Clio en de Menswetenschappen: Max Webers 'Die Stadt' en de Gentse Historische School. (Anton Froeyman)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

I. Algemene Context en Analyse van Die Stadt

 

1) Een Geschiedenis van Clio: De Ontwikkeling van de Mediëvistiek

 

1.1) Het Ontstaan van de Geschiedschrijving

 

De moderne notie “geschiedschrijving” zoals we die vandaag kennen en gebruiken is ontstaan in de tweede helft van de 18e eeuw, als product van de Verlichting. Voordien was er geen maatschappelijk draagvlak voor een dergelijk concept. De maatschappij werd immers beheerst door een cyclisch wereldbeeld, waarin noch het verleden noch de toekomst echt als relevant werden gezien. In deze wereldbeschouwing volgden generaties en koninkrijken elkaar wel op, ze bloeiden en stierven, maar er was geen reële vooruitgang of achteruitgang. De maatschappij an sich veranderde niet. Verklarende geschiedschrijving zoals we die nu kennen, waarbij men grofweg gezegd de oorzaak zoekt van een bepaalde maatschappelijke verandering, had bijgevolg geen nut.

 

Het ontstaan van het vooruitgangsoptimisme in de 18e eeuw bracht hier verandering in. Men raakte ervan overtuigd dat wezenlijke veranderingen in de geschiedenis mogelijk waren. De Verlichting zelf vormde immers een essentiële breuk met de Middeleeuwen en werd ook als dusdanig beschouwd. Hierdoor werd het opeens relevant om de totstandkoming van deze nieuwe maatschappij te verklaren. Op deze manier werd de moderne, verklarende geschiedschrijving geboren.[3] Hierin was een belangrijke rol weggelegd voor de universiteit van Göttingen. In deze instelling werd voor het eerst aan geschiedschrijving gedaan met zowel een tekstkritische (in de lijn van de Bollandisten) als een holistische benadering (in de lijn van de grote narratieve geschiedschrijvers als Herodotos). Het was hier dat geschiedenis ontstond als wetenschap en ophield een literair genre te zijn.[4] Het studie-object van deze nieuwe geschiedschrijving was vrij divers (men deed onder andere aan sociaal-economische geschiedenis), maar de methodologie bleef vrij primitief, en historische kritiek werd niet of nauwelijks gebruikt.

 

Alain Guerreau legt voor deze periode in het bijzonder de nadruk op het plotse verdwijnen[5] van twee begrippen/concepten die een centrale rol speelden in het wereldbeeld van het ancien régime: het dominium en de ecclesia.

 

Het begrip dominium wordt door Guerreau gebruikt als een brede interpretatie van de feodaliteit, met name de notie dat bezit van land en macht over individuen parallel lopen. Macht kon voorkomen onder verschillende vormen en in verschillende omstandigheden, maar het principe van het dominium bleef toch altijd aanwezig. Een idee als privé-bezit was voor de mensen die in deze situatie leefden bijgevolg ondenkbaar.

 

Met ecclesia bedoelt Guerreau de aanwezigheid en de dominantie van de Kerk in alle lagen en aspecten van de maatschappij. Zowel kunst, filosofie, literatuur als het sociale leven werden tijdens de Middeleeuwen en in de Vroegmoderne Tijden door de Kerk gecontroleerd. Een rol in de maatschappij vervullen stond dus gelijk aan een rol vervullen in de Kerk.

 

Aangezien het wereldbeeld van de denkers uit het Ancien Régime gebaseerd was op deze twee vooronderstellingen, verschilt hun werk radicaal van de hedendaagse historiografie, en kan men hen niet als geschiedschrijvers beschouwen. Thomas van Aquino en Jean-Jacques Rousseau waren dus geen collega’s.[6]

 

Deze twee begrippen werden in de 18e eeuw overboord gegooid, en vervangen door een nieuw wereldbeeld. Twee teksten speelden hierin een cruciale rol.[7] Ten eerste was er de Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations van Adam Smith, dat de geboorte van niet alleen de wetenschap, maar ook het begrip economie inluidde, en daarmee ook de notie “eigendom” zoals we die vandaag kennen. Het tweede scharnierpunt is het contrat social van Rousseau, dat volgens Guerreau het leven gaf aan de begrippen “politiek” en “godsdienst”.

 

De pejoratieve conceptie van de Middeleeuwen die tijdens de Verlichting is ontstaan, leidde, tenminste voor wat de mediëvistiek betreft, tot de “paradox van de historicus”. De geschiedschrijver, en in het bijzonder de mediëvist, bestudeert een maatschappij die door zijn tijdsgeest verworpen wordt.[8] Voor de Klassieke geschiedschrijving was dit niet het geval. Zij floreerde dan ook, en het was vanuit haar midden dat het voor die tijd revolutionaire concept van wat men in het Duits Historismus noemt, is ontstaan.Dit begrip zorgde ervoor dat men de geschiedenis vanaf toen niet louter als een reeks opeenvolgende gebeurtenissen ging beschouwen, maar als een soort estafette van verschillende beschavingen en maatschappijen, met elk een eigen en onafhankelijk waardensysteem en een specifieke tijdsgeest.[9]

 

1.2) De negentiende Eeuw

 

De Katholieke Kerk zag dit alles met lede ogen aan. De geboorte van het begrip “religie” impliceerde immers dat het Christendom van dan af niet meer dan een godsdienst was, en niet langer een allesomvattend maatschappijbeeld zoals tijdens het Ancien Régime. De Christelijke gemeenschap reageerde dan ook op de nieuwe vorm die de geschiedschrijving had aangenomen. Ze spitste haar aandacht volledig toe op de Middeleeuwen als klerikale maatschappij. In tegenstelling tot bij de verlichte visie bestudeerde ze de Middeleeuwse maatschappij omwille van haarzelf, en niet om de huidige samenleving te verklaren. Mediëvistiek werd hierdoor bijna een synoniem voor kerkgeschiedenis. Novalis en Chateaubriand waren de belangrijkste auteurs.[10] Guerreau noemt deze manier van geschiedschrijving Neochristianisme.[11] Op deze manier werden de Middeleeuwen bekend en populair bij het grote Christelijke publiek. De Romantiek, die op dat moment zeer populair was, vormde immers een welkome voedingsbodem voor deze Christelijke geschiedschrijving. De historische romans van Walter Scott zijn hier een perfect voorbeeld van. Het grote nadeel aan deze evolutie bestond erin dat de grens tussen fictie en non-fictie in bepaalde gevallen vrij vaag werd.[12] Een voordeel van de Romantische (en in dit geval bijgevolg ook Christelijke) geschiedschrijving was dan weer dat ze, vanuit het principe van een “volksgeest”, aandacht begon te schenken aan de lagere sociale klassen.

 

Na enkele decennia, ongeveer halverwege de negentiende eeuw, raakte de kerkgeschiedenis geïsoleerd binnen de historiografie, en was er nood aan een andere invalshoek. Naast de religieuze geschiedenis ontstond er een “andere” geschiedenis van de Middeleeuwen, die grotendeels gebaseerd was op recht en instituties. Van economische geschiedenis was nog geen sprake. De nieuwe historiografie had twee polen. De eerste was de militair-diplomatieke geschiedenis, die de nadruk legde op het exemplarische, en naties als individuele actoren beschouwde. Leopold von Ranke was hier het archetype van.

 

Ranke studeerde theologie en klassieke talen in Leipzig, en werd nadien leraar klassieke talen in Frankfurt. Hij koesterde een grote belangstelling voor geschiedenis, maar vond deze niet bevredigd in de historiografie van zijn tijd. Toen hij zowel Philippe de Commynes’ Mémoires als Scotts historische romans gelezen had, kwam hij tot de conclusie dat de ware gebeurtenissen in veel gevallen interessanter en vooral ook aantrekkelijker waren dan de geromantiseerde versies ervan die in Rankes tijd zo populair waren. Het was vanuit deze motivatie dat Ranke aan historiografie ging doen. Dit is belangrijk omdat hieruit blijkt dat Rankes motieven om aan “bronnenfetisjisme” te doen, niet wetenschappelijk, maar veeleer van een esthetische aard waren. Hij was er rotsvast van overtuigd dat zijn manier van werken een resultaat zou bieden dat enerzijds wetenschappelijk juister was, maar boven alles aangenamer om te lezen. Ranke is dus geen positivist stricto sensu[13]. Ranke was trouwens, naast een buitengewoon vorser, ook een literair begaafd verteller, en hij was bovendien zeker niet schuw van synthese. Hij was zich overigens zeer goed bewust van de relativiteit van zijn visie.[14] Het was ook omwille van filosofische redenen dat Ranke de teleologische, Hegeliaanse visie op de geschiedenis afwees. Het grote probleem van de Rankeaanse benadering zit hem in de beperktheid van de bronnen. Omdat men enkel en alleen aandacht aan de bron schenkt, en gezien het feit dat de toen bekende historische bronnen vooral van politiek-institutionele en rechterlijke aard waren, beperkte de geschiedschrijving zich uiteraard tot politieke en rechtsgeschiedenis. Het sociaal-economische aspect, dat in de 18e eeuw nog relatief belangrijk was, ging hierbij verloren.[15]

 

Aan de andere kant van het mediëvistisch spectrum was er de institutionele geschiedenis, die zich vooral concentreerde op het feodaal recht. Deze reduceerde de feodale maatschappij tot een technische rechtskwestie. De twee belangrijkste namen hierbij zijn Georg Waitz (een leerling van Ranke) en François Guizot.[16] Ook Ganshof kan men, weliswaar op een ietwat anachronistische manier, als een vertegenwoordiger van deze stroming beschouwen.

 

Op deze manier slaagde de Middeleeuwse geschiedschrijving er uiteindelijk in populair te worden bij de hele maatschappij. De bourgeoisie voelde zich gevleid door de thematiek van de relatie tussen adel en burgerij, de Kerk verloor zich in een hoofs en heroïsch verleden, en de socialisten (die door Guerreau “aanhangers van de Franse Revolutie” worden genoemd) concentreerden zich op de feodale strijd tussen boeren en heren.

 

Volgens Guerreau was het ook in deze periode dat twee belangrijke nieuwe concepten uit de filologie en de interne tekstkritiek hun weg vonden in de geschiedschrijving.[17] Ten eerste was er het concept plausibiliteit, het besef dat iets waar of niet waar is.[18] De techniek om dit te weten te komen, was het bestuderen van de authentieke bron. Als gevolg hiervan werden er op grote schaal bronnen uitgegeven, chronologische lijsten aangelegd, woordenboeken opgesteld,… De historiografische praktijk beperkte zich echter tot reproduceren van de bronnen, aangezien de geschiedschrijving zich in een stadium bevond waarin enkel de geschiedenis zelf in vraag werden gesteld, en nog niet de representatiesystemen waarmee deze geschiedenis benaderd werd.[19]

 

1.3) Mediëvistiek als Beroep

 

Guerreau retraceert de oorsprong van de professionele geschiedbeoefening in de 17e en 18e eeuw, bij de Bollandisten en de Benedictijnse kloosterhistorici. Het grote breekpunt gebeurde echter pas in de negentiende eeuw, toen er een vermenigvuldiging van het aantal Europese universiteiten, bibliotheken en archieven kwam. Deze instellingen leidden ertoe dat er voor het eerst nood was aan een schare professionele historici om hiermee te kunnen omgaan. Op deze manier ontstond het “beroep” historicus en het sociale milieu van historici.[20] Opnieuw was Duitsland de bakermat van deze evolutie. Dit was vooral een gevolg van de hervormingen van Wilhelm von Humboldt in het begin van negentiende eeuw. Von Humboldts bedoeling was om een klasse van goed opgeleide ambtenaren te creëren door middel van het ideaal van het zogenaamde Bildungsbürgertum. De Duitse universiteiten speelden hier een belangrijke rol in, en geschiedenis werd de wetenschap bij uitstek die een jongeman een goede basisopleiding en een kritisch maatschappijbeeld kon bijbrengen.[21] De in 1810 gestichte universiteit van Berlijn, waar Ranke benoemd werd in 1825, was een direct resultaat van deze politiek.[22]

 

Als gevolg van deze evolutie ontstond er in de loop van de negentiende eeuw geleidelijk aan een gemeenschap van professionele historici. Dit resulteerde onder andere in de stichting van het Historische Zeitschrift (in 1859) en de Gesellschaft für ältere Deutsche Geschichtskunde door Carl Stein (in 1819). Deze laatste vereniging gaf onder de naam Monumenta Germaniae Historica vanaf de tweede helft van de jaren twintig in een ongeziene hoeveelheid en een razend tempo bronnen uit. Ze maakte een minder amateuristische en meer gerichte geschiedschrijving mogelijk, en bevorderde zo op haar beurt de professionele historiografie.[23] In Groot-Brittannië en Frankrijk ondernamen de Chronicles and Memorials of Great-Britain and Ireland during the the Middle Ages en de Collection des documents inédits sur l’histoire de France gelijkaardige initiatieven.[24] In 1821 werd in Frankrijk, aan de Sorbonne, bovendien de Ecole des Chartes opgericht, die er volledig op gericht was om specialisten in dit werk af te leveren.

 

Naast de nieuwe bronnenuitgaven, was ook de interne ontwikkeling van de opleiding geschiedenis aan de universiteiten van belang. Hier duikt weer de naam van Ranke op. Hij was het die in 1833 als eerste in Europa praktische oefeningen organiseerde. Zijn inspiratie hiervoor kwam vanuit de seminaries in klassieke filologie die in de 18e eeuw in Duitsland waren opgericht.[25] Deze Ubungen, zoals Ranke ze zelf noemde, kregen onder de naam Seminaries navolging in heel Duitsland, en later ook in de rest van Europa. In België werden ze geïntroduceerd door Godefroid Kurth. Kurth had met seminaries kennis gemaakt via zijn studies bij de classicus Ernst Curtius, een leerling van Ranke. Hij organiseerde in 1874 aan de universiteit van Luik de eerste “cours pratiques”, en had onder andere Paul Fredericq en Henri Pirenne als leerlingen. Fredericq doctoreerde aan de universiteit van Gent, en voerde na zijn aanstelling als docent ook hier de “cours pratiques” in zoals hij ze bij Kurth gevolgd had. Pirenne zou Fredericqs seminaries verder perfectioneren en ze een internationale reputatie bezorgen.[26].

 

In Frankrijk probeerde Numa-Denis Fustel de Coulanges in het begin van de jaren zestig op de universiteit van Straatsburg tevergeefs het seminariesysteem in te voeren.[27] Het grote keerpunt in Frankrijk kwam er echter toch een paar jaar later, in 1868, met de oprichting van de Ecole pratique des hautes Etudes. Deze instelling was een universitaire opleiding die gericht was op de praktijk, met een essentiële rol voor praktische seminaries. De school werd opgedeeld in verschillende sections. De geschiedschrijving nam samen met de filologie de vierde sectie in, en het Rankeaanse seminariesysteem kreeg hierbinnen zijn plaats. De leiding van de vierde sectie was in handen van Gabriel Monod.

 

In Engeland kwam de metamorfose er ook pas in het laatste derde van de negentiende eeuw, met de universiteit van Oxford als centrum en William Stubbs als belangrijkste naam.[28]

 

In Frankrijk deed vooral Guizot, weliswaar in een beperktere mate dan in Duitsland, veel voor de professionalisering van de mediëvistiek.[29] Ook Fustel was hierin belangrijk. Hij nam aan de Sorbonne de allereerste Franse stoel voor Middeleeuwse geschiedenis in.

 

1.4) Het eerste methodologisch Breekpunt: 1885-1914

 

De vooronderstellingen van de negentiende-eeuwse, grotendeels Rankeaanse geschiedschrijving waren vrij eenvoudig. Alles was gebaseerd op het idee van het individu als actor (“eigenaar” volgens Guerreau[30]) en de staat als ordening van individuen, en dit alles werd ondergedompeld in een sterk juridische sfeer. Individuen hoefden in deze context niet noodzakelijk personen te zijn. Ook groepen mensen, instituties en landen konden als individuele actoren beschouwd worden. Naar het einde van de negentiende eeuw, was deze visie aan vernieuwing toe, en kwam er reactie vanuit twee verschillende hoeken.

 

Karl Lamprecht en Numa-Denis Fustel de Coulanges slaagden er als eersten in deze vooroordelen achter zich te laten, en over te gaan tot een algemenere en synthetiserende geschiedenis, die niet over personen handelde, maar over beschaving en evolutie van sociale ordeningen. Hun visie was sterk beïnvloed door het positivisme van Auguste Comte uit het tweede kwart van de 19e eeuw. Comte stelde dat, om tot betrouwbare kennis binnen de geesteswetenschappen te komen, men deze op dezelfde manier moest benaderen als de zogenaamde “harde” wetenschappen. Men verzamelde eerst een op zich betekenisloos aantal feiten, en probeerde er nadien een systematiek in te vinden. Volgens Lamprecht begon de échte geschiedschrijving slechts in de tweede fase, en was het onmogelijk om een aantal van elkaar losstaande gegevens te verzamelen en dan de gebeurtenissen “voor zichzelf te laten spreken”, zoals Ranke betoogde.

 

Een van de manieren om de beperkingen van de exemplarische geschiedschrijving achter te laten was de economische geschiedenis. De basis hiervoor werd in Duitsland in de tweede helft van de negentiende eeuw gelegd met het ontstaan van de Nationalökonomie, ook vaak Historische Schule genoemd. Deze school bekeek, anders dan de klassieke economie, economische gebeurtenissen vanuit een historisch perspectief, en in een historische context.[31] Hiermee werd de economische geschiedenis geboren. De belangrijkste figuren in deze beweging waren oorspronkelijk Wilhelm Roscher en Karl Knies, en in een later stadium vooral Gustav Schmoller. Vanwege hun maatschappelijke betrokkenheid en vaak linkse politieke engagement werden de vertegenwoordigers van deze beweging ook vaak Kathedersozialisten genoemd. Ook Max Weber bewoog zich in dit milieu, alhoewel men hem niet echt als een zuivere nationaaleconoom kan beschouwen.

 

Er kwam niet enkel reactie vanuit de traditionele wetenschappelijke disciplines. Het was ook in deze context dat de nieuwe sociale wetenschappen antropologie, sociologie, linguïstiek,… werden geboren. Durkheim, Weber en de Saussure gingen in de aanval op de intentionaliteit, individualiteit en historiciteit door algemene wetten te formuleren die in elke situatie, op eender welke plaats en in eender welke geschiedkundige periode algemeen geldend zijn (Hoewel dat in Webers geval zeer relatief is, zie verder) of zouden moeten zijn. Dit lokte vanwege Fustel de Coulanges de volgende, voor onze probleemstelling zeer interessante reactie uit:

 

Ceux qui confondent se font de l’histoire une idée bien fausse. l’Histoire n’est pas l’accumulation des événements de toute nature qui se sont produits dans le passé. Elle est la science des sociétés humaines. Son objet est de savoir comment ces sociétés ont été constituées. Elle cherche par quelles forces elles ont été gouvernées, c’est-à-dire quelles forces ont maintenu la cohésion et l’unité de chacune d’elles. Elle étudie les organes dont elles ont vécu, c’est-à-dire leur droit, leur économie publique, leurs habitudes d’esprit, leurs habitudes matérielles, toute leur conception de l’existence. Chacune de ces sociétés fut un être vivant; l’historien doit en décrire la vie. On a inventé depuis quelques années le mot ‘sociologie’. Le mot ‘histoire’ avait le même sens et disait la même chose, du moins pour ceux qui entendaient bien l’Histoire est la science des faits sociaux, c’est-à-dire la sociologie même.[32]

 

Fustel kreeg met deze holistische zienswijze echter enorm veel tegenstand en weinig navolging en, na zijn dood in 1889 werd zijn visie door de latere historici, de “bezingers van de natie”, vergeten.[33]. In het Duitstalige gebied ondervond ook Karl Lamprecht veel weerwerk en, hoewel hij wel degelijk iets losgemaakt had binnen de Europese historiografie, bleef zijn rechtstreekse invloed vrij beperkt.

 

1.5) De twintigste Eeuw

 

Volgens Iggers bleef het Rankeaanse juridisch individualisme in het begin van de twintigste eeuw de voornaamste denkwijze binnen de mediëvistiek. De pogingen van de Nationalökonomie om aan economische geschiedschrijving te doen waren al vergeten, en Fustel de Coulanges en Lamprecht slaagden er niet in om de Middeleeuwse geschiedschrijving diepgaand te beïnvloeden. Ondanks het feit dat ze wel degelijk navolging kregen, onder andere van Henri Berr en Emile Durkheim, bleef dit vooral beperkt tot individuen, en oefenden ze weinig effect uit op het grootste gedeelte van de geschiedkundige productie. Het bleef wachten tot het interbellum, en dan vooral het ontstaan van de Annales, voor het juridisch en institutioneel model zijn monopolie verloor.

 

Na de Eerste Wereldoorlog gingen archieven, bibliotheken en musea zich bijna uitsluitend bezig houden met contemporaine geschiedenis, waardoor er geen nieuwe Middeleeuwse bronnen meer aan het licht kwamen, het aantal uitgaven drastisch verminderde,…. Er was voor mediëvisten dus minder materiaal om te bestuderen. Dit feit, gecombineerd met het toenemend aantal studenten Middeleeuwse geschiedenis (en bijgevolg ook het toenemend aantal mediëvisten), zorgde ervoor dat er nood was aan een nieuwe benaderingswijze van de aanwezige bronnen. De mediëvistiek werd dus verplicht een andere richting dan de erudiete tekstkritiek in te slaan. Het kwam daarbij goed uit dat er een plotse toename van het aantal archeologische sites uit de middeleeuwen kwam.[34] De Annales speelden in op deze situatie, en gaven de Europese geschiedschrijving een nieuw elan.

 

De geschiedenis van de Annales begint niet de stichting ervan stichting in 1929. Het tijdschrift van Bloch en Febvre bouwt immers duidelijk verder op een lijn die voordien al ingezet was, allereerst door de Nationalökonomie, en nadien door Henri Berr’s Revue de Synthèse, waar zowel Marc Bloch als Lucien Febvre lid van waren.

 

Lucien Febvre had reeds in 1912, met Philippe II et la Franche-Comté, gebroken met de juridische en institutionele geschiedschrijving, en deze ingewisseld voor een intellectuele; sociale en veel diepgaandere politieke geschiedenis van deze regio. Hij beperkt zich wel tot een weergave van de elite, en negeerde de lagere klassen. Ook in Le Problème de l’Incroyance au XVIe siècle hecht hij voornamelijk belang aan de hoogste sociale klassen.[35] Ook Marc Bloch begaf zich in 1924 met Les Rois thaumaturges op het nieuwe pad van de ideeëngeschiedenis. Bloch richtte zich wel meer op het collectief bewustzijn van de lagere bevolkingsklassen.

 

Voor de Tweede Wereldoorlog hielden de Annales zich voornamelijk bezig met wat Le Roy Ladurie “kwalitatieve structurele geschiedenis” noemt.[36] De oorlog zorgde voor een keerpunt. Vanaf 1947 is de ontwikkeling van de Annales sterk verweven met een instituut: de VIe séction van de Ecole pratique des hautes Etudes, die in dat jaar werd opgericht, en waarvan Febvre de leiding kreeg. Er werkten antropologen, linguïsten, aardrijkskundigen, economen, sociologen,… met Roland Barthes, Claude Lévi-Strauss en Pierre Bourdieu als bekendste namen. Het werd het belangrijkste en best gefinancierde instituut voor sociale wetenschappen in Frankrijk. Terwijl Lamprecht en Fustel de Coulanges binnen hun vakgebied altijd als dissidenten beschouwd werden (hoewel Fustel toch een zekere gevestigde reputatie had), waren de Annales synoniem geworden met het establishment. Hierdoor vond het idee van een “totale beschavingsgeschiedenis” voor het eerst zijn weg naar het gros van de Europese historici.

 

Vanaf deze periode kwam de nadruk binnen de Annales meer en meer te liggen op de kwantitatieve geschiedenis, en dan vooral op economische kwantitatieve geschiedenis. Fernand Braudel was hier het boegbeeld van. Braudel richtte zich in veel sterkere mate dan zijn voorgangers op pure economische geschiedenis, en beschouwde politieke geschiedschrijving als oninteressant.[37] Een aantal jaren later kwam de demografische geschiedenis op, met vanaf de jaren zestig onderzoek naar de biologische basis van het dagelijkse leven, met onderwerpen als voedsel, klederdracht,... De derde generatie Annales (vooral Le Roy Ladurie) ging zich meer en meer toeleggen op mentaliteitsgeschiedenis. Volgens Iggers is er nu een vierde generatie op komst (hij noemt Jacques Revel, André Burguière en Bernard Lepetit), die vooral gekenmerkt wordt door een grote verscheidenheid in aanpak.[38]

 

Opvallend is dat men bij geen enkele vertegenwoordiger van de eerste lichtingen van de Annales, met uitzondering van Jacques Le Goff[39], een expliciete verwijzing vindt naar een socioloog, psycholoog, econoom,… Alain Guerreau trekt hieruit nogal voorbarig de conclusie dat de geschiedschrijving vanuit een interne invloed is veranderd, zonder invloed van de andere sociale wetenschappen. Het vreemde hierbij is dat hij wél de ideeën van Durkheim herkent in de nieuwe richting die de historiografie ingeslagen is, maar ontkent dat er een directe invloed bestond. Guerreau geeft verder ook het voorbeeld van Moses Finley, die onder andere. het werk van Polanyi gelezen heeft.[40]

 

In Duitsland leefde de traditie van het historisme veel sterker dan in Frankrijk. Hoewel er een aantal initiatieven waren om naar een meer op wetten gebaseerde en minder hermeneutische geschiedschrijving over te gaan, bijvoorbeeld door Droysen en de Nationalökonomen, werden deze vrij snel vergeten. De oorzaak hiervan was de controverse rond Karl Lamprecht. Lamprecht ging voor vele historici iets te ver in zijn holistische aanpak, en werd daar dan ook op aangevallen. Samen met Lamprecht werden ook zijn voorgangers overboord gegooid, en de nomothetische, op wetten gebaseerde geschiedschrijving, verwierf een soort van taboestatus binnen de Duitstalige historiografie.[41] Een andere belangrijke factor hierin was het feit dat deze manier van historiografie sterk verbonden raakte met een linkse politieke overtuiging, die in het Duitsland van Bismarck en later in de Weimarrepubliek niet gewenst was. Het resultaat van dit alles was dat filosofen en theoretici het wel hadden over geschiedenis als deel van een grote sociale wetenschap, maar dat hiermee in de historische praktijk absoluut geen rekening mee werd gehouden.[42]

 

Pas in de jaren ’60 kwam hier verandering in, met de opkomst van de Frankfurter Schule en het behaviourisme. De sociale wetenschappen vonden nu, op een zeer selectieve en aarzelende manier, hun weg in de geschiedschrijving. Een aantal historici, onder andere Hans-Ulrich Wehler en Jürgen Kocka, gaf nu ook toe dat ze expliciet beïnvloed waren door de andere sociale wetenschappen. Het ging hierbij echter nooit om meer dan een kleine minderheid.[43]

 

Vanaf de jaren ’70 kwam er opnieuw een nieuwe invalshoek in de geschiedschrijving. Verschillende historici keerden terug naar de zuivere narratieve geschiedschrijving uit de negentiende eeuw, maar dan vanuit een nieuw standpunt. Men gaf het idee van de allesomvattende historiografie dat de twintigste eeuw tot dan toe beheerst had op, en ging aan microstoria doen. Deze benadering mikte opnieuw op het aanwijzen van de individualiteit in de maatschappij, in plaats van het benadrukken van algemene kenmerken. De theoretische basis werd gelegd door Lawrence Stone en Hans Medick en de belangrijkste vertegenwoordigers van deze richting waren Carlo Ginzburg, Giovanni Levi en de leden van het Max Planck-instituut aan de unversiteit van Göttingen. [44]

 

1.6) Opmerkingen

 

De hierboven beschreven visie is die van Iggers en Guerreau, en ook die van de meeste andere theoretische historici. Mijns inziens correspondeert die niet helemaal met de werkelijkheid. Het is volgens mij realistischer om de breuk met de traditionele Rankeaanse geschiedschrijving veel vroeger te leggen (in de tweede helft van de negentiende eeuw), en vanaf dan uit te gaan van een voortschrijdende evolutie, in plaats van een aantal breukmomenten. Er is immers een duidelijke lijn te zien vanaf Fustel de Coulanges, Weber, Lamprecht en Pirenne tot de tweede generatie van de Annales. Het argument dat meestal tegen deze redenering ingebracht wordt, is dat de generatie van Lamprecht, Bücher, Weber,… niet algemeen aanvaard werd door de gemeenschap van historici. Dit is inderdaad zo, maar dat geldt evenzeer voor de generaties nadien. Er bestaan immers nu nog steeds historici die volgens een strikt Rankeaans bronnenfetisjisme werken, of volgens een economisch determinisme in de stijl van Braudel, hoewel deze beide methodes vanuit theoretisch oogpunt voorbijgestreefd zijn. De manier waarop François-Louis Ganshof werkte (maar niet dacht!) in de decennia na de Tweede Wereldoorlog, is hier een perfecte illustratie van. De receptie van de generatie van Sombart en Weber wordt bovendien vaak onderschat, doordat er enkel uitgegaan wordt van de receptie door professionele historici. Men vergeet vaak dat een aanzienlijk aantal Nationalökonomen, en daar bovenop nog een aantal “dissidenten”, waarvan Max Weber het belangrijkste voorbeeld is, ook aan geschiedschrijving deden (ze beschreven immers een bepaalde economische of maatschappelijke evolutie in het verleden).

 

Het beeld van de evolutie van de geschiedschrijving waar ik voor zou willen pleiten ziet er als volgt uit. Men begon met een beperkte visie (het Rankeaans politiek en institutioneel individualisme) en een beperkte bronnentypologie. Zowel de aanpak als de bronnen werden sindsdien op voortdurende basis (natuurlijk met een aantal schommelingen) verbreed. In het geval van de bronnen wendde men zich tot de archeologie, de mondelinge overleveringen, de kwantitatieve bronnen (lonenlijsten, boedelbeschrijvingen,… In het geval van de methodologie gold hetzelfde. De methodologie werd verrijkt met de kwantitatieve aanpak, met een generaliserende en een reducerende (de mciro-storia)[45] methode, met mentaliteitsgeschiedenis,…

 

Deze visie gaat uit van een generaliserende visie op de geschiedschrijving. Vanuit het perspectief van de individuele historicus kan deze evolutie er totaal anders uitzien, zoals bijvoorbeeld bij Ganshof.[46] Hierin vervulden de Annales overigens wél een centrale rol. Met dit tijdschrift werd de methodologische vernieuwing geïnstitutionaliseerd.

 

Wat verder ook opvalt bij de verschillende werken in verband met de geschiedenis van de geschiedschrijving (of toch diegene die voor dit hoofdstuk gebruikt zijn), is dat ze elk afzonderlijk wel een grote coherentie vertonen en een duidelijke evolutie weergeven, maar dat ze elkaar meer dan eens tegenspreken. De oorzaak van dit feit ligt mijns inziens in het feit dat de auteurs hun beschrijving te veel baseren op de logische en theoretische verwantschap tussen de verschillende stromingen, en te weinig op de perceptie en invloed van deze theorieën bij de geschiedkundigen die zelf niet actief zijn binnen het gebied van de theoretische geschiedenis. Het grote probleem met deze aanpak is dat de zogenaamde “theorie” van vele geschiedkundigen poly-interpretabel is. Het treffendste voorbeeldt daarvan is het feit dat Iggers Max Weber ziet als de grondlegger van de Duitse, exemplarisch gerichte traditie (hij noemt dit de verstehende aanpak, en hij plaatst deze tegenover de generaliserende aanpak van de Annales), terwijl Adriaan Verhulst Weber op de exact omgekeerde manier ziet, namelijk als een geestesgenoot van de Annales, met een primaire aandacht voor de probleemstelling.[47]

 

 

2) Max Weber: een Biografie

 

Max Weber werd geboren in Erfurt op 21 April 1864, als eerste kind van Hélène Fallenstein en Max Weber senior. Hélène was een zeer religieuze, bijna onwereldse vrouw. Ze was echter wel ondogmatisch, en sterk liberaal in haar denken. De fascinatie van Max Weber junior voor het fenomeen godsdienst is waarschijnlijk in een belangrijke mate van haar afkomstig. Hélène leerde haar man kennen via haar oudere nicht Ida, die getrouwd was met de historicus Hermann Baumgarten. Max senior was afkomstig uit een kapitalistische ondernemersfamilie, en maakte carrière als advocaat, magistraat en politicus. Er wordt vaak gezegd dat Weber zijn ideaaltype van de puriteinse kapitalistische ondernemer op hem baseerde.

 

In 1869 verhuisde de familie Weber vanwege de carrière van Max sr. naar Charlotteburg, een buitenwijk van Berlijn. Hun huishouden werd vanaf toen druk bezocht door vooraanstaande politici en academici, waardoor Max jr. en zijn broer Alfred reeds op prille leeftijd kennis maakten met de Duitse politieke en intellectuele wereld.

 

In 1882 studeerde Max af aan het koninklijk Keizerin Augustina Gymnasium en ging hij, net als zijn vader, rechten studeren aan de universiteit van Heidelberg.[48] Hij volgde niet alleen de cursussen van zijn juridisch curriculum, maar daarnaast zo ongeveer elk vak dat gegeven werd door een professor met een reputatie. Zo was hij bijvoorbeeld sterk onder de indruk van Bernhard Ermannsdörfers lezingen over Middeleeuwse geschiedenis en diens historische Seminar.[49] Hij volgde ook de colleges van de nationaaleconoom Knies met aandacht. Hiernaast las hij met Otto Baumgarten, zijn neef die aan zijn laatste jaar theologie op dezelfde universiteit bezig was, een massa vooral filosofische en theologische boeken.

 

In Webers tweede semester in Heidelberg was Otto intussen afgestudeerd, en Max ging zich bijgevolg meer met wereldse zaken bezig houden. Hij raakte nauw betrokken bij de studentenvereniging De Alemannen (waarvan hij tijdens het eerste semester al lid was, net als zijn vader tijdens diens studententijd), en nam volop deel aan het studentenleven. Hij verbaasde zijn medestudenten door zijn alcoholconsumerende capaciteiten en ging menig duel aan. Deze periode had een diepgaande invloed op Webers karakter, en zo mogelijk nog meer op zijn fysieke uiterlijk. Hij veranderde van een frèle tiener in een indrukwekkende en zelfs zwaarlijvige jonge kerel.[50]

 

In 1883/1884 volbracht Weber met grote tegenzin zijn legerdienst, waarna hij terug thuis ging wonen en zijn studies hernam. Weber bracht zijn laatste semester als universiteitsstudent door in Göttingen, en hij studeerde af in de winter van 1885. Bijna onmiddellijk nadien begon hij aan zijn doctoraatsverhandeling. Hij presenteerde deze in 1889 onder de titel Entwickelung des Solidarhaftsprinzips und des Sondervermögens der offenen Handelsgesellschaft aus den Haushalts – und Gewerbegemeinschaften in den Italienischen Städten; Dit was in feite het derde hoofdstuk van wat later Zur Geschichte der Handelsgesellschaften im Mittelalter zou worden. Voor dit doctoraat raadpleegde Weber talloze Italiaanse bronnen, vooral statuten van handelsgenootschappen.[51] Dit werk bevond zich op de grens tussen rechtswetenschap en economie, en was daarmee in zekere zin een voorbode van de “totale geschiedenis” waar Weber zich later aan zou wijden. In 1889 promoveerde hij met deze verhandeling, waarna hij onmiddellijk begon te werken aan zijn Habilitationsschrift, een tweede dissertatie die vereist was om een academische post aan een Duitse universiteit te bemachtigen. Net als zijn eerste verhandeling ging ook deze studie tot ver buiten de grenzen van Webers vakgebied. In Die römische Agrargeschichte in ihrer Bedeutung für das Staats- und Privatrecht werd uiteindelijk de hele agrarische en economische geschiedenis van het Romeinse keizerrijk besproken. Door deze studie verwierf hij de bevoegdheid om recht te doceren op een universitair niveau.

 

Rond deze tijd accepteerde hij ook een opdracht van de Verein für Sozialpolitik. Weber was na zijn examens als Referendar in contact gekomen met een kring van jonge ambtenaren en economisten, onder wie een aantal leerlingen van de Kathedersozialisten, die een levendige interesse hadden in de rond die tijd opkomende nieuwe sociale ideeën.[52] Weber raakte betrokken in deze middens, werd lid van de Verein (in 1890), die min of meer beschouwd kan worden als het wetenschappelijk orgaan van de Kathedersozialisten. Deze vereniging had een project opgestart om de situatie van de Duitse agrarische sector te onderzoeken. Weber kreeg hierover de verantwoordelijkheid, en schreef zelf het belangrijkste deel: Die Verhältnisse der Landarbeiter im Ostelbischen Deutschland. De voornaamste conclusie van dit werk was dat het landbouwsysteem ten oosten van de Elbe, dat gebaseerd was op de macht van de grootgrondbezitters, niet combineerbaar was met de moderne economische situatie, wat ervoor zorgde dat de Duitse landbouwers uitgebuit werden, en vaak vervangen door goedkopere Oost-Europese arbeidskrachten. Weber ging met dit werk duidelijk de richting uit van de politiek getinte Nationalökonomie. Volgens Patrick Dassen voelde Weber zich aangetrokken tot deze nieuwe wetenschappelijke richting vanwege haar karakter van een soort “totale menswetenschap”.[53]

 

Een ander voorbeeld van Webers nieuwe, vaak politiek gerichte interesses is zijn betrokkenheid bij het Evangelisch-Soziale Kongress, een vereniging die opgericht werd in 1890 door Nationlökonomen en vooruitstrevende clerici. Via deze organisatie raakte Weber bevriend met de charismatische geestelijke Friedrich Naumann en met Paul Göhre.[54]

 

Weber begon les te geven aan de universiteit van Berlijn in 1892, als vervanger van zijn eigen promotor Goldschmidt. Zijn reputatie als geleerde raakte stilaan gevestigd, niet in het minst omwille van de controverse rond zijn studie voor de Verein für Sozialpolitik.[55] In datzelfde jaar leerde hij ook de vrouwenrechtenactiviste Marianne Schnitger kennen, met wie hij het jaar nadien trouwde. Zijn zus Klara trad rond die tijd ook in het huwelijk met Ernst Mommsen, de zoon van de beroemde classicus Theodor Mommsen. Na zijn huwelijk ging Weber volledig op in zijn werk, hij “begroef zich in boeken”.[56] Hij begon zich toen ook, vanuit zijn politiek engagement, te verdiepen in de beurs.[57]

 

In Berlijn had Weber verscheidene aanvaringen met Friedrich Althoff, de Duitse minister van onderwijs.[58] Om aan zijn invloed te ontsnappen, accepteerde Weber in 1884 een aanbod van de universiteit van Freiburg om er hoogleraar Nationalökonomie te worden. Dit betekent een keerpunt in zijn werk. Weber houdt zich vanaf dit moment niet meer bezig met rechtsgeschiedenis, maar met economie, en in mindere mate ook met religie en maatschappijgeschiedenis. Een eerste belangrijke verwezenlijking in zijn nieuwe vakgebied, was zijn inaugurele rede Der Nationalstat und die Volkswirtschaftspolitik. In Freiburg sloot hij vriendschap met de filosoof Heinrich Rickert, en leerde hij onder andere de econoom Von Schülze-Gavernitz, de filosoof en psycholoog Hugo Münsterberg en de filoloog Baiot kennen.

 

Weber bleef niet meer dan een jaar in Freiburg. In 1896 verliet hij zijn nieuwe vriendenkring voor de gerenommeerde universiteit van Heidelberg, die hij nog kende uit zijn studentenjaren, en waar hij collega werd van academici met een gevestigde reputatie als Jellinek, Erdmannsdörfer en Fisher.[59] Hij bouwde er ook vrij snel een persoonlijke vriendenkring van academici op, waartoe onder andere Georg Jellinek, Paul Hensel, Carl Neumann en vooral de theoloog Ernst Troeltsch behoorden.

 

Een jaar later gebeurde er iets binnen de familie dat zware gevolgen zou hebben. Er kwam een ruzie over het feit of Webers moeder Hélène nu wel of niet het recht had om een week per jaar bij haar kinderen te verblijven. Max koos de kant van zijn moeder, en nam hierbij stelling tegen zijn autoritaire en patriarchale vader. Tijdens de ruzie werd het langzaamaan duidelijk dat Webers vader en moeder eigenlijk al jaren langs elkaar heen leefden, en in feite een gebroken huwelijk hadden. Max Weber sr. stierf voor er van een verzoening sprake kon zijn. Deze gebeurtenis liet een diepe indruk na op Max jr. Het daaropvolgende semester voelde hij zich plots van de ene dag op de andere uitgeput, en vertrok hij met zijn vrouw op reis om hiervan te bekomen.[60] Vreemd genoeg begon hij zich toen nog zieker en ongesteld te voelen. Hij kon ook niet meer werken, en leed voor het eerst in zijn leven aan slapeloosheid. Zijn toestand werd vanaf toen alleen maar erger, en in 1899 stopte hij noodgedwongen met lesgeven. In de herfst van 1899 volgde er een tweede en zwaardere zenuwcrisis. Weber reisde in die periode zeer veel, werkte in het geheel niet meer, en vond moeizaam maar zeker zichzelf terug.

 

In 1903 schreef hij in opdracht van de filosofische fakulteit van Heidelberg ter gelegenheid van een jubileum van de universiteit voor het eerst sinds zijn zenuwcrisis weer een wetenschappelijk essay, Roscher und Knies und die logischen Probleme der historischen Nationalökonomie,. Dit werk is zeer belangrijk, omdat het Webers allereerste puur theoretische publicatie is.[61] Voor zijn crisis was hij altijd uitgegaan van een concrete situatie, van specifieke data, en trok hij daar conclusies uit. Na zijn mentale dal begaf Weber zich op een theoretischer en meer contemplatief pad, waar ook meer ruimte was voor bijvoorbeeld religieuze geschiedenis. In datzelfde jaar begon hij dan ook aan Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus. Hij inspireerde zich voor dit werk vooral op de indrukken die hij opgedaan had tijdens een reis naar de Verenigde Staten, waar hij op uitnodiging van Hugo Münsterberg een lezing gaf in St. Louis en in de tussentijd een groot deel van het land bezocht. In tegenstelling tot de meeste van zijn medereizigers was Weber gefascineerd door de Verenigde Staten, vooral vanwege de diepgaande impact die de modernisering daar had nagelaten.

 

De Protestantse Ethiek was het eerste in een reeks werken in verband met een “universele wereldgeschiedenis”. Weber had zich hierop al vroeger voorbereid met studies over de mentaliteit van het Middeleeuwse kloosterleven.[62] Hij was oorspronkelijk van plan om iets te schrijven over de relatie tussen de Middeleeuwse Christenheid en de sociaal-economische omstandigheden in die periode. Troeltsch werkte echter al aan een dergelijke studie, waardoor Weber zich meer op de niet-Westerse wereldgodsdiensten concentreerde.[63] Voor het bestuderen van deze Wirtschaftsethik der Weltregionen, zoals de studie later zou gaan heten, was hij voornamelijk aangewezen op vertaalde bronnen en secundaire literatuur, wat hij als een grote frustratie ervoer.

 

Later dat jaar kreeg Weber van Edgar Jaffé een voorstel dat het verdere verloop van zijn carrière zou bepalen. Jaffé was van plan het tijdschrift Archiv für soziale Gesetzgebung und Statistik van Heinrich Baum over te nemen, en het verder te zetten onder de naam Archiv für Sozialwissenschaf und Sozialpolitik. Hij vroeg Werner Sombart en Max Weber hiervoor als mede-uitgevers.[64] Weber accepteerde het aanbod, en herstelde op deze manier het contact met de academische wereld. Door zijn nieuwe verantwoordelijkheid als uitgever, voelde hij zich moreel verplicht om regelmatig een bijdrage te leveren en zich dus terug in het leven en werk van een academicus te storten. Het eerste artikel dat hij voor het Archiv schreef, werd meteen ook een van zijn bekendste: Die Objektivität sozialwissenschaftlicher und sozialpolitischer Erkenntnis, waarin hij pleitte voor een “waardenvrijheid” binnen de wetenschapsbeoefening.

 

Weber had ondertussen opnieuw een druk sociaal leven . Marianne Weber maakt melding van de vele geleerden, artiesten en politici die bij de familie Weber over de vloer kwamen, en van de verschillende discussiekringen waar Weber deel van uitmaakte.[65] Hiernaast toonde hij ook een sterke sociale bekommerdheid. Hij kwam, in navolging van zijn vrouw, op voor vrouwenrechten, kwam terecht in een aantal juridische processen, en raakte sterk geïnteresseerd in de revolutionaire gebeurtenissen die rond die tijd in Rusland plaats vonden.[66] Hij leerde Russisch om de situatie beter te kunnen volgen, en schreef een aantal artikels waarin hij zijn mening over de situatie uiteenzette.[67]

 

Op de redactievergaderingen van de Verein sprak Weber met Simmel, Sombart en nog een aantal andere geleerden over de noodzaak van de stichting van een sociologische vereniging, bedoeld om geleerden uit verschillende vakgebieden bij elkaar te brengen, en ongetwijfeld ook omdat de Verein für Sozialpolitik te politiek georiënteerd, en dus niet “waardenvrij” genoeg was.[68] De Deutsche Gesellschaft für Soziologie werd uiteindelijk opgericht op 3 januari 1909, met Ferdinand Tönnies, Werner Sombart en Georg Simmel als bestuursleden. Weber zelf weigerde de leiding van het project op zich te nemen. De eerste conventie van de nieuwe vereniging werd gehouden in Frankfurt in de herfst van 1910, met onder andere Gothein, Troeltsch, von Schulze-Gävernitz en Hermann Kantorowicz. Van een echte “sociologie” was op dat moment nog geen sprake. Het grootste deel van de aanwezigen was vooral geïnteresseerd in de mogelijkheden tot interdisciplinaire uitwisseling.[69] Er was dan ook van eensgezindheid geen sprake, en van de grote onderzoeksprojecten die Weber voorstelde, kwam dan ook weinig in huis. Weber stapte in 1911 uit het bestuur van de Gesellschaft.[70] Van een echte sociologie in de moderne betekenis van het woord was er overigens nooit sprake geweest.

 

Twee jaar voordien had de uitgever van het Archiv Weber gevraagd om de leiding te nemen over de creatie van een nieuwe encyclopedie voor politieke economie, die het verouderde handboek van Gustav Schönberg moest vervangen.[71] Het doel van dit handboek was de economie te behandelen in samenhang met maatschappelijke factoren als staat, recht en cultuur.[72] Er waren echter voortdurend problemen met de medewerkers, en Webers eigen bijdrage werd steeds groter en belangrijker. Uiteindelijk zou dit project uitmonden in Webers magnum opus en later in een gewijzigde vorm bekend worden als Wirtschaft und Gesellschaft. In dit werk kwamen vrijwel alle ervaringen uit zijn empirisch onderzoek samen, maar dan vanuit een “sociologische” invalshoek.[73]

 

Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak werd Weber meegezogen in het romantisch idealisme dat zich over geheel Duitsland had verspreid. Hij noemde de oorlog “Gross und Wunderbar en had spijt dat hij zelf niet mee kon vechten.[74] Hij meldde zich als vrijwilliger en werd belast met de organisatie van militaire ziekenhuizen in Heidelberg. Weber mengde zich tijdens de oorlog ook meer en meer in de debatten over de Duitse binnenlandse en buitenlandse politiek, waarbij hij ijverde voor een eerder realistische aanpak.[75] Na de Duitse nederlaag, die hij als een catastrofe ervoer, was Weber, vanwege zijn connecties met socialistisch gezinde middens, van nabij betrokken met de naoorlogse politiek. Hij geloofde echter nooit echt in een alternatief voor de burgerlijke parlementaire staat. Weber trad toe tot de in 1918 op advies van zijn broer Alfred gestichte Deutsche Demokratische Partei, een burgerlijk gezinde, democratische partij.[76] Teleurgesteld omdat hij door de partij niet op een verkiesbare plaats werd geplaatst, verliet hij ze in 1920.

 

Weber werkte nog een aantal jaar hard aan zijn wetenschappelijke oeuvre, en publiceerde o.a. nog Wissenschaft als Beruf en Politik als Beruf. Hij stierf in 1920 aan een verwaarloosde longontsteking, in het gezelschap van zijn vrouw Marianne en zijn geliefde Else Jaffé.[77]

 

 

3) Webers Oeuvre

 

Het wetenschappelijke werk van Max Weber maakt op het eerste gezicht een enorm verbrokkelde, heterogene en multidisciplinaire indruk. Vanaf 1891 verscheen er geen enkel boek van zijn hand. Hij publiceerde enkel losse essays en artikels, die na zijn dood volgens thematiek gegroepeerd werden in een zestal delen, waarvan de eerste twee die hier opgesomd worden verreweg de belangrijkste zijn[78]:

 

1) Wirtschaft und Gesellschaft

2) Gesammelte Aufsätze zur Religionssoziologie

3) Gesammelte politische Schriften

4) Gesammelte Aufsätze zur Wissenschaftslehre

5) Gesammelte Aufsätze zur Sozial –und Wirtschaftsgeschichte

6) Gesammelte Aufsätze zur Soziologie und Sozialpolitik

 

3.1) Webers centrale Vraagstelling

 

Volgens Patrick Dassen kan men Webers volledige oeuvre herleiden tot één centraal thema, namelijk de specifieke aard en ontwikkeling van de moderne Westerse samenleving en cultuur.[79] Hij volgt hierin voor een groot deel de visie van Wolfgang Mommsen en Wolfgang Schluchter.[80] In feite bedoelt Dassen hiermee een soort beschrijving en ontstaansgeschiedenis van het wezen van de Westerse beschaving. Weber noemt zo’n achterliggend principe een rationaliteit, met andere woorden. een systeem waarmee de mens de in principe chaotische empirische werkelijkheid kan plaatsen, begrijpen en uiteindelijk beheersen, door bijvoorbeeld het gebruik van een bepaald filosofisch begrippensysteem. Hij gebruikt het begrip “rationaliteit” dus op een zeer brede manier. Ook Yoga is volgens Weber bijvoorbeeld “rationeel”. Deze visie is in sterke mate Neokantiaans.[81]

 

De specifieke Westerse rationaliteit uit zich volgens Weber op een aantal specifieke gebieden, die Weber elk apart bestudeerde.

 

3.1.1) Het Westers kapitalisme

 

Weber hechtte zeer veel belang aan het specifieke Westerse kapitalisme, net als vele van zijn tijdgenoten. Ondermeer Marx, Sombart, Brentano, Simmel en Scheler hadden zich al voor Weber uitgebreid met dit onderwerp bezig gehouden.[82] De verdienste van Weber was dat hij de oorsprong van het kapitalisme veel verder ging zoeken dan zijn tijdgenoten. Hij deed dit reeds in zijn Habilitationsschrift en werkte dit verder uit in Agrarverhältnisse im Altertum(1907/1908). Weber kwam tot de conclusie dat er in de Oudheid wel degelijk een vorm van kapitalisme bestond, maar niet met alle hedendaagse sociale en politieke gevolgen. De economie in de oudheid (waaronder Weber niet alleen Griekenland en Rome verstond, maar ook bijvoorbeeld Mesopotamië en Israël) was immers gebaseerd op een soort politiek getint roofkapitalisme.[83]

 

Volgens Weber bestaat de essentie van het moderne kapitalisme niet uit een streven naar zoveel mogelijk winst als dusdanig, maar naar zoveel mogelijk geïnstitutionaliseerde, zichzelf constant vernieuwende en zelfreproducerende winst.[84] De cruciale factor hierbij is dat dit kapitalisme per definitie rationeel moet zijn. Om een constante winst te boeken is het immers nodig om de economische factoren op voorhand te kunnen berekenen.

 

Weber onderscheidt 8 voorwaarden die vervuld moeten zijn om tot een dergelijk economisch systeem te kunnen komen.[85]

 

1) Arbeid moet vrij en rationeel georganiseerd zijn. Men moet werken met loonarbeiders, die geselecteerd en betaald worden op basis van hun kunde (dit in tegenstelling tot slavenarbeid).

 

2) Het streven naar en de concurrentie om zoveel mogelijk winst moet plaatsvinden binnen de grenzen van de vrije, rationele en vooral vredelievende markt. Het handelen van de “speler” op de markt mag ook enkel op basis van rationele argumenten, en mag niet beïnvloed worden door factoren als traditie of persoonlijke emoties.

 

3) Er wordt gewerkt met een rationele bedrijfsboekhouding, opgesteld door juridisch geschoolde werknemers. In deze boekhouding wordt een vergelijking gemaakt tussen arbeids-en kapitaalskosten door middel van een rationele, zuiver kwantitatieve berekening. Het bestaan van een abstract betalingsmiddel als geld is hier een ideaal middel voor.

 

4) Het productieproces wordt geoptimaliseerd en gerationaliseerd met behulp van de wetenschap, en dan vooral van de exacte natuurwetenschappen.

 

5) De arbeiders worden beschouwd als rationeel berekenbare en voorspelbare machines.

 

6) De arbeider moet gescheiden worden van zijn productiemiddelen. Alle bedrijfsmiddelen moeten in één hand verenigd worden. Dit was een noodzakelijke voorwaarde voor de berekenbaarheid van het productieproces.

 

7) Een modern kapitalistisch bedrijf kan enkel functioneren binnen een rationeel opgebouwd juridisch systeem en een bureaucratisch geleide staat, waarbij een bedrijf exact en op voorhand het effect van bepaalde beslissingen kan berekenen.

 

8) Naast de externe rationalisering die hiervoor besproken werd, moet er ook een interne rationalisering van het individu plaatsvinden om deze externe voorwaarden mogelijk te maken. De handelingen van het individu zijn volgens Weber immers de beslissende historische factor.

 

3.1.2) De moderne Staat en Bureaucratie

 

Voor de organisatie van de staat gelden in principe dezelfde normen als een modern-kapitalistisch bedrijf. Weber ondervond behoorlijk wat tegenstand met deze visie. Volgens vele van zijn tijdgenoten was de staat iets sacraals, dat het alledaagse oversteeg.[86] Weber geeft een beschrijving van de moderne staat aan de hand van de volgende kenmerken:

 

1) De staat beschikt over een geweldsmonopolie dat door de inwoners/onderdanen als legitiem ervaren wordt. Om dit monopolie uit te oefenen, bestaat er een centraal geleide militaire macht.

 

2) Om de organisatie van een moderne staat tot stand te kunnen brengen is het nodig dat alle politieke macht in handen is van een centraal gezag. De grote tegenhanger van dit model is de feodaliteit.

 

3) De staat moet de beschikking hebben over een rationeel recht en een (juridisch) geschoold en gespecialiseerd ambtenarenapparaat. Dit maakt van een staat een bureaucratie. Weber gebruikte de mate van bureaucratisering van een samenleving als maatstaf voor de mate van modernisering. Weber was ervan overtuigd dat de bureaucratie zich onvermijdelijk verder zou verspreiden, zowel op geografisch als op maatschappelijk gebied. Ook het leger, de Kerk, de universiteit, politieke partijen,… zullen zich op termijn meer en meer organiseren als bureaucratieën.

 

3.1.3) Het moderne Recht

 

Weber was jurist van opleiding, en het is dus vanzelfsprekend dat hij veel aandacht schenkt aan het moderne recht. Dat recht wordt, net als alle andere aspecten van de moderne maatschappij, gekenmerkt door een doorgedreven rationalisatie. Het moderne recht is samengesteld als een logisch, helder en coherent geheel, met drie basisbegrippen: rechtszekerheid, rechtseenheid en rechtsgeldigheid. Belangrijk is dat het recht onlosmakelijk met de staat verbonden is, en dat deze het monopolie heeft op het creëren van rechtsregels, maar toch zelf ook aan de wet gebonden is. Weber wijst ook op het belang van het Romeins Recht, niet op gebied van inhoud, maar wel qua vorm, bij het ontstaan van het moderne recht.

 

3.1.4) De moderne Wetenschap

 

Voor Weber speelt de ontwikkeling van de wetenschap op zich geen rol in het ontstaan van de Westerse beschaving. Hij hecht vooral belang aan de betekenis van de wetenschap in de moderne maatschappij als veruitwendiging van de Westerse rationaliteit. Voor het ontstaan van die rationaliteit waren ideële factoren beslissend. De wetenschap was volgens Weber het eerste maatschappelijke terrein waarop deze nieuwe mentaliteit duidelijk werd. Verder was de verbinding van wetenschap, techniek en economie van essentieel belang voor de ontwikkeling van het kapitalisme.

 

3.1.5) De moderne Muziek en Kunst

 

Op het eerste zicht lijken kunst en muziek, veel meer dan de vorige onderwerpen, voor de leek terreinen van gevoel en irrationaliteit. Toch kan men ook in dit onderwerp de typische Westerse rationaliteit terugvinden. Weber had het plan om een sociologie van alle kunsten te schrijven[87], maar hij deed dit uiteindelijk alleen voor de muziek, onder invloed van de pianiste Mina Tobler met wie hij een buitenechtelijke relatie had.[88] De titel is misleidend: Weber heeft het nooit echt over een sociologie van de muziek, maar wel over de plaats van de muziek binnen de Westerse beschaving. In de muziek is de invloed van de Westerse rationaliteit te zien in de dodekafonische structuur, de logische harmonieën, de rationele opdeling van het orkest in verschillende afdelingen, en van de muziek zelf in verschillende genres als symfonie, sonate, concerto,…

 

Zoals gezegd is Weber er nooit toe gekomen om de rationalisatie van de andere kunsten te beschrijven.. De rationalisatie voltrok zich echter niet alleen in de kunsten zelf, maar wel op hun interactie met de samenleving. De plastische kunst is in Webers ogen “verzelfstandigd”, onafhankelijk geworden van de andere aspecten van de samenleving als politiek en religie. Op deze manier wordt de maatschappij “bevrijd” van de irrationaliteit van de kunst.[89]

 

3.1.6) Het moderne individu

 

Weber hechtte een kapitaal belang aan de rol van waarden en ideeën in de geschiedenis. De kracht van deze idealen zorgt voor handelingen die de alledaagse routine kunnen doorbreken en dus “geschiedenis kunnen schrijven”. Deze idealen zorgden voor het ontstaan van “historische vernieuwers” als de puriteinen en de Joodse profeten.

 

Hét grote voorbeeld van de invloed van waarden op het handelen van het individu, is Webers stelling over de invloed van de puriteinse mentaliteit op het ontstaan van het moderne kapitalisme.

 

3.2) Methodologie

 

Hoewel het grootste deel van Webers oeuvre bestaat uit wat men empirisch onderzoek kan noemen, heeft hij toch een aantal bijdragen geleverd aan de methodologie en filosofie van de humane wetenschappen. Deze werken waren bijna altijd het resultaat van een concrete wetenschappelijke discussie die toen aan de gang was, of van een methodologisch probleem waarmee hij in de loop van zijn onderzoek geconfronteerd werd.

 

In Webers tijd vond er in Duitsland een discussie plaats over de eigenheid van de menswetenschappen ten opzichte van de natuurwetenschappen. Wilhelm Dilthey ging er van uit dat de werkelijkheid in twee verschillende sferen opgedeeld was: één voor de uitingen van de natuur, en één voor die van de menselijke geest. Deze twee sferen vereisten vanwege hun fundamenteel verschillend karakter ook een fundamenteel verschillende methodologie. De culturele werkelijkheid was volgens Dilthey, in tegenstelling tot de natuur, door de mens van binnenuit begrijpbaar. Dilthey noemde dit intuïtief begrijpen einfühlen. Volgens Dilthey was het fundamenteel verkeerd om de geesteswetenschappen volgens de methode van de natuurwetenschappen te benaderen. Dilthey was dus gekant tegen het gebruik van zoiets als algemeen geldende wetten in de menswetenschappen.[90]

 

Ook Windelband en Rickert (die goed bevriend was met Weber) keerden zich tegen het natuurwetenschappelijke monisme, maar omwille van een andere reden. Zij plaatsten het verschil tussen de generaliserende en ideografische wetenschappen niet in de natuur van het bestudeerde object, maar wel in de gevolgde methode. Windelband had immers opgemerkt dat een menswetenschap als psychologie, net als de natuurwetenschappen, ook op zoek was naar algemeen geldende wetten, terwijl bijvoorbeeld de historiografie daar (althans volgens Windelband) helemaal niet mee bezig was. Ook Rickert ging akkoord met een onderscheid tussen generaliserende en individueel-beschrijvende wetenschappen. Hij voegde eraan toe dat de onderzoeker in een ideografische wetenschap de keuze van zijn onderzoeksobject moest laten bepalen door Wertbeziehung. Rickert bedoelde hiermee dat de onderzoeker de keuze van zijn thema moest maken door dit thema te betrekken op een abstract systeem van universeel geldende waarden.[91] Weber zal later deze term overnemen, maar hij wijst het universele waardensysteem af dat ermee gepaard gaat.[92] Volgens Weber moet de onderzoeker zijn thema’s kiezen op basis van wat in zijn samenleving belangrijk wordt geacht.

 

Webers methodologische geschriften vallen samen te vatten in drie kernbegrippen: waardenvrijheid, ideaaltypische analyse en de verstehende methode.

 

3.2.1) Waardenvrijheid

 

Weber zette zijn visie over de waardengeladenheid van de wetenschap uiteen in een artikel voor de Verein für Sozialpolitik: Die Objektivität sozialwissenschaftlicher und sozialpolitischer Erkenntnis. Dit artikel was vooral gericht tegen de oudere generatie Kathedersocialisten, die er een gewoonte van maakten wetenschap en politiek te vermengen, en hun politieke overtuiging naar voor brachten alsof het vaststaande wetenschappelijke kennis was. Weber pleitte voor een strikte scheiding tussen de wetenschappelijke wereld, die per definitie zo waardenvrij mogelijk diende te zijn, en de politieke wereld, waarin iedereen vrij zijn mening mocht uiten. Dit betekende niet dat een wetenschapper geen politieke overtuiging mocht hebben, maar wel dat hij zijn wetenschappelijke (sein-uitspraken) en politieke overtuiging (sollen-uitspraken) gescheiden diende te houden. Wat de wetenschap wel kon doen, was objectief nagaan of bepaalde middelen voldoende waren om een gegeven doel te bereiken, of er eventuele neveneffecten zouden kunnen optreden, eventuele tegenstrijdigheden blootleggen,…De wetenschap kan de mens met andere woorden laten inzien wat hij kan, en beter laten begrijpen wat hij wil.

 

Het begrip waardenvrijheid betekent ook niet dat de menswetenschappen niet vanuit een bepaald standpunt vertrekken. Weber is immers van mening dat de wetenschapper zijn onderzoeksobject moet kiezen door middel van Wertbeziehung.[93] De aanwezigheid van bepaalde waarden is dus een noodzakelijke voorwaarde om aan wetenschap te kunnen doen.[94]

 

3.2.2) Ideaaltypische Analyse

 

Weber was van mening dat de manier waarop in de wetenschap begrippen worden gebruikt onvoldoende doordacht was, en daardoor vaak tot misverstanden leidde. Hij pleitte voor heldere, algemeen aanvaarde begrippen, die hij ideaaltypes noemde. Een ideaaltype heeft dus niets te maken met een (moreel of anderssoortig) ideaal. Weber bedoelt hier veeleer een soort utopie mee, een bepaald cultureel of maatschappelijk verschijnsel dat in het extreme getrokken wordt om zijn karakteristieke eigenschappen te kunnen verduidelijken. Deze ideaaltypes komen in de werkelijkheid nooit voor. Ze zijn niet meer dan een heuristisch begrip. Door het toepassen van een bepaald ideaaltype op een cultuurverschijnsel kan een wetenschapper nagaan in hoeverre dat individueel verschijnsel overeenstemt met of verschilt van zijn ideaaltype. Op deze manier is het mogelijk om elk historisch verschijnsel vanuit een helder begrippenapparaat in zijn specifieke eigenheid. te bestuderen. Weber leidde het concept ideaaltype waarschijnlijk af uit de “empirische typen” van Georg Jellinek.[95]

 

3.2.3) Het Verstehen

 

Volgens Weber hadden de menswetenschappen een groot voordeel ten opzichte van de natuurwetenschappen. Zij konden immers, naast een zuivere beschrijving, ook een deutende verklaring geven. De onderzoeker kan met andere woorden de zin van een bepaalde menselijke handeling (verstehen heeft enkel betrekking op handelen, niet op bijvoorbeeld. gemoedstoestanden) subjectief begrijpen, doordat hij zich kan identificeren met zijn onderzoeksobject. Als we bijvoorbeeld iemand met een natte spons over zijn auto zijn wrijven, begrijpen we als mens onmiddellijk de zin van een dergelijke actie (het wassen van een auto), zonder dat we daar een wetenschappelijke motivatie voor kunnen of moeten geven.

 

Weber maakt verder een onderscheid tussen Aktuelles Verstehen, dat wil zeggen het onmiddellijk begrijpen van de zin van een bepaalde handeling (bijvoorbeeld. het wassen van een auto), en het dieperliggende Erklärendes Verstehen, het blootleggen van de onderliggende motieven van een bepaalde actie (Waarom wast iemand een auto). Het probleem hierbij is dat verschillende motivaties tot hetzelfde resultaat kunnen leiden, en verschillende resultaten kunnen voortkomen uit dezelfde motivatie. Een andere moeilijkheid is dat dit systeem geen rekening houdt met irrationele motivaties en de irrationele gedachtegang van sommige mensen die aan een bepaalde motivatie een handeling koppelen die daar logisch gezien niets mee te maken heeft.

 

3.3) Ideaaltypisch begrippenapparaat

 

Weber voegde de daad bij het woord in verband met zijn stelling over de begripsverwarring in de wetenschap en ontwikkelde een coh