Een interdisciplinair model voor ostentatieve consumptie. (Thomas Pollet)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

DEEL II De paradox ontrafeld?

 

3.  Sociologische aspecten

 

3.1 Inleiding

 

In hoofdstuk 2 behandelden we enkele economische perspectieven en gingen we na hoe deze Veblen’s model (hfst. 1) aanvulden. We kwamen daarbij tot de conclusie dat de (neo-)klassieke economie geen verklaring kan bieden voor de verspilling zoals die optreedt bij ostentatieve consumptie. Een aantal economen, bijvoorbeeld Duesenberry (1949), construeerden een verklaringsmodel waarbij sociale factoren een fundamentele rol spelen. Sociologische aspecten zijn dus essentieel voor een model ter analyse van ostentatieve consumptie.

 

In dit hoofdstuk zullen we trachten na te gaan welk sociologische inzichten bruikbaar zijn voor het aanpassen van Veblen’s initiële model. Vanzelfsprekend zullen we ons hier moeten beperken tot enkele perspectieven op (ostentatieve) consumptie. De sociologie van de consumptie mag dan wel een ‘prille’, volgens sommige auteurs zelf onbestaande vertakking binnen de sociologie zijn, de hoeveelheid literatuur is toch aanzienlijk (Shove & Warde , 1998; Langlois, 2002). We distilleren dan ook slechts enkele belangrijke perspectieven en inzichten uit de brede waaier die de theoretische sociologie ons biedt (voor een overzicht zie: Miles , 1998; Gabriel & Lang, 1995; Ritzer et al., 2001).

 

     Eerst bespreken we het denken van Norbert Elias om Veblen’s inzichten rond de wisselwerking cultuur-psychè beter te begrijpen. Vooral de concepten sociogenese en psychogenese (3.2) lijken bruikbaar. We werken hier eveneens het concept (sociale) habitus uit. Dit concept sluit aan bij Veblen’s habits (of thought) (cfr. 1.2.2). Tevens tonen we hier aan hoe ostentatieve consumptie een complement van geweld kan zijn. Een thema dat ook sprake komt in de bijlage, waar we de potlatchals vorm van ostentatieve consumptie bespreken.

 

     Vervolgens geven we aan de hand van enkele historische studies aan hoe we de notie consumptiemaatschappij(3.3) kunnen begrijpen. We geven hier een aanzet tot een analyse van de psychogenese en sociogenese van ostentatieve consumptie. We geven aan hoe we Elias concepten kunnen toepassen op (ostentatieve) consumptie in moderne en postmoderne samenlevingen.

 

We hanteren de inzichten van Bourdieu (1979) om de relatie smaak ostentatieve consumptie verder uit te diepen. Veblen (1899) gaf reeds aan dat smaak geen natuurlijk gegeven is maar beïnvloed werd door prijs (1.2.5). We verduidelijken hier de rol van smaak (en levensstijl ) als mediator van de relatie klasse ostentatieve consumptie. Tevens hanteren we de inzichten van Bourdieu om het concept habitus verder uit te diepen.

 

     Na deze bespreking werken we een ander thema uit dat in de sociologische literatuur naar voren komt: consumptie en identiteit . Dit kwam reeds ter sprake bij Veblen (1899) maar hij behandelde dit niet uitvoerig. We gebruiken daarbij de inzichten van Beck , Bauman en Giddens .

    

Tenslotte gaan we dieper in op het thema consumptie als signaal . Veblen (1899) gaf reeds aan dat ostentatieve consumptie een signaal van pecuniary repute was. Dit inzicht van consumptie als signaal werken we verder uit aan de hand van Baudrillard (1970). Tevens staan we stil bij Baudrillard’s kritiek op Galbraith (1991).

    

     Tot besluit van dit hoofdstuk verwerken we net als bij de voorgaande hoofdstukken deze inzichten in ons theoretische kader. We passen daarbij Veblen’s initiële inzichten aan met diegene die we hier bespreken.

 

3.2 Over interdependentie, psychogenese, sociogenese en geweld

 

We beroepen ons in dit gedeelte op het denken van Norbert Elias . Het is niet de bedoeling om een overzicht te geven van het volledige oeuvre[144] van Elias en evenmin om alle kritieken die zijn werk uitlokte te bespreken. We behandelen hier slechts die zaken die we kunnen hanteren en toepassen bij de ontwikkeling van het model voor ostentatieve consumptie dat we ontwikkelen. Het is een aanzet tot een integratie van het denken van Elias binnen de literatuur over (ostentatieve) consumptie, waarvoor het zeker een waardevolle bijdrage is (Finkelstein, 1998: 13).[145]

 

3.2.1. Over sociogenese , psychogenese en habitus

 

In dit gedeelte staan we stil bij de concepten psychogenese – sociogenese en hoe we deze kunnen inpassen in ons model.

In hoofdstuk 1 bespraken we reeds de wisselwerking zoals Veblen (1899) die zag tussen psychè en cultuur. Verder gaven we in hoofdstuk 3 aan dat pure economische modellen slechts weinig ruimte bieden voor de notie ‘habits . Elias ’ perspectief kan naar onze mening een wezenlijke bijdrage leveren in de verduidelijking in het ontstaan van ‘habits’ en de relatie tussen psychè en samenleving.

 

Elias (1971) poneert dat wanneer we een sociologisch probleem beschouwen, we de sociogenese ervan moeten onderzoeken (Delzescaux, 2002: 22; van Krieken, 1998: 67; ibid., 2001: 357). Sociogenese is te begrijpen als de talrijke en steeds veranderende interdependentieprocessen waarin actoren (hier: individuen) met elkaar verbonden worden. Elias (1971; 1982a-b) ziet individuen als interdependent, eerder dan losstaand wat het gangbare perspectief is binnen de economische en soms zelfs binnen de sociale wetenschappen (van Krieken, 1998: 55-58). Mensen worden slechts mensen binnen een netwerk, een web als het ware, van sociale relaties (Elias, 1971; van Krieken, 1998: 55). Volgens Elias (1983: 143) is deze interdependentie reeds aanwezig bij kinderen (van Krieken, 1998: 59, 67). Hij gebruikt de term figuraties om deze interdependenties te beschrijven. Daardoor wil hij het onderscheid individu versus samenleving te vermijden (Elias, 1971: 144; Menell, 1989: 254; van Krieken, 1998: 56-58).[146]

 

Elias (1971: 114; 1982b: 262-263) verwachtte dat de term figuratie een kernconcept zou worden binnen de sociologie. Hij hoopte dat het de (theoretische) antithese tussen individu en samenleving zou opheffen. Door het concept figuratie zou de sociologie op een ander spoor gezet worden, weg van Scylla: het methodologische individualisme en weg van Charibdis, de samenleving als theoretisch construct (Elias, 1982b: 248; Menell, 1989: 254-256). Het concept figuratie is verbonden aan het concept macht[147] en te omschrijven als een netwerk van mensen met wisselende machtsbalansen (Bogner, 1986: 393; Menell, 1989: 250-251).[148] Elias zag samenlevingen als processen van “verwevenheid”, de figuraties die mensen vormen door hun handelingen (van Krieken, 1998: 57). Hij gebruikt de analogie van het dansen als een illustratie van wat figuraties eigenlijk zijn (Elias, 1982b: 262). Hoewel we in algemene termen kunnen spreken over dansen in het algemeen kan niemand zich een dans voorstellen als een externe structuur los van het individu (Elias, 1982b: 262; van Krieken, 1998: 58). Dansen kunnen dus gedanst worden door allerlei mensen, maar zonder:

“a plurality of reciprocally oriented and dependent people there is no dance” (Elias , 1982b: 262).

Dus, zoals dansen, zijn figuraties relatief onafhankelijk van de individuen in het hier en het nu, maar niet van individuen an sich. Het is eveneens zo dat zelfs wanneer alle individuen die de dans dansten, zouden sterven en vervangen zouden worden door anderen dat de dans dan nog verder bestaat, maar de dans bestaat, net als de figuratie, enkel door activiteit of dynamiek (Elias , 1982b: 262; ibid., 1983: 142; van Krieken, 1998: 58). Wanneer de activiteit stopt, stopt ook de dans. Dit alles geldt zowel voor dansen als voor figuraties.

 

     Samenvattend, figuraties zijn relatief onafhankelijk van de specifieke individuen die haar constitueren maar niet van individuen tout court (Elias , 1971: 145; ibid., 1983: 27, 142; van Krieken, 1998: 58). De maatschappelijke structuur is in essentie te zien als een ingewikkeld vervlechtingpatroon, een web van relaties (van Krieken, 1998: 56-57). Elias (1971; 1982a-b) legt daarbij nadruk op het dynamisch, procesmatig karakter van de samenleving en haar instituties (van Krieken, 1998: 65-71; ibid., 2001: 357). Figuraties zijn immers steeds dynamisch. Net zoals de samenleving (als geheel van figuraties) een dynamisch gegeven is, dienen we het leven van een individu op dezelfde wijze te beschouwen, als ware het in flux (Elias, 1971: 130; van Krieken, 2001: 357).

     Daar waar binnen de “mainstream-sociologie” evolutionaire , dynamische perspectieven van de hand werden gewezen, wijst Elias op de noodzaak van een procesmatig perspectief (Goudsblom, 1995).

 

Alle bewuste handelingen, waaronder bijvoorbeeld ostentatieve consumptie, worden beïnvloed door deze (onbewuste) interdependentie met anderen (Elias , 1971: 145).[149] Wanneer we teruggrijpen naar hoofdstuk 3 waar we beargumenteerden dat het sociale het (rationele) economische handelen van individuen beïnvloed, biedt de idee van interdependentie een nuttig perspectief: ostentatieve consumptie door bepaalde individuen wordt beïnvloed door de interdependentie met anderen.

 

Net zoals de maatschappelijke structuur continu in flux is, zo dient ook de psychè als iets dynamisch begrepen te worden (Elias , 1971: 118-e.v.).[150] Mensen worden niet geboren met een affecthuishouding (dit is een geheel van verlangens, driften,…) en cognitieve capaciteiten maar deze ontwikkelen zich gaandeweg. Meer zelfs, mensen dienen, net als de samenleving, begrepen te worden als een proces (van psychologische of sociale verandering).

     Elias (1971: 118-e.v.) meent dat de psychè van individuen noodzakelijk begrepen dient worden vanuit de vorm, structuur van de relaties tussen deze individuen (Delzescaux, 2002).

Aan de andere zijde van de sociogenese is er dus de psychogenese . Tussen deze twee dynamieken is er een wisselwerking, meer nog beiden zijn complementair (Elias , 1969; van Krieken 1998: 60; zie: Wilterdink, 1995: 353). Sociogenese en psychogenese zijn eigenlijk onlosmakelijk vervlochten (Elias, 1982a-b; Menell, 1989: 94-95; van Krieken, 1998: 60).[151] De dynamiek tussen beiden heeft een invloed op elke vorm van handelen en dus ook op consumptie (Elias, 1982b: 232). Toch is het mogelijk analytisch een onderscheid te maken. Elias pleit bijgevolg voor een interdisciplinariteit tussen verschillende wetenschapstakken om tot een volledige analyse te komen (Bogner, 1986: 391; van Krieken, 1998: 60)

 

     We zijn van mening dat actoren die beslissing tot ostentatieve consumptie nemen moeten beschouwd worden als individuen die dynamisch zijn, in een proces van ontwikkeling als het ware.[152] Wanneer we trachten te begrijpen wat (rationele?) individuen drijft tot irrationele verspilling , mogen we dus de relaties of interdependenties tussen deze individuen niet uit het oog te verliezen. Het is vanuit deze relaties (figuraties ) dat we de psychè van deze individuen als economische actoren kunnen begrijpen. Zoals we al aangaven is dit essentieel om tot een verklaring te komen van ostentatieve consumptie. Het is het belang van deze relaties die door de (neo-)klassieke economische benaderingen (bijvoorbeeld: Friedman, 1957) van consumptie vergeten worden.

 

     We gaan nu wat dieper in op de al eerder aangehaalde habits . Voor onze verdere analyse van ostentatieve consumptie kunnen we habits[153] of habitus omschrijven als:

“the durable and generalized disposition that suffuses a person’s action throughout an entire domain of life or, in the extreme instance throughout all of his life – in which case the term comes to mean the whole manner, cast or mold of the personality” (Camic, 1986: 1046).

De habitus is de collectieve basis van het individuele handelen (Delzescaux, 2002: 18; van Krieken, 1998: 59). Elias hanteerde de term ‘social habitus’: de ‘hoeveelheid’ gelijkenis die individuen delen met leden van eenzelfde sociale groep (Menell, 1989: 30).[154]

 

     Met betrekking tot (ostentatieve) consumptie, stellen we dat deze habits of (sociale) habitus de beslissingen van individuen beïnvloeden (Hodgson, 2003). Om inzicht te krijgen in hoe deze habits consumptie beïnvloeden dienen we ondermeer de psycho- en sociogenese ervan te onderzoeken (Elias , 1982b: 254-e.v.).[155] Zoals we reeds aangaven, sluit deze benadering van (ostentatieve) consumptie dichter aan bij de realiteit dan die vooropgesteld door het neo-klassiek economisch denken (cfr. hoofdstuk 2). We dienen echter op te merken dat de habitus, net als andere aspecten van de psychè en het sociale leven, een dynamisch gegeven is (Elias, 1982b: 259-260).

 

Elias meent zelfs dat de ontwikkeling van de habitus een continu “modellerend” proces is:

“For although the self-steering of person, malleable during his childhood, solidifies and hardens as he grows up, it never ceases entirely to be affected by his changing relations with others throughout his life” (Elias , 1982b: 244; zie: Delzescaux, 2002: 55; zie: van Krieken, 1998: 60).

Verder is het belangrijk te vermelden dat figuraties afhankelijk zijn van de (sociale) habitus (van Krieken, 1998: 59).

     We komen verder terug op de notie habitus wanneer we het hebben over smaak en habitus bij Bourdieu (1979) onder 3.4. In schema 1 geven we vereenvoudigd de relatie weer tussen psychogenese , sociogeneseen habitus

 

Schema 1: de relatie tussen psychogenese , sociogenese , habitus en ostentatieve consumptie

 

 

3.2.2. Over civilisatie, gewelden etiquette en ostentatieve consumptie

 

Elias (1982a-b) beschrijft in The Civilizing Process, de veranderingen in de “drifthuishouding” van een individu. Deze veranderingen zijn gerelateerd aan veranderingen in de maatschappelijke vervlechtingen (Verflechtungsmechanismus) (Goudsblom, 1995; zie: Wilterdink, 1995). Civilisatie is te zien als een verandering in de psychè die kan begrepen worden door veranderingen in de vormen van sociale relaties (Kilminster et al., 2000: 615; van Krieken, 2001: 359). Elias (1982a-b) voert een verklaring aan voor manieren van handelen, voelen en denken door te verwijzen naar (langetermijns) ontwikkelingen in de westerse geschiedenis (Kilminster et al., 2000: 615-616; Goudsblom, 1995: 263). Dit impliceert geenszins een determinisme. Elias (1982b: 230-e.v.) erkent de beperkte reikwijdte van zijn theorie (Goudsblom, 1995: 263-264). Elias (1982a-b) richt zich vooral op de specifieke veranderingen met betrekking tot geweld . Zoals we al aangaven kwam deze evolutie van geweld eveneens bij Veblen (1899: chapter 2) naar voren (1.2.2). Beiden menen dat competitie (en geweld) een fundamentele rol speelt bij de toename in sociale complexiteit (Elias, 1982b: 232; Veblen, 1899 chapter 2). We zullen nu stap voor stap behandelen hoe Elias (1982a-b) deze ‘shift’ zag van de Middeleeuwen naar de moderniteit.

 

     In de Middeleeuwen waren angst en agressie centrale emoties die bijdroegen tot het overleven (Elias , 1982b 233-e.v.; van Krieken, 1990). ‘Nu’ ligt de nadruk op een controle van agressie, door de staat en door het individu zelf (Elias,1982b: 255-e.v.). Er trad dus een ‘shift’ op. Elias (1982a: 192-e.v.) beschrijft hoe er in de middeleeuwen een “culture of violence” was, die dicht aansloot bij Veblen’s (1899) notie van de ‘primitievere cultuur’ (Menell, 1989: 57). Geweld maakte toen deel uit van het leven van alledag (van Krieken, 1998: 97). Angst en agressie waren levensbelangrijke emoties. Er was vrijwel geen zelfcontrole en er waren ongekende wreedheden (Elias, 1982b; Menell, 1989: 59, 97; van Krieken, 1998: 97).Wanneer er geen externe sociale, topdown, controle was, dan was geweld schering en inslag in het alledaagse leven van de middeleeuwer (Elias 1982a: 192-e.v.). Typerend voor de middeleeuwse samenleving is dat men van de ene gemoedstoestand naar de andere werd geslingerd (Elias, 1982b: 238; Menell, 1989: 58).

 

     Samenvattend, Elias (1982a: 59-e.v.) stelde dat “middeleeuws gedrag”, om het zo te noemen, gekenmerkt werd door zijn eenvoud: emoties werden direct uitgedrukt en de praktische “kennis” die je nodig had op psychologisch vlak was niet erg complex of genuanceerd (Menell, 1989: 42; van Krieken, 1998: 95).

 

     Gradueel stelde Elias (1982a-b) een verschuiving vast, daar waar emoties vroeger, in de Middeleeuwen , direct geuit werden was er nu meer zelfcontrole (van Krieken, 1990). Door voornamelijk de monopolievorming op vlak van geweld werd openlijk, individueel[156] geweld onaanvaardbaar (Elias, 1982 a-b; van Krieken, 1998: 100-102). Elias zag het monopoliemechanisme[157] (binnen menselijke interdependenties) als de basis voor staatsvorming en de daarmee verbonden monopolievorming op geweld (Kilminster et al., 2000: 617; Menell, 1989: 67). Parallel aan het monopoliemechanisme is er het “royale mechanisme”: sociale groepen binden elkaar uit angst dat de andere sociale groep ook maar een klein voordeel krijgt (Elias, 1982b: 170-e.v.; Menell, 1989: 73-e.v.). In een situatie waarbij verschillende groepen in de samenleving, een gelijk(w)aardige positie bekleden, is de angst groot dat één groep vooruit gaat (Elias, 1982b: 170-e.v.; van Krieken, 1998: 101). Dit zorgt voor een vorm ‘gelijkheid’ (evenness) die de machtsbalans in het midden houdt (Elias, 1982b: 171; Menell, 1989: 74). Het royale mechanisme draagt bij tot de stabiliteit en de kans op de vorming van een centrale autoriteit. Deze twee mechanismen zorgden voor een rationalisatie van het sociale gedrag, deze rationalisatie was dus verbonden met de monopolievorming op vlak van geweld:

“The peculiar stability of mental self-restraint which emerges as a decisive trait built into the habitus of every ‘civilized’ human being, stands in the closest relationship to the monopolization of physical force and the growing stability of the central organs of society. Only with the formation of this kind of relative stable monopolies do societies acquire those characteristics as a result of which the individuals forming them get attuned, from infancy to a highly regulated and differentiated pattern of self-restraint; only in conjunction with these monopolies does this kind of self-restraint require a higher degree of automaticity, does it become as it were, ‘second nature’. (Elias , 1982b: 235)”

We merken op dat deze rationalisatie aansluit bij Veblen’s idee van een selectie van de habits of thought ( 1.1.2; Veblen 1899: chapter 8)

 

     Elias (1982b: 232-e.v.) verbond dit proces van monopolievorming aan een toename in sociale differentiatie , hij noemde dit ‘het verlengen van de interdependentieketens’ (van Krieken, 1998: 103).[158] In de Middeleeuwen waren de interdependentieketens kort. De dreiging van geweld was extern (Elias, 1982b: 233-e.v.; Menell, 1989: 96-97). Een middeleeuwse ridder kon bijvoorbeeld onmogelijk schatten wat een ander zou doen, dus had hij er alle belang bij zijn ‘instincten ’ te volgen (Maso, 1982; Menell, 1989: 97). Opnieuw gradueel, stelde Elias (1982) een toename in de lengte van de interdependentieketens vast waardoor het handelen van individuen ‘berekenbare’ werd (Kilminster et al., 2000: 616-617; van Krieken, 1998: 103-104). Bovendien meende Elias (1982b: 247-e.v.) dat de diffusie van deze “nieuwe gedragingen” begint bij de kleine leidende groepen en zich dan verspreid doorheen de samenleving voornamelijk door de dynamieken van competitie (Kilminster et al., 2000: 615; van Krieken, 1998: 105). Deze ideeën lopen merkwaardig genoeg parallel met Veblen’s idee van de invloed van de toename van de complexiteit in de samenleving en de diffusie van ostentatieve consumptie (cfr. 1.2.2). Beiden zien duidelijk een verbinding tussen een toename in sociale complexiteit van de samenleving en die van de psychè van de individuen in de samenleving. Verder, verwijzen zowel Veblen (1899) als Elias (1971; 1982a-b; 1983) naar de belangrijke rol van strijd, competitie (emulation ), als motor voor (veranderings)processen in de (Westerse) samenleving.

 

     Elias (1982a-b) zag hoe er langzaamaan een verschuiving van Fremdzwang naar Selbstzwang optrad, de “locus van controle” veranderde: daar waar vroeger voornamelijk externe dwang nodig was om gedrag te reguleren, kwam nu interne dwang, zelfcontrole, centraal te staan (Bogner, 1986: 396; Delzescaux, 2002: 113-e.v.). In een langzaam proces leerde men gradueel zichzelf te beheersen en bepaalde impulsen (“driften”) te onderdrukken (Elias, 1982b: 231-e.v.; Menell, 1989: 58). Geweld was niet langer de geijkte manier om hogerop te geraken in de samenleving, prestige of sociaal succes kwam meer en meer centraal te staan (Elias, 1983: 292-e.v.; Delzescaux, 2002: 134; Kilminster et al., 2000: 616; van Krieken, 1998: 102-103). Sociaal succes hangt van andere psychologische mechanismen af dan geweld. Competitie blijft wel een belangrijk mechanisme om prestige te verwerven (Elias, 1982b: 270-e.v.; bid.; 1983: 292-e.v.). Prestige is echter meer en meer afhankelijk van:

“continuous reflection, foresight and calculation, self-control, precise and articulate regulation of one’s own affects, knowledge of the whole terrain, human and non-human in which one acts” (Elias , 1982b: 271).

 

     We vinden hier dus, net als bij Veblen, een verband tussen geweld en (ostentatieve) consumptie[159]: beiden zijn tot op zekere hoogte elkaars equivalent, maar vereisen andere psychologische mechanismen (cfr. bijlage: 1). Door de toename in complexiteit (sociale differentiatie ) menen zowel Veblen als Elias dat geweld niet meer volstond als signaal van een bepaalde positie. We menen dat door deze toename in complexiteit ostentatieve consumptie relatief belangrijker is geworden dan geweld als signaal van iemands positie. We komen verder nog op terug op de rol van geweld en ostentatieve consumptie onder 4.4.3. De etiquette kwam net als ostentatieve consumptie op als ‘nieuw mechanisme’ om sociale relaties te reguleren.

     Vooraleer we de etiquette , als vorm van prestige, bespreken, vatten we nog kort even samen hoe zowel Elias (1982) als Veblen (1899) de relatie psychè-samenleving zien.

Elias (1982a: 205) verklaart deze veranderingen in de psychologie van individuen als een wijze van adaptatie aan nieuwe sociale levensvormen, structuren (Menell, 1989: 60). Hij legde er dus de nadruk op dat de vorming van “instincten ”, en de dwingende aspecten van deze instincten, verbonden is met sociale interdependenties waarin mensen leven (van Krieken, 1998: 94). Elias (1982) ziet dus net als Veblen (1899) duidelijk de relatie tussen de samenleving en de psychologie van haar individuen.[160] Wanneer we deze relatie willen onderzoeken moeten we de sociogenese en psychogenese ervan nagaan.

 

     Elias (1982a-b; 1983: 78-144) besprak de opkomst van de etiquette en “manieren”. De etiquette, als vorm van prestige, kunnen we beschouwen als een complement van geweld (Elias, 1983). Langzaamaan ontwikkelde zich in de hogere sociale kringen, aan het hof en later bij de bourgeoisie een nadruk op zelfcontrole (Menell, 1989: 38). Elias illustreert dit aan de hand van een analyse van manierenboekjes. Hij analyseert daarbij in het bijzonder gedragingen aan het hof, dit was namelijk de sociale spil van de samenleving, eerder dan gedragingen in de stad (van Krieken, 1998: 86). Net zoals bij ostentatieve consumptie, demonstreerde men aan de hand van de etiquette zijn positie, en aldus identiteit (Elias, 1983; Menell, 1989: 83-84; van Krieken, 1998: 88). Tegelijkertijd, was de etiquette de constructie, de onderhandeling van iemands positie in een netwerk met andere individuen. We zullen eerst dieper ingaan op de rol van etiquette vooraleer we de analoge redenering maken voor ostentatieve consumptie.

     Sinds de Middeleeuwen stelde Elias (1982a-b; 1983) vast dat ‘de standaarden‘, gehanteerd voor manieren, smaken, geweld , seksueel gedrag,…, op graduele wijze complexer werden: schaamte, afkeer en schuld kwamen meer en meer centraal te staan (Delzescaux, 2002: 133; van Krieken, 1998: 95). Voor de middeleeuwse samenleving gold:

“Compared to later eras, social control was mild. Manners measured against later ones are relaxed in all senses of the word. One ought not to snort or smack one’s lips while eating. One ought not to spit across the table or blow one’s nose in the table cloth (for this is used for wiping one’s greasy fingers) or into one’s fingers (which one holds the common dish). Eating from the same dish or plate as others is taken for granted. One must only refrain from falling on the dish like a pig and from dipping bitten food in one’s communal sauce”. (Elias , 1982a: 106)

 

     Langzaamaan, werden bepaalde gebruiken als smakeloos beschouwd, deze zaken voltrokken zich dan nog enkel achter de façades[161], namelijk in het private leven en dus uit het zicht (Menell, 1989: 60). Elias (1982a: 121-e.v.) benadrukt de merkwaardige opkomst van deze segregatie waardoor het smakeloze verbannen werd achter de schermen, het moest als het ware verborgen worden.[162] Deze verschuiving, naar het verbergen van het smakeloze, blijkt bijvoorbeeld uit een Franse handleiding tot de etiquette uit 1729. Deze schreef zijn lezers het volgende voor:

“It is very impolite to keep poking your finger into your nostrils, and still more insupportable to put what you have pulled out of your nose into your mouth … You should avoid making a noise when blowing your nose … before blowing it, it is impolite to spend a long time taking out your handkerchief. It shows a lack of respect toward the people you are with to unfold it in different places to see where you are to use it. You should take your handkerchief from your pocket and use it quickly in such a way that you are scarcely noticed by others. After blowing your nose you should take care not to look into your handkerchief. It is correct to fold it immediately and replace it in your pocket. (Elias , 1982a: 147)”

 

     De rol van de etiquette was nodig om de barrières, voornamelijk tussen de aristocratie en de opkomende bourgeoisie, in stand te houden (Elias , 1982a : 37-e.v.; zie: Delzescaux, 2002: 61, 131). De etiquette was de methode bij uitstek waardoor deze bovenste lagen van de samenleving zich, reeds sinds de middeleeuwen, trachten te distantiëren van andere lagen in de samenleving (Elias, 1983; Déchaux, 1993: 369; Delzescaux, 2002: 131-132). In plaats van geweld als basis voor het verwerven van sociale posities, werd sociaal onderscheid, door onder meer het toepassen van de etiquette maar ook door consumptie, het middel bij uitstek om zich een positie te verzekeren (Elias, 1983: 63-e.v.; Delzescaux, 2002: 137; Kilminster et al. 2000: 614).

 

     Vanuit deze visie, van etiquette als een relationeel gegeven, kunnen we langs dezelfde lijn beargumenteren dat ostentatieve consumptie niet in se irrationeel is, het is het berekende positioneren en negotiëren van zichzelf ten opzichte van anderen (van Krieken, 1998: 88). Let wel, deze rationele irrationaliteit kan enkel begrepen wanneer we vertrekken van de idee van interdependentie tussen individuen in plaats van atomistische individuen die autonoom beslissingen maken tot consumeren (Elias , 1983 : 67-e.v., 288-e.v.; Menell, 1989: 83-84).[163] Deze visie van atomistische individuen met een autonome behoeftenstructuur, zoals deze geponeerd wordt door de neo-klassieke economische benadering kan onmogelijk de irrationele rationaliteit (lees: verspilling ) van ostentatieve consumptie begrijpen. De introductie van de idee van interdependentie kan een wezenlijke bijdrage leveren. Ostentatieve consumptie is bovendien ook altijd in flux, immers het is verbonden met de positie van een persoon in een dynamisch netwerk (van Krieken, 1998: 88).[164]

 

     Belangrijk is bovendien dat de etiquette een zichtbaar onderscheid creëert, in die zin is het net als consumptie een indicator van iemand’s sociale positie (Delzescaux, 2002: 105-106). De etiquette zorgt voor een afstand, hierdoor kan men zich ‘correct’ positioneren ten opzichte van anderen.[165] De voornaamste rol van ostentatieve consumptie aan het hof is, net als de etiquette, berekende interactie mogelijk te maken binnen dit hof, want iedereen kent zo de positie van alle anderen: het gaat dus om een signaal (Hunt, 1995: 359; zie: Delzescaux, 2002: 105). Zowel ostentatieve consumptie als etiquette verhogen de voorspelbaarheid en berekenbaarheid van interactie tussen individuen (Elias , 1983: 111). In die zin kunnen we het beschouwen “als noodzakelijk” eerder dan als verspilling , het ging gepaard met een bepaalde positie: noblesse oblige (Elias, 1983: 53, 67-e.v., 288-e.v.; Delzescaux, 2002: 105-106; Menell, 1989: 83).[166] Gezien de noodzaak was het daarom ook geen vrije keuze om te consumeren: het ging om een (sociale) norm (Elias, 1983: 67, 288-e.v.; .Delzescaux, 2002: 106; Kilminster et al., 2000: 614; Menell, 1989: 84).

 

     Dat neemt niet weg dat vanuit een ander perspectief, namelijk vanuit economische (=‘burgerlijke’) rationaliteit, deze vormen van consumptie nog steeds te begrijpen waren als regelrechte verspilling (Menell, 1989: 83). Voor mensen aan het hof was het echter noodzaak om te leven volgens rang en stand: men ontleende hieraan zijn sociale identiteit (Elias , 1983: 63, 292; Hunt, 1995: 358-359; van Krieken, 1998: 88). Zelfs als dit leidde tot een onoverzienbare schuldenlast (Delzescaux, 2002: 106-107; Menell, 1989: 83, 104). Elias (1983: 63) stelde:

“In a society in which every outward manifestation of a person has special significance, expenditure on prestige and display is a necessity which the upper classes cannot avoid”

Elias (1983) sprak daarom over “court rationality” wat verschilt van “bourgeois rationality”. Beide vormen van rationaliteit veronderstellen echter de berekenbaarheid van interactie en anticipatie. Het verschil ligt echter in wat het voorwerp is van de rationaliteit:

“Bourgeois industrial rationality is generated by the compulsion of the economic mesh by its power-opportunities founded on private and public capital are made calculable. Court rationality is generated by the elite social mesh; by it people and prestige are made calculable as instruments of power” (Elias , 1983: 111).[167]

In die zin, wordt ostentatieve consumptie doorheen de geschiedenis niet altijd als irrationeel beschouwd door zij die eraan participeerden, het was ten gepaste tijde ‘sociaal rationeel’. Vanuit een economisch (‘burgerlijk’) perspectief was het echter steeds een vorm van verspilling (Elias, 1983: 288-e.v. ; Slater, 1997: 158). Elias (1982b: 276-277; 1983: 293) geeft dus aan dat (de perceptie van) rationaliteit een gesitueerd, tijdsgebonden begrip is (Menell, 1989: 104). Bovendien is er het belangrijke onderscheid tussen privaat en publiek leven dat gepaard gaat met de opkomst van de (burgerlijke) rationaliteit (Elias, 1983; Delzescaux, 2002: 133-134). Verder, kunnen we het onderscheid publiek-privaat leven verbinden met de rol die Veblen (1899) toekende aan zichtbaarheid (zie: Delzescaux, 2002: 105-107; cfr. hfst. 1).

 

     Samenvattend, ostentatieve consumptie kan soms irrationele verspilling dan wel rationele noodzaak, zijn. Dit vinden we ook terug bij Veblen (1899) ostentatieve consumptie is irrationeel vanuit economisch oogpunt het is echter rationeel en dus noodzakelijk, want het is conformeren aan een (sociale) norm (Elias , 1983: 67, 92-e.v.; Delzescaux, 2002: 106; Hunt, 1995: 358). Het gaat dus om een ogenschijnlijke paradox, die we reeds in hoofdstuk 2 behandelden. Ostentatieve consumptie is economisch irrationeel maar kan vanuit een’sociaal’ perspectief rationeel en noodzakelijk zijn (Elias, 1983: 67; Slater, 1997: 158; zie: Hunt, 1995: 358). De economische irrationaliteit is dus niet te begrijpen of te verklaren zonder sociale factoren, die Elias (1982a-b; 1983: 289-e.v.) zou begrijpen als de ( zich continu wijzigende) interdependentie met anderen. In die zin kunnen we het beschouwen als een variant van het Thomas-theorema: als mensen een situatie definiëren als reëel, dan is deze situatie reëel in haar gevolgen: als individuen ostentatieve consumptie (verspilling) noodzakelijk achten dan is het vanuit hun perspectief niet irrationeel (Menell, 1989: 258; van Krieken, 1998: 88).[168] Elias (1971) gaat echter nog een stap verder dan het Thomas-theorema door te stellen dat het vertrekpunt niet is dat er autonoom handelende actoren zijn, maar dat deze personen zelf als het ware gedefinieerd worden door hun interdependentie (Menell, 1989: 259; zie noot: 6). De individuen die de situatie definiëren zijn geen onafhankelijk handelende individuen, zoals verondersteld door de neo-klassieke economie, het zijn gesitueerde actoren door hun (vaak onbedoelde) interdependentie met anderen (Elias, 1971: 94-95; Menell, 1989: 259).

     Voor ostentatieve consumptie zien we dit als volgt: wanneer individuen een goed als noodzakelijk beschouwen, om zichzelf te distantiëren of zichzelf net binnen een groep te positioneren, heeft dit reële gevolgen. Bovendien moeten we er rekening mee houden dat deze individuen, via hun habitus beïnvloed zijn zowel door andere individuen als door hun psychogenese . Het zijn deze onbedoelde gevolgen die bedoelde handelingen, zoals consumptie, mee bepalen. Hierin ligt volgens ons een fundamenteel inzicht in de discussie over de rationaliteit dan wel de irrationaliteit van ostentatieve consumptie. De conclusie die we hier trekken is dat ostentatieve consumptie als een relationeel gegeven te begrijpen is (Delzescaux, 2002: 107-108; cfr. Bogner, 1986: 393).

 

     Elias (1982a-b) zag dus hoe de middeleeuwse samenleving evolueerde van een samenleving van geweld naar een samenleving waar zelfcontrole centraal staat. Elias (1982a-b) ontwikkelde een analyse, aan de hand van sociogenese en psychogenese , voor de processen geweld. Soortgelijke processen van psycho- en sociogenese, vonden niet enkel plaats voor geweld maar eveneens voor consumptie (als statuscompetitie) (Elias, 1983: 289-e.v.). We werken dit verder uit aan de hand van de analyses van Alan Hunt (1995, 1996) over luxe en sumptuary laws (voor kledij) in de geschiedenis.

 

     Zoals we reeds aangaven, aan de hand van de etiquette , werd het sociale leven langzaamaan gereguleerd. Door ostentatieve consumptie werd het eveneens gereguleerd (Hunt, 1995; ibid., 1996). Een (extract uit een) wet uit 1533 stelde bijvoorbeeld het volgende:

“None but the king shall wear purper silk or cloth, or gold tissue. First that no person of what estate dignity or condition soever they be from the feast of Purification of our lady which shall be in the year of our lord 1533, use or wear in any manner of their apparel or upon their horse, mule or any other beast any silk of the colour purple, nor any cloth of gold tissue, but only the King, the Queen the King’s mother, the King’s children, the King’s brothers and sisters and the King’s aunts and uncles; except that it shall be lawful to all Dukes and Marquises to wear and use in their doublets and sleeveless coats, cloth of in gold tissue and in no other of their garments, so that the same to be worn by such Dukes and Marquises shall not exceed the price of £ 5 a yard, … . (cit. in Hunt, 1996: 411)”

 

     Dit is slechts één voorbeeld van de vele sumptuary laws[169] die Europa en Amerika kende. We kunnen het nut van sumptuary laws in dezelfde orde zien als dat van de etiquette , ze reguleren een aspect van het sociale leven: “ sumptuary laws regulated the conspicuous consumption of citizens” (Hunt, 1996: 412). Ze bepalen iemand’s positie in de figuratie , in dat opzicht gaat het dus om een signaal dat de relaties reguleert maar zelf ook het rechtstreekse gevolg is van die relaties (Hunt, 1996: 412-413; Schor , 1998: 36-37). Volgens Elias (1983: 74) reguleren sumptuary laws de sociale relaties en plaatsten ze deze in een hiërarchie: het paleis van de graaf, mocht dat van de koning niet ‘beschamen’ (zie: Hunt, 1995: 359). Bij sumptuary laws komt ook duidelijk naar voren hoe sociale identiteit , rechtstreeks verbonden is met consumptiepatronen (Hunt, 1996: 417). Toentertijd was het belang van kledij voor onder meer de sociale orde niet te onderschatten:

“clothes were a fundamental means of recognizing and distinguishing class, but if all could dress as the whim took them, it would no longer be possible to identify people and the social order would be gravely threatened. (Belfanti et al., 2000: 360) ”

 

     Enerzijds, zijn sumptuarylaws rationeel: ze plaatsen een persoon op ondubbelzinnige wijze in een hiërarchie (Hunt, 1995: 358; ibid., 1996: 414, 424; zie: van Krieken, 1990). Dit sluit aan bij de idee van de ‘court rationality’.[170] Anderzijds is deze norm is in se irrationeel, althans bekeken vanuit de ‘bourgeois rationality’: het gebiedt personen te consumeren volgens een norm in plaats van volgens inkomen: het ordent de personen dus niet op basis van hun vermogen maar op basis van hun rang (Hunt, 1995: 357, 361; zie: Hunt, 1996: 417).[171] Bovendien houden sumptuary laws elke vorm van vernieuwing tegen, zoals de cyclus van de mode, (McCracken, 1988: 58-e.v.; cfr. Featherstone , 1990: 9; zie: Bourdieu , 1979: 423).

 

     Niettegensstaande het feit dat het denken van Elias kritiek te verduren kreeg uit verschillende hoeken (bijvoorbeeld: Rojek & Turner, 2000; Bogner, 1986; Goudsblom, 1987: 167-e.v.)[172] blijven zijn inzichten waardevol voor de analyse van ostentatieve consumptie en de sociologie als geheel. Elias biedt bijvoorbeeld een sociologisch perspectief dat een oplossing kan zijn voor het beruchte micro-macroprobleem (van Krieken, 1998: 58). Zijn figuratiesociologie (of zoals hij het liever hoorde processociologie[173]) biedt een volwaardig alternatief naast klassieke concepten (bijvoorbeeld sociale structuur) zoals die doorheen de geschiedenis van de sociologie gehanteerd werden.

 

     Wat kan Elias ’ perspectief concreet betekenen voor de analyse van ostentatieve consumptie? Eén van de belangrijkste inzichten is dat de relatie sociogenese – psychogenese kan aanwijzen hoe ingrijpende veranderingen in samenlevingen het handelen, denken en voelen van actoren kan beïnvloeden.[174] Dus, in tegenstelling tot het klassieke economische denken, kan dit perspectief een aanwijzing bieden hoe “vrije keuzes” door individuen gestructureerd worden door veranderingen in de samenleving (Menell, 1989: 94-e.v.).[175] Op basis van zijn denken kan een model geconstrueerd worden dat het handelen van individuen vanuit verschillende dimensies begrijpt zowel vanuit het psychische als het sociale. Veblen (1899) wees eveneens naar deze dimensies. Enerzijds, werd ostentatieve consumptie door hem begrepen als een ‘lag’ in het psychische: het overleven van de ‘predatory habits . Anderzijds, was er een ‘lag’ in het sociale: de leisure class droeg niets bij aan de ontwikkeling van de samenleving. De verbinding tussen het psychische en het sociale vormt een wezenlijk verklaringselement zowel bij Veblen (1899) als bij Elias (1982; 1983). Beiden trachten het verband cultuur-natuur te begrijpen, door te wijzen op de rol van competitie als motor (cfr. Goudsblom, 1995). Verder zien ze allebei consumptie als een equivalent van geweld om status of prestige uit te drukken. Beiden merken ze een verschuiving op: daar waar vroeger geweld de geijkte methode was om zich te laten gelden is er de opkomst van andere methodes, zoals de etiquette of ostentatieve consumptie om een bepaalde positie te verwerven of te legitimeren

 

     Er is echter nog veel (literatuur-)onderzoek nodig om na te gaan hoe we Elias ’ denken kunnen verbinden met Veblen (1899), enkele voorbeelden voornamelijk uit historisch onderzoek gaan echter duidelijk die richting uit (bijvoorbeeld: Berry, 1994; Hunt, 1995). We hebben hier slechts getracht enkele vergelijkingen te zoeken met Veblen (1899), om zo zijn initiële model verder uit te breiden. We willen hier nogmaals onderstrepen dat dit slechts één perspectief is op de evolutie van ostentatieve consumptie. Met andere woorden we stellen hier geenszins dat alle samenlevingen dezelfde patronen, van ondermeer rationalisatie, doorlopen.

 

3.3 De opkomst van de consumptiemaatschappij

 

     Heden ten dage kunnen (Westerse) samenlevingen in belangrijke mate als consumptiemaatschappij beschreven en/of getypeerd worden. Het is hier niet de bedoeling de geschiedenis in te duiken, of te trachten een precieze datering of overgang naar de ‘consumptiemaatschappij’ beschrijven. Toch lijkt in de lijn van het voorgaande een historische situering wenselijk, we houden daarbij Elias ’ ideeën over psychogenese en sociogenese in het achterhoofd. Wanneer de consumptiemaatschappij ‘exact’ is opgekomen is moeilijk éénduidig vast te stellen. Er is dan ook een levendig debat hieromtrent. We beperken ons tot enkele auteurs.

 

McKendrick et al. (1982) verwijzen naar het Engeland van de 18e eeuw als een cruciaal ‘turning point’ in de ontwikkeling en ‘explosie’ van de consumptiemaatschappij (Edwards, 2000: 35). Ze wijzen op een shift van attitudes zoals economische voorzichtigheid, beperking en op de familieovererving van goederen naar attitudes die de nadruk leggen op extravagantie, het ten toon spreiden van status door goederen en de zoektocht naar alsmaar nieuwe goederen. Deze shift in attitudes gaat gepaard met macrostructurele veranderingen: economische expansie en quasi ongebreidelde mogelijkheden in het ondernemerschap. McKendrick et al. (1982) illustreren dit met de opkomst, de commercialisatie van onder meer cultuur, kunst, ontspanningsmogelijkheden en vooral mode (kledij). Ze menen, in de lijn van Veblen (1899) dat competitie mee aan de basis lag van de ‘revolutie’, die de consumptiemaatschappij teweeg bracht (McKendrick et al., 1982: 11; McCracken , 1988: 16-17).[176] Verder menen ze dat in deze periode de basis werd gelegd voor de opkomst van wat we eerder de ‘levensstandaard ’ hebben genoemd:

What were once bought at the dictate of need, were no bought at the dictate of fashion . What were once bought for a life, might now be bought several times over. What were once available only on high days and holidays through agencies of the markets, fairs and itinerant pedlars were increasingly made available every day but Sunday through the additional agency of an ever-advancing network of shops and shopkeepers. As a result luxuries came to be seen as mere decencies, and decencies became to be seen as necessaries. Even necessities underwent a dramatic metamorphosis in style, variety and availability. (McKendrick et al., 1982: 1)

 

     Net als Elias tonen deze auteurs dat macro-economische verschuivingen, onder meer de groei in het netwerk van handelaars, gepaard gaan met verschuivingen in attitudes, in de psychè dus.[177] In economische termen uitgedrukt wijzen McKendrick et al. (1982) niet enkel op verschuivingen in het aanbod (macro) maar eveneens op verschuivingen in de vraag (micro), meer specifiek de opkomst van individuele smaken (McCracken , 1988: 5).

 

     Een tweede belangrijk werk betreffende de geschiedenis van consumptie is het al eerder aangehaald werk van Colin Campbell : The Romantic Ethic and The Spirit of Consumerism (1987). Hij plaatst de voornaamste verschuivingen die de opkomst van de consumptiemaatschappij mogelijk maakten, net als McKendrick et al. (1982), in de 18e eeuw (Campbell, 1987; Edwards, 2000: 35). De eerder aangehaalde link tussen het psychische en het culturele vinden we eveneens terug bij Campbell (1987). Campbell (1987) is het oneens met de (neo-)weberiaanse visie, zoals we die ook terug vinden bij Elias , van (ostentatieve) consumptie als rationalisatie (Miles , 1998: 18).[178] Hij beschrijft de opkomst van de romantische ethiek, als antipode van Weber’s protestantse ethiek. Hierbij beargumenteert hij dat er vanaf de 18e eeuw een trend is naar een meer emotionalistische levenswijze, die zich uit als het meer en meer erkennen en zoeken van genot. In de ‘traditionele’ samenleving werd consumptie vooral bekeken als het vervullen van noden, vanaf de moderniteit is er de opkomst van consumptie als het vervullen van (imaginaire) verlangens (Campbell, 1987; Edwards, 2000: 35.; Slater, 1997: 96). In moderne (en postmoderne) samenlevingen is (ostentatieve) consumptie niet meer te beschouwen, zoals vanuit economisch perspectief gedaan wordt, als ‘het ledigen van noden’ maar als het vervullen van verlangens (Campbell, 1987: 37-e.v.; Slater, 1997: 96). Hij wijst daarbij op de opkomst van het dagdromen over (luxe)goederen (Campbell, 1987: 85, Gabriel & Lang, 1995: 105-106).

Finkelstein (1991) merkt op dat Campbell (1987) eigenlijk nauw aansluit bij het denken van Elias . Daar waar Elias vooral oog had voor de psychogenese en sociogenese van geweld en zelfcontrole, ontwikkelt Campbell (1987) een gelijkaardig model voor (ostentatieve) consumptie. Net als Elias, wijst hij op de link tussen het psychische en het culturele: de romantiek gaat gepaard met een meer hedonistische levenswijze.[179]

 

     In tegenstelling tot voorgaande auteurs, begint McCracken (1988: 11-e.v.) zijn analyse in het 16e-eeuwse Engeland. Hij meent dat wat McKendrick et al. (1982) als revolutionair en als basis voor de consumptiemaatschappij beschouwden, reeds in de 16e eeuw aanwezig was. Hij beschrijft daarbij het belang van consumptie bij de hofsamenleving, vooral bij de lagere aristocratie. McCracken (1988: 31-43) ziet het einde van het patinasysteem, een systeem waardoor adellijke families intergenerationeel weelde doorgaven, als een cruciaal breukpunt (Edwards, 2000: 36). Verder wijst hij naar de rol van nieuwheid en de opkomst van een cultuur van directe vervulling van verlangens (McCracken, 1988; Edwards: 2000: 36). We kunnen dit opnieuw illustreren aan de ‘sumptuary laws’. Langzamerhand was de consumptie niet meer reguleerbaar, de lagere klassen konden de luxegoederen van de bovenste klassen imiteren of zelfs kopen (McCracken, 1988: 40). Daarom kwam er een ander mechanisme op om statusonderscheid te creëren: de cyclus van de mode . Het nieuwe leverde nu status in plaats van het oude. Maar ook hier bestaat er het risico op imitatie. De “brute signalen van weelde” volstonden niet meer, ze werden vervangen door subtielere signalen. Er was kennis nodig om de mode te volgen en imitatie op te merken. Bovendien was dit systeem “veel efficiënter”: de artificiële misrepresentatie door de sumptuary laws, waarbij de adel als “apex” van de samenleving werd voorgesteld, was voorbijgestreefd. Kortom, luxe als indicator van status volstond niet meer, een zekere kennis wat en hoe te consumeren was nodig. Dit is één van de kernelementen bij Bourdieu ’s (1979) analyse zoals we die verder in dit hoofdstuk zullen bespreken.

 

     Een kernthema dat bij deze drie werken ter sprake komt, is de vraag hoe de geboorte van de consumptiemaatschappij verband houdt met statuscompetitie. Het antwoord vonden we ten dele al bij Elias : ostentatieve consumptie verving, ten dele weliswaar, geweld als voornaamste indicator van status. Deze overgang ging gepaard met veranderingen in de figuraties en veranderingen in de psychè. Hoe dit concreet gebeurde vereist een grondige historische analyse, die zou echter buiten het bestek van deze thesis te valt.

 

     Over de overgang van moderne naar postmoderne of posttraditionele consumptie bestaan eveneens uiteenlopende visies. Baudrillard (1970) bespreekt eveneens de opkomst van de consumptiemaatschappij, gezien het belang van zijn werk gaan we hier uitgebreid op in onder 3.6. Daniel Bell (1974) meent dat twee cruciale transformaties, krediet en reclame, aan de basis lagen van wat hij als de (postindustriële) consumptiemaatschappij beschouwt (Langlois, 2002: 87).[180] We merken echter op dat geen van beiden ‘nieuw’ zijn als verschijnsel, zowel krediet als reclame bestaan reeds lang (McCracken , 1988: 5, 26). Volgens Bauman (1988) ligt de essentie van de opkomst van de consumptiemaatschappij eerder in de verschuiving naar een consumer ethic[181] die de work ethic vervangt:

“If in a life normatively motivated by the work ethic, material gains were deemed secondary and instrumental in relation to work itself (their importance consisting primarily of confirming the adequacy of the work effort), it is the other way around in a life guided by the ‘consumer ethic’. Here work is (at best) an instrumental, it is in the material emomulments that one seeks and finds fulfilment, autonomy and freedom” (Bauman , 1988: 75)

Op Bauman ’s denken over consumptie en identiteit komen we nog terug onder 3.5.

 

     Recentelijk beargumenteerden Juliet Schor (1991; 1998; 2002) en Robert Frank (1999) dat er in de jaren ’80-’90 een nieuwe fase was aangebroken in het “consumerisme”. We zullen kort even stilstaan bij dit idee. Schor (1998) meent dat de Amerikaanse samenleving terecht is gekomen in een cultuur van ‘upscaling ’: daar waar de jaren ’50 gekenmerkt werden door ‘keeping up with the Jones’es’ meent Schor dat er sinds mid-jaren tachtig een vernieuwde trend bestaat naar consumptie als vergelijkingsgedrag met de bovenste sociale laag, ze noemt dit upscaling:

“Today a person is more likely to be making comparisons with, or choose as “reference group”, people whose incomes are three, four, five times their own. The result is that millions of us have now become participants in a national culture of upscale spending” (Schor , 1998: 4)

Ze beargumenteert dat de sociale irrationaliteit van upscaling nu om zich heen grijpt (Schor , 1998: 107-e.v.). Dit ligt duidelijk in de lijn van Veblen (1899). Schor (1998) meent dat de Amerikaanse trend naar meer overwerk te begrijpen is vanuit deze logica van upscaling. Individuen werken harder om hun verhoogde luxeconsumptie te betalen (Schor, 1991; ibid. 1998: 19-20) dit gaat ten koste van hun vrijetijdsbesteding.[182] Ze noemt dit de “cycle van work & spend”, hiermee benadert ze Bauman ’s (1988) opvatting van een verschuiving van work ethic naar consumer ethic (Schor, 1998: 98-99; 162-e.v.).

 

     In Tabel 8 in de bijlage geven we deze verschuiving in uren weer. Het is vanuit deze visie dat we beargumenteren dat ostentatieve consumptie relatief gezien belangrijker is geworden dan ostentatieve vrije tijd.[183] We gaan hier echter niet dieper op in voor een uitgebreide bespreking (zie: Schor , 1991 en 1998 voor een kritiek op Schor’s hypothesen over overwork zie: George, 1997). Verder zijn we het eens met Schor (1998: 98-99; 2002) dat dit mechanisme van ‘upscaling ’, wat uiteindelijk niet meer is dan een versteviging van het Veblen-effect, mee aan de basis ligt van de escalatie van de levensstandaard . Upscaling heeft verregaande gevolgen, bijvoorbeeld een sterke toename in consumptie schuld (cfr.hfst. 2).

 

     Een gelijkaardig geluid vinden we bij Robert Frank , in zijn boek Luxury Fever (1999) bespreekt hij uitgebreid de explosie van luxeconsumptie. Hij wijst naar ongeveer dezelfde mechanismen als Schor (1998) om de recente ‘boom’ in luxeconsumptie te begrijpen. Merkwaardig is dat Frank (1999) als één van de weinige economen sterk de nadruk legt op biologische factoren als mogelijke verklaringsfactoren voor ‘irrationeel consumptiegedrag (cfr.hfst. 4).

 

     We merken echter op dat deze analyses over de recente verschuivingen van ostentatieve consumptie nog in een pril stadium zijn. Er is nog erg veel empirisch onderzoek nodig, maar verscheidene indicatoren (bijvoorbeeld: toename in luxe-uitgaven, toename van kredietschulden,… .) wijzen reeds in de richting van een vernieuwde opleving van ostentatieve consumptie (Frank , 1999). Voor een beknopte illustratie van deze trends verwijzen we naar deze werken en naar de bijlagen (Tabel 9).

 

     Wat de voornaamste historische verschuivingen zijn die de huidige consumptiemaatschappij mogelijk mak