| Clio en de Menswetenschappen: Max Webers 'Die Stadt' en de Gentse Historische School. (Anton Froeyman) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
II. De Gentse Historische School
“De Gentse Historische School” is een begrip dat in Vlaanderen tot voor een tiental jaar vrij gratuit gebruikt werd als verzamelnaam voor de historici, en in het bijzonder de mediëvisten, van de Gentse universiteit. Daaruit is bij een aantal geleerden verkeerdelijk het beeld gegroeid van een echte “school”, met een traditie die voorzichtig bewaard werd, en doorgegeven van meester op leerling. Dit stemt niet overeen met de werkelijkheid, en tijdens het laatste decennium begon de omgekeerde opvatting, dat er eigenlijk niet zoiets als een “Gentse School“ bestaat, terrein te winnen. [203] Er is echter nog nooit een studie over dit onderwerp verschenen. Met dit hoofdstuk hoop ik die leemte enigszins in te vullen.
Ik heb mij bij de studie van de Gentse School beperkt tot de zes namen die voor mijn probleemstelling (de relatie tussen Weber en de Gentse School) het interessantst waren. De keuze voor Henri Pirenne spreekt voor zich. Ganshof werd geselecteerd omdat hij bekeken wordt als hét voorbeeld van de positivistische, neorankiaanse historicus (wat overigens niet helemaal correct blijkt te zijn). De keuze voor Van Werveke en Verhulst werd ingegeven door hun activiteit op het gebied van stadsgeschiedenis, en in Van Wervekes geval, door zijn artikel over dé Middeleeuwse stad (een soort ideaaltype met andere woorden) in de Historische Winkler Prins Encyclopedie.[204] Jan Dhondt werd gekozen omwille van zijn reputatie als methodologische vernieuwer, en Raoul Van Caenegem omwille van zijn belangstelling voor Max Weber.
Ik heb een groot aantal historici genegeerd die evenzeer deel uitmaken van de Gentse School. Ik denk onder andere aan Paul Fredericq, Hubert Van Houtte, Fernand Vercauteren, Egied Strubbe, Charles Verlinden en Victor Fris. Toch geloof ik dat het mogelijk is om een model op te stellen van de Gentse School op basis van de zes geleerden die wel bestudeerd zijn.
Henri Pirenne is zonder twijfel de meest illustere vertegenwoordiger van wat men de ‘Gentse Historische School’ kan noemen. Hoewel Paul Fredericq er in feite de stichter van was, was het Pirenne die deze intellectuele richting haar naam en bekendheid gaf. Hij was ook degene die de wetenschappelijke geschiedschrijving naar Duits, en in mindere mate Frans, model naar België haalde. Hierdoor rekende hij definitief af met de traditie van de romantische en amateuristische historiografie zoals ze tot dan toe in België beoefend werd.
In 1966 verscheen er van de hand van Jan Dhondt een artikel over het ‘fenomeen’ Henri Pirenne[205], dat onder mediëvisten veel stof deed opwaaien.[206] Dhondt was een vertegenwoordiger van de eerste generatie historici die niet persoonlijk met Pirenne in aanraking was gekomen. Hij koos dan ook voor een benadering die afweek van degene die tot dan toe gebruikelijk was. Voordat Jan Dhondt zijn ophefmakende artikel publiceerde, werd het overgrote deel van de literatuur over Pirenne immers geschreven door leerlingen (zoals Ganshof en Van Werveke) en bewonderaars (zoals Bryce Lyon), wat niet altijd resulteerde in een even kritische of genuanceerde benadering.
Jan Dhondt daarentegen probeert het sociaal en wetenschappelijk succes van Pirenne op een sociologische manier te verklaren, plaatst hem in zijn historische context, en verduidelijkt zijn eigen mening over wat hij waardevol en belangrijk aan hem vond, en vooral wat niet. Bryce Lyon reageerde hier zeer fel op.[207] We komen hier verder nog op terug.
2.1) Leven
Jean Henri Otto Lucien Pirenne werd geboren op 23 december 1862 in Verviers, als eerste zoon van Lucien Pirenne en Virginie Duesberg. Zijn ouders waren beiden een lid van één van de twee invloedrijkste en machtigste families van de omvangrijke industriële bourgeoisie van Verviers. De jonge Henri werd dan ook van meet af aan in deze mentaliteit opgevoed, en hij was voorbestemd om in zijn vaders voetsporen te treden en ingenieur te worden. De intellectuele kwaliteiten en vooral gebreken van de latere hoogleraar in de geschiedenis beslisten hier echter anders over. Het is tevens op dit gebied dat we het eerste belangrijke twistpunt tussen Jan Dhondt en de overige biografen van Pirenne zien.
Henri was gewoon te slecht in wiskunde en exacte wetenschappen, stelt Jan Dhondt, en hij had bijgevolg nauwelijks een andere keuze dan een studie rechten aan te vatten, de enige richting die verenigbaar leek met zijn sociale status en waarbij een gebrek aan kennis van de wiskunde geen probleem was. In zijn reactie op Dhondts artikel, toont Bryce Lyon, de meeste fervente van Pirennes “hagiografen”, zich hierdoor uitermate gechoqueerd. Hij haalt er zelfs oude schoolrapporten van de jonge Henri bij om te bewijzen dat zijn schoolresultaten voor wiskunde niet slecht, maar ‘middelmatig’ waren.[208] Lyon doet dit zonder exacte cijfers te geven, en zonder er mee rekening te houden dat ‘slecht’ een andere betekenis heeft voor een toekomstige wiskundige dan voor een rechtenstudent in spe. Deze reactie is des te opvallender omdat Ganshof, toch ook een grote bewonderaar van Pirenne, dit wel toegeeft.[209] Het feit dat Bryce Lyon aan zo’n onbelangrijk detail zo’n waarde hecht, duidt erop dat hij Pirenne benadert met meer dan een zuiver intellectuele en wetenschappelijke belangstelling.
Tijdens zijn studie rechten kreeg Henri les van Godefroid Kurth, een Duitstalige historicus, afkomstig uit Luxemburg, die de universiteiten van Leipzig, Bonn en Berlijn bezocht had.[210] Daar was hij getuige geweest van de opkomende en vernieuwende Duitse geschiedschrijving van Ranke, Schmoller en Lamprecht. Deze werd vooral belichaamd in de praktische seminaries die ze gaven aan hun beste studenten, om hen als het ware het “métier” van historicus te kunnen leren. Kurth bracht deze educatieve techniek mee naar de universiteit van Luik, en een van de deelnemers hieraan was Henri Pirenne, die toen aan zijn tweede jaar rechten bezig was. Henri woonde het jaar voordien reeds Kurths lessen bij, hoewel die geen deel uitmaakten van zijn curriculum, maar hij leerde hem pas echt persoonlijk kennen tijdens de cours pratiques, zoals de Duitse practica in Gent genoemd werden, en de twee bleven bevriend tot Kurths dood. Waarschijnlijk onder de invloed en indruk van zijn leermeester Kurth, besloot Pirenne om, na het behalen van zijn kandidatuurdiploma in de rechten, zijn Rechtenstudie te laten varen en zich toe te leggen op de geschiedschrijving.
Jan Dhondt staat even stil bij deze keuze, en stelt zich vragen naar de exacte beweegredenen ervan.[211] Hij gaat er van uit dat Pirenne zich a priori bijna verzekerd moest weten van een academische zetel, aangezien universitair docent in Henri’s specifieke situatie het enige eerbare beroep was dat uit een Geschiedenisstudie kon voortkomen. Verder redenerend besluit hij dat de enige mogelijkheid hiertoe was dat deze hem door Kurth beloofd moet zijn geweest.
In zijn eerste jaar als geschiedenisstudent kreeg Henri een cours pratique van Paul Fredericq, die later een van zijn beste vrienden en zijn leermeester inzake moderne geschiedenis zou worden. Fredericq was tevens zeer invloedrijk in liberale middens, en met zowel een katholiek (Kurth) als een liberaal (Fredericq, en ook zijn eigen vader Lucien-Henri Pirenne (die zeer veel invloed had in het vrijdenkende milieu. Er bestaat onder andere een briefwisseling tussen Henri’s vader en de liberale minister Frère Orban.[212]) kon Henri zijn benoeming als hoogleraar bijna niet meer mislopen.
Dhondt suggereert dat deze connecties de jonge Henri in een bepaalde mate (in hoeverre deze invloed echt beslissend was is natuurlijk moeilijk na te gaan) geholpen hebben om zijn universitair postje veilig te stellen. Bryce Lyon reageert hier weer zeer fel op, en zegt dat, op een manier alsof het hier om een rechtszaak gaat, dat hier geen hard bewijs voor te vinden is.[213] In dit verband stelt Dhondt dat er reeds voor de val van de liberale regering in 1884 beslist was om Pirenne (die toen nog niet afgestudeerd was) te benoemen tot docent inzake hulpwetenschappen aan de RUG. Hij legt een verband tussen dit feit en Pirennes verblijf in Frankrijk tijdens het academiejaar 1883-1884, na de voltooiing van zijn studies in Luik, waar hij zich voornamelijk met diezelfde hulpwetenschappen bezig hield.[214]
Jan Dhondt merkt eveneens op dat Karl Lamprecht[215] al vanaf 1883, dus voordat Pirenne zijn diploma behaalde, een correspondentie voerde met deze laatste, waarin hij hem vroeg een artikel te schrijven over het historisch onderzoek in België en de organisatie van de verschillende universiteiten en archieven. Dhondt vraagt zich af hoe Lamprecht afwist van het bestaan van de in academische middens nog volslagen onbekende student. Het is dus zeer waarschijnlijk dat iemand Henri bij Lamprecht heeft aanbevolen. Het kan bijna niet anders dan dat het hierbij om Kurth en/of Fredericq gaat. Het valt op dat Bryce Lyon dit probleem omzeilt of het niet vermeldt.[216]
Op 24 juli 1883 behaalde Henri Pirenne zijn doctoraat met een thesis over de geschiedenis van Dinant die opvallend weinig raakpunten vertoonde met zijn latere werk inzake stadsgeschiedenis. Ondanks enkele problemen als gevolg van de val van de liberale regering in 1884 slaagde hij er bijna onmiddellijk in om een plaats als docent paleografie en diplomatiek te bemachtigen aan de universiteit van Luik.[217]
Om zijn vaardigheden hierin te vervolmaken, trok hij echter eerst een jaar naar Frankrijk. Het academiejaar 1883-1884 bracht hij door in Parijs, waar hij ook zijn toekomstige vrienden Maurice Prou en Abel Lefranc ontmoette. Het jaar nadien bracht hij in Duitsland door om de toen beroemde en vooruitstrevende Duitse historiografie zelf te kunnen meemaken. Hij bezocht de universiteiten van Leipzig en Berlijn, waar hij onder andere studeerde werd bij Gustav Schmoller. Dit is belangrijk voor onze probleemstelling, aangezien Schmoller één van de voornaamste figuren was van de school der Nationalökonomen, waartoe ook Max Weber behoorde. Het is waarschijnlijk dat Schmoller een diepgaande invloed op Pirenne heeft gehad[218], mogelijk nog meer Karl Lamprecht, die wel een zeer goede vriend, maar in veel mindere mate een leermeester van Henri was. Van Scmoller leerde Pirenne het historische belang in te zien van het ontstaan van de Middeleeuwse steden.[219] Dit is belangrijk, omdat ook Max Weber de roots van de moderne Westerse beschaving (of althans een belangrijk gedeelte daarvan) bij het ontstaan van de Middeleeuwse steden legt. Na zijn verblijf in Leipzig, bezocht hij ook de universiteit van Berlijn, waar hij onder andere Ranke ontmoette, voor wie hij een grote bewondering had. Hij zag zichzelf echter nooit als een volgeling van Ranke, waarschijnlijk ten dele vanwege zijn vriendschap met Karl Lamprecht en de controverse die tussen deze laatste en Leopold von Ranke heerste.
Dat Pirenne uiteindelijk aan de RUG en niet in Luik benoemd werd, is vooral de verantwoordelijkheid van Paul Fredericq. Deze was in 1883 terug naar zijn geboorteplaats Gent gegaan, en wilde zijn protégé ook naar de RUG halen. Pirenne zou Middeleeuwse geschiedenis doceren, en Pirenne hedendaagse. Ook vond Fredericq de komst van de Waalse historicus belangrijk om het toenemende ‘Germanisme’ in te dijken.[220] Door zijn verblijf in Gent en Vlaanderen en zijn contact met de Vlaamse steden met een Middeleeuwse geschiedenis, ging hij zich meer dan waarschijnlijk nog meer aangetrokken voelen door stadsgeschiedenis. In Gent ontmoette hij ook Jenny Vanderhaegen, een meisje uit de Gentse bourgeoisie, die later zijn vrouw zou worden.
Aan de RUG bouwde Henri aan zijn carrière als academicus en lesgever.In het begin van de jaren ’90 was zijn reputatie gevestigd als uitgever van Middeleeuwse teksten en specialist in stadsgeschiedenis. Het was de Histoire de Belgique die hem zijn nationale bekendheid schonk, en van hem ook een politiek instrument maakte.
Het idee van een samenvattende geschiedenis van België was afkomstig van Karl Lamprecht, die Pirenne op de Historikertag, een jaarlijks Duits historisch congres, van 1894 vroeg om een bijdrage te schrijven voor de Geschichte der Europäischen Staaten, waarvan hij Lamprecht redacteur was. De Histoire de Belgique kende bij de publicatie van haar eerste deel in 1899 een onverhoopt succes in België, en moest verscheidene keren herdrukt worden. Al vrij vlug verscheen er een Nederlandse vertaling (het eerste deel in 1902; het laatste in 1932), die sterk bijdroeg tot deze populariteit. Bovendien paste de zienswijze van Pirenne, die de eenmaking van België als (min of meer) historisch noodzakelijk zag, in de politiek van de Belgische regering. Als gevolg hiervan ontving Henri tal van officiële prijzen, en raakte zijn naam ook bij het gewone publiek bekend.
Tijdens de Duitse bezetting weigerden Fredericq en Pirenne les te geven aan de nieuwe Duitse universiteit, waarop ze beiden naar een Duits gevangenenkamp werden gebracht. Tijdens zijn gevangenschap in de kampen van Krefeld, Holzheim en Jena leerde hij Russisch en kreeg hij als gevolg van contacten met Russische officieren meer belangstelling voor de geschiedenis van het Oosten. Hij schreef ook, zonder de beschikking te hebben over een bibliotheek, een samenvattende geschiedenis van Europa.
Bij hun terugkomst naar Gent werden Pirenne en Fredericq onthaald als nationale helden. Victor Fris, één van Pirennes leerlingen, probeerde hiervan te profiteren om aan een benoeming te komen.[221] Henri werd overladen met eerbewijzen en werd benoemd tot rector van de nieuwe universiteit toen in april 1919 bleek dat Paul Fredericq na enkele maanden dienst deze taak niet meer kon opbrengen.[222]
Tijdens de jaren ’20 begon de Vlaamse Beweging aan invloed te winnen, en het scheen onvermijdelijk dat de RUG vroeg of laat ééntalig zou worden. Pirenne had reeds vroeg beslist dat hij de universiteit dan zou verlaten, niet omdat hij principieel tegen de vernederlandsing was, maar omdat hij vond dat hijzelf niet goed genoeg Nederlands sprak, en omdat hij van mening was dat de RUG door de ééntaligheid aan internationaal prestige zou inboeten.[223] Toen dit in 1930 effectief gebeurde, verhuisde hij dan ook naar Ukkel, waar hij de rest van zijn leven werkte en woonde tot zijn dood op 24 oktober 1935.
2.2) Werk en Ideeën
Het volledige oeuvre van Pirenne laat zich schematisch samenvatten in drie centrale thema’s: de Histoire de Belgique, de oorsprong van de Westerse stedelijke agglomeratie, en de Mahomet et Charlemagne-theorie.[224]
2.2.1) l’Histoire de Belgique
l’Histoire de Belgique is ongetwijfeld het bekendste en het meest verguisde werk van Pirenne. Het zorgde (samen met zijn gevangenschap in Duitsland) voor zijn internationale faam als historicus, zijn nationale bekendheid bij de ‘modale’ Belg, en tegelijkertijd ook voor het misprijzen van latere generaties, die hem als een instrument in handen van het nationalisme zagen. Ondanks deze terechte kritiek heeft het werk toch een aantal onmiskenbare verdiensten.
Ten eerste is het niet zo nationalistisch en propagandistisch als het soms verweten wordt te zijn. Pirenne heeft wel degelijk aandacht voor de pluraliteit van gemeenschappen waaruit België is opgebouwd. Zo erkent hij bijvoorbeeld dat wat nu België is, in de vroege Middeleeuwen niet meer was dan een aantal volledig onafhankelijke heerlijkheden. Hij gaat ook de eenheid van de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden tijdens de Nieuwe Tijden niet uit de weg.
De geschiedenis van België kan volgens Pirenne verdeeld worden in vier fases.[225] Ten eerste is er de Oudheid, dat wil zeggen alles wat voor de Middeleeuwen komt. Pirenne vond dit niet de moeite van het bespreken waard, en wijdde er dan ook niet meer dan enkele bladzijden aan.Vervolgens zijn er de vroege Middeleeuwen, die gekenmerkt worden door een bonte verzameling feodale staten. Daarna komt de Bourgondische periode, die als hij als een soort voorloper van de latere Nederlanden ziet. Hier gaat Pirenne in de fout, aangezien de Bourgondische hertogen hun bezittingen in de Lage Landen enkel zagen als een middel om hun invloed in Frankrijk te vergroten. Hierna komt er een vierde en laatste fase, de geschiedenis van de Belgische Staat van 1830 tot 1914.
Dé grote verdienste van l’Histoire de Belgique is vooral de originele historiografische aanpak. Pirenne gebruikte hiervoor in grote mate de ideeën van Karl Lamprecht, en ging daarmee in tegen de traditionele Belgische geschiedschrijving, die gebaseerd was op de aaneenschakeling van een aantal grote persoonlijkheden. Pirenne gebruikte concepten als ‘volksgeest’ en hechtte een groot belang aan de economische omstandigheden, en incorporeerde onder andere een aantal ideeën in verband met het ontstaan van de steden in West-Europa in zijn werk.
l’Histoire de Belgique is zonder enige twijfel teleologisch en nationalistisch, maar gezien de tijdsgeest en Pirennes afkomst uit een Waals burgerijmilieu, is dit niet meer dan logisch. Zijn standpunten hadden makkelijk een heel stuk extremer kunnen zijn, in de lijn van enkele Duitse historici die rond dezelfde tijd leefden en werkten. De redenen waarom Pirenne, en niet iemand anders, dé Belgische nationale historicus geworden is, zijn zijn capaciteiten als vormer van syntheses, en niet zijn gewilligheid om de Belgische staat van dienst te zijn.
2.2.2) Mahomet et Charlemagne
Deze theorie past in de discussie rond de overgang van de Romeinse samenleving naar de Middeleeuwse. Schematisch kunnen we zeggen dat Pirenne van mening is dat deze overgang niet in de 5e eeuw plaatsvond, maar aan het einde van de 7e eeuw. Hij stelt dat de economische structuren van het laat-Romeinse rijk blijven voortbestaan tot in de Merovingische periode, en dat er pas een einde aan kwam met de opmars van de Arabische wereld, die de Middellandse zee veranderde in een ‘lac Musulman’. Hierdoor was de West-Europese samenleving verplicht te imploderen, en terug te vallen op regionale handel. Pirenne ziet in de verdwijning van het goudverkeer in West-Europa hiervan een bewijs.
Dit is misschien wel de zwakste van Henri Pirenne’s drie grote theorieën. De breuk in de internationale handel zoals hij die beschrijft heeft nooit bestaan. De Arabische handelaren hadden zeer goede relaties met de Italiaanse stadstaten, die op hun beurt weer uitstekende betrekkingen hadden met het Byzantijnse rijk, en de oorzaak van het verdwijnen van het goud in West-Europa was het feit dat de Arabische koopmannen het tegen een voor Westerse handelaars bijzonder gunstig tarief kochten. Verder heeft Pirenne de Merovingische beschaving overschat, en de Karolingers op dit vlak schromelijk onderschat.
Mahumet et Charlemagne heeft echter de hele discussie rond dit onderwerp grotendeels in gang gezet, en dat op zich is al een verdienste.
2.2.3) Het ontstaan van de steden in West-Europa
De Pirenne-thesis over de oorsprong van de Middeleeuwse stad hangt nauw samen met Mahomet et Charlemagne. Na de val van het West-Romeinse Rijk boette de stedelijke agglomeratie, aldus Pirenne, geleidelijk aan in aan belang, om in de loop van de zevende en de achtste eeuw volledig te verdwijnen, en slechts te herleven vanaf de late tiende eeuw. Deze nieuwe steden ontstonden uit de nederzettingen die gesticht werden door rondreizende handelaars-avonturiers, die zich op het einde van hun zwerftochten vestigden in de buurt van een abdij of een domaniale nederzetting. Deze nederzettingen worden volgens Pirenne in de bronnen aangeduid met de term portus. Het valt op dat Pirenne wel zeer veel aandacht schenkt aan de handelaars en hun associatie, maar niet aan de stedelijke markt.[226] Na verloop van tijd begonnen de inwoners van deze woonkernen zich te verzetten tegen de autoriteit van de heer, abt of bisschop, en verwierven ze geleidelijk aan de rechten, privileges en de autonomie die zo kenmerkend is voor Laat-Middeleeuwse steden als Gent, Ieper en Brugge.
We komen in een later hoofdstuk nog uitgebreid terug op Pirennes visie op de Middeleeuwse stad.
De Pirenne-thesis is heden ten dage voor een groot stuk weerlegd. Pirenne had immers geen rekening gehouden met de stichtingen van nieuwe steden onder de Karolingers, en met het doorleven van de Antieke situatie in de Italiaanse stadstaten.
Belangrijk voor onze probleemstelling is ook dat Pirenne een bepaalde visie ontwikkelde op het ontstaan van het kapitalisme. Hij was van mening dat men in de late Middeleeuwen, en dan vooral in de metaalindustrie in de Maasvallei, een vorm van kapitalisme merkbaar was. Hiermee ging hij in tegen de theorie van Bücher, Weber en Sombart, die deze als een lineaire beweging (Hauswirtschaft-Stadtwirtschaft-Volkswirtschaft) zagen.[227] Interessant is dat zijn collega Hubert Van Houtte eveneens kritiek had op deze driedeling, maar dan vanuit een andere hoek. Volgens Van Houtte bleef het Middeleeuwse corporatieve model doorleven tot de negentiende eeuw, en werd het kapitalisme dan pas dominant.[228] In tegenstelling tot Pirenne, gebruikt Van Houtte zijn vaststellingen niet om deze theorie af te breken, maar wel om ze te verfijnen en aan te passen.[229] Volgens Van Houtte valt de economische aanpak die typisch is voor een bepaalde periode niet noodzakelijk samen met de aanpak die dominant is in diezelfde periode (hoewel dit na verloop van tijd wel zo evolueert, maar het kan eeuwen duren voor het zover is).
2.3) Intellectuele Toe-eigening: Jan Dhondt en Bryce Lyon
Misschien wel het belangrijkste standpunt van Jan Dhondt waar Bryce Lyon zich in grote mate aan stoort, is diens visie op de intellectuele ontwikkeling van Pirenne. Volgens Dhondt bereikte deze zijn hoogtepunt in een beperkte periode, in een vroeg stadium van zijn academische carrière. Het valt Dhondt op dat Pirenne promoveerde met als onderwerp de geschiedenis van Dinant. Dit is in se een onderwerp dat zeer dicht aanleunt bij het thema van de theorie waarvoor hij later lof zou oogsten, namelijk de oorsprong en de wedergeboorte van de West-Europese steden. ‘l’Histoire de la Constitution de Dinant’ werd in een verbeterde versie gepubliceerd in 1889, toen Henri Pirenne reeds zeer sterk onder de invloed was van Lamprecht(“le champion de l’histoire des forces sous-jacentes” zoals Dhondt hem noemt.[230]) en het is frappant , aldus Dhondt, dat ook in deze versie Pirenne zich grotendeels beperkte tot de rechts- en institutionele geschiedenis, zoals het in die tijd gebruikelijk was. Dit laat vermoeden dat de oorsprong van de Pirenne-thesis na 1890 dient gezocht te worden. Ook wanneer men zijn overige publicaties van voor de jaren ’90 bestudeert, valt op dat deze voor het overgrote deel bestaan uit tekstedities, studies over paleografie en diplomatiek, etc, en niet over meer abstracte en/of meer algemene onderwerpen, waarmee hij later grote faam verwierf.
Dhondt beschouwt de jaren 1890-1895 als de beslissende in de intellectuele ontwikkeling van Pirennes intellectuele leven. In deze periode zou hij namelijk zijn drie grote theorieën geconstrueerd hebben. Hier gaat Dhondt voor een stuk in de fout. Pirenne’s werk over de stedelijke ontwikkeling past hier weliswaar in dit schema (l’Origine des Constitutions urbaines au Moyen Age werd gepubliceerd in 1895), maar ‘Mahomet et Charlemagne’ niet, zoals aangetoond door Bryce Lyon en ook toegegeven door Wim Blockmans[231], en de gesynthetiseerde geschiedenis van België lijkt eerder een concept dat a posteriori met een intellectuele zelfrechtvaardiging als doel, samengesteld werd. De vraag rijst dus waarom Jan Dhondt net hier de enige echte fout in zijn hele artikel maakt.
Het is duidelijk dat hier meer aan de gang is dan een zuiver wetenschappelijke discussie, anders zou Jan Dhondt deze fout niet gemaakt hebben, en zou Bryce Lyon niet zo heftig en emotioneel gereageerd hebben (Hij noemt het een “harsh attack upon Henri Pirenne”, terwijl het dat helemaal niet is). Lyon identificeert zich duidelijk met het beeld dat hij van Henri Pirenne heeft. Dit beeld is dat van een enorm erudiete wetenschapper met een superieur intellect, die daarnaast ook nog eens sociaal geëngageerd is, volledig integer is, en ook naast zijn discipline een zeer aangenaam en joviaal mens was. Dit komt zeer duidelijk naar voor in een artikel van zijn hand over de relatie tussen Marcel Prou, een Franse Historicus die zich vooral verdienstelijk maakte op het gebied van diplomatie en bronnenuitgaven, en Pirenne.[232] Lyon voelt zich persoonlijk aangevallen door Jan Dhondt’s visie op Pirenne, en reageert dus ook zeer persoonlijk.
Het artikel van Dhondt onthult ook veel over zijn auteur. Dhondt apprecieert in Pirenne vooral het feit dat hij steeds buiten zijn eigen specifieke vakgebied ging zoeken naar disciplines en theorieën die hem van nut konden zijn, en niet terugschrok van Marxistisch geïnspireerde concepten.[233] Jan Dhondt zelf stond er eveneens voor bekend dat hij de geschiedschrijving als een algemene sociale wetenschap zag, en dat hij gretig theorieën gebruikte uit de sociologie, ,psychologie,… Hij projecteert dus zijn eigen situatie op die van Pirenne, en ook hij bezondigt zich hierdoor aan zelfrechtvaardiging. Deze situatie is tekenend voor het klimaat dat in de jaren ’60 aan de RUG heerste, waarbij er een conflict (en waarschijnlijk zelfs een echte ruzie) aan de gang was tussen de oudere generatie van Ganshof en Van Werveke, en een nieuwe lichting waarvan Jan Dhondt de speerpunt was.[234] Deze laatsten stonden open voor het toepassen van ‘grote theorieën’ uit andere menswetenschappen op de geschiedenis, terwijl bijvoorbeeld Ganshof daar niets mee te maken wilde hebben.[235]
Jan Dhondt gebruikt met andere woorden dezelfde techniek van intellectuele toe-eigening als Engin Isin en Don Martindale. Hij verantwoordt zijn eigen visie[236] op geschiedschrijving en zijn eigen positie als “vernieuwer” binnen de Gentse universiteit door diezelfde visie (of een variant daarop) ook aan Pirenne toe te schrijven. Bij Lyon is dat ook het geval, maar de toe-eigening gaat hier nog een stap verder. Ze is hier niet meer alleen intellectueel, maar ook persoonlijk getint.
2.4) Pirennes Middeleeuwse Stad
2.4.1) Het Ontstaan van de Steden
Volgens Pirenne bestond er een continuïteit tussen de steden in het laat-Romeinse Rijk en de vroege Middeleeuwen[237](in onze streken was dit niet het geval[238]). Deze continuïteit bestond echter alleen uit materiële factoren. Het Romeinse bestuursapparaat ging verloren, maar door de aanwezigheid van een relatief uitgebreide economische activiteit bleef er, weliswaar in een mindere mate dan in het Romeinse Rijk, toch een zeker “stedelijk” leven bestaan. Naarmate de Middeleeuwen vorderden, ging deze economische activiteit geleidelijk bergaf, om in de 9e eeuw een dieptepunt te bereiken. Pirenne wijdt deze achteruitgang aan de veroveringen van de Arabische volkeren en de verandering van de Middellandse Zee in een “lac musulman”. Dit zorgde voor een dieptepunt in de internationale handel. Hij merkt wel op dat dit niet voor de Lage Landen gold. Zij slaagden er immers in om onder de Karolingers handelsbetrekkingen met Noord-Europa aan te knopen. Voor de invallen van de Noormannen in de 9e eeuw was er in België bijvoorbeeld een bloeiende metaalindustrie(messing) in de Maasvallei en vond er internationale handel plaats vanuit kuststeden als Quentowic en Dorestad.
Vanaf de 9e eeuw luidden de Noormanneninvallen volgens Pirenne de “donkere”, agrarische en feodale middeleeuwen in. De steden liepen leeg, en de samenleving veranderde in een kastenmaatschappij. De vrije boeren veranderden één voor één in lijfeigenen, en de vroegere vorstelijke functionarissen werden feodale heren.[239] Een uitzondering hierop waren de steden met een bisschoppelijke zetel. Hierin vond nog een actieve, weliswaar zuiver huishoudelijke, economische activiteit plaats. Deze steden vormden overigens een soort mini-standenmaatschappij, waarin elk van de drie standen effectief de rol vervolde die in theorie van haar verwacht werd. Er bleef nog een klein aantal andere steden over, maar deze werden ingekaderd in de domaniale maatschappij[240]. In juridische termen bestonden ze niet.[241] Tijdens en na de Noormanneninvallen werden er echter stenen kastelen (castra) gebouwd, en aan de voeten van deze versterkingen zouden zich na de invallen nieuwe steden vormen.[242]
In de 11e eeuw kwam er een heropleving van handel en industrie, die gepaard ging met een sterke bevolkingstoename. Dit betekende het failliet van het oude systeem. Een groot aantal horigen verlieten als gevolg hiervan hun geboortegrond en begon een nieuw leven als rondtrekkende handelaars. Steden ontstonden opnieuw als een verzamelplaats van zwervende handelaars en handwerklieden. Pirenne wijst erop dat voor veel historici de aanwezigheid van een versterking en/of van een markt als een essentiële oorzaak beschouwden voor het ontstaan van de steden.[243] Hijzelf is hier niet echt mee akkoord, hoewel hij het er wel mee eens is dat er in de Middeleeuwse steden voor de markt een belangrijke rol is weggelegd. De castra speelden echter wel (in een aantal gevallen) een belangrijke rol in hun ontstaan.[244] Pirenne wijst erop dat er geen steden ontstonden in de omgeving van de belangrijke jaarmarkten, en dat de weekmarkten die later in vele steden gehouden werden geen lange traditie kenden. De Vlaamse vrijdagmarkten zijn bijvoorbeeld pas ontstaan tijdens de 11e eeuw, toen de meeste Vlaamse steden al vorm gekregen hadden. Hij geeft verder het voorbeeld van Brugge en Gent, die allebei grotendeels “vanzelf” ontstaan zijn op een commercieel interessante locatie. Volgens Pirenne vormen steden zich dus spontaan op gunstige locaties, vaak op dezelfde plaats als de vroegere Romeinse steden. De rol van de versterkingen en markten mag dus volgens Pirenne niet overschat worden. Het waren vooral de economische en demografische ontwikkelingen in de late tiende en elfde eeuw die de oorzaak waren van het ontstaan van de Middeleeuwse stad.
2.4.2) De Handelaars
Het ontstaan van de nieuwe steden was vooral het werk van de Middeleeuwse handelaars.[245] De handelaars als maatschappelijke groep zijn volgens Pirenne ontstaan onder de Karolingers. Ze zwierven toen heen en weer tussen de verschillende nederzettingen, en werden tegelijkertijd beschermd en uitgeperst door de vorst en de feodale heren, die hen bescherming en onderhoud van de wegen aanbood in ruil voor een bepaalde som gelds.[246] Buiten het handelsseizoen verbleven deze kooplieden op plaatsen (steden) waar men een zeker belang hechtte aan handel, of ze stichtten zelf een eigen gemeenschap. Op deze manier ontstond in bepaalde vestigingen een soort primitieve bourgeoisie, een soort voorloper van de latere stedelijke bevolking. Pirenne leidt dit af uit het feit dat de termen burgenses en mercatores als synoniemen gebruikt worden. Deze handelaars waren een enorm heterogene groep. Er bestond bijvoorbeeld geen strikt onderscheid tussen handwerker en handelaar. Het ging in feite meer om avonturiers dan om echte kooplieden.[247] Ze vormden bovendien slechts een vrij onbeduidend deel van de maatschappij.
Na de teloorgang van het centraal gezag door toedoen van de Noormanneninvallen konden de feodale heren de veiligheid van de handelaars en het onderhoud van de wegen niet langer garanderen. De verplichte “belasting” voor de handelaars bleef echter gehandhaafd. De handelaars ervoeren dit als onderdrukking, en begonnen zich te verenigen als bescherming tegen de feodale heren. Gilden waren één voorbeeld, maar niet het enige, van een dergelijke vereniging. Pirenne wijst er ook op dat het voor de handelaars moeilijk was om zich niet te verenigen, aangezien bijna alle handelsactiviteiten in groep gebeurden, bijvoorbeeld door het gebruik van handelskaravanen. Dergelijke associaties evolueerden na verloop van tijd tot een soort eigen specifieke samenleving.[248] Deze associaties van mercatores hadden geen invloed op het ontstaan van de steden op juridisch gebied, maar wel op sociaal vlak. Ze zorgden voor het eerst voor een soort van collectief bewustzijn onder de handelaars.
Vanwege de omzwervingen van vele handelaars en het lokale karakter van het feodale rechtssysteem, kwam er snel nood aan een algemeen recht voor handelaars, dat altijd en overal op elke handelaar toepasbaar zou zijn. Dit recht werd het jus mercatorum genoemd. Het zou later een sterke invloed hebben op het stedelijke recht. Omdat de handelaars nu theoretisch gezien onderworpen waren aan twee verschillende rechtssystemen (het feodale recht en het jus mercatorum), verloor het feodale recht zijn autoriteit over de handelaars. Het overblijvende jus mercatorum ontwikkelde zich, gezien het feit dat handelaars in plaats van continu rond te reizen zich in steden gingen vestigen, van een algemeen geldig handelaarsrecht tot een lokaal stadsrecht. In het nieuwe stedelijke recht dat zo geleidelijk aan ontstond werden echter ook elementen van het oude feodale recht geïncorporeerd. Het stadsrecht was in feite eerst en vooral een aanpassing van het oude Germaanse rechtssysteem aan de nieuwe economische en sociale situatie.
Tegelijk met het rechtssysteem zelf werd ook de procedure aangepast. De oude “barbaarse” methodes als het duel werden afgeschaft, en de gehele procedure werd een stuk rationeler gemaakt (wat niet hetzelfde is als “gerationaliseerd”).[249] Het essentiële karakter van dat nieuwe rechtssysteem, en dus van de nieuwe maatschappijvorm, was volgens Pirenne de vrede.[250] In tegenstelling tot de adel was het voor de handelaars voordelig om in een stabiele politieke toestand te verkeren en over veilige wegen te kunnen beschikken. Pirenne merkt verder op dat deze pax civitatum niets te maken heeft met de godsvrede (pax dei) die rond dezelfde tijd afgekondigd werd.
2.4.3) De Omverwerping van het heerlijk Gezag
Pirenne gebruikt deze juridische vaststellingen als basis voor een analyse voor de strijd tussen de nieuwe stedelijke bevolking en hun heer. De interesses van deze twee partijen gingen steeds meer van elkaar verschillen, wat weerspiegeld werd in de juridische ontwikkeling, en een conflict was onvermijdelijk. In de elfde en twaalfde eeuw vond er kortom een strijd plaats tussen het oude en het nieuwe recht, waarbij dat laatste de overwinning behaalde en de burgers de ambtenaren (ministeriales) van de heer opzij zetten en hun eigen rechtsorganen creëerden. Net als bij Weber is volgens Pirenne het bestaan van een vereniging van burgers een essentiële voorwaarde om hierin te slagen.
Door het feit dat de stedelingen zich (langzamerhand) aan het afsnijden waren van het feodaal recht, stonden ze niet langer onder de bescherming van de heer. De handelaars waren dus verplicht om zich te organiseren met het oog op hun verdediging, zowel op juridisch (het oprichten en uitwerken van een eigen rechtssysteem) als op materiaal vlak ( het bouwen van een stadsmuur). Deze twee factoren smolten na verloop van tijd samen, en de stadsmuur ging als territoriale grens van het stadsrecht fungeren. Hierdoor ontstond er een sterk samenhorigheidsgevoel tussen de stedelingen onderling. De definitieve afwerping van het heerlijk gezag had echter nog een bijkomende factor nodig: het oprichten van een gezworen vereniging: een coniuratio. Hoewel dit verschijnsel in Pirennes redenering niet zo essentieel is als in Webers betoog, erkent ook Pirenne dit als een belangrijke oorzaak voor het ontstaan van de Middeleeuwse stad als gemeenschap.
Net als Weber merkt ook Pirenne op dat deze toestand vaak een gewelddadige revolutie met zich meebracht, en dat de coniuratio bij deze revolutie vaak samenspande met de vorst of de keizer.[251] In Vlaanderen deed de opstand van de stedelingen zich voor na de moord op Karel de Goede.[252] Pirenne merkt verder op dat de revolutie in bisschopssteden vaak moeilijker en gewelddadiger verliep dan in lekensteden. Als reden hiervoor haalt hij de grotere verbondenheid van de clerus met de stad aan. Een abdij of klooster was bijvoorbeeld vaak midden in de stad gesitueerd, terwijl dat voor een burcht zelden het geval was.[253] De feodale heren hadden, in tegenstelling tot de clerus, ook vaak zelf een economisch belang bij het ontstaan van de stad. Dit wordt geïllustreerd door de stichting van de vele villes neuves op bevel van de heer tijdens deze periode.[254]
De nieuwe stadsgemeenschap werd bestuurd door een nieuwe administratieve instelling die ontstond vanaf de tweede helft van de elfde eeuw: het schepencollege. Daarnaast bestond er in een aantal gevallen (Pirenne noemt Dinant, Luik, Saint-Quentin, Verdun en Metz) een municipale raad van gezworenen. Deze raad was volledig in handen van de bourgeoisie. In het schepencollege echter deelde de burgerij haar invloed met de heer.[255] Hierdoor ontstonden er vanzelfsprekend vaak conflicten tussen deze twee raden. Pirenne legt er nog eens de nadruk op dat geen van deze beide instellingen ontstaan zijn uit de gilden, noch uit de rurale associaties. Na verloop van tijd werden er buiten het schepencollege nog andere administratieve functies gecreëerd, bijvoorbeeld die van belastingsinspecteur en de stadsklerk. Daarnaast werden ook de bevoegdheden van het stadsbestuur stilaan uitgebreid naar een gedeelte (maar niet het geheel) van de wetgeving en de handhaving van de openbare orde.[256] Deze laatste bevoegdheid beperkte zich evenwel tot de orde tussen stedelingen onderling, en de wetgeving was vooral gericht op de handel en nijverheid. Van een “staat” is hier nog niet echt sprake.
Na de definitieve vestiging van de nieuwe stedelijke maatschappij werd, wat Pirenne de “bourgeosie” noemt (de stedelingen) geleidelijk aan heterogener (echter enkel op sociaal vlak. Zuiver juridisch gezien bleven ze elkaars gelijken). Terwijl ze in de beginperiode van de stedelijke ontwikkeling enkel bestond uit handelaars en in een iets mindere mate uit handwerklieden, traden er na verloop van tijd ook boeren, ministeriales (heerlijke ambtenaren) en in sommige gevallen zelfs ridders toe tot de stedelijke bevolking.[257] Pirenne vat het resultaat van deze ontwikkeling samen met de zin “le citoyen existe par la ville, et pas, comme dans l’Antiquité, la ville par le citoyen”.[258] Hiermee beweert hij het tegengestelde als Max Weber, die op dit punt een grote gelijkenis zag tussen de Middeleeuwse stad en de Antieke polis.[259]
2.4.4) De Steden onder de Regering van de Bourgeoisie
Pirenne geeft drie juridische voorwaarden waaraan iemand moest voldoen om als “burger” door het leven te kunnen gaan. Men moest ten eerste binnen de stadsmuren wonen, ten tweede tot de stedelijke commune of samenleving behoren, en ten derde, en dit is volgens Pirenne zeer belangrijk, men moest eigenaar zijn van een stuk grond dat zich binnen de stad bevond. De reden hiervoor is eenvoudig. Alleen wie in staat was een stuk grond te kopen, kon ook in staat zijn een regelmatige bijdrage te leveren aan de belastingen die nodig waren voor de organisatie van de stad. Alleen zij waren ook in staat de boetes te betalen die door de stedelijke wetgeving opgelegd werden. De invloed van financieel kapitaal was dus uitermate belangrijk. Geld (en dus bijdrage aan de stedelijke financiën) werd synoniem met invloed en macht. Pirenne leidt hieruit af dat er een soort stedelijke aristocratie moet ontstaan zijn, die er uiteindelijk in slaagde het bestuur van de stad te monopoliseren . In feite beschrijft Pirenne hier dus dezelfde “patriciërsstad” (Hoofdstuk vijf van Les anciennes Démocraties des Pays-Bas heeft als titel: “Les Villes sous le Gouvernement des Patriciens”[260]) als die waarover Weber het heeft.
De stedelijke samenleving van de elfde en twaalfde eeuw bestond volgens Pirenne uit drie klassen: Ten eerste een “patriciaat”, een soort hoge burgerij. Hiernaast waren er de kleine zelfstandigen (de lage burgerij) en de loonarbeiders (voor wie Pirenne bij momenten de term “proletariaat” gebruikt[261]). De gilden gingen na verloop van tijd als instrument voor het behoud van de macht van het patriciaat fungeren.[262] Een belangrijke factor voor de groei van die macht was de instelling van de jaarlijkse herverkiezing van de schepenbank.[263] Hierdoor hadden alle patriciërs de mogelijkheid om elk op hun beurt de macht uit te oefenen (in plaats van elkaar te beconcurreren zoals het geval was toen de schepenen nog levenslang aangesteld werden), en slaagden de patriciërsfamilies erin de rangen te sluiten en hun macht te bestendigen.
Net als Weber maakt Pirenne een vergelijking tussen de Antieke polis en de Middeleeuwse stad.[264] Hij komt bovendien tot min of meer dezelfde conclusie als zijn Duitse tijdgenoot. Ook Pirenne beschouwde de Middeleeuwse stad als vooral een economisch verschijnsel, en de Klassieke stad als meer politiek en religieus getint.
Het economisch karakter van de Middeleeuwse stad werd nog versterkt door het feit dat, vanwege de grote aantallen handelaars en ambachtslieden in de stad, ook de boeren die in de omgeving van de stad wonen mee betrokken worden in het economisch proces. Door het feit dat handelaars en handwerklieden niet zelf in hun levensonderhoud voorzagen, waren ze verplicht om handel te drijven met de boeren. Die boeren worden daardoor gedwongen van hun huishoudeconomie af te stappen en overschotten te produceren die ze konden verkopen aan de stedelingen. Op deze manier wordt de geldeconomie ook op het platteland geïntroduceerd.
Dit betekende een grote stap in de richting van de moderne economie en samenleving. Er is echter ook een groot verschil tussen de Middeleeuwse en de moderne, liberale vorm van economie. Door het feit dat de stedelingen enorm afhankelijk waren van de voedselproductie van het platteland, vaardigden ze allerlei regels uit die deze aanvoer van levensmiddelen moesten veilig stellen. Boeren werden verplicht een vooraf bepaalde precieze hoeveelheid te produceren, kunstmatige prijsstijgingen werden met alle middelen tegengehouden, het was verboden om buiten de stedelijke markt voedsel te verkopen,…
Dezelfde protectionistische maatregelen waaraan de boeren onderhevig waren, golden mutatis mutandis ook voor de ambachtslieden. Pirenne ziet hier evenwel twee uitzonderingen: de Vlaamse lakenindustrie en de metaalindustrie in de Maasvallei. Deze twee takken vertoonden volgens Pirenne een aantal onmiskenbare kapitalistische trekken, zoals bijvoorbeeld de vervreemding van de arbeider met zijn product en cliënteel en het ontstaan van een soort “kapitalisten” die als tussenpersoon tussen producent en consument fungeerden. Pirenne gebruikt ook consequent de term “proletariaat” om de arbeiders in deze sectoren aan te duiden.[265]
2.4.5) Le Soulèvement du Commun
In de loop van de twaalfde eeuw werd het patriciaat steeds machtiger, en als gevolg daarvan volgens Pirenne ook steeds arroganter.[266] Als gevolg hiervan kwam er vanaf het einde van de twaalfde en de eerste helft van de dertiende eeuw protest vanwege de lagere klassen, en vooral vanwege de verenigingen van handwerklieden: de ambachten. De verschillende ambachten verenigden zich uiteindelijk in één grote vereniging, en wierpen de heerschappij van het patriciaat van zich af op dezelfde manier waarop de burgerij ongeveer twee eeuwen voordien de heer had afgezet. Pirenne wijst ook op de rol van de nieuwe religieuze bewegingen van de twaalfde eeuw, die meer aandacht vroegen voor de lagere klassen.[267] De eerste democratische revoluties kwamen er uiteindelijk op het einde van de dertiende en het begin van de veertiende eeuw. Pirenne geeft het voorbeeld van de steden in het prinsbisdom Luik, waar de revolutie, na een groot aantal mislukte pogingen op het einde van de dertiende eeuw, uiteindelijk succes kende in het begin van de veertiende eeuw. Voor Vlaanderen geeft Pirenne het voorbeeld van de situatie rond de Guldensporenslag. De ambachten, onder leiding van de graaf van Vlaanderen, kwamen hierbij in opstand tegen het stedelijke patriciaat, dat een alliantie had gesloten met de Franse koning Filips de Schone. De Brugse Metten waren het eerste voorbeeld van een dergelijke stedelijke revolutie en gaven het startsein voor andere omwentelingen in andere Vlaamse en nadien ook Luikse steden. Na een aantal jaren van militaire schermutselingen slaagden de ambachten erin om definitief de macht te grijpen in de Vlaamse steden.
De sociale condities van de lagere klassen verbeterden echter niet onder de regering van de ambachten. De grote gezworen vereniging waartoe alle ambachten behoorden, en die tot doel had de macht van de hoge burgerij over te nemen, bestond toen niet meer. In plaats daarvan probeerden de verschillende ambachten onderling elk zoveel mogelijk hun eigen belangen te dienen, wat resulteerde in een scherpe concurrentiestrijd[268] en een aantal protectionistische maatregelen die het algemeen belang niet ten goede kwamen.[269] De levensomstandigheden op het platteland verslechterden zelfs nog omdat de stedelingen nu, nog meer dan onder de heerschappij van de hoge burgerij, enkel en alleen uit zelfbelang handelden, en geen rekening hielden met de problemen van de landbouwers. Een ander gevolg van deze nadruk op eigenbelang was ook dat er nu meer conflicten ontstonden tussen de verschillende steden onderling.
Net als Weber besluit ook Pirenne zijn verhandeling met de vaststelling dat de autonome steden uiteindelijk plaats moesten ruimen voor de grote nationale staten.[270]
2.5) De Relatie tussen het Werk van Henri Pirenne en Max Weber
Pirenne geeft in het begin van l’Origine des Constitutions urbaines au Moyen Age een overzicht van de Duitse geschiedschrijving in verband met het ontstaan in West-Europa. Hij doet dat vooral omdat hij opgemerkt heeft dat deze Duitse auteurs in Franrkijk nauwelijks gekend zijn en niet gelezen worden.
De allereerste vorm van vroege Middeleeuwse stadsgeschiedenis kwam er in de eerste helft van de negentiende eeuw. Men ging er toen van uit dat er op alle vlakken een continuïteit was tussen de Romeinse Vroeg-Middeleeuwse steden. Dit was het gevolg van een verkeerd interpreteren, voornamelijk door Romanisten, van de vroegmiddeleeuwse teksten, waarin dezelfde juridische en administratieve termen voorkomen als tijdens het Romeinse Rijk.
De eerste historicus die een basiswerk over dit onderwerp schreef was Wilhelm Arnold in 1854.[271] Zijn studie beperkte zich tot de bisschopsteden (Freistädte). Arnold beschrijft de stad als een smeltkroes van vrijen en onvrijen. Hij identificeert de vrijen met de term burgenses. Na verloop van tijd slaagden ook de onvrijen er in deze titel te bemachtigen. Op deze manier ontstond er volgens Arnold een soort stedelijke bevolking. Toen de bisschoppen zich in de elfde eeuw tegen het wereldlijk gezag verzetten, grepen de stedelingen deze kans aan om samen te spannen met de heer waartegen de bisschop zich verzette, en de macht van de clerus over te nemen. Dit betekende volgens Arnold het ontstaan van de eerste burgerlijke instituties.[272] Arnold spreekt hier over een Rath, samengesteld uit burgers en ministeriales van de heer. De inwoners van de stad werden nu voor het eerst echt burgers, onderworpen aan een gemeenschappelijke stedelijke wetgeving.
Karl Wilhelm Nitzsch[273] verkondigde een standpunt dat diametraal tegenover dat van Arnold staat. Nitzsch ging veel meer dan Arnold uit van een sociale analyse. Volgens hem werden de steden in Noord-West-Europa oorspronkelijk bestuurd door ministeriales. Deze dienaren van de heer bestonden uit twee verschillende groepen: de officiales (ambtenaren) en de milites (krijgers). Deze twee groepen groeiden geleidelijk uit elkaar, om in de dertiende eeuw definitief van elkaar gescheiden te worden. De milites werden een soort oorlogsklasse, en de officiales een stadspatriciaat. De voornaamste verdienste van Nitzsch is volgens Pirenne dat hij de rol van de gilde op een juiste manier zag, namelijk als een puur uit economische redenen ontstane vereniging zonder al te veel politiek belang.[274]
Arnold en Nitzsch zorgden voor twee tegengestelde “scholen” in Duitsland. in de negentiende eeuw.[275] Volgens Nitzsch was de stad ontstaan als een verdere ontwikkeling van het feodale systeem (het zogenaamde Hofrecht). Volgens Arnold daarentegen was de stad gegroeid uit de markt (het Marktrecht). De discussie tussen Marktrecht en Hofrecht (en dus vooral tussen de rol van de markt en die van de burcht) zou de geschiedschrijving over de middeleeuwse stad decennia lang gaan overheersen.
Naast de theorieën van Nitzsch en Arnold. bestonden er nog andere en minder bekende werken. Pirenne noemt deze de Germanistische systemen. Het belangrijkste daarvan is dat van Wilhelm Eduard Wilda.[276] Wilda verklaarde het ontstaan van de stedelijke structuren als een evolutie uit de beschermgilden (schutzgilden). Hij had ook veel aandacht voor de coniurationes, die hij voor een groot stuk identificeerde met de schutzgilden. Hij veronderstelde het bestaan van een soort primitieve beroepsoverkoepelende gilde. Deze veronderstelling werd later weerlegd door Karl Hegel.[277] Wilda’s ideeën vonden volgens Pirenne vooral navolging in Frankrijk en Engeland.[278] In Duitsland duurde het veel langer voor ze bekend werden. De eerste Duitse historicus die erop verder bouwde was Otto von Gierke.[279] Gierke combineerde de belangrijke rol van de gilde van Wilda met de theorie van Arnold. Hij legde vooral heel veel nadruk op het bestaan van “vrije vereniging”.[280]
Georg Ludwig von Maurer [281] bracht een aantal nieuwe factoren in de stadsvorming naar voor. De stedelijke structuren waren volgens von Maurer ontstaan uit de markt. De stad was volgens hem een verdere evolutie van de vroegmiddeleeuwse dorpen, die georganiseerd waren rond hun markt. De stedelijke ambtenaren (schepenen en burgemeester) waren dan ontstaan uit de supervisors van de economische activiteit: de Marktvorsteher.[282]. Het grote probleem bij von Maurer is dat de steden die uit deze dorpen geëvolueerd zijn, alleen in naam steden zijn. Ze worden volgens Pirenne niet gekenmerkt door de typische stedelijke structuren zoals die in de late Middeleeuwen voorkomen.
Von Maurers theorie werd gedeeltelijk overgenomen en herwerkt door Georg von Below.[283] Volgens von Below was de stedelijke schepenbank gegroeid uit het rurale rechtssysteem; het Burding (letterlijk: “rechtbank van boeren”). De oorspronkelijke stedelijke bevolking bestond dan volgens von Below niet uit handelaars, maar uit landeigenaars.Volgens Pirenne legt von Below ook heel sterk de nadruk op de stad als leefgemeenschap, als Gemeinde, die een verdere evolutie van de pre-stedelijke Landgemeinde was.[284]
Rudolph Sohm[285] voert het ontstaan van de steden terug op één enkele kwestie uit het Germaanse recht: het Weichbild. Dit was een voorstelling van de vorst die op het dorpsplein werd opgesteld als er een markt plaatsvond, om duidelijk te maken dat dit gebied onder de wetgeving van de vorst valt. Sohm leidt vanuit dit rechtsprincipe het ontstaan van een specifieke stedelijke wet af.[286]
Siegfried Rietschel was de eerste die het dualistische beeld van de stad die gebaseerd was op markt en versterking introduceerde. Ook hij had een grote invloed op Pirenne.[287]
Het is duidelijk dat men in deze theorieën heel veel elementen uit Webers Die Stadt kan terugvinden: het belang dat Weber aan de markt hecht, doet aan von Maurer denken, zijn visie op de stad als gemeenschap stemt sterk overeen met de visie van von Gierke en von Below, en de visie op de stad als fusie tussen markt en versterking gaat terug op Rietschel.
Het grote verschil tussen Weber en Pirenne is het belang dat Weber hecht aan de markt en burcht voor het ontstaan van de Middeleeuwse steden. De oorzaak hiervan is dat Weber zich voor Die Stadt in hoofdzaak toegespitst heeft op de Duitse geschiedschrijving, waarin de discussie tussen Hofrecht (met een belangrijke rol voor de versterking) en Marktrecht enorm belangrijk was. In de Franstalige stadsgeschiedenis was dit minder belangrijk, en het is dus logisch dat Pirenne minder aandacht schenkt aan markt en burcht.[288]
Er is bovendien een brief bewaard van Weber aan Georg von Below[289] uit 1914 (dus nadat Weber zijn stadskapittel geschreven had) waarin eerstgenoemde zijn bewondering uitspreekt voor von Belows werk, en waarin Weber toegeeft dat ook hij ooit een aanhanger van het Hofrecht is geweest. Hij heeft het verder over zijn plannen in verband met Die Stadt. Zijn voornaamste bedoeling was de Middeleeuwse stad te vergelijken met steden uit andere periodes en culturen, met als doel erachter te komen wat de Middeleeuwse stad zo specifiek maakt.[290]
Volgens Reinmar Schott is Weber inderdaad beïnvloed door Von Below en Gierke, en bovendien ook door de economen Karl Bücher en Werner Sombart.[291] Voor het geval van Bücher vestigt Schott de aandacht op diens historische driedeling Hauswirtschaft-Stadtwirtschaft-Volkswirtschaft die in Webers werk zou voortleven.[292] Werner Sombart heeft net als Weber een economische definitie van de stad ontwikkeld, met “Weberiaanse” onderverdelingen als producentensteden en consumentensteden.[293] Ook Moses finley wijst op het belang van Sombart en Bücher voor Webers Die Stadt.[294]
Dit verband tussen Weber en de historici van zijn tijd is vrij vanzelfsprekend als men Webers stadskapittel plaatst in zijn algemene probleemstelling, namelijk de beschrijving en de verklaring van de specifieke Westerse rationaliteit. De Middeleeuwse stad vertegenwoordigt hier een bepaalde fase van, en het is logisch dat Weber zich voor dit hoofdstuk baseerde op de stand van de geschiedschrijving in zijn tijd. De verdienste van Weber is dat hij deze periode in de geschiedenis inkadert in de algemene maatschappelijke rationalisering (en de democratisering en bureaucratisering die daarmee gepaard gaat). Met een sociologische indeling van steden in bepaalde ideaaltypen heeft Die Stadt met andere woorden niet veel te maken. De zogenaamde typologische onderverdelingen in Die Stadt zijn niet meer dan een beschrijving van verschillende historische fasen, en van de verschillende visies (bijvoorbeeld de discussie over de stad als consument of producent, en als gemeenschap van handelaars of van boeren) van de stadshistorici van zijn tijd.
3) François-Louis Ganshof [295]
3.1) Leven
François-Louis Ganshof werd geboren op 14 maart 1895 in Brugge. Zijn vader was een zeer gerenommeerd advocaat, en zijn moeder de dochter van een advocaat en lid van de beroemde en voor België historisch belangrijke familie Van der Meersch.[296] In 1913 begon hij zijn universitaire studies die hij, na een onderbreking vanwege de Eerste Wereldoorlog, afrondde in 1921 en 1922, toen hij respectievelijk doctor in de Letteren & Wijsbegeerte en in de Rechten werd. Vermeldenswaardig is ook dat hij aanwezig was op de conferentie van Versailles (net als Max Weber) als geografisch specialist. Ook zijn eerste publicaties situeerden zich in dit vakgebied.[297]
Na een jaar van studie in Frankrijk (evenals Pirenne) werd hij in 1923 benoemd tot hoogleraar aan de RUG. Hij had zijn aanstelling vooral te danken aan de Nolf-Wet.[298] Als gevolg van de groeiende vraag naar een Nederlandstalige universiteit, bepaalde deze wet dat er twee mogelijkheden moesten zijn om aan de RUG te studeren: ofwel met een systeem waarbij tweederde van de lessen in het Nederlands gegeven werd, ofwel tweederde in het Frans. In de praktijk kwam het erop neer dat één derde van de lessen zowel in het Frans als in het Nederlands gegeven werd, wat dus een gevoelige toename van het Nederlandstalige docentenaantal vereiste. Ze zou van kracht zijn van 1923 tot de definitieve “vernederlandsing” in 1930. Ook Hans Van Werveke profiteerde van deze regeling.[299]
Naarmate de invloed van Henri Pirenne afnam, groeide die van Ganshof. In 1929 werd hij buitengewoon hoogleraar, en in 1932 gewoon hoogleraar. Zijn academische carrière kende een groot succes. Op het einde ervan had hij 13 eredoctoraten verzameld, waarvan niet toevallig tien aan Franse universiteiten.[300] Positivisme en een sterke nadruk op de bronnen, en dan vooral de juridische bronnen (de specialiteit van Ganshof), werden daar nu eenmaal sterk geapprecieerd. Hij werd algemeen beschouwd als de opvolger van Henri Pirenne. In zeven van de vijftien instellingen waar Pirenne een eredoctoraat kreeg, viel ook Ganshof die eer te beurt.[301] Hiernaast was hij nog laureaat van een aanzienlijk aantal nationale en internationale onderscheidingen en was hij van 1953 tot 1968 voorzitter van de Koninklijke Commissie voor het uitgeven van de oude Wetten en Verordeningen in België. Op het einde van het academiejaar 1959-1960 werd hij ontlast van zijn docentschap. Hij overleed op 21 oktober 1980, en liet een zoon en drie dochters achter. Eén van hen, Françoise, zelf historica, is getrouwd met de Leuvense geschiedkundige Philippe Godding.
3.2) Werk
Ganshofs oeuvre is bijna volledig toegespitst op de rechts- en instellingengeschiedenis van de achtste tot de dertiende eeuw. Ook schijnbare uitzonderingen, zoals zijn doctoraatsthesis, een studie over de ministerialen in het Karolingische Rijk, concentreren zich bij nader onderzoek zeer sterk op het juridische en institutionele aspect.
Ganshofs internationale faam is grotendeels terug te brengen op één boek: Qu’est-ce que c’est la Féodalité?. De eerste druk ervan verscheen in 1944, en sindsdien zijn er niet minder dan 19 vertalingen en herdrukken van verschenen.[302] Dit boek zorgde, samen met onder andere de werken van Bloch, Génicot, Didier,…voor wat men de klassieke visie op de feodaliteit kan noemen.[303] Hoewel bijvoorbeeld Ganshof en Bloch op het eerste gezicht elkaars antipoden zijn, blijken er immers toch een aantal punten te zijn die gemeenschappelijk zijn aan al deze auteurs. [304]
Ten eerste zijn ze allebei van mening dat de feodaliteit hét kenmerk is van de Hoge Middeleeuwen, zodat men van een echte ‘feodale maatschappij’ kan spreken. Ten tweede stellen zij dat het hoogtepunt van deze feodale samenleving terug te vinden is in diezelfde Hoge Middeleeuwen, en dat de feodaliteit zowel tijdens de Karolingische periode als tijdens de veertiende eeuw van minder belang was. Het ontstaan van het feodalisme werd daarnaast ook gezien als de oorzaak van de teloorgang van de Karolingische maatschappij.
De grote verdienste van Qu’est-ce que c’est la Féodalité ? is te vinden in Ganshofs duidelijke en systematische aanpak, de overzichtelijke ontleding van het feodale begrippenapparaat, en zijn heldere visie op de institutionele aspecten[305]. Hij beperkte zich echter -zeer bewust[306]- tot de juridische en institutionele aspecten, en liet de meer sociaal-economisch gerichte aanpak over aan historici als Marc Bloch. Dat betekent overigens niet dat hij zich niet voor Blochs aanpak interesseerde. Ganshof maakte een zeer strikt onderscheid tussen wat hij publiceerde en wat hem interesseerde.[307] Het feit dat hij enkel over rechts- en institutionele geschiedenis publiceerde, wil niet noodzakelijk zeggen dat hij van mening was dat deze aanpak ook de beste of de enige was.
Ganshof was een Belgisch, maar ook en vooral een Vlaams patriot.[308] Hij schreef dan ook enkele belangrijke werken over de geschiedenis van het graafschap Vlaanderen. Voorbeelden zijn: La Flandre sous les premiers comtes en Recherches sur les tribunaux de châtellenie en Flandre.
Het derde belangrijke punt in Ganshofs werk is de Karolingische maatschappij. Na de Tweede Wereldoorlog hield hij zich bijna uitsluitend met dit onderwerp bezig.[309] De voornaamste reden waarom dit zijn specialisatie werd, is dat hij in deze problematiek de oorsprong van de latere Middeleeuwse instellingen terugvond. Hoewel hij hier nooit een synthese over schreef, is er toch een algemene onderliggende gedachte in zijn werk aanwezig. Voor Ganshof bezat de Karolingische staat slechts een geringe autoriteit, en waren de middelen waar deze van gebruik maakte om haar gezag op te dringen, de instellingen dus, niet erg belangrijk voor de onderdanen van de Karolingers, maar wel voor hun invloed op de latere instituties. Deze conclusie is zeer logisch als men rekening houdt met Ganshofs uitganspunt. Zijn belangrijkste verwezenlijking in dit opzicht is Wat waren de Capitularia ?
3.3) Ganshofs Middeleeuwse Stad
Ganshof maakt in Over Stadsontwikkeling tusschen Loire en Rijn vooral een analyse van de stad als territoriaal verschijnsel. Hij vermeldt expliciet dat hij niet voor een urbanistische, aardrijkskundige of sociologische aanpak kiest.
Ganshof volgt in het overgrote deel van Over Stadsontwikkeling tussen Loire en Rijn de lijn van Pirenne. Hij gaat ervan uit dat het stedelijke leven in Noord-West Europa na de Romeinse periode bijna onbestaande was, vooral sinds de invallen van de derde eeuw. Na de Germaanse volksverhuizingen slaagden enkele steden erin om opnieuw een zekere bloeiperiode te kennen. Sommigen werden de residentie van de nieuwe machthebbers en velen bleven hun versterkte karakter behouden.[310] Deze nederzettingen fungeerden volgens Ganshof soms (maar lang niet altijd) als een soort van pre-stedelijke kernen.[311] Dit gebeurde wel bijna uitsluitend in Zuid-Europa. In het Noorden was dit veel minder het geval, omdat er gewoonweg te weinig Romeinse nederzettingen van enig belang bestonden. In deze streken werd de rol van pre-stedelijke kern meestal vervuld door een nieuw gestichte burcht of abdij of een bischoppelijke nederzetting.[312]
Vanaf de negende eeuw ontstonden er in de Lage Landen las gevolg van de handel met Friesland en Scandinavië een aantal handelsnederzettingen (portus). Ze werden grotendeels verwoest gedurende de Noormanneninvallen, en vanaf de economische en demografische heropleving gedurende de tiende en elfde eeuw ontstonden er nieuwe nederzettingen. Net als een paar eeuwen voordien vestigden handelaars zich in de buurt van een versterking of abdij, en zorgden vanuit deze nederzetting voor de dynamiek die tot de latere steden zou leiden.[313] Ganshof bespreekt uitgebreid een groot aantal voorbeelden, en heeft vooral aandacht voor de plaats van de nederzetting van handelaars ten opzichte van de dichtstbijzijnde burcht of abdij.[314]
Ganshof bespreekt verder de rol van de stadsomwalling. Volgens hem is het feit dat er een omwalling wordt gebouwd rond de handelsnederzetting (naast de reeds aanwezige versterking van de abdij of burcht) een teken dat de verstedelijking zich in een vergevorderd stadium bevindt. In Namen en Keulen vond dit al in de tiende eeuw plaats, in de meeste Vlaamse steden in de elfde, en in het grootste aantal Duitse, Franse en Brabantse steden in de twaalfde eeuw.[315]
Ganshof gebruikt dezelfde techniek om de verdere uitbreiding van de stad te analyseren. Het feit dat in een groot aantal steden na verloop van tijd een tweede omwalling werd gebouwd, duidt er op dat de stad een sterke bevolkingstoename heeft gekend en dat de “gewone stedelingen” een stem kregen in het bestuur van de stad. Het patriciaat, dat meestal in de kernstad woonde, had er immers baat bij om de lagere burgerij ook fysiek van het stadsbestuur weg te houden. De bouw van een tweede omwalling duidt erop dat het stadsbestuur ook de buitenwijken, of met andere woorden de lagere klassen, belangrijk genoeg vond om te beschermen. In de Nederlanden gebeurde dit in de tweede helft van de dertiende en de eerste helft van de veertiende eeuw.[316]
Ganshof breidt met andere woorden de theorie van Pirenne (en ook van Weber) uit met een extra bewijs. In het kort kan men dit op deze manier samenvatten: tijdens de regering van de heer bestond de stedelijke nederzetting uit een versterkte vestiging, met in de buurt een handelsnederzetting zonder omwalling. Na de m