| Het cultureel beleid te Brugge tijdens het Calvinistisch Bewind (1578-1584). (Charlotte Coudeville) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
HOOFDSTUK 2. INTELLECTUELE PRAKTIJKEN
Wat versta ik onder intellectuele praktijken? Het zijn de activiteiten van de Brugse drukkers en intellectuelen, het onderwijs en andere culturele initiatieven zoals de oprichting van een openbare bibliotheek en het houden van openbare discussies. Er zijn er die beweren dat Brugge in de jaren 1570 nog nauwelijks intellectuele opstoten kende en dat met de installatie van het Calvinistisch Bewind het intellectuele leven was stilgevallen[397]. Maar is dit wel zo? Viel de productie van de boeken stil? Waren er nog drukkers aanwezig in Brugge en hadden ze veel werk? Waren ze hervormingsgezind of conservatief? Waren er trouwens nog intellectuelen aanwezig in Brugge? Tijdens de eerste helft van de zestiende eeuw had Brugge een kring van vooraanstaande intellectuelen. Dankzij die kring kreeg Brugge de naam het Athene van de Zuidelijke Nederlanden te zijn. Mensen zoals Cassander en Vivès zorgden ervoor dat Brugge een voorname stad van intellectuelen was. Ik heb me in mijn onderzoek de vraag gesteld of er tijdens het Calvinistisch Bewind nog steeds een dergelijke kring aanwezig was en of die intellectuelen even actief waren als hun voorgangers? Het stedelijk en hoger onderwijs komen aan bod. Werden de stadsscholen, zoals de Bogaardenschool en Sint-Elizabethschool, hervormd? Wat met het hoger onderwijs? Werd er nog steeds les gegeven aan de Cuba-stichting? Werden Brugse studenten nog gesubsidieerd door de stad bij hun studies? De antwoorden op deze vragen kunnen bijdragen tot de vraag in welke mate het Brugs bestuur overtuigd was van de Reformatie en of men werkelijk achter de hervorming stond.
1. Inleiding
In 1520 vaardigde Karel V een edict uit dat de vernietiging van alle lutherse boeken in zijn erflanden gebood. In de volgende jaren verboden zijn plakkaten het schrijven, het uitgeven, het drukken, de verkoop, het houden en het bediscussiëren van dergelijke illegale teksten. Elk boek moest, vóór het werd gedrukt, worden onderzocht door de censor die een prelaat was. Er was dus voor elk boek, ongeacht de inhoud ervan, toestemming nodig van de Kerk om het te mogen publiceren. Als de drukker de toestemming kreeg, moest hij vervolgens een octrooi aanvragen aan de Geheime Raad te Brussel. Tegen 1550 had de regering en de Kerk theoretisch gezien de complete controle over de boekhandel[398].
Na de Beeldenstorm probeerde de landvoogd Alva het drukken onder controle te krijgen. Daarom riep hij de instelling van de prototypograaf in het leven. Deze persoon moest de boekenindustrie controleren en bewaken voor de hele Nederlanden. Christoffel Plantijn zou deze functie vervullen[399]. Geen eenvoudige taak, gezien de moeilijkheden die gepaard gingen met een voortdurende oorlogsdreiging. Zo was de communicatie ver zoek en verliep de administratie niet zoals ze zou moeten. Als men iets wilde drukken, moest eerst een attest van orthodoxie worden voorgelegd aan de typograaf. Vervolgens kreeg men dan een certificaat waarmee men de toestemming kreeg om het werk te drukken. De typograaf moest de namen van meester-drukkers en de titels van de bij hen gedrukte werken noteren. Hij moest ook de datum van aanvraag en publicatie opschrijven. Bovendien moesten de drukkers vóór de tirage van het werk een octrooi kunnen voorleggen. De eerste en laatste pagina van de druk moest worden getoond aan de prototypograaf die dan de datum moest controleren. Er werd telkens een persoon verantwoordelijk gesteld voor de druk. Op elke druk van het betreffende werk moest zijn naam staan. Christoffel Plantijn werkte samen met onderzoekers die de inhoud van het boek controleerden en vervolgens de typograaf op de hoogte stelden of het boek in orde was of niet. Deze onderzoekers werden aangesteld door de bisschop. Op die manier was men dus zeker dat het katholieke onderzoekers zouden zijn die alles in het werk zouden stellen om boeken met protestantse inhoud niet te laten drukken. Elk boek moest ook voorzien zijn van een handtekening van de auteur. Wanneer het werk uiteindelijk gedrukt was, werd het nog eens aan commissarissen voorgelegd die het op hun beurt collationeerden en tekenden. De prototypograaf plaatste de prijs van het boek op de eerste en laatste bladzijde en een exemplaar werd bij hem gedeponeerd. De commissarissen werden ook aangesteld om onverwachte bezoeken te brengen aan drukkerijen om te controleren of het strenge reglement correct werd toegepast. Vanaf 1570 werden nieuwe drukkers geacht voortaan een getuigschrift van vakbekwaamheid dat ze van Plantijn hadden gekregen, voor te kunnen leggen. Oude drukkers moesten gewoon hun octrooi vernieuwen, na een voorafgaand onderzoek van hun vakkennis door de hoofddrukker[400].
De regelgeving rond het drukken van boeken en de censuur leken niet veel invloed te hebben gehad op productie van boeken. Er werden immers verschillende tactieken toegepast om toch een illegaal boek te kunnen uitgeven: valse namen van auteurs, geen datum van publicatie, het weglaten van het drukkerskenmerk, het antidateren van werken, het veranderen van de titels[401],… Bovendien waren de lokale magistraten niet zo gewillig om de strenge reglementen toe te passen. Margareta van Parma klaagde verschillende malen over het feit dat de lokale machthebbers zeer laks omsprongen met de plakkaten in verband met de illegale boeken[402].
De Brugse drukkers waren verenigd in de librariërsgilde. Dit was de gilde van de boekschrijvers, kalligrafen, boekverluchters, boekverkopers, boekbinders, drukkers en schoolmeesters[403]. Voor de periode van het Calvinistisch Bewind zijn er maar weinig bronnen overgeleverd voor de librariërsgilde. In de rekeningen, waaruit we anders veel kunnen leren, is er bijvoorbeeld een lacune van 1556 tot 1617[404].
Door hun beroep kwamen drukkers ongetwijfeld in contact met de Reformatie en de nieuwe leerstellingen en daardoor werden ze zelfs min of meer gedwongen een standpunt in te nemen[405]. De drukkers die actief waren vóór de installatie van het nieuwe bewind waren niet allen eensgezind wat betrof de voorkeur van godsdienst. Hubrecht de Croock (1490-1554) heeft verschillende humanistische werken gedrukt, maar heeft zich niet ingelaten met de godsdiensttwisten[406]. Quirinus van Belle (1519-1585) was in 1566 Brugge ontvlucht. De reden moet niet gezocht worden in een of andere religieuze kwestie, maar in het feit dat hij in geldnood verkeerde. Hij keerde al in 1570 terug, wel niet meer als drukker, maar als schoolmeester. Hij zou lesgever zijn tot het einde van zijn leven. Hij heeft zich als drukker vooral beziggehouden met het drukken van klein werk zoals liederen, prenten en bedevaartvaantjes. Hij heeft ook wel een werk van de minderbroeder Cornelis van Dordrecht gedrukt[407]. Pieter de Clerck nam het atelier over van Hubrecht de Croock die in de zestiende eeuw de meest productieve drukker was van Brugge. De Clerck was een goede katholiek en publiceerde hoogst waarschijnlijk de ‘Historie van Broeder Cornelis’. Erasmus van der Eecke (1519-1554) werd in 1553 gestraft voor het drukken van ketterse geschriften. Zijn straf bestond erin dat zijn boeken werden verbrand. Hij zelf werd gegeseld[408].
Het lijkt me toch interessant om ook stil te staan bij de ‘Historie van Broeder Cornelis’. Anderen denken immers dat het werk is uitgegeven door Gillis vanden Rade die actief was in Gent, maar wel contact had met de Brugse boekenwereld[409]. Deze historie zou hoofdzakelijk zijn opgesteld door een kanunnik van het Brugse Sint-Donaaskapittel, namelijk Cornelis Wouters. In het werk worden de voor- en tegenstanders van de nieuwe religie door elkaar geciteerd. In deze satire worden zowel feiten als verzonnen anekdotes door elkaar geweven. Het hele werkje ademt de geest van Melanchton uit en de hand van Joris Cassander en de entourage van Marcus en Guido Laurinus zijn merkbaar. Er wordt gespot met broeder Cornelis en priester Adriaan Smout, omdat zijn voor de auteur(s) symbool stonden voor domheid, conservatisme en gebrek aan rationaliteit. Met hen was immers geen dialoog mogelijk. De sacramentsleer wordt op de korrel genomen, de vagevuurtheorieën worden niet au serieux genomen, er is zelfs kritiek op de beeldenverering, enzovoort, maar toch zegt men dat het werk een soort van ‘neutraal’ pamflet is, men wou de christenen immers niet in verwarring brengen[410].
Tijdens de eerste helft en midden van de zestiende eeuw waren de Brugse drukkers vooral katholiekgezind. Erasmus van der Eecke drukte wel ketterse geschriften, maar A. Vandewalle stelt zicht terecht de vraag of dit niet eerder uit geldnood was dan wel uit geloofsovertuiging[411].
In het midden van de zestiende eeuw week Jan Gailliaert, een rijke Brugse koopman uit naar het noordelijke Emden. Daar richtte hij samen met zijn zoon Willem een bloeiende drukkerij van protestantse werken op. De koopman vertrok uit Brugge nadat hij werken van onder andere Erasmus en Johannes Calvijn had vertaald[412]. Toen de volledige Institutiones van Calvijn waren afgewerkt, werden deze vertaald door een Gentenaar. Het vertaalde werk werd zestien maanden nadat de Latijnstalige versie verschenen was bij Platter waarschijnlijk door de Willem Gailliaert te Emden gedrukt[413]. Een andere Bruggeling, namelijk Jacob de Meester, werd drukker in het buitenland. Hij trok naar Amsterdam in 1562 en zou uiteindelijk in Alkmaar belanden waar hij aangesteld werd tot stadsdrukker[414].
Gedurende de hele zestiende eeuw waren er te Brugge maar een 14-tal drukkers actief en werden er in totaal maar een 100-tal verschillende edities geleverd. Belangrijke werken werden tijdens de tweede helft van de zestiende eeuw gebracht naar Leuven of naar Antwerpen. Ondanks de lage boekenproductiviteit was Brugge toch een boekenstad. Er waren verscheidene boekhandelaars en de boekbinderijen waren bloeiende zaken. De familie De Tollenaere zou voor vijf generaties voor het binden van boeken instaan[415].
Zoals al eerder vermeld is er qua bronnenmateriaal niet veel voorhanden, de rekeningen van de librariërsgilde voor de periode 1555-1619 zijn spoorloos. We moeten voor de activiteit van de drukkers en boekhandelaars beroep doen op ander materiaal, zoals de rekeningen van andere instellingen (stad Brugge zelf, Bogardenschool, Sint-Elisabethschool,…) en naslagwerken. Albert Schouteet heeft ook een hele reeks bronnen uitgegeven in verband met de drukkers van Brugge in de zestiende eeuw[416].
2. Brugse drukkers en boekhandelaars tijdens het Calvinistisch Bewind
Cornelis Daens
Cornelis Daens was een boekhandelaar en boekbinder. Hij zou als beide actief zijn geweest van 1571 tot 1581. In de rekeningen van Plantijn komt zijn naam voor op 7 september 1571. Hij was Plantijn nog 6 florijnen schuldig voor het huren van een logeerplaats[417]. Dit laatste laat alleszins vermoeden dat hij een opleiding heeft genoten in het boekenbedrijf van Plantijn zelf.
Hij was zeker protestant. Hij was immers werkzaam in Brugge als predikant[418].
In 1581 leverde Daens ‘zeecker boucken, pappier ende pennen’ aan de Sint-Elizabethschool[419].
In dat zelfde jaar leverde hij diverse boeken voor de som van 4 pond 5 schellingen en 1 groten aan de Bogaardenschool[420]. Een korte tijd later volgde de tweede levering van boeken voor de som van 3 pond 16 schellingen 5 groten[421]. Hij stierf nog hetzelfde jaar. Zijn sterfhuis werd door de school overgenomen[422].
Jan van Genuwe de Jonghe
Jan van Genuwe de Jonghe erfde het jonge bedrijf van zijn vader die zich vooral had toegelegd op speelkaarten. Hij woonde in de Zuidzandstraat[423].
Over deze drukker is maar weinig geweten. Hij heeft in 1580 of 1581 een ordonnantie gedrukt voor het Brugse Vrije, in 1581 een reglement voor de Staten van Vlaanderen en verschillende ordonnanties voor stad Brugge. Het is mogelijk dat hij liedjes heeft gedrukt voor zijn goede vriend, de zanger Colard Herrieul[424].
In de Brugse stadsrekeningen van september 1580 tot september 1581 zien we de volgende vermelding: ‘Jacob Janssuene (ende) Jan van Genue, prenters over diversche ordonnantien bij laste gheprent, bij zes distincte ordonnantiën: 7 lb. 6 s. 8 gr.[425]’. Hij kreeg dus in 1580 of 1581 samen met Jacob Janssuene de opdracht ordonnanties te drukken. Het is wel de enige opdracht die hij kreeg van stad Brugge.
Hubertus Goltzius
Hubertus Goltzius kwam voor de eerste keer naar Brugge op uitnodiging van Marcus Laurinus in 1558. Hij vestigde zich in de stad op 6 maart 1562. Hij was zeer actief in de periode 1565-66, daarna volgde een periode van inactiviteit tot 1574[426]. In 1576 verscheen het laatste werk dat hij heeft verzorgd als drukker. Naar het einde van zijn leven toe koos hij meer en meer de gereformeerde kant. Hij deed in 1583 vertaalwerk voor het stadsbestuur. Hij zou voor zijn huwelijk in 1582 in de eerste plaats een hervormde predikant hebben aangezocht[427].
Jan Heyndricks
Jan Heyndricks was drukker te Brugge. Hij zou actief zijn geweest in de periode 1570-1580. Hij was een wees die het geluk heeft gehad in de Bogaardenschool te zijn opgenomen. Hij volgde er les vanaf zijn negende tot zijn vijftiende. Hij heeft het vak van drukker geleerd bij Corijn van Belle, bij wie hij introk vanaf 15 oktober 1546. Hij huwde een dochter van de uitgever-boekhandelaar Jan Vermeulen. Over zijn werk als drukker weten we niets[428].
Bernaert Janssen
Hij was een boekhandelaar. Hij heeft maar zeer weinig sporen nagelaten. In 1583 had hij contact met Christoffel Plantijn, wellicht met handelsdoeleinden[429]. In het jaar 1582 heeft hij alleszins een levering gedaan aan de Sint-Elizabethsschool voor 6 schellingen groten[430].
Jacob en Anthonis Janssuene
Jacob Janssuene was een drukker. Tijdens de calvinistische periode was hij verantwoordelijk voor het drukken van heel wat ordonnanties en dergelijke meer. Hij kreeg trouwens de opdracht op 10 december 1580 al het drukwerk te leveren dat hem door de krijgsraad en afgevaardigden van de commissie van de Geestelijke Goederen werd opgedragen[431].
In de stadsrekeningen van september 1578-79 komen we de vermelding tegen dat hij diverse ordonnanties moest drukken[432]. Het volgende jaar kreeg hij een gelijkaardige opdracht, maar hij moest deze delen met een collega, namelijk Jan van Genuwe[433]. In 1581 werd hij betaald voor het drukken van geboden, 200 obligaties, 200 kwintanties en ‘dyverssche nyeuwe ordonnancies’[434]. Hij werkte dus voor het calvinistische stadsbestuur. Had hij dan sympathieën voor het calvinisme en Oranje? In 1578 voegde hij bij een ordonnantie die hij moest drukken een anti-Spaanse spreuk. Het enig bewaarde boekje dat door hem gedrukt was, is een werk van de katholieke priester Jacob vande Velde[435].
In 1583 liet hij het bedrijf over aan zijn zoon Anthonis, die tot 1619 actief zou zijn in Brugge. Hij legde zich – net zoals zijn vader – toe op officiële stukken. In 1584 publiceerde hij onder ander het verdrag tussen enerzijds Brugge en het Brugse Vrije en anderzijds de hertog van Parma[436]. Hij kreeg ook opdrachten van het stadsbestuur. In de periode 1582-1584 kreeg hij twee keer de opdracht om ordonnanties te drukken betreffende de pestepidemie[437].
Thomas Moerman
Thomas Moerman was een drukker die zeker in 1582 te Brugge actief was. Hij woonde aan de ‘Fonteyne’ in de Zuidzandstraat nabij de Sint-Salvatorskerk. Hij was verantwoordelijk voor het drukken van de beschrijving van de Blijde Intrede van Frans van Anjou in juli 1582. Voorts zou hij ook nog eens twee orangistische werken hebben gepubliceerd[438].
De weduwe van Antonius de Tollenaere
Antonius de Tollenaere stierf vóór 20 mei 1579. Zijn weduwe, Jacquemyne de Knimde, zou de zaken in het bedrijf regelen tijdens de calvinistische overheersing. Vanaf 20 mei 1579 had de vrouw een rekening als boekhandelaar bij Plantijn. Vanaf 1580 was het atelier gelegen op de Burg ‘noordzijde gaande westwaert’, dicht bij de Sint-Donaaskerk. Het bedrijf hield zich vooral bezig met het verkopen van boeken[439].
Het bedrijf De Tollenaere was een van de voornaamste leveranciers van boeken en schrijfgerief voor de beide stadsscholen. In 1579 leverde de weduwe verschillende boeken aan de Bogaardenschool[440]. In 1581 leverde het bedrijf ‘ten diversche stonden’ boeken en papier aan deze jongensschool[441].
In de periode 1578-1584 waren zes van de negen boekenleveringen aan de meisjesschool afkomstig van het bedrijf De Tollenaere. In 1578 leverde weduwe de Tollenaere gebedsboekjes en geschiedenisboeken aan de school[442]. In 1579 leverde ze opnieuw gebedsboekjes[443]. Het daaropvolgende jaar leverde ze nog eens gebedsboekjes, maar ook papier en pennen[444]. De weduwe de Tollenaere leverde in 1581 opnieuw schrijfpapier en pennen voor de kinderen[445]. In 1584 leverde Antheunis de Tollenaere pennen, catechismus- en gebedsboeken aan de school[446].
De naam ‘weduwe van de Tollenaere’ werd vanaf 1589 in de archieven van Plantijn vervangen door de naam Antheunis de Tollenaere. Daaruit werd afgeleid dat Antheunis de Tollenaere de weduwe opvolgde in 1589, maar in de rekeningen van de Bogaarden- en Sint-Elizabethschool komt zijn naam al vóór 1589 voor. Voor de meisjesschool hebben we immers een vermelding van zijn naam in de rekeningen van 1584. Voor de jongensschool is dat het geval voor de jaren 1581 en 1584. Dit kan er opwijzen dat de zoon van de weduwe en overleden drukker toen al de leiding van het bedrijf op zich had genomen.
Jan Vinckx de Jonghe
Jan Vinckx was boekhandelaar te Brugge tussen 1576 en 1609. Hij had bij Plantijn in 1576 nog een schuld van 50 florijnen staan. Hij besloot toen namelijk de schuld van zijn vader over te nemen en ze in twee termijnen af te betalen. Jan Vinckx verklaarde pas op 31 augustus 1587 dat hij de schuld van zijn vader kon afbetalen[447].
Over zijn activiteit als boekverkoper tijdens het Calvinistisch Bewind is zeer weinig bekend. Hij heeft wel boeken geleverd aan de Bogardenschool en werd daarvoor betaald op 3 januari 1580. Hij kreeg 2 pond 5 schellingen groten[448]. In de rekening staat wel vermeld dat Jan Vinckx boekbinder was.
Gregorius Weyts
Deze Brugse drukker zou actief zijn geweest vanaf 1566 tot ongeveer 1584. Als leerling van de Bogardenschool werd hij in 1554 als gezel aangenomen door Jacob Jansseune. Hij staat alleszins in de archieven ingeschreven als drukker tussen 1566 en 1569. Er is van hem als drukker geen enkel spoor nagelaten[449].
3. Conclusie
Er zouden in totaal negen librariërs actief zijn geweest tijdens het Calvinistisch Bewind. Van twee drukkers, namelijk Jan Heyndrickx en Gregorius Weyts, heb ik geen spoor van activiteit teruggevonden tussen 1578 en 1584.
De drukkers waren vooral afhankelijk van het stadsbestuur en andere stedelijke instellingen voor opdrachten. Mensen zoals Victor Giselinus en Jan Leernout in 1579 en Jacob Cruquius in 1578 en 1582 klopten nog steeds aan bij de Antwerpse drukkerij van Christoffel Plantijn om hun werken te publiceren[450]. De drukkers konden dus niet rekenen op de plaatselijke intelligentsia voor opdrachten. Er was op dat vlak weinig verschil met vroeger en bovendien was de Officiana Goltziana als sinds 1576 opgedoekt.
Is er eigenlijk wel een groot verschil met de periode vóór het Calvinistisch Bewind? De Brugse drukkers kregen vroeger ook al zelden de opdracht om belangrijke werken te drukken. Tijdens het Calvinistisch Bewind was dit niet anders.
De drukkers die actief waren vóór de installatie van het nieuwe bestuur waren niet allen eensgezind wat betrof de voorkeur van godsdienst. Volgens mij kan dit zelfs worden doorgetrokken tot de gehele groep van librariërs. Cornelis Daens was ongetwijfeld calvinist. Thomas Moerman wellicht ook. Het feit dat Moerman enkel maar in de periode van het Calvinistisch Bewind aanwezig was in Brugge en dat er na 1584 geen Brugs spoor meer van hem is terug te vinden, kan er wel eens op wijzen dat hij het calvinisme een warm hart toedroeg. De rest behoorde wellicht tot die grote middengroep waarover J.J. Woltjer het vaak heeft in zijn literatuur. Het grootse deel van de bevolking was vanuit haar opvoeding katholiek, maar wist niet meer welk geloof ze moesten belijden[451]. Daarom koos men van elke godsdienst datgene wat goed voor de ziel en wellicht ook voor de geldbeurs was. Heel wat drukkers kozen de kant van het calvinisme uit eigenbelang. Na de Reconciliatie gingen de drukkers even vlug over naar het katholicisme. Geloofsovertuiging ging dus vaak gepaard met het voordeel dat men er uit kon halen. Jacob Janssuene zal zich wellicht in calvinistische kringen hebben bewogen aangezien hij opdrachten kreeg van stadsbestuur. Hij achtte het opportuun om contacten te zoeken met protestanten omdat zij het nu voor het zeggen hadden in Brugge. Jacob Janssuene had een bedrijf en hij wou dat draaiende houden. Hetzelde kan gezegd worden van de andere drukkers zoals Jan Genuwe de Jonghe en het bedrijf De Tollenaere.
Ondanks de vele gelijkenissen lag het productiepeil tijdens de Calvinistische Republiek volgens mij toch lager. Door de slechte economische en sociale toestanden werden er ongetwijfeld minder bestellingen geplaatst.
De situatie van de drukkers tijdens de periode 1578-1584 komt over het algemeen overeen met de situatie van de drukkers tijdens de gehele zestiende eeuw. Men kan dus op gebied van drukkersactiviteit niet spreken van een breuk. Het is volgens mij niet zo dat met de installatie van het Calvinistische Bewind de drukkersactiviteit sterk achteruitging. Pas na de Calvinistische Republiek kende ze een sterkere daling. Het zou pas in het tweede decennium van de zeventiende eeuw zijn dat men enigszins heropleefde en dan nog was het aantal drukken laag en van zeer middelmatige kwaliteit[452].
Wat als men de situatie van het boekbedrijf van Brugge vergelijkt met die van het beter bestudeerde Mechelen? Net zoals in Brugge was de drukactiviteit in Mechelen tijdens de zestiende eeuw zeer bescheiden. De stad aan de Dijle had immers de concurrentie van de drukkersstad bij uitstek Antwerpen, maar ook van Leuven. Tussen 1541 en 1600 waren er te Mechelen acht drukkers die samen in totaal dertien werken publiceerden. Tijdens het Calvinistisch Bewind waren zelfs de eerste drukkers actief in Mechelen. Er waren drie drukkers actief tijdens de Calvinistische Republiek, maar net zoals te Brugge waren de drukken voornamelijk officiële stukken, politieke en religieuze pamfletten, schoolboeken, enzovoort[453].
De situatie van Mechelen en Brugge is dus heel gelijklopend, met dat verschil dat er met de installatie van het nieuwe bestuur te Mechelen de eerste drukkers kwamen, terwijl ze in Brugge al aanwezig waren.
II. Intellectuelen en kunstenaars
Na drukkerspraktijken besproken te hebben, lijkt het me interessant ook aandacht te besteden aan de individuele intellectuelen. Brugge had in de eerste helft van de zestiende eeuw een intellectuele kern met internationale uitstraling. Er zijn er die beweren dat in de jaren 1570 en met de installatie van het Calvinistisch Bewind Brugge amper intellectuele opstoten kende. Ik heb het in het inleidende deel van deze verhandeling al over het Brugse intellectuele leven in de zestiende eeuw gehad. Nu probeer ik een antwoord te bieden op de vraag of het intellectuele peil nu op nul stond of niet. Om een antwoord op deze vraag te kunnen formuleren, heb ik mij beziggehouden met de activiteiten van individuen. Die individuen kunnen juristen, schepenen, kunstenaars, geestelijken, academici, enzovoort, zijn.
1. Schilders
De schilders waren georganiseerd in de gilde van de ‘beeldemakers’. Deze gilde heeft echter geen interessant materiaal nagelaten wat betreft de periode van de calvinisten. Om iets te weten te komen over hun werkzaamheden moesten we ons dus baseren op andere bronnen, namelijk de stadsresoluties, de stadsrekeningen, de rekeningen van de Bogaardenschool en van de Sint-Elizabethschool en de rekeningen van de Kamer van de Geestelijke Goederen.
Pieter Pourbus
Pieter Pourbus was sinds 1543 meester-schilder te Brugge. Hij was toen een jaar of twintig. Hij huwde er met de jongste dochter van de schilder Lanceloot Blondeel. Hij schilderde religieuze taferelen, historieschilderijen, enzovoort. Hij was tevens cartograaf en ingenieur, maar hij werd vooral bekend als portrettenschilder en maakte vooral portretten van vooraanstaande Bruggelingen[454]. Door zijn contact met de welgestelde Brugse burgerij stond hij op goede voet met de magistraat. Dit was ook niet anders tijdens het Calvinistisch Bewind. Hij kreeg vanwege het stadsbestuur een aantal opdrachten. Zo maakte hij een kaart van de watering van de Romboutswerve in 1578[455]. Bovendien werd hij in 1579 betaald ‘over dyversche p(ar)tyen van zynen style’. Hij kreeg hiervoor 33 schellingen 4 groten[456]. In 1580 of 1581 kreeg hij de opdracht de patronen te maken van de Sint-Christoffelskerk[457]. Het daaropvolgende jaar werd hij betaald om het bolwerk van ‘tsas ter Sluus’ te bestuderen en te verbeteren[458]. In 1580 werkte hij het plan van de Ter Duinenabdij[459]. In 1583 schilderde hij het portret van Jacob van der Gheenste die in het calvinistische bestuur zetelde als onder andere raadsheer en schepen. Pourbus kwam herhaaldelijk in contact met Jacob van der Gheenste in zijn hoedanigheid van cartograaf. Men is trouwens van oordeel dat het portret een verjaardagsgeschenk was van de schilder voor zijn stadsgenoot[460].
Olivier Bart
Olivier Bart was geboren in Brugge. Hij werd na het overlijden van zijn vader opgenomen in de Bogaardenschool. Op 13-jarige leeftijd werd hij voor een periode van acht jaar aan de Brugse meester-schilder Simon Pieters uitbesteed. Na zijn leerperiode trok hij naar Kortrijk waar hij werkte tot 1580. Hij was er actief als schilder, restaurateur, graveur en zelfs als landmeter.
Rond 26 maart 1580 werd hij weer in Brugge gesignaleerd. Toen hij te Brugge aankwam, werd hij opnieuw lid van de ambacht van de beeldemakers. Voor het dienstjaar 1580-81 maakte hij zelfs deel uit van het ambachtbestuur[461].
Hij kreeg heel wat opdrachten van stedelijke instellingen en van het consistorie. Hij moest vanwege de gouverneurs van de Bogaardenschool een tafereel schilderen in de refter. Hij werd betaald op 30 maart 1582. Hij deed dit werk samen met zijn zoon, bovendien moest men ook drie ijzeren bussen schilderen[462]. Rond 17 juli 1582, toen Frans van Anjou zijn intrede in Brugge hield, kreeg hij de opdracht van het Brugse Vrije het Landhuis op de Burg te versieren[463]. Olivier Bart kreeg ook heel wat opdrachten van de ouderlingen van het consistorie. Hij kreeg onder andere opdrachten in de Sint-Salvatorkerk en de Predikherenkerk. Aangezien de kerkraden een grote voorkeur hadden voor hervormde arbeiders, kunnen we daaruit afleiden dat Olivier Bart hoogst waarschijnlijk calvinist was. Hij vertrok uit Kortrijk juist vóór de opnieuw door Spanje werd veroverd[464].
Joos(t) Bart
Over deze schilder is niet veel geweten. Hij werkte in opdracht van het consistorie en was dus hoogst waarschijnlijk calvinist. Men heeft nog niet kunnen achterhalen of hij familie was van Olivier Bart. De hypothese is dat hij niet gerelateerd was met Olivier. Toen de Onze-Lieve-Vrouwkerk in handen kwam van de hervormden schilderde en versierde hij de tombes van de Bourgondische heersers Karel de Stoute en Maria van Bourgondië[465].
Pieter II Claeissins
De schildersfamilie Claeissins was vooral gekend voor het maken van portretten en het schilderen van religieuze onderwerpen. Eigenlijk volgden ze gewoon de traditionele (Vlaams primitieve) school[466].
Pieter II volgde in 1581 zijn broer Antoon op als stadsschilder[467]. In 1584 was hij verantwoordelijk voor het schilderen van de triomfboog die ter ere van de hertog van Parma werd opgericht[468]. Het ziet er wel naar uit dat hij pas na in de periode na het Calvinistisch Bewind interessante opdrachten kreeg. Hij kreeg voornamelijk opdrachten in verband met het maken van kaarten, landschappen, enzovoort. Het feit dat hij amper opdrachten kreeg vanwege het bestuur, kan er wel eens opwijzen dat hij het bestuur geen warm hart toedroeg.
2. Artsen
De chirurgijnen waren ook georganiseerd in een corporatie. Maar voor mijn periode is er geen (nuttig) bronnenmateriaal overgeleverd dat ons iets meer zou kunnen zeggen over deze academici. In dit onderdeel worden de chirurgijnen behandeld die ik tegenkwam in literatuur. Ik ben ook artsen tegengekomen in de stadsrekeningen, namelijk François Rapaert en Boudewijn Wijts, maar over hen vond ik geen interessante literatuur.
Victor Giselinus
Nadat Victor Giselinus als magister artium afstudeerde te Leuven, keerde hij in 1556 terug naar Brugge. Vier jaar later ging hij naar Parijs om er geneeskunde te studeren. Volgens zijn goede vriend Jan Leernout was deze keuze te wijten aan zijn financiële situatie. Hij kon zich immers geen leven permitteren waarin hij zich enkel en alleen bezighield met de letteren.
Hij slaagde in zijn studies en promoveerde te Dôle in de medicijnen in de lente van 1572. In 1574 was hij opnieuw in Brugge en begon hij zijn praktijk.
Hij was een intellectueel die goede contacten onderhield met andere academici. Zijn vriendenkring was wel niet beperkt tot de lokale intellectuelenkring, tussen 1572 en 1585 had hij intense contacten met Jan Dousa, Justus Lipsius en Christoffel Plantijn. In 1579 gaf hij een traktaat uit van Jean Fernel over syfilis, het werk werd ingeleid door een brief van zijn vriend Dousa[469].
Victor Giselinus ging in 1585 weg uit Brugge en trok naar Sint-Winoksbergen. Hij stierf er in 1591. Zijn geschriften liet hij na aan zijn beste vriend Jan Leernout, maar deze toonde geen ambitie om ze te publiceren[470].
Hij bleef dus gedurende het Calvinistisch Bewind heel de tijd in Brugge.
Willem Pantin
Willem Pantin was arts en filoloog. Hij was geboren te Tielt, maar vestigde zich, na zijn studies te Leuven, in 1551 te Brugge. Hij zal er tot zijn dood in het begin van oktober 1583 blijven. Hij werd begraven in de Sint-Walburgakerk. Hij hield zich vooral bezig met zijn praktijk, maar bestudeerde ook literatuur en de cultus van de Muzen. Hij was goed bevriend met dichters en filologen die toen in Brugge de intellectuele kern van de stad vormden. Hij was goed bevriend met Jan Leernout, Hubrecht Goltzius, Frans Nans, Adolf van Meetkerke en zijn collega Victor Giselinus. Hij zou de rebellen – toen ze de stad in maart 1578 innamen – tegemoet hebben gegaan zonder wapens maar met twee boeken. Een gebonden aan de voorkant van zijn wambuis, de ander aan de achterkant[471].
Hoe stond hij dan tegenover de calvinisten? Het was duidelijk dat hij een pacifistische houding had en niet geloofde in wapens. Maar het tegemoet gaan van de Gentse soldaten is volgens mij ook een vorm van protest. Hij vond dat je met woorden en boeken meer kan bereiken dan met geweld. Wat het resultaat was van zijn actie weten we niet. We kunnen wel met zekerheid zeggen dat er maar zeer weinig slachtoffers waren gevallen met de machtswissel. Misschien heeft zijn actie er wel iets mee te maken gehad?
3. Humanisten, classici en filologen
Jan Leernout
Deze dichter was een geboren Bruggeling. Na zijn studies te Leuven trok hij rond 1565 naar Parijs. Hij heeft ook een tijdje verbleven te Leiden, Besançon, Dôle, Pavia en Rome. Tijdens zijn verblijven in het buitenland maakte hij contact met andere geleerden, zoals Jan Dousa, Victor Giselinus en Justus Lipsius, en raakte goed bevriend met hen.
In de lente van 1574 keerde hij terug naar Brugge om er zich definitief te vestigen. Hij huwde er en kreeg twaalf kinderen. Hij was elfde schepen in 1577. Hij was raadsheer in het voorlopige bestuur van maart 1578, 1580 en 1582 en hoofdman van het Onze-Lieve-Vrouwzestendeel in 1578 en 1581[472]. Hij bekleedde deze mandaten met enige tegenzin[473], maar ze hielden hem wel niet tegen om zich met dichtwerk bezig te houden. In 1579 verscheen een verzamelwerk van zijn jeugdwerk, namelijk ‘Carmina’. Het werk werd gedrukt door Christoffel Plantijn. Korte tijd later heeft hij een parodiërende bundel laten verschijnen die hij samen met Victor Giselinus heeft gemaakt[474]. Zijn poëzie werd sterk bewonderd, zelfs in het buitenland door onder andere keizer Rudolf II die de dichter in de adelstand verhief in 1581.
Hij bleef schrijven tijden het bewind van de calvinisten, maar veel van zijn werk werd pas later uitgegeven. Hij stuurde heel wat gedichten naar zijn vrienden die gevlucht waren naar het Noorden[475]. Hij zelf heeft er voor gekozen om in Brugge te blijven. De reden moet wellicht praktisch zijn geweest: hij kon onmogelijk al zijn kinderen meeverhuizen naar Leiden.
Frans Nans
Deze filoloog studeerde in Sint-Winoksbergen, Leuven en Parijs. Na zijn studies en het behalen van zijn graad van magister in de rechten keerde hij terug naar zijn geboortestreek. Tussen 1565 en 1584 vervulde hij heel wat bestuurlijke functies. Tijdens het calvinistische bestuur was hij zelfs schepen van het Brugse Vrije.
Hij had contacten met heel wat Zuid-Nederlandse intellectuelen. De bekendste was Justus Lipsius, maar hij onderhield ook een correspondentie met de Franse Jacques-Augustin de Thou. Toen onze gewesten in 1584 weer onder Spaans bewind kwamen vluchtte hij naar Leiden. Daar onderwees hij de bellettrie in het plaatselijke college. Daarna trok hij naar Dordrecht waar hij vanwege het stadsbestuur de leiding kreeg over de Latijnse school. Het was in het Noorden dat hij pas open bloeide als filoloog en kenner van Griekse poëzie[476].
Zijn intellectuele verrichtingen tijdens de periode 1578-1584 waren wellicht nihil, hoewel hij al van 1574 bezig was met het verzamelen van het werk van de Griekse dichter Nonnus[477]. Hij was te druk bezig met het waarnemen van zijn bestuurlijke functies. Deze taken vielen weg toen hij naar het Noorden trok. Daar moest hij wel lesgeven, maar hij was wel constant bezig met de klassieke taal.
Mark jr. Laurinus
Deze mecenas was tevens humanist en numismaat. Samen met zijn broer, Guido, was hij de vertegenwoordiger van het humanisme te Brugge. Hij had vele bezittingen waaronder een neerhof te Sint-Kruis, namelijk het ‘Blauwhuis’, met een uitgebreide bibliotheek. Later werd het Blauwhuis uitgebreid met zijn muntenkabinet. Deze museum-bibliotheek werd ter beschikking gesteld van zijn vrienden: de Laurocorinthus. Hier kwam de intellectuele kring van Brugge samen en wisselde ze van gedachten.
Op 30 oktober 1578 besliste het bestuur dat Mark Laurijn zijn ‘Blauwhuus’ moest vernietigen[478]. Ondanks zijn protest, werd het huis met de grond gelijk gemaakt. Alle gebouwen in een straal van 2000 voet rond Brugge moesten immers omwille van militaire redenen worden gesloopt. Hij kon haastig zijn boeken en munten verhuizen binnen Brugge[479].
Mark Laurinus was een katholiek en was trouw aan de Spaanse koning. Hij werd door het stadsbestuur in maart 1580 verbannen. Al zijn goederen werden geconfisqueerd. Het belangrijkste deel van zijn collectie wist hij wel mee te nemen in zijn vlucht naar Calais. Hij kwam echter met lege handen aan in de havenstad. Muitende Schotse troepen hadden hem onderweg beroofd van zijn bezittingen. De heer van Watervliet – dat was zijn titel - stierf er op 14 maart 1581.
Hubrecht Goltzius
Deze uit Venlo afkomstige schilder, drukker en humanist kwam door Mark Laurinus terecht te Brugge. Deze wou immers een werk maken over de oudheid waarin hij munten als historisch bronnenmateriaal kon verwerken.
Voordien had Goltzius al een werk gemaakt over de oudheid op basis van munten die hij op een rondreis doorheen de Nederlanden en de Rijnstreek had bestudeerd. Het boek dat Laurinus in gedachten had, moest een vervolg zijn op dat boek. In 1558 vestigde Goltzius zich met zijn gezin in Brugge. Hij hield zich meteen bezig met de studie van de muntencollectie van zijn maecenas. Laurinus financierde hem trouwens voor heel wat reizen doorheen Duitsland, Zwitserland, Italië en Frankrijk. Goltzius leidde ook een drukkerij die werd gefinancierd door Laurinus. Deze drukkerij werkte van 1563 tot 1576: de Offciana Goltziana.
Hij was niet zozeer intellectueel actief tijdens de het bewind van de calvinisten. Hij werkte wel voor het bestuur in 1583 als vertaler[480]. Hij stierf op 24 maart 1583 en werd begraven in de Sint-Donaaskerk.
Was hij calvinist of katholiek? Naar het einde toe van zijn leven lijkt hij meer de gereformeerde kant op te gaan. Voor zijn tweede huwelijk in 1582 zou hij in de eerste plaats een hervormde predikant hebben aangezocht op het huwelijk te zegenen[481]. In het verleden was hij al eens beschuldigd door broeder Cornelis Adriaensz. van Dordrecht dat hij brieven zou hebben gedrukt met hervormde inhoud[482].
Anselmus de Boodt
Anselmus de Boodt was een geboren Bruggeling. Hij genoot een humanistische opvoeding en zijn vader bezat een van de grootste privé-bibliotheken van de stad. In 1566 begon hij zijn opleiding in de artes te Leuven, maar hij zag zich genoodzaakt de universiteit te verlaten in 1572. Door de politieke omstandigheden was het er immers onmogelijk geworden om les te volgen. Vervolgens trok hij naar Orléans waar hij vermoedelijk licentiaat werd in canoniek en burgerlijk recht. Hij keerde in 1578 terug naar Brugge en werd er benoemd tot raadsheer in het stadsbestuur. Hij bleef echter niet lang in de stad. Het daaropvolgende jaar werd hij immers verdacht van medeplichtigheid aan de revolte van 2 juli. Hij vertrok naar het buitenland waar hij zich ten volle kon ontplooien als natuurkundige. Hij was voor een 30-tal jaar werkzaam aan het hof van keizer Rudolf II. Het is pas in 1612 dat hij terugkeerde naar Brugge om er een artsenpraktijk te beginnen en zich volledig te wijden aan de artistieke en letterkundige activiteiten[483].
4. Geestelijken
Jacob van Pamele
Jacob van Pamele was een zeer geleerd theoloog. Hij kreeg zijn eerste opleiding in een abdij in Namen. Daarna studeerde hij filosofie aan de pedagogie van de Valk te Leuven. Op 17-jarige leeftijd behaalde hij er de graad van magister artium. Vervolgens wijdde hij zich aan de godgeleerdheid. Op 19 juni 1561 werd hij kanunnik aan het Brugse Sint-Donaaskapittel, maar het is pas in 1562 dat hij zich definitief vestigt in de stad. Hij bouwde er een uitgebreide privé-bibliotheek[484]. Hij hield zich toen vooral bezig met het opsporen en uitgeven van teksten over liturgie. Hij bestudeerde bovendien de kerkvaders en ander vroegchristelijke auteurs[485]. Toen Brugge in handen viel van de hervormden zette hij zich in om de plunderingen van de ketters tegen te houden. Het bestuur was zeker niet te vinden voor zo’n heftige verdediger van het katholieke geloof. Van Pamele was de eerste priester die zich uit Brugge vrijwillig liet verbannen. Hij trok naar Douai, waar hij zijn werk als tekstcriticus verder zette. Hij trok verder naar Sint-Omaars waar hij andere katholieke bannelingen opving en waar hij zelfs aartsdiaken van Vlaanderen werd. Na de dood van de bisschop van Sint-Omaars werd hij zelfs voorgedragen om leider te worden van dit bisdom. Hij stierf toen hij zijn broer wou bezoeken in Brussel. Onderweg stopte hij in Bergen waar hij op 19 september 1587 stierf door ziekte[486].
Hij is dus niet naar Brugge teruggekeerd na de Reconciliatie. Hij had bovendien niet zoveel contact met de Brugse intellectuele kring rond Laurijn en co. Zijn vriendenkring bestond voornamelijk uit collega-geestelijken. Hij was wel goed bevriend met Jan Leernout, die aanwezig was op zijn begrafenis[487].
Jacob vande Velde
Deze augustijnenmonnik was een van de opvallendste woordvoerders van de orthodox-katholieke beweging binnen Brugge. Hij was iemand die sterk protesteerde tegen de hervormde leer en zijn aanhangers. Door zijn heftige aanvallen kwam hij vaak in conflict met het stadsbestuur. Dit zowel in de periode dat het bestuur nog katholiek was als in de periode van de calvinisten. In 1580 publiceerde hij een in de volkstaal geschreven boekje dat een regelrechte aanval was op de calvinistische predikanten aangaande hun opvatting over het Laatste Avondmaal. Naast een heftige voorstander van de katholieke leer was hij ook een deskundige betreffende de theologie. Hij schreef in de jaren 1560 commentaren op het Passieverhaal en op de vasten. In 1580 werd hij de stad uitgewezen. Zijn publicatie zal er zeker toe bijgedragen hebben dat hij de stad moest verlaten[488].
Broeder Cornelis Adriaensz. van Dordrecht
Buiten een felle apologeet van het katholicisme was deze minderbroeder ook een theoloog. Hij studeerde in 1540 aan het college ‘Het Varken’ te Leuven. Vier jaar later haalde hij zijn baccalauraat in de theologie. Hij doceerde er tussen 1544 en 1546 filosofie. In 1546 werd hij door de Brugse magistraat uitgenodigd om de leerstoel van theologie aan te nemen in de Cuba-stichting, hij zou er de Spaanse Jonerius opvolgen. Daarna trok hij naar Dordrecht waar hij in de orde van de minderbroeders trad, maar hij kwam in 1548 terug naar Brugge, waar hij hard tekeer ging tegen de Reformatie. Hij zou in Brugge blijven (met een onderbreking tussen 1563-1566) tot aan zijn dood in juli 1581. Hij heeft niet zoveel werken op zijn naam staan. Hij publiceerde veelal zijn preken[489]. In die preken maakte hij vaak gebruik van opruiende taal en beledigingen. Door zijn driftig karakter en felle aanvallen tegen de gereformeerde godsdienst kwam hij in conflict met het stadsbestuur. Hij werd in de jaren 1560 en 1570 verscheidene malen berispt voor zijn beledigend taalgebruik.Toen het minderbroederklooster in de zomer van 1578 werd opgeheven moesten de residenten Brugge verlaten. Maar Cornelis kreeg de toestemming om toch in de stad te blijven. Hij woonde in bij een vriend[490].
Hij was dus nog aanwezig in Brugge tijdens het Calvinistisch Bewind, tot aan zijn dood in 1581. Hij was niet echt bezig met het schrijven van het boeken en andere intellectuele activiteiten. Zijn voltijdse bezigheid was het bestrijden van de hervormde leer.
Broeder Cornelis was trouwens een zeer controversiële persoon en zou na zijn dood vaak onderwerp zijn van polemieken. Noord-Nederlandse historici zoals van Meteren, Hooft en later ook Hendrik Janssen haalden hem door het slijk. Zuid-Nederlandse geleerden zoals Sweertius, Valerius Andreas en A.C. De Schrevel namen het dan weer op voor de broeder[491].
5. Docenten
Willem Taelboom
Taelboom was in 1540 geboren te Brugge en stierf in Sint-Omaars op 68 jarige leeftijd. Hij studeerde filosofie aan de pedagogie ‘Het Kasteel’. Hij studeerde er ook theologie. In 1567 volgde hij Antoon Gaespoel op als titularis van de publieke leerstoel van de theologie te Brugge. De opstellers van het rapport over zijn kandidatuur voor deze post prezen hem voor zijn kennis van het Latijn, Grieks en Hebreeuws en vooral voor zijn theologische geleerdheid. Tijdens de regering van de hervormden kwam hij vaak in conflict met de hoofdpredikant van de calvinistische gemeente, namelijk Johannes Capito. Hun conflict exalteerde in een openbaar dispuut dat werd gewonnen door de katholieke professor. Hij heeft tot in 1581 les kunnen geven in de theologie, maar in juli 1581 werd hij ook verbannen uit zijn geboortestad. Hij ging naar Sint-Omaars waar hij de bisschop Jan Six bijstond in het bestuur van het bisdom[492].
Zijn activiteit op intellectueel gebied bestond dus vooral in het verdedigen van de roomse leer en discussiëren over principes van de katholieke leer, zoals de vasten en het Laatste Avondmaal. Hij bleef bovendien verder lesgeven. Hij kreeg voor vier jaar een salaris van een hervormd stadsbestuur.
Jacob Cruquius
Deze filoloog was geboren in Mesen en studeerde te Leuven. Aanvankelijk ging hij filosofie en rechten studeren, maar hij koos uiteindelijk voor de letteren. Hij schreef zich in het Collegium Trilingue en volgde er de cursus Latijn. Na wat rondgereisd te hebben in het buitenland werd hij te Brugge geroepen om Joris Cassander te vervangen als docent Grieks en Latijn aan de Cuba-stichting. Cruquius ontpopte zich vooral als een kenner van Horatius. Meeste van zijn studies gaan over deze antieke dichter[493].
Hij heeft gedurende de hele periode van het Calvinistisch Bewind les gegeven in het Latijn en het Grieks. Bovendien was hij graag gezien door het stadsbestuur. Toen hij hen in 1582 zijn boek over een redevoering van Cicero aanbood werd hem uit dankbaarheid de som van 50 florijnen geschonken. Bovendien werd zijn jaarlijks salaris met 50 carolusguldens verhoogd[494].
Hij was dus zeker nog actief in de periode 1578-1584. Er zijn in totaal vijf of zes werken van hem gekend[495], waarvan twee gepubliceerd werden ten tijde van de hervormden. Dit toont dus aan dat er nog degelijk intellectuele activiteiten aan de gang waren. Hij kon nog vrij werken publiceren, maar dit was wellicht te wijten aan zijn onderwerp. Over de klassieke auteurs deed men niet zo moeilijk, over religieuze onderwerpen des te meer.
Jan Geldrius
Jan Geldruis of van Geldere was een filoloog en een heel geleerd latinist en hellinist. Hij leidde te Brugge een Latijnse school waar hij zelf de klassieke talen onderwees. De school had een zeer goede reputatie[496]. Hij huurde in de sHeer Gillis Dopstraat een huis aan de kerkfabriek van Sint-Donaas over de jaren 1548-1579. Dit huis gebruikte hij als school[497].
Een van zijn leerlingen was de bekende Victor Giselinus, die bij Geldrius zijn vroegste opleiding kreeg[498]. Geldrius werkte samen met Goltzius aan een werk over klassieke auteurs. Goltzius zou instaan voor de illustratie en het drukken. Geldrius zou ook een bundel epigrammen hebben gepubliceerd, maar en wanneer dit gebeurde is niet geweten[499].
Hij was tijdens de calvinistische periode schepen in het voorlopige bestuur van 1578, raadsheer in het dienstjaar 1578-1579, het daaropvolgende jaar werd hij zevende schepen. Hij was bovendien zeer nauw betrokken bij de oprichting van de openbare bibliotheek in de Heilig Bloedkapel[500].
6. Conclusie
Het is moeilijk een algemene conclusie betreffende de activiteit van de schilders te vormen. Om te beginnen ontbreken de rekeningen van de gilde waartoe ze behoorden. Het lijkt erop dat de gezindheid van de schilders een rol speelde om aan opdrachten te geraken. Olivier Bart heeft wellicht in de calvinistische periode meer opdrachten dan ooit gekregen. De stedelijke instellingen en het consistorie hadden immers een voorkeur voor hervormde ambachtslieden. Aan de andere kant kreeg Pieter Pourbus, die de Spaanse vorst trouw was, ook opdrachten, zowel van particulieren als van het bestuur zelf. Wellicht hebben zijn kunde en persoonlijke netwerken er toe bijgedragen dat hij tijdens de periode 1578-1584 nog steeds opdrachten kreeg.
Er waren nog steeds mensen van de Laurocorinthus aanwezig in Brugge tijdens het Calvinistisch Bewind, vooral tijdens de eerste jaren ervan. Activiteit in die mate dat publicaties er het resultaat van waren, was er wel niet, maar contacten met andere geleerden bleven - in de mate van het mogelijke - wel onderhouden. Er waren ongetwijfeld nog steeds bijeenkomsten en men zal wellicht geweten hebben waarover men moest praten: de situatie in Brugge onder de hervormden, discussies over godsdienst, enzovoort.
De meeste intellectuele geestelijken bleven in Brugge tot ze er werden verbannen. Zij zetten zich tijdens die periode vooral in voor de katholieke godsdienst. Hun intellectuele activiteit tijdens hun verblijf in Brugge tijdens het Calvinistisch Bewind bestond er vooral uit argumenten te zoeken tegen het calvinisme. De hervormde predikanten waren niet van dezelfde slag als de katholieke geestelijken. Hun niveau was beneden alle peil in vergelijking met mensen zoals Pamelius, Taelboom, enzovoort, maar dit heb ik het deel over de calvinisering al aangetoond.
Er verschenen gedurende de periode 1578-1584 maar weinig publicaties van Bruggelingen. Cruquius heeft wel een tweetal werken gepubliceerd. Hij bood ze trouwens aan de magistraat, wellicht omdat het eigenlijk zijn werkgevers waren. Aan zijn leerstoel was immers een salaris verbonden dat werd uitbetaald door de stad zelf en het is altijd interessant om op goede voet te staan met je werkgever. Bovendien was het stadsbestuur hem zeer welgezind. In 1582 kreeg hij immers opslag. Het bestuur ondernam dus maatregelen om de intellectuele kring in leven te houden, hoewel… Het is niet omdat je één persoon opslag geeft dat dat wil zeggen dat het intellectuele leven opnieuw zal floreren. Er waren trouwens ook maatregelen die kunnen leiden tot een tegenovergestelde conclusie. Het bevel dat het Blauwhuis van de heer van Watervliet moest vernietigd worden is niet direct een bewijs dat het bestuur het goed voor had met de Brugse intellectuelen.
Ik wil deze conclusie afsluiten door te zeggen dat dit overzicht onmogelijk een volledig beeld kan zijn van het intellectuele leven te Brugge. Voorts wens ik ook te zeggen dat vele intellectuelen in de jaren vóór de installatie van het Calvinistische Bewind Brugge al verlaten hadden. Sommigen zijn naar het Noorden getrokken, zoals Simon Stevin en Bonaventure Vulcanius, anderen naar het Zuiden zoals Franciscus Goethals en Jacob Reyvaert waar ze zich gingen inzetten voor de Contrareformatie[501].
We kunnen dus besluiten dat er wel degelijk een intellectuele kring aanwezig was tijdens het Calvinistische Bewind en dat het intellectuele leven niet als dusdanig stilviel, maar de intellectuelen hadden geen internationale uitstraling meer zoals tijdens de eerste helft van de zestiende eeuw. Bovendien hadden de intellectuelen wel wat anders aan hun hoofd dan het schrijven van boeken en allerhande.
1. Inleiding
Wat betreft het (calvinistisch) onderwijs werd duidelijke taal gesproken op de synode van Dordrecht in juni 1578. Er moesten overal scholen worden opgericht waarin de kinderen niet alleen zouden leren lezen en schrijven en zich andere vaardigheden eigen maken, maar ook catechismusonderwijs zouden krijgen met als doel tot predikant opgeleid te worden. De calvinistische gemeenten moesten zich bovendien inspannen opdat beloftevolle studenten kosteloos, dat wil zeggen gesponsord door particulieren of door de overheid, in een Latijnse school konden gaan studeren om er dienaar van het Woord te worden[502]. Men wist trouwens heel goed dat de scholen excellente kweekplaatsen waren voor de calvinisten in het algemeen. Als men van jongsaf de hervormde leer kreeg voorgeschoteld, dan zou men daar in het latere leven moeilijker van af stappen. Via de scholen wou de calvinistische gemeenschap hun aantallen vergroten.
In Brugge werd niet direct werk gemaakt van deze regeling. In de briefwisseling tussen de kerk van Londen en die van Brugge wordt het een en ander duidelijk. Op 17 december 1580 vroeg de Londense consistorie met aandrang meer aandacht te besteden aan de ‘gemeyne scholen’ van de stad. Daar moest na de eredienst de meeste zorg worden aan besteed. Er mochten geen ‘ketterische of papistische meesters’ les geven[503]. Dienaar des Woord Theodorus Montanus beantwoordde de brief en moest toegeven dat op vlak van onderwijs er nog veel werk aan de winkel was[504].
In het jaar 1581 kwam er toch enige verandering. Op 23 april 1581 besloot het stadsbestuur op het verzoek van het consistorie in te gaan en het stedelijk onderwijs te reformeren[505]. In welke mate de hervorming doordrong in de Bogaardenschool en Sint-Elizabethschool wordt in het volgende deel onderzocht.
2. Bogaardenschool
De Bogaardenschool was een school voor arme kinderen, verlaten kinderen en wezen. De school werd sinds 1517 gesubsidieerd door het stadsbestuur. Op die manier had het Brugs bestuur controle over de school. In deze armenschool leerde men de elementaire zaken zoals lezen en schrijven. De kinderen kregen ook de mogelijkheid een beroep aan te leren. De talentvolle kinderen werden zelfs voorbereid op universitaire studies, er werd hen bijvoorbeeld de Latijnse taal aangeleerd. Bovendien konden de leerlingen van deze school die naar de universiteit gingen, rekenen op financiële steun. Er werden bijvoorbeeld fundaties opgericht die de student financiële hulp verleenden door middel van beursen[506].
De school was geen ‘slachtoffer’ van het in beslag nemen van het zilver- en goudwerk in 1578. Het zilver dat de school toebehoorde werd wel verkocht, maar het geld mochten ze houden. In de marge van een rekening is er een merkwaardige kanttekening: ‘midts dat er het zelverwerck van alle de kercken, disschen, Godshuysen, confreryen ende ambochten overghebrocht moeste worden in hand van de commissaris…tot proffyte van de schole[507]’. Dit doet vermoeden dat een deel van het geld dat werd gehaald uit de verkoop van het zilverwerk van de andere instellingen werd gebruikt voor de school.
Om na te gaan in welke mate de hervorming werd doorgevoerd in de Bogaardenschool ben ik in de rekeningen op zoek gegaan naar vermeldingen van aankoop van handboeken.
In 1579 werd de weduwe van Anthoon de Tollenaere betaald voor onder andere de levering van een boek[508]. Het jaar daarop moest ze diverse boeken leveren, alsook boekbinder Jan Vinckx[509]. Twee jaar later, in 1581 werden verschillende boeken geleverd, door Cornelis Daens en De Tollenaere. Cornelis Daens leverde boeken voor de totale som van 8 pond 1 schelling 6 groten[510]. Dit was beduidend meer in vergelijking met de levering van De Tollenaere voor slechts de som van 19 schellingen 11 groten. In 1582 werd de nalatenschap van Daens door de school aangekocht, het gaat over boeken, papier en pennen[511]. Het volgende jaar werden twaalf catechismusboeken aangekocht[512]. De schoolmeester Johannes de Valloys staat in voor de levering van boeken[513]. Op 5 januari 1584 werd Antheunis de Tollenaere, zoon van de overleden Anthoon, betaald voor diverse leveringen van catechismusboeken, papier en psalmen[514].
Welke boeken precies werden geleverd valt moeilijk te achterhalen. De titels staan alleszins niet vermeld bij de rekeningen. De mogelijke inhoud moeten we achterhalen via de leveranciers. De gezindheid van het boekbedrijf De Tollenaere is niet uitgesproken calvinistisch, de zaak bleef immers nog actief na het calvinistische bewind. Cornelis Daens echter was een uitgesproken calvinist. Hij was zelfs een predikant en was als proponent verbonden aan de Predikherenkerk[515]. Er is dan ook geen twijfel dat de boeken die hij geleverd heeft een hervormde inslag hadden. De bestellingen die werden geplaatst bij het bedrijf De Tollenaere waren trouwens niet van dezelfde aard als bij Daens. Als men moet kiezen om een grote bestelling te plaatsen heeft men blijkbaar de voorkeur voor een calvinist. In 1583 was de schoolmeester Johannes de Valloys verantwoordelijk voor een levering catechismusboeken. Deze schoolmeester moet haast een calvinist zijn geweest, anders was hij wellicht niet aangenomen om de kinderen te onderrichten. Dat het onderwijs gericht was op het leren van het woord van God bewijzen de catechismusboeken die in 1583 en 1584 werden betaald.
Het lijkt me interessant om toch ook even stil te staan bij de calvinistische catechismus. Zowel Luther als Calvijn en andere hervormers waren van oordeel dat het gezin en vooral de ouders moesten voorzien in de religieuze vorming van hun kinderen. Vooral de vaders kregen in hun theorieën een voorname rol. In Genève bijvoorbeeld werden ouders door het consistorie verplicht sermoenen en catechismuslessen bij te wonen, wanneer hun kennis betreffende het gebed en dergelijke meer beneden alle peil was[516]. Voor Brugge ben ik dergelijke gevallen niet tegengekomen. Gedurende de Reformatie publiceerden hervormers en gereformeerden een groot aantal catechismusboekjes. Veel van die publicaties waren bedoeld voor het gebruik thuis. Een ouder stelde dan vragen aan zijn of haar kind. Het kind antwoordde dan met de door hem of haar gememoriseerde oplossingen[517].
Een catechismusboek of -traktaat moeten we dus voorstellen als een vragenlijst met de passende antwoorden. In de antwoorden werden de principiële voordelen van de hervormde christelijkheid uiteengezet. Door het uit het hoofd leren van de antwoorden hoopten de hervormers discipline te brengen tussen hun gelovigen[518]. Deze boekjes hadden een enorme oplage. In Engeland bijvoorbeeld werden er meer dan 350 catechismusboekjes gedrukt tussen 1549 en 1646[519].
In de Bogaardenschool werd hetzelfde principe toegepast. Alleen met dat verschil dat het hier leerkrachten waren die er op toezagen dat de kinderen de catechismus memoriseerden. Ik denk zelfs dat de Bogaardenleerlingen op die manier meer dan andere Brugse kinderen in contact kwamen met de calvinistische catechismus. Aangezien de religieuze educatie voor een groot deel de verantwoordelijkheid was van de ouders en een zeer groot deel van de Brugse onderdanen nog katholiek was, zal ook maar een klein deel van de jongeren de calvinistische grondslagen zijn aangeleerd. Verder ben ik van oordeel dat door het feit dat de reformatie maar vrij laat doorgedrongen is in deze stadsschool, de invloed van de hervormde catechismus maar zeer gering moet zijn geweest. De calvinistische catechismus werd maar een paar jaar onderwezen in de Bogaardenschool, volgens mij een veel te korte periode om een nadrukkelijke stempel te hebben nagelaten in de religieuze vorming van deze kinderen.
De gouverneurs stonden in voor het dagelijkse bestuur van de school. Zij werden door de stad aangesteld voor een duur van drie jaar. Ze waren in totaal met zes. Elk jaar werden twee gouverneurs vervangen. Aan deze post was geen vergoeding verbonden. Het ging om een ereambt[520].
Wie waren de gouverneurs tijdens calvinistische periode? Welke was hun status en (vooral) gezindheid? Als we dat kunnen nagaan, dan kunnen we te weten komen hoe het stadsbestuur stond tegenover een radicalisering van het onderwijs.
Tabel 1: Gouverneurs van de Bogaardenschool tussen 1578-1584[521]
|
Jaar |
Naam |
|
1578 |
Jacob Cloribus |
|
|
Ghysbrecht Buuck |
|
|
Nicolaas Anchemant |
|
|
Antheunis de Schietere |
|
|
Jacob Elle |
|
|
Pieter Dominicle* |
|
1579 |
Antheunis de Schietere* |
|
|
Nicolaas Anchemant |
|
|
Jacob Elle |
|
|
Amandt de Beste |
|
|
Hendrik Croos |
|
1580 |
Amandt de Beste* |
|
|
Antheunis de Schietere |
|
|
Jacob Elle |
|
|
Hendrik Croos |
|
|
Gheeraert van Volden de Jonghe |
|
|