Sociale geschiedenis van het  Brugse muziekleven tijdens en rond het jaar 1885. (Natan Bruneel)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Hoofdstuk 2 Overzicht van het muziekleven in Brugge

 

III. Muziek in openlucht

 

We gaan verder in onze sociale verkenning van het Brugse muziekleven. Hierbij stoten we onvermijdelijk op de muziek die niet in besloten ruimtes zoals concertzalen te horen was, maar die weerklonk in de Brugse straten, op pleinen en parken. Drie grote categorieën worden onderscheiden : de fanfare-en harmoniemuziek, de beiaardmuziek en de marktzang.

 

3.1 Fanfare-en harmoniemuziek

 

De blaasmuziekkorpsen vormden een uitermate boeiend en rijk facet van het negentiende-eeuwse muziekleven. Dit fenomeen verdient dan ook de nodige aandacht. In een eerste punt bespreken we de uitvoerders; we maken een onderscheid tussen de militaire kapellen en de burgerlijke muziekkorpsen.

 

3.1.1 Uitvoerders :

 

 a) Militaire kapellen[250]

 

De militaire muziek heeft door de eeuwen heen een lange weg afgelegd. Op het eind van de negentiende eeuw had ze reeds definitief haar signaalfunctie op het slagveld ingeruild voor een volwaardige plaats in het dagelijkse muziekleven.[251] Het is in dit kader van het volkse muziekleven dat we ook in Brugge de militaire kapellen horen weerklinken. Als garnizoenstad kazerneerde Brugge een aantal regimenten van het Belgisch leger. In 1885 tellen we er een regiment infanterie en een van de cavalerie; respectievelijk het ‘2de Linieregiment’ en het ‘2de regiment Jagers te paard’.[252] Beide legerafdelingen beschikten over een eigen militaire blaaskapel en kenden een sterke integratie in het Brugse muziekleven.

 

De organisatie van de militaire muziekkapellen was op Franse leest gestoeld. In de Napoleontische periode werd de militaire muziek gezien als een ideale manier om bij het volk wat goodwill voor het regime te kweken. Overigens werd in deze periode ook beslist dat elk garnizoen over een eigen muziekkapel moest beschikken. Het was later Willem I eveneens niet ontgaan dat met militaire muziek heel wat prestigieuze uitstraling gepaard ging. In zijn Koninklijk Besluit van 1818 organiseerde hij de Nederlandse militaire muziek naar Frans model. Met de oprichting van een Belgisch leger na de onafhankelijkheid werden de reglementen uit de Hollandse periode m.b.t. de militaire muziek letterlijk overgenomen. Op deze manier vormde de Franse organisatie de basis van het Belgisch militair muziekleven.[253]

Dat in de negentiende eeuw de militaire blaasmuziek een echte expansie heeft gekend, is o.a. ook te danken aan enkele cruciale technologisch vernieuwingen in de instrumentenbouw. Dankzij de uitvinding van het kleppensysteem was het bereik van de koperblazers niet langer beperkt tot de natuurtonen. Anderzijds vulde de introductie van een aantal nieuwe instrumenten de leemte op die in de lagere klankregisters werd ervaren. We denken hier bijvoorbeeld aan de uitvinding van de bastuba (1835) en natuurlijk van de saxhoorns en de saxofoons. Deze nieuwe instrumenten van de Belg Adolphe Sax kenden een snelle acceptatie in de Franse, Nederlandse en Belgische muziekensembles.[254]

 

Van de 29 muziekkapellen die het Belgische leger rond 1885 telde, waren er dus twee in Brugge gevestigd.[255] Het muziekkorps van het 2de Linieregiment stond onder leiding van kapelmeester Edmond Waucampt[256] Het speelde -in tegenstelling tot dat van de Jagers te paard- in een harmoniebezetting. De muziekkapellen van de infanterie bestonden doorgaans uit 44 tot 50 muzikanten. Hieronder tellen we een 30- tot 40-tal soldaten (dienstplichtigen) en leerlingen die een maandelijkse toelage van 5 tot 40 frank bovenop hun soldij kregen, en 14 (niet-militaire) muzikanten die een loon van 50 tot 125 frank per maand ontvingen. Na dertig jaar dienst had een muzikant recht op een pensioen van 792 frank per jaar.[257]

Het muziekkorps van het 2de Linieregiment was tijdens optochten en concerten duidelijk aanwezig in de Brugse binnenstad. De statige en sierlijke uniformen zullen hierbij ongetwijfeld de aandacht van de Brugse bevolking getrokken hebben. De versieringen op jas, broek en mantel, de sabelriem, het hoofddeksel in de vorm van een afgeknotte kegel (‘shako’) met sierlijke witte en rode pluim (35cm), de goud-of zilverkleurige lieren op de kraag maakten van dit muziekkorps waarschijnlijk een attractie op zich. Uit de kledij van de muzikanten kon men ieders positie in de muziekkapel afleiden; er werden nuances in het uniform aangebracht naargelang men kapelmeester, muzikant, leerling-muzikant, tamboer-majoor of trommelaar was. [258]

Het muziekkorps van het 2de Regiment Jagers te paard behoorde tot de cavalerie en speelde bijgevolg in fanfarebezetting[259]. Aan het hoofd stond kapelmeester Henri Maeck[260]. Een muziekkapel van de cavalerie bestond uit 35 tot 40 muzikanten. Deze muzikanten verdienden minder dan hun collega’s van de infanterie.[261] Vaak kwam het voor dat de muzikanten van het leger een centje probeerden bij te verdienen door het geven van muzieklessen of het meespelen in de plaatselijke orkesten.[262]

Zoals het 2de Linieregiment waren de 2de Jagers te paard te herkennen aan hun typische kledij. Zonder te veel in detail te gaan, moeten we wijzen op het scharlakenrode hoofddeksel in de vorm van een afgeknotte kegel met gele pompon en neerhangende vederbos in zwart paardenhaar. De jas was in groen laken met scharlakenrode versieringen. Scharlakenrood was overigens de onderscheidingskleur van het 2de regiment onder de Jagers te paard. De schouderstukken waren in gele wol met goudkleurige versieringen.[263]

 

De beide militaire muziekkorpsen gaven doorheen het jaar een aantal concerten. Voor de kapel van het 2de Lignieregiment telden we er 11 en voor het korps van het 2de Regiment Jagers te paard 15. Hiermee brachten we enkel die uitvoeringen in rekening waar de muziek van de respectievelijke muziekkorpsen centraal stond; buiten beschouwing valt hier de deelname aan stoeten en ceremoniële plechtigheden allerhande, die later zal worden besproken. De beide blaasorkesten gingen organisatorisch in zee met twee plaatselijke verenigingen, de ‘Cercle artistique brugeois’ (ook wel ‘Brugse Kunstkring’ genoemd) en de ‘Société philharmonique’.

De ‘Cercle artistique brugeois’[264] organiseerde kunsttentoonstellingen in de Brugse Stadshallen. De militaire kapellen verleenden hun medewerking aan die tentoonstelling door het opluisteren van middagconcerten in die hallen. Ze hadden ongeveer wekelijks plaats gedurende de maanden november tot februari. Beide muziekkorpsen wisselden elkaar hierbij beurtelings af. Voor het organiseren van concerten werkte de ‘Cercle artistique brugeois’ hoofdzakelijk samen met de militaire korpsen; één enkele maal stonden zij echter ook in voor de organisatie van een orgelconcert in de Stadshallen.

Was de winterperiode gevuld met uitvoeringen in samenwerking met de ‘Cercle artistique’, dan was de ‘Société philharmonique’[265] de organisator van concerten in de lente-en zomerperiode. Vanaf mei tot september maakte wekelijks één van de twee militaire korpsen zijn opwachting voor een aantrekkelijk ‘grand concert’. De voorstellingen hadden in open lucht plaats, telkens rond een uur of vijf in de namiddag. Vermoedelijk gingen de concerten door in de tuin van het lokaal van de ‘Société philharmonique’ ofwel in de kiosk in het Stadspark.[266]

 

 b) Burgerlijke muziekkorpsen

 

Niet toevallig bespraken we de militaire muziek eerst. Ze is van groot belang gebleken voor het tot stand komen van een burgerlijke pendant in de blaasmuziek. De uitvoeringen van militaire muziek zorgden voor een sterke populariteit van het genre bij de burgerbevolking. Deze populariteit werd nog versterkt door de deelname aan gemeentelijke initiatieven in de garnizoensteden. We denken hier bijvoorbeeld aan het paraderen in stoeten en het opluisteren van gemeentefeesten. Ook plaatselijke culturele verenigingen konden als organisatoren van blaasmuziekconcerten een beroep doen op de militaire kapellen. In Brugge werkten de twee regimentskapellen bijvoorbeeld samen met de hogergenoemde ‘Société philharmonique’, en de eveneens vernoemde ‘Cercle Musical’ en de ‘Cercle artistique brugeois’ (Brugse Kunstkring). Het is dit veelvuldig contact met de burgerbevolking dat de oprichting van burgelijke muziekverenigingen zal stimuleren. Vroege voorbeelden hiervan vinden we reeds terug in het eerste kwart van de negentiende eeuw te Brussel (‘Société de la Grande Harmonie de Bruxelles’, 1811) en in Antwerpen (‘Société d’Harmonie d’Anvers’, 1814). Vaak vervulden legerkapelmeesters ook de taak van dirigent bij amateurmuziekkorpsen; ook muzikanten uit de legerkapellen kwamen vaak de civiele rangen versterken. [267] In Brugge bleven de burgerlijke muziekkorpsen eveneens niet achter. Anno 1885 telden we maar liefst vijf blaasmuziekverenigingen : de ‘Association Musicale de Bruges’, de ‘Cercle Instrumental’, de ‘Fanfare-afdeling der Katholieke Burgersgilde’, de ‘Harmonie-afdeling der Concorde’ en de ‘Stadsmuziek’.

 

De ‘Association Musicale de Bruges’ was een amateurmuziekvereniging onder leiding van Louis Hindryckx[268]. Enige tijd vóór het zomerseizoen trommelde ze haar leden op om een ‘attractief’ zomerprogramma in te studeren. In 1885 zou de deelname van de amateurmuzikanten vrij talrijk geweest zijn.[269] We hebben geen duidelijk zicht op wie deze mensen juist zijn, wel weten we dat ze tijdens de maanden juni, juli en augustus tweemaal per week klaar stonden om het aanwezige publiek te vermaken. De ‘Association Musicale de Bruges’ voerde haar zitconcerten uit op de kiosk van het stadspark. Men betaalde 10 centiemen indien men lid was van de ‘Association’; niet-leden betaalden 50 centiemen. De ‘Association Musicale de Bruges’ stond garant voor 12 concerten.

Evenals de ‘Association Musicale’ trommelde de ‘Cercle Instrumental’ haar leden enkele maanden vóór het begin van de zomer op om een nieuw repertorium in te oefenen. Deze jonge harmoniemaatschappij werd in 1883 gesticht. In 1908 mocht de ‘Cercle Instrumental’ zich ‘Koninklijke Maatschappij’ noemen. Het was August Reyns[270], één van de medestichters, die het dirigeerstokje meer dan 30 jaar ter hand zou nemen tijdens de jaarlijkse zomerconcerten in het Stadspark. In het begin van de twintigste eeuw zou het harmonieorkest naast het zomerproject ook met succes deelnemen aan een aantal wedstrijden.[271] We telden in 1885 tien concerten, gespreid over de maanden juni en juli. De ‘Cercle Instrumental’ trad elke maandag en donderdag aan; in geval van regenweer verviel het concert.[272] Er werd een inkomprijs van 50 centiemen gevraagd.

 

De ‘Association Musicale de Bruges’ en de ‘Cercle Instrumental’ waren amateurmuziekverenigingen die zich enkel richtten op zomerconcerten en enkel in zittende formatie optraden. De twee blaasverenigingen die we hieronder bespreken zullen echter meer een functionele taak op zich nemen; zij dienden eerder tot het opluisteren van plechtige ceremoniële aangelegenheden, dwz. stoeten, processies en optochten allerhande. Ze behoorden allebei tot het politieke katholieke kamp.

Naar analogie met de reeds besproken koorzangafdeling had de franssprekende katholieke kiesvereniging ‘Concorde’ eveneens een harmonieafdeling. Deze ‘Harmonie-afdeling der Concorde’ zag in 1875 het levenslicht onder impuls van August Reyns. Laatstgenoemde haalde met het harmoniekorps een eerste prijs in de 2de afdeling tijdens een wedstrijd in Rijsel.[273] De muzikanten moeten gezocht worden onder de franssprekende Brugse katholieken; waarvan een groot aantal deeluitmaakten van het Davidsfonds.[274] In 1885 is ons één concert van de harmonie bekend dat op onafhankelijke basis georganiseerd werd, m.n. een zomerconcert in de tuin van het lokaal ‘La Concorde’ (Steenstraat).[275] In september 1885 was het korps ook te horen op de Antwerpse Wereldtentoonstelling.[276] De harmonie van de ‘Concorde’ kwam echter vooral in actie tijdens optochten, openbare feesten en processies. In een later punt in dit deel gaan we hier dieper op in.

Veel minder prominent aanwezig in het Brugse muziekleven was de ‘Fanfare-afdeling der Katholieke Burgersgilde’. De Katholieke Burgersgilde was een bloeiende vereniging binnen de katholieke zuil.[277] Naast een fanfare, gesticht in 1881[278], beschikte ze eveneens over een toneelafdeling. We hebben de indruk dat met het toneel meer naar buiten getreden werd dan met de fanfare. Eénmaal hielden beide afdelingen een gezamenlijk avondfeest in de ‘Parijsche Halle –Karel de Goede’. De inkomstprijzen bedroegen 2 frank, 1 frank en 50 centiemen. Voorts zien we de fanfare van de Katholieke Burgersgilde opduiken in processies allerhande, maar daarover later meer. De fanfare zou te herkennen zijn geweest aan de ‘zeer pompeuze klederdracht’ der muzikanten.[279]

 

Een laatste muziekkorps is het ‘Harmonijkorps Stad Brugge’, de zogenaamde ‘Stadsmuziek’. Het is niet geheel duidelijk of dit harmoniekorps aan de muziekschool of aan de gemeenteschool was gekoppeld. Wellicht stond dit ensemble onder leiding van een leraar van de muziekschool -dit was toch zo in het begin van de jaren 1860- maar recruteerde het onder de leerlingen van de gemeenteschool.[280] De leeftijd waarop men als leerling-muzikant aanvaard werd, varieerde nogal. Om dit te achterhalen, namen we een steekproef uit de reeks namen die we in de rekeningen van de Stadsmuziek[281] terugvonden en koppelden die namen aan hun respectievelijke geboorteactes. Dit liet ons toe ook enig zicht op de sociale herkomst van de muzikanten te krijgen :

 

 

De nieuwe muzikanten traden als leerlingen toe na hun lagere school. Wanneer men het instrument onder de knie had ging men over naar de 3de of 2de klasse, en kon men na een tijdje promoveren naar de 1ste klasse. De jongens verlieten het Stadsmuziek eenmaal ze over de twintig waren. Dit harmoniekorps was dus vooral uit jonge muzikanten samengesteld. Deze jongens kwamen uit de bescheiden milieus van de lagere middenstand.

De muzikanten hadden recht op een loon. Het loon werd tweemaal per jaar uitbetaald en was afhankelijk van de klasse waartoe je op dat moment behoorde. Hieronder hebben we een tabel geplaatst waarin we het gemiddeld loon per jaar berekend hebben.[282] We bekeken enkel die muzikanten die in 1885 in de Stadsmuziek meespeelden. De vermelde klasse, is die tot welke de muzikant behoorde in zijn laatste jaar in de stadsharmonie. De rijen zijn geordend naar dalend gemiddeld loon per jaar.

 

naam

klasse

instrument

periode in

totaal loon

gem. loon/jaar

 

 

 

stadsmuziek

(in frank)

(in frank)

Claeys

1ste

trombone

1876-1889

66

5,1

Valcke

1ste

bariton

1881-1888

29,25

4,2

Plas

2de

alto

1881-1887

23

3,8

Vandenhoutte

2de

klarinet

1885-1889

13,5

3,4

Mathijs

2de

klarinet

1885-1889

13

3,25

Somers

2de

klarinet

1879-1886

21,75

3,1

Staelens

1ste

bugel

1874-1885

34,5

3,1

Messens

1ste

bugel

1877-1886

27

3

Hoenraet

1ste

hoorn

1881-1888

20,5

2,9

Ardenois

1ste

kornet

1881-1887

16,9

2,8

Ameloot

2de

bugel

1879-1886

18,25

2,6

Tourlamain

3de

klarinet

1881-1887

15,25

2,5

Van Compernolle

2de

kornet

1879-1886

17,5

2,5

Versyp

2de

hoorn

1881-1888

17,75

2,5

Aerts

2de

klarinet

1881-1888

15,75

2,25

Mus

2de

klarinet

1881-1888

13,75

2

Brunooghe

3de

bariton

1881-1885

5,5

1,4

Baes

3de

hoorn

1884-1885

1,25

1,25

Blondeel

3de

kornet

1879-1885

6,75

1,1

 

We zien een zekere correlatie tussen de klasse waartoe men behoorde en het aantal loon per jaar, alhoewel het verschil tussen 1ste en 2de klasse in sommige gevallen niet zo groot was. We merken dat het loon dat de jonge knapen ontvingen niet meer was dan wat drinkgeld.

De Stadsmuziek had in 1885 een bezetting van 19 spelende leden. Aan de opsomming van instrumenten merken we dat het Stadsmuziek abusievelijk als ‘harmonij-korps’ werd aangeduid; aangezien fluiten in het rijtje ontbreken spreken we beter van de stadsfanfare.

Het was blijkbaar niet de gewoonte dat het Stadsmuziek concerten gaf; veeleer was het haar taak bepaalde stedelijke ceremonies op te luisteren en op te trekken in stoeten. De muzikanten waren te herkennen aan hun uniform : “een grijsachtige kiel, lederen riem die de lenden omgordde, en een zwarte klak versierd met koperen lier”[283]. Het Stadsmuziek werd weinig besproken in de kranten, en als het als eens vermeld werd was is dit niet meteen in positieve zin : “Het stadsmuziek belast met het spelen der prijsdeeling [van de stedelijke academie], heeft er weinig eer van gehaald. Als er moest gespeeld worden, bleef alles stil, men had wel te roepen, muziek ! muziek!! men hoorde geene noot, -- en als er stilte noodig was, terwijl de prijzen moesten uitgeroepen worden, gaf men muziek zonder einde. Men kan veronderstellen of er onder de talrijke aanwezigen gelachen werd”[284].

 

Naast de betekenis op muzikaal vlak, was zeker de sociale component niet te onderschatten bij de oprichting van vele burgerlijke muziekkorpsen in de negentiende eeuw. In navolging van de militaire korpsen zetten ze er veel gewone lieden toe aan een muziekinstrument te bespelen. In een tijd waar door de sociaal-economische evolutie meer ruimte vrijkwam voor vrijetijdsbesteding, zal het musiceren in harmonieverband, tot op de dag van vandaag, een belangrijke plaats in die vrije tijd innemen. Niet enkel het musiceren als artistieke bezigheid op zich moeten we hierbij indachtig zijn, maar evenzeer of vooral het musiceren in een context van ontspanning en sociale contacten.

 

3.1.2 Uitvoeringen

 

Voor het repertoire-en publieksonderzoek maken we een onderscheid tussen ‘zitconcerten’ en ‘wandelconcerten’. Met ‘zitconcerten’ bedoelen we die concerten die door muziekkorpsen gegeven worden in zittende formatie en waarbij de muziek centraal stond. We denken hierbij vooral aan de parkconcerten die gedurende de zomermaanden in het Brugse Stadspark plaatsvonden. We maken een onderscheid met de ‘wandelconcerten’, omdat deze een ander, of minstens een uitgebreider sociaal publiek bereikten. Met ‘wandelconcert’ bedoelen we het optreden van een muziekkorps tijdens het marcheren in een optocht.

 

a) Zitconcerten

 

De ‘Association Musicale de Bruges’ en de ‘Cercle Instrumental’ zijn twee typische muziekverenigingen die zich enkel op de zomerperiode concentreerden. Samen met de zomerse concerten van beide militaire kapellen, bekwam men een druk zomerprogramma aan fanfare-en harmoniemuziek. Praktisch elke dag kon men in Brugge een openluchtconcert meepikken. Blijkbaar spraken de verschillende verenigingen onderling af om overlappingen te vermijden. Onderstaande figuur geeft een idee van de spreiding over het jaar 1885 van de toen vier actiefste muziekkorpsen in Brugge. We zien een duidelijke verhoogde activiteit in de zomerperiode. Voor de twee militaire kapellen is een breuk (of periode van rust) waar te nemen tussen de winter- en zomerperiode.

 

 

De meeste zitconcerten werden inderdaad in de zomer gegeven. Deze hadden plaats op de kiosk[285] van het stadspark, het huidige Astridpark.[286] De oorspronkelijke kiosk is daar nog steeds te bezichtigen.[287] Op deze mooie locatie konden de zomeravonden op een aangename manier doorgebracht worden. 

Naast de concerten in het park, nemen we hier uiteraard ook de reeds vermelde concerten in rekening die door de militaire kapellen tijdens de winter in de Stadshallen gebracht werden.

 

Repertoire : democratisering van “elitaire” melodieën

 

Voor deze repertoireanalyse baseren we ons enkel op die muziekkorpsen waarvan we op systematische basis de programma’s konden achterhalen; dit zijn de twee militaire kapellen, de ‘Association Musical de Bruges’ en de ‘Cercle Musical’. Om enigszins vat te krijgen op de hoeveelheid aan gegevens, geven we per muziekkorps de componisten weer die minstens driemaal op het programma werden geplaatst in 1885. Het aantal keer dat een componist werd uitgevoerd, is te zien in de rechterkolom. In een laatste tabel zijn de componisten samengebracht die bij minstens drie van de vier muziekkorpsen voorkwamen. Deze tabel zou wel eens de beste representatie kunnen zijn van het repertoire dat door fanfare-en harmoniekorpsen werd gebracht. De programma’s vonden we in de kranten terug.[288]

 

2de Linie Regiment – 12 concertprogramma’s

Waucampt, (Edmond) (1850-1911) Belg 17x

Heymans (F.) -- -- 4 x

Hérold, (Ferdinand) (1797-1833) Frans 3 x

 

2de Regiment Jagers te Paard – 15 concertprogramma’s

Maeck (Henri). (1844-?) Belg 12 x

Lecocq (Charles) (1832-1918) Frans 8 x

Smezio, (Giovanni) -- -- 6 x

Knegtel -- -- 3 x

Rossini (Giacomo) (1792-1868) Italiaans 3x

 

Association Musicale de Bruges – 12 concertprogramma’s

Gounod (Charles-François) (1818-1893) Frans 5 x

Meyerbeer (Giacomo) (1791-1864) Duits 5 x

Strauss (Johann) (1828-1899) Oostenrijks 5 x

Singelée (Jean-Baptiste) (1812-1875) Belg 4 x

Suppé (Franz von) (1819-1895) Oostenrijks 4 x

Bellini (Vincenzo) (1801-1835) Italiaans 3 x

Donizetti (Gaëtano) (1797-1848) Italiaans 3 x

Granada -- Spaans 3x

Hanssens (Charles-Louis) (1802-1871) Belg 3x

Val Hamm (Y.) -- -- 3 x

 

 

Cercle Instrumental – 9 concertprogramma’s

Meyerbeer (Giacomo) (1791-1864) Duits 6 x

Strauss (Johann) (1828-1899) Oostenrijks 6 x

Verdi (Guiseppe) (1813-1901) Italiaans 4 x

Labory (Henri Joseph) (1843-1882) Belg 3x

Farbach -- -- 3 x

Wybo (Alfons) -- Belg- 3 x

 

 

de componisten die minstens bij drie van de vier korpsen voorkwamen :

Auber (D-F-E) (1782-1871) Frans

Donizetti (Gaëtano) (1797-1848) Italiaans

Flotow (Friedrich von) (1812-1883) Duits

Hérold (Ferdinand) (1797-1833) Frans

Heymans (J.) -- --

Meyerbeer (Giacomo) (1791-1864) Duits

Rossini (Gioachino) (1792-1868) Italiaans

Sellenick -- --

Strauss (Johann) (1828-1899) Oostenrijks

Suppé (Franz von) (1819-1895) Oostenrijks

Verdi (Guiseppe) (1813-1901) Italiaans

 

Het getuigt niet van willekeur dat we het repertorium van de militaire en van de burgelijke muziekkorpsen als één geheel willen behandelen. De aanwezigheid van militaire kapellen stimuleerde niet alleen het oprichten van amateurgezelschappen, deze laatste gingen ook actief het repertoire van hun militaire voorbeelden volgen. We hebben het hier uiteraard niet over de militaire en de regimentsmarsen die hun betekenis binnen een militaire context hadden, maar over de muziek die gebracht werd op de concerten.[289]

Het negentiende-eeuwse repertoire voor blaasconcerten bestond enerzijds uit speciaal gecomponeerde en anderzijds uit gearrangeerde werken. Voor de eerste groep werden vaak composities gebracht van de kapelmeester zelf. Dit is heel duidelijk te zien bij de Brugse militaire kapellen : Edmond Waucampt plaatste zijn eigen werk maar liefst 17 maal op het programma van het 2de Linieregiment. [290] Dit was minder het geval bij de burgelijke muziekkorpsen, maar deze deden dan des te meer beroep op muziek van andere dirigent-componisten. Zo werd een gans repertoire bijeengeschreven van polka’s, marsen, galops, walsen, mazurka’s, gavottes, enz.

Het overgrote deel van de concertmuziek van fanfare-en harmonieorkesten bestond echter uit transcripties, fragmenten en arrangementen van bekende operamelodieën. In het repertoire zien we bekende namen terugkeren als Meyerbeer, Auber, Donizetti, Rossini, von Flotow, Hérold, enz. Het was met name die muziek die tot het repertoire van de Brugse Stadsschouwburg behoorde. Onder de vorm van ‘potpourri’s’, ‘mélanges’, en ‘fantaisies’ verliet deze muziek zijn “elitaire” beslotenheid en werden de operamelodieën ook bekend onder het grote publiek. Sommige kapelmeesters ontpopten zich hierbij tot echte meester-arrangeurs. Henri Maeck was bijvoorbeeld erg bedreven in dergelijke arrangementen; de 12 maal dat hij zijn eigen composities op het programma van zijn ‘Jagers te paard’ plaatste, bestonden vooral uit herwerkingen van bekende melodieën. [291]

 

Publiek

 

Tijdens de zomermaanden was er praktisch iedere dag een concert in het park. Het lijkt ons logisch dat het niet elke avond dezelfde Bruggelingen waren die naar deze concerten kwamen afgezakt. Een aanwijzing hiervoor vinden we terug in de aankondigingen in de kranten. Waar de concerten van de ‘Association Musicale de Bruges’ enkel in de liberale ‘Journal de Bruges’ geplaatst werden, daar kwam de publiciteit voor de ‘Cercle Instrumental’ enkel in de katholieke kranten ‘La Patrie’, ‘Gazette van Brugge’ en ‘Stad Brugge’ voor. Dat de ‘Cercle Instrumental’ tot het katholieke ‘kamp’ behoorde, blijkt o.a. uit het feit dat dirigent August Reyns zangmeester was in de kathedraal en tevens actief was in de katholieke kiesvereniging ‘Concorde’. In de veronderstelling dat men zich voor aankondigingen tot zijn eigen doelpubliek richt, kunnen we stellen dat de ‘Association’ een eerder liberaal publiek aantrok, terwijl de ‘Cercle Instrumental’ de eerder katholieke muziekliefhebber naar zijn concerten bracht. De inkomstprijs van beide lag vast op 50 centiem, alhoewel leden van de ‘Association Musicale’ slechts 10 centiem betaalden. Een prijs die de sociale drempel voor het publiek eventueel vrij laag hield.

De militaire kapellen zijn als gasten in de garnizoensteden uiteraard niet in plaatselijke ideologische hokjes te duwen. Niettemin bleven deze kapellen afhankelijk van de verenigingen die hun concerten organiseerden. De ‘Cercle artistique brugeois’ liet de aankondigingen van de militaire concerten publiceren in alle kranten, zowel de liberale als de katholieke. De ‘Société philharmonique’ daarentegen moet een iets liberaler publiek op het oog hebben gehad, aangezien ze de zomerconcerten hoofdzakelijk in de liberale krant ‘Journal de Bruges’ en slechts sporadisch in de liberaal-katholieke krant ‘La Patrie’ liet aankondigen. Een aankondigingsprent van de ‘Société philharmonique’ uit 1848[292] geeft ons een idee hoe het publiek zich naar de parkconcerten begaf. Een kleine veertig jaar vóór onze periode weliswaar, onderscheiden we op de (geïdealiseerde ?) prent koetsen die aan komen gereden met nette dames met parasolletje en heren in maatpak met bolhoed; die vervolgens kuierend doorheen het park hun weg naar de kiosk vonden. De kinderen konden zich uitleven op één van de opgestelde speeltuigen. Aan de ouders werd wel gevraagd hun kinderen niet te laten rondlopen bij de kiosk gedurende het concert.

 

Recensies werden naar aanleiding van hun zomers optreden enkel over de burgerlijke amateurkorpsen geschreven. De appreciatie voor deze concerten mag waarschijnlijk uitgebreid worden tot die van de militaire kapellen.

De parkconcerten waren stuk voor stuk ‘aangename avondstonden’[293], ‘des charmantes et agréables soirées musicales’[294] of ‘des soirées splendides’[295]. Onder het frisse lommer kon het publiek genieten van een programma dat door hen als verscheiden en gevarieerd werd ervaren.[296] Er werd ieder jaar een nieuw repertoire ingestudeerd zodanig dat de verwachtingen voor een afwisselend en aangenaam programma telkens hooggespannen waren.[297]

Die verwachtingen werden blijkbaar ieder jaar weer ingelost, zodanig dat de zomerreeks in 1885 opnieuw beloofde uit te groeien tot ‘un succès éclatant’[298]. Dit uitte zich in een grote publieksopkomst,[299] een publiek dat vooral bestond uit liefhebbers van het genre[300] en hun enthousiamse kwijt kon in aangehouden applaus : “Plusieurs morcaux ont été écoutés avec le plus vif intérêt et très applaudis”[301]. Verder werden het niveau en de goede samenklank van de ensembles geprezen.[302] Met andere woorden, de Bruggelingen hadden weinig reden om de lange zomeravonden in ledigheid door te brengen; iedere avond was er immers een muzikaal feest in het Stadspark.

 

b) Wandelconcerten

 

Het geven van wandelconcerten was historisch gezien voor een muziekkapel een afgeleide van de oorspronkelijke marcheerfunctie. Vooral de militaire kapellen wisten zowel het marcheren als het geven van zitconcerten goed te combineren. De civiele muziekkorpsen specialiseerden zich eerder in één van beide concertvormen.

 

Muziek tijdens stoeten en optochten

 

Brugge was een stad van stoeten. In 1884 ging een grootse historische stoet uit naar aanleiding van de pauselijke erkennenig van de eredienst van de Zalige Graaf Karel de Goede. Een paar jaar later waren er de enorme festiviteiten rond de inhuldiging van de standbeelden van Breidel en De Coninc. Dit ging opnieuw gepaard met het organiseren van een indrukwekkende praalstoet. Als plaatselijk historicus was kannunik Adolf Duclos vaak het brein achter de opgevoerde themata, de rijkelijk versierde praalwagens en de historische rekwisieten en kostuums.[303]

Dergelijke grote optochten zullen in 1885 niet plaats vinden. En toch zouden een aantal initiatieven op heel spontane basis tot stand komen. Blijkbaar moesten de Bruggelingen niet wachten op impulsen van bovenaf om een feestelijke optocht in elkaar te boksen. We denken hier bijvoorbeeld aan het initiatief van de ‘Cercle Musical’ tot het organiseren van een halfvastenstoet. In een aantal kranten werd een oproep gelanceerd aan vrijwillige verenigingen om in deze ‘Cavalcade de la Mi-Carême’ mee te gaan. Groot was de voldoening als reeds een week later kon aangekondigd worden dat er meer dan 400 personen zouden deelnemen aan deze liefdadigheidsoptocht. Met 6 wagens, meer dan 50 ruiters te paard, verschillende groepen te voet en drie gekostumeerde muziekkorpsen kreeg men gemakkelijk het grote volk op de baan. Een toeschouwer telde één frank neer om de stoet te mogen aanschouwen. Maar het is ons natuurlijk vooral om de drie muziekkorpsen te doen. Zij moesten bijdragen om het geheel een feestelijke weerklank te geven. Er werd hiervoor een beroep gedaan op korpsen van buiten de Brugse binnenstad; een voorbeeld hiervan was het muziekkorps ‘L’Union fait la force’ uit het nabijgelegen St.-Pieters Scheepsdaele. De wagen van het organiserend comité moest met een verheerlijking van Leopold II als beschaver van Afrika, de apotheose van de stoet worden.[304] Om het verhaal rond te maken, voegen we er aan toe dat de koning aan de voorzitter van de ‘Cercle Musical’ Edmond Waucampt een bedrag van 100 frank schonk om de liefdadigheidspot nog wat meer te spijzen.[305] De totale opbrengst van de stoet bedroeg 650 frank.[306]

Een andere gewoonte in Brugge was dat de winnaars van een Romeprijs feestelijk in de stad werden onthaald. Dergelijke festiviteiten gebeurden meestal volgens een vast stramien.[307] In 1885 won Bruggeling Julius Anthone de prijs van Rome in de categorie beeldhouwkunst. De laureaat werd aan het station opgehaald door een stoet die langs de versierde en bevlagde straten en voorbij een uitbundige menigte naar het stadhuis trok. De stoet werd geopend door het muziek van de Jagers te paard. Verder liepen het muziekkorps van het 2de Linieregiment en de harmonie ‘Concorde’ mee in de optocht. Bij aankomst aan het stadhuis werd onder ‘heilkreten’ een aria ingezet door het muziek van het 2de Linieregiment. Ondertussen gooide de menigte hun hoeden in de lucht. Het feest dat zijn aanvang om twee uur in de namiddag had genomen, ging nog door tot tien uur ’s avonds en eindigde met een (mislukte) fakkeltocht.[308]

 

Uit deze twee voorbeelden blijkt dat muziek in optochten of stoeten een niet weg te denken gegeven is. Ze waren in het geheel van de stoet in de eerste plaats heel aantrekkelijk om te zien, we gingen reeds eerder in op de kostumering van sommige korpsen. Anderzijds was er natuurlijk het muzikale aspect : de muziek was reeds van ver te horen en verhoogde de spanning en het feestelijk karakter tijdens een stoet. Concrete muziekstukken die in optochten gespeeld werden, kennen we niet. We kunnen niettemin vermoeden dat het muziek met een zeker stapkarakter moet geweest zijn; we denken hier bijvoorbeeld aan het hele gamma marsen waarover een harmonie- of fanfarekorps beschikte.

 

Muziek op processies

 

Niet enkel in stoeten of feestelijke optochten vinden we de muziekkorpsen terug, het katholieke Brugge had ook een rijke traditie van processies en religieuze openbare plechtigheden. Op deze uitingen van volksdevotie mocht de muziek evenmin ontbreken.

De Heilige Sacraments-processie in juni werd begeleid door de cavalerie en de infanterie van de garnizoenregimenten, ze vormden een haag langs de processie. Het regimentsmuziek van de Jagers te paard liep voorop, wat verder volgden de muziek van het Linieregiment en de Stadsmuziek.[309] De burgerwacht had een trommelkorps afgevaardigd.[310]

De periode rond 15 augustus was een drukke tijd voor de muziekkorpsen die zich engageerden in religieuze optochten. Er waren in twee dagen tijd in Brugge maar liefst drie processies. De processie van de Onze-Lieve-Vrouweparochie ging jaarlijks uit en stond bekend voor de inspanningen die de parochianen leverden om hun straten te versieren.[311] De processie werd in 1885 muzikaal opgeluisterd door de katholieke muziekkorpsen van Brugge, dit zijn de fanfare van de Katholieke Burgersgilde en de harmonie van de ‘Concorde’.[312] Naast de OLV-parochie, organiseerden ook de Magdalenaparochie en West-Brugge hun processies op dat moment. De Blindekensprocessie had in West-Brugge onder impuls van kanunnik Adolf Duclos een historische enscenering gekregen, maar zou een van de meest typische lokale processies blijven.[313] Het was het muziekkorps van de Katholieke Burgersgilde dat deze processie in 1885 opende. De harmonie van de ‘Concorde’ deed dit voor de religieuze optocht op de Magdalenaparochie.[314] Begin augustus luisterde dezelfde harmonie reeds de tweejaarlijkse processie van de St.-Jacobsparochie op.[315]

Als laatste, maar niet als minste vermelden we de H. Bloedprocessie van begin mei. Voor de Bruggelingen was de H. Bloeddag “la plus grande fête de l’annéé; on y songe longtemps d’avance, on l’attend avec une impatience qui n’est pas sans charmes”[316]. Het zou te ver leiden om alle facetten van dit vijftien dagen durende feest te belichten. Met de rondgang kwam in ieder geval bijna heel de Brugse bevolking op straat; ook heel wat volk uit de rest van West-Vlaanderen kwam naar Brugge afgezakt om het gebeuren bij te wonen.[317] Het was de cavalerie die de eer had de stoet te openen, terwijl de infanteristen een haag vormden. De respectievelijke regimentskapellen waren eveneens van de partij en zetten samen met het muziekkorps van de Katholieke Burgersgilde het geheel luister bij. De soldaten en muzikanten waren ‘en grande tenue’, wat de aantrekkingskracht voor de massa toehoorders verhoogde. De zegening op de Burgplaats vormde het hoogtepunt van de rondgang : “saluée par les sonneries des clairons, les roulements de tambours, les sons du bourdon et du carillon, n’en était pas moins imposante en dépit de la pluie”[318].

Met dit laatste citaat bemerken we dat het niet alleen fanfare-en harmoniemuziek was die de Brugse straten met muziek vulden op feestelijke gebeurtenissen; ook de klanken van de Brugse beiaard zetten het feestelijk karakter kracht bij. In een volgend punt gaan we even dieper in op de plaats van de Brugse klokken in het Brugse muziekleven.

 

3.2 Beiaardmuziek

 

De muziek waar niemand onderuit kon en die misschien de enigste was die door alle sociale lagen van de Brugse bevolking, willens nillens, gehoord werd, was de beiaard van het belfort op de Grote Markt. Over de symboolwaarde van een belfort voor een stad als Brugge hoeven we hier niet uit te weiden.

De beiaard maakte deel uit van de dagelijkse geluiden van de negentiende-eeuwse stad. Niet alleen op feestdagen, maar ook op gewone dagen was het klokgeluid aanwezig. Beiaarden waren voor de Lage Landen een typisch instrument dat in de 19de eeuw een heuse revival heeft gekend.[319] De Brugse beiaard wekte dan ook veel verwondering bij de vreemde bezoekers en was tevens een troef in handen van Brugges ontluikend toerisme : “Met het badgetijde komen ons verschillige groepen vreemdelingen toe, om, naar gewoonte, Brugge’s merkweerdigheden, de kunstschatten te bewonderen. Vele, die nooit de tonen van de wereldberoemde Brugsche beiaard, noch de wekkering hadden gehoord, blijven staan om het klokkenspel van den Hallentoren te aanhoren”[320].

Het belfort of Halletoren heeft te lijden gehad onder een aantal branden. De laatste brand in 1741 verwoestte eveneens de hele klokkenstoel. Het negentiende-eeuwse klokkenspel ging terug op de vernieuwde klokken die door Georges Dumery (Antwerpen) in 1743 werden gegoten. Het beiaard bestaat uit ongeveer 38 klokken en een triomfklok.[321]

 

Er moet onderscheid gemaakt worden tussen het automatische spel en het handspel. Met het automatisch spel wordt het melodietje bedoeld dat weerklinkt nét voor het slaan van de uren. Deze ‘voorslag’ moet de stedelingen verwittigen dat er een uuraanduiding zit aan te komen. Deze melodie wordt geproduceerd door het draaien van een trommel met pinnen die het klokkenmechanisme in gang zet.[322] In Brugge konden deze pinnen vervangen worden zodanig dat nieuwe melodieën konden worden verkregen. Dit gebeurde o.a. in 1885 en werd in de krant met de nodige belangstelling gevolgd, zodanig dat we de melodietjes kennen die ieder uur weerklonken.[323] Tijdens het vervangen van de pinnen in de trommel zweeg het carillon een viertal dagen.[324] Voor een tijdje waren volgende nieuwe wijsjes deelgenoot van menig Bruggeling[325] :

1. voor het uur : “l’ Enclume”, polka van Duitse oorsprong

2. voor het half uur : “Quand je monte”, lied uit “l’Ombre” (Friedrich von Flotow) (1870)

3. voor het kwartier : motief uit “Don Juan”