| Ambachten en Contrareformatie. Godsdienstige aspecten van de corporatieve wereld na de val van Antwerpen (1585-1633) (Frederik Verleysen) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
DEEL II : 'Trouwe catholycken'? Ambachtsreligiositeit in de Contrareformatietijd
De meeste Antwerpse ambachten bezaten sinds de vijftiende eeuw een altaar in een van de parochie- of kloosterkerken[130]. In deze bloeitijd van het religieuze gemeenschapsleven kreeg de corporatieve organisatie van de stedelijke economie een na verloop van tijd onafscheidelijk verlengstuk op godsdienstig vlak. Soms onstond deze associatie tussen beroepsactiviteit en collectieve devotiepraktijken door de formele erkenning van spontaan gevormde broederschappen van beroepsgenoten als gepriviligeerde ambachten[131]. Voor de oudste ambachten vormde het oprichten van een eigen altaar een bewijs van levenskracht en volwassenheid. Bij recenter onstane corporaties vormde het onderhouden van een altaar, gewijd aan een eigen patroonheilige, een belangrijke stap op weg naar de officiële erkenning[132]. Daarnaast droegen de collectieve devotiepraktijken in belangrijke mate bij tot het bestendigen en versterken van de solidariteit onder de handwerkers[133].
Alfons Thijs heeft betoogd dat de door ambachten georganiseerde kerkdiensten in de vijftiende eeuw er nog wel in slaagden de leden te verenigen in een geest van solidariteit. Daarentegen zou het godsdienstig karakter van de ambachten tijdens de zestiende eeuw in toenemende mate onder druk zijn komen te staan door de sociale polarisatie in de corporatieve wereld enerzijds, en de opmars van het protestantisme anderzijds. Dit zou tot gevolg hebben gehad dat het voornemen van geestelijke en wereldlijke gezagdragers om de ambachten na 1585 opnieuw uit te laten groeien tot een hechte steun voor het katholicisme, slechts ten dele gerealiseerd werd: op aansporing herstelden de corporaties de 'uiterlijke schijn' (heropbouw van altaren en kapellen en herinvoering van erediensten), maar van een spontane oprichting van altaren door de ambachten als uiting van een sterke groepsgeest kon na 1585 geen sprake meer zijn[134]. Naast de druk uitgeoefend door wereldlijke en geestelijke gezagsdragers zou alleen de 'steeds latent aanwezige naijver tussen de corporaties' de ambachten ertoe aangezet hebben zich in te spannen voor het herstel van het ambachtsaltaar. Daarenboven zou het bezit van een eigen altaar als legitimerend element na 1585 voor de sinds lange tijd erkende corporaties geen 'praktisch nut' meer gehad hebben[135]. De auteur distantieerde zich terecht van oudere studies over de Contrareformatie die het herstel van het katholicisme al te zeer zagen als het 'natuurlijk gevolg' van een 'herlevende vroomheid' onder brede lagen van de bevolking[136]. Naar onze mening is de tegenstelling tussen 'opgelegd' tegenover 'spontaan' echter niet steeds de meest vruchtbare invalshoek om de ambachtsreligiositeit, en in het bijzonder de heroprichting van de altaren, te evalueren. Na de overgave van de stad op 27 augustus 1585 hebben geestelijke en wereldlijke gezagdragers immers geen spontane initiatieven van de handwerkers afgewacht. Reeds op 9 september 1585 gaven de burgemeesters in de Maandagse Raad de gilden en ambachten het bevel om hun altaren herop te richten[137]. Dit impliceert dat men over het al dan niet 'spontane' karakter van de altarenheroprichting niets met zekerheid kan zeggen, omdat elk 'initiatief' tegelijk als gehoorzaamheid geïnterpreteerd kan worden. Een tweede probleem is dat een interpretatie van de heroprichting van de altaren door 'de ambachten' als al dan niet spontaan, een generalisatie is die het zeer gevarieerde landschap van de corporatieve wereld al te zeer reduceert tot één homogeen geheel. De ontwikkelingen op sociaal-economisch en religieus vlak voor en tijdens het Calvinistische Bewind tonen aan dat het gevaarlijk is de corporatieve wereld voor te stellen als een monolithisch blok. De verstrengeling van sociaal-economische en godsdienstige aspecten impliceert immers dat divergerende ontwikkelingen in de economische sfeer een doorslaggevende invloed uitoefenden op het collectieve karakter van het godsdienstig leven. Daarenboven lijkt het voor de hand te liggen dat er ook binnen de ambachten niet altijd eensgezindheid bestond over de godsdienstige praktijken. Alvorens in te gaan op het herstel van de altaren in de periode na 1585 lijkt het ons daarom noodzakelijk een twee vragen te formuleren:
1° Bestonden er, wat betreft het enthousiasme van de ambachtslieden voor de corporatief georganiseerde devotiepraktijken, verschillen naargelang de beroepsactiviteit of de economische sector?
2° Welke betekenis en waarde hechtten respectievelijk dekens, kleine en grote meesters (en gezellen) aan de godsdienstige aspecten van het ambacht?
De overgrote meerderheid van de ambachtsaltaren werd heropgericht in de jaren tussen 1585 en 1600[138]. Vaak ging het in de eerste jaren na de reconciliatie om een voorlopig herstel, waarbij de ambachten (en gilden) min of meer geïmproviseerde altaren voorzagen van schilderstukken en ornamenten die de 'tweede beeldenstorm' hadden overleefd, of zolang op de ambachtskamers bewaard waren geworden[139]. Soms leidde de onduidelijkheid betreffende het bezit van deze voorwerpen tot conflicten tussen de corporaties[140]. In de meeste gevallen werden de altaren pas na enkele jaren voorzien van dure schilderstukken en rijkere ornamenten[141].
Volgens Alfons Thijs kan het relatief trage vorderen van de werkzaamheden aan de ambachtsaltaren verklaard worden door twee factoren. Enerzijds verkeerden de meeste ambachten in de jaren van economische ontwrichting na 1585 in een precaire financiële situatie. Anderzijds zouden vele 'hervormingsgezinde en slechts in schijn tot het katholicisme bekeerde' ambachtslieden zich hebben verzet tegen het bijdragen in de kosten voor het nieuwe altaar[142]. Het is naar onze mening onmogelijk met zekerheid een antwoord te geven op de vraag welke van deze twee factoren doorslaggevend was, aangezien er onder de ambachten en hun leden hemelsbrede verschillen bestonden wat betreft hun financiële situatie en hun godsdienstige overtuiging. Zowel een minder welvarende katholiek als een welstellende protestant konden afkerig staan tegenover een bijdrage voor het nieuwe altaar. De dekens van de smeden deden begin mei 1586 hun beklag bij de magistraat over het feit dat 'het meestendeel vande supposten vanden voorschreven ambachte en besundere die ghene die van contrarie religie syn nyet en willen gewillich yet met allen contribueren'[143]. Ook de leden van de Sint-Anthonisgilde vroegen om maatregelen tegen sommige van hun leden, die 'nyet van eendre devotien ende meyninge en syn'[144]. Frequent vroegen ambachts- en gildedekens de magistraat dan ook om toestemming voor het beboeten van meesters die weigerden bij te dragen[145]. Het feit dat de zijdewevers, van wie het merendeel in 1585 hervormingsgezind was, spoedig na de reconciliatie ijverden voor de heroprichting van het ambachtsaltaar in de Sint-Jakobskerk, vergroot de interpretatieproblemen. Mogelijk trachtte het ambachtsbestuur een eventueel wantrouwen van de nieuwe magistraat tegenover hun corporatie 'af te kopen', en te bewijzen dat zij 'standvastiglycke catholique' waren[146]. Dit voorbeeld illustreert dat vooral het gewicht van de religieuze factor moeilijk te bepalen is. De ijver van de (dekens van de) zijdewevers kan immers zowel geïnterpreteerd worden als blijk gevend van een hernieuwd katholiek geloof als van een poging om protestantse sympathieën te verdoezelen. Om deze reden zullen we voor de periode 1585-1600 op de eerste plaats aandacht besteden aan de factor financieën.
Een investering in sociaal kapitaal
Bij het bestuderen van investeringsstrategiën van ambachten dient men een onderscheid te maken tussen verschillende vormen van kapitaal[147]. Meerbepaald dient bij de studie van collectieve devotiepraktijken de vraag gesteld te worden in welke mate de Antwerpse ambachten na 1585 belang hechtten aan investeringen in zogenaamd 'sociaal kapitaal'. Onder sociaal kapitaal verstaan we 'investeringen die geen onmiddellijk financieel gewin opleveren, maar die tot doel hebben de sociale positie van personen of instellingen te bevestigen, te consolideren of te verhogen'[148]. Een kwantitatieve benadering van de bewaarde ambachtsrekeningen[149] staat ons toe een beeld te vormen van dit soort investeringen, meerbepaald investeringen in ambachtsaltaren. Ook geven de bestedingspatronen een idee van de plaats die collectieve religieuze praktijken en uiterlijk vertoon in de representatiestrategieën van de Antwerpse corporaties innamen. De vraag in hoeverre de religieuze bekommernissen van de handwerkers vertaald moeten worden in een bezorgdheid om het imago van hun ambacht, verdient aandacht. Getuigen de investeringen in het altaar eerder van een bijzondere interesse van de (bestuurders van de) ambachten voor het bestendigen van de samenhang naar binnen toe, of trachtten de ambachtslieden vooral de sociale status van hun groep naar buiten toe te profileren en te consolideren? Wat primeerde met andere woorden, reciprociteit of legitimatie?[150]
Het belang van collectieve devotiepraktijken in de representatiestrategieën van de Antwerpse ambachten tussen 1585 en 1633 kan (ten dele) afgeleid worden uit het aandeel van de investeringen in religie - zowel materieel als immaterieel[151] - in de totale jaarlijkse uitgaven van de corporaties[152]. Het komt er dus in eerste instantie op aan het relatieve gewicht te bepalen van de opgetelde religieuze uitgaven voor het altaar, de deelname aan processies en aan devotieprenten. Wat betreft het aandeel van de religieuze bestedingen in de totale jaarlijkse uitgaven, bestonden er tussen de bestudeerde ambachten opmerkelijke verschillen. De armere ambachten besteedden duidelijk een aanzienlijk groter deel van hun middelen aan religie. Zo trokken de buildragers en de kordewagenkruiers elk jaarlijks ca. 15 à 20% van hun totale uitgaven uit voor het onderhouden van hun godsdienstige praktijken. De rijkere ambachten, zoals de brouwers en de meerseniers, wiens totale uitgaven doorgaans enkele duizenden gulden beliepen, besteedden daarentegen slechts zo'n 5% - en vaak zelfs minder - aan religie. Het allerarmste bestudeerde ambacht, de camelotververs, besteedde gewoonlijk een hiermee vergelijkbaar, of iets hoger percentage. Het schoolmeestersambacht besteedde naar verhouding het meest aan religie: meestal 20 à 40%. Het beeld wordt echter vertekend doordat de schoolmeesters hun middelen voor religie eveneens voor educatieve doeleinden aanwendden[153].
Een eerste conclusie luidt dus dat de rijkste ambachten (meerseniers, brouwers, en, in mindere mate, de wijntaverniers en de kuipers) naar verhouding het minst aan religie besteedden. Hun rijkdom resulteerde dus niet in relatief grotere investeringen.
Uit de analyse van de rekeningen blijkt overduidelijk dat de uitgaven voor het altaar het leeuwendeel van de religieuze uitgaven voor zich namen[154]. Enkele ambachten, zoals de brouwers, de camelotververs en de zilversmeden investeerden in de bestudeerde periode zelfs uitsluitend in de verfraaiing van hun altaar en het onderhouden van de erediensten. In de religieuze uitgaven van de buildragers en de kordewagenkruiers namen deze investeringen doorgaans tussen 60 en 90% voor hun rekening, bij de schoolmeesters en kuipers tussen 70 en 100% en bij de meerseniers 80 à 100%. De dominante positie van de altaaruitgaven kan weinig verbazing wekken. Enerzijds was de materiële uitrusting van de cultusplaats veel duurder dan processie-attributen (zoals kaarsen en toortsen) en devotieprenten. Anderzijds hadden de erediensten aan het altaar een zeer regelmatig karakter. Dit had tot gevolg dat de ambachten jaarlijks een vast bedrag dienden te besteden aan onder meer het loon van de kapelaan en de altaarknaap en aan het reinigen van het altaar, meestal vlak voor het feest van de patroonheilige van de corporatie. De misdienst op deze feestdag, waarvoor het altaar vaak versierd werd met nieuwe ornamenten, en meestal opgeluisterd met muziek, vormde overigens voor alle ambachten de belangrijkste uitgave aan religie. Het overwicht van de altaaruitgaven wordt daarnaast verklaard door het feit dat sommige ambachten, zoals de brouwers en de 'nieuwe' textielambachten, niet deelnamen aan de (semi-) religieuze processies en ommegangen[155]. De uitgaven voor processieattributen hadden daarenboven een veel onregelmatiger karakter. Zo werden processietoortsen vaak pas na meerdere decennia vervangen[156]. De uitgaven voor devotieprenten waren nog veel onregelmatiger van aard[157].
Wanneer we de evolutie van de altaaruitgaven (uitgedrukt in absolute cijfers) van de verschillende ambachten tussen 1585 en 1633
van nabij beschouwen, valt op dat de onderlinge verschillen veel kleiner zijn - afgezien van enkele jaren - dan de gegevens inzake de relatieve bestedingen laten vermoeden[158]. Het is frappant hoe de omvang van de altaaruitgaven van de verschillende ambachten, ondanks de uitgesproken verschillen in rijkdom, elkaar na omstreeks 1600, toen de periode van de altaarheroprichting grotendeels afgesloten was, vrij dicht benaderen. De meerderheid van de bestudeerde ambachten besteedde tot 1633 zo'n 50 à 75 gulden per jaar. De geringe verschillen zijn des te opmerkelijker wanneer men weet dat bijvoorbeeld de brouwers jaarlijks soms het tienvoudige besteedden (totale uitgaven) van wat de veel armere buildragers of kordewagenkruiers konden uitgeven.
Uit de discrepantie tussen de relatieve en de absolute bestedingen menen we te mogen concluderen dat er onder de corporaties een onuitgesproken norm bestond aangaande de inspanningen die een respectabel ambacht voor zijn altaar diende te leveren. Deze norm vond evenzeer bij de rijke als bij de armere ambachten navolging. Wel dient met nadruk gezegd dat de minder gegoede groeperingen zich financieel veel zwaarder belast zagen door het onderhoud van het altaar dan de rijke ambachten. Terwijl het altaar voor de meerseniers en de brouwers (en in mindere mate de wijntaverniers en de kuipers) een vrij goedkope investering was, moesten de buildragers en de kordewagenkruiers hiervoor jaarlijks bijna een vijfde (of meer) van hun inkomsten uittrekken. Dat de armere ambachten bereid waren zo'n zware inspanningen te leveren, kan naar onze mening verklaard worden doordat zij hun gebrek aan prestige in de ogen van hun medeburgers trachtten te compenseren door het bekostigen van een jaarlijkse kerkdienst die niet (veel) moest onderdoen voor de erevieringen van de rijke corporaties. Zij beschikten immers niet, zoals bijvoorbeeld de brouwers, meerseniers en wijntaverniers, over de financiële middelen om hun belangen op meer profane wijze te behartigen. De rijke ambachten bezaten waarschijnlijk niet enkel een groter aanzien door hun ongetwijfeld meer omvangrijke onroerend bezit, maar konden daarnaast ook de positie van hun corporatie verstevigen door het aanspannen van dure processen, of het investeren in patronageverhoudingen met leden van de magistraat of andere aanzienlijke burgers.
Uit de rekeningen kan evenwel opgemaakt worden dat de armere ambachten niet konden wedijveren met hun rijkere collega's wat betreft de materiële uitrusting van hun altaar. Uit de verzamelde gegevens blijkt dat er in de jaren 1595-1600 (en opnieuw in 1607-1610) hemelsbrede verschillen bestonden wat betreft de altaaruitgaven van de bestudeerde ambachten. In deze jaren, toen de meeste ambachtsaltaren werden heropgericht, konden de rijke(re) ambachten (meerseniers, brouwers, kuipers en wijntaverniers) duidelijk veel grotere bedragen uittrekken voor het herstel en de verfraaiing van hun altaren[159]. De armere corporaties beschikten eenvoudig niet over de geldmiddelen voor deze eenmalige, maar voor hen duidelijk te zware investeringen. Men mag dus aannemen dat er voor de tijdgenoten wel degelijk verschillen bestonden wat betreft het religieuze leven van de verschillende ambachten. Dit verschil betrof niet zozeer de aard van de collectieve devotiepraktijken zelf, als wel de materiële omstandigheden waarin ze plaatsvonden.
Een afzonderlijke benadering verdient het meerseniersambacht. Het is niet overdreven om te stellen dat de meerseniers gedurende de hele bestudeerde periode met kop en schouders boven de andere ambachten uitstaken. Voor de vervanging in 1598-1599 van het in 1586 opgerichte, voorlopige, houten altaar, door een monumentaal, marmeren exemplaar, besteedde het ambacht bijna drie maal meer dan zijn naaste concurrent, het wijntaverniersambacht. Negen jaar later lieten de meerseniers het in 1586 door Maarten de Vos geschilderde altaarstuk vervangen door een nieuw tafereel door Otto van Veen, met een waarde van 2.700 gulden[160]. Ook na 1608 besteedden de meerseniers jaarlijks doorgaans meer dan het dubbele van de altaaruitgaven van de andere corporaties. De meerseniers konden de overige ambachten, wat betreft de luister waarmee hun devotiepraktijken aan het altaar gepaard gingen, ongetwijfeld overschaduwen. Het is merkwaardig dat andere welgestelde ambachten, zoals de brouwers, geen vergelijkbare inspanningen leverden om het prestige van hun ambacht door investeringen in religie te vergroten. Het meerseniersambacht had blijkbaar als enige van de (bestudeerde) rijkere corporaties redenen om door middel van 'demonstratieve consumptie' de status van hun groepering sterk te benadrukken. De leden beschouwden zich duidelijk als behorend tot een van de 'principaelste' ambachten van de stad[161]. Zij deden dit overigens niet onterecht. Hun rijkdom, ledental en politieke vertegenwoordiging[162] maakten de meerseniers inderdaad tot een ambacht waar men rekening mee diende te houden. De investeringen in het altaar moeten dan ook geïnterpreteerd worden als een representatiestrategie door middel waarvan het meerseniersambacht zijn status en macht extra wenste te benadrukken en te consolideren. Ook de kleinere en armere corporaties realiseerden zich overigens dat zij niet op gelijke voet stonden met de meerseniers. Zo verzochten de buildragers in 1609 de magistraat om de jaarlijkse verkiezing van hun dekens te laten plaatsvinden zoals dit gebeurde in 'andere ambachten van meerderen aansien ende importantie als zijn die van de meerssche ende bereyders…'[163]. Voor de minder voorname ambachten vormden de investeringen in het altaar naar onze mening een compensatie voor hun eerder geringe aanzien op andere terreinen.
De meeste ambachten verkeerden na 1585 in een weinig gunstige financiële situatie. Zoals uit de rekeningen blijkt wogen in deze jaren de kosten voor de heroprichting van het altaar zeer zwaar. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de meeste corporaties koortsachtig op zoek gingen naar nieuwe inkomsten. De 'creativiteit' waarmee de corporaties naar financiële middelen voor hun altaar zochten toont aan dat de 'afkeer' die de ambachten vlak na de reconciliatie voor de collectieve religieuze praktijken voelden op zijn minst gerelativeerd moet worden.
Harald Deceulaer heeft aangetoond dat de ambachten na 1585 hun communicatie met de magistraat versterkten. De gebruikelijke praktijk door middel waarvan elke inwoner met de schepenen overleg kon plegen, bestond uit het indienen van verzoekschriften. Een kwantitatieve analyse van de 'rekestboeken' leert dat de corporaties vooral in de vroege zeventiende eeuw een intense communicatiestroom met de magistraat onderhielden. Terwijl de ambachten tussen 1559 en 1576 'slechts' 229 verzoekschriften indienden, verviervoudigde dit aantal in de achttien jaar tussen 1586 en 1603 bijna tot 820[164]. Het systematisch doornemen van de zogenaamde 'rekestboeken' staat ons toe het aandeel van de verzoekschriften met betrekking tot de godsdienstige praktijken van de ambachten af te wegen tegen het totale aantal ambachtsrekesten in de jaren na 1585[165]. In totaal telden we voor de periode 1585-1603 97 verzoekschriften, of zo'n 11.8% van het totaal (820), waarin de religieuze aspecten centraal stonden. Meer dan één op tien door ambachten ingediende rekesten had dus betrekking op de religieuze praktijken. Dit wijst er in elk geval op dat de godsdienstige aspecten na de 'reconciliatie' voor de ambachten zeker niet van marginaal belang waren. Het aantal lijkt daarenboven significant aangezien de economische bekommernissen van de ambachten, door de economische ontwrichting en de herschikking van de verhoudingen in de corporatieve wereld, na 1585 groter dan ooit waren. Het gaat overigens - zoals we verder zullen betogen - niet op om de religieuze aspecten los te zien van de algemene herstructurering van de sociale relaties in de corporatieve wereld na 1585.
De heroprichting en het onderhoud van het ambachtsaltaar vormde ongetwijfeld de centrale bekommernis in de 'religie-rekesten' in de jaren 1586-1603. Van de 97 verzoekschriften telden we er 89 (89.9%) die betrekking hadden op het altaar. Andere devotiepraktijken stonden in de communicatie met de magistraat veel minder centraal. Slechts 10 keer (10.1%) dienden de ambachten een verzoekschrift in waarin de deelname aan processies en ommegangen werd behandeld. Tussen 1604 en 1633 telden we 1243 door ambachten ingediende rekesten. Daarvan hadden er 72 (5.8%) betrekking op de godsdienstige aspecten. Wanneer men deze periode van dertig jaar meer van nabij beschouwt, constateert men dat de ambachten, naarmate hun altaren hersteld werden, geleidelijk minder rekesten met betrekking tot hun godsdienstige praktijken indienden. Tussen 1604 en 1618 telden we in totaal 788 rekesten, waarvan 48 of 6.1% betrekking hadden op religie. Van deze 48 rekesten hadden 41 (85.4%) betrekking op het altaar en 7 (14.6%) op de deelname aan processies. Tussen 1619 en 1633 dienden de ambachten 455 rekesten in. Daarvan behandelden 24 de godsdienstige praktijken; 21 (87.5%) het altaar en 3 (12.5%) de deelname aan processies en ommegangen.
Uit deze kwantitatieve analyse kunnen twee zaken geconcludeerd worden. Ten eerste: dat de zorg voor het altaar in de communicatie van de ambachten (betreffende hun religieuze praktijken) met de magistraat de centrale bekommernis vormde. Ten tweede: dat de ambachten in de bestudeerde periode zich geleidelijk minder bezorgd toonden over het onderhouden van hun godsdienstige gebruiken. Deze evolutie kan ongetwijfeld verklaard worden doorat vooral in de periode ca. 1585-1610 de heroprichting van een duur altaar de door financiële problemen geplaagde corporaties erg zwaar viel. Toen de altaren eenmaal hersteld waren, kregen de religieuze uitgaven een veel stabieler karakter, waardoor ze voor de betrokken ambachten een minder groot probleem vormden.
De zware investeringen in het altaar verklaren in belangrijke mate waarom de meeste ambachten na 1585 naarstig op zoek gingen naar nieuwe inkomsten. Historici van de Contrareformatie in Antwerpen hebben nochtans betoogd dat de ambachten na 1585 de uitgaven voor hun altaar op de eerste plaats gebruikten als een voorwendsel om hun inkomgelden te verhogen. Deze 'economische grendel' zou het bemoeilijken van de toegang tot het meesterschap tot doel hebben gehad [166]. Deze interpretatie bouwt voort op de veronderstelling dat onder de corporaties van het Ancien Régime 'het exclusivisme hoogtij vierde'[167]. Een systematische analyse van de rekestboeken leert dat sommige ambachten kort na de reconciliatie inderdaad hun toevlucht namen tot een verhoging van de inkomgelden[168]. Deze corporaties vormden echter een uitgesproken minderheid. De meeste ambachten lijken in de jaren na 1585 geenszins de bedoeling te hebben gehad de toegang tot hun corporatie te bemoeilijken. In een groot aantal rekesten werd juist het gebrek aan inkomelingen (en inkomgelden) aangevoerd als verklaring voor de precaire financiële situatie[169]. Dat de bemoeilijkte toegang tot het ambacht vaak eerder een neveneffect dan een doelstelling was, blijkt onder meer uit het feit dat de kordewagenkruiers en de satijnwerkers, na aanvankelijk middels een verzoekschrift aan de schepenen een verhoging van hun inkomgelden verkregen te hebbben, in een volgend rekest, wegens het gebrek aan inkomelingen, andere inkomstenbronnen wensten aan te boren[170]. In een verzoekschrift van 14 januari 1599 gaf het lijnweversambacht te kennen het inkomgeld te willen verhogen, pas nadat gebleken was dat een bijzondere heffing van zes stuivers op elk getouw gedurende drie jaren te weinig had opgebracht om het nieuwe altaar te bekostigen[171]. In hetzelfde jaar verzochten de kordewagenkruiers om alleen de eerste twee volgende inkomelingen een hoger inkomgeld te laten betalen[172]. Dit bewijst dat het ambacht in geen geval de toetreding tot de groepering in de toekomst structureel wilde bemoeilijken.
Dat zeker niet alle ambachten na 1585 blijk gaven van een 'exclusivistisch streven' blijkt daarenboven uit het feit dat meerdere ambachten er voor opteerden om het inkomgeld van meesterszonen te verhogen. De oudeschoenmakers argumenteerden in 1596 dat zo'n verhoging noodzakelijk was, aangezien de meesterszonen 'verre de meesten hoop syn die int ambacht commen'[173]. De wijntaverniers verzochten dat men voortaan van alle inkomelingen 'sonder distinctie te maecken' vijftien gulden zou mogen vragen[174].
Om toch maar de inkomsten uit inkomgelden op te drijven - zonder deze contributies zelf te verhogen - ijverden sommige ambachten zelfs voor de toetreding tot hun groepering van buitenstaanders. Zo deden de zadel- en gareelmakers de magistraat in 1595 het voorstel voortaan de leertouwers onder hun corporatie te laten ressorteren. Het voornaamste argument hiervoor was dat het ambacht (van de zadel- en gareelmakers) 'seer cleyn in getaele vanden nombre van xiii oft xiiii persoonen (is), (en) sijnde belast met groote jaercosten'. Daarom was het noodzakelijk 'te hebben eenighe hulpe om te helpen draghen de voorschreven lasten vanden ambachte als de costen vanden aultaer ende godts dienst'. De magistraat stemde, op aandringen van het kapittel[175], in met het verzoek en bepaalde dat de leertouwers zich voortaan dienden te houden aan het ambachtsreglement. Ook zouden zij voortaan alle (bestaande en toekomstige) privileges van het ambacht genieten[176]. In hetzelfde jaar verzochten de wijntaverniers de brandewijnverkopers in hun ambacht te mogen opnemen en hen het inkomgeld te laten betalen[177]. In 1601 deden de borduurwerkers hun beklag over de dekens van de Sint-Lucasgilde - waaronder het ambacht sinds 1558 ressorteerde[178] - omdat deze, 'nyet sueckende dan het incomghelt', het ambacht der borduurwerkers slecht bestuurd zouden hebben. De dekens zouden zelfs bereid geweest zijn 'alle die gelt hebben int ambacht tontfanghen', of 'sy bequaem oft nyet en syn'[179].
Hoewel de geldhonger van de ambachtsbesturen deze 'incorporaties' in belangrijke mate lijkt te verklaren, is het naar onze mening toch zinvol de vraag te stellen in welke mate economische motieven hierbij een rol speelden. Meerbepaald lijkt het verlangen om (potentiële) concurrenten uit te schakelen soms doorslaggevend geweest te zijn. Bibi Panhuysen heeft er op gewezen dat de Amsterdamse en Haarlemse kleermakersgilden bij de in- en uitsluiting van concurrenten doorgaans in eerste instantie vertrouwden op 'offensieve strategieën'[180]. Daarbij concentreerde het gilde zijn inspanningen op het uitsluiten van potentiële concurrenten van toegang tot de afzetmarkt en de expansie van het eigen werkterrein ten koste van andere beroepsgroeperingen. Dit gebeurde door bepaalde categorieën arbeiders (vrouwen en joden) de toegang tot de corporatie te weigeren of door de verhoging van de toegangsdrempels (vooral financiële voorwaarden) tot het gilde. In tweede instantie, wanneer de concurrentie van buiten het gilde te sterk bleek, deed men een beroep op meer behoudende strategieën. Panhuysen onderscheidt hierbij twee tactieken: enerzijds incorporatie, anderzijds het schatplichtig maken van de concurrerende beroepsgroepen. Onder incorporatie wordt verstaan: het opnemen van aanverwante beroepsgroepen in het (kleermakers-)gilde om het eigen werkterrein uit te breiden. De schatplichtige handwerker of beroepsgroep verkreeg in ruil voor zijn (eenmalige of terugkerende) financiële steun de vrijheid tot uitoefening van zijn beroep, zonder evenwel aanspraak te kunnen maken op enig recht binnen het (kleermakers-)gilde. Het schatplichtig maken van concurrenten bood grote voordelen voor het gildebestuur. Enerzijds kon men zo de controle op de activiteiten van deze beroepen vergroten, anderzijds verlichtten de schatplichtigen de lasten voor de gildebroeders door bij te dragen aan de gildenkas.
In de hierboven aangehaalde voorbeelden van Antwerpse ambachten die een deel van hun financiële lasten afwentelden op andere beroepsgroepen kan men naar onze mening wel degelijk spreken van 'incorporatie'. Deze had, net als in het geval van de Amsterdamse en Haarlemse kleermakersgilden, tot doel ongewenste concurrenten in te sluiten én de financiële lasten (o.a. de kosten aan het altaar) over een groter aantal personen te verdelen. Nochtans mag men niet voorbij gaan aan het verschillende karakter die dergelijke incorporaties konden hebben. De mate van incorporatie, dat wil zeggen volledig of onvolledig, betekende voor de geïncorporeerde groep immers een wereld van verschil. In het geval van de leertouwers kan men duidelijk spreken van een volledige incorporatie bij het zadel- en gareelmakersambacht[181]. De geïncorporeerde leertouwers genoten dezelfde privileges en werden dus volwaardige leden van het incorporerende ambacht. Ook het feit dat de wijntaverniers erop aandrongen dat de brandewijnverkopers 'sullen gehouden syn te commen inde gulde vande supplianten ende te betalen de rechten', wijst er waarschijnlijk op dat er in dit geval sprake was van een volledige incorporatie. Bij deze volledige incorporaties moet het verlangen om concurrentie buiten het eigen ambacht uit te schakelen inderdaad doorslaggevend zijn geweest. Zo argumenteerden de dekens van de wijntaverniers dat de incorporatie van de brandewijnverkopers ook wenselijk was om een einde te maken aan hun eindeloze bevoegdheidsconflicten[182]. De incorporatie van de borduurwerkers door de Sint-Lucasgilde had daarentegen duidelijk een onvolledig karakter. Dit kan naar onze mening op de eerste plaats verklaard worden door het feit dat de borduurwerkers geen directe concurrenten vormden voor de Sint-Lucasgilde of de beroepsgroepen die daaronder ressorteerden[183]. Daarom was het (volledig) insluiten van deze handwerkers niet nodig en waarschijnlijk zelfs niet wenselijk. Onvolledige incorporatie impliceerde immers dat men het eigen privilege niet moest delen met de 'nieuwkomers', iets wat bij volledige incorporatie uiteraard wel het geval was. De dekens van de Sint-Lucasgilde waren op de eerste plaats geïnteresseerd in de inkomgelden van de borduurwerkers die voortaan aan hen toekwamen[184]. Daarom waren zij waarschijnlijk erg toegeeflijk wat betreft de toetreding van nieuwe borduurwerkers. Dit impliceerde immers hogere inkomsten zonder toename van het concurrerende aantal meesters binnen de eigen beroepsgroep. Nog in 1606 deden de borduurwerkers hun beklag bij de schepenen dat de dekens van de Sint-Lucasgilde 'dagelyckx tot het borduurwercken admitteren vele onvrije personen sonder voorgaende behoorlijcke proeve gedaen te hebben, alleenlyck om te trecken het proffyt van het incomgelt…'[185]. Ook de (onvolledig)geïncorporeerde naalden- en haakmakers waren van oordeel dat ze slecht bestuurd werden door het ambachtsbestuur van de speldenmakers. De dekens werden er niet alleen van beschuldigd dat ze slecht toezicht hielden op de meesterproef, 'de welcken nochtans daarvan egeen verstant en hebben', maar ook dat ze bereid waren het lidmaatschap van de natie van de naalden- en haakmakers te verkopen aan eenieder die het inkomgeld kon betalen. Daarom achtten de handwerkers het noodzakelijk een eigen deken en ouderman te mogen verkiezen, die 'generalyck de gerechticheyt der supplianten in alles moghen voorstaen'. De magistraat weigerde echter het gezag van de dekens van de speldenmakers in vraag te stellen[186]. De huikmakers wensten in 1610 eveneens een eigen ouderman. De vele conflicten binnen hun natie konden niet op bevredigende wijze opgelost worden door de dekens van de kleermakers 'mits dat sy vander neeringhe der supplianten soo volcommentlyc nyet en syn onderricht…'[187].
Enkele ambachten gingen in hun zoektocht naar financiële middelen zo ver, de magistraat ertoe aan te zetten 'onvrijen' te dwingen hun eigen groepering te vervoegen, op voorwaarde dat zij 'moeten wesen vrye poorters deser stadt ende het recht vanden ambachte te voldoen'[188]. Het houtbrekersambacht verzocht de schepenen in 1605 zelfs om de onvrijen 'comende meest van henegouw, maestricht, oostlant oft andere plaetsen' het meesterschap te mogen verlenen 'sonder dat sy het houtbrekersambacht by enen vryen meester deser stadt twee continuele jaeren sullen hoeven te leeren ende te doen eenighe proeve mits betaelende het incomgelt ende de andere rechten den ambachte competerende'[189]. Het eigen privilege moest, kortom, wijken voor de toename van het aantal contribuerende leden[190].
Op basis van deze gegevens kan men naar onze mening stellen dat de Antwerpse corporatieve wereld zeker niet werd gekenmerkt door een lineaire ontwikkeling naar een steeds groter 'exclusivisme'. Het inkomgeld lijkt ons, eerder dan een dankbaar toegepast middel om het lidmaatschap van het ambacht voor buitenstaanders systematisch te bemoeilijken, een flexibel instrument ter regulering van de arbeidsmarkt te zijn geweest[191]. Dit betekent dat het inkomgeld verhoogd werd naarmate een toenemend aantal personen door toedoen van een gunstige economische conjunctuur in het ambacht wenste opgenomen te worden. Tijdens de zestiende eeuw was de algemene tendens, onder invloed van de economische en demografische groei, om de inkomgelden te verhogen. Daarentegen lijken meerdere sectoren van de Antwerpse economie in de jaren na 1585 geconfronteerd geweest te zijn met een ernstig tekort aan arbeidskrachten. Dit is niet verwonderlijk wanneer men ermee rekening houdt dat tussen 1585 en augustus 1589 ongeveer 38.000 personen - waaronder veel geschoolde handwerkers - de stad verlieten, waardoor het inwoneraantal binnen de vier jaar werd gehalveerd[192]. Meerdere ambachten gaven dan ook te kennen dat de jaarlijkse bijdragen (kaarsgelden) door het kleine aantal meesters ontoereikend waren voor de heroprichting van het altaar[193]. In een rekest van 2 maart 1592 gaven de timmerlieden de uitwijking van een aantal meesters naar Frankrijk als verklaring voor hun zeer beperkte inkomsten[194]. Dat sommige ambachten wèl opteerden voor een verhoging van hun inkomgelden kan naar onze mening in belangrijke mate verklaard worden doordat niet alle sectoren even hard getroffen werden door de economische crisis en bijgevolg niet allemaal een tekort aan (geschoolde) arbeidskrachten hadden. Zo deden meerdere (dekens van) textielambachten juist in de jaren na 1585 hun beklag bij de magistraat over de 'toevloed' van buitenlandse arbeiders[195]. De verschillen tussen de verschillende beroepstakken inzake werkgelegenheid werden nog versterkt door de compartimentering van de arbeidsmarkt, waardoor een arbeidsoverschot meestal geen compensatie kon vormen voor een tekort in andere nijverheden[196]. Deze versnippering heeft anderzijds tot gevolg dat de situatie op de arbeidsmarkt moeilijk generaliseringen toelaat. Toch is er een bijkomend element dat inderdaad wijst op een nog jaren durend tekort aan (geschoolde) arbeidskrachten in bepaalde beroepstakken. Uit enkele rekesten kan immers opgemaakt worden dat de gezellen en soms zelfs de 'onvrije' arbeiders hun onderhandelingspositie wisten te versterken, waardoor zij in staat waren een hoger loon te bekomen. Zo deden de dekens van de kleermakers hun beklag over een groot aantal meesters die 'contrarie dordonnantie hunne knechten op hunne stucken laeten wercken daerinne sy dickwils over de 15 st. daegs en syn gevende'[197]. Dit had tot gevolg dat de gezellen 'syn winnende soo groote dachhueren dat den meestendeel van dyn veel beter met vrouwen ende kinderen hunnen cost syn winnende als eneghe meesters'[198]. Het bestuur van het lakenbereidersambacht fulmineerde tegen 'verscheyden persoonen ende gasten, commende van buyten slants binnen dese stadt om onder enighe vrije meesters vanden ambachte te wercken, pretenderen hoogheren loon dan men tot noch toe heeft betaelt, waerdeur sy de andere gasten van hier binnen seer onwillich maecken…'[199].
Het is duidelijk dat de meeste ambachten in de jaren na 1585 een verhoging van de inkomgelden zeker niet als het belangrijkste middel ter verbetering van hun financiële situatie beschouwden. Het overgrote deel van de corporaties gaf duidelijk de voorkeur aan andere financieringsmethoden. Soms streefde men naar het herstel van tijdens het Calvinistisch Bewind in onbruik waren geraakte rentebetalingen ten behoeve van het altaar[200]. Andere ambachten streefden ter compensatie van de zware kosten aan het altaar naar de instelling van een bijzondere verbruiksbelasting[201] of naar een loonsverhoging[202]. Ook de verkoop of verhuur van onroerende goederen vormde soms een oplossing voor de financiële moeilijkheden[203]. Enkele ambachten verkregen van de magistraat een financiële tegemoetkoming. Hierbij ging het steeds om het deel van het inkomgeld dat traditioneel door de ambachten aan de stad werd afgestaan[204]. Ook onrechtstreekse subsidiëring - door middel van de kwijtschelding van schulden - behoorde tot de mogelijkheden[205]. Andere ambachten gingen daarentegen nieuwe schulden aan om het nieuwe altaar te financieren[206]. Het kuipersambacht vond er niet beter op een rente op zijn altaar te verkopen aan de wijntaverniers[207]. Meerdere corporaties kregen de toestemming van de magistraat om enkele rijke meesters een levenslange vrijstelling van bijdragen tot de armenbus te verkopen[208]. De schrijnwerkers kregen in 1613 toestemming van de magistraat om de eerstvolgende drie inkomelingen in plaats van een traditioneel meesterstuk een altaartafel, - afsluiting en -gestoelte te laten maken[209]. Een aantal corporaties trachtte de kosten dan weer te drukken door het onderhouden van één gezamenlijk altaar[210].
De meeste ambachtsbesturen trachtten de zware uitgaven (vooral aan het altaar) echter te compenseren door een extra belasting van hun meesters. Frequent werd geopteerd voor een (tijdelijke) verhoging van het kaarsgeld[211]. Aangezien vele ambachten na het aflopen van de oorspronkelijke termijn nog steeds met een geldgebrek kampten, stemde de magistraat meestal in met een verlenging[212]. Sommige corporaties gaven de voorkeur aan heffingen evenredig aan de inkomsten van de meesters[213]. Een dergelijke 'impositie op elck stuck wercx' had tot doel de 'rycken' en de 'schamele meesters' te laten bijdragen 'elck naer syn qualiteyt ende bedryf'[214]. Mogelijk wensten de dekens door het nemen van dergelijke maatregelen de interne spanningen, veroorzaakt door de voortschrijdende sociale polarisatie, te verzachten.
Sommige ambachten verzochten ook de gezellen -nochtans nauwelijks volwaardige leden te noemen - bij te dragen in de kosten aan het altaar[215]. Toen de knechten van de kleermakers dit weigerden, besloten de dekens dat elk meester deze 'bijdrage' dan maar moest afhouden van het loon van zijn knechten[216]. Nog 'creatiever' in het verzekeren van meer inkomsten waren de passementwerkers. In 1596 verkregen de dekens van de magistraat het recht om 'alle meyskens werckende opde getouwen' te laten contribueren voor het altaar[217]. Mogelijk ging het hier eveneens om een poging de rijkere meesters meer te laten bijdragen dan hun minder gegoede collega's. In dat geval beoogden de dekens misschien het indirect bestraffen van deze lage lonenconcurrentie, (vooral) toegepast door de meer substantiële meesters. Men kan de maatregel echter ook interpreteren als voortspruitend uit financiële bekommernissen van het ambachtsbestuur. In dat geval kan men de verplichte bijdragen van de 'meyskens' bestempelen als een vorm van 'schatplichtigheid'.
Een laatste mogelijkheid om de kosten van het altaar op de meesters (en de gezellen) af te wentelen, vormde het opleggen van boetes voor het overtreden van het ambachtsreglement. De dekens waakten hierbij zowel over de economische voorschriften als de religieuze verplichtingen van hun ambacht.
Het altaar als gezagversterkend en identiteitsbevestigend element
Een kwantitatieve analyse van de indieners van de ambachtsrekesten uit de jaren 1586-1603 leert dat men wat betreft de altarenheroprichting in de meeste ambachten kan spreken van een verwijdering tussen 'basis' en 'top'. Van de 89 rekesten met betrekking tot het ambachtsaltaar werden er namelijk slechts 14 (15.7%) ingediend op naam van zowel dekens als 'suppoosten'[218]. Dit illustreert dat de altarenheroprichting na 1585 in veel mindere mate het initiatief was van de meesters dan van de dekens.
De scherpe tegenstelling tussen enerzijds de onwil van meesters (en gezellen) om zich te houden aan de verplichtingen die de diverse aspecten van de corporatieve organisatie met zich meebrachten, en anderzijds de ijver van de dekens om de regels te doen naleven, lijkt ons een cruciaal element in de (religieuze) ontwikkelingen binnen de corporatieve wereld na 1585. Men mag namelijk de gezagscrisis die zich tijdens het Calvinistisch Bewind in de ambachtswereld manifesteerde, na de reconciliatie zeker niet als beëindigd beschouwen. Dat de dekens in deze periode grote moeite hadden om hun gezag te affirmeren, blijkt uit hun vele verzoekschriften aan de magistraat. Het geringe enthousiasme van de meesters wordt geïllustreerd door de klachten van vele ambachtsbesturen hun beklag deden over de weigering van sommige meesters om hun kaarsgeld te betalen[219]. De continuïteit met de gezagscrisis onder het Calvinistisch Bewind blijkt daarenboven onder meer uit de klacht van de dekens van de kordewagenkruiers dat meerdere van hun meesters 'geduerende negen continuele jaeren' geweigerd hadden hun kaarsgeld te betalen[220]. De onwil van vele meesters wordt niet op bevredigende wijze verklaard door de 'afkeer' die zij na 1585 gevoeld zouden hebben ten aanzien van de collectieve religieuze praktijken. De onwil op godsdienstige vlak vormt immers maar één element in het trotseren van het gezag van de dekens. Vele meesters bleven niet alleen weg op de erevieringen, processies en begrafenissen[221] van de corporatie, maar evenzeer op de vergaderingen op de ambachtskamer[222]. De dekens van de visverkopers vroegen de magistraat op te treden tegen de 'cleyne assistentie ende groote disobediëntie die dagelyckx wordt gecommitteert'. De klacht betrof zowel afwezigheden op de vergaderingen van het ambacht als het absenteïsme op 'alle afsettinghe, opsettinghe, ordinaire ommegangen, processien generael ende begraeffenissen'. Dit was niet alleen tot 'groote repudicie ende smaedenisse vanden ambachte', maar impliceerde eveneens dat de 'saecken vanden ambachte sullen verloren gaen'[223]. Het bestuur van het ambacht der wijntaverniers verzocht de magistraat maatregelen te mogen nemen 'tot het onderhouden vande goede ordre onder de supplianten natie (…) opdat alle cousisie onder de supposten vande supplianten gulde worde geweyrt'[224]. Dat de legitimiteit van het gezag van de dekens soms openlijk in twijfel werd getrokken blijkt uit de weigering van de gemene kruiers (ressorterend onder het ambacht van de kordewagenkruiers)in 1608 om nog langer een deel van hun inkomsten af te staan aan hun dekens, wanneer deze zelf niet konden werken doordat ze in de Brede Raad dienden te zetelen of zich met het bestuur van de corporatie moesten bezig houden[225].
Het voortduren van de gezagscrisis in de corporatieve wereld na de reconciliatie kan slechts verklaard worden door een samenspel van factoren. Zeker in de eerste jaren na 1585 koesterden een aantal meesters ongetwijfeld nog protestantse sympathieën, waardoor zij wellicht weinig enthousiast waren voor het herstel van het katholieke gezag. De onwil van vele ambachtslieden om dadelijk na de reconciliatie bij te dragen tot de heroprichting van het altaar moet anderzijds ook verklaard worden door de hongerjaren kort na 1585. De combinatie van prijsstijgingen en loonsverminderingen zorgde er tussen 1585 en 1587 voor dat de levensstandaard van vele kleine meesters (en gezellen) beneden het biologisch minimum zakte[226]. Het is niet verwonderlijk dat de met de hongerdood bedreigde handwerkers weinig voelden voor een extra bijdrage voor het altaar. Een ander belangrijk element is ongetwijfeld de breuk met de traditie van 'zelfbestuur' (het tot op zekere hoogte kiezen van de eigen dekens) tijdens het Calvinistische Bewind[227]. De schending van de ambachtsprivileges door magistraat en dekens in deze jaren had de voordien relatief stabiele verhoudingen in de ambachtswereld ongetwijfeld aan het wankelen gebracht. Vele ambachtslieden waren tijdens de jaren 1581-1585 gewend geraakt aan het trotseren van het gezag van hun dekens, die zij vaak niet erkenden als de rechtmatige bestuurders van de corporatie. De instabiliteit in de corporatieve wereld moet na 1585 nog zijn vergroot door de economische ontwrichting en de massale emigratie. Hun slechte economische situatie heeft vele handwerkers er ongetwijfeld toe aangezet de corporatieve bepalingen niet steeds na te leven. Anderzijds resulteerde de uitwijking van vele geschoolde ambachtslieden en kooplieden in een grondige herschikking van de posities in de ambachtswereld. Dat de verhoudingen tussen de corporaties hertekend werden, wordt onder meer geïllustreerd door het feit dat meerdere ambachten in deze jaren streefden naar de incorporatie of het schatplichtig maken van andere beroepstakken. Verschillende beroepsgroepen maakten van de verschuivingen in het corporatieve landschap gebruik om hun wens tot de vorming van een eigen corporatie kenbaar te maken. Onmiskenbaar speelden de religieuze aspecten van de corporatieve organisatie in de jaren na 1585 nog steeds een belangrijke rol in het afbakenen van de eigen groepering ten aanzien van andere beroepstakken. Toen de tin- en loodgieters zich in 1597 wensten af te scheiden van het meerseniersambacht argumenteerden zij bij de magistraat 'dat de supplianten te vueren syn mede in ommegangen ende processiën gegaen [en nu wensen] enen nieuwen aultaer op te rechten onder alsulcken patroon U eerwaarde hun ordonneren selen…'[228]. Vier jaar later verzochten de borduurwerkers gescheiden te worden van de Sint-Lucasgilde. De handwerkers benadrukten dat de nieuwe corporatie niet alleen een eigen bestuur en een meesterproef diende te hebben, maar dat een eigen altaar eveneens onmisbaar was[229]. In 1601 wensten de huidevetters een einde te maken aan hun voortdurende bevoegdheidsconflicten met de schoenmakers door de magistraat te verzoeken beide beroepsgroepen in afzonderlijke ambachten onder te brengen.[230] Ondanks hun formele lidmaatschap van hetzelfde ambacht hadden huidevetters en schoenmakers vroeger, toen men nog 'in meerdere prosperiteyt was', 'gehadt ende gehouden twee cappellanen (…) den enen vande huyvetters ende den anderen vande schoenmakers'[231]. De erkenning als twee onderscheiden ambachten vormde, zo suggereerden de handwerkers, een logisch vervolg op het bijwonen van afzonderlijke erediensten. De eindeloze bevoegdheidsconflicten tussen beide beroepsgroepen laten echter vermoeden dat economische motieven in dit geval doorlaggevend waren.
De (her-)oprichting van een eigen altaar na 1585 moet naar onze mening vooral gezien worden als een identiteitsbevestigend en -vormend element. Door het onderhouden van een eigen altaar en het bijwonenen van eigen erediensten wensten de handwerkers en hun dekens op de eerste plaats hun status van geprivilegieerde groep te bevestigen en legitimeren. Hieruit volgt dat godsdienstige aspecten van de corporatieve organisatie een belangrijk element vormden in de afbakening van de eigen organisatie ten aanzien van buitenstaanders. Zoals het geval van de schoenmakers en huidevetters illustreert, was dergelijke afbakening in de economische sfeer vaak problematisch doordat de begrenzing van het werkterrein van de verschillende ambachten - ondanks privileges en ordonnanties - vaak vaag bleef. Het lidmaatschap van een exclusieve ambachtsbroederschap maakte de grenzen tussen het werkterrein van de ambachten beter zichtbaar, aangezien deelname aan de exclusieve religieuze praktijken openlijk kenbaar maakte tot welke corporatie de handwerkers behoorden, en bijgevolg welke privileges zij genoten[232]. De collectieve devotiepraktijken lijken ons met andere woorden een visueel verlengstuk van het ambachtsprivilege. Daarom streefden beroepsgroepen die als ambacht erkend wilden worden na 1585 eveneens naar de oprichting van een exclusief altaar. Ook voor de sinds vele jaren erkende corporaties speelde legitimering in de jaren na 1585 een cruciale rol. De grote verschuivingen in de corporatieve wereld en de economische ontwrichting maakten een herbevestiging van de oude prerogatieven noodzakelijk, en resulteerden daarom in een grotere nadruk op uiterlijk vertoon. De stelling dat het bezit van een eigen altaar na 1585 voor de sinds vele jaren erkende corporaties geen 'praktisch nut'[233] meer had, gaat dus niet op.
Ook binnen de ambachten ondergingen de machtsverhoudingen na 1585 waarschijnlijk grondige wijzigingen. Vermoedelijk werd de plaats van uitgeweken handwerkers en kooplieden ingenomen door 'nieuwkomers'. Men heeft er op gewezen dat de maatschappelijke transformatie na 1585 waarschijnlijk een diepgaande verandering van het bestaande systeem van sociale relaties met zich meebracht[234]. Het voortduren van de gezagscrisis in de corporatieve wereld lijkt er inderdaad op te wijzen dat de Val van Antwerpen resulteerde in een grondige hertekening van de machtsverhoudingen in de stedelijke samenleving. De wortels van deze verschuiving gaan wat de ambachtswereld betreft evenwel terug tot de periode van het Calvinistisch Bewind.
Het kwam er voor de nieuwe dekens na 1585 dus op aan hun gezag op te leggen aan de massa van 'oproerlycke' meesters en gezellen[235]. Een essentieel element hierbij was het benadrukken van de groepsidentiteit. De versterking van het samenhorigheidsgevoel zou, hoopte men, resulteren in meer respect voor de interne hiërarchie. Oproerige elementen vormden een directe bedreiging voor (het ideaal van) de samenhorigheid van de beroepsgenoten. Daarom verzochten de dekens van de turfdragers in februari 1609 om één van hun ongehoorzame leden te mogen 'deporteren [en] aff te snyden van het ambacht der supplianten als wesende een bedorven lidtmaet daer door het geheel lichaem wordt geinfecteert…'[236]. Het verzoek betrof Anthony Meys, sinds 1599 in conflict met zijn dekens. Meerdere malen was Meys omwille van zijn verbaal en fysiek geweld door de magistraat gedwongen om op de 'peyskamer' zijn dekens om vergiffenis te vragen[237]. Toen er in 1609 opnieuw een conflict uitbrak, waarbij de dekens hem onvrij verklaarden, leidde dit tot een proces voor de Raad van Brabant. De Raad bevestigde evenwel het gezag van de dekens over hun suppoosten[238].
Frequent argumenteerden de dekens dat het waken over de godsdienstige praktijken het algemene belang (van de beroepsgenoten) diende. De ambachtsbesturen, bezorgd om 'hunnen goeden naeme ende faeme', verdedigden het onderhouden van de godsdienstige gebruiken dan ook als een erezaak. Het bestuur van het smedenambacht betoogden in 1586 dat de onwil van de meesters op religieus vlak 'al tot groote cleynicheyt ende oneer soo van godt ende syn dienst [was ] als tot schande vanden ambachte int ghemeyn'[239]. Om begrijpelijke redenen bestond er een nauw verband tussen de eer van het ambacht en het gezag van zijn bestuurders. Dit blijkt onder meer uit de klacht van de dekens van de metselaars uit 1610. Toen een van hun meesters tijdens de door het ambacht georganiseerde eredienst in de kathedraal opzettelijk veel kabaal maakte bij zijn werkzaamheden aan een ander altaar, fulmineerden de dekens tegen de schepenen dat dit wangedrag niet onbestraft mocht blijven, 'besundere dat de voorschreven acten van spot, spyt ende tergen vanden ambachte syn gecommitteert in eene kercke ende onder de solemnele misse, redunderende alsoo oyck in effecte de heylicheyt der voorschreven martelaren…'[240]. Het beledigen van de patroonheiligen, en bijgevolg van het hele ambacht, werd door de handwerkers niet licht opgevat; de dekens eisten dan ook een schadevergoeding van 150 gulden. Godsdienstige ijver, weerspiegeld in het trouw bijwonen van de eredienst, vormde na 1585 blijkbaar een belangrijk element van de beroepseer van de handwerkers[241]. De (dekens van de) ambachten wilden een beeld van betrouwbaarheid en 'deugdzaamheid' (religieuze orthodoxie) uitdragen. Zo waren de dekens van de visverkopers bezorgd over de beperkte opkomst van de meesters bij erediensten en processies aangezien zij hierdoor 'beschampt [zouden] vallen doordyen dat de gemeynte [zou] meynen dat sulcx toecompt door infectie vande andere religie…'[242].
De ambachtsdekens ijverden na 1585 niet alleen voor het herstel en de uitbreiding van hun autoriteit omdat dit de uitoefening van hun bestuursfunctie vergemakkelijkte. Ook economische belangen moeten een rol hebben gespeeld. Aangezien de ambachtsbesturen in toenemende mate uit een oligarchie van welstellende meesters werden gekozen, ligt het voor de hand dat zij de collectieve godsdienstige praktijken eveneens propageerden om interne conflicten te verzachten en verdeeldheid voor de buitenwereld te verbergen. De godsdienstige gebruiken en rituele festiviteiten van de ambachten vormden naast een vorm van 'zelfpresentatie', eveneens een mechanisme om opgebouwde spanning op gezette tijden te ontladen[243]. Dat de ambachtswereld na 1585 geen toonbeeld van eensgezindheid was, wordt geïllustreerd door de wens van vele dekens om maatregelen te mogen nemen tegen 'defaillanten oft opposanten', die weigerden naar de vergaderingen op de kamer te komen of hun bijdrage voor het altaar te betalen. Het is begrijpelijk dat de dekens dergelijke inbreuken beschouwden als het openlijk in twijfel trekken van hun gezag. Afwezigheden werden dan ook enkel getolereerd wanneer de dekens hiervoor uitdrukkelijk hun toestemming hadden gegeven[244]. Het opleggen van boetes was veruit het populairste middel om de meesters tot gehoorzaamheid te bewegen[245]. Het lijkt daarenboven veelbetekenend dat voor de aldus verkregen inkomsten vaak werd gestipuleerd dat zij 'tot behoeff vanden aultaer' waren[246]. Dat de opbrengsten van boetes voor 'injurien oft gewelt' steevast voor het onderhoud van het altaar dienden, wijst er in eerste instantie op dat de dekens streefden naar meer regelmatige inkomsten voor het altaar. Doorslaggevender lijkt ons echter de symbolische betekenis van de gedwongen contributies. Oproerige meesters moesten schendingen van de interne harmonie symbolisch 'afkopen' door middel van een extra-bijdrage ten behoeve van het altaar, de belichaming van de groepsidentiteit. Gedwongen contributie - zeer vaak onder vorm van een materiële bijdrage, zoals een pond was[247] - fungeerde, kortom, als een vorm van boetedoening. Ook het verzoek van de bestuurders van het vleeshouwersambacht om het oude gebruik, waarbij 'misbruycken' door het ambachtsbestuur mochten bestraft worden met het opleggen van 'pelegerinagien oft bevaerden', in ere te mogen herstellen, moet in dit perspectief gezien worden[248]. De ambachtsdekens zagen ongetwijfeld in dat de godsdienst een uitgelezen middel vormde om de gezagsrelaties in de corporatieve wereld te herbevestigen. In 1594 plaatsten de dekens van de schoolmeesters een 'vermaninghe tot eendracht in onse gulde' op hun altaar in de kathedraal. In hetzelfde jaar distribueerden ze onder de leden van het ambacht een gedrukte 'vermaninghe tot onderlinghe eendrachticheyt ende liefde in onse confririe'[249].
Toch voelden de dekens zich soms slecht gewapend om wanbetalers en ongehoorzamen tot de orde te roepen. Vaak verzochten zij de magistraat dan ook hen 'acte van parate executie' te verlenen door middel van welke zij de 'quaetwillighen' konden 'bedwinghen'[250]. De dekens streefden hierbij naar de uitbreiding van hun bevoegdheden om straffen op te leggen, zonder daarvoor telkens toestemming van de magistraat te moeten vragen. Vanzelfsprekend beoogden de dekens met deze grotere onafhankelijkheid ten aanzien van de schepenen, de versterking van hun eigen gezag binnen de corporatie. De dekens van de kleermakers verzochten in 1593 om een ordonnantie waardoor hen zou worden toegestaan om weerspannige meesters te sommeren en te bestraffen, 'sonder ter causen vande selve eenige andere procedure te doene…'. Daarenboven zou de magistraat een eventueel pleidooi van de 'defaillanten' niet mogen aanhoren alvorens zij hun ondergeschiktheid aan de dekens hadden betoond door hun achterstallige bijdragen voor het altaar te betalen[251].
Het is opmerkelijk hoe de ambachtsdekens na 1585 ijverden voor de heroprichting van het altaar en het onderhouden van de collectieve godsdienstige praktijken. Ten dele kan men dit verklaren door de druk die op hen werd uitgeoefend door geestelijke en wereldlijke gezagsdragers[252]. Als bestuurders van hun corporatie werden de dekens vanzelfsprekend verantwoordelijk gehouden voor het doen naleven van de religieuze verplichtingen door hun meesters. Anderzijds lijken zij zelf sterk gemotiveerd geweest te zijn om een einde te maken aan de gezagscrisis in de corporatieve wereld. Het 'enthousiasme' van de dekens mondde soms evenwel uit in een autoritair optreden. In 1605 deden de oude dekens en de meesters van de gilde van Sint-Job (speellieden) hun beklag over de huidige dekens, die het altaar in de Sint-Jakobskerk hadden laten oprichten zonder hiervoor oude dekens of meesters te consulteren. De dekens gaven echter als antwoord 'dat sy tselve deden en dat sy over sulckx daermede nyet te doene hadden…'. De meesters gaven de magistraat te kennen dat het niet hun bedoeling was om de heroprichting van het altaar te beletten, maar dat zij geenszins van plan waren bij te dragen tot 'wercken daertoe sy geen consent en hebben gedraghen'[253]. Soms had het autoritaire optreden van de dekens blijkbaar een averechts effect. De ondemocratische maatregelen ondermijnden immers in sterke mate het groepsgevoel van de handwerkers. Dit verklaart waarschijnlijk ten dele de moeite waarmee het herstel van de oude gezagsverhoudingen en de heroprichting van de ambachtsaltaren na 1585 gepaard ging.
Ook de rivaliteit onder de corporaties speelde in de altaarheroprichting na 1585 een rol[254]. De dekens van de meerseniers vonden het onbehoorlijk dat hun ambacht, 'een vande principaelste deser stadt' zou nalaten een imposant altaar op te richten, 'naer de equiteyt van dien ten exemplen vande oultaeren vande gulden deser stad'[255]. Vaak stipuleerden de contracten tussen ambachten en beeldhouwers of schilders dat (de onderdelen van) het nieuwe altaar uitgevoerd moesten worden naar het voorbeeld van bestaande ambachts- en gildenaltaren[256]. Een achtenswaardig ambacht kon zich niet zomaar laten verdringen of overklassen door een concurrerende groep. De strikte afbakening van de beschikbare ruimte in de parochiekerken getuigt daarvan. Toen de buildragers in 1606 verzochten om de tuin rond hun altaar in de Sint-Walburgiskerk te mogen uitbreiden, betoogden zij dat dit noodzakelijk was om de wijntaverniers te beletten dezelde ruimte 'te incorporeren ende te betimmeren, dwelck soude syn tot den perpetuelen infame ende schande des voorschreven ambachts…'[257]. De geestelijkheid liet overigens niet na in te spelen op het eergevoel van de handwerkers. In 1628 vreesde het zagersambacht zijn kapel in de Sint-Jakobskerk, 'staende op een vande beste plaetsen vander voorschreven kercke', te moeten afstaan aan de satijnwerkers. Deze zouden 'hen geerne [hun plaats] affnemen, ende inde selve plaetse stellen heuren aultaer…'. Meerdere malen hadden de pastoor en de kerkmeesters de zagers aangespoord om op alle zon- en heiligendagen een luisterrijke eredienst te laten opdragen, in plaats van enkel op de belangrijkste feestdagen. Aangezien het zagersambacht daar de middelen niet toe had, was het kerkbestuur geneigd gehoor te geven aan de wensen van de rijkere (dekens van de) satijnwerkers[258].
Hierbij aansluitend dient opgemerkt dat ook na 1585 de uitstraling van het kerkgebouw waar hun altaar zich bevond, voor de handwerkers een niet onbelangrijk element vormde in het aanzien dat zij hun corporatie wensten te geven. Zoals reeds werd aangetoond, genoten niet alle kerken in Antwerpen hetzelfde prestige[259]. In een samenleving waar het sociaal aanzien en de plaats van een individu of groep binnen verschillende hiërarchiën van buitengewoon belang waren, gaven ook de ambachten blijk van een duidelijke voorkeur betreffende de cultusplaats waar hun altaar werd (her-)opgericht. Het staat vast dat de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal na 1585 het centrum bij uitstek van de ambachtsdevotie bleef. In 1607 bevonden zich in de hoofdkerk zo'n veertig altaren. Tot in de achttiende eeuw werden een twintigtal daarvan onderhouden door ambachten[260]. De overige parochiekerken herbergden opmerkelijk minder ambachtsaltaren[261]. Het is opvallend hoe hoogstuitzonderlijk een ambacht er tussen 1585 en 1633 toe overging zijn altaar in een andere kerk te laten (her-)oprichten dan in die waar het sinds de late Middeleeuwen gevestigd was[262]. Het is geen onbelangrijke vraag welke factoren dit 'immobilisme' kunnen verklaren. Na 1585 konden de ambachten hun materiële aanwezigheid in een bepaalde kerk blijkbaar verantwoorden door het feit dat zij daar sinds eeuwen gevestigd waren. Daarnaast moet de wens van de geestelijke en wereldlijke gezagsdragers om terug aan te knopen bij de periode van voor het Calvinistisch Bewind een belangrijke rol hebben gespeeld[263]. De vermenigvuldiging van de altaren diende in deze jaren immers niet alleen tot de herinrichting van de kale bedehuizen. De (her)oprichting had eveneens een duidelijk anti-protestants karakter[264]. Ook de hernieuwde aanwezigheid van ambachts- en gildenaltaren in de kerken - door Calvijn scherp bekritiseerd[265] - moet in dit perspectief worden gezien. Het niet in vraag stellen van de materiële aanwezigheid van de ambachten in de de kerken kan dus in belangrijke mate verklaard worden door het streven van de geestelijkheid om de continuïteit met het katholieke verleden van de stad te beklemtonen. Een ander element was evenwel de uitgesproken legitimeringsdrang van de (dekens van de) ambachten in deze jaren. De heroprichting van een luisterrijk altaar op de plaats die daar meer dan twee eeuwen toe had gediend, moest bevestigen dat de corporaties, ondanks de voorgaande periode van opstand en 'ketterij', nog steeds een onmisbare en solide bouwsteen van de stedelijke samenleving vormden. Zo werd in 1625 aan de zijkant van het hoveniersaltaar in de kathdraal een gedenkstuk geplaatst dat de oorsprong van de Onze-Lieve-Vrouwekerk in herinnering moest brengen. Zowel de opschriften als de voorstelling van Onze-Lieve-Vrouw op 't Stoksken sloten aan bij de reeds in de late middeleeuwen bestaande legendevorming over het onstaan van de kerk[266]. Hoewel het initiatief voor dit gedenkstuk genomen werd door het kapittel, moet het hoveniersambacht ongetwijfeld enthousiast geweest zijn voor de oprichting ervan. Op die manier werd het bestaan van hun altaar, en bijgevolg ook van hun corporatie, teruggevoerd tot de vroegste geschiedenis van de kerk. Een betere legitimering van hun aanwezigheid in de kathedraal konden de hoveniers zich moeilijk wensen.
Dat de ambachten na 1585 hun aanwezigheid in de parochie- en kloosterkerken op de eerste plaats legitimeerden door te verwijzen naar de traditie, verklaart nog niet waarom zij zich vroeger in een bepaalde kerk hadden gevestigd. Waarom bepaalde ambachten in de vijftiende eeuw een onderkomen in de kathedraal hadden gevonden en andere niet, kan naar onze mening slechts verklaard worden door een samenspel van factoren. Ongetwijfeld hebben toevallige omstandigheden hierin een zekere rol gespeeld. Zo kwamen soms plaatsen in de kathedraal vrij doordat een ambacht opging in een andere, economisch belangrijkere groep, waardoor ook het recht op een eigen altaar kwam te vervallen. Ook de brand van 1533 en de Beeldenstorm van 1566 hebben voor - weliswaar kleine - verschuivingen gezorgd[267]. Waarschijnlijk speelde het economisch belang van de corporaties een niet onbelangrijke rol bij de toewijzing van de kapellen in de kathedraal en de andere kerken. Deze factor was echter niet doorslaggevend. Ook kleinere groeperingen waren namelijk in staat een eigen altaar in de kathedraal op te richten[268]. De ouderdom van de corporaties - weerspiegeld in hun oprichtingsprivilege - was tot op zekere hoogte wèl een bepalend element. Zo herbergde de kathedraal overwegend de altaren van corporaties die tijdens de eerste helft van de vijftiende eeuw formeel erkend werden. Andere ambachten vonden in deze periode daarentegen geen onderkomen in de kathedraal, hoewel hun privileges tot de oudste behoorden[269]. Alles wijst erop dat de ouderdom van de ambachten pas een bepalend element werd vanaf de late vijftiende, en meer nog in de zestiende eeuw. Beroepsgroepen die pas toen als ambacht erkend werden, vonden geen plaats meer in de hoofdkerk[270]. Het is in dit opzicht ook veelbetekenend dat de vanaf de late zeventiende eeuw opgerichte gezellenbroederschappen hun altaren oprichtten in een der overige parochiekerken, meestal in de Sint-Jakobskerk[271]. Waarschijnlijk wensten de gezellen in deze periode trouwens ook zelf geen altaar op te richten in de kathedraal, die onveranderlijk een 'meesters-kerk' bleef.
Wat Antwerpen betreft, is een opmerkelijke correlatie vast te stellen tussen de plaats waar een ambacht zijn altaar had en de mate van inspraak van dezelfde corporatie in het bestuur van de stad. Van de meer dan twintig ambachten die in 1607 een altaar in de hoofdkerk bezaten, waren er slechts vijf (kousenmakers, Sint-Lucasgilde, schoolmeesters, zeepzieders en wijntaverniers), die niet in de Brede Raad zetelden[272]. De verklaring voor dit parallel lopende onderscheid moet worden gezocht in het feit dat de Brede Raad pas tijdens het laatste kwart van de vijftiende eeuw vorm begon te krijgen[273]. De belangrijkste (en vaak ook de oudste) ambachten verkregen toen ook zetelrecht in de generaliteit. Aangezien de vergaderingen van de Brede Raad echter pas in de zestiende eeuw een min of meer permanent karakter kregen, moet het verkrijgen inspraak voor de desbetreffende corporaties eerder gevolgd zijn uit hun aanwezigheid in de hoofdkerk dan andersom.
Een aantal ambachten bezat naast een altaar in één van de parochie- of kloosterkerken ook een afzonderlijke kapel, vaak verbonden aan het godshuis van de corporatie[274]. Aan het bezit van exclusieve kapel waren zowel voor- als nadelen verbonden. Enerzijds gold de ambachtskapel hoogstwaarschijnlijk als een teken van voornaamheid, anderzijds impliceerde het de spreiding van uitgaven en inspanningen over twee plaatsen[275]. Alles wijst er evenwel op dat de uitstraling van het ambachtsaltaar in een van de kerken voor de handwerkers belangrijker was dan de inrichting van hun kapel. Dit blijkt onder meer uit het feit dat 'afgedankte' schilderijen of liturgische voorwerpen, na in de kerk dienst te hebben gedaan, vaak in de kapel (of de ambachtskamer) geplaatst werden[276]. Hoewel de kapellen als cultusplaatsen dus ondergeschikt waren aan de parochie- en kloosterkerken, vormden ze voor de vijf ambachten in kwestie een bezit dat hen in de ogen van hun medeburgers een zeker prestige diende te verlenen. Dat deze kapellen ook bij niet-beroepsgenoten inderdaad enig aanzien genoten, blijkt onder meer uit het voorbeeld van de Droogscheerderskapel in de Keizerstraat. Toen in 1625 het miraculeuze Onze-Lieve-Vrouwebeeld uit de Sint-Willibrorduskerk naar de kapel van de lakenbereiders werd overgebracht, begon deze geleidelijk aan een semi-parochiale functie te vervullen en kende de verering van Onze-Lieve-Vrouw er een enorm succes bij de adel en de rijke burgerij. Toen het beeld na 1648 opnieuw verhuisde naar de Sint-Willibrorduskerk, werd op verzoek van de omwonenden een nieuw beeld geplaatst. De populariteit van de Droogscheerderskapel blijkt verder uit de opbrensten van de offerblokken. Deze brachten tussen 1664 en 1695 jaarlijks gemiddeld 370 gulden op, een som die de totale omvang van devotiegiften in de kathedraal benadert. Ook werden er jaarlijks duizenden missen opgedragen[277]. De overige ambachtskapellen konden zich wat betreft hun populariteit bij het gegoede deel van de bevolking in geen geval meten met de kapel van de lakenbereiders. Door toedoen van de geestelijkheid werden zij - zoals overigens ook de Droogscheerderskapel tijdens het eerste kwart van de eeuw - veeleer gebruikt om de minder gegoede en zelfs arme inwoners te bereiken. Onder het episcopaat van Miraeus (1604-1611) werden namelijk in twaalf kapellen van ambachten en godshuizen zondagscholen ingericht[278]. Behalve catechese leerden werkende kinderen daar wekelijks twee en een half uur lezen en schrijven. Gezien het grote aantal leerlingen per school bleef dit evenwel meestal beperkt tot elementair leesonderricht. De jezuïeten (en enkele minderbroeders en predikheren) namen de catechese op zich, en de scholaster stond in voor het lees- en schrijfonderricht. Ook was hij belast met de zorg voor de materiële infrastructuur[279]. Vanaf de jaren 1620 bracht de uitoefening van zijn functie hem in botsing met de dekens van de vijf vermelde ambachten. Het conflict ontstond toen de dekens van de schippers, lakenbereiders, meerseniers en smeden weigerden de kinderen nog in hun kapellen te laten komen. Zij deden dit 'onder pretext van eenighe extraordinarise devotie' en 'onder tdexsel dat dusdanige capellen van hunne voirsaten syn gebout geweest, ende oversulcx tot hun commandement alleen souden staen'[280]. Mogelijk wensten de dekens meer inspraak of een grotere verantwoordelijkheid in de organisatie van de scholen in hun kapellen[281]. Belangrijker lijkt ons echter de vrees van de handwerkers voor statusverlies. De kinderen die naar de zondagscholen kwamen behoorden immers tot het minder gegoede of arme deel van de bevolking. Minder berooide ouders stuurden hun kinderen naar de 'cleijne school', waar ze bij de schoolmeesters van de Sint-Ambrosiusgilde leerden lezen en schrijven (soms in vreemde talen) en rekenen. Een deel van deze kinderen kreeg na de 'cleijne school' een ambachtsopleiding[282]. De kinderen die op zondagen naar de ambachtskapellen kwamen, moeten ongetwijfeld tot de laagste sociale groepen gerekend worden[283]. De weigering van de dekens om de 'arme jonckheyt' nog tot hun cultusplaatsen toe te laten moet naar onze mening verklaard worden door de vrees van de handwerkers om door de elite met de laagste klassen vereenzelvigd te worden. Zo deden de lakenbereiders in 1621 hun beklag bij de magistraat over de geringe omvang van de devotiegiften in hun kapel. De verklaring hiervoor, stelden de dekens, was het houden van de zondagschool, 'overmits de borgherye alhier luttel ter kercke compt te houden op de plaetsen daer sulcke kinderen hebben geseten vuyt vreese van luysen ende diergelycke vuylicheyt te haelen'[284]. Ook de schippers waren zich er goed van bewust dat het binnenhalen van 'de jonckheyt deser stadt die de middel nyet en hebben om de ordinarise schoolen dagelyckx te mogen frequenteren' impliceerde dat hun kapel van exclusief statussymbool gedegradeerd werd tot 'armenschool'[285]. Ook het feit dat in de ambachtskapellen elke zondag een misviering werd opgedragen 'soo voor de arme kinderen als voor de gebueren daaromtrent' kon tot gevolg hebben dat de ambachtslieden op termijn met de armen geassocieerd zouden worden. Door zich van de lagere klassen te distantiëren, wensten de handwerkers hun statusverlies in de ogen van de elite tot een minimum te beperken. Deze distantiëringsdrang vertoont zeer sterke gelijkenissen met het gedrag van de Kleinbürger in de Duitse steden, zoals beschreven door Cristopher Friedrichs. De auteur constateerde dat in vele Duitse steden van het Ancien Régime een 'lower middle class' ontstond, die evenzeer verschilde van de 'bourgeoisie' als van het proletariaat. Het betrof een klasse overwegend bestaande uit ambachtslieden, kleine handelaars en lage ambtenaren, die in belangrijke mate de controle van de productiemiddelen uit handen had moeten geven (aan de bourgeoisie), maar die tegelijk eigenaar bleef van onroerend goed en specifieke sociale en politieke voorrechten bleef genieten. Dit verhinderde dan ook hun degradatie tot 'a fully fledged proletariat', gevormd door bezitsloze dagloners zonder enige vorm van inspraak. Het kwam er voor deze lagere middenklasse dus op aan die elementen die hen nog van de bezitslozen onderscheidden, sterk te benadrukken. Toen de kleinburger naar het einde van de achttiende eeuw op economisch en politiek vlak niet meer meetelde, stelt Friedrichs, nam hij zijn toevlucht tot dit laatste 'redmiddel': 'status became his last line of defence against proletarianization'[286]. De Antwerpse ambachten die zich tegen de zondagscholen in hun kapellen verzetten, vertonen aanzienlijke overeenkomsten met de door Friedrichs geschetste lagere middenklasse. Op economisch vlak was hun belang voor de stedelijke samenleving sinds de middeleeuwen ontegensprekelijk afgenomen. Daarentegen hadden ze alle vijf nog zetelrecht in de Brede Raad, wat hen tot een groep maakte met wiens belangen de elite rekening diende te houden. Daarnaast waren zij, meer dan de ambachten zonder eigen kapel, de bezitters van onroerende goederen. Belangrijker echter voor de eerste kiemen van een 'klassenbewustzijn' was, zoals ook Friedrichs beklemtoont, de relatief grote sociale homogeniteit binnen de eigen groep[287]. Hoewel de ambachten tijdens de eerste helft van de zeventiende eeuw nog lang niet aan hun 'last line of defence' toe waren, moet het gedrag van de (dekens van de) ambachten naar onze mening toch hoofdzakelijk verklaard worden uit de vrees voor proletarisering en deklassering, een vrees die na 1585 meer dan ooit gerechtvaardigd was[288]. Het is overigens opmerkelijk dat enkele van deze ambachten hun slag (ten minste gedeeltelijk) gehaald hebben. In 1626 verzocht de scholaster de magistraat om een pakhuis of een andere ruimte te huren waar de zondagschool gehouden zou kunnen worden in plaats van in de Sint-Elooikapel van de smeden, 'alwaer die dekens van de selve capelle die arme jonckheyt vuytsluyten ende niet en willen laten scholen commen'[289]. Ook de lakenbereiders waren blijkbaar in staat hun kapel tijdens de tweede helft van de zeventiende eeuw een hernieuwd aanzien te geven bij de rijkere Antwerpenaren[290].
Vanaf 1585 dreigden ook de parochiekerken aan prestige in te boeten. Opnieuw werden de ambachten - en in dit geval bijna allemaal - bedreigd met een aanzienlijk statusverlies. Na de reconciliatie werd het katholieke herstel in Antwerpen in belangrijke mate gedragen door de religieuze orden, die kort na de overgave aan Farnèse naar de stad waren teruggekeerd[291]. Zoals in vrijwel alle katholieke steden in Europa had een deel van deze regulieren een beslissende invloed op het contrareformatorisch proces. Vooral de Jezuïetenorde, met haar dynamisme en haar moderne pastorale methode, speelde bij de uitbouw van Antwerpen tot een katholiek bolwerk een cruciale rol. De koortsachtige activiteiten van de religieuze orden na 1585 had tot gevolg dat de kloosterkerken bij de Antwerpse bevolking enorm aan populariteit wonnen, ten koste van de parochiekerken. Op de eerste plaats werden de kloosters bevolkt door personen die zich geheel wijdden aan de dienst van God, waardoor zij door de kerkgangers in toenemende mate als dé brandpunten van het katholieke leven beschouwd werden. Daarenboven werden de kloosterkerken doorgaans bijzonder luisterrijk en veel sneller dan de parochiekerken herbouwd. Terwijl het hoogkoor van de Sint-Jakobskerk pas na 54 jaar bouwactiviteit in 1656 werd voltooid, duurde de bouw van de pompeuze Jezuïetenkerk slechts van 1615 tot 1621. De kerkmeesters van de Sint-Joriskerk en de Sint-Andrieskerk deden in deze periode vrijwel jaarlijks hun beklag bij de magistraat over de lamentabele toestand waarin hun kerkgebouwen zich bevonden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat steeds meer gelovigen, in het bijzonder de allerrijksten onder hen, zich sterk aangetrokken voelden tot de bedehuizen van de religieuze orden. Steeds meer kerkgangers woonden daar misvieringen bij, gingen daar te communie en te biechten en lieten zich daar ook begraven[292]. Ook konden de kloosterkerken in tussen 1585 en 1633 in veel grotere mate rekenen op de subsidiëring van hun bouwwerken, zowel door particulieren als door het stadsbestuur. Zo droeg de stad 20.000 gulden bij tot het bouwen van de Jezuïetenkerk, die, samen met het ermee verbonden 'professenhuis' meer dan 500.000 gulden kostte[293]. De armere parochiekerken dreigden ondertussen de kerken van haast uitsluitend de minder gegoeden te worden. Geleidelijk raakte men in een vicieuze cirkel, doordat de omhalingen in deze kerken steeds minder opbrachten, waardoor de kerkbesturen vaak niet in staat waren hun bedehuizen behoorlijk te onderhouden of te verfraaien. Geleidelijk verloren de parochiekerken hun aantrekkingskracht, waardoor vooral de gegoede burgers zich in toenemende mate naar kloosterkerken begaven.
Het is bekend dat de oprichting en subsidiëring van nieuwe kloosters tijdens de zeventiende eeuw ook in Antwerpen zeker niet altijd kon rekenen op de steun van de hele stedelijke bevolking. Reeds sluimerend tijdens het Twaalfjarig Bestand, maar vooral daarna, rees in de Brede Raad hevig verzet tegen de verdere subsidiëring van de kloosters. Vanaf het einde van de landvoogdij van Isabella begon men daarenboven hoe langer hoe meer de belastingvrijstelling van de (reguliere) clerus in vraag te stellen. Na 1633, en meer nog vanaf 1653, was de magistraat mede daarom steeds minder bereid geld te besteden voor religieuze doeleinden. In de periode 1634-1651 gingen uitzonderlijke toelagen voor bouwactiviteiten nog uitsluitend naar de parochiekerken, en bij voorkeur de armste. Deze veranderingen in de subsidiëringspolitiek van de magistraat zetten zich in de tweede helft van de eeuw nog door[294]. Bij het verzet van de Brede Raad tegen de verdere subsidiëring van de regulieren speelden de ambachten duidelijk een voortrekkersrol. Ongetwijfeld werd hun steeds heftiger protest mede ingegeven door misnoegen over de financiële belasting van de gemeenschap die de de vestiging en financiering van nieuwe regulieren met zich meebracht