| Beschaving en engagement. François-Gabriel-Joseph, markies du Chasteler in het historisch bedrijf van de Oostenrijkse Nederlanden. (Ruben Mantels) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Hoofdstuk 3: Het achttiende-eeuws historisch bedrijf geconcretiseerd. Een analyse van het historisch onderzoek van Du Chasteler
Wanneer men de organisatie van het achttiende-eeuws historisch bedrijf bekijkt, kan men vier met elkaar verbonden niveau’s onderkennen in de manier waarop de historici het verleden trachtten vorm te geven.
De ‘oude’ geschiedbeoefening van de chroniqueurs uit de eerste helft van de achttiende eeuw, zette – verdeeld over de vele geschiedenissen van provincies, steden, abdijen en kloosters die werden geschreven – de grote lijnen van het nationale verleden uit. Inventariserend en informatiegericht van karakter, bood ze de historische gegevens van de bestudeerde entiteit in een opsommende stijl. Dit naakte verleden, herleid tot de essentie van een geraamte, diende aangevuld te worden met een corpus van feiten dat haar vorm en gestalte kon geven. Het antiquarische bronnenonderzoek legde zich erop toe deze feiten aan te leveren. De academische dissertatie, beoefend door de historicus, kon ze integreren in een vernieuwende, meer gedetailleerde geschiedschrijving. Op haar beurt leverde dit de bouwstenen voor het uiteindelijke project van de Zuid-Nederlandse geschiedschrijving in de achttiende eeuw: het schrijven van een nationale geschiedenis, voorzien van vlees en bloed.
In dit onderdeel wil ik laten zien hoe Du Chasteler – als auteur van kroniekachtige beschrijvingen, bronnenvorser, historieschrijver en theoreticus van de nationale geschiedenis – op elk van de vier niveau’s van het nationale historisch bedrijf heeft bijgedragen tot de vormgeving van het nationale verleden.
1. ‘Skeletten van het verleden’. De provinciale geschiedenis en de studie van het keizerrijk in de pre-academische periode
Het genre van de provinciale en lokale geschiedenissen in de Zuid-Nederlandse geschiedschrijving werd hoofdzakelijk beoefend door amateur-historici uit de eerste helft van de achttiende eeuw. De verschillende provincies en belangrijkste steden kregen elk hun geschiedenis. Vaak waren deze bedoeld voor een breder publiek en werden ze veeleer populariserend geschreven. Een generaliserende typering van dit genre kan erin besluiten ze te omschrijven als kroniekachtige werken, met een verzamelend karakter en strevend naar volledigheid. De hoofdbetrachting van de auteurs was steeds een overzicht te bieden van wat zij tot de belangrijkste historische gegevens met betrekking tot de desbetreffende geografische entiteit rekenden: de oorsprong en beschrijving van de stad of provincie met haar belangrijkste abdijen en kastelen, de levens van de opvallendste kerkelijke figuren, een chronologisch overzicht van de vorsten die in de loop der tijden geregeerd hadden en een weergave van de voornaamste (militaire) gebeurtenissen onder hun bewind.[206]
Studies over thema’s die niet de nationale geschiedenis tot onderwerp hadden, waren uitzonderlijk voor de geschiedschrijving in de Oostenrijkse Nederlanden. Du Chastelers werkstuk over het Duitse Rijk is, in tegenstelling tot de Henegouwse geschiedenis, in het geheel niet karakteristiek voor de toenmalige historiografie. Dit neemt echter niet weg dat er tussen beide werken opvallende formele gelijkenissen vast te stellen zijn.
De provinciale geschiedenis
Du Chasteler heeft geen volwaardige provinciale geschiedenis geschreven, maar wel een Abrégé van de geschiedenis van het graafschap Henegouwen van de tiende tot de veertiende eeuw. Het werkje, dat achteraan in het boekje met zijn Vie de François-Gabriel-Joseph marquis du Chasteler verstopt zit, telt zoals gezegd een 35-tal handgeschreven pagina’s en is getiteld Abrégé de l’histoire du pays et comté de Hainaut. Aangezien de Vie de François-Gabriel-Joseph marquis du Chasteler min of meer chronologisch afbreekt omstreeks 1766, staat dit mij toe te veronderstellen dat ook deze verkorte Henegouwse geschiedenis rond deze periode is ontstaan. Dat vermoeden wordt nog versterkt door het feit dat een aantal onderwerpen, die hier slechts op een terloopse manier worden aangeraakt, later zullen terugkeren in het academische werk van Du Chasteler. Tenslotte laat een globale indruk van het werk niet toe het op kwalitatief niveau te plaatsen naast zijn latere academische verhandelingen. Als dit vermoeden klopt, betekent dit dat dit beknopt overzicht van de Henegouwse geschiedenis geen voorbereidende studie is, laat staan het volledige werk, dat Du Chasteler beloofde te leveren over de geschiedenis van de provincie Henegouwen in het kader van zijn plan voor een nationale geschiedenis van de Nederlanden (1779).[207] Daarin stelde hij immers een werkverdeling voor waarbij verschillende academici elk een provincie zouden behandelen en hij voegt er de volgende opmerking aan toe: ‘On pourroit même commencer par une esquisse des faits principaux; & chacun ne pourroit-il pas avant deux ans achever l’abrégé de l’Histoire de la Province, dont il se seroit chargé?’.[208] Hoewel het wel een verleidelijke gedachte blijft om te opperen dat deze Abrégé de l’histoire du pays et comté de Hainaut wel degelijk een realisatie is van de hier aangekondigde ‘schets van de voornaamste feiten’ met betrekking tot het Henegouwse provinciale verleden, lijkt het me onwaarschijnlijk. Waarom zou Du Chasteler in de beginjaren 1780 teruggrijpen naar een boekje waarin hij vijftien jaar daarvoor enkele autobiografische gegevens had genoteerd, om dan uitgerekend daarin een verkorte Henegouwse geschiedenis, bedoeld voor de Académie, neer te schrijven ? Het lijkt me geschikter deze gedachte op te geven en het werk te beschouwen als een verdere stap in de historische vorming van Du Chasteler aansluitende bij de eerste initiaties die hij bij Klein, zijn mentor in historicis, verkregen had.
De manier waarop het werk geconcipieerd is en de inhoud gepresenteerd wordt, sluit inderdaad ook veel beter aan bij de ‘oude’ provinciale geschiedbeoefening dan het beantwoordt aan de verwachtingen die de Académie op historiografisch vlak stelde. Vergeefs zal men op zoek gaan naar gegevens met betrekking tot de beschavingsgeschiedenis, een weldoordacht opgezet betoog of een uitgewerkt notenapparaat met bronvermelding:[209] de thematische en vormelijke eisen van de academische geschiedschrijving worden met andere woorden in dit werk (nog niet) opgevolgd. Het is daarentegen de politieke lijn, uitgezet over de verschillende opeenvolgende graven die Henegouwen bestuurden, die primeert.[210] ‘Le païs et comté du Hainaut fût gouverné dès l’an 900 par des souverains particuliers; le premier fût Raignier surnomé au long col’, zo opent Du Chasteler zijn Henegouwse geschiedenis, en met de de bespreking van gravin Margareta van Constantinopel besluit hij het werk.[211] Daartussen worden een elftal graven en gravinnen – Reinier II, Reinier III, Reinier IV, Richilde, Boudewijn I, Boudewijn II, Boudewijn III, Boudewijn IV, Boudewijn V, Boudewijn VI en Johanna van Constantinopel – opgevoerd met telkens dezelfde terugkerende elementen. Steevast worden huwelijk(en), kinderen en sterfdatum van de graaf vermeld met aansluitend het verhaal van de opmerkelijkste regeringsdaden.[212] Dat laatste is nagenoeg synoniem met de militaire exploten van de graaf, die in steeds wisselende allianties verwikkeld was in een strijd met de Noormannen, de Duitse keizer, de Franse koning, de hertog van Lotharingen, de graven van Vlaanderen of andere vorstendommen. De oorlogsdaden in functie van het graafschappelijke belang en de toevallige resultaten daarvan vormen in feite het enige onderwerp van dit jeugdwerk. In de Abrégé wordt de Henegouwse geschiedenis met andere woorden verdicht tot een histoire bataille.
En dit relaas van de militaire wederwaardigheden van de Henegouwse graven blijft hoofdzakelijk steken op feitelijk niveau. Aandacht voor causale verbanden, het zoeken naar beweegredenen of het opmerken van lange-termijngevolgen is er nauwelijks.[213] De enige logica in het werk is de oorlogslogica van winnaars en verliezers en het enige feit waarmee Du Chasteler geoccupeerd is, is het onmiddellijke feit. Slechts hier en daar wordt het verhaal – dat als een sneltrein van het ene feit naar het andere gaat, van de ene graaf naar zijn opvolger en van de afgelopen veldslag naar de volgende strijd – even onderbroken voor een korte beschouwing. Zo haalt Du Chasteler bij het aantreden van gravin Richilde in het midden van de elfde eeuw even adem om het volgende op te merken: ‘Cette Princesse se trouvoit à la tête des domaines considerables que son esprit superieur lui feroit glorieusement gouverner’.[214] Soortgelijke adempauzes treft men enkel nog bij het korte portret van Boudewijn van Henegouwen (de tweede echtgenoot van Richilde) en de mijmeringen die Du Chasteler zichzelf toestaat bij de dood van Richilde.[215] Voor het overige raast het verhaal aan de oppervlakte verder, blijkbaar zonder nood aan enige verdieping, om naar het einde toe helemaal te vervallen in een louter kroniekachtige opsomming. In de laatste tien pagina’s van het werk – die blijkens de verschillende inkt en schrijfstijl later zijn geschreven – verdwijnt werkelijk elke analyse en blijft slechts een aaneenrijging van feiten in een min of meer chronologische orde over. Het is duidelijk dat Du Chasteler in dit laatste gedeelte nog niet verder was gekomen dan een ruwe kladversie.
Hoewel het werk, zoals blijkt uit de vorm, methode en inhoudelijke conceptie, duidelijk in de traditie van de compilatorische provinciale geschiedenis staat, heeft deze Henegouwse studie niettemin een doorwerkende invloed gehad op Du Chastelers latere historische activiteiten. Thema’s die hij hier voor het eerst aanraakt zullen immers terugkeren in zowel enkele academische dissertaties als in voorstellen voor prijsvragen. ‘A quel titre le comte Herman, époux de la comtesse Richilde, fut-il comte de Hainaut; était-ce de son chef ou du chef de la comtesse son épouse ?’, was de vraag die de Académie op voorstel van Du Chasteler als academische prijsvraag voor 1785 uitschreef. Uit de tien inzendigen werd het werk van De Smet bekroond, terwijl Philippe Baert, bibliothecaris van Du Chasteler, en de latere academicus Lesbroussart een eervolle vermelding verkregen.[216] Minder succes had de prijsvraag die Du Chasteler voorstelde voor het jaar 1788: voor de eerste maal in de geschiedenis van de academie kwam er geen enkel antwoord binnen op de vraag over de hertog Ghislebert, zoon van de Henegouwse graaf ‘Reinier met de lange nek’.[217] Bijzonder interessant is de bijgevoegde verduidelijking bij de vraag, waar precies werd uiteengezet wat de Académie verwachtte van de mededingers voor de competitie. Uitdrukkelijk werd hen op het hart gedrukt zich niet te beperkten tot ‘la vie de ce prince’, maar integendeel, een bijzondere aandacht aan de dag te leggen voor de sociaal-economische geschiedenis (‘les prérogatives, les domaines et les droits utiles dont il était en possession’), de geografische constellatie (‘un détail exact des différents états dont ce royaume était alors composé’) en de politieke cultuur (‘quel en était à cette époque le gouvernement politique’) ten tijde van deze vorst.[218] De enge politiek-militaire invalshoek gehanteerd in de provinciale geschiedschrijving, wordt hier uitgebreid tot een modernere historiografie die zich niet beperkt tot de biografie van de respectievelijke hertog, maar met een breed palet de toenmalige samenleving wil schetsen.
Over de figuur van de heilige Crasmer, die in deze Henegouwse geschiedenis kort wordt opgevoerd als diegene die door zijn vroomheid en gebed als bij mirakel de Hongaren wist te verdrijven, zal Du Chasteler een Dissertation ou l’on cherche à fixer le temps ou Crasmer fut éveque de Tournay presenteren in de academische zitting van 22 maart 1781. De passages over de verwoestingen van de Noormannen in de tiende eeuw, de kruistochten van Boudewijn II (met de vermelding van Godfried van Bouillon) en Boudewijn V geven aan dat thema’s die Du Chasteler later in extenso in een tweetal prijsvragen zal behandelen, hem reeds op twintigjarige leeftijd bezighielden. Deze Henegouwse studies hebben dus naar Du Chastelers verdere historische carrière toe een belangrijke rol gespeeld in de historische kennisverwerving en bepaling van specifieke historische interessevelden. Een blijvende aandacht voor de eigen provinciale geschiedenis werd hier immers verwekt.
De studie van het Keizerrijk
Historici in de Zuidelijke Nederlanden werkten in principe over het eigen (nationale) verleden. Dat had uiteraard een praktische reden: het was nu eenmaal om verschillende redenen gemakkelijker een geschiedenis aan te vatten over de eigen stad of provincie dan over een politieke entiteit die niet binnen de nationale grenzen pastte. Een eenvoudige toegang tot het vereiste (bronnen-)materiaal bijvoorbeeld, was al hoegenaamd niet vanzelfsprekend voor de studie van het Zuid-Nederlandse verleden, laat staan dat dit het geval was voor buitenlandse onderwerpen. In de Académie gold er overigens een impliciet verbod voor het werken over de niet-nationale geschiedenis, conform het economisch geschiedschrijvingmodel dat ze hanteerde. Zij oordeelde dat het getuigde van onbezonnenheid de schaarse historische krachten te verspillen aan ‘buitenlandse’ onderwerpen, terwijl de studie van de nationale geschiedenis nog nauwelijks in de steigers stond. De ontginning van het eigen nationale verleden kende voor haar ook omwille van andere redenen een primauteit: immers, enkel de de studie van het eigen verleden was nuttig.
Studies over het Duitse Keizerrijk zoals Du Chasteler in zijn Histoire très abregée de l’empire depuis Charles-Quint bracht, zijn dan ook ronduit uitzonderlijk te noemen voor de contemporaine historiografische ontwikkeling. Meteen moeten wel de praktische obstakels voor het schrijven ervan gerelativeerd worden: het werkje telt immers slechts zeven bladzijden en steunt allesbehalve op een gedreven bronnenonderzoek. De studie is dan ook niet belangrijk voor haar inzichten over de geschiedenis van het Duitse Rijk, maar wel het om het eenvoudige feit dat ze bestaat. Ze toont immers een niet evidente interesse van Du Chasteler voor historische thema’s die niet rechtstreeks tot het eigen nationale verleden behoren (hoewel ook dit, gezien de feodale leenband vanaf de volle Middeleeuwen, ook weer niet moet overdreven worden). Deze specifieke interesse voor de Duitse geschiedenis was bij hem reeds op tienjarige leeftijd ontstaan, toen hij, zoals hij in zijn Vie de François-Gabriel-Joseph marquis Du Chasteler later aangaf, besloot de studie van ‘l’histoire germanique depuis Jules Cesar jusqu’à l’empereur aujourd’hui regnant’[219] aan te vatten. De enige mogelijke verklaring voor deze vroege voorliefde voor het Duitse verleden is te vinden in de eventuele afkomst van zijn begeleider Klein uit dit gebied, zoals de naam van deze jezuïet mogelijkerwijze verraadt. Het is immers op zijn instignatie dat de jonge markies deze studie ondernam.
Net zoals de Henegouwse geschiedenis heeft Du Chasteler ook deze resultaten van zijn historische fascinatie voor het Duitse Rijk goed weggeborgen, ditmaal aan de achterkant van een studieboek met genealogische notities.[220] In tegenstelling tot deze notities, in feite slordig samengestelde kladschriftjes waarvan de titels oneindig veel meer beloven dan de opeengehoopte stambomen en adellijke kwartieren, is het derde werk dat de bundel bevat, de Histoire très abregée de l’empire depuis Charles-Quint, een netjes geschreven, keurig uitgewerkt opstel over één eeuw Germaanse geschiedenis (1519-1619). Het stuk is net zoals de Henegouwse geschiedenis niet gedateerd, zodat opnieuw enkel een relatieve datering ten opzichte van de twee genealogische studies rest. Veel meer dan het vermoeden dat deze verkorte geschiedenis van het keizerrijk in de jaren zestig van de achttiende eeuw is ontstaan, levert dat niet op.
Du Chasteler heeft voor de opzet van deze studie voor het traditionele kader van de opeenvolgende bewindslieden gekozen. Het zijn de regeringsperioden van de vijf keizers die de Duitse troon in de zestiende eeuw bezetten, die de leidraad vormen waarrond de belangrijkste gegevens van de Duitse geschiedenis uit deze periode verweven worden. Achtereenvolgens gaat het om Karel V (1519-1558), Ferdinand I (1558-1564), Maximiliaan II (1564-1576), Rudolf II (1576-1612) en Matthias (1612-1619), van wie telkens – naast de geboortedatum, leeftijd en moment van overlijden – de voornaamste gebeurtenissen uit hun bewind worden vernoemd. Dat laatste stelt vaak niet zo veel voor. Voor Ferdinand blijft het bij een ‘il vit regner le calme dans l’empire pendant son regne’,[221] Maximiliaan II wordt bedacht met een gelijkaardige ‘cet empereur vit l’allemagne jouir d’un calme’[222] en ook Matthias bestuur heeft Du Chasteler weinig geïnspireerd tot meer verheffende passages. Enkel Karel V – aan wie even veel plaats wordt toegemeten als aan de overige vier keizers tesamen – en Rudolf II mogen zich verheugen in een uitgebreidere bespreking. Hoe dan ook, op formeel vlak houdt deze werkwijze alleszins een treffende gelijkenis in met de Henegouwse geschiedenis (waar de opeenvolgende graven de leidraad vormen), terwijl ook inhoudelijk de nadruk op de politieke – en dat is opnieuw nagenoeg synoniem met militaire – gebeurtenissen reminescenties oproept aan de Abrégé. De geschiedenis van het zestiende eeuwse keizerrijk valt in Du Chastelers bestek immers samen met een dubbele strijd: intern is er een conflict met de protestantse gebieden en extern dreigt de Turkse sultan. Oorlogsdaden en vredesverdragen met beide tegenstanders wisselen mekaar af en bepalen de politieke agenda – en zodoende ook de geschiedenis – van de Duitse keizers.
Opnieuw kan er besloten worden met een verwijzing naar de invloed die deze studie op de latere historicus Du Chasteler heeft gehad. Deze is uiteraard veel beperkter, aangezien het verdere geschiedkundig onderzoek van Du Chasteler zich exclusief zal bewegen op het terrein van de nationale geschiedenis. Het raakpunt tussen deze studie over het Duitse keizerrijk en zijn historische arbeid als academicus ligt dan ook in de figuur van Karel V, die als Duits keizer en vorst over de Spaanse Nederlanden in beider geschiedenissen voorkomt. In een Réflexions sur les troubles des Pays-Bas, sous le gouvernement de Marguerite de Parme, een werkstuk dat Du Chasteler presenteerde tijdens de bijzondere academische zitting van 12 juli 1782 ter gelegenheid van het hoge bezoek van de Russische tsaar, wordt de studie van Karel V, die in de Histoire très abregée de l’empire depuis Charles-Quint een aanvang kende, opnieuw opgenomen. Naast de korte vermelding in de protocoles, dat het werk ondermeer ‘un parallele de Charles-Quint et de Philippe II’ betrof, is er over de inhoud van het stuk niets meer te achterhalen.[223]
Skeletten van het verleden
‘Wat voor een reiziger een landkaart of een stadsplan is’,[224] dat waren, althans in de woorden van Bertholet, de Abrégés voor lezers op zoek naar een eerste kennismaking met het verleden van een bepaalde streek of politieke entiteit. De volslagen leek zocht er een houvast of een eerste oriëntatie en had daarbij weinig behoefte aan een meerdelig exhaustief overzicht en nog minder aan een doorwrocht gedetailleerde studie: het historisch kader volstond. Het was met andere woorden inherent aan het genre van de Abrégés dat er slechts ‘skeletten van het verleden’[225] werden geboden. De Abrégé van de Henegouwse geschiedenis en de studie over het Duitse Keizerrijk – très abrégée – voldoen dus uitstekend aan de eisen van het genre: beide beperken zich tot het aanreiken van het politieke raamwerk, dat, zeker in het geval van de Henegouwse geschiedenis, samenvalt met de militaire exploten van de opeenvolgende leiders. In beide werken wordt tevens de chronologie strict gerespecteerd, krijgt men vaak de exacte datum van de belangrijkste gebeurtenissen, en geeft de methode van de opeenvolgende bewindslieden een gemakkelijk te volgen continuïteit aan het werk.
De Henegouwse geschiedenis en de studie van het Keizerrijk laten zien dat Du Chasteler als chroniqueur heeft meegewerkt aan het opzetten van het geraamte. De volgende delen getuigen van zijn inzet in het bronnenonderzoek, de verzilvering ervan in de academische geschiedschrijving en de uitbouw van het nationale project.
2.’Grafdelvers en ontdekkingsreizigers’.[226] Numismatisch, archeologisch en diplomatisch bronnenonderzoek in de Academie
Du Chasteler onderscheidde in zijn inaugurele Réflexions sommaires sur le plan a former pour une histoire générale des Pays-Bas Autrichiens (1779) vier soorten bronnen waarvan de toekomstige auteur van een geschiedenis van de Oostenrijkse Nederlanden gebruik diende te maken: gedrukte boeken, handschriften, archivalisch materiaal van openbare en privé aard en materiële bronnen.[227] Deze laatste groep, bestaande uit ‘des monumens publics, des médailles, des monnoies, des anciennes peintures’ had sterk aan belang gewonnen in het historisch onderzoek van de achttiende eeuw. De achterliggende oorzaak voor deze doorbraak van numismatische en archeologische overblijfselen, tezamen met het overige niet-literaire bronnenmateriaal, als historische bron, had te maken met de groeiende overtuiging dat ‘charters and other public statements, coins, inscriptions and statues were better evidence than literary sources’.[228]
Dat neemt niet weg dat er met betrekking tot de ‘traditionele’ bronnen, de handschriften en het archivalisch materiaal, nog heel wat werk te verrichten was. Het overgrote deel van de interessante archieven en manuscripten ‘sont encore inconnus, & restent ensevelis dans la poussiere des bibliotheques’, terwijl de ontsluiting ervan bemoeilijkt werd door halsstarrige archivarissen en bibliothecarissen die de historici de toegang ontzegden (‘l’accès a presque toujours été interdit aux recherches des savans isolés’).[229] De inventarisering en openstelling van dit ontzaglijk historisch patrimonium was tegelijkertijd de achilleshiel en het grootste verlangen van de academici. Als grafdelvers speurden ze de bodem af op zoek naar munten, penningen, antiquités of andere materiële overblijfselen uit het verleden, als ontdekkingsreizigers trokken ze erop uit naar de klooster en abdijbibliotheken, de private en openbare bibliotheken in binnen- en buitenland.
A. ‘Ressources souvent uniques & toujours décisives’. De studie van de materiële bronnen
De studie van de materiële bronnen had een stevige positie verworven binnen de academische werkzaamheden. Ter illustratie: bijna 1/3 (29%) van de uitgegeven academische dissertaties bewogen zich op het domein van de numismatiek of archeologie.[230] Het belang dat er aan deze studies werd gehecht, en de ijver die academici als Nelis, Heylen, Gerard, Ghesquière en Du Chasteler aan de dag legden om ze te ondernemen, heeft, zoals reeds gesignaleerd, allereerst te maken met het besef dat munten, penningen en archeologische resten allerhande een waardevolle bron vormden, niet in het minst met betrekking tot de Oudste Tijden en de Oudheid. Daarnaast weerspiegelt de studie van de antiquités ook een thematische verschuiving die zich binnen de academische historiografie voltrok. Materiële bronnen konden immers – veel beter dan dit het geval was in de traditionele geschiedbeoefening – ingeschakeld worden in de groeiende aandacht die zij had voor de zedelijke en beschavingsgeschiedenis en de sociaal-economische geschiedenis.[231]
Ondanks het feit dat dit onderzoek naar waarde werd geschat, werd het nauwelijks op een georganiseerde manier beoefend. Hoewel, zoals verder zal blijken, de Académie een aantal schaarse pogingen heeft ondernomen om aan actieve prospectie en opgravingen te doen, kenmerkten archeologische vondsten zich vaak door een toevallig karakter. Het klassieke scenario bestond erin dat arbeiders naar aanleiding van werken een vondst deden, waarna een toesnellende ‘geleerde’ met wat geluk – als de buit nog niet verdeeld was – enige voorwerpen kon redden.[232] Du Chasteler is een vijftal keren deze toesnellende geleerde geweest.
Op ‘theoretisch’ niveau roemde hij dit bronnenmateriaal wat vaag als ‘ressources souvent uniques & toujours décisives’. Een kritische houding bleef echter geboden om de authentieke overblijfselen te onderscheiden ‘de ceux que l’intérêt ou la passion n’ont que trop souvent fabriqués’.[233] Ondanks deze positieve waardeschatting heeft Du Chasteler in de praktijk van de eigenlijke geschiedschrijving geen gebruik gemaakt van materiële bronnen. De studie ervan ondernam hij in afzonderlijke bijdragen.
Numismatiek
‘Je n’ai pu m’en procurer que 23’, merkte Du Chasteler enigszins teleurgesteld op.[234] In april 1784 hadden werklui langs een oude Romeinse weg een urne met maar liefst 700 munten opgegraven. Toen de markies hoorde over deze vondst was het kwaad echter al geschied: het overgrote deel van de munten was reeds verkocht aan diverse personen (‘a été vendue à differentes personnes’). Bij zijn komst lukte het hem enkel nog – tegen betaling – deze 23 munten en zowaar nog enkele stukken van de urne te bemachtigen. Op 22 april 1784 verhaalt hij zijn belevenissen aan de mede-academici in een Note sur des medailles romaines du IIIe siècle, déterées près de Casteau en Hainaut, voegt er een catalogus van de bemachtigde munten bij en laat de stukken van de urne rondgaan. De analyse die in de Note geboden wordt van deze materiële overblijfselen uit de Romeinse Oudheid beperkt zich tot een opsomming van de opschriften (‘cette dernière, dont le revers offre la Victoire marchant sur une globe où sont enchaînés deux esclaves accroupis, porte pour épigraphe Victoria Germania’) en een globale datering van het fonds. Dat gebeurt aan de hand van de afgebeelde keizers: ‘La plus ancienne est de Marc Aurele Antonin, la plus nouvelle de Gallien (...) ce qui me fait croire que ces médailles auront été enfouies dans l’intervalle qui s’est écoulé entre ces deux époques’. Over de tweede (en laatste) dissertatie die Du Chasteler op het vlak van de numismatiek gepresteerd heeft, is er bij gebrek aan zelfs maar een samenvatting, nog minder te zeggen. Wat de Note sur quelques médailles betreft, ‘on ne dira rien ici’ staat er in de Protocoles te lezen, terwijl de Journales des Séances ons laten weten dat het stuk, samen met enkele andere werken, ‘furent réservés pour un autre temps’.[235]
De Académie had met de opheffing van de jezuïetenorde ook het muntendepot van deze orde verworven, waardoor het voor numismatici mogelijk was onderzoek te verrichten zonder aangewezen te zijn op de goodwill (en geldzucht) van enkele werklui. Toch werd er nauwelijks iets gedaan met het fonds, dat in bewaring was gegeven aan Nelis. Pas wanneer met de benoeming van deze tot bisschop te Antwerpen (eind 1784) er moest worden uitgekeken naar een nieuwe huisvesting voor het depot, herinnerde de Académie zich haar muntenkabinet. Er kwam een brief van de gevolmachtigd minister Belgiojoso aan te pas, die aandrong op de ordening en catalogisering van het kabinet.[236] Omwille van onduidelijke redenen zouden de academici echter pas tweeënhalf jaar later reageren op Belgiojoso’s verzoek en maatregelen nemen met betrekking tot het muntenkabinet. Mann werd aangezocht om het bij hem onder te brengen, samen met ‘les Cabinets d’histoire naturelle et des Instrumens de Physique’ die er zich reeds bevonden en er werd een comité samengesteld, bestaande uit Gerard, Ghesquière en Du Chasteler, om een catalogus op te maken.[237] Wat er daadwerkelijk is terechtgekomen van de catalogiserende werkzaamheden en van het muntenkabinet zelf, is niet te achterhalen. Als we Belgiojoso moeten geloven stelde het kabinet hoe dan ook niet veel voor: ‘Je souhaîterais’, zo schrijft hij in zijn brief, ‘qu’elle fut composée de maniere à mériter le suffrage des connaisseurs, mais il est à espérer qu’au moins elle contiendra d’assez bonnes choses pour pouvoir servir à un commencement’.
Antiquités
Een aantal maanden na het overlijden van markies Du Chasteler (11 okt. 1789) werden ‘quelques morceaux d’antiquités et d’Histoire Naturelle’ uit zijn nalatenschap te koop aangeboden. Enkele academici onderzochten de stukken, die waren tentoongesteld in de ‘Salle d’Assemblée’ van de Koninklijke Bibliotheek, en oordeelden ze geschikt voor de verrijking van het kabinet van de Académie. Op de zitting van 24 maart 1790 werd dan ook afgesproken om – ‘jusqu’à la somme de deux Louis d’or’ – de artefacten aan te kopen.[238]
Eén van de tentoongestelde stukken betrof ‘la Statue en pierre de la Déesse Néhallenia’, een monument uit de derde eeuw na Christus waarover Du Chasteler op 4 juni 1788 een academische lezing had gehouden. Het beeld was op dat moment niet onbekend bij de academici: in 1769 had des Roches in zijn bekroonde prijsvraag een passage gewijd aan het monument en nog in 1787 stelde graaf Fraula een etymologisch onderzoek naar de naam van het beeld voor.[239] Door tussenkomst van Du Chasteler bij wijlen minister Van de Perre, kon de Académie in het bezit komen van het originele beeld en het is naar aanleiding van deze schenking dat Du Chasteler zijn studie onderneemt. De Mémoire sur la Déesse Néhallennia (1788) opent dan ook met een eerbetoon aan de gulle mecenas. In de enkele pagina’s die volgen wordt een analyse van het beeld geboden, beginnende met de datering, een etymologisch luik, vervolgens een epigrafische studie en tenslotte een contextanalyse, waarin Du Chasteler tracht eerdere onderzoeksresultaten te weerleggen. De historiografische discussie wordt in casu gevoerd met Vredius (1596-1652),[240] die in zijn Flandria Vetus – naar aanleiding van de vondst van het (letterlijk) boven water gekomen beeld op 5 januari 1647 op het eiland Walcheren (Zeeland), tegenover Domburg – had geopperd dat het verzonken beeld het slachtoffer was geweest van een iconoclastische daad van Willibrordus.
Het Nehallenniabeeld maakte deel uit van een groep monumenten die waarschijnlijk een onderdeel vormden van een tempel uit de Oudheid. Aan de hand van de munten, die tevens tevoorschijn kwamen bij de archeologische vondst van 1647, poogt Du Chasteler een datering op te maken met betrekking tot het tijdstip van de overstroming van de tempel. In tegenstelling tot de numismatische studies gebruikt hij hier, naast de afbeeldingen van de keizers, ook ‘la forme des lettres de l’inscription’[241] om te besluiten dat de tempel ten tijde van de tiran Tetricus, en dat zijn – zo vertelt de l’Art pour vérifier les dates (1750) van de Mauristen – de jaren 268-273, door het water overspoeld is. Ze had aldus een veertiental eeuwen onder water gelegen alvorens enkele verbaasde Zeelanders haar in het midden van de zeventiende eeuw op hun strand aantroffen. De analyse van de naam leert de markies dat het om een Gallische Godin gaat. “Nehallennia” zou immers afkomstig zijn van een Gallische woord met een Keltisch oorsprong, “Neal-lenn”, voorzien van het suffix –ia. “Neal-lenn” zou dan – en dat vindt hij ditmaal in het Dictionnaire Celtique van Bullet (1679-1775)[242] – in deze oude taal “Godin van de zee en van de wateren” betekenen. Inderdaad bevestigt het opschrift het etymologische vermoeden dat het om een maritieme godin gaat. “Ob meliores actas votum solvit”, weet Du Chasteler te ontcijferen en dat levert in vertaling – en hier doet hij een beroep op de Thesaurus linguae latinae (1532) van Robertus Stephanus (1503-1559)[243] – “voor het verkrijgen van betere oevers” op.
Deze gegevens laten hem toe – samen met Cannegieter (1691-1770) in zijn Brittenburgio (1734)[244] – de positie van Vredius af te wijzen en zelf een conclusie voor te stellen. Het ongelijk van Vredius wordt immers niet alleen aangetoond met de vaststelling dat Willibrordus moeilijk een verzonken tempel kan verwoesten, Du Chasteler weet er tevens nog een aantal argumenten aan toe te voegen: het onstentenisbewijs (‘le silence des auteurs à cet égard’), de verdere historiografische stilte tot 1647 en het gegeven dat de monumenten nog geheel intact zijn. Steunend op het dateringsonderzoek, de etymologische en epigrafische vaststellingen formuleert hij dan een eigen slotconclusie. Als voorzichtig historicus doet hij dit met een vraagteken erachter: ‘Doit-on ce monument à un marin, qui soupiroit après les rivages qui l’avoient vu naître ou à un habitant de la Zélande qui désiroit des côtes plus propres à la navigation? Je ne le déciderai pas’.[245]
Ghesquière en De Hesdin, aangeduid als commissaires, oordelen het werk van Du Chasteler waardig om te verschijnen in de Mémoires de l’Académie. Hun rapporten bevatten niettemin ook een aantal kritische opmerkingen betreffende de dissertatie over het Nehallenniabeeld.[246] Ghesquière concentreert zijn aanmerkingen rond de vraag of de stichting van Domburg vergezeld ging met Romeinse ouderdomspapieren of niet.[247] Dat was, volgens hem, niet het geval: de ouden spraken er niet over, Smallegange (1624-1710) maakte er in zijn Chronique de Zélande (1696) geen melding van en ook deden cartografen als Peutinger (1465-1547) dit niet. Ook De Hesdin neemt in dit debat stelling tegen Du Chasteler en Des Roches, die in zijn Histoire ancienne des Pays-Bas autrichiens eveneens de tegenovergestelde mening was toegedaan. Voor het overige bevestigt (‘car je suis de meme avis que Mr. le Marquis, ‘Il en est tres apparant, comme le juge Mr. le Marquis’, ‘comme l’observe Mr. le Marquis’,) de ruime bespreking die De Hesdin aan het werk besteedt in grote lijnen de etymologische en epigrafische bevindingen van Du Chasteler, de voorgestelde datering en de uiteindelijke conclusie.[248]
De overige archeologische activiteiten van Du Chasteler houden zich – net als de numismatische Notes – op het niveau van het beschrijven van vondsten of beperken zich zelfs tot het louter tonen van een interessant object. ‘M. le Marquis Du Chasteler communiqua à l’Académie de la part de M. le Comte Lamberti une pyrile enfermée dans un schisle; ce morceau avoit été trouvé dans les Pyrenées’ vermelden de protocoles van 13 mei 1784.[249] De jaren daarvoor had Du Chasteler zijn collega’s reeds onderhouden over een archeologisch project te Bornem, een zestiende-eeuwse opgraving te Zaventem (‘Saventheim’) en hij had een voorstel ingediend om enkele graftomben in Tienen aan een nader onderzoek te onderwerpen.[250] In 1787 zou nog een verslag volgen van enkele artefacten die op zijn eigen markizaat waren bovengehaald.[251]
De ontdekking te Bornem was het gevolg van dijkwerken aan de Schelde, waarbij de arbeiders in de meimaand van 1781 op een diepte van 33 voet ‘quelques antiquités’ aantroffen. Nog geen dag was het nieuws bekend of Du Chasteler, die wegens reisplannen zelf belet was, stuurde zijn bibliothecaris Philippe Baert ter plaatse ‘avec ordre d’examiner le tout, et d’en remettre une notice exacte au Secrétaire de l’Académie’. Dit verslag van Baert omvat een beschrijving van de acht gevonden voorwerpen, waaronder een bronzen Jupiterbeeld van een voet hoog, de linkerarm, dij, been (maar geen voet) van een bronzen beeld van vier en een half voet, een bronzen helm, een bronzen medaille van keizer Commodius, een bronzen gelaat van een Jupiter met gouden ogen, een verroest stuk ijzer en tenslotte het voetstuk van een bronzen figuur. Een gelijkaardige opsomming kan men lezen in La description et les dessins de quelques antiquités romaines, découvertes dans une tombe à Saventheim en 1507 (1782), een studie van een ‘oudhedenbestand’ dat tweehonderdvijftig jaar voordien was opgedolven en ‘sindsdien in de vergeetput was beland’. De bewaarde samenvatting vermeldt enkele vazen, een aantal munten, een stempel en een lamp ‘en forme de Priape, si fraiche qu’au moment de la découverte on la crut tout recemment éteinte’. Wat betreft de archeologische expeditie in zijn eigen achtertuin, houdt de Journal des Séances het op ‘plusieurs morceaux d’Antiquités Romaines’ die aan de voet van een oude eik werden aangetroffen. De eik in kwestie, zo verzekert men ons, maakte deel uit van ‘un bois antique qui ne porte aucune trace d’avoir jamais été exploité depuis les siecles les plus réculés’.
Het meest interessant lijkt nog het voorstel voor een project rond de Tiense graftomben. Tien jaar daarvoor had Nelis in een gelijkaardig geval gepleit voor het opstarten van een onderzoek rond een monument in het Doornikse, ‘connu sous le nom de Pierre de Brunehault’.[252] Dit onderzoek was niet enkel belangrijk voor het monument zelf, maar ook voor wat er mogelijk onder lag. Opgravingen zouden immers, aldus Nelis, zeker en vast ‘quelques médailles ou autre antiquités’ blootleggen zodat de noodzakelijke uitgaven royaal gecompenseerd konden worden met deze ‘découvertes intéressantes’. Nelis kreeg via bemiddeling van de gevolmachtigd minister dan ook toestemming om het monument te onderzoeken en de resultaten daarvan publiceerde hij in een Réflexions sur un ancien monument du Tournaisis, appelé vulgairement la pierre de Brunehaut (1773). Aan publicatie zijn Du Chasteler en Mann alleszins niet toegekomen en in hoeverre ze hun opgravingen in Tienen hebben doorgevoerd is evenmin duidelijk. Du Chasteler had in een Note sur les tombes de Tirlemont (1782) een korte historiek gegeven van dit soort graftomben en tevens aan de academici het voorstel gedaan om opgravingen op te starten ‘dans l’espérance d’y trouver quelques antiquités’. De Académie geeft haar toestemming en lost de aanvraag administratief op door er een Voyage Litteraire van te maken: aldus verkreeg de expeditie een officieel karakter en, wat belangrijker was, een budget van 600 florijnen. Zo goed als zeker zijn beide academici daadwerkelijk van start gegaan met de archeologische werkzaamheden, maar het lijkt erop dat het project daarna een stille dood is gestorven.[253]
Korte Conclusie
Géén van de numismatische of antiquarische beschrijvingen is gepubliceerd (ze werden daartoe ook niet ingediend door Du Chasteler) noch is er een rapport over bewaard, in tegenstelling tot wat het geval is met de analyse die geboden wordt in de studie over Déesse Néhallenia: zij wordt een academische publicatie waardig geacht en uitgebreid gerencenseerd door twee collega-academici. Wel wordt er meestal een korte samenvatting of vermelding in de protocoles van de zittingen of in de Journal des Séances opgemaakt. Dat geeft aan dat deze stukken – zoals de verslagen over de vondst te Zaventem, het project in Bornem, de opgravingen te Courcelles én de Notes in verband met numismatiek – eerder een informatieve dan een onderzoekswaarde hadden. Ze werden opgemaakt met het doel de academici te attenderen op nieuw of pas opgedoken bronnenmateriaal, maar niet om hen op een grondige studie ervan te vergasten. Het ging immers ook om recente ontdekkingen (uitgenomen de tweehondervijftig jaar in het geval van Zaventem) die vaak berustten op eigen veldwerk en waarvan men de eerste resultaten zo snel mogelijk wilde meedelen om de academici up to date te houden. En als forum voor het intern bedelen van de laatste wetenschappelijke ontwikkelingen bewezen de stukken van Du Chasteler en anderen wel degelijk hun nut. Op de eerste plaats al omdat de notities die ze van de vondsten opmaakten, ervoor zorgden dat de munten of aniquiteiten ‘ne tombassent dans l’oubli, fort qu’ont eu assez constamment dans ces Provinces avec les découvertes de cette nature’.[254] Belangrijker was dat de academici van deze verslagen ook gebruik konden maken om de laatste vondsten te integreren in hun eigen historische werkzaamheden. Zo kon een collega als Pieter Jozef Heylen (1737-1793), werkende aan het eerste systematisch overzicht van archeologisch materiaal met betrekking tot de Zuidelijke Nederlanden, in zijn Dissertatio de antiquis romanorum monumentis in Austriaco Belgio (1782) de door Du Chasteler gepresenteerde informatie over de graftombe te Zaventem en het Jupiterbeeld dat in Bornem was bovengehaald, integreren.[255]
Het enige onderzoek dat Du Chasteler gepleegd heeft op het vlak van de materiële bronnen blijft dan zijn studie over de Godin Nehallennia. Naast een grondige analyse van het monument – epigrafisch, etymologisch en chronologisch – impliceert dit het aanreiken van een context, het leggen van verbanden en het kritisch gebruik van andere bronnen en literatuur, om zodoende tot de formulering van een eigen conclusie te komen.
B. ‘C’est-là que sont déposés les vrais titres de l’Histoire’. De studie van de tekstuele bronnen
De Noord-Nederlandse historicus van de middeleeuwse instellingengeschiedenis, erudiet bronnenvorser en latere professor in de geschiedenis te Leiden, Adriaan Kluit (1735-1807),[256] schreef in augustus 1774 een brief naar de pas opgerichte Académie die haar even deed panikeren.[257] Kluit vertelde over een opmerkelijke vondst van ‘un ancien diplome en original’ die hij had gedaan in de kathedraal van Brugge tijdens een Voyage Littéraire langsheen de Zuid-Nederlandse archieven. De lezing van dit voorval bracht de academici op de huiveringwekkende gedachte dat mogelijk de volgende stap wel eens de publicatie van de nationale bronnen ‘par des Savans Etrangers’ zou kunnen worden, ‘ce que ne seroit guerres d’honneur à l’Académie qui par etat devoit s’occuper à cet objet’. Om dit rampscenario te vermijden achtte men het wenselijk dat de academieleden zelf aan het werk togen.
Le recueil de nos Mémoires n’est pas destiné à publier des annonces
Naast de dreigende intellectuele vernedering om het eigen patrimonium door buitenlanders te zien ontsloten worden, was er, zoals reeds betoogd, ook een historiografische levensnoodzakelijkheid om bronnenstudies te ondernemen. Het was immers in de overblijfselen van het verleden ‘dat de waarachtige titels van de geschiedenis berustten’.[258] Een eerste manier waarop de academici trachtten deze titels te bemachtigen, was aan de hand van academische dissertaties waarin een charter, diploma of een andere schriftelijk overblijfsel uit het verleden voor het voetlicht werd gehaald.[259] De Dissertation ou l’on cherche à fixer le temps ou Crasmer fut éveque de Tournay (1781) en de Mémoire sur Philippe de Clèves, seigneur de Ravestein (1782) – de bijdragen van Du Chasteler in dit genre – betreffen de meer analytische vorm van bronnenstudies, waarin een zeker historisch exposé of historiografische discussie wordt gevoerd voortvloeiende uit de nauwgezette studie van één bronfragment. In de Dissertation wenste Du Chasteler uitsluitsel te geven over een historiografisch dispuut met betrekking tot de periode waarin de Doornikse bisschop Crasmer had geleefd. Steunend op ‘un diplome de Chilperic’ had een zekere Cousin beweert dat dat in de zesde eeuw moet geweest zijn. Du Chasteler meent op basis van een kritische herlezing van hetzelfde diploma dat de bisschopswijding van Crasmer pas in de achtste eeuw plaatsvond.
Il réfute le sentiment de Cousin, qui croyoit trouver dans un diplome de Chilperic, une preuve certaine de l’existence de ce Prélat dans le sixieme siecle. L’examen critique de ce Diplôme, fait proprement l’objet du Mémoire de M. Du Chasteler. Il attribue cette chartre à Chilperic II, & fait voir qu’elle ne peut avoir été donnée en aucune maniere par le premier Chilperic. Il tire ses preuves; 1° de l’année de l’indiction qui doit convenir avec la premiere année du regne de Chilperic; 2° de la mention du scel apposé, formuel extrêmement rare sous les Rois de la premiere race; 3° de la nature même de la donation.[260]
Een nauwgezette bronnenkritiek – chronologisch en sigillografisch – en de algemene indruk van het diploma gaven als resultaat enkele preuves voor het feit dat het om een diploma ging afkomstig uit de kanselarij van Chilperic II en dat bijgevolg Crasmer in de achtste eeuw had geleefd. Zoals uit deze Disseration blijkt, kon in deze bronnenstudies de externe (diplomatische) studie van een charter een aantal inhoudelijke gegevens opleveren die eventueel als een prille vorm van geschiedschrijving kunnen beschouwd worden. ‘Het kritisch onderzoek van het diploma’, bleef echter het wezenlijke onderdeel van de studie en de historische conclusies waren er (slechts) een gevolg van.
De Mémoire sur Philippe de Cleves, Seigneur de Ravestein toont een gelijkaardige mengvorm tussen bronnenstudie en elementaire vorm van geschiedschrijving. Du Chasteler had in zijn eigen familiearchief de Mémoires militaires van deze oorlogsfiguur opgerakeld, en zijn studie bevat zowel een analyse van dit manuscript als de historische gegevens die er – op basis van deze analyse – over deze figuur te verstrekken zijn. De enkele regels die in een rapport van Nelis over deze studie bewaard zijn, getuigen van het grote belang dat men hechtte aan de ontdekking van het nieuwe bronnenmateriaal (en niet zozeer aan het historische exposé). Nelis wilde het gehele manuscript meteen al maar uitgeven.
‘J’ai lu avec le plus grand plaisir ce que j’avais déjà entendu lire dans les mêmes sentimens, les recherches sur Philippe de Cleves, Seigneur de Ravestein et sur ses mémoires militaires par M. le Marquis Du Chasteler, directeur actuel de notre academie. La manière dont l’auteur de ces recherches parle d’un manucrit ignoré de tous nos bibliographes, car pour moi je n’en connais aucun qui nous ait donné des notions mêmes superficielles de ce manuscrit avant M. de Chasteler, dans la famille de qui ce manuscrit s’est conservé depuis qu’il existe [et] l’intérêt qu’il a repandu sur l’ouvrage ainsi que sur la personne de l’illustre guerrier qui l’a composé, tout doit faire desirer au public de voir paraitre l’ouvrage meme’.[261]
Deze twee Mémoires, en vooral dan deze enthousiaste reactie van Nelis, geven aan dat dergelijke bronnenstudies een vergelijkbare attenderende functie hadden als de beschrijvingen van materiële bronnen: de academici werden op de hoogte gebracht van nieuw ontdekt of in een ander licht bekeken bronnenmateriaal. Ze geven ook aan dat, meer dan het het geval was met de numismatische en antiquarische studies, een aandachtige lezing van het voorgestelde bronfragment ook naar een zekere aanzet tot geschiedschrijving kon leiden, zij het dan steeds beperkt tot de verzameling van de gegevens die het desbetreffende stuk bevatten. Het eerste doel van deze bronnenstudies blijft dan ook de presentatie van een merkwaardig, belangrijk of verkeerd begrepen historisch document en een wezenlijk belang van de studie blijft het bekendmaken ervan. Paquot (1722-1803) had in zekere zin dan ook gelijk, wanneer hij in een bijtende kritiek op wat hij een ‘inventaire’ van de correspondentie tussen Granvelle en Belin noemde van de hand van Berthod (1733-1788), zich liet ontvallen dat ‘le recueil de nos Mémoires n’est pas destiné à publier des annonces’.[262] Hoewel hij het op die manier niet bedoelde, waren dit soort bronnenstudies inderdaad niet geschikt voor publicatie. Hun waarde lag in de informatie die ze verstrekten over vanuit het stof opgedoken nieuw materiaal of de nieuwe interpretaties die ze boden van reeds bekend materiaal, bedoeld voor het gehoor van een interne kring van specialisten en inderdaad minder geschikt voor het ruime publiek. De collega-academici konden met deze nieuwe documenten en inzichten hun voordeel doen in de de eigen historiografische activiteiten, en het waren deze historische publicaties – en idealiter een nationale geschiedenis van de Oostenrijkse Nederlanden – die voor het publiek bestemd waren.
Het signaleren van nieuw bronnenmateriaal gebeurde trouwens niet enkel met deze bronnenstudies. Het gebeurde ook dat buitenlandse correspondenten de Academie op de hoogte stelden van pas ontdekt of recent uitgegeven bronnenmateriaal dat nuttig kon zijn voor de historici van het genootschap. Tewater (1740-1822), secretaris van het Zeeuwsch Genootschap, liet bijvoorbeeld niet na in zijn correspondentie de Academie in te lichten over de laatste historische nieuwtjes. Naast het spectaculaire bericht over de vondst van enkele mummies in Egypte hield dit ook de laatst verschenen bronnenuitgaven in: ‘Ook heeft de heer Bordeau, Professor in de Rechten te Utrecht en Historieschrijver van Gelderland, door den druk gemeen gemaakt het eerste deel van zijn Charterboek van ’t Hertogdom Gelre en ’t Graafschap Zutphen, waar in zeer veele aanmerkelijke Stukken van de VII tot de XI [eeuw] voorkomen, en voorts geleerde aanmerkingen, die ongemeen dienen ter ophelderinge van den Nederlandsche Historien in de Middel-eeuwen. Van den Heere van Leeuwen te Thiel zullen wij in ’t kort krijgen het levende, doch tot nu toe onuitgegeven, Chronicon Tielende, met goede Latijnsche aanteekeningen, waar door de Historie van Brabant en Vlaanderen ook hier en daar eenig licht ontfangen zal, gelijck mij uit de reeds afgedrukte bladen, onlangs aan mij ter lezinge toegezonden, gebleken is’.[263] En Hendrik Van Wijn (1740-1831), nog een geleerde afkomstig uit het Noorden, schreef niet zonder trots over de vorderingen van zijn uitgeversarbeid: ‘Pour le reste, consacrant aujourd’hui ma vie entière aux sciences, j’espere, Messieurs, de vous pouvoir offrir, en peu, le premier volume de la guerre de Limbourg, finie par la Bataille de Woeringen en 1288 par Jean de Helu. Cet ouvrage vous est trop connu pour en faire icij la description. – J’y joindrai, en 3 Tomes, mes notes historiques et grammaticales pour l’intelligence du vieux language Flamand, et j’ose me flatter, qu’on y trouvera plusieurs points historiques developpez obscures jusqu’icij’.[264] Deze, misschien wat pittoresk aandoende annonces, geven meteen ook het niveauverschil tussen de historiografische ontwikkeling in Noord en Zuid aan. Waar de Noordelijke historici voor de dag kwamen met volledige, meerdelige uitgaven van belangrijke bronnencorpussen, bleef het in het Zuiden (zoals verder nog zal blijken) op dat vlak vooral bij voorbereidende plannen en het oprichten van comités waar weinig resultaat van kwam. De historici van de Academie hielden het eerder op de productie van bronnenstudies in artikelvorm en ondernamen – althans dat was de bedoeling – jaarlijkse Voyages Littéraires om nieuw bronnenmateriaal te prospecteren.
De ‘Voyage Littéraire’ naar de Weense Keizerlijke Bibliotheek
Het ondernemen van dergelijke archiefreizen was statutair bedongen in het reglement van de Academie, dat er uitdrukkelijk in voorzag jaarlijkse Voyages Littéraires te ondernemen door twee van haar leden met het doel bibliotheken en archieven te doorzoeken op bronnenmateriaal met betrekking tot het nationale verleden.[265] Met deze Voyages trachtte de Academie een meer georganiseerd karakter te geven aan de zoektocht naar historische documenten betreffende de geschiedenis der Nederlanden. Needham omschreef de taak van de academicus belast met een (historische) Voyage littéraire als volgt: ‘L’historien examinera les archives de villes, abbayes ou couvens et rassemblera des matériaux nécessaires à l’histoire du pays (...) [et il sera tenu] de faire à l’Académie et au gouvernement un rapport détaillé de [ses] découvertes’.[266] Kaunitz stelde in verband met de praktische realisatie van deze Voyages een dotatieverhoging voor van 600 florijnen, waarmee Maria-Theresia instemde.[267] Niets stond de academici nog in de weg om er als ‘ontdekkingsreiziger’ op uit te trekken.
Toch hebben ze amper, en al zeker niet op een systematische manier, gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Gerard merkte in 1780 teleurgesteld op: ‘Je ne puis a cette occasion me suspendre de rappeler a l’academie qu’un d’articles de son reglement porte qu’on fera tous les ans un voyage littéraire, et qu’à la grande surprise du public il ne s’est point fait aucune de ces voyages’.[268] Er werden wel Voyages Littéraires langsheen de Zuid-Nederlandse archieven en bibliotheken uitgevoerd, zoals deze van Berthod ondernomen in 1774, maar deze waren niet het werk van academici. Du Chasteler is de enige academicus geweest die iets heeft ondernomen dat het predikaat Voyage littéraire verdient.[269] Zijn Liste de quelques manuscrits de la Bibliothèque impériale de Vienne, relatifs aux Pays-Bas (1781) is echter niet expliciet in een dergelijk kader ondernomen,[270] wat echter niet wegneemt dat de Liste wél voldoet aan de eisen van een dergelijke literaire reis, namelijk (een reis), het doorlichten van een bibliotheek op manuscripten met betrekking tot de nationale geschiedenis en de voorstelling van de resultaten van dit opzoekwerk in een academische dissertatie.
Concreet bevat de Liste een beschrijving van 37 stukken, waarvan de selectie en studie op een tweetal weken werd volbracht. Systematisch worden de stukken één voor één aan een geijkte analyse onderworpen, die begint met het aangeven van de beschrijfstof, het formaat, eventueel het lettertype en de vorm (‘Le manuscrit est sur velin, grand in folio, de toute beauté’ (nr.6)). Titelopgave, datering en auteurschap – gaande van zeer nauwkeurig (‘Manuscrit intitulé: le Trésor de l’Arche-Ducale d’Autriche & de Bourgogne & très noble Ordre de Thoison d’or, 1556, (...) par Claude Perrod’ (nr. 30)) tot uiterst vaag (‘Cette description ne laisse rien à désirer; elle est faite par un François qui paroît été ingenieur’ (nr. 15)) – worden in een tweede stap verstrekt. Soms voegt Du Chasteler er nog een korte beschrijving bij van de inhoud of structuur van het werk, eventueel door het overnemen van de inhoudstafel. Opvallend is de grote aandacht voor eventuele miniaturen, gravures en ‘vignettes’, die steeds op een grondige beschrijving kunnen rekenen. Deze belangstelling voor beeldmateriaal correspondeert met de aandacht die hij in zijn Réflexions sommaires sur le plan à former pour une histoire générale des Pays-Bas autrichiens (1779) vroeg voor ‘anciennes peintures’[271] als historische bron, een vraag die hij – zoals deze Liste aantoont – ook in de praktijk van het eigen bronnenonderzoek ernstig nam. Tot slot geeft Du Chasteler bij een aantal stukken nog een evaluerende opmerking of persoonlijk commentaar mee. Hij duidt de interessante passages aan (‘On y trouve des choses intéressantes sur la guerre de succession’ (nr.2)), geeft aan tot waar het de nationale geschiedenis betreft (‘Il finit ce qui regarde les Pays-Bas au fol. 46’ (nr. 29); ‘Se trouve de la page 124 à 144 deux traités sur les Brabançons & les Belges, ensuite il parle de la Maison de Hesse’ (nr. 32)) of spreekt een (vernietigend) waardeoordeel uit: ‘C’est un monument du plus mauvais goût’ (nr. 30).
Met deze bibliotheekopzoekingen in Wenen was Du Chasteler niet aan zijn proefstuk toe. In functie van zijn genealogisch onderzoek had hij tientallen stedelijke en kerkelijke archieven en bibliotheken in Frankrijk en de Nederlanden bezocht, maar ook voor zijn academische dissertaties ondernam hij bibliotheekreizen. De Hesdin, werkend aan een studie over de Henegouwse graaf Herman van Saksen, lichtte hij in over een interessant manuscript dat hij had opgedolven in de abdijbibliotheek van Saint-Germain-des-Prés, terwijl hij in zijn Dissertation over Crasmer beloofde met verdere opzoekingen in de Doornikse archieven zijn stelling verder uit te werken.[272] Aanvullend archief- en bibliotheekonderzoek voor de historiografische werkzaamheden deed Du Chasteler blijkbaar vrij regelmatig en de landgrens vormde hierin geen onoverkomelijk beletsel. Een wezenlijk verschil met de Weense opzoekingen is dat in de Liste het bibliotheekonderzoek niet langer in functie van een concreet historisch onderzoek staat, maar als een autonoom doel geldt. De bibliothecaire opzoekingen zijn niet bedoeld voor integratie in een lopende historische studie, maar vormen het voorwerp van een afzonderlijke bijdrage en dragen het statuut van een hulpwetenschap. Uitdrukkelijk wordt het stuk betiteld met Liste: de ambities van het werk gaan niet verder dan het aanbieden van een (opsommende) inventaris van handschriften met betrekking tot het nationale verleden, bewaard in de Keizerlijke Bibliotheek te Wenen. Het gaat om een naslagwerk, waarvan historici die wél concrete historiografische bezigheden op stapel hebben staan, gebruik kunnen maken. Het werk vervult dan ook een belangrijke attenderende functie voor deze historici, die er onbekende manuscripten of in de Nederlanden niet te vinden uitgaven konden aantreffen. Gerard beschouwde de studie dan ook als ‘tres curieuse et interessante (...) puisqu’il y est fait mention de quelques auteurs ou traducteurs peu ou point connus’.[273]
Gerard was de enige van de drie recensenten – Des Roches, De Fraula en Gerard zelf – die van mening was dat de Liste beter ongepubliceerd bleef. Deze weigering betrof niet het stuk zelf – daar was hij zeer enthousiast over – maar het genre waarin het vervat was. ‘Est il ou n’est il pas d’usage de publier dans des collections academiques des pieces du genre de celui qui fait le sujet de ce rapport’, zo vroeg hij zich af.[274] Dat was volgens hem niet het geval, omdat het publiek – dat ook in de achttiende eeuw een verhalende geschiedschrijving prefereerde – niet zat te wachten op een vijfendertig pagina’s lange systematische opsomming van manuscripten. Naslagwerken waren er om geconsulteerd en niet om gelezen te worden.
Paradoxaal genoeg is het dezelfde Gerard die in 1785 een aantal wijzigingen zal voorstellen om in de Mémoires een ruimte te creëren voor dergelijke studies.[275] Zijn ideeën worden drie jaar later opnieuw opgepikt en ook daadwerkelijk uitgevoerd in het laatste verschenen volume academische Mémoires (1788):
‘Sur une Note lûe par M. Gerard touchant la place qu’il falloit assigner dans les Volumes aux pieces de ce genre [men verwijst hier naar Du Chastelers Liste], il fut résolu, que les notices à donner successivement des manuscripts et autres monumens rélatifs à l’histoire Belgique, composeront en chaque volume une section à part sous un tître disinct à la suite des Mémoires Historiques et que celle dont il s’agit de M. le Directeur, sera mise à la tête, et suivi des Notices pareilles données par Dom Berthod, M. l’Abbé Lambinet’.[276]
De Liste de quelques manuscrits de la Bibliothèque impériale de Vienne, relatifs aux Pays-Bas bevindt zich inderdaad onder een aparte afdeling (‘Notice des manuscrits et monumens relatifs a l’histoire belgique’), die naast de afdeling Mémoires het deel Histoire constitueert. De paradox van Gerard is hiermee ook verklaard: de bronnenbijdragen worden gescheiden van deze met een historische narratio en ondergebracht in een aparte afdeling.
Naast de Liste van Du Chasteler werden in deze nieuwe afdeling een Notices de Mss. & autres Monumens relatifs à l’Histoire Belgique, extraits par Mr. Gerard du Voyage Littéraire de Dom Berthod en een Notice de quelques Manuscrits qui concernent l’Histoire Belgique & qui se trouvent dans la Bibliothèque publique de Berne van Abbé Lambinet[277] ondergebracht.[278] Beide stukken vertonen opmerkelijke verschillen met de Liste van Du Chasteler. Ze beperken zich tot een analyse van slechts een aantal stukken, waarbij er naast een technisch luik, veel meer aandacht wordt besteed aan een inhoudelijke bespreking van de charters, diploma’s en kronieken waarover het gaat. Zoniet in extenso opgenomen, worden uitgebreide fragmenten van de documenten geciteerd, vergeleken met andere edities en bestudeerd aan de hand van secundaire literatuur. Waar Du Chasteler een inventariserende opsomming biedt, schrijven Berthod en Lambinet eerder een essay.
Het Comité historique
‘‘Surtour prenez garde que vos vues ne tournent en ridicule. Rien n’en approche d’avantage qu’un grand projet mal soutenu’’[279]
Du Chasteler, Reflections sur les moiens d’etre heureux pendant la vie
In één van de eerste maanden na de oprichting van de Académie doet Nelis, verwijzend naar het nationale bronnenproject van de Franse historici (de Recueil des historiens de France), de volgende opmerking: ‘Une entreprise semblable pour l’histoire Belgique serait un honneur infini a ceux qui l’ordonneraient et l’exécution ne serait pas difficile, pourvu que le gouvernement favorisat le dessein’.[280] Hoe moeilijk het opzetten van een organisatie met als doel de uitgave van het nationale historisch patrimonium wel zou worden, kon Nelis in de volgende jaren aan den lijve ondervinden.
Gebrek aan inzet of goede wil om een dergelijk project te volbrengen, kan men de Académie hoegenaamd niet verwijten. Het uitgeven van de nationale bronnen beschouwde ze als een wezenlijk onderdeel van haar intellectuele opdracht, waaraan ze – voortbouwende op de erfenis van de eerste plannen rond 1760[281] - vanaf de eerste zittingen begonnen was te werken. ‘Dès le moment de son institution, & lorsque ce Corps n’existoit que sous le titre de Société Littéraire, il avoit formé le projet de publier un recueil de nos Historiens & de nos monumens Historiques’, tekent academiesecretaris Des Roches in de Journal des Séances op.[282] Het voorbereidende werk voor dit project zou echter pas onder druk van concurrende initatieven van de (ex-)jezuïten omgezet worden in een concrete infrastructuur voor de realisatie ervan.
Medio achttiende eeuw hadden deze hun Museaum Bellarminianum (1612), een apologetisch studiecentrum voor kerkgeschiedenis opgericht in het kader van de controverse met het jansenisme, hervormd tot een Museum Historiographicum met een oriëntatie op de studie van de nationale geschiedenis.[283] De stuwende kracht achter het instituut was de latere academicus Ghesquière, die er het Analecta Belgica project opstartte en het vorm gaf in een Prospectus operis quod inscribetur (1773). Het plan voorzag in een onderzoeksgedeelte dat de studie van de profane geschiedenis van de Nederlanden behartigde en een onderdeel bronnenuitgaven, dat uiteenviel in een Acta Sanctorum Belgii en een corpus (profane) kronieken en diplomatisch bronnenmateriaal. De opheffing van de jezuïetenorde nog in hetzelfde jaar van Ghesquières Prospectus betekende een opschorting van de plannen van Ghesquière en het begin van een jarenlang getouwtrek, dat in essentie neerkwam op de vraag wie de organisatie van de uitgave van de nationale bronnen op zich mocht nemen: de Académie of een nieuw op te richten Société Littéraire in de abdij van Sint-Jacobs-op-de-Coudenberg, bestaande uit een kleine groep ex-jezuïeten rond Ghesquière én – vanaf september 1779 – de academici Nelis, De Fraula en Heylen. De Académie voelde zich, als nationaal wetenschappelijk genootschap, door de overheid voorzien van een historiografisch mandaat, als eerste (en enige) bevoegd voor een dergelijk project en beschouwde (de plannen voor) het concurrende genootschap als een diepe belediging voor het eigen kunnen. Gerard trok – verbitterd – de ultieme conclusie: ‘Si le gouvernement chargeait d’autres personnes que les membres de la classe d’histoire, de la redaction de cet important ouvrage, il ne resterait à ceux-ci déclarés incapables, par ce seul fait, d’autre ressource que de renoncer au titre d’académicien, devenu ignominieux pour eux, et de regretter le temps qu’ils auraient jusqu’ici employé gratuitement et inutilement à l’étude de l’histoire belgique’.[284] Ghesquière aan de andere kant, kon bogen op de eeuwenlange opgebouwde historische know-how van de bollandisten, had een welomlijnd project en de infrastructurele mogelijkheden van de Caudenberg abdij ter beschikking.
De uiteindelijke oplossing voor de tweestrijd kwam in een integratie van Ghesquière en zijn Analectica Belgica project in de Académie. Op 12 oktober 1780 werd hem het lidmaatschap van het genootschap toegekend, op de daaropvolgende bijeenkomst werd besloten een Comité historique op te richten en konden de werkzaamheden – eindelijk – van start gaan.[285] Het Comité vormde een interne werkgroep binnen de Académie, werkende onder het voorzitterschap van Du Chasteler, bestaande uit de academici Nelis, Gerard, Des Roches en Ghequière en belast met ‘la publication des chroniques manuscrites et des autres monumens de notre histoire’.[286] Du Chasteler kreeg tevens de economische en literaire leiding over het Museaum Bellarmini (waar de reeks Acta Sanctorum Belgii zou worden verdergezet) toegewezen om een nauwe samenwerking tussen beide werkgroepen te bevorderen.[287] Deze dubbele functie belastte hem met het bijeenroepen van de aanvankelijk tweewekelijkse vergaderingen (hetzij bij hem thuis, hetzij in de abdij van Coudenberg waar het Musaeum haar verblijf had), het opstellen van een werkverdeling, de rapportering van de werkzaamheden in de academische zittingen en de verantwoording ten aanzien van gevolmachtigd minister Starhemberg in een maandelijkse correspondentie ‘dans lequel il [Du Chasteler] me rendra compte des objets qui auront été traités dans les assemblées du comité, ainsi que des résolutions qui y auront été prises’.[288] Starhemberg voorzag ook in een aantal faciliteiten om het bronnenonderzoek te vergemakkelijken.[289] De weinige uren dat de Koninklijke Bibliotheek toegankelijk was volstonden immers niet om grondige bronnenstudies uit te voeren, zodat Starhemberg het verzoek van het Comité inwilligde en de leden de uitzonderlijke toestemming verleende een aantal volumes per keer te mogen ontlenen om in de rust van de eigen studeerkamer te kunnen werken. Met betrekking tot de bibliotheek van Caudenberg besliste de minister de (bij de opheffing van de jezuïetenorde) geconfisqueerde boeken van het Musaeum er in onder te brengen, de academici er de vrije toegang toe te verlenen en ze eveneens de mogelijkheid te bieden enkele werken te ontlenen.
De eerste twee vergaderingen van het Comité werden besteed aan het opstellen van een werkplan, waarin een aantal praktische richtlijnen werden uiteengezet en een taakverdeling van het uit te geven bronnenmateriaal over de verschillende leden van het Comité opgemaakt.[290] Volledig in de lijn van het academisch ‘economisch’ historiografisch model werd besloten de aandacht bij voorkeur te richten op nuttige historische manuscripten die nog niet in drukvorm beschikbaar waren. Concreet werd er van de de volgende auteurs een uitgave gepland: Edmond van Dinter, Petrus à Thymo (Nelis), Jean de Henin, Molinet, Jean le Clerq, Chastellain (Gerard), de Brabantsche Yeesten van Clericus (Des Roches, die het bovendien op zich nam een ‘bibliothèque historique des Pays-Bas’ samen te stellen), Gislebertus van Mons (Du Chasteler) en Jacques de Guise (Ghesquière). Deze keuze was niet origineel: veel van deze namen circuleerden reeds bij eerdere plannen of waren bekend via academische dissertaties. De Brabantse kroniek van Dinter stond reeds in Nelis’ plannen op de lijst van uit te geven auteurs, kwam voor in Ghesquières Prospectus en rond 1777 trachtte de Académie zelf een uitgave te verzorgen.[291] De diplomatische geschiedenis van Brabant van Petrus à Thymo, waarvan men aanvankelijk dacht dat deze op het einde van de zeventiende eeuw bij bombardementen verloren was gegaan,[292] werd in een aantal dissertaties van Des Roches voor het voetlicht gehaald. Hij had een exemplaar ontdekt in het Brusselse stadsarchief en – in beklagenswaardige omstandigheden – een eerste onderzoek uitgevoerd dat hem overtuigde van de noodzaak om het manuscript uit te geven. In de dissertatie over ‘l’histoire Diplomatique de Brabant de Pierre Van der Heyde connu sous le nom de Petrus à Thymo’ die hij in de zitting van 5 februari 1777 presenteerde, werden ook ‘quelques remarques sur celle de Clericus’ – een andere kroniek die in Du Chastelers werkplan aan Des Roches werd toegewezen – toegevoegd en een pleidooi gehouden voor publicatie ervan als een ‘service signalé à la Littérature Belgique’.[293] De Académie ging akkoord, met steun van de gevolmachtigde minister wist men een kopie van het manuscript te verkrijgen en Des Roches zelf zette in Réflexions de M. des Roches sur l’usage que l’Académie pourrait faire du manuscrit de Pierre à Thymo (ca. 1777) concrete aanwijzingen uit voor de uitgave ervan. Toch kwam er niets van terecht: ‘Les circonstances avoient fait différer l’exécution de ce projet, sans qu’on le perdît de vue’, heet het in de Journal des Séances.[294] Aan de Henegouwse kroniekschrijvers Gislebertus van Mons en Jacques de Guise had Ghesquière zijn inaugurele lezing besteed. Op dezelfde zitting als waarop het Comité historique werd opgericht, onderhield hij zijn nieuwe collega’s met ‘une notice sur l’usage qu’on pourroit faire du manuscrit en langue originale de la Chronique de Gilbert qu’il avoit déterré, ainsi que du troisième Volume de l’ouvrage de Jacques de Guise’.[295] Ghesquière zelf nam dan ook in het twee weken later voorgestelde werkplan De Guise voor zijn rekening, terwijl de Henegouwse geschiedenis van Gislebertus van Mons aan Du Chasteler werd voorbehouden.
Naast dit editoriale luik had het Comité de bedoeling een rondreis langs de bibliotheken in de verschillende provincies te organiseren, ‘pour accumuler les matériaux’ voor een verdere uitbouw van de nationale historische bibliotheek.[296] Hiervoor werden ook enkele academici als De Fraula, De Hesdin en Heylen ingeschakeld die niet tot het Comité behoorden. Du Chasteler nam samen met Nelis de prospectie van het Henegouwse en Doornikse bibliotheekwezen voor zijn rekening en met Gerard zou hij de provincie Namen doorlichten. In de lichtjes afwijkende versie van het werkplan opgenomen in de Correspondance, stond tevens het opmaken van een catalogus met betrekking tot handschriften ‘relatifs aux Pays-Bas’ die zich in de Weense keizerlijke bibliotheek bevonden op het programma: Du Chastelers Liste de quelques manuscrits de la Bibliothèque impériale de Vienne vormt de invulling van dit voornemen. Een laatste onderdeel van de plannen die het Comité op stapel had, betrof een aantal specifieke corpussen bronnenmateriaal die vanuit een bepaalde invalshoek dienden geredigeerd te worden. Een analyse van de Griekse en Latijnse auteurs en een selectie uit het werk van de Bollandisten werd logischerwijze aan de jezuïet Ghesquière toevertrouwd.[297] Théodore Mann, van geboorte Engelsman, werd aangezocht om het werk van de Engelse historici, de collecties van de Duitse historici en de geschiedschrijving rond de kruistochten door te nemen op zoek naar fragmenten met betrekking tot het nationale verleden. Dezelfde Mann – in feite eerder een academicus werkzaam op het vlak van de natuurwetenschappen – verklaarde zich op 4 januari 1781 bereid tot een ander titanenwerk: het opstellen van een ‘Recueil general de tous les traités de paix faits entre les souverains des Pays-Bas et les autres puissances de l’Europe relativement à ces Provinces’ op basis van Rymers Foedera én de redactie van een ‘Liste chronologique & raisonnée de tous les diplomes & chartes, tant imprimés que manuscrits, que l’on puisse decouvrir dans les Pays-Bas autrichiens’ volgens het model dat De Brequigny voor Frankrijk had opgemaakt.[298] Chevalier en Gerard – de ene bibliothecaris van de koninklijke bibliotheek, de ander dé figuur in de herorganisatie van het bibliotheekwezen in het laatste kwart van de achttiende eeuw[299] – bevonden zich in de ideale positie ‘pour faire le catalogue des manuscripts et des historiens belgiques qui se trouvent dans la Bibliothèque de Bourgogne et celle des Jésuites’.
Het dynamisch elan dat de Académie verkregen had met de (uiteindelijke) oprichting van een Comité historique voor de uitgave van het nationaal historisch patrimonium en het enthousiasme dat de leden ervan begeesterde, bracht inspiratie voor nieuwe editoriale initiatieven die min of meer in verband stonden met het Comité. Nelis bijvoorbeeld, liet zich in de bespreking die hij wijdde aan de Mémoire sur Philippe de Clèves, seigneur de Ravestein (1782), verleiden tot het uiten van grootse plannen. Het enthousiasme opgewekt door Du Chastelers presentatie van de Mémoires militaires van Clèves, bracht hem op het idee om maar meteen een uitgebreide collectie van laatmiddeleeuwse ‘Romans’ op te zetten:
‘Je saisis cette occasion pour proposer a notre Académie si elle ne croit pas qu’il serait tres avantageux de faire le même travail sur les differens manuscrits tant de l’ancienne bibliothèque de Bourgogne que des bibliotheques particuliers, et surtout de faire connaître par des extraits curieux cette quantité de Romans des treizieme, quatorzieme et quinzieme siecles qui se trouvent si bien conservés dans cette bibliotheque’.[300]
In hetzelfde rapport spreekt Nelis ook over een eigen lopend project, waarin hij een twaalfdelige reeks van zestiende en zeventiende-eeuwse correspondentie voorbereidt:
‘En attendant, j’offirai au premier jour et successivement a la compagnie, si elle crut bien l’agreer, une notice raisonnée et critique d’une douzaine de volumes de lettres ecrites pendant les seizieme et dix septieme siecles sur des matieres historiques, politiques et philologiques, et dont les extraits, en rependant quelque jour sur notre histoire litteraire des pays Bas, offriront en même tems quelques anecdotes sur l’histoire politique. Je me propose de continuer le même travail sur un certain nombre de chroniques que nous possedons’.[301]
Maar er waren er ook anderen die de marge van een bescheiden Rapport aangrepen om allerhande stoutmoedige plannen te formuleren. Gerard bijvoorbeeld, ontwikkelde naar aanleiding van de bespreking van (alweer Du Chastelers) Liste de quelques manuscrits de la Bibliothèque impériale de Vienne ideeën om een algemene catalogus samen te stellen van alle manuscripten met betrekking tot de nationale geschiedenis ‘epars dans les differentes Bibliotheques publiques et particuliers tant des Pais Bas que des Pais Etrangers’.[302] En hij vervolgt: ‘La publication d’un catalogue raisonné de ces manuscripts seroit de la plus grande utilité pour ceux qui travailleroient a l’histoire des Pais Bas. Ils sauroient alors ou ils doivent recourir pour puiser dans les sources’. Over het nut van een dergelijke inventaris zal iedereen het wel eens geweest zijn, maar van de praktische realisatie kwam niets terecht. De plannen van Gerard om op een systematische manier de abijen-, klooster- en stadsarchieven op interessante handschriften te doorzoeken kenden hetzelfde lotgeval: veel enthousiasme, maar niemand die daadwerkelijk initiatief nam.[303]
Gelijkaardige voorstellen ontvouwde Du Chasteler in zijn bespreking van een Mémoire sur quelques moyens d’obvier aux difficultés que l’on trouve à se procurer l’inspection et la lecture des Manuscrits épais dans les différentes bibliothèques des Pays-Bas, een anonieme dissertatie die in oktober 1780 werd ingezonden ter attentie van de Académie.[304]