| De relatie vrouw-ruimte in religieuze en caritatieve instellingen te Gent in de veertiende en vijftiende eeuw. Een onderzoek naar verschillende aspecten van de geografisch-stedelijke, architecturale, sociale en rituele ruimte bij een twintigtal instellingen. (Els De Paermentier) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
EERSTE DEEL: HET KLOOSTER- EN HOSPITAALWEZEN
Hoofdstuk VI: Architecturale ruimte
In tegenstelling tot de statuten en reglementen met betrekking tot de begijnhoven, waarin slechts op een onrechtstreekse manier vermelding wordt gemaakt van de verschillende gebouwen, kamers en vertrekken, komt dit in de Gentse regels en statuten voor religieuzen sterker naar voor. De vertrekken en gebouwen binnen een kloostercomplex, waaronder als voornaamste de kerk, de refter, de dormter of slaapzaal, de spreekkamer en het slot werden meestal in afzonderlijke capittels, voorzien van een titel die de naam van het gebouw of vertrek droeg, besproken. Toch werd daarbij niet zozeer aandacht besteed aan het gebouw of vertrek als architecturaal geheel[166], dan wel aan de functie die binnen deze ruimtes aan een specifiek persoon werd toegekend, aan de houding die door de kloosterlingen diende te worden aangenomen bij het betreden of verlaten van het gebouw of vertrek en dergelijke meer. De vermelding van andere vertrekken dan deze die hierboven werden vernoemd, varieerde dan weer van orde tot orde. In sommige gevallen werd een apart hoofdstukje gewijd aan de werkkamer of de infirmerie, terwijl deze anderzijds even goed ergens anders onrechtstreeks ter sprake konden komen.
De reglementen en ordonnanties voor de Gentse hospitalen zijn veel minder uitgebreid dan die van de kloostergemeenschappen en bevatten eerder algemene richtlijnen voor de broeders en zusters. Hierdoor wordt het dan ook begrijpelijk dat de voorschriften minder gedetailleerd werden opgesteld en dat er bijgevolg slechts een geringe aandacht ging naar het specifiek gedrag dat door de broeders en zusters binnen bepaalde architecturale ruimtes diende te worden aangenomen.
In het hoofdstuk over de evolutie van het kloosterwezen werd reeds gewezen op de verstrengde maatregelen die mede door de hervormingen van Karel de Grote aan de kloosterorden werden opgelegd om het groeiend misbruik en de talrijke overtredingen van de orderegel tegen te gaan[167]. De ineenstorting van het Karolingische rijk vormde voor de kloosterlingen een gelegenheid om een deel van hun vrijheid terug te winnen, doch dit duurde slechts tot de 11de en 12de eeuw, wanneer door nieuwe hervormingen vooral vrouwelijke monialen werden onderworpen aan een strengere clausuur. Dit hield concreet in dat zij de omsloten en ommuurde kloosterruimte niet mochten verlaten, tenzij met uitzonderlijke toelating van de bisschop. Het verzorgen van armen en zieken in de stad behoorde dus zeker niet tot hun mogelijkheden. Zij werden totaal afgesloten van de buitenwereld en werden als het ware opgelegd hun dagen door te brengen in gebed en meditatie. Koch maakt in haar betoog een duidelijk onderscheid tussen actieve clausuur, waarbij de vrouwelijke religieuzen niet buiten de muren van het slotklooster mochten gaan, en passieve clausuur, waarbij niemand van buiten de muren het klooster mocht betreden[168]. Zij past deze verschillende vormen van clausuur echter enkel toe op Cistercinzerkloosters (vrouwelijke kloosterlingen), die sedert de beslissing van het Generaal Kapittel in 1220 aan een strenge clausuur waren onderworpen. Uit het betoog van Bot kan algemeen worden opgemaakt dat religieuze vrouwen, die op een dergelijke drastische manier van de buitenwereld werden afgesloten, hier zeker niet mee opgezet waren. De beslissing tot invoering van de clausuur was immers door de mannelijke clerus genomen en zij hadden hier onder geen enkel beding iets aan te zeggen gehad[169]. Afzondering van de buitenwereld werd een middel om de vrouwelijke religieuzen beter te kunnen controleren en om hen elke vorm van bekoring voor wereldse aangelegenheden te ontnemen of af te leren. Dit principe wordt onder meer duidelijk uit orderegels voor de Gentse Rijke Claren, waarin expliciet staat vermeld dat "...de kercke de cloosters aen siet als casteelen, en schuylplaetsen om te vluchten uyt al 't perykel van de werrelt en van den duyvel,..."[170]. Dit fragment behoort tot een van de weinige documenten waarin de visie van de hogere clerus, die tenslotte instond voor het opstellen van de regel, ten aanzien van de vrouwelijke religieuzen zo duidelijk wordt verwoord. Het klooster diende een afgebakende leefruimte te vormen waarbinnen vrouwen niet in staat waren zich aan enige vorm van "wereldse bekoring" over te geven.
In de periode van het Tweede Concilie van Lateranen (1139) kwam tevens het gebruik op om in de spreekkamer binnen het klooster de ruimte tussen de kloosterling en de bezoeker door middel van traliewerk te scheiden[171]. Elke deur die naar buiten leidde werd voorzien van twee sloten, zodat geenszins iemand in staat was het slot individueel te verlaten, wanneer men daartoe een uitzonderlijke toestemming had verkregen (cfr.infra).
In dit opzicht is het begrijpelijk dat in de regels en statuten, die vanaf deze periode op de reguliere vrouwelijke kloosterlingen van toepassing waren, in ruime mate belangstelling werd getoond voor de bepalingen die golden binnen het slot en de spreekkamer (waarover verder meer).
Derde-ordelingen of zogenaamde Tertiairissen en broeders en zusters van het gemene leven, die vooral in de hospitaalsector actief waren, waren niet gebonden aan clausuurregels. In hun statuten of reglementen werd hieraan dan ook weinig of geen aandacht besteed. Wat echter niet wegneemt dat ook zij zich dienden te houden aan bezoekregels of bepalingen in verband met het "uitgaan".
2. Architecturale componenten binnen het klooster- en hospitaalcomplex
2.1. De toegangspoort
De verplichting voor kloosterlingen tot contemplatie en claustratie werd letterlijk toegepast. Kloosters werden ommuurd en waren slechts hier en daar toegankelijk door toegangspoorten[172]. Voor de abdij van Groenenbriel (reg. kan. Aug.) werd de eis tot ommuring bijvoorbeeld reeds in de stichtingsoorkonde bepaald[173], wat erop wijst dat de isolatie van vrouwelijke religieuzen binnen de stedelijke ruimte een niet onbelangrijke voorwaarde vormde bij de stichting van een nieuw klooster. De isolatie van religieuze vrouwen werd niet alleen in Gent nagestreefd. Het vrouwenklooster Barberendal in Tienen bijvoorbeeld, aangesloten bij het kapittel van Windesheim, lag reeds afgesloten van de buitenwereld door de twee rivierarmen van de Gete. Toch achtten de stichters het nodig het complex nog eens te voorzien van een grote omheining[174].
Per klooster werden één of meerdere personen aangesteld die belast waren met het toezicht op wie het klooster binnenkwam of verliet, de zgn. "poortiersters" of "poortieressen". Verscheidene orderegels en statuten, waaronder een 19de-eeuwse nederlandse vertaling van de oorspronkelijke 12de-eeuwse regel van de heilige Clara en de 15de-eeuwse statuten, opgesteld naar aanleiding van de hervormingen van de heilige Coleta, behandelen deze functie in een afzonderlijk hoofdstuk. Hoewel in deze vertaling van 1837 met klem wordt benadrukt dat er in de periode tussen het uitvaardigen van de regel en de vertaling van 1837 weinig of niets werd veranderd, dient deze bron toch met enige voorzichtigheid te worden benaderd, en mag er niet onvoorwaardelijk worden aangenomen dat alle informatie ook voor de late middeleeuwen van toepassing was[175]. Zo vermeldt het document dat in de oorspronkelijke regel van 1263 werd beschreven hoe de poortieres "...zich bij dage in hare celle, open en zonder deur houden moet..."[176]. Wellicht werd hier met "haar cel" de plaats aan de poort bedoeld, van waaruit zij toezicht hield, en niet de slaapcel op de dormter. Uit de tekst valt af te leiden dat ten tijde van de heilige Clara (13de eeuw) slechts één poortieres door de abdis werd aangesteld, en dat dit aantal met de tijd vermeerderde tot drie, namelijk de "hoofd"portieres, de "hulp"poortieres die haar taak in geval van ziekte overnam, en een zuster die werd gerekruteerd uit de raad van acht Discreten en elke week door iemand anders werd vervangen. Hoewel het nergens expliciet wordt vermeld, kan uit de tekst voorzichtig worden opgemaakt dat de vermeerdering van het aantal poortieressen tot drie pas in de 18de-19de eeuw is gebeurd, en dus voor de 14de-15de eeuw het aantal op één werd gehouden.
De taak van de poortieres bestond niet alleen uit het binnen- en buitenlaten van bezoekers in de spreekkamer, haar voornaamste opdracht hield de verantwoordelijkheid in die zij droeg voor het openen en sluiten van bepaalde gebouwen of vertrekken, waarvan alleen zij en de abdis de sleutels bewaarden. Een 17de-eeuwse ordonnantie voor de Rijke Claren maakt duidelijk dat "...zij sullen hebbe de slutels van de rolle ende traillie[177]ende van de kerkcke, van de groote poorten, van den bogaert ende en sullen niet open ghedaen worden dan den tijd van noodt ende niet anders maer sullen altoos gesloten bleyve"[178].
Wanneer een bezoeker zich aanmeldde, begaven de drie kloosterlingen zich volgens de 17de-eeuwse gewoonten van de Rijke Claren naar de spreekkamer, die zich naar alle waarschijnlijkheid vlak naast de poort moet hebben bevonden. Enkel de hoofdpoortieres mocht met de bezoekers praten, de overige twee dienden gewoon aanwezig te zijn en zich stil te houden, "... want [...] geene vermag met persoonen van buyten het klooster te spreken, ten zy met twee Zusters der Discreten by haer tegenwoordig[179]".
Verder werd volgens het 19de-eeuws document voor de Arme Claren in de oorspronkelijke 12de-eeuwse regel bepaald dat de poort overdag nooit onbewaakt mocht blijven. Nergens staat echter vermeld op welke momenten van de dag de poort gesloten bleef. Deze informatie kan daarentegen wel uit de "rituel" voor de Cistercinzerzusters worden gehaald[180]. In de zomer was het klooster toegankelijk vanaf de Lauden, in de winter vanaf de Priemen[181]. Wanneer iemand zich aanmeldde, keek de poortieres eerst door een gegrilleerd venstertje welke bezoeker wenste binnen te komen. Vervolgens vroeg zij hem wat zijn wens was,..."& sur leur réponse, elle ira faire leurs commissions"[182]. Gasten werden altijd binnengeleid in de spreekkamer, die zich bij de Cistercinzers evenmin ver van de poort bevond. Tijdens de koordiensten bleef het klooster toegankelijk, maar aangezien de poortieres verplicht was deel te nemen aan de koordiensten, mocht zij die verlaten wanneer er iemand aan de poort belde. De poort was overdag gesloten tijdens de Tertsen, de conventmis, de Vespers en tijdens de maaltijden. 's Avonds werd ze gesloten vanaf het moment dat de Completen aanvingen. Het schenken van aalmoezen aan armen behoorde eveneens tot de taak van de poortieres[183].
Het sluiten van de poort tijdens de maaltijden was een gebruik dat door elke orde werd toegepast, met inbegrip van de mannenorden. Dit kan onder meer blijken uit de algemene instructies van een nuntius aangaande het kloosterleven[184].
Niet elke kloosterling was geschikt om poortieres te worden. De functie werd door de abdis toegekend aan personen die "... godvreezende, voorzigtig, van goed voorbeeld en gevoorderd in jaren zy..."[185]. De 17de-eeuwse regel voor de Sint-Jans-Conceptionisten voegt daar nog aan toe dat de poortieres in staat moest zijn te schrijven en te rekenen[186]. Wat verder in deze regel wordt immers vermeld dat, wanneer de abdis dit nodig achtte, de poortieres elke week een som geld werd gegeven om hetgeen dagelijks noodzakelijk was te kopen of te laten kopen[187]. Elke zaterdag diende de poortieres hiervoor bij de abdis haar rekening te maken. De voorwaarden om poortier te mogen worden zijn ongeveer gelijkopend voor de mannelijke regulieren[188]. Belangrijk is onder meer het feit dat voor beide seksen een zekere leeftijd bereikt diende te zijn.
In een uitgave van 1916 van de statuten voor de Cisterciënzerzusters wordt voorgeschreven dat de poortieres de tijd die zij over heeft moet doorbrengen met meditatie, het lezen van godvruchtige werken en het verrichten van handwerk[189]. De gewoonte van de poortieres om de overige tijd te vullen met handwerk blijkt eveneens uit de 17de-eeuwse regel van de Sint-Jans-Conceptionisten, waar zelfs van een apart werkkamertje voor de poortieressen, dat zich niet ver van de poort bevond, wordt gesproken[190].
Niet alleen kloosters, ook hospitalen waren ommuurd en voorzien van poorten. Uit de ordonnanties voor het Sint-Janshospitaal, daterend van 1568, kan duidelijk worden opgemaakt dat ook hier een vrouwelijke poortieres werd aangesteld. Zij diende nauwgezet te observeren welke personen het gebouw, waarin de religieuze gemeenschap van broeders en zusters was ondergebracht, betraden of verlieten. Bovendien "... en sal de voorseide poortiersterigghe nyet vermoghen bier ofte wijn met cannen, potten, flaschen ende anderssins in te laeten bringhen"[191].
In de 18de-eeuwse regel voor het Wenemaerhospitaal worden zelfs de uren waarop bezoek werd binnengelaten te kennen gegeven. Zo diende diende de poortier(es) "... des morgens ten alf negen ure in de poorte [te] zitten, tot den alf twaelf, des naermiddags, ten alver twee tot een alve ure voor de bee"[192].
2.2. De spreekkamer
Wanneer bezoekers een kloosterlinge wensten te spreken, gebeurde dit in een speciaal daartoe bestemde spreekkamer. Zoals reeds hoger werd aangehaald, bevond deze kamer zich in veel gevallen niet ver van de poort waardoor men het klooster binnenkwam[193]. De bezoekers werden naar de spreekkamer geleid door de poortieres.
Reeds in de 12de-eeuwse regel van de Rijke Claren wordt vermeld dat er zich in de spreekkamer of het locutorium een soort ijzeren plaat of luik moet hebben bevonden, doorboord met fijne gaatjes, en voorzien van een slot, zodat het door niemand kon worden geopend. Door dit "luik" diende men te spreken tot de bezoekers. Aan de "binnenzijde", waarmee waarschijnlijk de kant van de kloosterlinge werd bedoeld, was met nagels een zwarte linnen doek bevestigd, opdat de zusters door niemand konden worden gezien of zelf niet in staat waren hun bezoekers aan te kijken[194]. Aan de bezoekregeling zelf wordt in het volgend hoofdstuk meer aandacht besteed. Merkwaardig is het feit dat voor de Cisterciënzerzusters pas in een 17de-eeuws document nadrukkelijk wordt bepaald dat "... die abdissen [...] sullen gehouden wesen op pene van onghehoorsaemheyt te doen oprechten soo haest het mogelick sal wesen de spreekcaemers, traiellen ende draeyschijven[195]daer toe noodich ende dat op de plaetsen die sij daer toe meest bequaem sullen vynden naer het advys van haren visitateur"[196]. Het moet hier echter gaan om een heroprichting van de spreekkamer, bijvoorbeeld omdat de vorige was verwoest door een brand of plundering, want in de abdij van de Bijloke werd de eerste "parloir" reeds opgericht onder abdis Bela 't Sersymoens (1384-1423)[197].
De hoofdverantwoordelijke voor de spreekkamer was volgens de 17de-eeuwse statuten voor de reguliere kanunnikessen van Augustinus niet de poortieres maar de abdis. Het behoorde tot haar taak "... datter nimant in het spreekhuys sonder haeren expressen orloff en sal ingaen..."[198]. Niet alleen was het aan niemand geoorloofd het locutorium individueel te betreden, ook tijdens het gesprek met bezoekers dienden meerdere personen aanwezig te zijn[199]. De 17de-eeuwse instructies aangaande het kloosterleven in het algemeen voegt aan het bovenstaande nog toe dat niet alleen een kleed of doek voor de traliën was vereist, "... twelck se nochtans dicwils sonder reden weeren...", maar dat zij "... haerlieden ooc selve bedecken", om alsnog niet door de bezoekers te worden opgemerkt[200]. In de statuten voor de reguliere kanunnikessen van Augustinus wordt gesproken van een dubbel traliewerk, dat aan de kant van de bezoeker was voorzien van ijzeren pinnen en aan de kant van de kloosterlinge bedekt was met een doek[201]. Nochtans was het volgens deze bron op bepaalde dagen, maar niet op vrijdagen, vastendagen, tijdens de advent en de vasten, en niet op biecht- en communiedagen, mits goedkeuring van de abdis toegelaten de doek of het gordijn weg te nemen of opzij te schuiven. Dit impliceert echter nog niet dat deze gewoonte ook in de late middeleeuwen van toepassing was, temeer daar deze bepaling niet is opgenomen in de 15de-eeuwse algemeen geldende statuten voor de reguliere kanunnikessen van Augustinus.
Verder was het verboden in de spreekkamer te eten of te drinken, "... ten ware wercklieden ofte pachters"[202]. Overtredingen van deze voorschriften werden onder meer bestraft met een verbod om gedurende zes maanden bezoekers te ontvangen, met uitzondering van vaders, moeders en familieleden die van ver kwamen en een lange reis achter de rug hadden[203].
Over de momenten waarop kloosterlingen met bezoekers mochten praten, verschaffen de algemene constituties van de Windesheimse vrouwenkloosters, waarbij het Gentse Agnetenklooster en dat van Galilea (reg. kan. Aug.) was aangesloten, meer uitleg. Aan niemand werd toelating gegeven om zich in de spreekkamer met vreemdelingen te onderhouden tijdens het koorgebed, de conventsmis of de rust, en zeker niet in de periode tussen de Completen en de Priemen ('s nachts), tenzij zij hier een gewichtige reden toe hadden. Eens een kloosterling in de spreekruimte kwam was het haar niet toegestaan daar langer dan een uur te verblijven[204]. De bepalingen in verband met de inrichting van een spreekruimte komen in de statuten voor de Windesheimse mannenkloosters niet voor, waaruit onrechtstreeks kan worden afgeleid dat Windesheimse monniken minder dan hun vrouwelijke collega's onderworpen waren aan een strenge clausuur[205].
Enkel uit de statuten voor de reguliere kanunnikessen van Augustinus kan verdere informatie worden gehaald met betrekking tot de inrichting van de spreekkamer, al stelt deze niet veel meer voor. In een bijvoegsel wordt namelijk gesteld dat "...int spreeckhuys maer twee veinsters (= spreekvenstrs) ofte ten uutersten drie [...] sullen wesen"[206]. In de statuten voor de regulieren kanunnikessen van Sint-Barbara en Sint-Agnes worden wordt nog verder bepaald dat "... in desen spreechuyse en sal wesen gheen deuren daer men uut oft in 't convent commen sal"[207].
Zowel voor het Sint-Agnetenklooster (reg. kan. Aug.) als voor het klooster van de Bijloke (Cist.) wordt in de literatuur en in de bronnen gesproken van een gastenkamer[208], doch nergens werd duidelijk of hiermee de spreekkamer werd bedoeld of een apart vertrek. Waarschijnlijk was de gastenkamer een vertrek waarin gasten logeerden en dus voor een langere periode in het klooster verbleven dan voor een vluchtig gesprek in de spreekruimte. Deze stelling werd afgeleid uit het feit dat zowel in de literatuur als in de bronnen naast een vermelding van de gastenkamer eveneens een omschrijving van de spreekkamer werd gemaakt. In verband met de abdij van Rijnsburg, de adellijke Cistercinzerabdij waar men het niet zo nauw nam met de tucht en de zeden, kon bij wijze van vergelijking zelfs worden gesproken van een volledig ingericht en luxueus gastenkwartier[209].
Aan wie precies toelating werd gegeven om in de gastenkamers te verblijven, zal getracht achterhaald te worden in het hoofdstuk over de bezoekregeling.
Het gebod tot het oprichten van spreekruimtes en het voorzien van deze kamer met getraliede spreekvensters of -luiken waren typische bepalingen die voortvloeiden uit de eis tot afzondering en strenge beslotenheid. Niettemin bleek dit in hoofdzaak van toepassing te zijn op vrouwenkloosters, waardoor nog eens wordt bevestigd dat zij meer dan mannenorden werden gedwongen hun leven binnen vier muren te organiseren. Het eigenlijke "slot" komt hierna aan bod.
2.3. Het slot
Het slot vormde de eigenlijke leefruimte binnen het klooster voor de religieuzen die eeuwige geloften hadden afgelegd en gebonden waren aan de clausuur. Niemand van de slotzusters mocht het slot verlaten, van buitenaf werd niemand binnengelaten. Het document aangaande de instructies voor het kloosterleven in het algemeen verwijst naar een ordonnantie van 1310, waardoor "...nonnen [...] oft susters souden blijven in hun cloosteren onder eeuwelycke besluytenisse, [...] waerduer wordt gheordonneert, dat gheene vande nonnen stillelyck oft expresselyck gheprofest, macht hebben oft sal moghen hebben om uit het clooster te gaene, van wat religie oft orden dat se sijn..."[210]. Ook voor de Rijke Claren werd reeds op 18 oktober 1263 bepaald dat de zusters in gehoorzaamheid, armoede en kuisheid een leven binnen het kloosterslot zouden leiden[211]. Enkel in de statuten van Groenenbriel (Reg. Kan. Aug.) wordt een plausibele verklaring voor het "slotwezen" aangetroffen. Het zou de religieuzen in staat stellen "... het gemack des eenicheyts beter te vercrygen, genieten ende bewaeren, want deur de conversatie van weerlycke oft buyten persoonen wort veel verstroeytheyt veroorsaeckt."[212]Dit verwoordt echter niet de persoonlijke houding van de kloosterlingen ten aanzien van de clausuur, want "...de besluytenisse is ingestelt geweest vande vaders ende autheuren des geestelycke levens"[213].
In de statuten voor de reguliere kanunnikessen van Sint-Barbara en Groenenbriel werd voorgeschreven dat het slot aan alle kanten diende omringd te zijn met hoge muren, voorzien van deuren, vensters en sloten. De belangrijkste gebouwen of vertrekken die in de abdij van Groenenbriel en het klooster van Agnes tot het slotgedeelte werden gerekend waren de refter, dormter of slaapzaal, de panden, de boomgaarden, de brouwerij, de hoven en alle plaatsen die dienden tot het eigen gebruik van de regulieren[214]. Deze en andere ruimtes of vertrekken die in de statuten en regels voor de Gentse kloosters werden vermeld of daarin zelfs apart werden behandeld, met name de refter, de dormter, de bidplaats of kapel en mogelijke andere gebouwen of kamers, worden in de hiernavolgende onderdelen behandeld.
Wanneer iemand van de slotzusters stierf, was het de gewoonte de kloosterling binnen het slotgedeelte te begraven, althans dit kan met zekerheid voor de Rijke Claren worden aangetoond[215].
Voor de 17de eeuw wordt in een aantal bronnen bepaald dat alle vensters en "gaten", die de slotzusters enig zicht op de buitenwereld zouden kunnen verschaffen, dienden geblindeerd te worden[216], doch dit kan niet met zekerheid worden aangetoond voor de 14de-15de eeuw. Toch is dit aannemelijk, daar ook in laatmiddeleeuwse bronnen reeds van een strenge clausuur wordt getuigd.
In de meeste gevallen was het slot slechts toegankelijk door één dubbele deur, die moest voorkomen dat men, in het geval de deur zou openstaan, niet rechtstreeks kon binnenkijken in het slot of omgekeerd geen enkele kloosterling in staat was een glimp van de buitenkant op te vangen[217]. De 17de-eeuwse statuten voor de abdij van Groenenbriel (reg. kan. Aug.) spreken van "... geenen toeganck [...] in het slot, doer eenighe anderen inganck oft deure, dan een alleen, oft twee uuterlinghe..."[218]. In de regel voor de Rijke Claren staat beschreven hoe men via een ophefbare deur die zich op een verhoogde plaats bevond, mits bijzondere toelating toegang kreeg tot het slot, doch dit nooit in de periode tussen de Completen en de Priemen van de volgende dag. Ook tijdens de rustperiodes en gedurende visitaties bleef de deur opgetild[219]. Uit de constituties voor de Windesheimse vrouwenkloosters blijkt, aanvullend bij het belang van de stevige dubbele deuren, dat er zich in de kerk een soortgelijke deur bevond, waardoor eventuele novicen konden worden binnengeleid, en die door de priester kon worden gebruikt om daarlangs de sacramenten aan de zieken toe te dienen[220]. De deur die toegang bood tot de boomgaard was hier eveneens een voorbeeld van.
In de kerk zelf werden een of twee kleine vensters aangebracht die in hoofdzaak dienden als "biechtraampjes". Zij dienden eveneens voorzien te zijn van traliën en een doek die daaraan was bevestigd. In uitzonderlijke situaties kon door deze venstertjes een kort bericht worden doorgegeven, doch het biechtraam mocht geenszins worden gebruikt als spreekraam[221]. Merkwaardig is het feit dat in de statuten voor de reguliere kanunnikessen van Sint-Barbara wordt gewag gemaakt van twee andere "venstertjes" binnen de kerk. "Inden muer vanden choor naer de voorkercke sal oock wesen een spreeckvenster, ende daer neffens een cleyn ander vensterken, waer door men sal moghen de Communie gheven, de welcke altijts tullen ghesloten wesen, ten waere alst tijt is daer door de Communie te gheven..."[222].
Hoger werd reeds gesproken over de doorgeefluiken en draaischijven of "rollen", waardoor men in de spreekkamer een kleinigheid kon doorgeven aan de slotzusters. Ingeval hetgeen diende overhandigd te worden te groot was om op de draaischijf te plaatsen, kon dit via de deur geschieden. De plaats waar deze "instrumenten" waren aangebracht wordt nergens duidelijk beschreven. Zowel in de regel van de Rijke Claren (1263) als in de algemene constituties voor de Windesheimse vrouwenkloosters voor 1559 wordt gesteld dat de zogenaamde "rollen" moesten worden aangebracht op verschillende daartoe geschikte plaatsen in de muren. De regel der Arme Claren vult deze bepaling aan met het voorschrift dat elk convent diende voorzien te zijn van een draaischijf[223]. In de overige bronnen wordt hierover geen informatie verstrekt. Feit is dat hetgeen door deze luiken en draaischijven werd gegeven, van "buiten" het slot naar de ruimte "binnen" het slot werd gebracht, zodat zij de grens vormden tussen het slotgedeelte van het klooster en het deel dat daar buiten viel. Onder geen enkele voorwaarde echter mochten de gever en de ontvangster elkaar zien[224].
Het was aan alle kloosterlingen verboden het slot te verlaten. Onder welke specifieke condities dit wel was toegestaan wordt in het hoofdstuk over het "uitgaan" benaderd.
Met het voorafgaande kan worden bevestigd dat de strenge bepalingen die in verband met de clausuur werden opgemaakt ongetwijfeld tot doel hadden de monialen van de desbetreffende kloosters op een zo groot mogelijke afstand van het "wereldse" te houden. Elke (dubbele!) deur die de overgang vormde van buitenwereld naar het slot werd voorzien van zware sloten, waarvan de sleutels maar aan ten hoogste twee personen werden toevertrouwd. Een gesprek met een bezoeker in de spreekkamer werd minutieus geregeld. Een vertrouwelijke conversatie met vrienden of familieleden was uitgesloten, elk woord werd immers door twee "luisterzusters" gehoord. In andere ruimtes dan de spreekkamer werd slechts in uitzonderlijke gevallen gesproken (cfr. infra). Hiermee wordt nog maar eens het bewijs geleverd dat alles wat zich binnen de slotmuren afspeelde, volledig was gericht op gebed, meditatie en contemplatie.
Aangezien de hospitalen, met uitzondering van de Bijloke (Cist.), waren bevolkt door broeders en zusters van het gemene leven, is het begrijpelijk dat, omwille van het feit dat zij niet waren gebonden aan een clausuur, in de statuten geen aandacht werd besteed aan een slotleven. Het voortdurend contact met en het verzorgen van zieken en behoeftigen maakte van hen immers "actieve religieuzen", zodat het eerder onmogelijk leek hen af te zonderen van de buitenwereld en hen te verplichten hun leven te leiden in het teken van gebed en contemplatie. Dat neemt echter niet weg dat zij eveneens waren gebonden aan reglementen betreffende het uitgaan en het ontvangen van "gezonde" vreemdelingen.
2.4. De kerk of kapel.
Voor dit architecturaal onderdeel werd in hoofdzaak beroep gedaan op de "Rituel François" voor de Cisterciënzerzusters[225]. Hoewel deze bron dateert uit de 18de eeuw, bevat ze een van de meest treffende en volledige beschrijvingen van hoe religieuzen zich binnen de "kerkelijke ruimte" dienden te gedragen, welke houding zij dienden aan te nemen tijdens de goddelijke diensten en bovenal hoe de kerk als architecturaal geheel in vier grote componenten kan worden onderverdeeld. Het spreekt voor zich dat deze informatie, voor zover dat mogelijk was, werd vergeleken met of aangevuld door fragmenten uit de laatmiddeleeuwse bronnen betreffende de kerk en het daarin gehouden Officie.
In verband met de bouw van de Cisterciënzerkerken is de "Rituel" duidelijk. Alle kerken behorende tot de orde der Cisterciënzers dienden, in navolging van het moederklooster te Cîteaux, te worden gebouwd in de vorm van een kruis, waarvan de lengte kon worden onderverdeeld in vier grote delen[226]. Tot het eerste gedeelte behoorde het Groot Altaar of het Presbyterium dat zich van de andere altaren onderscheidde door haar verheven positie[227]. Het stond op een afstand van de muur, zodat men er kon omheen lopen. Het koor vormde het tweede groot architecturaal deel van de kerk. De religieuzen zaten aan beide kanten van het koor, elk in de volgorde waarin ze hun professie hadden gedaan. De zieke en behoeftige religieuzen zaten in een apart koorgedeelte (het derde gedeelte), dat afgesloten was van de rest door middel van een tussenschot. Het bevond zich achter de zitstoelen van de abdis en de priores, waarnaast zich aan beide zijden nog een of twee zitstoelen bevonden. De abdis zelf zat op de eerste plaats van het rechtse koor, de zitstoel van de priorin was gesitueerd op de eerste plaats van het koor aan de linkerkant[228]. In sommige addelijke vrouwenabdijen, waaronder die van Rijnsburg (Benedictus), was het mogelijk dat de mis in het particulier vertrek van de abdis werd opgedragen, zodat zij zich niet onder de andere religieuzen diende te voegen om de eucharistie bij te wonen[229]. Voor de Gentse Sint-Agnetenpriorij, waarvan het meerendeel werd bevolkt door adellijke vrouwen, werden hiervoor geen aanwijzingen gevonden. Het vierde architecturaal deel besloeg het kerkschip, waarvan de zitstoelen voornamelijk door conversen waren ingenomen. Het kerkhof tenslotte bevond zich bij benadering ter hoogte van het hoofdaltaar, aan de buitenzijde van de kerk. Het was enkel toegestaan de lichamen van vorsten of bisschoppen binnen de kerk te begraven[230].
Het gedrag of de houding die monialen binnen de kerk dienden aan te nemen is in de "Rituel" op een accurate manier voorgeschreven. Zo dienden de religieuzen op een specifieke manier de kerk te betreden, meerbepaald het hoofd een beetje naar beneden gebogen, de ogen naar de grond gericht[231]. Geen enkele zuster mocht het middengedeelte van de kerk bewandelen, met uitzondering van de abdis of de priorin. In stilte betraden en verlieten de religieuzen het koor via een toegang ter hoogte van het hoofdaltaar. In de algemene voorschriften van de apostel-nuntius betreffende het kloosterleven wordt, aanvullend bij de doorgang van het slot naar de kerk, aandacht geschonken aan de "weg" die de priester diende af te leggen om in de kerk of kapel te komen. Weliswaar enkel voor slotkloosters, die waren bevolkt door vrouwelijke religieuzen, gold de bepaling dat, wanneer de kerk of kapel zodanig gelegen was, dat ze enkel door de priester kon worden bereikt via het slot, "... datmen raedt scheere, door de welcke men vinde oft door den omeganck oft door een ander plaetse, een ander wech voor de priester om inde kercke te commen"[232]. Vanzelfsprekend zag men er even streng op toe dat geen vreemdelingen via de kerk toegang kregen tot het slot[233]. Omgekeerd was het aan de religieuzen evenmin toegestaan om na het Officie "... te commen tot de buytenste kercke[234], ende aldaer de vreemdelingen diese willen besoecken, veel min dat se te kercken uutgaen, ende oft in de kerckduere de passanten observeren, oft tot de ghebueren gaen om tsamen te clappen"[235].
Doelloos wandelen in de kerk was volgens de "Rituel" uitgesloten, elk diende zich immers rechtstreeks te begeven naar zijn plaats. Wanneer men na het Officie wenste in de kerk te blijven om te mediteren of om zich te bezinnen, was dit onder andere mogelijk in de periodes tussen de diensten in[236]. Men bad echter niet al zittend maar op de daartoe bestemde knielstoelen[237]. Zieken waren hiervan uitgezonderd en mochten bidden in de houding die zij verkozen.
Wanneer kloosterlingen het koor om dringende redenen wensten te verlaten tijdens de goddelijke dienst, dienden zij hiervoor speciale toestemming te vragen aan de priorin[238]. Na de Officie verlieten de religieuzen gezamelijk het koor in volgorde van leeftijd, de oudsten eerst.
Het valt op dat in een akkoord van 1473 tussen de abt van Sint-Pieters en de zusters van Sint-Jan wordt bepaald dat "... sij heden sullen moghen de duere van huerlieden cappellen ende ooc de duere vanden westhende van haerlieder huusse opendoen ende laten open staen [...], te wetene up sente Fransoeys dagh, up den goeden vriendagh, up den dagh vande wijdinghen der voorseiden cappellen, [...], up onser vrauwen dagh half ougst [...] ende ten tijden dat men cleetsel of profes in selve godshuus doen sal ende dan alzo langhe als men daer dan predeken of den dienst doen sal..."[239]. Waarschijnlijk wordt hiermee bedoeld dat op de voornoemde dagen de kapel toegankelijk werd gesteld voor het publiek. In de bronnen met betrekking tot andere Gentse vrouwenkloosters werd hieraan geen aandacht besteed.
Het kon gebeuren dat samen met de toelating tot oprichting van een kapel of bidplaats een goedkeuring werd gegeven tot het oprichten van een sacristie[240]. In sommige gevallen viel het echter voor dat de oprichting van een kerk of kapel aanleiding gaf tot een conflict met de plaatselijke geestelijke parochieoverheid. Zo geschiedde bijvoorbeeld bij de oprichting van een bidplaats in het klooster van de Sint-Jacobs-Penitenten (3de ordelingen Sint-Franciscus). In 1462 begon men er met de bouw of inrichting van een bidplaats, zij het zonder toelating van de abt van Sint-Pieters, aan wie het patronaatsrecht van de parochie behoorde[241]. Hoewel de zusters beweerden twintig jaar daarvoor een toelating te hebben ontvangen van de paus tot oprichting van een klooster en bidplaats, kwamen de religieuze vrouwen, via bemiddeling van de gravin van Vlaanderen, slechts tot een minnelijke schikking, waarbij werd bepaald dat de religieuzen hun bidplaats mochten behouden, doch geen toelating kregen het begrafenisrecht uit te voeren en hun kapel voor het publiek open te stellen[242]. Niets mocht nog zonder goedkeuring van de prelaat worden ondernomen[243].
In het Gentse Agnetenklooster (reg. kan. Aug.) kwam het voor dat de bidplaats voor andere doeleinden dan de goddelijke diensten werd gebruikt[244]. Wanneer een jong meisje wenste te worden opgenomen in deze religieuze gemeenschap, werd een vergadering gehouden in de bidplaats. Ook de professie of de ceremonie rond het afleggen van de eeuwige geloften vond in deze ruimte plaats. De gotische kapel die zich in het Bijlokehospitaal naast de toenmalige ziekenzaal bevond, werd na de 15de eeuw achtereenvolgens gebruikt als ziekenzaal, amfitheater en lijkenhuis[245].
Naast kloosters waren ook hospitalen voorzien van een eigen (infirmerie)kapel. Zo was er binnen het Sint-Janshospitaal reeds van bij de stichting in 1191 een bidplaats aanwezig[246]. Hoewel het hospitaal dicht bij de Sint-Jacobskerk, waar de zusters 's zondags de eucharistieviering bijwoonden, was gelegen, beschikte men over een eigen oratorium voor de dagelijkse bidoefeningen.
De wijze waarop de broeders en zusters zich binnen de bidplaats dienden te gedragen, werd, zij het minder gedetailleerd dan in de kloosterregels, in de reglementen voor het Wenemaerhospitaal beschreven[247]. Zo mocht "... in den bede huse [...] niemant yet doen zonder daert toe ghemaect es, [...] ende en wilt niet singhen sonder dat ghij ghelesen hebt datmen singhen sal"[248].
Een laatste voorbeeld toont duidelijk aan hoe men in het hospitaal van Sint-Jan en Sint-Pauwel belang hechtte aan het uitzicht dat men vanuit bepaalde vertrekken had. In een rekening van 12 maart 1555 wensten de voogden van het hospitaal de cijns op een stuk grond dat gelegen was rechtover de kapel, tussen de Elisabethgracht en de straat, en dat eigendom was van het Sint-Elisabethbegijnhof, verder te betalen, opdat niemand anders dit stuk grond zou kunnen bebouwen. De reden daartoe lag in het feit "... dat de zelve erfve [...] rechte over de duere ende inganck vanden voornomden godshuuse licht ende datmen van daer ziet duer de cappelle inden ghemeenen vloer vanden godshuuse daer de provenghierigghen daghelicx gaen staen ende zitten ende spinnen..."[249]. Rekening houdend met de wens van de hospitaalvoogden om in 1555 de cijns verder te betalen, mag hieruit worden afgeleid dat men reeds in de late middeleeuwen uitzicht had van in de kapel op de werkkamer van de proveniersters. Iets dergelijks zou binnen een slotklooster natuurlijk ondenkbaar zijn, daar alle vensters en ramen, die een enigszins "aangenaam" uitzicht verschaften, waren geblindeerd.
Binnen elk klooster en hospitaal werd een kapel of oratorium opgericht voor de dagelijkse gebedsoefeningen. Enkel voor de Cisterciënzerzusters kon met zekerheid worden opgemaakt dat elke religieuze binnen de kerk haar eigen plaats had. De abdis zat aan de rechterkant van het koor. In kloosterregels en statuten werd meer aandacht geschonken aan het gedrag van de regulieren binnen de kerkruimte. Zo diende het verlaten en betreden van de kerk of het koor in volstrekte stilte te geschieden. In kerken die openstonden voor het publiek was het voor de kloosterlingen verboden te wandelen tot aan het achterste gedeelte van de kerk of tot buiten het kerkportaal, opdat zij geenszins ongeoorloofd contact konden opnemen met vrienden of andere kerkgangers. In de reglementen voor de hospitalen werd eerder weinig aandacht geschonken aan het gedrag van de broeders en zusters binnen de kapel of bidruimte. In het hospitaal Sint-Jan en Sint-Pauwel werd duidelijk rekening gehouden met het uitzicht dat men vanuit bepaalde vertrekken had.
2.5. Refter en Keuken
Voor informatie over de late middeleeuwen kon slechts beroep worden gedaan op de constituties voor de Windesheimse vrouwenkloosters voor 1559 (oa. Sint-Agneten en Galilea, reg. kan. Aug.) betreffende de keuken, de refter en vooral de daaraan verbonden functie van reftermeesteres. Latere afschriften stelden ons wel in staat aanvullende informatie weer te geven of, indien mogelijk, te vergelijken.
Uit het voorafgaande blijkt duidelijk dat kloosterlingen, en slotzusters in het bijzonder, in de meeste gemeenschappelijke ruimtes of vertrekken niet konden doen en laten wat ze wilden. Ook in de refter dienden religieuze vrouwen zich te houden aan een aantal regels en voorschriften. Zowel leken- als koorzusters konden in de Windesheimse vrouwenkloosters worden aangesteld als reftermeesteres[250]. Haar voornaamste taak bestond erin voor elke maaltijd de tafels te dekken, het brood en drank klaar te zetten en water aan te dragen om de handen in te wassen[251]. De reftermeesteres diende dit niet alleen te doen. Elke week werd zij bijgestaan door een andere zuster die haar hielp bij het bedienen en het afruimen van de tafels[252]. Zij aten beiden nadat de rest hun maaltijd had beëindigd. Wanneer een van de opdiensters iets liet vallen of opvallend veel lawaai veroorzaakte, diende zij daarvoor te knielen voor de tafel van de abdis of priorin[253]. Andere voorbeelden zoals deze, waaruit duidelijk blijkt dat religieuzen een groot ontzag voor de abdis dienden op te brengen, komen aan bod in het hoofdstuk over de "sociale ruimte."
De 18de-eeuwse "Rituel" voor de Cisterciënzerzusters wijdt opvallend meer dan de Windesheimer constituties uit over de gedragsregels voor de religieuzen binnen bepaalde ruimtes[254]. 's Morgens bijvoorbeeld, na het luiden van de klok, begaven de kloosterlingen zich in stilte naar de refter[255]. Mocht het luiden van de klok door de reftermeesteres enige vertraging zijn opgelopen, dan bleven de religieuzen in hun cel. Tijdens de maaltijd werd er niet gepraat, temeer omdat een speciaal daartoe aangestelde lezeres voorlas terwijl het ontbijt werd genuttigd[256]. Nadat de maaltijd was beindigd, wendden de kloosterlingen zich tot de hoofdtafel van de abdis. Nadat zij hadden geknield, mochten zij de refter verlaten. Het knielen voor de tafel van de abdis komt verder nog aan bod.
Tijdens de dagelijkse maaltijden in de refter zaten de religieuzen volgens de "Rituel" met de rug naar de muur gekeerd aan tafel[257]. Treffend is het feit dat "... les Inferieures (sic) ne s'asseoient pas, qu'à proportion que celles qui les précendent (sic), se soient placées"[258]. De lectrice of de religieuze die werd aangesteld om tijdens de maaltijden voor te lezen, zat meestal op een verheven plaats[259]. De maaltijd zelf mocht zij niet op die plaats nuttigen maar moest die net als de andere religieuzen aan een gewone tafel tot zich nemen, nadat de anderen de refter hadden verlaten. Dit met uitzondering van de communiedagen, waarop zij haar maaltijd voor de andere religieuzen mocht nemen.
Het valt op dat de hiërarchieën onder de Cistercinzerzusters, die zowel op religieus vlak als op vlak van leeftijd kunnen worden onderscheiden, het sterkst tot uiting komen in de gedragsregels die van toepassing waren in de refter. Zo wordt bijvoorbeeld duidelijk dat onder de religieuzen die van dienst waren in de refter enkel de oudste kloosterlinge de abdis mocht bedienen[260]. Hetzelfde gold voor het afruimen van de tafel. De oudste mocht trouwens pas afruimen hetgeen voor de abdis op tafel stond, nadat deze hiervoor haar teken had gegeven. De jongere dienster bediende de priorin, beide bedieningen hoorden gelijktijdig te gebeuren. De overige tafels werden bediend "... du côté gauche si (=waar) la plus ancienne Religieuse étoit placée"[261]. Tijdelijke boetedoenelingen, die op de grond dienden te eten, mochten pas nà alle andere religieuzen in de refter worden bediend.
Bij het verlaten van de refter na de maaltijden gingen de jongsten en de novicen vooraan, gevolgd door de koorzusters en conversen, telkens in volgorde van hun rang[262]. Daarachter, in het midden, liep de abdis, omringd door de oudsten in leeftijd.
De zusters die met de keukendienst waren belast, werden in sommige gevallen en met goedkeuring van de abdis bijgestaan door conversen[263].
Buiten de maaltijden mocht de keuken en de refter door niemand worden betreden, met uitzondering van de infirmeriezusters en de religieuzen die specifiek met deze taak waren belast[264].
De 15de-eeuwse statuten voor de Arme Claren (vertaling 1837) leveren ons informatie over de plaats van de religieuzen aan tafel. De abdis zat in het midden van de tafel, "... naer het voorbeeld van onzen Heer, die zich hield in het midden zyner heylige Apostels"[265]. Aan haar beide zijden zaten de oudsten en de Discreten "...en op het leegste (=laagste, waarschijnlijk het uiteinde van de tafel) de jonge en Novitien"[266]. Ook hieruit blijkt een duidelijke hiërarchie op vlak van leeftijd en rang.
Normaal gezien dienden alle religieuzen hetzelfde te eten, inclusief de abdis. Zieke en behoeftige zusters die desondanks toch in staat waren hun maaltijd in de refter te nuttigen, dienden dit aan de reftermeesteres mede te delen, opdat zij iets sterkers te eten (vb. vlees) zouden krijgen om te kunnen recupereren[267]. De 17de-eeuwse regel voor de Sint-Jans-Conceptionisten, die in deze periode reeds waren geëvolueerd naar een slotgemeenschap, blijkt de enige te zijn waarin de uren waarop de religieuzen aten, werden opgenomen. Het middageten werd geserveerd om 11 uur, tijdens de vasten en op feestdagen gebeurde dit een uur later[268]. Het avondmaal had plaats rond 5 uur.
Er werd reeds gesteld dat, met uitzondering van enkelen, niemand buiten de maaltijden binnen de refter mocht komen. Omgekeerd gold volgens de statuten voor de reguliere kanunnikessen van Augustinus dat "... buyten den refter ende sieckhuyse nimant en sal eten sonder noodt"[269]. Opvallend echter is het feit dat bij de zusters van Groenenbriel, die reguliere kanunnikessen van Augustinus waren, de abdis tijdens de collatie of het licht avondmaal "... int voorhooft haer der tafele... " zat, "... op de stede daer sij placht te sitten"[270]. Ook hier waren de meest gerespecteerden naast haar gezeten[271]. Dit in tegenstelling tot de Arme Claren, waar de abdis in het midden van de tafel was gezeten.
Uit de algemene instructies aangaande het kloosterleven blijkt dat ook bij mannelijke kloosterlingen, op straffe van hun wijnportie te worden ontnomen, niemand buiten de refter mocht eten[272].
In de meeste gevallen werd weinig of geen informatie vrijgegeven over het kloostergedeelte waarin de refter of keuken kon worden gesitueerd. Dit komt in hoofdzaak omdat men het blijkbaar belangrijker achtte aandacht te besteden aan hoe men zich binnen deze ruimtes diende te gedragen. Voor de priorij van Sint-Agnes (reg. kan. Aug.) bijvoorbeeld kan wel met zekerheid worden gezegd dat de refter zich op het gelijkvloers bevond[273].
De Potter meldt in verband met de inrichting van de refter dat de eetzaal van het klooster van Galilea (reg. kan. Aug.) was gedecoreerd met vier taferelen, waaronder een "Christus aan het kruis"[274].
Over de ruimtes waarin in het Sint-Janshospitaal werd gegeten, bestaat enige verwarring. Volgens De Potter aten de broeders en zusters niet samen maar nam iedereen zijn maaltijd apart in zijn kamer[275]. Dit klopt zeker niet met wat in de bronnen wordt vermeld. In een ordonnantie van 1568 voor het Sint-Janshospitaal staat immers dat "... de susters ende broers [...] voortan tsamen in den reeftere ter zeker hueren (=uren) imbyten, noenmael ende avontmael eten te wetene de susters in de susters reeftere ende de broers in den broers reeftere..."[276]. Hieruit blijkt dus dat zowel de broeders als de zusters over een afzonderlijke refter beschikten. De commentaar die twee maand later op deze ordonnantie werd geleverd, getuigt dan weer van een aparte refter voor de zusters en geen refter voor de broeders[277].
In het godshuis van Sint-Jan en Sint-Pauwel werd de keuken niet alleen gebruikt om de maaltijden in voor te bereiden, maar tevens als de plaats waar de armen zich konden komen warmen aan het turfvuur[278].
Uit klachten van zieke poorters kon voor het Rijke Gasthuis worden opgemaakt dat er zich zowel op het gelijkvloers als op de eerste verdieping een refter bevond[279].
Van Lokeren geeft in zijn artikel een uitgebreide beschrijving van de kloosterrefter van de Bijloke (Cist.)[280]. De oude conventrefter vormt een van de best bewaarde oorspronkelijke gedeelten van de Bijloke. Het vertrek was gebouwd in baksteen en was aan de buiten- en binnenkant voorzien van talrijke architecturale ornamenten. Toch wordt hier niet verder in detail op ingegaan, omdat dit onderzoek zich in de eerste plaats richt naar het gedrag of houding van religieuze vrouwen binnen de verschillende architecturale ruimtes, en niet zozeer naar de specifieke bouwgeschiedenis van de verschillende gebouwen en ruimtes of vertrekken. In een ander artikel over de Bijloke wordt gesproken van een aparte refter voor het ziekenhuispersoneel[281].
De refter vormde een gemeenschappelijke ruimte waar kloosterzusters gebonden waren aan tal van nauwkeurig geregelde en op elke situatie voorziene voorschriften. Binnen de refter had ieder zijn vaste plaats. Opvallend daarbij was de plaats van de abdis, die niet overal dezelfde bleek te zijn, en het steeds vergezeld worden van de abdis door de oudsten in leeftijd en in rang. In hospitalen waren afzonderlijke refters voor de broeders en de zusters voorzien en kan er dus worden gesproken van een duidelijke scheiding van seksen, doch dit kan niet met zekerheid voor alle hospitalen worden veralgemeend.
2.6. Dormter of slaapzaal
In verscheidene bronnen werd de dormter net als de andere gemeenschappelijke plaatsen in een apart hoofdstuk of kapittel behandeld. Het gedrag dat door de zusters binnen hun cel diende te worden aangenomen, werd reeds in een copie van de oorspronkelijke regel van 1263 voor de Rijke Claren, de oudste bron die voor dit onderdeel werd geraadpleegd, geïncorporeerd.
Alle zusters die in gezonde toestand verkeerden lagen in een gemeenschappelijke slaapzaal, met inbegrip van de abdis. Zij lagen gekleed en omgord op hun bedden, die waren gescheiden van elkaar[282]. Het bed van de abdis stond in de slaapzaal op een welbepaalde plaats, van waaruit zij een overzicht had op de bedden van alle zusters[283]. In een latere verklaring van dit capittel wordt gesteld dat "... alle religieusen sullen liggen in eenen gemeenen dormtere alwaer de kamers ofte cellen gesepareert sullen sijn"[284]. Wat verder uit deze verklaring blijkt dat 's nachts alle celdeuren gesloten werden, en dat de sleutel enkel door de abdis op haar kamer werd bewaard. Dit zou kunnen veronderstellen, in tegenstelling tot wat in de oorspronkelijke regel werd bepaald, dat de abdis een eigen kamer of cel bezat. Een mogelijke oplossing zou kunnen liggen in de interpretatie dat alle bedden binnen de slaapzaal van elkaar werden gescheiden door middel van schutsels of wanden, elk voorzien van een deur met slot, en dat zij daardoor met de term "cel" of "kamer" werden aangeduid. Het blijft dan natuurlijk onduidelijk hoe de abdis een globaal overzicht kon houden over al deze bedden of cellen.
In de constituties voor de Windesheimse vrouwenkloosters (Sint-Agnetenpriorij en het klooster van Galilea) kan een gelijkaardige constructie binnen de slaapzaal worden geconstateerd[285]. Alle gezonde religieuzen, dus ook de abdis, sliepen in de slaapzaal in een cel of chambrette. De ingang van de cel werd er echter niet zoals bij de Rijke Claren afgesloten door een deur met slot, maar door een laken ter breedte van het bed[286]. Aan niemand was het toegestaan de cel of kamer van iemand anders te betreden, met uitzondering van de abdis[287]. De religieuzen dienden op hun cel te blijven in de periode tussen de Completen en de Priemen. Enkel om de Metten bij te wonen, om naar het toilet te gaan en om zich te warmen aan de haard was het geoorloofd de slaapzaal te verlaten[288]. In de nabespreking van de bronnen van de Windesheimse kloosters bevestigt Van Dijk dat in de vrouwenkloosters de slaapzaal steeds op de bovenverdieping werd ingericht[289], terwijl de inrichting van de dormter in de mannenkloosters zowel op de bovenverdieping als op het gelijkvloers kon geschieden[290]. Voor de overige Gentse kloosters zijn hierover geen concrete gegevens beschikbaar.
Van Pasen tot de Geboorte van Maria mochten de Rijke Claren zich na het middagmaal verpozen door op hun bed te liggen. Wensten zij dit niet te doen, konden zij zich ondertussen bezighouden met gebed, meditatie, of andere godvruchtige werken[291]. In de Windesheimse constituties mochten religieuzen zich tijdens de bovenvermelde periodes en bovendien op Palmzondag en Kerstmis na het middagmaal in hun cel verpozen[292].
Uit de "Rituel" (1715) voor de Cisterciënzerzusters kan worden opgemaakt dat de cellen van de religieuzen vooraan voorzien waren van een deur, aangezien een gedetailleerde beschrijving wordt gegeven van de celdeur, die was voorzien van een klein vierkant raampje dat kon gesloten worden door een schuifplankje. Door dit raampje kon de abdis observeren wat de religieuzen in hun kamer aan het doen waren. Bovendien was het de kloosterlingen verboden hun deur te sluiten, omdat de abdis op om het even welk moment, hetzij overdag, hetzij 's nachts, de cel kon binnenkomen[293].
Het bezoek van oversten op de cellen van de religieuzen was gebruikelijk. De 15de-eeuwse statuten der Arme Claren bijvoorbeeld schetsten hoe "... tusschen zeven en acht uren de Vicaresse met eene andere Zuster vergezelschapt, alle de bedden van de slaepplaets ootmoediglyck en godvruchtiglyk [zal] bezoeken, op dezelve gewyd water werpende, [...] opdat zy te beter met God mogen bezig zyn..."[294]. De statuten voor de reguliere kanunnikessen van Augustinus komen in grote lijnen overeen met wat in de regel voor de Rijke Claren wordt voorgeschreven[295]. Over het bezoek van de abdis melden de statuten dat "... de Abdesse alle nachte den dormter sal doen sluyten, ter selver ure, ende dicwils sien ofte doen sien, oft yder op haere celle is..."[296]. Bij de Gentse slotzusters van Sint-Jan (1644) schijnt dit bezoek iets minder frequent te zijn voorgekomen[297].
Zowel in de statuten voor Groenenbriel als in de ordonnanties voor de Rijke Claren werd het uur waarop religieuzen zich naar de dormter dienden te begeven expliciet vermeld. Zo werd voor de reguliere kanunnikessen voorgeschreven dat zij "... ten acht uren sullen [..] maecken in haer ruste te sijn, naer welcken tijt de abdesse nimant en sal licht laeten hebben"[298]. In de ordonnanties voor de Rijke Claren wordt dit meer genuanceerd. "On ordonne pareillement que dortoir soit tousiours ferme a huict heures du soir, et pour les dimanches et festes a sept et demie..."[299]. De overige bronnen verschaften ons daarover geen informatie.
In tegenstelling tot de kloosters bestond het "personeel" van de hospitalen niet uit regulieren maar uit broeders en zusters van het gemene leven of provenier(sters). Zij waren niet gebonden aan de clausuur en genoten dus een relatief grotere vrijheid dan slotzusters. Toch blijkt uit een bron voor het Wenemaerhospitaal dat de zusters, net als de regulieren sliepen in een gemeenschappelijke dormter, eveneens in bedden die van elkaar waren gescheiden door wanden[300]. Van controle op de cellen door de "meesteres" werd niet gesproken. Waarschijnlijk zal dit dan ook in mindere mate dan in slotkloosters het geval zijn geweest.
Zowel in het Sint-Jan en Sint-Pauwelhospitaal als in het Alijnshospitaal konden de proveniersters beschikken over een eigen kamer of huisje[301]. De proveniersterskamers in het Sint-Jan en Sint-Pauwelhospitaal waren elk voorzien van een venster dat uitgaf op de werkplaats. Elke kamer was voorzien van een arduinen waterbak, een putje en een ruimte bestemd voor het opbergen van het keukengerief.
De kamer van de "meesterigghe" was iets groter dan de andere kamers en bevond zich naast de bidplaats. Binnenin bevond zich een grote schouw[302].
In het Rijke Gasthuis waren aparte slaapzalen voorzien voor de broeders en zusters[303]. Deze strikte scheiding van wonen en werken voor mannen en vrouwen werd reeds in de oorspronkelijke statuten van 1236 opgenomen[304].
2.7. Werkzaal
De verplichte handenarbeid vormde in de middeleeuwen een belangrijk onderdeel van het dagelijks kloosterleven. Op vastgestelde uren en tussen de gebedsdiensten in begaven de kloosterlingen zich naar de werkplaats waar zij hoofdzakelijk klein handwerk verrichtten in dienst van de gemeenschap en zeker niet voor eigen profijt.
In de constituties voor de Windesheimse vrouwenkloosters werd bepaald dat kloosterlingen zich in de periode tussen de Priemen en de Completen dienden te wijden aan het handwerk voor de g