De broederschappen in de plattelandsparochies van de decanaten Brussel-Oost en Leuven (17de – 18de eeuw). (Christophe Verheyden)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

INTRODUCTIE

 

Verantwoording

 

De keuze van het fenomeen ‘broederschappen’ als onderwerp voor deze verhandeling is spontaan gegroeid.

Binnen mijn universitaire opleiding aan de Katholieke Universiteit te Leuven sprak het religieuze luik mij altijd het meeste aan. Toen ik bij archiefonderzoek met documenten over broederschappen in contact kwam, ging ik uit nieuwsgierigheid nakijken wat een dergelijke vereniging juist betekende. Broederschappen lieten niet alleen prachtige archiefstukken na, zoals de tot de verbeelding sprekende geschilderde tafereeltjes in broederschapsregisters. Ook speelden zij een belangrijke sociale rol. Het leeuwendeel van hun leden bestond immers uit de gewone gelovige massa. Bovendien waren er allerlei soorten van broederschappen, telkens bekend onder een andere naam.

Bij het zoeken naar publicaties omtrent het fenomeen ‘broederschappen’, kwam ik tot de vaststelling dat er geen enkel repertorium, laat staan een overzichtswerk verschenen is over al deze types van broederschappen die ooit in de Zuidelijke Nederlanden actief zijn geweest. Toen reeds kwam het idee bij mij op om de eerste stenen van een synthesewerk te leggen.

Tijdens de zomervakantie van 2004 zocht ik op een namiddag in het rijksarchief te Leuven (met de keuze van een thesisonderwerp in mijn achterhoofd) naar archiefmateriaal over broederschappen gelegen in ‘mijn streek’. Zo kwam ik bij toeval in contact met de archivaris die later mijn promotor is geworden.

Na enige tijd bakenden we een gebied af: het decanaat Brussel-Oost. Uit naburige parochies, net buiten deze dekenij gelegen, vond ik eveneens interessant archiefmateriaal. Daarom werd besloten om tevens het decanaat Leuven aan het onderzoeksgebied toe te voegen. Een groter gebied betekent weliswaar meer werk, maar het resultaat is ook interessanter.[1]

 

Het ruimtelijke kader: de decanaten Brussel-Oost en Leuven

 

Voor het onderzoek naar broederschappen baseren wij ons in deze studie op de plattelandsparochies van de decanaten Brussel-Oost en Leuven. Beide decanaten behoorden in de Nieuwe Tijd tot het aartsbisdom Mechelen. Een korte schets van het ontstaan en de ontwikkeling van het aartsbisdom en haar decanaten, is hier daarom op zijn plaats.

 

Met de bul Super universas, op 12 mei 1559 uitgevaardigd door paus Paulus IV binnen het kader van de Katholieke Hervorming, werden in de Nederlanden grondige gebiedsherindelingen doorgevoerd, opdat de kerkelijke reorganisatie kans op slagen zou hebben.[2] Hierbij kwamen er drie grote kerkprovincies tot stand, met name Kamerijk, Mechelen en Utrecht.[3] Het aartsbisdom Mechelen bestond uit een samenvoeging van gedeelten van de vroegere diocesen Kamerijk en Luik.[4] Deze nieuwe regeling betekende onder meer voor het hertogdom Brabant vanuit pastoraal oogpunt alleszins een grote stap voorwaarts. Door die nieuwe indeling kwam de aartsbisschoppelijke administratie immers, in tegenstelling tot vroeger, binnen het hertogdom Brabant te liggen.[5] Maar dit verliep echter niet van een leien dakje. In Brabant ontstond er een enorme politieke tegenstand. Zo werd Granvelle in 1561 als aartsbisschop van Mechelen aangesteld, maar diende hij reeds in 1564 te vertrekken uit de Nederlanden.[6] Het zou tot na het einde van het Calvinistische bewind duren alvorens er zich te Mechelen in 1585 opnieuw een bisschop zou vestigen, namelijk J. Hauchinus.[7]

De instelling van dit nieuwe aartsbisdom dwong de kerkelijke overheid eveneens tot een nieuwe indeling in decanaten. Als gevolg van de beslissingen van het eerste provinciale concilie van Mechelen, vond er een eerste indeling plaats in 1570.[8] Enkele jaren later deelde een decreet van 2 oktober 1573 het aartsbisdom Mechelen in tien landdecanaten in, te weten Aalst, Brussel, Diest, Geraardsbergen, Leuven, Ninove, Ronse, Sint-Pieters-Leeuw, Tienen en Vilvoorde.[9] Rond het jaar 1594 werd er ter vervanging van Vilvoorde het landdecanaat Mechelen opgericht.[10] Onder Matthias Hovius, aartsbisschop van Mechelen van 1596 tot 1620, werd op 10 september 1596 het aartsbisdom Mechelen opgedeeld in elf decanaten, met name Aalst, Brussel, Diest, Geraardsbergen, Leuven, Mechelen, Oosterzele, Ronse, Sint-Pieters-Leeuw, Tienen en Zoutleeuw.[11]

In 1682 werd het decanaat Brussel in twee afzonderlijke decanaten opgesplitst: Brussel-Oost en Brussel-West.[12] Op het einde van de 17de eeuw gebeurde hetzelfde met het decanaat Mechelen waarbij de decanaten Mechelen-Oost en Mechelen-West zijn ontstaan.[13] Ook het decanaat Leuven was nog aan verandering onderhevig. Het werd in 1784 opgedeeld in een noordelijk en een zuidelijk gebied, terwijl de verschillende stadsparochies onder de jurisdictie van de deken van de collegiale Sint-Pieterskerk vielen.[14]

 

Tot ons onderzoeksgebied behoren de volgende parochies, die sinds de opsplitsing van het vroegere decanaat Brussel in 1682, terecht kwamen onder het decanaat Brussel-Oost: Diegem, Duisburg, Etterbeek, Evere, Haren, Hoeilaart, Huldenberg, Jezus-Eik, Kortenberg, Kraainem, Machelen, Nossegem, Overijse, Rosieren, Schaarbeek, Sint-Gilis, Sint-Lambrechts-Woluwe, Sint-Pieters-Woluwe, Sint-Stevens-Woluwe, Sterrebeek, Terhulpen, Tervuren, Ukkel, Vorst, Watermaal, Wezembeek en Zaventem.[15]

 

Kaart: het decanaat Brussel-Oost

 

Voor het decanaat Leuven worden de volgende parochies bestudeerd: Archennes, Beisem, Bertem, Bierbeek (met appendices Blanden, Haasrode, Vaalbeek en de kapel Steenbergen), Bossut (met de kapel Gottechain), Buken, Everberg, Grez, Hamme, Herent (met de kapel Oosterhem[16]), Heverlee, Holsbeek, Korbeek-Dijle, Korbeek-Lo, Kortrijk-Dutsel, Leefdaal, Linden, Lovenjoel, Lubbeek, Meerbeek, Neerijse, Nethen, Nodebais, Ottenburg, Oud-Heverlee, Pellenberg, Rotselaar, Sint-Agatha-Rode, Sint-Joris-Weert, Sint-Joris-Winge, Sint-Pieters-Rode, Sint-Verone (met appendix Egenhoven), Tildonk[17], Veltem, Vossem, Wezemaal, Wilsele, Winksele.[18]

 

Kaart: het decanaat Leuven

 

Wijze van bewerking

 

Vooreerst hebben we al het beschikbare materiaal over de broederschappen in beide decanaten verzameld en stelden we een repertorium op. Hiervoor raadpleegden we voornamelijk de parochiearchieven in het Rijksarchief te Leuven. Verder bevond het archief van een aantal parochies zich in het Rijksarchief te Anderlecht. Tevens vonden we interessante aanvullingen in de parochiedossiers en andere archieven in het aartsbisschoppelijk archief in Mechelen. Daarnaast bevond heel wat archief zich ‘ter plaatse’. De edicten van Jozef II en andere archieven gevormd door de centrale instellingen tenslotte, bevonden zich in het Algemeen Rijksarchief in Brussel. Naast het archiefmateriaal verzamelden we gedrukte bronnen. Op basis van deze gegevens stelden we een repertorium samen.

Vervolgens kwam het er op aan, dit materiaal op een zinvolle wijze te ordenen. De voorliggende studie bestaat uit twee grote delen. In een algemeen gedeelte komen achtereenvolgens aan bod: de definitie, de oorsprong en de ontwikkeling van het broederschapswezen, het kerkelijke leven in het aartsbisdom Mechelen doorheen de Nieuwe Tijd, en de kerkelijke hervormingen van Jozef II en het Franse bewind. Tevens wordt op het einde van dit gedeelte de nodige aandacht geschonken aan de status quaestionis van het onderzoek. In het tweede grote luik worden de resultaten van het bronnenonderzoek verwerkt en wordt achtereenvolgens stilgestaan bij de bronnen, het ontstaan van de broederschappen, de interne organisatie, de leden, het financiële en materiële aspect, en de werking. Tot slot van dit tweede grote onderdeel wordt de afschaffing van de broederschappen, een eerste maal onder Jozef II en een tweede keer onder het Franse bewind, dieper uitgewerkt.

 

Belang en probleemstelling

 

Er zijn, zoals hierboven reeds werd aangehaald, voor ons land voor de studie van broederschappen in de Nieuwe Tijd nog geen synthese- of overzichtswerken verschenen die een algemeen (in)zicht bieden op het broederschapswezen. Wel is er voor enkele grote steden reeds belangrijk onderzoek verricht.[19] Deze studies bieden voor de stad in kwestie een mooie synthese, waardoor zij met de situatie in het buitenland vergeleken kunnen worden. Binnen het onderzoek naar het fenomeen broederschappen dient er echter wel een onderscheid gemaakt te worden tussen stad en platteland. Terwijl er in de Late Middeleeuwen reeds in de steden een grote variatie aan broederschappen binnen de verschillende vormen van verenigingsleven bestond, worden we nauwelijks ingelicht in welke mate de opgerichte broederschappen in de plattelandsparochies in de Nieuwe Tijd aansloten bij een oudere traditie.

 

Mogelijke vraagstellingen

 

Belangrijk voor dit onderzoek is om vooreerst te achterhalen wanneer juist een bepaalde broederschap gesticht of heropgericht werd. Het samenbrengen van al deze data kan interessante gegevens aan het licht brengen over het tijdsklimaat waarin deze broederschappen gesitueerd moeten worden. Eveneens zal er gekeken worden naar de relatie tussen de typologie van de broederschap en de periode waarin deze opgericht werd. Hierbij aansluitend is het voor het onderzoek ook belangrijk om te weten wie het initiatief tot de oprichting heeft genomen, evenals de reden(en) waarom juist een bepaald type broederschap opgericht werd. Kwam dit initiatief van één of enkele parochianen, van de pastoor, van de aartsbisschop of van een religieuze orde, of is de oprichting het gevolg en de voortzetting of heropleving van een reeds bestaande locale devotie?

Daarnaast zal er naar de organisatie van de broederschappen gekeken worden. Wie stond er aan het hoofd, was er een bestuur en hoe was dit dan juist samengesteld? Waaruit bestond de werking en taken van deze verschillende broederschappen? Daarbij wordt aandacht besteed aan hun plaats binnen de religieuze volkscultuur; zij vervulden immers een belangrijke socialiserende rol.

Tenslotte zullen wij ook aandacht hebben voor de impact van de tijdsomstandigheden op deze broederschappen. Zo zal nagegaan worden in hoeverre het concilie van Trente en daarbij aansluitend de katholieke hervorming het broederschapswezen heeft beïnvloed, of in welke mate aan de vooravond van de Nieuwste Tijd de broederschappen in Brabant de maatregelen van Jozef II en later van het Franse bewind hebben overleefd.

 

Toch moet men bij dit onderzoek naar het fenomeen ‘broederschappen’ in het achterhoofd houden, wat Michel Cloet ooit zo mooi formuleerde:

 

“Gebed, vertrouwen en een religieuze levenshouding zijn uiteindelijk strikt innerlijke aangelegenheden, en als zodanig niet te kwantificeren. De kerkhistoricus kan al bij al alleen oppervlakteverschijnselen opzoeken. Zijn studie zal noodzakelijkerwijze altijd diepgang missen en enigszins aan de kern van de zaak voorbijgaan. Het religieus beleven is al even ongrijpbaar als God zelf”.[20]

 

 

DEEL I: Het broederschapswezen in de Nederlanden

 

HOOFDSTUK I. Wat zijn broederschappen?

 

1.1 De plaats van broederschappen binnen het corporatiewezen

 

Reeds van in de Middeleeuwen bestonden er verschillende vormen van verenigingsleven. Hierbinnen namen ook de broederschappen een eigen plaats in. Deze verschillende corporatievormen zijn blijven doorbestaan tot in de Nieuwe Tijd en sommige zelfs tot op vandaag de dag.

 

Voor de studie van het corporatiewezen in de Zuidelijke Nederlanden sluiten wij aan bij de indeling die P. Trio uitgewerkt heeft. Eerst van al maakt hij voor onze gebieden een onderscheid tussen verenigingen waarvan het lidmaatschap als het ware verplicht was en verenigingen waarvan men op vrijwillige basis lid kon worden. Tot deze eerste groep worden de buurtschappen (gebaseerd op de woonplaats) en de beroepsorganisaties (afhankelijk van het beroep) gerekend. Tot de tweede groep behoren de schuttersgilden, de rederijkerskamers en de (religieuze) broederschappen.[21]

Deze voorstelling is echter een geschematiseerde weergave van de werkelijkheid. In realiteit was de situatie vaak veel minder duidelijk afgelijnd en bestonden er allerlei tussenvormen.[22] Sommige auteurs, zoals bijvoorbeeld Vauchez, zijn er daarom voorstander van om het onderscheid tussen deze verschillende corporatievormen te laten vervagen en ze onder één noemer te plaatsen.[23]

 

In deze verhandeling beperken wij ons uitsluitend tot de religieuze broederschappen.[24] Voor een goed begrip van het fenomeen ‘broederschap’ in de zin waarin wij de term in dit onderzoek gebruiken, dient een definitie geformuleerd te worden, die de juiste betekenis ervan duidelijk uitlegt en de religieuze broederschappen aflijnt van de overige corporatievormen.[25]

Ambachts- en koopliedengilden zijn ontstaan vanuit economische belangen.[26] Binnen de schuttersgilden en rederijkerskamers primeerde het sociaal-culturele belang.[27] De broederschappen die wij bestuderen, zijn daarentegen verenigingen waarbinnen het religieuze aspect domineerde. Bovendien hebben we hier te maken met de oudste universele corporatievorm.[28] Broederschappen werden met een religieuze bedoeling opgericht. Ook hun werking was volledig op het religieuze gefocust (de liturgische diensten, de zorg voor zieken en doden, bidden en de deelname aan processies stonden centraal). Overigens konden zowel leken als geestelijken er op een vrijwillige basis lid van worden, waardoor men op elk ogenblik uit het genootschap kon uittreden.[29] Broederschappen stonden in de regel voor alle lagen van de bevolking open.

Broederschappen worden algemeen door een dubbel doel gekenmerkt.[30] Zij hadden als kerkelijke instelling, zoals reeds gezegd, bovenal een religieuze werking. Hun eerste doelstelling hield de verering van God in. Dit verklaart het belang dat binnen broederschappen aan het gebed gehecht werd. Hierbij aansluitend moet het liefdadigheidswerk waarmee broederschappen zich inlieten, vermeld worden. Van de leden werd, zoals we onder meer uit de statuten van broederschappen kunnen aflezen, verwacht dat zij zouden instaan voor de zorg van zieke of overleden medeleden. Naar zieken moesten de leden het Heilig Sacrament, dat door kaarslicht begeleid werd, dragen. Wanneer een medelid overleden was, moesten alle leden aan de begrafenisplechtigheid deelnemen. Na de afscheidsviering stapte de broederschap in processie achter de kist. Op deze wijze werd een medelid tot bij zijn laatste rustplaats door de overige leden begeleid.

 Naast deze religieuze component vervulde een broederschap een belangrijke socialiserende rol. Als genootschap bracht zij bij bepaalde gelegenheden alle leden samen. We vermeldden zo juist de gemeenschappelijk zorg voor een overleden medelid. Maar er waren ook meer aangename momenten waarop de broederschap al haar leden verenigde, bijvoorbeeld op de jaarlijkse feestdag van de broederschap. Alle leden werden in de plechtige misviering verwacht. Nadien stapte de broederschap in vol ornaat in processie door de parochie. Deze feestdag kon met een gemeenschappelijke maaltijd afgesloten worden. De factor van ‘vereniging’ wordt ook geïllustreerd door het feit dat de door ons bestudeerde broederschappen zowel mannelijke als vrouwelijke leden en zowel kinderen als volwassenen binnen één genootschap samenbrachten.[31] Tevens verenigden broederschappen mensen van allerhande sociale afkomst, van arme boeren tot rijke edellieden.

 

1.2 De terminologie

 

Wanneer men het broederschapswezen bestudeert, zal men spoedig merken dat de gebruikte terminologie in de bronnen tot onduidelijkheid kan leiden.

 

De moeilijkheid die zich hierbij voordoet, is dat over de benaming van de verschillende vormen van verenigingsleven in de (latere) Middeleeuwen geen eenstemmigheid bestond. We kunnen in de bronnen onder meer de termen ‘gilde, ‘confrerie’, ‘religieuze, geestelijke of godsdienstige broederschap’, (‘con)fraterniteit’, (‘con)fraternitas’, ‘communitas’, ‘universitas’, ‘societas’, ‘sodaliteit’, ‘consortium’ en ‘kaland’ aantreffen.[32] Al deze verschillende termen worden in de bronnen op een onconsequente wijze door elkaar gehanteerd. Ook in de Nieuwe Tijd treft men, maar dan eerder sporadisch, nog enkele van deze middeleeuwse termen in de bronnen aan.

Een bijkomende moeilijkheid is dat de structuur van vele gilden sterk overeenstemde met deze van broederschappen. Ook binnen gilden kon het religieuze aspect sterk naar voren komen waardoor het onderscheid met religieuze broederschappen moeilijker te achterhalen wordt.

 

 

HOOFDSTUK II. De oorsprong en ontwikkeling van het broederschapswezen

 

2.1 De oorsprong en ‘vroege’ ontwikkeling van het fenomeen ‘broederschappen’

 

Tot op heden is er nog steeds geen eenduidig antwoord geformuleerd op de vraag wanneer het fenomeen (geestelijke) ‘broederschappen’ juist is ontstaan. Desalniettemin kunnen er een aantal gegevens samengebracht worden, die enkele belangrijke markeringen aanbrengen voor de oorsprong en ‘vroege’ ontwikkeling van het broederschapswezen.

 

In de klassieke oudheid bestonden er reeds verenigingen waarin de broederband centraal stond (in het Latijn werd een broederschap sodalicium genoemd) en de eerste christelijke gemeenschappen kenden eveneens deze broederschapsvorm.[33] Zowel het religieuze als het charitatieve aspect maakten van deze laatstgenoemde verenigingen een belangrijk onderdeel uit.[34] Wat later vinden we de Germaanse gilden terug die uit deze Romeinse Sodalicia ontstaan zouden kunnen zijn, daar hun organisatievorm hiermee sterke raakvlakken vertoonde (en waarbij ‘gilde’ het Germaanse woord voor broederschap is).[35]

In de 6de eeuw bestonden er reeds klerikale verbroederingen of conjurationes clericorum, die in de Karolingische Tijd omgevormd werden tot kalanden.[36] Kalanden waren verenigingen van geestelijken die zich met de zielzorg bezig hielden. De leden kwamen altijd op de eerste dag van de maand samen. We zien dergelijke genootschappen verschijnen vanaf de eerste helft van de 10de eeuw. Deze kalanden evolueerden geleidelijk aan tot volwaardige geestelijke broederschappen.[37]

Parallel met deze kalanden ontwikkelden zich de corporaties. Dit waren genootschappen waarbij bepaalde religieuze activiteiten primeerden, zoals het instaan voor het ‘licht’ in het algemeen (kaarsen, flambeeuwen) en de begeleiding met licht van onder meer de doden, de zorg voor de doden en de armen- en ziekenzorg.[38] Deze Karolingische verenigingen vertoonden sterke gelijkenissen met de laatmiddeleeuwse broederschappen.

Verbroederingen verbonden aan kloosters, abdijen, kapittels en kerken, hebben tot op zekere hoogte een belangrijke invloed uitgeoefend op de ontwikkeling van de broederschappen. Zij kunnen echter niet beschouwd worden als de voorlopers van de broederschappen die zich in de Late Middeleeuwen manifesteerden, maar wel veeleer als een gelijklopende ontwikkeling.[39]

 

2.2 Het broederschapwezen in de Late Middeleeuwen en het begin van de Nieuwe Tijd

 

Het broederschapswezen zou haar hoogtepunt gekend hebben in de 14de en 15de eeuw. Verscheidene auteurs zeggen daarenboven dat tegen het einde van de Middeleeuwen niet enkel in de steden, maar ook op het platteland bijna in elke parochie minstens één broederschap bestond.[40] Ons onderzoek heeft deze situatie vooralsnog niet kunnen bevestigen. Slechts voor een zeer beperkt aantal broederschappen kon een middeleeuwse oorsprong achterhaald worden. Ongetwijfeld bestonden er op het Brabantse platteland in de Middeleeuwen reeds heel wat broederschappen, maar is het bronnenmateriaal hiervan niet meer bewaard. Dit onderzoek heeft dan ook jammer genoeg niet kunnen aantonen in welke mate het broederschapswezen uit de Nieuwe Tijd bij oudere tradities aansloot. Een mogelijk bron waarin een antwoord op deze interessante vraag gevonden zou kunnen worden, zijn de kerkrekeningen.

Een andere mogelijkheid zou zijn dat in de Zuid-Nederlandse steden uit de latere Middeleeuwen een voorafspiegeling terug te vinden was van het broederschapwezen dat zich mutatis mutandis in de loop van de Nieuwe Tijd ook in de meeste parochies op het Brabantse platteland zou ontwikkelen.

In het begin van de Nieuwe Tijd maakte het broederschapswezen in Frankrijk een heel moeilijke periode door, onder meer door de striktere controle van de kerkelijke en wereldlijke overheid als ook door de vijandigheid van de protestanten. Een groot aantal broederschappen werd in deze periode in Frankrijk opgeheven. Maar dit was slechts een korte neergaande fase; het concilie van Trente zou in het midden van de 16de eeuw opnieuw een sterke impuls geven aan de broederschappen die ingeschakeld werden in de politiek van herchristianisering.[41]

 

 

HOOFDSTUK III. Het kerkelijke leven in het aartsbisdom Mechelen doorheen de Nieuwe Tijd

 

In dit hoofdstuk bieden we een korte schets van het kerkelijke leven in het aartsbisdom Mechelen in de Nieuwe Tijd. Dit vormde de context waarbinnen de bestudeerde broederschappen geïnterpreteerd dienen te worden.

 

3.1 De katholieke hervorming

 

De Contrareformatie was een ontwikkeling die algemeen in de tweede helft van de 16de eeuw gesitueerd wordt en gekenmerkt wordt door een ‘negatieve’ reactie van kerkelijk en wereldlijk gezag tegen het sterk opkomende protestantisme. Daarnaast begon er zich ook de ‘katholieke hervorming’ af te lijnen: tegen de achtergrond van het rijzende protestantisme, wilde de Kerk ook inwendig een grondige schoonmaak en reorganisatie doorvoeren. Bij deze ‘positieve’ doelstelling zorgde het Concilie van Trente, dat plaatsvond tussen 1545 en 1563, voor een belangrijke wending.

Gedurende deze hervorming kon de Katholieke Kerk met momenten rekenen op de steun en medewerking van het wereldlijke gezag. Zo kon de katholieke hervorming zich, nadat zij een moeilijke beginperiode had doorgemaakt, definitief op gang trekken door toedoen van Alexander Farnese, door Filips II in 1578 tot landvoogd van de Nederlanden benoemd, die de opstandige Brabantse steden opnieuw wist in te palmen.[42]

Deze katholieke hervorming mag niet als een kortstondig fenomeen beschouwd worden. Integendeel, het was een beweging die zich in de zeventiende en achttiende eeuw zou verder zetten.

 

3.2 De zeventiende eeuw

 

Het Twaalfjarig Bestand zorgde er voor dat er in de periode tussen 1609 en 1621 een adempauze kwam, waardoor onder meer de kerkgebouwen hersteld of heropgebouwd konden worden.[43] Door de Beeldenstorm en de talrijke militaire operaties waren vele kerken zwaar beschadigd of volledig verwoest. Maar ook vele huizen hadden onder de militaire campagnes schade opgelopen of waren zelfs volledig vernield. De bewoners van deze getroffen dorpen hadden er, indien het kerkgebouw nog overeind gebleven was, in de loop van die woelige 16de eeuw vaak met heel hun hebben en houden hun toevlucht gezocht.

Een belangrijk gegeven in het herstel van het religieuze leven was de aanwezigheid van een priester.[44] In tegenstelling tot de steden, ontstond er op het einde van de 16de eeuw op het platteland een tekort aan priesters. Hierdoor moesten de gelovigen zich vaak een heel eind naar een naburig dorp verplaatsen waar er wel een priester was, wilden zij een mis kunnen bijwonen, of een stervende zijn laatste sacramenten laten toedienen. Zowat de helft van de laat 16de-eeuwse parochies had geen pastoor, maar gedurende en na het Twaalfjarig Bestand is deze situatie grotendeels aangepast, onder meer door regulieren aan te stellen en door verschillende parochies onder de leiding van één priester te plaatsen. Daarnaast werd er ook door de geestelijke overheid ingegrepen omdat er regelmatig klachten waren van parochianen over hun pastoor (drankmisbruik, gewelddadig optreden).

De kerkelijke overheid streefde er naar om in elke parochie één zondagsmis te laten plaatsvinden.[45] Daarnaast probeerde men op het platteland in de loop van de 17de eeuw het aantal misvieringen te doen toenemen. Zo werden er ook missen opgedragen in (nieuw gebouwde) kapellen van kleinere gehuchten en werden er onderpastoors aangesteld. Werd dit doel niet bereikt, dan werd er toch getracht om minstens over één vroegmislezer te beschikken. Ook ging de kerkelijke overheid stilaan maatregelen treffen om de misvieringen zelf op te waarderen. Stoelen of banken waren nauwelijks of niet aanwezig in het kerkgebouw, en gezien de lengte van de toenmalige missen valt het licht te begrijpen dat dit voor de gelovigen alles behalve comfortabel moet geweest zijn. Daarenboven bestond er een grote afstand tussen de priester en het volk. De priester deed de mis met zijn rug naar het volk en bovendien in het Latijn, een taal die voor de gewone man of vrouw ongekend was. Om de vieringen voor de aanwezigen aantrekkelijker te maken, werden er in de loop van de zeventiende eeuw veranderingen in het kerkgebouw doorgevoerd om het comfort en de zichtbaarheid voor de kerkgangers te vergoten.

Ook de vespers en het lof waren diensten waarmee zon- en feestdagen op een religieuze wijze ingevuld werden.[46] Zij werden door de bisschop aan de pastoor opgelegd. Ten gevolge van het grote priestertekort werden er op vele plaatsen geen vespers of lof gezongen. Bovendien lieten vele pastoors hun ontevredenheid over dit nieuwe voorschrift weerklinken bij de aartsbisschop van Mechelen. Pas in de loop van de tweede helft van de 17de eeuw zou er aan deze eis in de meeste parochies voldaan worden.

Een belangrijke taak, die meestal toevertrouwd werd aan de onderpastoor, bestond er in om aan de gelovige massa catechismusonderricht te verstrekken.[47] Er vloeide echter nog heel wat water naar zee alvorens dergelijk onderricht in nagenoeg alle plattelandsparochies in zekere mate verschaft werd. Zowel de pastoor als de kinderen probeerden zich in het begin van de 17de eeuw hieraan te onttrekken. Onderzoek toont dan ook aan dat er in het algemeen in het hertogdom Brabant op het platteland pas vanaf ca. 1630 systematisch catechismusonderricht gegeven werd.[48]

Naar het einde van de 16de eeuw toe en in de loop van de 17de eeuw werden opnieuw her en der broederschappen opgericht.[49] Deze beweging kwam eerst voor in de steden. Broederschappen werden gezien als een krachtig wapen van de katholieke hervorming omdat zij de devotie bij de gewone leken sterk aanwakkerden en bovendien een heel breed publiek bereikten. Met deze bedoeling werden er vanaf de tweede helft van de 17de eeuw onder impuls van de geestelijke overheid in toenemende mate ook broederschappen op het platteland opgericht. Zo werd reeds aangetoond dat binnen de rurale parochies van het bisdom Antwerpen er vooral vanaf ca. 1640 broederschappen werden opgericht.[50]

Terloops willen we ook wijzen op het belang van de biecht en de communie.[51] Sinds het vierde concilie van Lateranen in 1215 diende ieder christen gelovige één maal per jaar te biechten en te communie gaan, meer bepaald met Pasen. Het was de gewoonte onder het gelovige volk dat men niet te communie ging alvorens gebiecht te hebben. Nagenoeg iedereen trachtte zich aan zijn paasplicht te houden, omdat men anders door de sterke sociale controle door de rest van de parochie met de vinger gewezen werd. Hierbij aansluitend kan de gewone devotiecommunie vermeld worden.[52] De kerkelijke overheid verwachtte van het gelovige volk dat het minstens drie maal per jaar te communie zou gaan. Doorheen de 17de eeuw nam het aantal gelovigen dat op kerkelijke hoogdagen als Pinksteren, Allerheiligen en Kerstmis te communie ging, steeds meer toe. M. Cloet wijst er op dat de broederschappen die vanaf 1640 in vele parochies opgericht werden, er hebben toe bijgedragen dat een groot aantal gelovigen maandelijks te biechten en te communie ging, daar de statuten van deze verenigingen hun leden hiertoe verplichtten.[53]

 

3.3 De achttiende eeuw

 

In de 18de eeuw bestonden er vele goedwerkende kerkelijke structuren, die voor een strakke omkadering van de gelovigen zorgden. Zo werden er in bijna alle dorpen minstens twee zondagsmissen gevierd en werden er in de namiddag de vespers gezongen en was er daarbij aansluitend het lof. De trend van broederschapsstichtingen uit de 17de eeuw zette zich in de 18de eeuw in nog sterkere mate door. Bedevaartsoorden bleven een groot aantal gelovigen lokken. Binnen deze context wonnen relieken eveneens enorm aan belang. Daarom werden er door vele priesters en leken ook grote inspanningen geleverd om relieken te bemachtigen.[54]

Het priestertekort waaronder de 17de eeuw te lijden had, werd in de 18de eeuw volledig weggewerkt. Hierdoor konden nu ook dunbevolkte parochies beroep doen op een pastoor. Op een bepaald moment was er zelfs een overschot aan priesters ontstaan. Bovendien werden klachten over pastoors eerder uitzondering dan regel. Vele priesters konden in de 18de-eeuwse plattelandsparochies rekenen op de hulp van een onderpastoor. Terwijl er in de 17de eeuw slechts één onderpastoor beschikbaar was per 1000 communicanten, daalde dit getal in de 18de eeuw tot 600.[55]

De gelovigen moeten ook in de 18de eeuw de misvieringen op een heel passieve manier bijgewoond hebben.[56] De diensten werden nog steeds in het Latijn gehouden en de kloof tussen het volk en de priester bleef grotendeels behouden. Slechts aan enkele gebeden en aan de offergang konden de gelovigen op een actieve manier deelnemen. Bovendien kwamen er veel meer kerkgangers naar de vroegmis dan naar de hoogmis vermits deze laatste veel langer duurde. Langzamerhand zouden er stemmen opgaan om het comfort wat aan te passen.

Het catechismusonderricht dat aan de kinderen gegeven werd, ging meestal door op zondagmiddag. Het was in de 18de eeuw beter georganiseerd dan de eeuw voordien en er werd meer aandacht besteed aan de voorbereiding op de eerste communie. Op het platteland ging het catechismusonderricht slechts enkele maanden per jaar door. Dit vond meestal plaats tijdens de wintermaanden, doordat er dan het minste werk verricht moest worden op het land.

Het verzuim van de paasplicht kwam ook in de 18de eeuw zelden voor.[57] Het is pas tegen het einde van die eeuw dat in de steeds groter wordende steden het paas-verzuim begon toe te nemen, daar de controle hierop steeds moeilijker werd door het toenemende bewonersaantal. Aan diegenen die zich omwille van ziekte niet meer naar de kerk konden verplaatsen, kwam de pastoor, begeleid door licht, thuis de communie brengen. M. Cloet wijst hierbij op de rol van de broederschappen: zoals in de 17de eeuw de toename van het aantal broederschappen leidde tot een toename in het communiceren, zo zouden in de 18de eeuw de veelvuldig opgerichte sacramentsbroederschappen en andere broederschappen geleid hebben tot een toenemend maandelijks communiceren.[58]

In de 17de en 18de eeuw tenslotte was het werkverbod op zon– en feestdagen een heikel punt bij de gelovige massa.[59] De commentaren hierop die R. Van Kiel, deken van het decanaat Leuven, in zijn zeer uitgebreid visitatieverslag (1732-1734) neerschreef, spreken voor zich. Het zou duren tot het jaar 1751 alvorens hier enige verandering in kwam. In dat jaar liet paus Benedictus XIV toe dat er op zestien van de dertig feestdagen gewerkt werd. Ondanks deze aanpassing bleef de verplichting om de mis op deze dagen bij te wonen, gehandhaafd. Paus Clemens XIV zou in 1771 ook deze laatste verplichting opheffen. Langs deze weg van toegevingen hoopte de Kerk dat de gelovigen respectvoller zouden staan ten opzichte van de overige feestdagen.

 

3.4 De kerkelijke hervormingen van de ‘keizer-koster’

 

De kerkpolitiek die Jozef II wilde doordrukken, ging uit van een versterking van het centrale gezag. Wenen zou de touwtjes nog veel strakker in handen gaan nemen. De Kerk was voortaan volledig ondergeschikt aan en stond zelfs in dienst van de Staat. De vorst eigende zich het recht toe om tussen te komen in kerkelijke aangelegenheden. Tegen deze achtergrond werden er door Jozef II, smalend de ‘keizer-koster’ genoemd, verschillende hervormingsmaatregelen getroffen. Een aantal keizerlijke maatregelen verdient binnen het kader van dit onderzoek specifieke aandacht.

 

Op 12 november vaardigde Jozef II voor de Oostenrijkse Nederlanden het tolerantie-edict uit.[60] Dit had voor het Brabantse platteland echter geen noemenswaardige gevolgen; het was voornamelijk in de steden Brussel en Antwerpen dat men protestanten aantrof. Vanuit klerikale hoek rees fel protest tegen het tolerantie-edict dat, naar de mening van de tegenstanders, het absolute katholieke karakter dat onze gewesten sinds de 16de eeuw kenmerkte, teniet deed.

Op 28 september 1784 werd een edict afgekondigd dat het burgerlijke huwelijk invoerde.[61] Voordien had de Kerk een quasi monopolie inzake de huwelijkswetgeving. Nu werd haar rol in deze aangelegenheden teruggeschroefd.

De oprichting van het Seminarie-Generaal te Leuven was een gevolg van een edict dat door Jozef II afgekondigd werd op 16 oktober 1786.[62] In de ogen van de keizer was er een grote nood aan een grondige hervorming van de opleiding van priesters. Daarom werden de studiehuizen van reguliere orden alsook de bisschoppelijke seminaries afgeschaft. Het Seminarie-Generaal verving deze afgeschafte instellingen en vormde voortaan het enige opleidingscentrum voor clerici uit het hele land. In de ogen van de keizer was de enige taak waarmee priesters zich dienden bezig te houden, de zielzorg. Het opleidingsprogramma dat aan het Seminarie-Generaal aangeboden werd, focuste dan ook volledig daarop.

Ook het aantal processies werd drastisch verminderd.[63] De meeste parochies hielden minstens drie grote processies per jaar, te weten op sacramentsdag, op het kerkwijdingsfeest en op het patroonsfeest van de parochie. Daarnaast kon er bijvoorbeeld ook jaarlijks een processie uitgaan ter ere van de oprichting van de broederschap. Tenslotte bestonden er op vele plaatsen ook maandelijkse en veertiendaagse ‘ommegangen’. Dit waren kleine processies rond de kerk en het kerkhof, of in het kerkgebouw zelf, al naar gelang het weer dit toeliet. Om aan deze veelheid aan processies en ommegangen een einde te maken, vaardigde Jozef II op 10 mei 1786 een edict uit, dat inhield dat er buiten de kruisdagen – dit zijn de maandag, dinsdag en woensdag vóór Hemelvaart als boete- en smeekdagen voor een goede oogst[64] – nog slechts één processie op sacramentsdag en nog één op een dag die door de bisschop bepaald werd, mocht plaatshebben. De smeekprocessies bleven echter nog wel toegelaten.

Tussen 1783 en 1787 schafte de keizer in de Zuidelijke Nederlanden alle contemplatieve orden, door hem ‘onnuttige’ kloosters genoemd, af.[65] Hun goederen werden verkocht en de inkomsten die hieruit voortvloeiden, kwamen terecht in de Religiekas. Voor ons onderzoeksgebied kunnen we vermelden: te Heverlee de ziekenzusters van Terbank en de celestijnen, te Herent het klooster van Bethlehem, en in het Zoniënwoud de priorijen van het Roodklooster, Groenendaal en Zevenborren. Maar de afschaffing van deze kloosters bracht echter weinig financiële voordelen met zich: er ontstond zelfs een nieuwe schuldenlast, onder meer door de uitbetaling van de pensioenen aan de ex-religieuzen.[66]

Van groot belang voor ons onderzoek is de afschaffing van de broederschappen die Jozef II doorvoerde. In Oostenrijk was hij hiermee reeds in 1783 begonnen.[67] Voor onze gebieden vaardigde Jozef II twee edicten uit die betrekking hadden op het broederschapswezen.

 

Op 2 juli 1783[68] liet de keizer een edict uitvaardigen dat onder meer betrekking had op de broederschappen van de H. Drievuldigheid. Dergelijke broederschappen zamelden geld in om christenen die in het buitenland als slaven gevangen zaten, vrij te kopen. In de ogen van de keizer, die reeds in een edict van 17 maart van datzelfde jaar de gelijknamige kloosters had afgeschaft, maakten deze drievuldigheidsbroederschappen heel wat misbruik van hun positie. Met dit edict wilde Jozef II erop toezien dat hun inkomsten opnieuw besteed zouden worden aan de vrijkoping van slaven.

 

Omwille van het grote belang van deze tekst, overlopen we de 7 artikels die we in het edict aantreffen, in detail.

Het tweede keizerlijke edict rakende de broederschappen dateert van 8 april 1786.[69] Het houdt de afschaffing in van alle broederschappen die vervangen worden door één Broederschap van de Werkzame Naastenliefde. Net zoals in zijn hele religieuze politiek wil Jozef II ook in deze materie een uitzuivering doorvoeren. De keizer stipt aan dat de oorspronkelijke taken van broederschappen inhielden dat deze verenigingen instonden voor de armen en de zieken, voor de gevangenen en voor het onderricht van de jeugd. Daartegenover heeft er zich, naar de woorden van Jozef II, een wildgroei aan broederschappen voorgedaan, die bovendien zijn afgedwaald van hun oorspronkelijk doel.

In het edict treffen we na de inleiding de volgende 16 artikels aan.

 

3.5 Onder het Frans Bewind[70]

 

Op het einde van het jaar 1792 vielen de Fransen de Nederlanden binnen, maar enkele maanden nadien konden de Oostenrijkers weer de bovenhand nemen. Zij konden echter niet voorkomen dat in 1794 de Fransen onze gebieden definitief wisten in te palmen; er stonden de Brabantse bevolking enkele harde jaren te wachten. Bovendien werd ons land administratief hervormd. Er werden 9 departementen in het leven geroepen, die bij Frankrijk werden geannexeerd.

Ook de Kerk kreeg zware klappen onder het Franse bewind kreeg. In 1796 verboden de Fransen alle uitwendige tekenen van godsdienstigheid zoals klokkengelui, kruisen en heiligenbeelden, of processies op de openbare weg. Op 1 oktober 1795 schafte het Directoire alle reguliere congregaties en orden af. Hun bezittingen werden door de Franse overheid in beslag genomen. De enige uitzondering op deze regel vormden de vrouwelijke kloostergemeenschappen die actief waren op het terrein van het onderwijs en de ziekenzorg.[71] Op 25 november 1797 werden tevens alle actieve congregaties opgeheven.[72] Vanaf september 1797 werd de clerus verplicht een eed van haat aan de monarchie en een eed van trouw aan de republiek af te leggen. De toenmalige Mechelse aartsbisschop de Franckenberg weigerde dit echter en werd hiervoor gedeporteerd. Vele priesters uit het departement van de Dijle volgden zijn voorbeeld.

Het zou wachten zijn tot het concordaat van 1801 tussen Napoleon en de Kerk alvorens de situatie opnieuw beter zou worden.

 

 

HOOFDSTUK IV. Status quaestionis van het onderzoek

 

Voordat we tot het eigenlijke onderzoek overgaan, moet eerst nog gewezen worden op een aantal werken die een belangrijke bijdrage geleverd hebben tot de studie van het broederschapswezen.

 

4.1 Algemeen

 

De studie van het broederschapswezen in de decanaten Brussel-Oost en Leuven moet ruimer gezien worden dan enkel en alleen maar onderzoek naar een onderdeel van de ‘Brabantse folklore’. Wij trachten bovenal een bijdrage te leveren tot het inzicht in het leven van de ‘gewone man’. Op kerkhistorisch vlak werd deze trend ruim een halve eeuw geleden ingezet door de Franse historicus Gabriël Le Bras.[73] Bij ons is de grote wegberijder van dit type religieuze geschiedenis ongetwijfeld Michel Cloet geweest.[74]

 

In Frankrijk wordt al geruime tijd aandacht besteed aan de studie van het broederschapswezen. Een oudere studie die het corporatiewezen in Noord-Frankrijk behandelt, is van de hand van G. Espinas.[75] We vermelden dit werk omdat het tot op vandaag de dag omwille van de vele statuten die de auteur er in heeft uitgegeven, nog steeds heel nuttig is. Voor de Middeleeuwen is C. Vincent (samen met A. Vauchez) de historica bij uitstek. Zij behandelt voornamelijk het broederschapswezen in de regio Normandië in de Late Middeleeuwen.[76] Voor het recentere onderzoek van het corporatiewezen (en in het bijzonder de broederschappen) in Frankrijk tijdens het Oude Regime, moet zeker het werk van de historica A.-M. Gutton er op nageslagen worden.[77]

 Voor Duitsland is er in 1975 door G. Löffler een zeer interessante studie verschenen over de gebruiken in broederschappen, gilden en buurtschappen in Westfalen en omstreken van de Late Middeleeuwen tot eind 19de eeuw bij het overlijden van medeleden.[78] Dit werk mag hier zeker vermeld worden omdat de gebruiken, die hier aan de hand van een groot aantal voorbeelden uit bronnen beschreven worden, waarschijnlijk in zekere mate ook op het broederschapswezen in de Nederlanden van toepassing waren.

Ondanks er bijvoorbeeld over het broederschapswezen in Italië en Spanje reeds heel wat gepubliceerd is, worden deze werken buiten beschouwing gelaten omdat zij stedelijke broederschappen betreffen. Bovendien kende het broederschapswezen in Italië, evenals in Zuid-Frankrijk, een heel eigen ontwikkeling.[79] Een bijkomend probleem is dat in studies uit andere landen vaak een andere (afwijkende) terminologie gebruikt wordt en dat er niet altijd een even duidelijk onderscheid gemaakt wordt tussen de verschillende types corporaties.[80]

 

De toenemende belangstelling voor de studie van broederschappen naar het einde van de 20ste eeuw toe, leidde in 1989 onder meer tot de oprichting van een vereniging van historici aan de Universiteit van Toronto te Canada. Deze Society for Confraternity Studies organiseert zelf congressen en neemt deel aan conferenties waarop het thema ‘broederschappen’ behandeld worden. Ook publiceert de vereniging een tweejaarlijks tijdschrift Confraternitas en verzamelt zij allerhande publicaties omtrent het broederschapswezen. In de Confraternities Collection (Centre for Reformation and Renaissance Studies te Toronto) worden de boeken en offprints die de vereniging verkregen heeft, bewaard. Bovendien worden alle ontvangen stukken opgenomen in de rubriek ‘Books Received’ in het tweejaarlijkse bulletin.[81]

 

4.2 De Nederlanden

 

Voor het broederschapswezen in de Noordelijke Nederlanden werd er heel wat onderzoek verricht door C. I. Kruisheer.[82] Ook Van Rensch, die de stad Maastricht voor zijn rekening nam, moet hier zeker vermeld worden.[83] In Hemelse trektochten bestudeert hij het broederschapswezen te Maastricht van het begin van de 15de eeuw tot 1850. Het werk is echter per type broederschap ingedeeld. Eerst van al bespreekt de auteur broederschappen die in de verschillende kerken van de stad bestonden, vervolgens komen de broederschappen bij religieuze orden aan bod, en tenslotte de broederschappen in kapellen en gasthuizen. Per broederschap bespreekt de auteur een aantal thema’s zoals de werking en het bestuur. In het werk zijn ook heel wat interessante afbeeldingen opgenomen van zowel documenten als materiële voorwerpen.

Er zijn in het verleden ook reeds een aantal belangrijke publicaties verschenen waarin de studie van het fenomeen ‘broederschappen’ in de steden van de Zuidelijke Nederlanden het uitgangspunt vormde. Toch blijven zij in aantal beperkt. Op de eerste plaats vermelden wij hier P. Trio. Zijn kwalitatief zeer hoogstaand onderzoek spitst zich onder meer toe op het middeleeuwse broederschapswezen in de stad Gent.[84] Dit vormt het basiswerk waarvan iedereen die het fenomeen broederschappen voor de Zuidelijke Nederlanden wil bestuderen, zou moeten vertrekken. Het werk is immers veel meer dan louter een opsomming van gegevens over broederschappen te Gent. Volksreligie als spiegel van een stedelijke samenleving bestaat uit twee grote delen. Terwijl in het tweede deel de Gentse broederschappen bestudeerd worden, wordt in het eerste meer algemeen gedeelte de terminologie en de ontwikkeling van het broederschapswezen uitvoerig besproken. Vooral het onderscheid tussen religieuze broederschappen en andere confrérieën is hier belangrijk.[85] In het tweede luik wordt op een zeer systematische wijze het broederschapswezen te Gent in de diepte uitgewerkt. Achtereenvolgens komen de bronnen, het ontstaan, het beheer, het lidmaatschap, het financiële aspect, de werking en de verhouding ten opzichte van het kerkelijk en wereldlijk gezag aan bod.

 Ander, maar kwalitatief minder hoogstaand, onderzoek van een aantal Gentse broederschappen werd verricht in 1969 in een eindverhandeling van de hand van M. Van Kerrebroeck.[86] M.-T. Claessens onderzocht het broederschapswezen in Antwerpen van de 14de tot het einde van de 16de eeuw.[87] Door H. Defoort werd in 1983 een eindverhandeling ingediend waarin voor de 17de en 18de eeuw de broederschappen aan de Sint-Maartenskerk te Kortrijk bestudeerd werden.[88]

 Naast dit onderzoek dat zich voornamelijk op één stad concentreert zijn er een aantal studies verschenen die zich beperken tot het onderzoeken van slechts één broederschap.[89] Verder zijn er ook een hele reeks korte bijdragen in onder meer heemkundige tijdschriften en dorpsgeschiedenissen verschenen.

 Recent en hoogstaand onderzoek voor een groter gebied werd verricht door Ph. Desmette, in het bijzonder voor de broederschappen in de diocesen Kamerijk en Doornik.[90] Hij gaat de tussenkomst van Rome in het broederschapswezen na. In zijn werk maakt de auteur een onderscheid tussen verschillende types oorkonden die door Rome met betrekking tot de broederschappen in zijn onderzoeksgebied uitgevaardigd werden. Specifiek gaat zijn aandacht uit naar aflaten en aflaatbrieven (in het bijzonder de breven ad perpetuam). Ook de procedure die een broederschap moest doorlopen om van Rome aflaten toegekend te krijgen, wordt besproken. Daarnaast biedt de auteur een indeling van de verschillende types van broederschappen aan wanneer hij de patronage van al die broederschappen nagaat: de heiligen, Christus, Maria en ‘de dood’.

 

Tenslotte vermelden wij ook nog (specifiek voor ons onderzoeksgebied) de heel nuttige bronnenuitgave van het decanaal visitatieverslag van deken Van Kiel van het decanaat Leuven tussen 1732 en 1734, uitgegeven door M. Cloet in 1990.[91]

 

Uit dit overzicht blijkt overduidelijk het gebrek aan een synthesewerk over de broederschappen in de vroegmoderne Zuidelijke Nederlanden, zeker voor wat het platteland betreft. In die zin willen wij met ons werk een aanzet geven om ook aandacht te besteden aan het broederschapswezen op het platteland.

 

 

Deel II: de broederschappen in midden-Brabant

 

HOOFDSTUK I. De bronnen

 

Broederschappen hebben ons velerlei soorten bronnen nagelaten. Zij bieden de historicus verscheidene mogelijkheden om het broederschapswezen te reconstrueren, ware het niet dat jammer genoeg veel van dit bronnenmateriaal slechts heel fragmentarisch tot ons gekomen is. Wat hieronder volgt, is een korte en algemene bespreking van de verschillende types bronnen die bij de studie van het fenomeen broederschappen van belang kunnen zijn.

 

1.1 Statuten en reglementen

 

Een eerste voorname bron zijn de statuten en reglementen van broederschappen. Deze normatieve bronnen kunnen de onderzoeker een inzicht geven in de organisatie en werking van de broederschap: de manier waarop het bestuur verkozen en georganiseerd werd en welke de toetredingsvoorwaarden en andere verplichtingen waaraan de leden zich dienden te houden, waren.[92]

Statuten waren niet noodzakelijk van bij de oprichting tot aan het verval van de broederschap hieraan verbonden. Een broederschap kon haar oudere statuten hernieuwen of vervangen door nieuwe om op deze manier veranderingen door te voeren of om gebruiken die al jaren plaats vonden, te wettigen.