was niet aan te raden, omdat dit betekende dat er over het grondgebied van de Bulgaren moest gereisd worden, gezien de onstabiele situatie van het land niet echt aan te raden. Koloman, de opvolger van Ivan Asen II, werd vergiftigd door zijn stiefmoeder, die haar minderjarige zoon, Michael II Asen, op de Bulgaarse troon plaatste (reg. 1256-1256). Onder Michaels bewind werd het eens vrees inboezemende rijk van Ioannitsa en Ivan Asen II een soort van aanhangsel van het keizerrijk Nicaea. Bij Vatatzes’ aanval op Constantinopel van 1247 werden de Bulgaren zelfs gedwongen om mee tegen de Latijnen op te trekken[160]. Door het gebied trekken van een pseudo-Nicaeaans protectoraat behoorde niet echt tot de mogelijkheden, zeker niet met de enige mannelijke erfgenaam van een al zo zieltogend keizerrijk.

Misschien vertrok Filips vanuit het Boukoleon, de haven uit naar de zee van Marmara, om door de gemiddeld 5 à 6 kilometer brede straat van de Dardanellen te varen, de Egeïsche zee op. Misschien stopten ze op één van de Venetiaanse eilandstaatjes in die wateren, zoals het eiland Andros onder de Dandolo-familie, of Naxos en de Archipelago onder de Sanudo’s, om proviand bij te vullen of eventuele herstellingswerken uit te voeren.

Eenmaal op de Middellandse zee voerden ze misschien om de Peloponnesos, het zuidelijkste punt van het Griekse vasteland, om zo naar de Adriatische zee te varen door de straat van Otranto, aan het uiteinde van de Italiaanse laars. Uiteindelijk kwamen ze in Venetië aan. Daar werd hij waarschijnlijk opgewacht door de gebroeders Cà Ferro, Giovanni en Angelo Ferro, of door hun vertegenwoordigers.

Over zijn verblijf in Venetië is weinig tot niets geweten. Filips was ongeveer acht jaar oud toen hij aankwam, en had zijn opvoeding nog niet voltooid. Lezen en schrijven kon hij waarschijnlijk al wel. Hij sprak Latijn, of kon het op zijn minst begrijpen. Minder problemen zal zijn moedertaal, het Frans, geweest zijn. Misschien spraken de gebroeders Ferro of zijn opvoeders hem in het begin in het Frans aan. Ongetwijfeld werd Filips, als afstammeling van de Capetingen, verwant van de Franse koning en keizerszoon, goed tot zeer goed behandeld. Het valt aan te nemen dat zijn opvoeding door Venetianen voltooid werd. Het is ook goed mogelijk dat Boudewijn iemand meestuurde, of zelfs dat Lodewijk IX mensen stuurde.

Ongeacht wie zijn opvoeding vervolledigde, sommige lessen waren universeel voor een adellijke jongeman. De culturele invloed van het Venetië van het midden van de dertiende eeuw op de jongen zal ook niet min geweest zijn. De stad zal zeker een blijvende indruk op Filips gemaakt hebben, met al haar kunstschatten[161] en haar wirwar van kanalen. Zijn Latijnse studies werden waarschijnlijk verdergezet. Of Filips ooit Italiaans leerde, valt niet te achterhalen. Maar daar het grootste deel van zijn omgeving bestond uit Venetianen, zal hij toch edn weinig van de taal opgestoken hebben tijdens zijn verblijf.

Ongetwijfeld leerde Filips paardrijden en de beginselen van de vechtkunst, zoals het een toekomstig ridder betaamde. Valkenjacht maakte ook een onontbeerlijk deel uit van een adellijke opvoeding[162]. Andere lessen bestonden uit het leren schaken, het zingen en het dansen, een instrument leren bespelen, zoals de luit, en misschien zelfs onderricht in de hoofse liefde die sinds de twaalfde eeuw in opmars was[163].

Dan, vanaf zijn veertiende of vijftiende levensjaar, werd het militaire aspect uitgebreider behandeld. Het hanteren van het zwaard en andere wapens werd aangeleerd, evenals de heraldiek en hoe zich te gedragen bij een tornooi. De religieuze component van de opvoeding werd meestal verzorgd door een privé-kapelaan[164].

Als Filips de normale opvoeding ontving, leerde hij in die tijd dan ook zijn eigen wapenschilden beschrijven. Tot aan zijn vader hanteerden de Courtenay voor hun Westerse bezittingen het volgende wapenschild: in goud, drie koeken van keel, waarschijnlijk overgenomen van het oude huis Courtenay[165]. Peter I van Courtenay, de eerste Courtenay uit het huis Capet die dit teken droeg, had dus geen lelies – het symbool van de koninklijke familie – in zijn schild opgenomen. Peter II hanteerde hetzelfde schild. Robert van Courtenay voegde daar nog een barensteel met vijf hangers in azuur aan toe[166]. Boudewijn nam een volledig nieuw schild aan: in goud een leeuw van sabel, geklauwd en getongd in keel, met een schuinbalk in keel[167]. Het wapenschild van de Latijnse keizer van Constantinopel bleef voor elke keizer hetzelfde: in keel een kruis van goud, vergezeld van vier gouden bezanten, elk beladen met een kruis in keel, elke bezant vergezeld van vier gouden kruisen[168].

Over de lectuur van Filips valt ook alleen maar te gissen. Uiteraard was de Bijbel alomtegenwoordig. Meer wereldse literatuur bestond misschien uit enkele Arthurromans van bijvoorbeeld Chrétien de Troyes. In ca. 1236 schreef Guillaume de Lorris het eerste deel van de Roman de la Rose, een poëtische, allegorische roman. Misschien kreeg Filips in de jaren vijftig van de dertiende eeuw een copie in zijn handen. Niets is zeker hieromtrent. Over de opvoeding en het verloop van zijn verblijf is, dankzij de praktisch totale afwezigheid van vermeldingen in bronnen, niets met zekerheid geweten.

Waar verbleef Filips? De Cà Ferro hadden een paleis in de stad, dus lijkt het logisch om aan te nemen dat hij daar ook verbleef[169].

 

5. Het Latijnse keizerrijk tijdens Filips’ afwezigheid

 

Terwijl Filips in Venetië zijn opvoeding vervolledigde, kwam zijn vader Boudewijn almaar meer in zware financiële moeilijkheden. Maria van Brienne vertrok naar het Westen met de volmacht van 8 oktober 1248. Haar vertrek maakte blijkbaar deel uit van een bijkomende voorwaarde bij het van Blanche van Castilië geleende geld – 20.000 livres – in 1247. Bij zijn terugkeer in de hoofdstad moest Boudewijn zijn vrouw binnen de maand naar Blanche sturen. De keizer rustte vier schepen uit voor haar vertrek[170]. De volgende vermelding van Maria vinden we bij de Histoire de Saint Louis van Jean de Joinville[171]. Lodewijk IX verbleef op Cyprus op weg naar zijn kruistocht in Egypte. Tijdens zijn oponthoud daar werd de aankomst van de Latijnse keizerin aangekondigd, die net de haven van Paphos was binnengevaren. Joinville en Érard van Brienne, een verwant van Maria, gingen op weg om haar te verwelkomen. Bij hun aankomst in Paphos ontdekten ze dat de ankertouwen van het schip van de keizerin door een sterke wind afgebroken waren, waardoor het schip op drift geraakte en uiteindelijk in Akko, in Outremer, terechtkwam. Al haar bagage was nog in het schip, zodat Maria’s enige bezit in Cyprus bestond uit de kleding die ze aanhad en een mantel. Joinville en Érard brachten haar naar Lodewijk, waar ze met de nodige égards werd ontvangen. De volgende morgen zond Joinville haar wat stof en andere benodigdheden om een nieuw gewaad te maken. Maria wist haar gastheren te overtuigen van de nood waarin het Latijnse keizerrijk verkeerde en verkreeg de geschreven beloftes van Joinville en andere ridders – ongeveer tweehonderd, misschien meer – dat ze na hun kruistocht Constantinopel ter hulp zouden schieten. Lodewijk kon hen echter niet laten gaan omdat dit boven zijn financiële mogelijkheden ging[172]. De Franse koning vertrok in mei 1249 naar Egypte. Maria was daarvoor vertrokken – waarschijnlijk op een ander schip – met haar broer Jan van Brienne[173]. Onderweg stopte ze in Negroponte, waar ze op 30 januari 1249 drie leningen afsloot[174]. Eenmaal in Frankrijk verbleef ze aan het hof van Blanche van Castilië[175]. Ze slaagde er nooit in om de Westerse bezittingen van Boudewijn te verkopen. Lodewijk en zijn moeder bleven de eventuele transacties verbieden.

Terwijl Maria naar Frankrijk voer, was Boudewijn naar het kamp van Lodewijk in Damietta in Egypte gegaan. Aangezien Maria niet langer regente kon zijn bij Boudewijns afwezigheid, werd Filips van Toucy de nieuwe bailie[176]. De Latijnse keizer was in staat om nog een Byzantijnse relikwie te verkopen, ditmaal aan Robert, graaf van Artois (reg. 1237-1250), de broer van de Franse koning. Ditmaal ging het om het hoofd van Johannes de Evangelist[177].

Gelukkig kreeg het Latijnse keizerrijk weer wat uitstel door onderhandelingen over de unie der kerken tussen Innocentius IV en Vatatzes. De keizer van Nicaea voelde meer voor een inname van Constantinopel door middel van diplomatie, als dit een eventuele langdurige belegering kon vermijden. De periode van onderhandelingen tussen 1249 en 1252 gaf de Latijnen een kans om hun verdediging verder op te bouwen[178]. De gesprekken werden echter abrupt afgebroken toen Vatatzes in 1252 oprukte tegen despoot Michael II van Epirus, die weer te machtig werd. Afgeschrikt door het machtsvertoon van Nicaea, riep de paus weer op tot hulp voor het noodlijdende Constantinopel[179]. Pas in 1254 was Innocentius terug bereid om gezanten van Vatatzes te horen. Op 3 november 1254 echter stierf Johannes III Doukas Vatatzes, keizer van Nicaea, te Nymphaeum. Zijn bewind had de totale nederlaag van het Latijns Constantinopel gezien. Alleen zijn overlijden verhinderde hem van de oude Byzantijnse hoofdstad in te nemen. Op 7 december volgde Innocentius IV hem in de dood.

Op 26 of 27 november 1252 was ook Blanche van Castilië, de moeder van Lodewijk IX, overleden. Maria van Brienne, die tot de dood van Blanche in haar gevolg had vertoefd, ging in het markgraafschap Namen wonen[180]. Daar zou ze tot 1258 of 1259 vertoeven, waar ze de gronden van haar echtgenoot moest verdedigen tegen allerlei belagers[181].

In het Oosten werd er ondertussen duchtig oorlog gevoerd. Theodor II Laskaris, de nieuwe keizer van Nicaea (reg. 1254-1258) voerde tijdens zijn korte regering oorlog tegen bijna iedereen op de Balkan, behalve tegen de Latijnen. Waarschijnlijk beschouwde hij hen niet bepaald als een bedreiging[182]. Boudewijn reisde af en toe af naar het Westen, zoals gewoonlijk om nieuwe geldbronnen aan te boren.

Rainaldo dei Conti di Segni, die op 12 december 1254 verkozen was als de nieuwe paus onder de naam Alexander IV, had het echter te druk met een nieuwe dreiging in Zuid-Italië om zich ten volle met Boudewijn en zijn rijk bezig te houden. Na de dood op 13 december 1250 van Frederik II, keizer van het Heilig Roomse rijk, werd hij in het keizerrijk en het koninkrijk Sicilië opgevolgd door zijn zoon Konrad IV, echter niet als keizer, maar als Rooms-koning (reg. 1250-1254). Net als zijn vader leefde Konrad zijn hele regeringsperiode in constante onenigheid met de paus. Bij zijn plotselinge dood op 21 mei 1254 was zijn enige erfgenaam, Konradin, die op dat moment in het hertogdom Beieren verbleef, slechts twee jaar oud. Het koninkrijk Sicilië kwam vervolgens in handen van Frederiks onwettige zoon Manfred, die zich op 10 augustus 1258, na een vals gerucht van Konradins overlijden, in Palermo tot koning van Sicilië liet kronen[183]. Het pausdom had gedurende jaren aan een stuk het huis Hohenstaufen, waartoe Frederik en zijn nakomelingen behoorden, bestreden. Door het bezit van het Heilig Roomse rijk en het koninkrijk Sicilië hadden de Staufer de pausen sinds het begin van de dertiende eeuw in een tangbeweging gehouden. Na de dood van Konrad IV leek het dat het pausdom getriomfeerd had, maar plots dook daar dan Manfred op, die zich allengs Sicilië toeëigende. Het enige dat de pausen gewonnen hadden, was dat de Staufer niet langer de keizerstroon bezaten.

 

6. Onkosten van Filips van Courtenay

 

Filips was in 1259 nog steeds in Venetië. Hoe is dit geweten? Op 8 januari 1258 maakte Lodewijk IX te Melun een document op ten voordele van de intussen ongeveer achttienjarige Filips[184]. Lodewijk (‘Ludovicus Dei gratia Francorum rex[185]) maakte een waarborg op voor elke koopman of een ander persoon die voor hem 1.000 livres tournois (‘mille libras Turonenses’) kon voorschieten aan de gebroeders Giovanni en Angelo Ferro, burgers van Venetië (‘Iohanni Ferro et Angelo Ferro civibus Venetie[186]), voor de onkosten van zijn dierbare verwant Filips[187], zoon van de keizer van Constantinopel (‘pro expensis Karissimi consanguinei nostri / Phylippi filii illustris imperatoris Constantinopolitani’). Lodewijk zou hem of een vertegenwoordiger binnen twee weken terugbetalen, mits hij een bewijs kon voorleggen dat hij het geld had gegeven, komende van Filips of van een zekere Jan van Brabant (‘Iohannes / de Brebantia’)[188]. Financiële moeilijkheden zaten blijkbaar in de familie, want ook Filips had nood aan geld om zijn uitgaven te dekken – wat deze ook mogen geweest zijn. Misschien had de jonge Courtenay geld nodig om als een keizerszoon en erfgenaam van de Latijnse troon te leven, zoals het hoorde volgens zijn standaard. Een achttienjarige in de Middeleeuwen was tenslotte een man in het bezit van al zijn lichaamsvermogens en zijn volle verstand, zoals Filips. Zelfs al was er geen geld, Filips was nu eenmaal van adel en edellieden moesten een zekere weelde tentoonspreiden die geacht werd bij hun stand te horen.

Op 2 juni 1259 stelden de gebroeders Ferro in Venetië een antwoord op[189]. Giovanni en Angelo Ferro, burgers van Venetië (‘Iohannes Ferro et Angelus Ferro fratres cives Veneti[190]), erkenden de ontvangst van 1.000 livres tournois (‘libras mille Turonenses[191]) van de nobele Leonardo Babilonio (‘vir nobilis Dominus Leonardus / Babilonius[192]), zoals vooropgesteld door de brief van Lodewijk (‘serenissimi domini Ludovici Dei gratia Illustris Regis / Francie[193]), voor de onkosten van Filips, zoon van keizer Boudewijn (‘pro expensis illustris viri Domini Phylippi filii serenissimi / domini Balduini Imperatoris Constantinopolitani[194]), te dekken. De 1.000 livres werden overgedragen op Jan van Brabant (‘Iohannes de Brebantia[195]), die Filips’ uitgaven zou betalen. Het geld zou door Lodewijk terugbetaald worden aan de zonen – of één van de zonen - van Babilonio, Giannino en Amiano (‘nobiles Viri Çaninus et Amianus Babilonius filii eiusdem Leonardi[196]).

En dan is er het, voor zover ik gevonden heb, eerste document opgesteld of gedicteerd door Filips[197]. Filips kende wel Latijn, maar waarschijnlijk niet genoeg om een degelijke brief op te stellen. Daarvoor had men immers klerken ter beschikking. De brief, gedateerd op 10 juni 1259[198] (dus toen Filips ongeveer negentien jaar oud was), is gericht aan Lodewijk.

De eerste zin alleen al getuigt van hoe Filips zichzelf zag. Hij spreekt Lodewijk aan als ‘Excellenti et Magnifico Domino Ludovici dei gratia Regi Francorum[199], noemt zichzelf en bedankt de Franse koning: ‘’illuster Phylippus filius serenissimi domini Balduini dei gratia Constantinopolitani imperatoris (fidelissimi in Christo) imperatoris (a deo coronati Romanie / moderatis semper augusti) eius consanguineus et devotus Salutem et prosperis omni tempore successibus feliciter habundare’[200]. Dan legt hij uit dat, toen Lodewijks waarborgbrief in Venetië aankwam, de kooplieden die normaal zulke brieven afhandelden niet in Venetië aanwezig waren. Gelukkig was er Leonardo Babilonio (‘Leonardus Babilonius civis Venetie[201]), die voor hem de 1.000 livres tournois (‘mille libris Turonensibus’[202]) betaalde aan Giovanni en Angelo Ferro (‘nobilibus viris / Iohanni Ferro et Angelo Ferro[203]), die het op hun beurt aan Jan van Brabant (‘Iohannes de Brebanto[204]) gaven. Als Babilonio er niet was geweest, zou het geld veel later aangekomen zijn. Filips vraagt aan Lodewijk om het geld terug te betalen aan de zonen van Babilonio (‘filiis suis Iohanni et Amiano Babilonio[205]), zoals afgesproken.

Waarschijnlijk op diezelfde 10 juni 1259 stelde Jan van Brabant een brief op voor koning Lodewijk[206]. Jan (‘Iohannis Brebanie[207]) bevestigde zijn reis naar Venetië (‘Veneciam[208]). Hij had onderhandeld voor de vrijlating van Filips (‘circa negocium deliberationis domini Phylippi filii serenissimi domini Balduini Imperatoris Constantinopolitani[209]) en wou de 1.000 livres tournois (‘mille librarum Turonensium pro expensis eiusdem’[210]) regelen voor de onkosten van de keizerszoon, maar – net als bij Filips – ondervond hij moeilijkheden omdat de kooplieden die dit gewoonlijk afhandelden niet in Venetië aanwezig waren. De rest van de brief vertelt, in kortere bewoordingen, hetzelfde als die van Filips.

Sommige historici[211] dateerden hiermee de vrijlating van Filips in 1259, maar zoals duidelijk uit de documenten blijkt dienden de 1.000 livres tournois voor zijn onkosten (‘pro expensis’) en niet voor zijn vrijlating. Jan van Brabant schreef zelf dat hij nog steeds aan het werken was aan de vrijlating van Filips, maar vermeldde niet dat de 1.000 livres hiermee iets te maken hadden.

 

7. Een afbeelding van Filips van Courtenay?

 

Op het Internet staat een interessante website aangaande Filips’ verblijf in Venetië[212]. Toen ik op de elektronische snelweg zat, kwam ik puur toevallig terecht op een site waarop zich uittreksels bevonden van een in 2001 gepubliceerd boek van Garry Wills, getiteld Venice: Lion City, waarin een mozaïek in de San Marco beschreven wordt. Op zich niet echt sensationeel, ware het niet dat volgens het boek de jongen die op een bepaald mozaïek is afgebeeld, Filips zou kunnen zijn[213].

Het mozaïek in kwestie beeldt een gebedsscène af, gehouden om het lichaam van de heilige Marcus te laten verschijnen[214]. De doge staat er tweemaal op en is gemakkelijk te herkennen. Boven zijn afbeelding staat in grote letters DUX. Wie was de doge? Het gaat hier om de besteller van het werk, namelijk Reniero Zeno (reg. 1253-1268). Onder Zeno’s bewind verbleef Filips nog altijd in Venetië, dus het is goed mogelijk dat hij er dan ook opstaat. Vooral het rechtse deel van het mozaïek is belangrijk. Hier wordt het lichaam van de heilige Marcus teruggevonden in een pilaar (uiterst rechts). Voor de pilaar staat de patriarch van Venetië, vergezeld van enkele geestelijken. Achter hem de doge met drie raadsleden, vervolgens een groep burgers. Links staan een aantal vrouwen, achter hen, in de deuropening, enkele meisjes. Bij de vrouwen staan twee kinderen. De vrouw die vooraan staat is de dogaressa, de echtgenote van de doge. Het kleine meisje dat bij haar staat en haar kleed vastheeft, is haar dochter.

Achter de dogaressa staat een oudere vrouw, eveneens vergezeld van een kind, een jongen ditmaal. Echter, de doge had geen zoon: de jongen kan dus niet de zoon van de doge zijn. Wie is hij dan wel? Een gedetailleerde beschrijving is nodig. De jongen komt tot ongeveer vlak onder de heupen van de oudere dame, wiens pink hij vasthoudt. Hij heeft lang, blond haar, dat achter zijn schouders valt. Op zijn hoofd staat een grote gouden kroon, versierd met kruisen. Hij is rijkelijk gekleed, in een wit kleed met een groen met goud bestikt overkleed. Zijn blik richt zich ook op de opengaande pilaar die het lichaam van de heilige bevat, in tegenstelling tot het meisje, dat naar hem lijkt te kijken.

Vooral de kroon is raar, daar slechts twee mensen in Venetië een kroon mochten dragen, de doge en zijn vrouw, de dogaressa. Een keizerszoon echter zou ook met een kroon worden afgebeeld. Zodoende lijkt het dus inderdaad logisch om over te gaan tot de conclusie dat het hier om Filips van Courtenay gaat. De vrouw bij hem zou dan een matrone van de Cà Ferro zijn. Op de afbeelding lijkt hij om en bij de tien jaar te zijn. Bij mijn weten is dit de enige afbeelding van Filips, toch de enige die ik gevonden heb.

 

8. De vrijlating van Filips van Courtenay

 

Op 1 mei 1261 werden de lichamen van de heilige Julianus, Lucianus en Maxianus in Beauvais in hun nieuwe schrijnen gelegd. Aanwezig waren de bisschoppen van Beauvais en Senlis, koning Lodewijk, Thibaud II, graaf van Champagne en koning van Navarra (reg. 1253-1270), de toekomstige koning Filips III van Frankrijk, de oudste zoon van Lodewijk, en tenslotte Filips van Courtenay[215]. Aangezien hij op 1 mei 1261 in Beauvais was, en niet in Venetië, moet hij ergens tussen ten vroegste 10 juni 1259 en ten laatste circa 15 april 1261 vrijgelaten zijn door zijn Venetiaanse bewaarders. 15 april, omdat hij ongeveer twee weken zou moeten reizen voor hij in Beauvais kon zijn op 1 mei.

 

9. De Castiliaanse connectie

 

De vraag is natuurlijk wie uiteindelijk het geld voor zijn vrijlating voorschoot. Volgens Sanudo’s Fragmentum was dit Alfonso X de Wijze, koning van Castilië (reg. 1252-1284)[216]. Alfonso en het Latijnse keizerrijk waren al eerder met elkaar in contact gekomen. Op een reis naar Castilië in 1246 had Boudewijn een overeenkomst gesloten met de Orde van Santiago. Alfonso X, toen nog kroonprins, had de ordemeester toegestaan om een compagnie ridders naar het keizerrijk te sturen, maar door Boudewijns armoede kwam hier niets van terecht. Hij was niet in staat om de rekeningen te betalen[217].

Daarnaast was er nog de verwantschap tussen de Courtenay en het koninklijke huis van Castilië[218]. Filips grootmoeder langs moederszijde, Berengaria van Castilië, was de dochter van Alfonso IX, koning van León (reg. 1188-1233). Haar broer was Ferdinand III de Heilige, koning van Castilië (reg. 1217-1252) en later ook van León (reg. 1233-1252), de vader van Alfonso X. Filips’ grootmoeder was dus de tante van Alfonso, wat hem een achterneef van de Castiliaanse koning maakte. Bovendien stamde Blanche van Castilië, de moeder van Lodewijk IX, ook uit het Castiliaanse huis. Blanche was de dochter van Alfonso VIII de Edele, koning van Castilië (reg. 1158-1214). Berengaria, Filips’ grootmoeder, was haar nicht. Sinds 1255 verbleven Maria’s drie broers, Alfons, Lodewijk en Jan aan het Castiliaanse hof, wat ook een voordeel was[219].

Maria van Brienne ging waarschijnlijk in de herfst van 1258 naar Castilië, samen met Gwijde van Vlaanderen, Hugo van Bourgondië en Hendrik van Brabant[220]. De onderhandelingen voor de vrijlating van Filips tussen Maria en Alfo