De Vlaamse Natie op de Canarische eilanden in de 16de eeuw. (Kevin Coornaert)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

HOOFDSTUK II:  EEN BLOEIENDE, MARKTGERICHTE ECONOMIE

4.  EXPORTGOEDEREN

Sommige zaken trokken al vóór de conquista de aandacht van handelaars, gaande over orchilla, drakenbloedbomen, kanaries, en vanzelfsprekend inheemse slaven. Alles samen kon je die beschouwen als “verzamelgoederen”. Dat veranderde met de kolonisatie…

Exportproduct nummer één in de 16e eeuw was zonder betwisting suiker (en haar derivaten); de cijfers liegen er niet om[161]. Daarnaast hadden we echter nog de wijn (en haar derivaten), orchilla, granen (!), een resem andere streekproducten, en tenslotte de exotische waren die in Canarias een tussenstation hadden gevonden.

            Bij de belangrijkste exportproducten zoals suiker en wijn worden enkele namen gegeven van Vlaamse handelaars[162], die deze naar Flandes zonden. Hetzelfde doen voor de overige producten leek mij enigszins overdreven, omdat ze slechts een marginale rol speelden in de handel tussen Canarias en Flandes. Orchilla was weliswaar belangrijk genoeg om enkele namen te geven van Vlaamse kooplui die het voor Flandes bestemden, maar er zijn er geen gevonden…

 

4.1  Suiker en afgeleiden

 

4.1.1  De lange omweg

 

Suikerriet kwam oorspronkelijk voor in Moesson-Azië, van waaruit het al in de Oudheid doordrong tot Egypte en via die weg bekend werd bij de Romeinen. Toch gebruikte men suiker (afkomstig van het Sanskriet; “sárcara”) eerst louter om medicinale doeleinden. In de Middeleeuwen kwam het in kleine hoeveelheden langs het Byzantijnse Rijk Europa binnen. Dankzij hun militaire successen leerden de Moren in Egypte de teelt van het gewas, en brachten het over naar eilanden op de Middelandse Zee, de Algarve, en de Spaanse Levant. Nog steeds had men geen industriële ambities[163].

Pas in de 15e eeuw werd de vraag substantieel en zien we dat de Portugezen het groots aanpakten in Madeira; zo groots dat ze er het eiland mee zouden uitputten in een recordtempo. Tijdelijk was Madeira de grootste suikerleverancier, net voor de Canarische eilanden die rol zouden overnemen[164]

 

4.1.2  Introductie en verspreiding op Canarias

 

Tijdens de verovering van Gran Canaria (1479-1483), werd suikerriet overgebracht vanuit Madeira op laste van gouverneur Pedro de Vera. Tot in 1484, met de oprichting van de eerste raffinaderij in Agaete, was er van succesvolle exploitatie nog geen sprake. Circa 1497 echter, noemde een kronikeur het eiland “een gebied met veel suikerriet”[165]. De teelt zou een bijzonder snelle en intense verspreiding kennen, ook naar enkele andere eilanden als Tenerife, La Palma en La Gomera[166].

De populariteit van het gewas had verschillende redenen: er was een markt voor in heel Europa waar het van medicijn was geëvolueerd tot een voedingssupplement, men had maagdelijke gronden, voldoende water en hout, en niet te vergeten: een warm klimaat!

Het opzetten van een suikerplantage was een bijzonder dure onderneming[167], alleen weggelegd voor de topklasse, al dan niet van buitenlandse komaf[168]. Een grote rol speelde de latere gouverneur van Tenerife, Alonso de Lugo, die in Gran Canaria zijn suikermolens[169] verkocht om de conquista van Tenerife en La Palma te bekostigen en later op beide eilanden én op La Gomera het suikerriet introduceerde. Vreemde eigenaars waren ondermeer de Duitse Welser[170] op La Palma[171], de Genuezen Cosme de Riberol en Agustín de Chavega op Gran Canaria[172] en Jorge Grimón (Georges Grimon?) op Tenerife[173]. Dit zijn uiteraard slechts enkele, representatieve voorbeelden.

In detail, waar bevonden zich de plantages op Gran Canaria, Tenerife, La Palma en La Gomera[174]?

Op Gran Canaria in de omgeving van Las Palmas, Telde, Arucas, Bañaderos of Layraga, Gáldar en Guía. In 1556 telde het eiland twaalf plantages; in 1590, een periode waarin de suiker z’n beste tijd heeft gekend als exportproduct, nog altijd een aantal in die orde, zij het met een verminderde opbrengst[175].

Op Tenerife gaat het grof gezegd ook om de noordkant, met enkele gebieden die bijna een aaneengesloten flank vormen: van Daute tot La Orotava en verder in Taganana in het uiterste noordoosten[176]. Er waren twaalf plantages ca. 1540[177].

Op La Palma had je vier plantages tussen 1557-1560; twee in Tazacorte/Argual[178], gelegen in het midden van de westkust, en twee in Los Sauces, gelegen aan het noorden van de oostkust[179].

Op La Gomera tenslotte, bezaten de graven op hun heerlijkheid nog eens twee belangrijke plantages in de indrukwekkende barrancos[180] van Valle de Hermigua en Valle Gran Rey[181].

De suikerrietvelden bevonden zich eerst op lager gelegen, goed bereikbare terrassen aan de kust maar klommen al snel op langs de barrancos, landinwaarts tot bij de middelhoge gronden[182].

 

4.1.3  Commercialisering (focus op Flandes)

 

Blanke suiker

De kwantitatieve studie over de Canarische suikerhandel in de 16e eeuw is niet alleen moeilijk door de bronnenschaarste; ze staat écht nog niet ver. Tijdens mijn verblijf heb ik heel weinig gevonden terzake. Het enige dat we hier kunnen brengen, is de casus Gran Canaria in relatie met Europa, in het bijzonder van 1556 tot 1598, onder het regime van Filips II. Vooraf vermeld ik dat de eerste suikerlevering aan Flandes teruggaat tot 1508, op initiatief van de belangrijke Genuese koopman Francisco de Riverol; die zond in 1507 een schip naar Tenerife om er suiker, suikerderivaten en orchilla in te slaan die in september van datzelfde jaar in Cádiz belandden en van daaruit naar Flandes werden uitgevoerd. Ook zijn broer Cosme de Riberol en de gouverneur van Tenerife, Alonso Fernández de Lugo, waren er bij rond het zelfde moment. De Spanjaard had de vreemde koopman gevraagd om gedurende vijf jaar alle remieles afkomstig van zijn suikerplantage, in Flandes te verkopen[183].

Van 1516 tot 1555 (de regering van Karel V) hebben we een ruwe schatting; Gran Canaria zou 1022910 kilo suiker hebben uitgevoerd naar Europa; verdeeld over Cádiz (478994kg), Italië (235762kg), Flandes (220570kg), Frankrijk (73600kg), Sevilla (11040kg), en Portugal (2944kg)[184].

Van 1556 tot 1598 bleven de verhoudingen ongeveer gelijk, maar niet het totaal; 2 854 031 kilo suiker; verdeeld over Cádiz (1496720kg), Italië (441388kg), Flandes (436200kg), Frankrijk (338006kg), Sevilla (106010kg) en Portugal (28346kg)[185].

Wat moeten we nu denken van die cijfers, wat verklaren ze wel en wat niet?

In de Vlaamse havens[186] zou grosso modo minstens (!) 657000 kg suiker zijn aangekomen, gedurende de tijdspanne 1516-1598. Niettemin, we missen 18 jaar van de 16e eeuw/ niet alles wat in Flandes aankomt, wordt daar geconsumeerd, niet alles wat wordt geconsumeerd zien we aankomen[187]/ en de cijfers hebben louter betrekking op Gran Canaria, terwijl op Tenerife[188] en op La Palma[189] Flamencos zélf aan het hoofd stonden van belangrijke plantages, die we er moeilijk van kunnen verdenken geen aanzienlijke delen van hun oogst aan Flandes te hebben verkocht[190]. Vanuit La Palma moet ongeveer evenveel suiker de Lage Landen hebben bereikt, als vanuit Gran Canaria[191]. De totale hoeveelheid suiker die voor Flandes was bestemd, kan dus veel hoger liggen, makkelijk tweemaal zo hoog, ook al omdat vanzelfsprekend niet alle belangrijke handelaars (al dan niet zelf Flamenco[192]) die betrokken waren in de Canarisch-Vlaamse trafiek, zich op Gran Canaria bevonden. Nog een bedenking is dat je hier alleen te maken hebt met blanke suiker; de derivaten die in Flandes afzet vonden, werden opnieuw geraffineerd om nog meer suiker te bekomen[193].

De suikerhandel met Flandes werd eerst nog beheerst door de Genuezen[194], maar de vroegste Vlaamse handelaars op Canarias, zoals de gebroeders Ysembarte en Jaques Castelen (Ysembaart en Jacques Casteleyn), Juan de Gembreux (Jean de Gembloux?), Luis en Antonio de Axcaca (?), Castelot Martín (Casteloot Martijn?), Uberto Cuymon (?), etcetera[195], zullen ongetwijfeld begonnen zijn met het Italiaanse monopolie te doorbreken. Zij kwamen kort na de aankomst van de eerste suikerlading in Antwerpen in 1508. Als ik nu een lijst gaf van alle Vlaamse handelaars, betrokken in de suikerhandel, dan zou ik er wellicht nauwelijks ongenoemd kunnen laten… Dit was dé branche voor kooplui uit onze gewesten op Canarias in de 16e eeuw[196].

 

Afgeleiden

Het productieproces zorgde voor enkele restproducten die net zo goed werden uitgevoerd. Enkele namen zijn: panela, remiel, escuma, reescuma, etcetera[197]. De andere afgeleiden waren conserva (geconfijt fruit) en confituur (van limoenen, appelsienen, etcetera)[198]. Panela en remiel hadden een plaats in de Vlaamse en de Franse markt, omdat er in beide landen een suikerraffinaderij-industrie bestond[199]. Telkens vanuit Gran Canaria ging tussen 1555 en 1592,  48182kg panela naar Flandes en 26146kg naar Frankrijk en van 1556 tot 1596, 534 448 kg remiel naar Flandes en 209438kg naar Frankrijk. Cadiz en Sevilla vingen van beide een prul in vergelijking met de vorige[200]. Wat betreft conserva (ingelegde vruchten) ging vanuit Gran Canaria tussen 1555 en 1592, 6 919kg naar Flandes[201]. Voor de hoeveelheid confituur die naar Flandes werd verscheept, ontbreken de gegevens. Ik schat het iets beneden het peil van de conserva.

 

Evolutie van de uitvoer van blanke suiker

Het spreekt vanzelf dat de suikertoevoer naar Europa ups en downs vertoonde als gevolg van gespannen politieke situaties; aanleiding gevend tot oorlog, piraterij en boycotten.

Opnieuw is de handicap, dat we enkel gedetailleerde cijferreeksen hebben voor Gran Canaria tussen 1556 en 1598. Onder Filips II was de export driemaal groter dan onder Karel V: 2854031kg tegen 1022910kg. Niets opzienbarends, want al voor 1550 had Madeira de concurrentieslag verloren omdat de uitputting dreigde, en de Canarische plantages hadden hun grootste aantal en uitbouw bereikt. Canarias zouden bijna een halve eeuw de onbetwiste leider blijven als suikerproducent.

Gran Canaria voerde in 1557 het grootste aantal kilo’s uit; 311073kg, of 10% van wat het onder Filips II aan suiker exporteerde. Begin de jaren 1560 kwam er een kink in de kabel door internationale problemen; Spanje lag overhoop met de Fransen (ten tijde van de godsdienstoorlogen) en ook de spanning in de verhouding met de Engelsen steeg. Franse en Engelse piraten maakten de wateren onveilig, deze laatsten waren manifest aanwezig in het Kanaal tussen 1564 en 1566[202].

Toch kreeg vooral de handel met Flandes klappen, omdat er op ons thuisfront enkele economische tegenslagen bovenop kwamen; het Spaanse bankroet had groot en klein op de Antwerpse beurs geruïneerd, de stad werd gesloten voor de Engelse handel en er was de grote misoogst in 1564-1565[203].

Van 1567 tot 1571 hernam de suikeruitvoer, hoewel nooit meer in die mate als van voor de inzinking. De stijging kwam op hetzelfde moment tot stand als de nieuwe as tussen Spanje en Italië, die de Atlantische (gericht op Antwerpen) zou vervangen[204]. De Scheldestad leed onder de blokkades; na een jaar vrije handel in 1571 kwam er een nieuw slot op van 1572 tot 1577. Spaanse schepen hadden onderweg veel vijanden. Aangezien het hopeloos leek om de handel met Antwerpen althans rechtsstreeks te blijven voeren, zocht men naar alternatieven door de goederen in Kales te ontschepen en ze over land naar de stad te brengen. Wat Flandes zelf uitvoerde, werd dan weer tot Rouen of Nantes gebracht en van daaruit in Franse schepen geladen. Niettemin, sinds 1570 kwam er vanuit Gran Canaria nauwelijks nog suiker naar Antwerpen, terwijl dat in de jaren 1556-1567 nog ging om 400986 kg oftewel 92% van wat onder Filips II naar het hertogdom Brabant werd gestuurd[205].

Terug wat betreft de algemene export van suiker zien we een zigzagbeweging naar beneden, tot wanneer op het einde van de eeuw de uitvoer marginaal wordt. De laatste jaren komt het nauwelijks nog uit boven de 10000kg. Wat is er dan inmiddels gebeurd?

Net zoals Madeira het onderspit moest delven voor Canarias, moesten Canarias zich gewonnen geven tegen nieuwe concurrenten, zoals de Antillen, Brazilië, Barbarije en São Tome. Het einde van de welvaart was echter nog niet in zicht; na suiker in de 16e eeuw, zou wijn in de 17e eeuw hét exportproduct worden.

De concurrentieslag werd niet verloren zonder redenen. De productiekosten hadden de prijzen de hoogte ingejaagd, want: het hout voor de installaties moest steeds vaker worden ingevoerd, de grond raakte uitgeput door de hoge eisen die suikerriet eraan stelde (plus een gebrek aan mest!), en de loonkosten stegen omdat de slavenaanvoer naar het einde van de 16e eeuw haperde[206]. De inflatie van de prijzen was tot het laatste kwart van de eeuw normaal te noemen, ondanks de stijging van 500 maravedís in 1517 tot 1340 maravedís in 1574, voor 1 arroba blanke suiker op Gran Canaria. Ze volgde de evolutie voor de producten op het schiereiland[207]. Op een periode van zes jaar echter, gaat het 1340 maravedís razendsnel naar 2112 maravedís. De handelaars merkten dit op en bevolen hun agenten een bepaald plafond voor de aankoopprijs niet meer te overschrijden[208]. De plantage-uitbaters werden gedwongen hun oogst te verkopen alvorens dat er bij wijze van spreken gezaaid was, en werden op die manier de slaaf van de grote afnemers. Een kwaliteitsverschil kon wel iets, maar lang niet alles compenseren, net zoals de eerder opgebouwde rijkdom niet onuitputtelijk was. Steeds meer plantages waagden zich aan reconversie; van suiker naar wijn[209]. Gezien het enorme succes van dat laatste in de 17e eeuw, kunnen we ze moeilijk ongelijk geven.

 

Evolutie van de uitvoer van suiker-afgeleiden

            In tegenstelling tot wat we er misschien van verwachtten, zijn er verschillen met de uitvoer van blanke suiker. Panela uit Gran Canaria werd pas ca.1555 goed en wel op de Europese markt gegooid: eerst op de Vlaamse tot ca. 1572 en vervolgens op de Franse tot ca. 1586[210]. Remiel uit Gran Canaria werd al uitgevoerd onder de regering van Karel V, maar net als voor blanke suiker, was de export onder Filips II driemaal groter. Ook voor deze afgeleide waren de Vlamingen de grootste afnemers tot ca. 1572, opgevolgd door de Fransen tot ca.1585[211].

            Concreet voor Flandes spreken we over 39143kg ingevoerde panela vanuit Gran Canaria in de topperiode tussen 1557 en 1572, ofwel 81% van wat ze uit het genoemde eiland invoerden aan panela van 1555 tot 1592[212]. Wat betreft Gran Canarische remiel kreeg Flandes al 252301kg tijdens de regering van Karel V[213], de daaropvolgende periode van 1556-1596 lag de piek van het eerstgenoemde jaar tot 1572, met 513489kg oftewel 96% van wat onder Filips II (uitgezonderd de laatste twee jaar van z’n loopbaan) aan Gran Canarische remiel in Flandes aankwam[214].

 

Belang van de suikeruitvoer

Voor Canarias is het nauwelijks te schatten hoe belangrijk de suikerexport wel is geweest. Het dankt er een grote welvaart aan (al was die slecht verdeeld) en zijn integratie in de ontluikende ‘world-economy’. Het stak als exportproduct deels qua handelswaarde en helemaal qua hoeveelheid, boven de andere uit: voor de uitvoer van Gran Canaria gold van ca.1555 tot ca.1595 een verhouding van 58% blanke suiker, 2% panela, 15% remiel, 0,3% conserva, 6% orchilla en 19% wijn. Alle suikers bij elkaar, kom je aan 75%[215]. Ondanks de opmerkingen dat de situatie van Gran Canaria niet klakkeloos mag veralgemeend worden in tijd en ruimte, en dat de uitvoer van graan en andere restproducten niet is opgenomen in de procentenberekening, kan het overwicht van de suiker niet in twijfel getrokken worden[216]. De Canariërs wisten zelf ook het belang van de suikeruitvoer in te schatten; getuige de uitgebreide wetgeving ter zake en een controle-instituut om de kwaliteit en de faam te beschermen[217].

Het Spaanse moederland had alle belang bij de schitterende economische situatie, dankzij de massale suikerexport. Rijkdom liet toe belastingen te heffen, terwijl de kolonie zich zo sterk ontwikkelde, dat het bastion op de Atlántico nooit meer uit handen zou worden gegeven!

Het belang voor Flandes kan ik moeilijk inschatten; een uitvoerige algemene kennis van de economie en handel in onze contreien in de 16e eeuw, is onontbeerlijk om er een uitspraak over te doen. De Canarische suiker scoorde snel op de Antwerpse beurs, ondanks de moeilijkheden die er waren om de eerste lading uit 1508 verkocht te krijgen; het zou zes maanden duren voor ze uiteindelijk werd toegezegd aan Nikolaas van Rechterghem tegen een mindere prijs dan de oorspronkelijke 3 grooten per pond[218].

Omdat suiker een luxeproduct was, zal wel niet de gehele, tussen 1556-1567 massale invoer voor verbruik in situ bestemd zijn geweest. Antwerpen was een distributiecentrum, ook voor suiker. De gezant Guicciardini die midden in de 16e eeuw Antwerpen bezocht, schreef dat Antwerpse kooplui suiker invoerden uit Venetië, Barbarije, en vooral uit de Canarische eilanden, São Tome en Madeira. Vanuit de Scheldestad ging die op zijn beurt naar Duitsland, Scandinavië, Schotland, Ierland, etcetera[219].

De overtuiging wordt nog gesterkt door de aanvoer van derivaten; restproducten die de Canariërs eerst nog in beestenvoeder hadden verwerkt. Het hertogdom Brabant had relatief veel suikerraffinaderijen: tussen 1533-’39 werden 12 raffineurs als nieuwe burgers van Antwerpen ingeschreven, in 1556 waren er 24 raffineurs, in 1575 reeds 28 en op het moment van de crisis van de Canarische suiker[220] in 1584, niet minder dan 88 professionelen actief in de suikerbranche (banketbakkers incluis)[221]. En toch… als industrie op zich, speelden de suikerrafinaderijen niet zo’n grote rol in Flandes[222]. Conclusie: het is één van de producten dat Antwerpen groot heeft gemaakt, maar het bleef elitair en niet direct in grote hoeveelheid bestemd voor gelijk welke inwoner van Flandes.

 

4.2  Wijn en afgeleiden

 

4.2.1  Introductie en verspreiding op Canarias

 

De wijndruiven hadden er een minder lange omweg op zitten; van het Griekse eiland Malvasía naar Madeira[223], en zo naar Canarias[224]. Waar precies de eerste druiven werden geteelt, is onduidelijk, maar ook minder relevant. In tegenstelling tot het suikerriet, werd de wijndruif niet onmiddellijk overal op grote schaal geteeld; ze stond meestal in een hoekje in de grote moestuinen, tussen het graan, de groenten en het fruit. Net als voor de suiker speelde de figuur Alonso de Lugo op Tenerife, een belangrijke rol. De Lugo besefte dat een zo essentieel verbruiksgoed[225] ook lokaal geproduceerd moest worden en bouwde bij de toekennening van land meestal de verplichting in, dat er (o.a.) wijnranken zouden op komen[226].

Vooral Tenerife en La Palma waren door hun bodemkwaliteiten en klimaat geschikt voor wijnbouw. Op het eerste eiland sprong het aantal wijngaarden in het oog; er waren er in La Orotava, Los Realejos, San Juan de La Rambla, Icod[227], Garachico, Buenavista, Sauzal, Tacoronte en Tegueste. In La Rambla was de introductie van de wijndruiven het werk van ene Jerónimo Grimón, zoon van de Flamenco-conquistador op Tenerife, Jorge Grimón (Georges Grimon?)[228]. Op La Palma was er gelijk veel activiteit in de branche, want het produceerde een surplus aan wijn vanaf  de jaren 1520[229].

Ook van Gran Canaria en El Hierro is nog geweten dat er wijn werd geproduceerd. In het geval van El Hierro, onder impuls van een Engels koopman, John Hill[230]. Op Gran Canaria was de suikerrietteelt langere tijd een rem, maar bij Telde bijvoorbeeld ging men op een plantage over tot het plaatsen van wijnranken in de tweede helft van de 16e eeuw, op een moment dat de eigenaar het ijs onder zijn voeten zag smelten[231]. Hij was zeker niet alleen, hoewel de conversie traag liep[232], en Gran Canaria qua wijnproductie nauwelijks aan de hielen van Tenerife zou komen[233].

Voor de eilanden Fuerteventura en Lanzarote weten we slechts hoe het vandaag de dag is gesteld. De toestand in de 16e eeuw is me minder duidelijk, maar ik veronderstel dat de eilanden, die zich concentreerden op graanproductie en voorts erg schraal waren, nauwelijks voor wijn zorgden. Zelfs nu gaat het er moeizaam aan toe.

Ik treed niet in detail over de verschillende druivenrassen, maar vermeldenswaardig is wel de malvasía[234] druif, genaamd naar zijn geografische herkomst. Het type gedijt uitstekend in de warme mediterrane zones, waar het dankzij de zon een hoog suikergehalte haalt en zich zo uitstekend leent voor zware (zoetere) wijnen zoals de Madeira-wijn, die we nog kennen in de keuken als veredeld saus-ingrediënt, maar als wijn op zich niet meer aangepast is aan onze smaak. Dé exportwijn van Canarias was (en is) nochtans de malvasía.

De locatie van de wijngaarden toont grote overeenkomsten met die van de suikerriet- plantages[235]; in de lagere gebieden aan de kust en in de dieper gelegen barrancos, bij voorkeur in de nabijheid van bevolkingskernen[236].

 

4.2.2  Commercialisering (focus op Flandes)

 

Wijn

Het gros van de lectuur plaatst het begin van de export in de jaren 1530, richting Indias[237]. Mij lijkt het aannemelijk te veronderstellen dat het al eerder gebeurde, gezien de rol als bevoorradingspost van Canarias. Indias zou samen met Afrika de grootste afzetmarkt blijven voor de Canarische wijnen tot de 17e eeuw[238], wanneer de Engelsen zich in vredestijd massaal bevoorraadden. De wijn die richting Afrika ging, hetzij Kaapverdië of de Golf van Guinea, werd geruild tegen slaven.

Wat betreft de export, beschik ik over gegevens voor Tenerife (1526-1550) en Gran Canaria in relatie met Europa (1557-1593).

Vanuit Tenerife voerde men zeker sinds 1526 wijn uit. Tussen dat jaar en 1550, verliet              1555620 liter het eiland naar Indias (708960 liter), Canarias (279360 liter), Portugal[239] (267360 liter), Noordwest-Europa[240] (163680 liter), Castilië (86400 liter), Kaapverdië (24960 liter) en de rest (20208 liter)[241]. Erg gedetailleerde cijfers voor Flandes ontbreken dus, maar het staat vast dat ze hoger lagen dan voor Frankrijk én Engeland, gezien de militaire conflicten van beide naties met Spanje, na de jaren 1530.

Voor de wijnhandel met Flandes, die minstens tot 1530 teruggaat[242], geldt hetzelfde als voor de suikerhandel; een aanvankelijk Genuese dominantie, met bv. een Francisco de Fiescoragio die in 1537, 25 pipas (wijnvaten) naar Antwerpen zond. Toch doken al in de jaren 1530-’40, belangrijke Vlaamse handelaren op, die behalve in Tenerife, hun actieterrein hadden in Gran Canaria en in de havens van Cádiz en Sevilla: Juan de Arras (Jan van Atrecht) die opereerde in Garachico, Juan de Vite (Jan de Witte)[243] en Juan Jacques (Jean Jacques?) die tijdens de jaren 1540 samen een compagnie hadden gesticht om in La Rambla en La Orotava wijn en andere goederen naar Flandes in te schepen, Jacques Botiller (?) en Juan Francisco de Amsterdam (Jan Franciscus van Amsterdam) die in 1536 samen met de Bretoen John Gan wijnen, remiel, wol en orchilla naar Flandes en Engeland stuurden [244], en tenslotte nog Martín de Ugarte (?) inwoner van Gran Canaria, die in 1542, 210 botas wijn kocht van Pedro de Ponte en ze naar Antwerpen zond[245].

Nog een andere Flamenco, Filiberto van Cateenbrute (?), en de reeds genoemd Juan de Vite, hielpen met de invoer van wijnen van Tenerife naar Gran Canaria in de jaren 1530, toen Gran Canaria nog maar met mondjesmaat wijn produceerde[246].

De commercialisering van wijn op Gran Canaria, liet ondanks een uitvoerverbod tot 1549[247] niet lang op zich wachten; vanaf de jaren 1530 gingen (eerst beperkte) hoeveelheden naar Indias[248]. Europa volgt pas in 1557 met de eerste ladingen vanaf Gran Canaria naar Flandes. Tussen dat jaar en 1593 kreeg Europa 919482 liter verdeeld over Frankrijk (354329 liter), Portugal (238080 liter), Flandes (189400 liter), anderen (70913 liter), Cádiz (37920 liter) en Sevilla (28800 liter)[249].

 

Afgeleiden

De productie van brandewijn en wijnazijn zijn een indicatie van het relatief grote belang van de wijnsector op Canarias gedurende de 16e eeuw, en dan vooral naar het einde van die periode toe. Brandewijn vond afzet in Indias, Frankrijk[250] en Flandes[251]. Er zijn geen cijfers bekend.

 

Evolutie van de wijnuitvoer

We hernemen onze ‘indicatieve’ cijferreeksen voor Tenerife en Gran Canaria…

Tenerife kende tussen 1526-1550 een exponentiële groei van de export; van 45168 liter in de periode 1526-1535 naar 926880 liter in de periode 1546-1550. De explosie gebeurde eind de jaren 1530, toen opeens veel haciendas overschakelden van suiker- op wijnproductie[252]. Oorzaak van de opmerkelijk gestegen uitvoer waren Indias met een stijgende afnam van 9600 liter tussen 1526-1535 tot 516960 liter tussen 1546-1550. De reden ligt in de grotere omvang van de Spaanse kolonistenpopulatie. Andere markten bleven ver onder dat laatste niveau en waren onregelmatiger. Noordwest-Europa nam tussen 1541-1545 de grootste hoeveelheid af met 100800 liter; een vertienvoudiging van de 12000 liter voor de periode 1536-1540, maar nadien, tussen 1546-1550 werd het opnieuw gehalveerd tot 50880 liter[253]. Die terugval was niet te wijten aan een verminderde vraag uit Flandes, maar aan Frankrijk en Engeland, die beiden in conflict kwamen met Spanje, met alle gevolgen vandien voor de handel[254].

De prijzen voor de Tinerfijnse wijnen, zijn over de langste periode (1505-1550) beschikbaar voor de streek van La Laguna, waar ze in vergelijking met de andere streken tamelijk hoog lagen[255]. Er was een neerwaartse tendens, gelet op de ca. 4000 maravedís voor een pipa in 1505, naar ca. 2500 maravedís in 1520 tot iets meer dan ca. 2000 maravedís in 1550. Gezien we weten dat de vraag in die periode geweldig steeg, hoeft er geen tekeningetje gemaakt te worden bij de razendsnelle uitbouw van de wijngaarden[256].

De wijnuitvoer van Gran Canaria naar Europa van 1557 tot 1593, was een stuk onregelmatiger: in zwakke jaren bracht men nog geen duizend liter naar Europa, in andere, zoals het topjaar 1586, 133440 liter. Er is wel iets voor te zeggen dat de grotere hoeveelheden tussen 1565 en 1586 voorkwamen; in een periode dat de suikeruitvoer heel traag afnam. Bekijken we hoeveelheden in relatie met de verscheidene bestemmingen, dan is een onderscheid op te maken tussen twee periodes. Een eerste van 1557 tot ca. 1570, waarin Antwerpen praktisch de enige eindhaven was; een tweede van 1570 tot zeg maar 1593 met dezelfde rol voor de Franse havens[257]. Dit dankzij de Bretoenen, die niet alleen invoerden voor eigen gebruik, maar vooral met het oog op redistributie. Daarmee hadden ze de rol van Flandes overgenomen dat steeds minder op het geplaagde Antwerpen kon rekenen[258].

 

Belang van de wijnuitvoer

Canarias zou zich pas in de 17e eeuw ten volle gaan concentreren op de wijnproductie. In de 16e eeuw was die zeker naar het einde toe ook al niet min, maar in vergelijking met de suikeruitvoer had die van wijn kwantitatief nog niet zoveel te betekenen. Wél is met de vroege export naar Europa, o.a. richting Engeland, de hele Europese markt in contact gebracht met de malvezij. Een promotie-campagne die ging lonen,  zodra de suikerindustrie op zijn gat lag[259]. De Canarische wijnen zouden geconsumeerd worden aan alle zichzelf respecterende hoven en komen zelfs voor in de werken van Shakespeare.

De Canarische wijn voor Flandes bestemd, is hier gebruikt als luxegoed, of ze werd opnieuw uitgevoerd naar de omliggende landen, zoals bv. Noorwegen[260]. Een neveneffect van de wijnproductie op Canarias, was de emigratie van enkele kuipers uit onze streken naar de archipel om er hun ambacht uit te oefenen[261]. De benodigdheden voor de tonnen, het hout en de metalen ringen, kwamen ook uit Flandes[262].

 

4.3  Orchilla

 

4.3.1  Purper goud

 

Orchilla (roccella tinctorum) is een korstmos dat groeit op de rotsen langs de kustlijn van de Canarische eilanden. Het was overvloedig aanwezig vóór de Conquista en lokte in de Oudheid Fenicische en Cartaagse bezoekers, die het ruilden met de Guanches tegen andere producten. Uit orchilla kan immers een zeldzame purperen kleurstof worden onttrokken, geschikt voor gebruik in textiel. Ook de inheemse Canariërs kleurden er hun kleren mee[263]. Om orchilla te gebruiken, werd het eerst tot pasta gereduceerd, dan bevochtigd met urine en finaal werd er wat ongebluste kalk aan toegevoegd[264].

 

4.3.2  Commercialisering (focus op Flandes)

 

We hebben cijfers voor Gran Canaria in relatie met Europa tussen 1559 en 1597, toen een totaal van 317047 kilo orchilla werd uitgevoerd naar Europa; verdeeld over Cádiz (160040 kilo), Italië (76406 kilo), Flandes (52228 kilo), Sevilla (27600 kilo) en Frankrijk (773 kilo)[265].

Zoals eerder al aangegeven, had ik graag de namen gegeven van enkele Vlaamse kooplui die het uitvoerden naar onze streken, maar ik kan slechts melding maken van Spanjaarden als Juan Codina die in 1555 ondermeer ca. 1400kg orchilla aan boord bracht van het schip van de Flamenco Anes Grot, die naar Francisco Codina in Antwerpen ging[266], of Francisco Manrique en Antonio Montesa die in 1559 ondermeer ca. 6460kg orchilla onderbrachten in het ruim van een schip van de Flamenco Bautre Adriaans, eveneens met bestemming Antwerpen[267].

 

Evolutie van de uitvoer van orchilla

Eigenlijk is er maar weinig evolutie; pieken en dalen volgen elkaar vanaf 1508 op, hoewel die dichter bij elkaar komen te liggen naar het einde van de eeuw, wijzend op enige regelmaat van de export in een tijd dat de suikeruitvoer hapert en de troeven wijn en orchilla worden uitgespeeld[268].

Flandes was van 1559 tot 1569 de grootste afnemer met de reeds genoemde 52228 kilo. Na hen kwam Italië.

Wat betreft de prijzen is er wel erg weinig om op te steunen. Gemiddeld werden 27 realen per quintal neergeteld in 1561-’62. Met andere woorden: zeer veel!

 

Belang van de uitvoer van orchilla

Gezien het wel ettelijke uren duurde alvorens men een kilo verzameld had[269], om nog te zwijgen van de vele onfortuinlijke plukkers die verrast werden door een aankomende golf, en de zee werden ingesleurd[270]; verbaast het niet dat de hoeveelheden die werden uitgevoerd eerder gering zijn. Je kon orchilla evenmin “planten”. Toch werd na de conquista het verzamelen ervan de derde pijler van de economie, dankzij de zeer hoge handelswaarde van het product, en als alternatief samen met de wijnproductie voor die van suiker. De eilanden onder heerlijk bestuur waren er sterker op gericht dan deze onder koninklijk bestuur; de export was er een zaak van de heren en de bezigheid vergde weinig investering[271].

In Flandes moest men orchilla niet opnieuw uitvoeren; het kon gebruikt worden in de eigen gevestigde textielbranche, vooral in het hertogdom Brabant[272]. Niettemin verkozen de zaakvoerders toch schildluizen en verfhout boven het Canarische orchilla om de kledij te kleuren; het was goedkoper[273]

 

4.4  Overige

 

In deze categorie bevinden zich producten, die in vergelijking met de vorige een miniem aandeel haalden in de uitvoer: granen, streekproducten en de exotische waren die in Canarias een halte maakten.

 

4.4.1  Granen

 

“In deze stad is er geen graan, noch vlees dat niet van mensen is. Wacht tot volgende week, of speel kaart, dat is misschien lonender.” Het versje uit 1585, geschreven tijdens een hongersnood op Gran Canaria[274], kon in vele jaren van de 16e eeuw zijn opgesteld, want het eiland, gericht op de suikerproductie, zat met een chronisch tekort aan graan. Zoals gezegd, een marktgerichte economie was modern, revolutionair zelfs voor die tijd, maar er waren risico’s aan verbonden omdat de minste storing van de handelstrafieken onoplosbare problemen kon scheppen. Als er al sprake was van een graanpolitiek bij het bestuur van het eiland, was het “invoeren, invoeren en nog eens invoeren[275]”; tijdens de toekenning van repartimientos werd met dit basisproduct nagenoeg geen rekening gehouden[276]. Een vochtiger klimaat en een uitgesproken reliëf maakten Gran Canaria immers geschikter voor de suikerrietteelt. Niet dat er geen graan werd geteeld (vooral in de vroege 16e eeuw was het in het noorden sterk verspreid[277]) maar door de houding van het bestuur en de wetenschap dat er met suikerproductie meer te verdienen viel, schakelde men over op dat laatste[278].

Ondanks alles, is het ironische van de zaak dat Gran Canaria (kleinere) hoeveelheden graan uitvoerde, al dan niet illegaal, zelfs al was er honger op het eiland. De bestemmingen waren Sevilla, Portugal[279], en Madeira[280]. De reden was doodeenvoudig; men verkocht aan de meestbiedende, en als dat door de overheid werd verboden, was het niet onmogelijk de regels met de voeten te treden, zie wat straks over Tenerife wordt verteld. Naar Flandes werd geen graan uitgevoerd, het zou de wereld op zijn kop zijn.

De Tinerfijnse graanopbrengsten lagen van bij het begin een stuk hoger. Dat weerspiegelde zich o.m. in de prijs (cf. infra). De teelt was sterk ingebed in het noordoosten: in Tacoronte en Tegueste, en in mindere mate bij La Orotava en La Laguna[281]. Het belangrijkste verschil met Gran Canaria lag niet in de natuurlijke omstandigheden, maar vooral in de houding van het bestuur dat de graanproductie de facto “verplichtte” door ze zwaar te ondersteunen[282].

Meer graan betekende echter niet noodzakelijk een groot surplus, gezien het punt van onze vergelijking het chronisch deficitaire Gran Canaria was. Ook de blijvende bezorgdheid en regulering van het bestuur, wijzen in de richting van een fragiele balans tussen nipte tekorten en overschotten. Toch werden verbodsbepalingen regelmatig met de voeten getreden, vooral door protagonisten in het bestuur als Alonso en Pedro de Lugo. Zij zonden ladingen naar respectievelijk La Gomera en Barbarije (!)[283]. Dit tijdens hongersnoden op hun eigen eiland of op Gran Canaria, dat bij tijd en wijlen soldaten stuurde om desnoods gewapenderhand aan Tinerfijns graan te komen[284]. Voorts leverde Tenerife nog aan Madeira[285].

De situatie van La Gomera lijkt op die van Gran Canaria; het klimaat was er gunstiger voor de suikerrietteelt, zodat al vroeg in de 16e eeuw het eiland afhankelijk werd van graaninvoer[286].

De toestand van La Palma heeft dan weer meer gemeen met die op Tenerife; net wel of net niet genoeg productie voor eigen onderhoud en een uitgebreide regelgeving van bovenaf[287]. Waar het graan vooral voorkwam is mij onbekend, net als de richting van de eventuele export.

Lanzarote en Fuerteventura waren eigenlijk van bij het begin van de conquista de graanschuren van Canarias, als het weer tenminste meezat[288]

De voornaamste graansoorten waren tarwe en gerst, in die volgorde van belang. Gerst vond men goed genoeg voor slaven en inheemsen. De teelt vond meestal plaats op middelhoge gronden, soms ook aan de kust of in de bergen[289].

Ik heb enkele prijsindicaties, maar het gaat dan wel om cijfers uit transacties die meestal niets de met uitvoer naar bestemmingen buiten de archipel te maken hebben; die was immers miniem. Voor Gran Canaria werden in 1512, 210 maravedís neergeteld voor een fanega tarwe en 62 maravedís voor een fanega gerst. Later in 1519 was dezelfde hoeveelheid tarwe 250 maravedís waard en een jaar eerder de gerst ca. 120 maravedís. Tenerife bleef er (behalve voor gerst) bestendig onder; in 1512, 196 maravedís per fanega tarwe en in 1509, 89 maravedís per fanega gerst. Verderop in 1519, 191 maravedís per fanega tarwe en in 1520, 114 maravedís per fanega gerst. Alle prijzen in rekening  genomen, was het Tinerfijnse graan 25% goedkoper[290].

 

4.4.2  Streekproducten

 

Hout en afgeleiden

Bossen waren net als orchilla al aanwezig van vóór de verovering, maar werden daarna pas écht geëxploiteerd. Suikerraffinaderijen hadden het hout nodig als constructiemateriaal en als brandstof. Gezien hun grote behoeften maakte bv. het bestuur van Tenerife zich al snel grote zorgen over mogelijke overexploitatie, denkend aan wat Madeira was overkomen; dus kwamen er beperkingen op de uitvoer… die natuurlijk niet helemaal werden nageleefd[291].

Een soort pek, verkregen uit verbrande pijnbomen en verwerkt tot een donkere brij, moest dienen om scheepswanden te herstellen. Wat men teveel had, voerde men uit naar Spanje of Italië.

Daarnaast bestond de zuivere houtexport, meestal van gewoon blank hout, maar ook van drakenbloedbomen[292], en ondanks het verbod, van palmbomen. Kleine palmboompjes en wijnstokken werden integraal uit de grond gehaald en op een schip gezet naar Flandes. Uit de oerbossen[293], en in het bijzonder van de laurier, haalde men bessen die bestemd waren voor Frankrijk en Flandes.

Tenslotte werden zaden uitgevoerd, maar de lectuur zwijgt over de soort[294].

 

Groenten en fruit

Op verschillende gelegenheden kwamen in onze streken kisten met fruit aan, zoals limoenen en appelsienen. Verder, daarvan afgeleide producten, zoals cider, parfums, of oranjebloesemwater.

Ook groenten van het Amerikaanse continent, die zich konden aanpassen aan het Canarische klimaat, vonden afzet in Europa. De aardappel bv. kwam eind de jaren ‘1560 al terecht in Flandes[295].

 

Dieren en dierlijke producten

Het was niet gebruikelijk Canarisch kleinvee naar Europa te zenden. Wat wel gegeerd was op het oude continent, waren kanarievogeltjes; een ‘curiositeit’. Op de schepen richting Frankrijk en Flandes bevonden zich de meeste kooitjes.

Van de dierlijke producten waren enkel de Canarische schapen- of geitenkazen, net als honing bestemd om opgegeten te worden[296], en voor het overige ging het om runds[297]- of geitenleer, wol[298], geitenhuiden, etcetera[299].

 

Varia

Twee producten die op de Canarische eilanden werden aangetroffen en onder geen van de vorige categorieën vallen, zijn schelpen en amber. Het eerste ging vooral naar West-Afrika en de Portugese factorij in de Guinese golf, El Mina[300]. Het laatste was in heel Europa gegeerd als edelsteen.

Tot slot vermelden we teer, dat samen met pek naar Flandes werd gebracht[301], waarschijnlijk met de bedoeling het te gebruiken in de scheepsbouw.

 

4.4.3  Exotische producten

 

Door zijn ligging op het kruispunt van verschillende vaarroutes, kwamen zowel uit oostelijke als uit westelijke richting exotische producten terecht op de archipel.

Uit Barbarije en Guinea kwamen slaven, ivoortanden, goud, amber, etcetera. Uit Portugees-Indië kwamen ondermeer hisbiscus en resem andere kruiden. Uit Indias tenslotte, kwamen juwelen, goud en verfhout, zoals palo Brasil en palo Campeche[302]. Alles kon dan terug in verschillende richtingen worden uitgevoerd. Slaven bij voorkeur naar Indias.

5.  IMPORTGOEDEREN

De invoer vanuit Europa betrof lang niet alleen dure luxegoederen voor de hoge klasse; essentiële producten, zoals levensmiddelen, textiel, en allerhande materiaal, kwamen in veel talrijker mate en op algemene vraag. Jammer genoeg is het onmogelijk te kwantificeren; douaneregisters ontbreken en de verslagen van de scheepsvisitaties van de Inquisitie vermelden de aard van de goederen, maar niet hun hoeveelheid. In de Canarische notariaatsprotocollen vindt men terzake evenmin veel bruikbaars[303]; men moet de Antwerpse raadplegen[304].

            Wat betreft import uit Flandes worden enkel bij tarwe, textiel en de klokken van de kathedraal in Las Palmas, een paar namen genoemd, de overige producten wegen te licht om hetzelfde te doen (als het al mogelijk was!).

 

5.1  Levensmiddelen

 

Tarwe

            Het overgrote deel van de levensmiddelen op Gran Canaria kwam van het Península, maar dit was een uitzondering[305]. Gezien de relatief grote nood werden suiker, wijn, etcetera, ook in de Azoren[306], Frankrijk en Flandes geruild voor tarwe[307]. Flamencos als de gebroeders Cornieles de Manacre (Cornelis Mannacker), Helman de Manacre (Herman Mannacker) en Gregorio de Manacre (Gregorius Mannacker) sloten zelfs overeenkomsten met de instanties van Gran Canaria, om in 1567, 6000 fanegas tarwe te kopen in Flandes, Holland en het Balticum. Later in 1571 voerden ze nog eens 5000 fanegas in met de hulp van ondermeer Adrián de Fiebres (Adriaan Lefèvre?). Daarna viel het stil doordat de piraterij de handel ernstig verstoorde, tenzij de schepen uit Flandes stiekem onder een andere vlag kwamen. In ieder geval is de ‘Vlaamse’[308] tarwe er terug in 1583-’84 dankzij een Vlaamse importeur: Daniel Bandama (Daniel Van Damme). Eerder in 1581 had hij al Franse tarwe ingevoerd. Vermelden we nog dat er ook in 1523 en 1594-’95 Vlaamse tarwe werd ingevoerd op Gran Canaria[309]. Voor La Palma hebben we in 1561 een aanduiding van een graanlevering bij grote nood door Anes Bantrilha (Hans van Trille)[310].

            De geïmporteerde tarwe, of die nu van Flandes, Frankrijk, Engeland of de Azoren kwam, kostte de overheid van de eilanden minder dan deze uit Fuerteventura of Lanzarote. Toch werd bv. op Tenerife de buitenlandse tarwe aan een prijs verkocht, die twee à drie realen per fanega meer bedroeg dan die voor de Canarische tarwe[311]. Dezelfde protectionistische maatregel bestond op Gran Canaria, want voor een fanega ‘Vlaamse’ tarwen werd in 1583-’84, 24 realen neergeteld; voor de Gran Canarische 14 realen[312].

            Zoals gezegd, ook Tenerife liet zich met graan uit Flandes bevoorraden; in het noordwestelijke district Daute waren Cornieles de Manacre (Cornelis Mannacker), Felipe de Dayzel (?), Pablo Van Lomele (Pauwels Van Lommel?) en Francisco Beque (Franciscus Beke) de importeurs van dienst[313].

 

Overige

            Na tarwe volgden in orde van belang Iberische olijven en olijfolie. Vanuit Canarias werden die verder doorgevoerd naar Indias en zelfs terug naar Europa. Ook groenten, rijst en amandelen kwamen van het moederland[314]. Uit Portugal haalde men op het einde van de 16e eeuw zout, om de te gebruiken in de Canarische visserij op de kusten van Barbarije. Men won het ook nog op Gran Canaria, Lanzarote en Fuerteventura, maar dát zout was door schaarste bijna onbetaalbaar geworden[315]. Uit Frankrijk kwamen nog groenten, sardienen, makreel, gezouten haring en spek. Uit Flandes tenslotte, kwamen ingemaakte waren als vis[316] en koetong[317], bier[318] en voorts reuzel, zalm, haring, kaas, hesp, etcetera[319].

 

5.2  Textiel

 

            Er werden niet opzienbarend veel fabrikaten ingevoerd uit het Península zélf; in tegenstelling tot Italiaanse, Franse en Vlaamse/Noord-Nederlandse. Het Toscaanse textiel was gegeerd in die tijd, maar kwam via Cádiz en liet dus weinig sporen[320]. Het Franse kwam uit Normandië, aangedragen door de Bretoenen[321]. Zoals de Italianen en de Vlamingen hadden zij een zeer verscheiden aanbod.

            Het textiel uit Flandes kwam merendeels, maar lang niet exclusief, uit onze contreien; ook Frans, Italiaans, Engels en Pruisisch textiel passeerde immers Antwerpen op zijn weg naar Canarias, waar het door Flamencos werd verkocht[322]. Veel zogenaamd Vlaams textiel kwam eigenlijk uit Engeland. Vóór de scheiding van de Nederlanden werd dit nog in Flandes vervaardigd, maar nadien (toen de makers ervan in grote getale uitweken naar ondermeer de Engelse steden) werd het ginds geproduceerd op identieke wijze en met vervalste of meegenomen stempels…[323].

Het gaat om ontelbare soorten en kwaliteiten[324], afkomstig van Doornik, Kortrijk, Brugge, Gent, Kamerijk, Londen, etcetera. Het textiel dat door de Flamencos medio 16e eeuw verkocht werd, had een winstmarge van 80%[325]. Een enigszins deftige prijzenreeks voor geïmporteerd textiel laat zien dat in 1500 bepaalde Engelse kleding de concurrentie met de Iberische best aankon. De prijzen gingen van 63 maravedís voor ‘paños de Londres’[326] tot 1000 maravedís voor een ‘belarte’[327]. Twee problemen echter voor de interpretatie; erg veel waarde mag je niet hechten aan deze prijsvergelijking als je spreekt van verschillende kledingstukken van op hun beurt weer verschillende kwaliteit, en de tweede cijferreeks voor 1506 toont een algemene prijsstijging met 10%, maar op basis van zes jaar evolutie kun je niets afleiden voor de hele eeuw[328]… Uit de protesten tegen de boycot van de handel met de protestantse Republiek, van de Gran Canarische almojarifes[329] in 1593 aan het adres van de Inquisitie, kunnen we wel opmaken dat de kledij (zeker uit de Noordelijke Nederlanden of Engeland!) in grote hoeveelheden werd aangevoerd, omdat ze veel goedkoper was dan de Franse[330].

            Enkele namen van Vlaamse kooplui die textiel invoerden zijn: Juan de Gembreux (Jean de Gembloux?), aan wie Juan de Vargas in 1522, 2625 maravedís moest voor kledij die hij van Juan had gekocht[331]; Nicolás Yans (Nicolaas Jansone?) die in 1554 bij notaris Gil de Quesada verklaarde dat Martín Valennes hem ondermeer een pak doeken had bezorgd uit Antwerpen, waarvan een deel van Engelse makelij[332]; Pablo Van Dalle (Pauwels van Dale) die in 1570 een Bretoens schip vanuit Zeeland naar La Palma had laten komen met een hoeveelheid kleren en linnen[333]; Cornieles Bahenden (Cornelis Van Emden) die samen met de Engelsman John Druc kleren verkocht en zijn partner vermoedelijk heeft opgelicht[334]; de Bruggeling Pedro Blanco (Peter de Witte) die in 1584 zelf op het schip zat dat voor hem linnen, doeken en kuiphout uit Flandes aanvoerde[335], etcetera.

 

5.3  Allerhande

 

Slaven

            Eerst werden de Guanches ingezet, maar omdat ze snel gedecimeerd raakten moest men op jacht en op zoek naar Moren of negers. Jagen mag men letterlijk nemen; vanuit Canarias werden gewapende expedities georganiseerd richting Barbarije of Zwart-Afrika. Negers werden ook gekocht aan of geruild tegen Moren. Een laatste optie was het kopen van slaven in Kaapverdië[336].

 

Gebruiksvoorwerpen

            Uit Spanje kwamen bv. ceramiek, matten, papier en niet te vergeten, munten[337]. Uit Portugal bv. de vormen om de suikerbroden[338] te maken, ceramiek en wijnvaten[339]. Uit Frankrijk bv. papier, zwaarden en allerhande prullen, zoals kammetjes en spiegeltjes[340]. Uit Flandes bv. metalen voorwerpen zoals bestek, inktpotten en hangsloten, klaroenen en oorlogstuig; wapens en kruit in het bijzonder[341].

 

(Constructie)materialen

            Uit Spanje kwamen bv. gips, ijzer, staal en hout[342]. Uit Portugal bv. ijzer, kuiphout, kalk en bakstenen[343]. Ook uit Frankrijk[344] en Flandes[345] kwam kuiphout. Voorts uit onze streken: terpentijn[346].

 

Luxegoederen

            Voor een deel moet je die zoeken bij het textiel, want duurdere kledingstukken vonden ook kopers. Wat ermee verband houdt, zijn tapijten zoals die uit Italië[347], en niet te vergeten, de gegeerde Vlaamse wandtapijten van Doornik, Rijsel en Valencijn.

            Uit Flandes kwamen ook andere luxeprodukten: meubels zoals tafels, stoelen, zware koffers, etc., gemaakt uit tropisch hout en gedecoreerd met paarlemoer en ivoor/ boeken, gedrukt in Leuven of Antwerpen/ voorwerpen in metaal zoals oorbellen en kompassen[348]/ en schilderijen en sculpturen die zich (vandaag nog) bevinden in de religieuze of officiële gebouwen, dikwijls in de nabijheid van de opgedoekte suikerplantages[349].

De bekendste voorbeelden op Gran Canaria zijn de drie Vlaamse retabels (het eerste in houtsnijwerk, te bezichtigen in Telde/ het tweede geschilderd, maar in privaat bezit[350]/ het laatste in Agaete[351]) en de bronzen klokken van de kathedraal van Las Palmas, die er helaas niet langer dan enkele decennia hebben gehangen; de Nederlandse invasie-vloot onder leiding van Admiraal Van der Does[352] nam ze in 1599 bij haar aftocht mee[353]. Ze hingen er alleszins vanaf 1522, want toen schreef  Nicolao de Prats (Nicolaas Van Praet?) een kwijtschelding voor de kanunnik van de kathedraal, Zuylo Ramíres; omdat de twee klokken en honderdtwintig bordos waren betaald, aan een prijs van 107562 maravedís. Nicolao handelde in opdracht van Joseph Rebel en Tomás Vendabal (Thomas Van de Walle). Het was de reeds overleden vader van José, Cornelís Rebel die vanuit Flandes de goederen had gestuurd[354].

Op Tenerife is er nog een waardevolle Vlaamse triptiek te zien in de kerk van het stadje Taganana[355].

6.  BESLUITEND OVERZICHT VAN DE BELANGRIJKSTE EUROPESE HANDELSPARTNERS VAN CANARIAS EN DE ROL VAN DE HANDELSNATIES OP DE ARCHIPEL (met uitzondering van Flandes)[356]

6.1  Cádiz

 

            Het Cádiz van de 16e eeuw lag op het kruispunt van de Mediterrane en Atlantische routes. Bijgevolg nam het belang die de stad al sinds de Middeleeuwen genoot, nog toe. Cádiz was net als Lissabon bij uitstek een tussen- en verbindingshaven. In Cádiz werd een substantieel gedeelte van de Canarische export voor Europa verzameld, met de bedoeling het van daaruit naar hoofdzakelijk Italië en de rest van Spanje te verschepen. Echter, ook Flandes, Frankrijk, Engeland, de Baltische landen, etcetera, ontvingen indirect Canarische producten via Cádiz[357].

            Op die plaats bevond zich dan ook logischerwijs de grootste afzetmarkt voor de directe Canarische uitvoer naar Europa. De stad ontving meer dan 50% van de Gran Canarische blanke suiker en de afgeleide varianten escuma en reescuma. Hetzelfde gold voor orchilla, dat integraal voor Italië was bestemd bij gebrek aan lokale ververijen. Tenslotte had Cádiz nog het grootste aandeel conserva, met 21,6%. Van de andere belangrijke Gran Canarische exportproducten als panela, remiel en wijn, kwam relatief weinig of niets terecht in de Andalusische haven[358]. Niet toevallig goederen waar de Italianen de neus voor ophaalden.

            Op Gran Canaria alleen al, waren in de tweede helft van de 16e eeuw zo’n 135 personen betrokken bij de handel met Cádiz als exporteur (en meestal ook ontvanger van goederen uit die stad). De groep telt niet enkel het grootste aantal in vergelijking met deze voor de andere markten afzonderlijk; belangrijk is ook dat ze de grootste variëteit toont in afkomst en gewichtigheid. Hetzelfde beeld krijgen we in Cádiz, als we kijken naar de 123 personen die ginds Canarische ladingen aannamen[359].

            Op Gran Canaria waren er 83 Canarische exporteurs (62%), gevolgd door 32 Genovezen (24%), 7 andere Spanjaarden (5%) en 6 Flamencos (4%). In Cádiz namen 53 Canariërs (43%) de ladingen aan, gevolgd door 38 Genovezen (31%), 19 andere Spanjaarden (16%), 6 Fransen (5%) en 4 Flamencos (3%)[360]. All round stellen we de dominantie vast van Genovezen, die in de eerste helft van de eeuw zelfs nog groter was; met een aandeel van 53% van de exporteurs die toen goederen van Gran Canaria naar Cádiz stuurden[361].

            De Canarische import uit Spanje omvatte: levensmiddelen, zoals tarwe, olijven en olijfolie, groenten, rijst, amandelen, enz./ een weinig textiel/ gebruiksvoorwerpen, zoals munten, ceramiek, matten, enz./ (constructie)materialen zoals gips, ijzer, staal, hout, enz.[362].