| De Vlaamse Natie op de Canarische eilanden in de 16de eeuw. (Kevin Coornaert) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
HOOFDSTUK III: DE VLAAMSE NATIE OP DE CANARISCHE EILANDEN IN DE 16e EEUW
In de loop van de 16e eeuw ontstaat op Canarias geleidelijk een heterogene Vlaamse natie. Het zwaartepunt valt in de periode tussen 1550 en 1575, toen de handelskolonie haar grootste uitbreiding kende. Toch wil ik met mijn keuze uit de relatief grote groep personen die de Vlaamse natie toen en ginds omvatte, aantonen dat ook buiten die piekperiode vermeldenswaardige Flamencos op Canarias hebben verbleven, kooplui of niet.
Ik zal de natie opdelen in ‘beroepsgroepen’, waarvan enkele elkaar -zoals de conquistadores, de plantagehouders en de handelaars- alvast tot op zekere hoogte chronologisch opvolgen. Uiteraard zijn er figuren die wel in meerdere categorieën zouden thuishoren, zoals de suikerproducenten die geregeld zelf hun suiker uitvoerden, maar ik verkies ze dan toch op basis van hun belangrijkste activiteit in één en niet in meerdere rubrieken onder te brengen. Het lijkt me belangrijk de figuren (en eventueel hun directe nazaten) in hun geheel weer te geven, want de “beroepsgroepen”-indeling is tenslotte maar een praktische ingreep van de auteur op vandaag de dag, en was in de toenmalige maatschappij veeleer fictie; je kunt bijna elke figuur (met de nauwste verwanten) plaatsen in verschillende categorieën.
Groepen die fel zijn vertegenwoordigd, kunnen hier niet integraal worden besproken. We pikken er de meest relevante en (of) best gedocumenteerde voorbeelden uit en geven de rest in de bijlagen.
Het laatste kwart van de 15e eeuw treffen we de eerste, schaarse Flamencos aan op de toen nog deels te veroveren archipel. Amper vier hebben we er kunnen traceren. Twee op Tenerife, waarvan 1 permanente inwoner en 1 van wie we het niet weten, vervolgens 1? (van wie we het niet weten) op La Palma en 1 tijdelijke inwoner van Gran Canaria[396].
Waren het er al meer, dan nog zie ik hun aantal niet verdubbelen, zo weinig representatief was deze groep. Basken en Andalusiërs maakten het overgrote deel van de Spaanse strijdmacht uit, die weliswaar gefinancierd werd door de Genuezen…
Laat niet weg dat in vorige eeuw(en) een deel historici de rol van de Flamencos in de conquista schromelijk hebben overschat. Meer dan met onwetendheid heeft het te maken met chauvinisme -“nog maar eens ‘Vlaamse eilanden’”- en pogingen om de luister van families die het later effectief “gemaakt hebben” op Canarias -zoals de ‘de Monteverdes’ (Groenenberghs) en de ‘Van Dalles’ (van Dales)- nog op te voeren.
Sommige leden van die belangrijke families (die zich indertijd in Flandes wel eens in hun pedanterie omschreven als ‘heer van Canarias’, maar voor hetzelfde geld gewoon fictieve figuren waren, ontsproten aan het fantasierijke brein van de genealoog) werden door die geschiedschrijvers voorgesteld als daadwerkelijke heersers van de Canarische eilanden en leiders van de conquista. En dat in tijden dat sommige van de eilanden, waar ze zich zogezegd hadden gevestigd, nog geen bezetters hadden gezien.
Het huwelijk van Filips de Goede en Isabella van Portugal zou een katalysator zijn geweest voor de vroege contacten tussen Canarias en Flandes in de volle 15e eeuw. Een redenering die absurd is[397].
Trotín (?)
We weten bitter weinig van de man, zelfs niet of hij daadwerkelijk de wapens heeft opgenomen. Deze Flamenco, gevestigd op Lanzarote en Fuerteventura, is tijdens de conquista van Gran Canaria (1478-1483) op desbetreffend eiland geweest, op zoek naar orchilla. Hij is meteen het Flamenco-spoor dat verst teruggaat in de tijd, vandaar dat hij hier is opgevoerd[398]. Een andere bron laat zelfs twijfel reizen over zijn nationaliteit; voluit scheen hij Manuel Fernández de Trotín te noemen: een handelaar die een tijdje actief was in Sevilla en vanaf 1450 reizen makend naar de eilanden. Hij zou tijdens de belegering van Las Palmas in 1479 voedsel geleverd hebben in ruil voor orchilla[399]. Dat laatste lijkt mij bizar; hoe konden de Spanjaarden met hun artillerie door de Guanches voor langere tijd worden ingesloten? De Guanches waren gedoemd elke confrontatie in open veld vrijwel onmiddellijk te verliezen. Wat betreft de erg Spaanse voornamen van Trotín, is het gerechtvaardigd zijn Flamencos- afkomst hierom in vraag te stellen, maar overdreven om uit te sluiten dat hij van onze streken was. De verspaansing van namen kon érg ver gaan en ‘Trotín’ klinkt als een verbastering.
Jorge Grimón (Georges Grimon?)
Zonder twijfel de meest succesvolle conquistador uit Flandes die actief was op de Canarische eilanden; hij is dan ook niet toevallig de best gekende in de categorie conquistadores.
Grimón was een Naams edelman die zich op het einde van de 15e eeuw nuttig ging maken bij de Spaanse strijdkrachten en daartoe eerst naar Andalusië trok. Hij huwde er de Spaanse Juana de Aguana en beleefde actief Spanje’s ‘finest hour’ met het beleg en de inname van Granada als kapitein van de ‘Bombarderos alemanes’[400] en als lid van de ‘Compañía de Hombres Nobles de Lanzas’[401]. Na dit toch wel “heuglijke feit” bekroop hem net als zijn collegae-conquistadores de vraag “waar nu?”. Eén deel zou naar de Canarische eilanden trekken, een ander volgde in het zog van Colombus op z’n vervolg-reizen naar Indias.
Na korte tijd met de handen in de schoot te hebben gezeten, bekostigde Jorge in 1495 een schip, inclusief de 50 soldaten, kruit en musketten, en voer richting Tenerife. Ginds maakte hij z’n reputatie volkomen waar, door als eerste met handvuurwapens op de Guanches te schieten en de laatste inheemse verzetshaard in het gewest Abona te overmeesteren. Iets wat zonder de vuurwapens nooit zou zijn gelukt, zo bekende later de gouverneur van Tenerife, Don Alonso de Lugo[402].
Grimón kon tijdens de acties beroep doen op zijn zoon Juan en op z’n landgenoot Juan Alimán (Jan de Duitser?)[403].
Zoals het de respectabelste conquistadores paste, kreeg Jorge verschillende stukken grond in de streek tussen Rambla de Castro en Icod el Alto (NW-Tenerife), en in La Laguna. Op de eerste groep terreinen verbouwde hij suikerriet, zonder veel te moeten investeren, want de grond was vruchtbaar en de vallei van La Orotava vlakbij[404]. In 1504 kon hij daar uitbreiden met gronden van mindere kwaliteit, bestemd voor graanteelt[405].
In 1505 begonnen de problemen voor Grimón; de gouverneur Alonso de Lugo pakte hem een deel van de door hem eerder geschonken territoria terug af, om redenen die nergens door gerechtvaardigd lijken, en enkel kunnen worden verklaard door nepotisme en vriendjespolitiek ten gunste van anderen[406]. Grimón had in zijn hoedanigheid van buitenlander eerst weinig verweer en balde de vuisten in zijn zakken uit schrik voor erger[407].
Pas in 1527 deed hij een geslaagde poging om alvast het aanzien op te krikken, ongetwijfeld ervan overtuigd dat het een extra bescherming was voor zijn bezittingen. Hij gelastte de notaris Juan Márquez te verschijnen voor de Kanselarij in Granada om er zijn privilegies en adellijke titels te presenteren uit Namen, en er meteen bij te vragen of ze niet konden behouden blijven op Canarias. Het feit verklaart alvast de late erkenning van zijn persoon, maar waarom heeft hij hiermee zo lang gewacht? Was de macht van de Lugo te groot om risico’s te nemen[408]?
Met de jaren werd het suikerriet minder dominant op Grimóns’ haciendas, ten voordele van de wijnranken. Nochtans was de protagonist van de ontwikkeling van de wijnbouw op de familiegronden, niet Jorge, maar diens andere zoon Jerónimo Grimón[409].
In de jaren 1540 kende Jerónimo grote voorspoed en breidde zijn territoria uit door aankopen en een verstandig huwelijk met de Spaanse Antona Rodriguez[410]. Hij had net als zijn vader[411] contacten met handelaars van niveau, zoals de Catalaanse gebroeders Joven[412]. De eigen broers erfden niet mee; oudste broer Juan liet het leven in Barbarije en de eveneens oudere Pedro trok een augustijnerklooster in. Jerónimo was praktisch enige erfgenaam. Hij baatte niet alles zelf uit; de hacienda van La Rambla met grote wijngaarden, ging in erfpacht bij de Portugees Pedro Yanes, die ze verder versnipperde[413].
Al bij al waren de commerciële activiteiten van Jerónimo van een zeer achtenswaardig volume en belang; geconcentreerd op Kaapverdië en Indias, wat hem er zelfs toe bracht het eiland te verlaten, zoals in 1543 richting Cabo Verde[414]. Geen wonder dat niet alleen Jorge, maar vooral ook Jerónimo opdook in de notariaatsprotocollen[415].
De oude conquistador stierf in 1545 en werd te ruste gelegd in de kapel van San Jorge, die hij zelf had laten oprichten in de kerk van San Agustín in La Laguna, Tenerife[416]. Het geslacht Grimón is tot op vandaag nog aanwezig op Canarias.
2.1 De Vlaamse controle op de suikerproductie op La Palma
Twee families uit Flandes zouden in het bezit komen van aanzienlijke suikerrietexploitaties: de geslachten Van Dalle (van Dale) en de Monteverde (van Groenenbergh). Beide bevonden zich op La Palma, waar ze als gevolg van hun rijkdom een grote rol zouden spelen in de maatschappij.
Het leek mij de moeite waard om hier volledigheid na te streven en zowel de eerste als de tweede generatie Flamencos integraal te behandelen. Beide families zijn voor een groot deel uitgeweken naar de Canarische eilanden, en dat was uniek.
Los daarvan is er nog één persoon, van wie we echter niet zeker zijn dat hij Flamenco was, die naar voren treedt als eigenaar van de grote suikerplantage in Arucas op Gran Canaria[417].
2.2 De ‘de Monteverdes’ (van Groenenberghs) en de ‘Van Dalles’ (van Dales)
De’ de Monteverdes’ ( van Groenenberghs)
De familie Monteverde is afkomstig uit Groningen, waar ze behoorde tot de adel. Halfweg de 15e eeuw verhuisde ze naar Keulen, waar de opvolger in lijn, Grovert Groenenbergh, huwde met Elisa Brift. Hun zoon Jácome de Monteverde zou de familie eerst naar Antwerpen brengen en van daaruit naar La Palma, op de Canarische eilanden. Haar diaspora was daarmee nog niet ten einde; getuige de Monteverdes die vandaag de dag te vinden zijn op Canarias, in Spanje, Peru en Venezuela[418].
We schetsen het leven van Jácome en zijn vijf kinderen; deze twee generaties zijn nog voldoende Vlaams te noemen. Ook in de derde generatie is dat het geval voor bv. Melchior de Monteverde jr., maar die zou ons uiteindelijk te ver voeren.
Jácome de Monteverde (Jacob van Groenenbergh) en Margareta de Monteverde (Margareta Pyns of Pruss)
Jácome werd geboren in 1472 te Keulen, als zoon van Grovert van Groenenbergh en Elisa Brift. Hij verliet zijn geboortestad en kwam naar Antwerpen als koopman, waar hij huwde met Margareta Pyns. Omdat hij vrij succesvol was, kocht hij zich in 1510 een groot huis en een kleintje daarnaast, binnen de stadsmuren. Iets later verwierf hij nog twee aangrenzende huizen. Alles werd tenslotte tegen de grond gegooid en Jácome liet het ‘Huys van Groenenberghe’ oprichten[419].
De internationale loopbaan van Jácome was in 1502 in Lissabon begonnen als factoor van zijn oom, de machtige Keulse koopman Johan Byse. In 1510 keerde de Flamenco naar Antwerpen terug, na eerst nog korte tijd in Londen te hebben verbleven.
Drie jaar later kochten Jácome en zijn oom de suikerrietplantage van de beroemde Duitse koopmansfamilie de Welser, in Tazacorte op La Palma[420]. De Duitsers hadden ze zelf in 1508 gekocht van Juan Fernández de Lugo Señorino voor de prijs van 351000 maravedís[421]. De Welser hadden het echter al in 1509 opgegeven; onmiddellijk nadat de Duitse handelskolonie naar Madeira was uitgeweken[422]. Jácome en Johan kochten de boel tegen 8000 florijnen en een aandeel dat de Welser zouden behouden in de plantage[423].
Tussen juni 1515 en november 1521 verbleef Jácome met Margareta zekere tijd op La Palma; in 1518 vierde het echtpaar hun huwelijkswake in de parochiekerk van ‘el Salvador’ en nog in dat jaar gaf Jácome 15000 dukaten uit aan de infrastructuur op de plantages. In 1519 werd hun tweede zoon Juan de Monteverde (Jan van Groenenbergh) geboren. Van de oudste zoon Melchior de Monteverde (Melchior van Groenenbergh) hebben we geen geboortedatum noch –plaats. In 1520 trokken de Welser zich geheel terug uit La Palma en werd Jácome een volledig zelfstandig eigenaar, waardoor hij zich terug in Antwerpen, niet verstoken van enige pretentie, liet aanspreken met ‘heer van Canarien’[424].
Terug in Flandes kregen Jácome en Margareta hun derde zoon Diego de Monteverde (Diego van Groenenbergh) en werd hun toch al respectabele huis in Antwerpen te klein. In Kontich en omstreken kochten ze zich in 1521-1522 een bos, een woonst op de buiten en een boerderij[425].
Het echtpaar bleef echter over en weer gaan naar La Palma. Bijgevolg werden Miguel de Monteverde (Michiel van Groenenbergh) en Ana de Monteverde (Anna van Groenenbergh), respectievelijk in 1523 en 1524 geboren op La Palma. De eigendommen van Jácome beperkten zich niet tot de uitstekend toegeruste plantages (gronden en water incluis), maar betroffen ook enkele woonsten in de stadjes op het eiland. Zo had hij een huis in de hoofdstad Santa Cruz de La Palma en een ander in Tazacorte. In 1524 werd geschat dat reeds 1/6 van alle bezit op La Palma in handen was van Jácome de Monteverde, dankzij de opbrengsten van de plantage. Hij mocht dan ook 1/6 bijdragen, in de aanleg van een kade in de haven van Santa Cruz. Veel van de suiker (jaarlijks 7 à 8000 arrobas!) moet voor Flandes bestemd geweest zijn. Dat blijkt o.a. uit de activiteiten van de handelaars Pacho en García die hun suiker uitvoerden[426].
De zelfvoldane arrogantie die Jácome en zijn nakomelingen uitstraalden, zou zich echter tegen hen keren. Om te beginnen maakte Jácome ruzie met de bestuurders van La Palma over de bouw van schepen (om suiker naar Flandes te zenden) en nog veel meer. In 1527 kreeg hij een inquisitoriaal proces[427] aan de broek gesmeerd van aanklager Levin Bonoga (?),de man die als tussenpersoon van de Welser nog betrokken was geweest bij de verkoop van de plantages aan Jácome. De zaak werd doorgespeeld naar het tribunaal van Sevilla, dat Jácome in 1530 voor een jaar op retraite zond naar een klooster in de stad en 10% van zijn goederen verbeurd verklaarde. Hij stierf in juni 1531 tijdens de volbrenging van zijn straf[428].
Zijn weduwe Margareta zou daarna niet lang meer op La Palma hebben verbleven. In 1533 regelde de Flamenco Juan de la Mar (Jan van de Zee) haar zaakjes af[429] en begin 1534 was ze terug in Flandes. Tot haar dood in 1544 lijkt het aanvullen van het vastgoed haar voornaamste bedrijvigheid te zijn geweest.
Het bezit in Flandes werd verdeeld onder de vijf kinderen van Jácome en Margareta[430]. Wat betreft de eigendommen op La Palma, kregen enkel Melchior en Ana elk een deel van de plantages. Juan en Miguel kregen andere koloniale onroerende goederen en een hypotheek op de plantage van Tazacorte tegen de belofte om de suikerplantage van Argual te moderniseren. Ze stonden de hypotheek later af aan o.m. Luys Vendabal (Louis Van de Walle)[431]. De verafgelegen erfenis werd toen als volgt omschreven: “Allen de fazenda, landen, huysen, plantagien gestaen in den eylanden van Palma onder den rycke van Canarien, landen van suyckere, saylanden, wynlanden ende andere met noch die actie van Caldera oft ketel[432] met alle de ingenieen, werckhuysen, ketelen, slaven, beesten, moelenen, huysraed, instrumenten ende hoodanighe andere gereedschapen, actien, vryheyden, liberteyten ende andere toebehoirten”. Een vrij grote en gediversifieerde exploitatie dus, met lang niet alleen suikerrietvelden. Voorts bleek hij nog op het einde van zijn leven een tweede suikerplantage te hebben opgestart in Argual nabij Los Llanos; “anderen goeden, fazenda oft ingenien onlancx gemaect ende beplant, seinde bynnen den vorschreven eylanden van Palma gelegen, genaempt Arguval inden Lyanos”[433].
Melchior de Monteverde (Melchior van Groenenbergh) en Maria Von Wasservas/ Maria Van Dalle (Maria van Dale)
Melchior, oudste zoon van Jácome, speelde een belangrijke rol in de politieke geschiedenis van Antwerpen, door als schepen te zetelen in de jaren 1553, 1554, 1555, 1562 en van 1569-1574. Hij huwde in eerste instantie te Keulen met Maria von Wasservas[434], de laatste telg van de adellijke familie Venesis-Quatermart[435]. N.a.v. deze gelegenheid gaf Karel V op de 17de juli 1545 belangrijke privilegies en nieuwe wapens (voor blazoenen!) aan Melchior. Op de 27ste juli besliste de keizer nog verder te gaan door hem en zijn nageslacht de gunst te verlenen het huis van Venesis-Quatermart over te nemen met al haar roem en blazoenen. Hij werd meteen ook ‘Caballero de la Espuela Dorada’ (‘Ridder van het Gulden Spoor’) en ‘Caballero de la Banda’ (‘La Banda de Ordenanza’?[436]); eerbetuigingen die toen allesbehalve misstonden. Het zal hem ongetwijfeld geholpen hebben om als schepen zoveel jaren te kunnen zetelen. Bovendien werd hij in 1549 uitgekozen door de Vlaamse adel om Filips II, die toen prins was van Asturië, te feliciteren en te verwelkomen in Flandes[437].
Reeds voor zijn huwelijk ging hij in 1541 in Antwerpen wonen, want hij huurde samen met zijn broers en zus een boerderij in Wilrijk. In de jaren 1550 vulde hij zijn immobilieën aan, in en rond Antwerpen. Ondanks zijn positie kwam hij in aanvaring met de justitie van de stad, op beschuldigingen van ketterij en muntvervalsing. Hij ging echter vrijuit[438].
Het is zeer waarschijnlijk dat Melchior tussen zijn laatste vastgoedaankoop in 1558 en zijn hernieuwd schepenambt in 1562, of zelfs eerder (!), naar zijn bezittingen op La Palma is geweest[439]. Ginds moet hij toch geen tevreden indruk hebben opgedaan van zijn deel in de plantages van Argual/Tazacorte, zodat dat hij het andere deel in handen van zijn zuster Ana ging huren voor een periode van tien jaar, tegen de jaarlijkse huurprijs van 1000 Carolus florijnen. Terug in Antwerpen in 1562, besliste hij om het deel van zijn zuster te kopen, omdat het gevaar bestond dat het in handen zou komen van haar schoonkinderen. Melchior flirtte echter al een tijdje met de grens van zijn financiële mogelijkheden; in 1559 moest hij in La Palma 912 pond aan de Vlaamse koopman Anes Bantrilha (Hans van Trille). Hij schreef zijn Antwerpse contactpersoon Valerio Rutis (Valerius Rutis) , maar deze weigerde (verder) geld te sturen uit hypotheken, waardoor Melchior verplicht was om Jean Baron in Antwerpen een toestemming te zenden voor het aanslaan van zijn goederen in Flandes, tot een prijs die overeen kwam met de schuld van 912 pond. Rutis vond het klaarblijkelijk al genoeg dat hij in geval dat nodig was, goederen van Melchior onder hypotheek mocht plaatsen, tot een bedrag van 4000 florijnen[440].
Intussen werd de financiële toestand voor Melchior zo precair dat hij het inzag, en Pablo Van Dalle (Pauwels van Dale) eind 1562 voor 48000 Carolus florijnen de helft van zijn bezittingen op La Palma verkocht. In juni 1562 hertrouwde te Leuven, de inmiddels weduwnaar geworden Melchior met María Van Dalle (Maria van Dale), dochter van Pablo[441]. De kersverse schoonvader nam ook de schulden over die Melchior openstaan had bij zijn broers Juan en Miguel[442]. Melchior gaf in 1564 op La Palma wederom grote sommen uit voor de verbetering van zijn (afgeslankte) suikerplantage en moest daarvoor opnieuw gaan lenen. Juan en Miguel schoten 5000 dukaten voor, maar zij gaven de schuldinning door aan Luys Vendabal (Louis Van de Walle) en enkele Canariërs. Na nog wat verkopen aan Pablo, hield Melchior uiteindelijk nog maar een vijfde over van de suikerplantages van Argual enTazacorte[443]; vier delen van de oorspronkelijke twintig[444].
Tussen 1569 en 1574 was Melchior terug schepen in Antwerpen… Maar in juni 1570 dook hij op in La Palma. Een Portugese vloot van zeven galjoenen maakte een stop op doorreis naar Brazilië met haar nieuwe gouverneur, Vasconcellos, en een heleboel Jezuïeten. De traditie bestond erin dat de rijke Monteverdes de religieuzen opvingen, en bovendien herkende Melchior één van haar leiders als zijn studiemakker van toen hij nog school liep in Porto. Toen het moment van vertrek daar was, en het gezelschap per schip van Tazacorte naar Santa Cruz, aan de andere kant van het eiland wou varen, stelde Melchior ze voor dat hij ze over land naar de vloot zou brengen, want hij wist van zijn oude vriend dat de piraat Jacques de Sores rond La Palma op de loer lag. De Jezuïeten vertrouwden op God, maar hadden dat misschien beter niet gedaan, want aan de zuidpunt van het eiland werden ze aangevallen en in het bloedbad dat volgde, kwam nagenoeg iedereen om[445].
Gezien Melchior vanaf 1574 geen sporen meer heeft nagelaten in Flandes, is het aannemelijk dat hij zich definitief ging vestigen op La Palma. Daar stierf hij in 1589. Zijn weduwe María Van Dalle hertrouwde met de illustere Hanes Avontroot (Hans Avontroot)[446]. Hij liet vijf kinderen na[447].
Diego de Monteverde (Diego van Groenenbergh)
De tweede zoon, Diego de Monteverde, ging zich ook in La Palma vestigen en huwde daar met Agueda de Socarrás y Cervellón, dochter van Gabriel de Socarrás Centellas, een oud-conquistador. Hij werd lid van het bestuur van het eiland, sponsorde de bouw van wat kapelletjes in enkele kerken, maar stierf op nauwelijks 33-jarige leeftijd. Inmiddels had hij al vijf kinderen. Zijn weduwe gaf vanuit Santa Cruz de La Palma de opdracht aan o.m. Melchior de Monteverde om het huis dat ze nog toebehoorde in de buurt van Antwerpen, van de hand te doen[448]. Het signaal, dat Flandes voorgoed vaarwel werd gezegd door deze tak van de Monteverdes.
Juan de Monteverde (Jan van Groenenbergh)
Juan werd dan wel op La Palma geboren, hij heeft nog een tijd in Flandes verbleven na zijn huwelijk op La Palma met Maria de Estopiñán y Socarrás; dochter van een bestuurslid van Cádiz en La Palma. Hij zou ondermeer prestige hebben afgedwongen in de Spaans-Franse oorlogen in onze streken, wat hem later hielp aan de post van militair bevelhebber van La Palma. Daarnaast was hij net als zijn broer Melchior in 1549 aangewezen om Filips II te ontvangen, te begroeten en schouderklopjes te geven. Toch leken de voorbereidingen om naar Canarias uit te wijken reeds in 1545 getroffen; zijn zus Anna en haar man kregen de supervisie over al zijn eigendommen in het hertogdom Brabant en in Duitsland[449].
Terug op Canarias beleefde Juan in 1553 de schrik van zijn leven, toen de Franse piraat François Le Clerc (met de wel erg toepasselijke bijnaam ‘Houtenbeen’) een aanval lanceerde op de haven van Santa Cruz de La Palma en de stad innam. Niet iedereen kon op tijd gaan lopen en de luitenant van kapitein ‘Houtenbeen’, Jacques de Sores[450], nam verschillende families uit de toplagen gevangen. Onder de gijzelaars ondermeer de vrouw van Juan en nog enkele van haar nauwste verwanten. De vader van Maria, Pedro Sánchez de Estupiñán, stelde alles in het werk om een grootscheepse Spaanse tegenaanval te vermijden en zijn dochter en overige familieleden vrij te kopen. Daags voor de stille aftocht van de Fransen slaagde hij erin om zijn gezin voor 5000 dukaten vrij te kopen. Juan, die op het moment van de aanval één van de militieleiders was geweest, schijnt later, toen hij militair bevelhebber werd van La Palma en zich snoeverig gedroeg, op bespottelijke manier te zijn gevraagd waar hij was gebleven toen ‘Houtenbeen’ kwam.
Niettemin werd hij nog datzelfde jaar door sommigen[451] voorgedragen bij licenciado Arguijo, de hoogste politieke instantie op La Palma, als militair opperbevelhebber van het eiland. Het bestuur van het eiland stelde hem aan als ‘capitán general’ en zond een boodschapper naar Karel V, om de vorst op de hoogte te brengen van de toestand op La Palma en van het voorstel om Juan de Monteverde aan te stellen als militair bevelhebber. Op 20 maart 1554 werd een koninklijk besluit uitgevaardigd, waarin hij benoemd werd als ‘capitán general’ en ‘alcaide (commandant) van de forten op La Palma’. Die laatste titel hield rekening met de belofte van Juan om op zijn kosten een fort te bouwen en bij te dragen in de bouw van nog een ander. Alleen is het niet duidelijk of de oorspronkelijke belofte werkelijk zo zwaar was, en of de boodschapper ze al dan niet opblies.
Intussen was er op La Palma verzet gerezen over de toekenning van de zeer eerbiedwaardige titel aan Juan de Monteverde. Toen de nieuwe gouverneur van Tenerife en La Palma, Juan López de Cepeda, in 1554 langskwam, werd hem in het oor gefluisterd dat Juan een vreemdeling was en dat hij de post op een frauduleuze en stuntelige manier had veroverd. Toch gaf hij de Flamenco zijn functie, maar hij herinnerde hem aan zijn dure belofte, die evenwel teruggebracht werd tot de verplichting, om de afwerking van het kasteel van Santa Catalina te bekostigen. Een nieuw fort in La Caldereta[452] werd overbodig geacht.
De bestuurders van het eiland waren niet te spreken over deze regeling; de stad had gespreid over 40 jaar, reeds 3000 dukaten uitgegeven aan de bouw van het kasteel van Santa Catalina, waarvan het commandeurschap nu in de schoot zou vallen van Juan de Monteverde. Er werden terug geruchten rondgestrooid over zijn niet-Spaanse afkomst, en over het feit dat zijn ‘goede vriend’ (de boodschapper die naar het hof was getogen), hem zou voorgesteld hebben als een altruïstisch magnaat.
In de eerste helft van 1554 kreeg Santa Cruz de La Palma het bezoek van vier Franse schepen die al hadden huisgehouden in Tenerife. Omdat de artillerie snel in actie kwam, kregen de Fransen nog enkel de tijd om te zien dat ze wegkwamen. Desondanks bestond het risico dat ze elders zouden proberen om aan wal te geraken en daartoe moest de verdediging worden georganiseerd. Juan de Monteverde kwam echter in een bevoegdheidsconflict terecht met de op La Palma logerende gouverneur de Cepeda, in zoverre dat hij twee bestuurders in een aanval van razernij liet opsluiten, omdat ze met toestemming van enkel de Cepeda, Santa Cruz hadden verlaten. De gouverneur overwoog even om Juan naar het hof te sturen om hem verantwoording te laten afleggen voor z’n daden, maar besloot uiteindelijk dat hij mocht doorgaan als ‘capitán general’, “met mate”. Toen de gouverneur terug naar Tenerife wou, smeekten de inwoners hem tevergeefs om ze niet over te laten aan de wraaklust van Juan de Monteverde. Wel ging de Cepeda naar de ‘Consejo de guerra’[453] in Spanje, om te zeggen dat Juan zijn belofte niet had nagekomen door noch een fort, noch een simpele toren te hebben opgericht, en dat zijn aanstelling een farce was. Nadien ging de gouverneur via Tenerife terug naar La Palma.
In augustus 1554 besliste de ‘Consejo de guerra’ dat iemand van de ‘Audiencia de Canarias’ maar eens polshoogte moest gaan nemen op La Palma, en dat op basis van zijn verslag de ‘Audiencia de Canarias’ een beslissing moest nemen over Juan de Monteverde. Voor de taak werd doctor Gómez de Salazar aangewezen, die in augustus 1555 op het eiland aankwam. Meteen verstomde het vurigste protest tegen Juan, want de Salazar had zijn neef meegebracht die op zijn beurt schoonzoon was van één van de hevige tegenstanders van de Monteverde. De Salazar ging trouwens enkel om met de personen die gekant waren tegen de Flamenco en noemde hem ironisch “generalisimo”. Juan moest de vuisten bedwingen en van zodra de magistraat vertrokken was, tekende hij in Santa Cruz de La Palma protest aan bij de luitenant van de gouverneur, Diego de Cabrera, tegen het immorele en partijdige gedrag van de Salazar. Het protest haalde meer uit dan Juan de Monteverde had durven hopen, want geheel onverwacht besliste de ‘Audiencia de Canarias’ in maart 1556 dat hij aan mocht blijven als ‘capitán general’, zolang de vorst het beliefde. Het bestuur van La Palma, dat bijna integraal tegen de Flamenco gekeerd was, reageerde verbolgen en tekende op zijn beurt verzet aan bij de koning. De ‘capitán general’ had zijn financiële verplichtingen voor de verdedigingswerken niet ingelost en gebruikte zijn positie enkel om zijn machtswellust bot te vieren. Juan de Monteverde schreef de ‘Consejo de guerra’ inmiddels een brief, waarin hij de militaire situatie schetste en beloofde om in totaal 1800 dukaten te investeren in de forten van San Miguel en Santa Catalina.
In september 1557 werd in Valladolid een koninklijk besluit uitgevaardigd, waarin de bevoegdheden van iedere ‘capitán general’ voor eens en voorgoed werden vastgelegd. De ‘capitán general’ moest zich per definitie beperken tot het nemen van de leiding bij militaire operaties, maar om de milities in te zetten, moest hij eerst tot een akkoord komen met de gouverneur.
Juan de Monteverde bleef zijn functie behouden tot in 1568; toen werd hij erg ziek en moest hij vervangen worden. Het is onwaarschijnlijk dat hij nog geleefd zou hebben tijdens de politieke hervormingen van 1571-‘73, toen het ambt van ‘capitán general’ zuiver honorifiek werd en de militaire bevoegdheid bij de gouverneur kwam, die vanaf toen werd aangeduid als ‘gobernador capitán’[454].
Het koppel Juan en Maria liet als enige dochter Anna de Monteverde achter[455].
Miguel de Monteverde (Michiel van Groenenbergh)
Van de laatste zoon van het koppel Jácome en Margareta is, net als voor Diego weinig geweten, op één passage na… Waarschijnlijk verbleef hij nog een tijd in Flandes, alvorens hij naar Cádiz ging om er te huwen met Isabel Pascua de Virués, zelf van Genuese afkomst. Van Cádiz ging het dan naar La Palma, waar hij net als Diego lid werd van het bestuur[456].
Over het bangelijkste moment in zijn leven bestaan vandaag nog voldoende bronnen; het bezoek van de piraat Jacques de Sores aan La Gomera en het nagenoeg collectieve verhoor door de Inquisitie, van iedereen die toen in of rond de haven van San Sebastián de La Gomera had verbleven.
Wat vooraf ging was een bezoek aan het eiland door de “gentlemen-piraat” Jean Bontemps, in maart 1570. Bontemps had geen kwade bedoelingen, en wou enkel levensmiddelen inslaan en wat op rust komen. Misschien omdat de inwoners het zo niet begrepen hadden en hem dreigden aan te vallen, bracht Bontemps hen, en in de eerste plaats de graaf van La Gomera en El Hierro, Diego de Ayala[457], op de hoogte van de komst van een ander geducht piraat, de calvinist uit La Rochelle: Jacques de Sores. De wreedaard had tevoren een schip vol Jezuïeten uitgemoord en de lijken overboord gegooid[458], maar dat wisten noch Bontemps, noch de Gomeros, tot enkele overlevenden op La Gomera hun verhaal zouden komen vertellen.
Na het bloedbad besloot Jacques de Sores inderdaad koers te zetten naar La Gomera; in die tijd min of meer een asiel voor piraten omdat de heer, Diego de Ayala, zich bewust was van zijn militaire zwakte en bijna altijd aanstuurde op een deal met de onverlaten. De vijf Franse schepen doken op voor de kust in juli 1570. Door ontij werden ze gedurende drie dagen dooreengeschud op een halve mijl van San Sebastián, wat ze verhinderde om aan te leggen in de haven en de Gomeros tijd gaf om de verdediging te organiseren. Diego de Ayala, bijgestaan door adviseurs (waaronder Miguel de Monteverde) zat geklemd tussen twee angsten: enerzijds de schrik dat de piraten aan land konden komen, en anderszijds de schrik dat ze de aftocht zouden blazen en hij de kans zou mislopen om ze talrijke vaten wijn te verkopen. Om de twijfels de wereld uit te helpen, werd de gouverneur van La Gomera, Juan de Ocampo, in een sloep gezet om de Fransen tegemoet te varen en te peilen naar hun intenties. Bij de tweede poging slaagde de Ocampo erin om bij de piraten te komen, die hem toeriepen dat de leider van de vloot ene “monsieur Xixeles” was, en dat ze 30 vaten wijn en drinkwater wilden inslaan.
Terug aan wal bleek o.m. Miguel de Monteverde (afgaande op het verhaal) voorstander om de piraten te ontvangen. Enkele adviseurs waren radicaal tegen. De graaf tenslotte besloot de Fransen aan land te laten gaan in de kleine, nabijgelegen aanlegplaats van El Machal. Een piloot, Amador Alvarez werd opnieuw uitgestuurd om de piraten de prijs van de wijn mede te delen en hen voor te stellen, die te gaan ophalen in El Marchal. De Fransen werden echter wantrouwig toen ze hoorden dat hen de toegang tot San Sebastián was geweigerd, richtten hun kanonnen op de sloep en dwongen Amador als gevangene aan boord te komen. “Monsieur Xixeles” stapte zelf in de sloep en achterna gevaren door zijn vloot, bereikte hij ongedeerd het strand van San Sebastián. De sloep werd onmiddellijk omsingeld door de milities, die “monsieur Xixeles” verboden ze te verlaten. Even later kwam Amador aangespoeld; hij was in vrijheid gesteld. Diego de Ayala wilde hem in blinde woede de keel dichtknijpen; hij wist nu duidelijk niet meer wat te beginnen.
“Monsieur Xixeles” bediende zich van Miguel de Monteverde als tolk en vertelde hem Amador met rust te laten, omdat ze indien ze blijvend de toegang tot San Sebastián geweigerd zouden zijn worden, ze de stad met geweld toch ingenomen zouden hebben. De graaf draaide bij, nam Xixeles mee naar zijn paleis en tekende een vredesovereenkomst. Twee dagen lang ontving de Fransman alle mogelijke eerbetuigingen op luisterrijke banketten, opgevrolijkt door muzikanten. Miguel de Monteverde speelde als tolk een belangrijke bemiddelende rol tussen de Ayala en Xixeles[459].
Na de feesten mochten de Franse zeelui de stad betreden, waar ze binnen de kortste keren de tavernes bevolkten en alles opschrokten wat ze te pakken kregen. Beneveld door de wijn, kwamen de tongen los van heel wat Fransen, die onbewust hun werkelijke identiteit verraadden. Zij bleken dan toch aangevoerd door Jacques de Sores die zich de hele tijd koest had gehouden op de schepen, en bovendien verantwoordelijk was voor het bloedbad op de arme Jezuïeten. Eén van de bestuurders, Martín Manrique, die van bij het begin al tegen het pact was met de ketterse piraten, hoorde een Bretoen uit die hij al bij andere gelegenheden op La Gomera had gezien.
De geruchten verspreidden zich snel, maar Jacques de Sores deed geen verdere moeite om zich te verbergen en liep de stad in, richting het eerste het beste bordeel. Toen hij daar klaar was, zond hij één van zijn kapiteins naar de graaf om die uit te nodigen voor een banket, dat gemakshalve zou doorgaan in het bordeel. Diego de Ayala was erg geschrokken toen hij vernam dat hij te maken had met Jacques de Sores, maar zag geen andere keuze dan erheen te gaan, vergezeld van een schare adviseurs en Miguel de Monteverde als tolk. De piraat zat gedurende het eten voortdurend tussen de vrouwen en als summum van cynisme, dankte hij na afloop van de maaltijd de Heer in het Latijn, met een schaapachtige grijns en licht gesticulerend.
Diego nodigde op zijn beurt Jacques de Sores uit voor alweer een banket in het paleis, maar liet zijn gezelschap in het geheim tot de tanden bewapenen voor het geval de Fransen hen zouden verrassen. Dat gebeurde echter niet, en er werd een geanimeerde conversatie gehouden waarin Jacques de Sores als een gedreven cabaretier de toestand in Frankrijk uit de doeken deed. Toen Miguel hem de vraag vertaalde naar het bloedbad op de arme Jezuïeten, glimlachte hij, en één van zijn kapiteins zei droogweg dat de religieuzen zich niet hadden willen overgeven, wat de Fransen geen andere keuze had gelaten dan ze om te brengen. Jacques de Sores had last met zijn hormonale spiegel, en verdween terug naar het bordeel.
Intussen had een zeeman, die de slachting van de Sores overleefd had, enkele relikwieën die Paus Pius V aan de Jezuïeten had meegegeven, bezorgd aan de dochters van gouverneur Juan de Ocampo. Dit greep de Ocampo dermate aan, dat hij wraak wilde nemen op Jacques de Sores en zijn gevolg. Miguel de Monteverde ondernam echter samen met de vicaris van het eiland alle mogelijke pogingen om het de man uit zijn hoofd te praten. De Ocampo liet zich niet vermurwen en stapte naar de graaf, om te zeggen dat hij een troep mannen had opgetrommeld en de Fransen die nacht nog zou aanvallen. De Ayala zei dat het hem eender was; ’t werd te warm onder zijn voeten, en hij stond op het punt met vrouw en kinderen de stad te ontvluchten, tot Miguel en de vicaris binnenstormden en hen beiden ervan overtuigden dat het christelijker was om de gevangenen op de schepen van de Fransen vrij te kopen.
Voor het vertrek van de Sores werden op die manier de Portugezen toch nog bevrijd. Volgens de Fransen waren er geen Jezuïeten meer aan boord, want zij waren “al strijdend” letterlijk ten onder gegaan…
In oktober 1570 kwam de voorzitter-inquisiteur van Canarias, Pedro Ortiz de Funes op bezoek. Zowat iedereen werd ondervraagd m.b.t. de feiten die zich hadden afgespeeld tijdens het bezoek van Jacques de Sores. Het is niet duidelijk wie, waarom, en tot wat veroordeeld werd, maar er kan met zekerheid worden gesteld dat de Inquisitie uiteindelijk geen andere keuze had dan begrip op te brengen voor de Gomeros. In alle getuigenissen werd de onmogelijkheid onderstreept om de landing van de piraten met de schaarse wapens te verhinderen[460].
Miguel liet één zoon na: Juan de Monteverde[461].
Ana de Monteverde (Anna van Groenenbergh) en Willem van der Werven/ Godefroot Sterck
Ana had in vergelijking met haar
broers weinig zaken met La Palma. Ze werd er wel geboren, maar vertrok er na
haar kindertijd wellicht voorgoed. Ze huwde in Flandes met Willem Van der
Werven, zoon van de edelman Martijn Van der Werven. Al vroeg werd ze weduwe,
maar niet voor lang, want in 1555 werd ze in de echt verbonden met Godefroot
Sterck, eveneens een edelman. Op de bruiloft was Melchior de Monteverde
aanwezig en de bruidsschat bestond ondermeer uit een jaarlijkse som geld, die
moest komen uit een (later?) huurcontract met Melchior, die (vooralsnog)
tijdelijk haar onroerende goederen op La Palma in bezit had. Godefroot Sterck
kon het geld best gebruiken, aangezien schuldeisers hem op het huid zaten. Even
werd hij benoemd als amman in Antwerpen, maar omdat hij al schatmeester was,
bedankte hij uiteindelijk voor de eer. Noch met Willem van der Werven, noch met
Godefroot kreeg Ana een kind. Zodoende besloot ze haar bezit in Canarias over te
dragen aan de kinderen van de eerste vrouw van Godefroot Sterck.
Haar broer Melchior echter was in La Palma op de hoogte gesteld van deze transactie en liet zijn recht op terugvordering gelden[462], door zijn gevolmachtigde Hans Baron in Flandes een rechtszaak te laten aanspannen. Ana en de kinderen van Godefroot Sterck dolven het onderspit, want in 1562 kreeg Melchior de hele koloniale erfenis van Jácome in het bezit[463]. Ana moest overigens nog flink scharrelen om haar advocaatskosten te betalen[464]…
De ‘Van Dalles’ ( van Dale’s)
Met de Van Dalles (van Dale’s) zijn we toe aan de tweede familie Vlaamse suikerplanters. Ook hier bespreken we de pionier, Pablo Van Dalle (Pauwels van Dale) en de generatie die na hem komt, echter de beperking tot de kinderen die iets met Canarias hadden te maken, vanuit Flandes of als inwoner op de archipel zelf.
Pablo Van Dalle (Pauwels van Dale) en Anna Cocquiel (?)
Pablo werd geboren in 1510 te Antwerpen, als vierde zoon van de koopman Arnout van Dale en Gertrude Teerlincx. In 1539 huwde hij Anna Cocquiel, ‘Vrouwe van Lillo’[465] en in 1544 werd hij voor een jaartje schepen te Antwerpen. Gezien zijn gefortuneerde status en bewezen diensten werd hij door Karel V in 1554 ook nog eens in de adelstand verheven, en daarna tot ridder geslagen[466]. Tenslotte was hij tweede patroon van het Sint-Bernarduscollege van de Leuvense universiteit, gesticht door zijn oudere broer Pedro van Dale. Deze Pedro was decaan van de Heilige Collegiale Kerk van Aalst, kanunnik van de Onze-Lieve-Vrouwkathedraal van Antwerpen en ‘heer van Berlaer, Chestel [sic], Put [sic] en Barselle [sic][467].
Pablo is rond die jaren 1550 snel rijk geworden, dankzij het opvolgen van zijn broer als hoofd van het handelshuis (dat eerst zijn vader had toebehoord) en dankzij een rijke erfenis in vastgoed die hij zelf nog zou uitbreiden. Toen Karel V in 1552, 250000 florijnen wou lenen, participeerde Pablo met zijn vader voor een bedrag van 13000 florijnen. Naast bankieren vond hij prijzenspeculatie een goede manier van verdienen; hij kocht massaal graan op dat hij iets later verkocht in tijden van (deels zelf-veroorzaakte) schaarste, tegen zeer hoge prijzen. Het werd een ontnuchtering, want in 1565 zat zijn graanzolder zo vol dat hij letterlijk openbarstte en de openbare weg overspoeld werd. Dit tot groot jolijt van de passanten, die hun zakken vulden en er snel vandoor gingen. Een jaar later werd hij net als andere machtige Antwerpse kooplui gecontacteerd door Gresham, de beroemde zakengelastigde van Elizabeth I van Engeland, om de koningin een lening toe te staan. Pablo weigerde, omdat hij nog steeds geen stuiver terugbetaald had gekregen van de lening aan de reeds overleden Karel V. Nog een bewijs van het gewicht van zijn handelsactiviteiten, zijn de commerciële tijdschriftjes die hij regelmatig uitgaf; ze bevatten taksen, wisselkoersen, e.d.m. van verschillende Europese landen.
Het meest gewichtige luik van de commerciële activiteiten van Pablo, is de handel met de kolonies, Canarias i.h.b.[468]. In 1562 verwierf hij tegen een bedrag van 48000 florijnen de controle over een vijfde deel van de bezittingen, van de op de rand van het bankroet balancerende Melchior de Monteverde (Melchior van Groenenbergh) op La Palma[469]. Melchior was pas sinds enkele maanden zijn schoonzoon na een huwelijk met Pablo’s dochter María Van Dalle[470]. Pablo kon voortaan volop suiker naar Antwerpen laten aanvoeren, waarvoor hij enkel de productie- en transportkosten moest torsen, want ze kwam van zijn suikerplantages[471]!
Maar… in 1564 erkende Pablo nog 1200 doubles schuldig te zijn aan Juan en Miguel de Monteverde (Jan en Michiel van Groenenbergh), restant van een totaal van 5000 doubles voor de verbeteringswerken die de broers hadden laten aanbrengen aan de suikerplantage van Argual. Het was geen toeval dat Pablo er steeds langer over deed om zijn schulden te lenigen; de koop in 1562 had hij slechts kunnen realiseren via zware leningen[472]. Datzelfde jaar (1564) raakte Van Dalle samen met Melchior de Monteverde te Antwerpen betrokken in een schandaal van ketterij en muntvervalsing. Gelukkig voor hem, werd hij samen met Melchior vrijgesproken omdat de aanklagers zich niet kenbaar durfden te maken voor de ‘Vierschaere’[473]. Niettemin bleef het ander zwaard van Damocles hem boven het hoofd hangen, en om inbeslagname door de schuldeisers te verhinderen, ging hij in 1565 over tot een gesimuleerde verkoop; zijn stroman Valerio Rutis (Valerius Ruts) kreeg het deel van de suikerplantage van Tazacorte in handen dat nog aan Melchior de Monteverde had toebehoord. Op dat moment werd ze voor Pablo gerund door (o.a.?) Antonio de Tessa en Laurent Monnyl? (?)[474]. In 1573 kwam nog een deel van de plantage van Argual in zijn handen, omdat Melchior terug uitverkoop hield[475].
Ca. 1577 besloot Pablo uiteindelijk zelf zijn koloniaal bezit te gaan uitbaten. We kunnen het niet met zekerheid stellen, maar het kan dat dit zijn allereerste bezoek zou worden aan Canarias. Voor zijn vertrek trachtte hij een zo groot mogelijk kapitaal te verwerven om op La Palma te kunnen investeren, en hij verkocht daarom zijn Antwerpse eigendommen. Eindelijk lachtte het succes hem toe. Hij was al één van de belangrijkste suikerhandelaars, maar maakte nu op de koop toe grote winst[476]. Vermoedelijk liet hij in die periode twee kleine, stenen bolwerken oprichten in de haven van Tazacorte (elk met twee stukken geschut), om de handelsschepen te beschermen die er ankerden. Hij kan het ook eerder hebben laten doen vanuit Antwerpen, op aanraden van een vertegenwoordiger op La Palma[477].
Om redenen die nog onduidelijk zijn, verloor hij zijn fortuin rond 1580. Terug in Antwerpen datzelfde jaar, organiseerde hij een nieuwe fictieve verkoop aan zijn kinderen en leidde zo de schuldeisers een tweede maal om de tuin. Tenminste dat hij gehoopt, want in 1588 verklaarden zijn kinderen plechtig de ware toedracht achter de verkoop[478]. Toen hij stierf in 1595[479], aanvaardden ze hun erfrecht verstandigerwijs slechts onder voorrecht van boedelbeschrijving. Een Antwerpse magistraat stelde daaropvolgend twee curatoren aan, die schikkingen troffen met de talrijke schuldeisers[480]…
Het echtpaar Pablo en Ana[481] liet acht kinderen na[482].
Pedro Van Dalle (Peter van Dale) en Margarita Vaniberbe (Margarita Van der Werven)
Naar alle waarschijnlijkheid werd de oudste zoon van Pablo[483] geboren in Antwerpen. Hij erfde van zijn vader en zijn gelijknamige oom de titels die samengesteld klonken: ‘heer van Lillo, Berlaer, Chestel [sic], Put [sic], Barsella [sic], Berendrecht en Zuitland’[484]. Zijn komst naar La Palma dateert van ten laatste 1578, want uit een aanklacht voor de Inquisitie die tegen hem geformuleerd werd in 1581, bleek hij ten minste sinds drie jaar als voornaam figuur te fungeren op de plantages van zijn vader[485]. María de Estopiñan, weduwe van Juan de Monteverde (Jan van Groenenbergh) en haar schoonbroer Melchior de Monteverde (Melchior van Groenenbergh), betwistten weliswaar (vermoedelijk) rond deze tijd Pablo’s gezag over de suikerplantage van Argual, voor de ‘Real Audiencia de Sevilla’[486]. In 1591 huwde hij in Antwerpen met Margarita Vaniberbe, dochter van Charles van den Werve, machtige ‘heer van Schilde, Vreemdyk en Immerseel’ en Ana Schetz[487].
Toen zijn vader stierf, aanvaardde ook hij het erfrecht slechts onder voorrecht van boedelbeschrijving. De verdeling zorgde overigens voor ruzie binnen de familie, en in niet geringe mate tussen Pedro en zijn schoonbroer Jerónimo Boote (Jeroom de Boot). In 1597 werden enkele scheidsrechters aangesteld en de verkoop van de plantage in Tazacorte moest een jaar worden uitgesteld. In 1598 konden dan toch alle eigendommen van Pablo op de Canarische eilanden verdeeld worden[488]. Het is onduidelijk waar het geschil werd uitgevochten, maar begin mei 1595 was hij in Antwerpen toen zijn tweede dochter María geboren werd[489].
Ongeacht hiervan is hij net voor de eeuwwisseling nogmaals voor korte tijd met vrouwlief vanuit Antwerpen vertrokken naar La Palma. Uit veiligheidsoverwegingen liet hij zijn meest waardevolle goederen achter bij familierelaties en vrienden, waaronder de burgemeester van Antwerpen, Blaise de Bejar. Lang bleef hij niet, want hij was zeker terug in 1599, belast met de opdracht van zijn familieleden op La Palma, om verschillende zaakjes voor hen te regelen in Flandes en hun goederen in het vaderland te beheren.
In 1605 was Pedro nog in Antwerpen. Korte tijd later moet hij definitief vertrokken zijn naar La Palma, waar hij stierf in Tazacorte, in 1607. Ook zijn vrouw Margarita overleed ver van huis[490]. Ze kregen zeven kinderen[491].
Jerónimo Van Dalle (Jeroom van Dale) en Leonora de Senfts (Eleonora van Zennest)
Hij was de tweede zoon van Pablo en kreeg de meer bescheiden titulatuur van ‘heer van Warchten en Heitsbourg [sic]’[492]. Hij huwde met Leonora de Senfts, met wie hij op een niet nader te bepalen tijdstip zijn broer Pedro naar La Palma achterna ging en in Santa Cruz de La Palma ging wonen[493]. Hij hield er zich ook bezig met de suikerhandel[494].
Toch kan hij voor een bepaalde tijd in Tazacorte verbleven hebben, want in 1582 en 1584, heeft Jerónimo Filips II tweemaal aangeboden om op zijn kosten een sterk fort te laten oprichten in de haven dichtbij de stad, in ruil voor het eeuwige commandeurschap en de erfenisrechten ervan. Evenveel keer was het “njet”, omdat de beroemde Italiaanse defensiespecialist in Spaanse dienst, Leonardo Torriani, erop wees dat de ‘Van Dalles’ enkel de schepen wilden beschermen die suiker ophaalden van hun nabijgelegen plantages. Torriani was van mening dat de ‘Van Dalles’ verplicht moesten worden om de suiker eerst over land naar Santa Cruz de La Palma te brengen, om daar verscheept te worden. Het haventje van Tazacorte diende toch maar om het ‘almojarifazgo’ (de douane) te ontlopen[495]…
Jerónimo stierf voor 1609 en kreeg twee kinderen[496].
Lucrecia van Dale en Jerónimo Boote (Jeroom de Boot)
Lucrecia is, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid nooit op La Palma geweest[497]. Ze huwde in 1588 in Flandes met Jerónimo Boote[498], ‘heer van Oppem en Wezembeek’, schepen in Brussel en ‘Maestre de Campo de Infantería española’[499]. Maar het was slechts een kort en kinderloos huwelijk, want nadat het koppel in 1590 samen testament had afgelegd, was haar man-weduwnaar in 1593 opnieuw protagonist van een bruiloft, ditmaal in Santa Cruz de La Palma met Jacoma de Monteverde, een kleindochter van de hogerop besproken Diego de Monteverde (Diego van Groenenbergh). Hij kreeg met haar één dochter[500].
Op het eiland raakte Jerónimo betrokken in de leiding over de plantages van Pablo Van Dalle. Na diens dood in 1595 vocht hij een juridische strijd uit met de kinderen van Pablo, diens zoon Pedro i.h.b.. Hij wou de Canarische bezittingen van Pablo verkopen, maar Pedro & co. weerhielden hem daarvan en lieten hem in 1597 instemmen met de aanstelling van twee arbiters[501], die een jaar later een algemeen aangenomen akkoord uitwerkten, waarin de Canarische eigendommen verdeeld werden over de belanghebbenden onder de vorm van aandelen[502].
De vrouwen van Jerónimo beschikten blijkbaar niet over een sterke gezondheid, want nog voor zijn dood in 1621, huwde hij een derde keer in Santa Cruz de La Palma met Ana de Monteverde, nicht van zijn tweede vrouw en kleindochter van de hogerop besproken Miguel de Monteverde (Michiel van Groenenbergh). Ook met met haar kreeg hij enkele kinderen[503].
Anna van Dale en Paul van Ghemert
Als vierde kind van Pablo Van Dalle, huwde Anna van Dale in 1567 in Flandes met Paul van Ghemert[504], door de koning benoemd in de rekenkas van Antwerpen en in 1587 kapelmeester geworden van het Heilig Sacrament in de kathedraal aldaar[505].
Sinds het huwelijk met Anna, raakte Paul vanuit Flandes betrokken in de zaken van zijn schoonvader. Of hij met zijn ega werkelijk naar La Palma is getogen om er deel te nemen in de leiding over de eigendommen van de van Dale’s, wordt door F. Donnet bevestigd (zonder bewijs), en door F. Fernández de Bethencourt in het midden gelaten[506]. Bij gebrek aan sporen op Canarias opteer ik te veronderstellen dat ze er beiden niet zijn geweest.
Het koppel legde samen testament af in 1582, en Anna nogmaals in 1618, elf jaar na het overlijden van Paul. Zelf stierf ze in 1633. Dat alles geschiedde in Antwerpen of in de ruime omgeving ervan.
Ze kregen vier kinderen, waarvan één, Paul Wangüemert (Paul van Ghemert) met zekerheid naar La Palma is gereisd en zich bij z’n toen nog in leven zijnde grootvader Pablo van Dalle heeft gevestigd[507]. Misschien had F. Donnet wel iets gevonden dat zijn aanwezigheid op La Palma staafde i.p.v. die van Paul van Ghemert senior.
María Van Dalle (Maria van Dale) en Melchior de Monteverde (Melchior van Groenenbergh)/ Hanes Avontroot (Hans Avontroot)
Maria was het zevende kind van Pablo. Ze huwde een eerste maal in 1562 te Leuven met de oudste zoon van Jácome de Monteverde (Jacob van Groenenbergh), zijnde de weduwnaar Melchior[508]. Net zoals haar man verbleef ze lange tijd op La Palma, alhoewel we er meer van dienen uit te gaan dat ze hem gevolgd is. In dat geval was ze op het eiland van eind 1562 tot 1569, kort in 1570, en vanaf 1574 definitief[509]. Ze hadden samen vijf kinderen[510].
De voorlopig enige gevonden sporen op Canarias, liet ze na in het proces tegen de notoire ketter Hanes Avontroot (Hans Avontroot). Na de dood van Melchior in 1589 was ze tegen de wil van haar kinderen in met hem getrouwd, zodanig dat hij de resterende suikerplantages van de Monteverdes voortaan niet alleen meer beheerde, maar ook bezat. Vandaar dat hij voor het minste een aanklacht en een proces aangesmeerd kreeg, met groeten van de stiefkinderen[511].
Uit het proces blijkt dat Maria in 1590, 42 jaar was en dus op de leeftijd van veertien of vijftien jaar met weduwnaar Melchior gehuwd moet zijn. We kunnen weinig anders dan denken aan een kunstmatige verbintenis[512] die waarschijnlijk deel uitmaakte van de verkoop van een deel van Melchiors’ Canarische bezittingen aan vader Pablo Van Dalle (Pablo van Dale)[513]. Het tweede huwelijk kan met meer overtuiging van haar kant gesloten zijn, niet alleen gezien de tegenstand van haar kinderen, maar ook gezien de (zij het dan voorzichtige) pogingen om Hanes van de zwaarste beschuldigingen vrij te pleiten tegenover de Inquisitie. Het wantrouwen van het tribunaal was daarmee echter gewekt[514]. Een tweede mogelijkheid is dat haar vader er opnieuw voor iets tussenzat, want Hanes Avontroot had voor hem gewerkt als opzichter van zijn suikerplantages, gekocht aan Melchior de Monteverde. Was het tweede huwelijk een poging om de Monteverdes de resterende delen van de suikerplantages te ontnemen? Was het daarom dat de kinderen van Maria Van Dalle en de overleden Melchior hem een loer wilden draaien door een klacht in te dienen over ketterij bij het tribunaal van de Inquisitie en een klacht over het beheer van de haciendas van Tazacorte en Argual bij de ‘Audiencia Real de Canarias’[515]?
Met Hanes had ze naar alle waarschijnlijkheid geen kinderen meer; ze was al te oud. Over wat er met haar na 1590 gebeurde op privé-vlak, blijft er enige onduidelijkheid. Volgens F. Donnet is ze na de dood van Melchior in tweede instantie gehuwd met ene Gillis Haecx. Donnet erkent echter op een ander moment, paradoxaal genoeg, dat ook Hanes Avontroot haar man is geworden. Volgens dezelfde auteur zou ze gestorven zijn na 1619, want toen leefde ze nog op La Palma[516]. W. Thomas beweert dat ze stierf in 1609, en bij deze gelegenheid Hanes voor het laatst naar La Palma kwam met zijn geadopteerde neefje Juan Coot (Jan Koot). Volgens haar testament zou Juan Coot immers een vijfde van de bezittingen van Maria erven. De rest ging naar de kinderen die ze met Melchior had gekregen. Avontroot had zijn aandeel in de suikerplantages al voor haar dood verkocht[517]. W. Thomas spreekt zichzelf weliswaar niet tegen zoals F. Donnet; maar al zijn diens bronnen i.v.m. het overlijden van Maria betrouwbaarder[518], waar blijft hij met de obscure Gillis Haecx?
3.1 Een grote, Vlaamse handelskolonie voor intensieve commerciële relaties
Flandes, de derde handelspartner na Cádiz en Italië
De trafiek tussen Flandes en Canarias werd op gang gebracht door de Genuese koopman Francisco de Riberol, en iets later door zijn broer Cosme en de gouverneur van Tenerife, Alonso Fernández de Lugo. Via Cádiz bereikten de eerste schepen met Canarische suiker en orchilla de haven van Antwerpen in 1508[519].
De stad aan de Schelde zou zowat de enige bestemming en vertrekpunt worden in de handel tussen beide delen van het Spaanse rijk[520]. Samen met steden als Sevilla en Lissabon vormde ze de Atlantische as, die de Mediterrane zou gaan overschaduwen.
Uit de gedeeltelijke, met andere handelsstromen vergelijkbare cijferreeksen van de Gran Canarische export naar de Nederlanden, blijkt de intensiteit van de commerciële relaties: tussen 1516 en 1598 was Flandes de derde afnemer van blanke suiker[521], tussen 1555 en 1592 de eerste afnemer van panela[522], tussen 1556 en 1596 de eerste afnemer van remiel[523], tussen 1557 en 1593 de derde afnemer van wijn[524] en tussen 1559 en 1597 de derde afnemer van orchilla[525]. Voorts ontvingen onze streken Canarische conserva (ingelegde vruchten), fruit (limoenen, appelsienen,…), dierlijke producten (kanarievogeltjes, kazen, honing,…), etcetera[526].
In omgekeerde richting waren tarwe en textiel, naast luxegoederen (vnl. wandtapijten en schilderijen), de meest gevraagde producten uit onze streken.
De aanvankelijke controle (?) van niet-Vlaamse kooplieden op de Canarisch-Vlaamse trafiek
Gedurende de eerste helft van de 16e eeuw werd de handel gecontroleerd door Genuezen, Hoog-Duitsers en Spanjaarden[527]. Van deze drie waren de Genuezen zonder twijfel dominant, in grote te mate te danken aan hun lange traditie van handel voeren met Flandes (eerst met Brugge, dan met Antwerpen)[528]. Natuurlijk was het minstens zo belangrijk dat zij op de Canarische eilanden zelf de suikerrietteelt beheersten, omdat vooral zij de zware investeringen konden opbrengen[529].
De namen van enkele belangrijke, meestal op Canarias gevestigde kooplui[530], die tot de jaren 1560 betrokken waren in de Canarische export naar Flandes zijn opgenomen in Bijlage 9. De namen van de kooplui (zowel Vlamingen als buitenlanders) die de Canarische goederen te Antwerpen ontvingen, zijn te vinden in Bijlage 10.
Ondanks het aanvankelijke overwicht van de buitenlanders waren van begin af aan ook Vlaamse handelaars betrokken. Tijdens mijn onderzoek ben ik op nogal wat Flamencos gestuit die reeds in de periode van 1508 tot 1540, kort of permanent op Canarias verbleven om de lokale producten uit te voeren naar onze streken. Vooral hun respectabele aantal is een nieuw gegeven, dat toelaat vraagtekens te plaatsen bij de nadruk die sommige auteurs leggen op het buitenlandse, zeg maar Genuese, overwicht in de handel. Enkele namen zijn: Ysembarte en Jacques Castelen (Ysembaart en Jacques Casteleyn), Juan de Gembreux (Jean de Gembloux?), Luis en Antonio de Axcaca (?), Castelot Martín (Casteloot Martijn?), Uberto Cuymon (?)[531], Jacques Botiller (?), Juan de Arras (Jan van Atrecht), Luis Dorres (?)[532], Guiraldo Virlin (?), Cornelio Despaz (?), Thomás Vendabal (Thomas Van de Walle), Juan de la Cuha (?), Tilma Banquisel (Tilma Van Kessel?)[533], etcetera.
Bloei van de trafiek en grootste uitbreiding van de Vlaamse handelskolonie medio 16e eeuw
Naar het midden van de 16e eeuw namen de Flamencos het heft definitief in handen, en groeide hun aantal op de Canarische eilanden voortdurend. Antwerpen was vol, vol van mensen en kapitaal die hun weg zochten naar nieuwe gebieden[534]. Antwerpen maakte ook deel uit van het Spaanse wereldrijk en was de belangrijkste noordelijke haven voor dat imperium.
Toch mogen we niet denken dat enkel Antwerpenaars de oversteek hebben gemaakt naar de Canarische archipel. De Bruggelingen gingen ze chronologisch bekeken, vooraf. Zij werden door de Italianen ingeleid in de handel met Canarias, want de eerste levering van orchilla kwam aan in Brugge, vermoedelijk reeds eind 15e eeuw. Brugge was niet op slag dood nadat de Portugese en Spaanse kooplieden het vanwege de problemen op het einde van de 15e eeuw, in de steek lieten; de Brugse handelaars trachtten met verbetenheid een deel van de koloniale handel te controleren; iets waar ze zeker in de eerste helft van de 16e eeuw, en zelfs later nog zijn in geslaagd. Tenminste, dat lezen we af uit het Brugse contingent op Canarias: de familie Vendabal (Van de Walle), Juan Jacques (Jean Jacques), de familie De Guisla (Ghiselinck), Juan de la Mar (Jan van de Zee), Anes Bantrilha (Hans van Trille), Jacques de Muencq (Jacques de Munck?), Jerónimo Vaniberbe (Jeroom Van der Werven), Pedro Blanco (Peter de Witte), Juan de Dayzel (Jan van Daysele), Julian Destrala (Juliaan Van der Straelen) en Juan Flaniel (Jan Flaneel)[535]. Met deze namen houdt de lijst Bruggelingen wellicht niet op, maar men kan gerust veronderstellen dat het overgrote deel van de andere Flamencos uit het hertogdom Brabant afkomstig was[536].
En nu de cijfers betreffende de omvang van de Vlaamse handelskolonie op de Canarische eilanden in de hele 16e eeuw.
Wij kwamen aan een totaal van 119 individuen, zonder rekening te houden met referenties waar Vlaamse handelaars anoniem in opdoken. Het is immers weinig waarschijnlijk dat de naamlozen niet tot de bekende groep behoren. Wie de aantallen in relatie tot de verschillende eilanden samentelt, komt aan een groter getal, maar dat is het gevolg van de mobiliteit van de Flamencos, die niet noodzakelijk op één eiland verbleven.
Tenerife telde met 61 kooplui de grootste kolonie. Daarvan waren er 14 permanente inwoners, 31 tijdelijke en 16 van wie we het niet weten. Gran Canaria volgt met 47 kooplui: 16 permanente inwoners, 17 tijdelijke en 14? (van wie het niet weten). Op redelijke afstand krijgen we dan La Palma met 24: 13 permanente inwoners, 4 tijdelijke en 7?. Op El Hierro waren er 2: 1 tijdelijke inwoner en 1?. Op La Gomera tenslotte, was er nog 1 tijdelijke Vlaamse inwoner in de 16e eeuw[537].
De dominantie van Tenerife en Gran Canaria is verwacht; beide eilanden waren grote suiker- en wijnproducenten. La Palma blijft wat achter, maar dat komt ten dele omdat de eveneens handelvoerende families de Monteverde (van Groenenbergh) en Van Dalle (van Dale), opgenomen zijn bij de suikerplanters, en omdat op het eiland nog maar weinig archiefwerk is gebeurd, voor zover het nog kan[538]. Het aandeel van La Palma mag omwille van het gewicht dat de Vlaamse suikerplanters er in de “exportschaal” gooiden, absoluut niet onderschat worden in de Canarisch-Vlaamse trafiek! Je moet ook altijd oog hebben voor het belang van iedere handelaar op zich; voor sommige kooplieden, en dan vooral voor de permanente inwoners, geldt dat ze in veel meer transacties waren betrokken dan andere, voornamelijk tijdelijke inwoners. Precies daar zien we dat La Palma, zelfs zonder de handelvoerende suikerplanters, proportioneel het beste scoort.
Als we de cijfers min of meer willen vergelijken met deze van de andere handelskolonies, dan kunnen we dat enkel voor Gran Canaria ten tijde van Filips II. Afgaande op de bronnen reken ik de volgende personen tot de Vlaamse kolonie van 1556 tot 1598 op Gran Canaria: Daniel Bandama (Daniel Van Damme), Pablo de Angaroa (Pauwels Langerode), Cornieles de Artogue (Cornelis Hertogs), Cornieles Bahenden (Cornelis Van Emden), Miguel Bandama (Michiel Van Damme), Hans Banduusins (Hans Boudewijns?), Enrique Banquisel (Hendrik Van Kessel), Adrian de Boemy (Adriaan van Bohemen), Juan Bolen (?), Jos Boyman (?), Gerardo Brinzeles (Gerard Bruynsele), Juan Broque (?), Lamberto Broque (?), Lancelotte de Chiebres (Lanceloot Lefèvre?), Juan Conrarte (Jan Koenraad?), Martín Cornieles (Martijn Cornelis?), Critóbal (Christoffel), Arnaldo Van Dalle (Arnout van Dale), Julian Destrala (Juliaan Van der Straelen), Juan Dusarte (?), Andres de Fiebres (Andries Lefèvre?), Anrique Guesquier (Hendrik Heescheer), Lorenzo Guesquier (Lorenzo Heescheer), Francisco Guillete (?), Jorge van Hoflaquen (?), Erasmus van Lare, Jaspar van Lare, Juan Leigrave (?), Cornieles de Mannacre (Cornelis Mannacker), Gregorio de Mannacre (Gregorius Mannacker), Helman de Mannacre (Herman Mannacker), Nicolás Mován (?), Felipe Pita (?), Eberart Proboste (Everaert Provoost?), Francisco Quelles (?), Art Tils (?), Jerónimo Vaniberbe (Jeroom Van der Werven), Hernán Yans (Herman Jansone?), Nicolás Yans (Nicolaas Jansone?) en Lorenz