Brigandage en banditisme in het Scheldedepartement gedurende de Franse tijd. (1795-1814). (Eva Van Boxelaer)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel II: Brigandage en banditisme in het Scheldedepartement.

 

Inleiding.

 

In het vorige deel heb ik een overzicht gegeven van de factoren die een beïnvloedende rol gespeeld hebben op de ontwikkeling van het banditisme in de periode 1795 – 1796. In dit deel ga ik de casus van het banditisme in het Scheldedepartement verder uitwerken aan de hand van de bevindingen uit het bronnenonderzoek. Maar alvorens in te gaan op de concrete situatie in het Scheldedepartement, wil ik eerst een ruimer kader bieden door een overzicht te brengen van het banditisme in de buurlanden en de rest van de toenmalige Zuidelijke Nederlanden.

In een eerste hoofdstuk van dit deel zal gepoogd worden een definitie te geven van de kernbegrippen brigandage en banditisme en zal dieper ingegaan worden op de verschillende soorten, de fluctuaties en hoe het banditisme in het strafrecht uit de Franse tijd werd benaderd.

Het tweede hoofdstuk staat in het teken van de brigandage in Nederland, Frankrijk, Duitsland en de Zuidelijke Nederlanden. Voor Nederland gaat mijn aandacht uit naar de Grote Nederlandse Bende, die ook in de Zuidelijke Nederlanden actief is geweest. Het werk van Florike Egmond zal hier mijn voornaamste bron zijn. De situatie in Frankrijk wordt eerst algemeen benaderd waarna enkele bendes, zoals de bende van Salembier, kort aan bod komen. Voor Duitsland zal de situatie in het Noordelijk Rijnland besproken worden. Tenslotte ga ik dieper in op de situatie in de Zuidelijke Nederlanden waarbij het banditisme in het Leie- en Dijledepartement een speciale aandacht krijgt. De bende van Bakelandt en Charles de Loupoigne worden hier kort besproken.

In het derde hoofdstuk komt het overzicht van het banditisme in het Scheldedepartement voor de periode 1795 – 1814 centraal te staan. In een eerste alinea wordt het literatuuronderzoek besproken. In welke mate is er reeds geschreven over bendecriminaliteit in Oost-Vlaanderen? Welke benden hebben echt bestaan en welke zijn gebaseerd op een legende? De tweede alinea staat in het teken van het bronnenonderzoek. Eerst wordt een overzicht gegeven van de gebruikte bronnen en welke informatie uit welke bron komt. Daarna komt een overzicht van het aantal bendes per jaar aan bod en hoe we dit moeten beoordelen. Tenslotte wordt een sociaal-economisch beeld gegeven van de benden, waarbij er aandacht besteed wordt aan de misdaden begaan door bendes en aan de straffen die de bendeleden werden opgelegd. Ook het verloop en de buit van de misdaad komen aan bod. Een laatste aandachtspunt is een analyse van de ondervragingen.

Tenslotte wordt dit deel beëindigd met een confrontatie tussen de literatuur en de resultaten van het bronnenonderzoek.

 

 

1. Brigandage en banditisme: definitie en situering.

 

1.1. Definitie.

 

Twee begrippen vereisen een korte toelichting in het kader van dit onderwerp. In de probleemstelling is er reeds een korte omschrijving gegeven van wat men onder banditisme en brigandage moet verstaan. Nu zullen deze definities verder uitgebreid worden. Het woord banditisme houdt in zijn betekenis de kern van mijn onderzoek in. ‘Brigandage’ of brigand zijn twee woorden die vrij veel voorkomen in de bronnen om misdadigers en hun praktijken aan te duiden.

Het woord ‘banditisme’ heeft haar oorsprong in de Franse taal en draagt volgens het woordenboek twee betekenissen. Bij de eerste betekenis is banditisme een synoniem voor struikroverij en kunnen we het omschrijven als het optreden van bandieten. De tweede betekenis is een synoniem voor het bandietwezen en dan slaat het begrip op de georganiseerde misdaad[1]. In dit werk wordt ‘banditisme’ in haar eerste betekenis gebruikt: het optreden van bandieten. Als we de term ontleden kunnen we de Franse woorden bande en bandit onderscheiden. Bande verwijst naar bende en bandit wordt gebruikt om dieven, rovers, e.d aan te duiden. Deze twee woorden werden ook in de bronnen vaak gebruikt om te duiden dat het om een bendeactiviteit ging.

Banditisme staat dus voor het optreden van bandieten in groepsverband d.w.z de misdaad wordt begaan door meer dan één persoon. Zoals reeds in de probleemstelling werd opgemerkt, is er voor het bronnenonderzoek een criterium van vijf personen gehanteerd om aan te nemen dat het om een bende gaat. Dit criterium is natuurlijk subjectief en daardoor niet sluitend. Een kenmerk van groepscriminaliteit is dat deze vorm van criminaliteit meestal gericht is op het geldelijk gewin om in het eigen levensonderhoud te voorzien. Niet-geldelijke effecten werden meestal verkocht of verruild waarna de opbrengst voor eigen consumptie was bedoeld. Toch was het geen algemene regel om het buitgemaakte geld voor immorele doeleinden te gebruiken. De groep bezat de bereidheid tot het gebruiken van geweld maar dit was niet noodzakelijk. De misdrijven werden gepleegd met het oogmerk om voor een onbepaalde tijd samen te blijven. De groep bezat vaak een zekere structuur: een leider en de leden die zorgden voor de uitvoering van het misdrijf. Maar het is zeker niet noodzakelijk dat er een leider is. Familiale en andere banden zorgden ook vaak voor de samenhang binnen een bende. Ze waren met meerdere personen omdat ze dan een grotere buit konden meedragen en om zich beter te kunnen verdedigen bij betrapping door politie of door een slachtoffer[2]. Kenmerkend voor deze misdadigheid is het groot aantal straatovervallen en diefstallen al dan niet met geweldpleging en/of inbraak. Moordaanslagen werden zelden gepleegd. Maar bedreigingen van allerlei aard en knevel- en folterpraktijken waren een efficiënt middel om de slachtoffers te doen spreken[3].

Een tweede begrip dat hier een korte toelichting verdient, is de term ‘brigandage’. Brigandage is afkomstig uit het Frans en betekende in de Franse tijd gewoonweg in groep de orde verstoren. Het is pas door Hippolyte Taine, een conservatieve historicus van de Franse Revolutie, dat het woord ‘brigand’ een nieuw leven is gaan leiden. ‘Brigand’ kreeg voortaan de betekenis van ‘struikrover’ en werd geassocieerd met kleine beroepscriminelen en ander gemeen volk[4]. Uit de bronnen blijkt dat de term voornamelijk geassocieerd werd met vormen van banditisme. Misdaden van een simpele diefstal tot moord werden in de Franse Tijd vaak begaan door groepjes beroepscriminelen of bandieten die zich na een dergelijk misdrijf verborgen of zich schuilhielden om een tijdje later opnieuw toe te slaan[5]. Doordat de Fransen zelf niet altijd een duidelijk verschil maakten tussen banditisme en verzet, kan het begrip ‘brigand’ dus vrij ruim geïnterpreteerd worden. Iedereen die om welke reden ook openlijk en gewapend optrad en daardoor in botsing kwam met het Franse gezag, was hoe dan ook brigand of rover[6].

 

1.2. Verschillende uitingen van banditisme.

 

Volgens Erik Martens kunnen we twee categorieën brigands onderscheiden: de eerste soort zijn de misdadigers die roven voor hun eigen profijt. Zij eindigen meestal in de gevangenis en op het schavot. Doorgaans werden zijn gevreesd en beschouwde men de doodstraf als een gepaste straf voor hun daden. Toch valt het op dat deze misdadigers arme lieden met rust lieten en daardoor door deze mensen vaak een Robin Hood-aureool kregen toegekend omdat ze het aandurfden zich te verzetten tegen het Franse Bewind. Zo werden struikrovers soms beschouwd als wrekers van onrecht en zelfs als strijders voor de vrijheid[7]. Menige roverhoofdman had door hun dapperheid een sterke indruk nagelaten. Ze werden verheven tot een soort van nationale held tot lang na hun dood. Vooral in de gebieden waar een meedogenloos gezag werd uitgeoefend dat door de onderdanen als een veel pijnlijkere gesel werd ervaren, kregen de rovers een beeld van ‘vrijheidstrijders’ opgespeld. Deze rovers behoren echter eerder tot de literatuur dan tot de realiteit[8]. De tweede soort zijn de vrijheidsstrijders die niet optraden voor de buit maar om een ideaal te verwezenlijken. Er bestaan twee varianten: de nationalisten, die vechten tegen de vreemde bezetter voor de bevrijding van hun land, en de ideologen, die strijden tegen een terreurregime en voor wat zij beschouwen als een rechtvaardige en vrije samenleving. Sommige sneuvelen, anderen worden gevat en terechtgesteld, enkelen bereiken hun doel en vestigen vaak een regime dat ook niet helemaal zuiver op de graat is[9].

Ook Stefaan Top maakt een onderscheid tussen twee criminele categorieën die een gemeenzaam eindresultaat hebben maar die een eigen finaliteit en motivering vooropstellen. Globaal wordt een onderscheid gemaakt tussen sociaal-economisch en politiek-ideologisch banditisme. Deze classificatie is zeker niet sluitend. Dit impliceert dat beide hoofdklassen kunnen opgedeeld worden in subklassen, een onderverdeling die kan gebeuren op grond van het delict, de motivering, de wijze waarop de misdaad voltrokken werd, de sociale status van de daders of slachtoffers[10].

 

1.2.1. De sociaal-economische bendecriminaliteit.

 

Het sociaal-economisch banditisme heeft een viertal karakteristieken:

1. Het heeft aanleiding gegeven tot groepsvorming.

2. Het stak in alle departementen de kop op.

3. De bewoner van het platteland was het grootste slachtoffer.

4. De periode van het Directoire werd erdoor het meest geteisterd.

Bendevorming was voor de verarmde bevolking een zeer gevaarlijk maar een praktisch middel om in deze moeilijke tijden van bezetting en uitbuiting te overleven en om zich te verzetten. Zo vormden zich groepjes, al dan niet van lokale aard, die zich meestal op een gewelddadige manier in hun elementaire levensbehoeften wilden voorzien. Door het ontbreken van efficiënt ingrijpend politionele of gerechtelijke diensten kan men een evolutie bespeuren van een sporadisch-individuele naar algemener wordende groepsmisdadigheid, die het vooral gemunt had op geld, goud, zilver, voedsel en klederen. Om dat doel te bereiken waren alle middelen toegelaten, zoals geweldplegingen, verwondingen en de binders- en voetbranderspraktijken. Deze laatste twee middelen hebben aanleiding gegeven tot naamvorming, nl. ‘binders’ (garroteurs) en ‘voetbranders’ (chauffeurs).

Dit soort van banditisme heeft volgens Top voornamelijk slachtoffers gemaakt bij de landelijke bevolking. Een mogelijke verklaring hiervoor kan men vinden in de ontbrekende infrastructuur in de eerste jaren van de bezetting op het platteland. Het isolement van de plattelandsbevolking, nl. veel alleenstaande huizen (landbouwuitbatingen, winkels, herbergen, e.d) en een verlaten wegennet, speelde in het voordeel van de dieven of roversbenden. Tegen onverwachte aanvallen en bedreigingen van het ergste soort stonden de slachtoffers meestal machteloos. Elke vorm van verweer werd meestal met nog meer agressiviteit beantwoord. Enkelen hadden voorzorgsmaatregelen genomen, maar deze bleken weinig doelmatig te zijn geweest. De meeste slachtoffers waren afkomstig uit de boerenstand. Bij hen konden de rovers met relatieve zekerheid alles vinden wat toen aan de normale levensbehoeften ontbrak. Ook bewoners van landelijke herbergen en winkels werden vaak bestolen. Hiernaast zijn ook verschillende gevallen van struikroverij en plunderingen van religieuze instellingen bekend. Toch mogen we besluiten dat het sociaal-economisch banditisme bij voorkeur de middenklasse heeft getroffen. Hierbij horen zeker niet de rijksten, maar wel degene die het gemakkelijkst te bestelen waren. Zo valt op dat het aantal diefstallen bij de gegoede klasse opvallend gering bleef.

Een aparte soort delicten zijn de zgn. veldmisdrijven. Hoewel deze delicten voornamelijk het werk waren van enkelingen, die op het land gingen stelen wat ze nodig hadden zoals aardappelen, hout, graan, enz., zijn bij ons ook enkele gevallen van collectieve aard bekend. Een delict dat kan gelden als een overgangsvorm tussen het sociaal-economisch en politiek-ideologisch banditisme, is het plunderen van graanvoorraden en verplichte rekwisities. Deze misdaden gebeurden op een zekere basis van nood maar hadden ook een duidelijke politieke inslag; nl. het niet akkoord gaan met de praktijken van de bezetter, die allerlei maatregelen trof om de voorraden in handen te krijgen en dit in het nadeel van de verdrukte bevolking.

Tenslotte nog iets over de methodes die gehanteerd werden bij het sociaal-economisch banditisme. Inbraak, bedreiging en geweldpleging waren de meest gebuikte middelen om zonder tijdsverlies de buit in handen te krijgen. Naast het brutale geweld kwam ook nog bedrog in verschillende vormen voor, zoals vermommingen en het zich vals of verkeerd aanmelden. De roversbenden gaven vaak blijk van een uitdagende arrogantie en vermetelheid[11].

 

1.2.2. Het politiek-ideologisch banditisme.

 

We spreken van politiek of ideologisch banditisme wanneer de criminelen politieke doelstellingen beogen. Dit impliceert dat het slachtoffer tot een andere partij behoorde en een politiek tegenstrever was. In tijden van politieke machtswisselingen – de jaren 1790-1795 mogen hierbij gerekend worden – ontstaan allerlei reactionaire en revolutionaire krachten, die de malaise gebruiken en zelfs misbruiken om aan eigen aspiraties voldoening te geven. Iedereen en alles wat in een gunstige verhouding tot de vijand stond, werd een doelwit van deze benden. In deze sfeer van wantrouwen hoeft het niet te verwonderen dat achter elke uiting van criminaliteit een politieke daad werd gezocht. Toch gaat een dergelijke veralgemening voorbij aan het subtiele verschil tussen politiek en sociaal-economisch banditisme. Er zijn inderdaad voorbeelden bekend van mogelijke verwarringen. De graanplunderingen uit 1795 in de omgeving van het Zoniënwoud werden door de Brabantse autoriteiten als daden van rebellie aan Parijs gesignaleerd. In Antwerpen zouden verschillende bindersbenden met elkaar in contact staan en plannen uitvoeren in opdracht van enkelen, die op verwarring aanstuurden. Een voorbeeld dat door de Fransen als uiting van politiek verzet beschouwd werd, is de Boerenkrijg. Allen die hieraan deelgenomen hadden, waren rebellen[12].

Over de ware toedracht van de meeste politiek geïnspireerde delicten is veel discussie overbodig. Dit geldt o.a voor afzetting, aanranding en plundering van openbare voertuigen en koeriers van officiële instanties. Bedreiging van mandatarissen en leden van de burgerwacht, moord op Franse soldaten, gendarmen en Fransgezinde burgers, behoren ook tot deze categorie alsook collaboratie met de Oostenrijkers. In dit verband moet vermeld worden dat militairen vaak bij dergelijke delicten betrokken waren, nl. Oostenrijkse deserteurs, conscrits-refractairs en garnizoensoldaten.

Aanvankelijk werden (politieke) rebellen anders berecht dan binders, struikrovers, voetbranders en andere ongure types. Politieke misdadigers verschenen voor een krijgsraad. Werden ze schuldig bevonden dan werden ze gefusilleerd. Binders e.d werden voor een criminele rechtbank gedagvaard en indien ze schuldig werden bevonden volgde de doodstraf met de guillotine[13].

In dit werk zal voornamelijk het sociaal-economisch banditisme aan bod komen aangezien het bronnenonderzoek gebaseerd is op de dossiers van de criminele rechtbank en het Hof van Assisen. Het politiek banditisme zal door het gebruik van deze bron dus niet aan bod komen.

 

1.3. Het banditisme tussen 1789 en 1814: fluctuaties.

 

In het eerste deel hebben we reeds gezien dat de sterkte van het staatsgezag een bepalende invloed heeft op het banditisme. Een zwakke staat zorgde voor een opleving van de groepsmisdadigheid terwijl een sterk gezag de groepscriminaliteit deed afnemen. Zo zien we dat de groei van het banditisme in de Zuidelijke Nederlanden begon omstreeks 1789-1790 – jaren waarin de Zuidelijke Nederlanden met succes in opstand kwamen tegen de Oostenrijkse overheersing en een eigen patriots bewind vormden. In deze fase van revolutie en interne verdeeldheid zijn roversbenden als de bende van Moneuse en de Brabantse tak van de Grote Nederlandse Bende ontstaan. Wanneer het Oostenrijkse gezag werd hersteld, trad er een stagnatie van het bendeleven op. Pas op het moment dat de Franse troepen de Zuidelijke Nederlanden voor een tweede keer veroverden, zou het banditisme opnieuw een groei kennen[14].

Tijdens het Directoire nam de brigandage grote vormen aan. De belangrijkste oorzaak van deze toename was de economische recessie die tijdens deze periode heerste en die voor een grotere armoede zorgde. Het aantal inwoners van de Franse Republiek dat nauwelijks bestaansmiddelen had, vermeerderde, waardoor velen genoodzaakt waren te bedelen, rond te zwerven of zich aan te sluiten bij een roversbende. Naast de economische recessie speelde ook het politiek wanbeleid van de machthebbers een rol. Velen waren immers ontevreden met dit beleid en één van de uitingen van deze ontevredenheid was het politieke banditisme. Tijdens het Directoire verklaarden verschillende politici het sterk toegenomen banditisme anders en schoven zo de verantwoordelijkheid van zich af. Zo zag Dupont de Nemours tijdens het jaar V de wet van 30 september 1791, die de invrijheidstelling beval van al degenen die sinds 1 mei 1788 gevangen, verbannen of met dwangarbeid veroordeeld waren wegens deelname aan relletjes of oproer, als één van de belangrijkste oorzaken van de toename[15].

Na ongeveer 1797-1798 kunnen we in de Zuidelijke Nederlanden een terugval van het bendeleven voelen. Dit heeft enerzijds te maken met het doorwerkend effect van de Franse hervormingen[16] en anderzijds met de speciale wet ‘tot beteugeling van het bendewezen’. Deze wet van 15 mei 1797 voorzag in de doodstraf voor ieder die als lid van een bende had deelgenomen aan overvallen, roof, inbraak of knevelarij. De Boerenkrijg zou nog voor een korte heropleving zorgen van het banditisme maar men mag aannemen dat de grote bendes vanaf 1805/06 verdwenen waren[17]. Algemeen mag aangenomen worden dat de criminaliteit in het Directoire toenam, terwijl het Consulaat en de eerste jaren van het Keizerrijk tijdelijk remmend hebben gewerkt. Vanaf ongeveer 1806 scheen de openbare veiligheid opnieuw te verminderen[18]. Het is hier echter niet duidelijk of de veiligheid onder druk kwam te staan door een oplevend banditisme of door een toename van de individuele criminaliteit. Indien het gaat om een toename van bendeactiviteiten dan zou dit in contrast staan met hetgeen dat Egmond schreef.

 

1.4. Het banditisme in het strafrecht.

 

In het eerste deel werd ingegaan op de ontwikkelingen van het strafrecht maar zonder een kijkje te nemen op hoe het banditisme door het strafrecht benaderd werd. Daarom zal hier een overzicht gegeven worden van de maatregelen die genomen werden om het banditisme in te dijken en op de Code Pénal van 1810.

 

1.4.1. Maatregelen tegen het banditisme.

 

Brigandage werd tijdens het Directoire als de publieke vijand nummer één beschouwd maar toch was het moeilijk om deze vorm van misdaad in te tomen. Controle- en repressiemaatregelen werden tijdens deze jaren nochtans in grote mate gecreëerd. Een eerste decreet dat van belang was voor de repressie van de brigandage, was het decreet van 10 vendémiaire jaar IV (2 oktober 1795). In dit decreet werd naast de maatregelen m.b.t de paspoorten en het aanleggen van een bevolkingsregister ook bepaald dat inwoners van een gemeente burgerlijk aansprakelijk konden worden gesteld voor de aanslagen die binnen de gemeente gewapenderhand of met geweld door bendes of samenscholingen op personen, nationale eigendommen of privé-eigendommen werden gepleegd. Hierdoor was het mogelijk dat bepaalde inwoners die betrokken waren bij de samenscholingen of bendes en zelfs gemeentelijke ambtenaren waarvan bewezen was dat zij niet genoeg instonden voor een goede controle, schadevergoedingen moesten geven aan de slachtoffers. Dit decreet moest de gewone burger aanzetten zijn verantwoordelijkheid te nemen en te waken over de veiligheid in de gemeente.

Een tweede decreet dat van toepassing was op brigands was dat van 24 messidor jaar VII (12 juli 1799). Dit decreet werd ook wel ‘loi des otages’ genoemd en bepaalde dat de departementale administratie in overeenstemming met het uitvoerend Directoire gijzelaars konden gevangen nemen. Deze gijzelaars konden ouders en kennissen van émigrés zijn maar ook ouders of grootouders van individuen die lid waren van een bende. Zij werden persoonlijk en burgerlijk verantwoordelijk gesteld voor moorden en roverijen, begaan door een bende. Wanneer een moord werd gepleegd op een publiek ambtenaar, bestond de kans dat de gijzelaars gedeporteerd werden. Bovendien moesten de gijzelaars bij een dergelijke misdaad samen een bedrag van 14 000 frank betalen als schadevergoeding. Tenslotte moest de departementale administratie binnen een maand een lijst samenstellen van de individuen waarvan men wist dat ze lid waren van een bende. Enkel de personen of brigands die ambachtsman, boer of dagloner waren, konden amnestie verkrijgen en terugkeren naar hun woonplaats op voorwaarde dat dit binnen de veertien dagen gebeurde en dat ze hun wapen inleverden.

Ook de algemenere maatregelen waren van toepassing op brigands. Het paspoortensysteem was er één van. Leden van een bende doolden immers vaak rond in verschillende kantons zonder dat zij een paspoort bij zich hadden. Een paspoortcontrole kon indien efficiënt uitgevoerd, een goed middel zijn tegen de brigandage. Naast deze controle kwamen ook de controle van herbergen waar brigands zich vaak bevonden en huiszoekingen van pas.

In de Code pénal van 1791 werden de straffen m.b.t brigandage reeds bepaald en later werden ze herbevestigd door het decreet van 3 brumaire jaar IV (25 oktober 1795) dat de Code des délits en des peines inhield. Wanneer een diefstal of roof op een grote weg, een straat, een publieke plaats of in een huis met geweld werd gepleegd jegens een persoon, dan moest de straf 14 jaar gevangenis bedragen. Deze straf werd in beide codes vermeerderd tot 18 jaar indien de schuldige bij poging tot roof een huis was binnengekomen door inbraak. Door het decreet van 26 floréal jaar V (15 mei 1797) werden deze delicten bestraft met de doodstraf als de schuldige het huis gewapend binnendrong en er roofde. Na de staatsgreep van 18 fructidor jaar V (18 januari 1798) werden de straffen nog verzwaard. De doodstraf was voortaan ook van toepassing bij roof of diefstal op de grote wegen en in huizen in geval van inbraak, en bij het aanvallen van publieke rijtuigen. Bovendien werd ook beslist dat indien een dergelijk misdrijf begaan werd door twee of meerdere personen, door een bende, de schuldigen moesten berecht worden door een militaire commissie en niet door een normale rechtbank[19]. In een verslag van de prefect van het Scheldedepartement aan het Ministerie van Politie uit het jaar X staat ook een maatregel vermeld, nl. om het brigandage tegen te gaan werd de gemeentelijke politie gereorganiseerd gedurende de eerste weken van de maand vendémiaire. Deze reorganisatie gold zowel voor de infanterie, de cavalerie als voor de gendarmerie. De hervorming leidde tot het uitvoeren van nachtelijke patrouilles. Uit het verslag blijkt dat deze maatregel vruchten heeft afgeworpen want de benden knevelaars werden uitééngedreven. Het leidde ook tot verschillende arrestaties en veroordelingen[20]. Het steeds opnieuw toepassen van repressieve maatregelen is het bewijs, dat het destijds moeilijk viel om het bendewezen in de kiem te smoren[21].

Al deze maatregelen dienden om het banditisme te doen afnemen. De invoering van de doodstraf en de publieke executies moesten potentiële daders afschrikken om de misdaad uit te voeren. Er is reeds opgewezen dat na een verloop van tijd de mensen echter ongevoelig leken te worden voor de executies maar dat ze nog steeds een les vormden voor de jonge kinderen. De doodstraf zou onder het Consulaat en het keizerrijk vervangen worden door de dwangarbeid voor diefstal in groepsverband.

 

1.4.2. De Code pénal van 1810.

 

Het begrip bendevorming komt niet voor in de Code Pénal van 1810, ook wel Code Napoleon genoemd. Het verenigen in groep met de bedoeling een aanslag te plegen tegen personen of eigendommen, werd op zich niet als strafbaar beschouwd. Toch kan men verwijzingen naar bendevorming terugvinden in twee specifieke gevallen. Een eerste geval is wanneer de staat bedreigd wordt door een actie van een bende of wanneer deze een aanslag pleegde tegen de gevestigde orde. De tweede verwijzing vinden we terug in de bestraffing van diefstal met bezwarende omstandigheden. Bendevorming was één van de vijf bezwarende omstandigheden bij diefstal. De andere vier bezwarende omstandigheden waren:

 

1. de diefstal bij nacht gepleegd

2. indien één of meerdere daders in het bezit waren van een wapen

3. wanneer de diefstal gepleegd werd door hulp van inbraak, beklimming of met valse sleutels in een bewoond huis, of door het vals aanwenden van uniformen van militairen of functionarissen, of door zich voor te doen als een militair of als een publiek ambtenaar

4. wanneer bij de diefstal gebruik gemaakt werd van geweld en bedreigingen door gebruik te maken van hun wapens

 

Hierdoor veranderde diefstal van een wanbedrijf in een misdaad met alle gevolgen voor de bestraffing van de beschuldigde. De medeplichtigen van een dergelijk misdrijf zouden bestraft worden voor dezelfde misdaad als de eigenlijke uitvoerders. Iemand, die b.v. enkel gestolen goederen heeft verkocht, zal bestraft worden voor de diefstal zelf. Naargelang het soort misdrijf konden ze bestraft worden met de doodstraf en de confiscatie van hun goederen, met levenslange dwangarbeid of met een gevangenisstraf[22].

 

 

2. Het banditisme in Nederland, Frankrijk, Duitsland en de Zuidelijke Nederlanden.

 

Het probleem van de bendevorming was niet gebonden aan een bepaalde periode of aan een bepaald land[23]. Dit hoofdstuk is gewijd aan de bendecriminaliteit in de buurlanden van België en in de rest van de Zuidelijke Nederlanden, uitgezonderd van het Scheldedepartement. Om aan te tonen dat het banditisme in de periode van de Franse Revolutie een internationaal fenomeen was, wordt de toestand in Nederland, Frankrijk en Duitsland aan de hand van enkele voorbeelden beschreven. Ook de andere Zuid-Nederlandse departementen zullen hier aan bod komen zodat in het laatste hoofdstuk een vergelijking kan gemaakt worden tussen de situatie in het Scheldedepartement, in de andere ‘Belgische’ departementen en in de buurlanden.

 

2.1. Nederland.

 

2.1.1. Algemeen.

 

Het hoogtepunt van de bendecriminaliteit in de Bataafse Republiek kan gesitueerd worden in de laatste vijf jaar van de 18e eeuw en de eerste jaren van de 19e eeuw. Vooral Holland en Noord-Brabant werden fel getroffen door rovende bendes. In deze jaren ondernamen de Hollandse tak van de Grote Nederlandse Bende, de Bende van Jan Catoen, het Zwartjesgoed en allerlei anonieme groepen rovers een groot aantal roofovervallen. Kort na de eeuwwisseling zou het bendewezen echter sterk afnemen en kwam er geleidelijk aan ook een einde aan.

De redenen van de groei van het bendewezen op het einde van de 18e eeuw zijn ook hier van sociaal-economische en politieke aard. Net zoals in de Zuidelijke Nederlanden was de tweede helft van de 18e eeuw een periode van een aanzienlijke groei van de werklozen, armen en bedelaars. Dit gold zowel voor het platteland als voor de stad. Bovendien stegen de graan- en broodprijzen wat zich meteen vertaalde in een daling van de reële lonen. De economische achteruitgang viel samen met een sterk stijgende bevolking. Hierdoor trad een verarming van de bevolking. Reeds eerder werd het verband tussen het toenemende banditisme en armoede verklaard. De groei van de roversbenden was volgens Egmond eerder het gevolg van een afnemende werkgelegenheid en het wegvallen van carrièremogelijkheden dan dat het een
gevolg was van een regelrecht gebrek aan de eerste levensbehoeften. Ook de politieke ontwikkelingen hebben een beïnvloedende rol gespeeld op de ontwikkeling van het Nederlandse banditisme. De toename van de bendeactiviteit viel samen met de beginjaren van de Franse bezetting. Wanneer de Republiek volledig door de Fransen was ingenomen, voltrok zich een ten dele Frans geïnspireerde omwenteling. Stadsbesturen werden terzijde geschoven, schutterijen werden ontwapend en nieuwe burgerwachten werden ingesteld. In de herfst en winter van 1795-1796 deden zich in de grote steden in het westen van Nederland enige rellen en kleine schermutselingen voor. Op de meeste plaatsen verliep de omwenteling zonder veel onlusten en zonder bloedvergieten. Maar de machtswisseling ging wel gepaard met een langdurige onzekerheid op politiek, juridisch en bestuurlijk vlak. De politieke versplintering, onderlinge tegenstellingen, stedelijke machtswisselingen en het in deze periode niet effectieve optreden van de revolutionaire overheden, boden de rovers een uitstekende gelegenheid om hun activiteiten te ontplooien. In de Republiek kwam het echter niet tot een crisissituatie waarbij bestuur, politie en justitie nauwelijks meer functioneerden. Op het platteland en in de kleine steden was er een zekere continuïteit op bestuurlijk en politiek vlak vast te stellen. Het probleem was dat de lokale instellingen maar juist voldoende veerkracht hadden om de oorlog en de bezetting het hoofd te bieden. Hierdoor hadden ze te weinig armslag om het banditisme in te tomen. Wanneer de politieke onzekerheid verdween en de controle van de centrale en lokale overheden sterk genoeg was, konden centraliserende maatregelen genomen worden die het banditisme konden indijken. Vanaf het Koninkrijk Holland (1806-1810) en vooral na de inlijving bij Frankrijk (1810-1813) kreeg de overheid greep op het bendewezen. Hierdoor verdwenen de grote bendes in Nederland
[24].

Volgens Top werd Nederland in het algemeen en de Meierij ’s-Hertogenbosch in het bijzonder ongunstig beïnvloed door Duitsland en de Vlaamse departementen. Vooral de Zuidelijke Nederlanden schenen een werkelijke exporteur te zijn geweest van potentiële criminelen, zoals dienstweigeraars, deserteurs, vluchtende boerenkrijgers en onbeëdigde priesters, die zich in een vreemd, heide- en bosrijk gewest gemakkelijker tot diefstal lieten verleiden om in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Zo ontstonden zwervende groepjes, meestal samengesteld uit ontslagen soldaten, deserteurs, politiek gezochte misdadigers, verbannen vagebonden en ander onmaatschappelijk volk, waaronder smokkelaars een belangrijke rol hebben gespeeld. Qua organisatie en technieken vormden de Nederlandse benden geen uitzonderingen. Qua collectief asociaal handelen vertoonde ieder land zijn eigen karakteristieken. Zo is het voor het Nederlandse bendewezen typisch dat de vrouw als huwelijkspartner of concubine van een ander bendelid uit de criminele activiteiten van de groep niet weg te denken was. De vrouwelijke aanwezigheid gaf aan de bende een hechtere geslotenheid, die ook als veiligheid gold tegen eventueel verraad van binnenuit. Het is volgens Top dan ook evident dat dit uitgesproken groepsbewustzijn de bestrijding van de benden in een belangrijke mate heeft bemoeilijkt.

In diverse Nederlandse provincies deden zich uitingen van groepsmisdadigheid voor die qua samenstelling en organisatie toch enigszins anders gestructureerd waren. Het Hollandse banditisme was volgens Top heftiger, harder, geraffineerder en door allerlei banden hechter georganiseerd dan in de Meierij ’s-Hertogenbosch, waar het algemener was maar minder intens[25].

Als voorbeeld voor het Nederlandse banditisme volgt hier een schets van de Grote Nederlandse Bende.

 

2.1.2. De Grote Nederlandse Bende.

 

De Grote Nederlandse Bende werd reeds grondig bestudeerd door Florike Egmond. Daarom zal hier enkel ingegaan worden op het ontstaan, de groei en terugval van deze bende. Later zullen in dit werk andere aspecten, zoals samenstelling, netwerken, e.d aan bod komen wanneer de situatie in het Scheldedepartement vergeleken wordt met het bendewezen in de buurlanden.

De Grote Nederlandse Bende is als benaming nooit door de bendeleden zelf gebruikt. De rovers zelf spraken in het algemeen over ‘de bende’ of ‘het complot’. Het is pas in begin van de 19e eeuw dat de verschillende benamingen in zwang kwamen – nadat door vervolgingen van verschillende overheden een einde was gekomen aan de activiteiten van de roversbenden. Grote Nederlandse Bende is eigenlijk een verzamelnaam voor het gehele netwerk van rovers waarin hechtere samenwerkingsverbanden als de Brabantse, Meerssener en Hollandse Benden onderscheiden kunnen worden.

De vraag is nu hoe deze benden zijn ontstaan? Veel van de mannen die na 1790 lid waren van de Grote Nederlandse Bende waren al voor die tijd actief als inbrekers, leden van kleine dievenbenden en zakkenrollers. Op initiatief van de Joodse graveur en stempelmaker Moyse Jacob ontstond omstreeks 1789-90 in de steden Antwerpen en Gent een samenwerkingsverband – de Brabantse bende – dat we als basis van het hele roversnetwerk kunnen beschouwen. In de loop van de jaren 1790-99 breidden de connecties met rovers, medeplichtigen en beschermers zich uit over de Zuidelijke Nederlanden, het Rijnland, Duits gebied ten oosten van de Rijn en de Bataafse Republiek. Zo groeide geleidelijk het uitgebreide netwerk dat later de Grote Nederlandse Bende zou gaan heten.

Moyse Jacob was afkomstig uit Winschoten van waaruit hij met enkele Joodse kennissen inbraken organiseerde in het grensgebied van Groningen en in Oostfriesland. In Duits gebied werd Jacob enkele keren gearresteerd en daarom trok hij met zijn gezin naar de Zuidelijke Nederlanden. Vanuit Antwerpen, zijn nieuwe verblijfplaats, organiseerde hij een dievenbende die hij ook na zijn verhuis naar Gent nog zou leiden. In deze beginperiode vertoonde de Brabantse Bende kenmerken die ook bij de latere vertakkingen van de Grote Nederlandse Bende terug te vinden zijn. De bende bestond zowel uit Joden als christenen en had de gewoonte zo min mogelijk overvallen en inbraken te plegen in de stad die als uitvalsbasis werd gebruikt en waar de meeste bendeleden woonden.

Drie belangrijke figuren sloten zich in 1789-90 aan bij de bende van Moyse Jacob. Het waren de tweelingbroers Frans en Jan Bosbeeck, die in deze periode in Antwerpen zelf een dievenbende leidden, en de rover Abraham Picard, die reeds lange tijd actief was als zakkenroller, inbreker en rover. Deze drie personen zouden zich ontwikkelen tot de belangrijkste leiders van de Brabantse Bende. Ook Abraham Jacob, zoon van Moyse leidde de Brabantse tak regelmatig maar na 1796 speelde deze geen rol van betekenis meer. Picard zou later nog opduiken als leider van de Meerssener Bende, terwijl de broers Bosbeeck in alle vertakkingen fungeerden als hoofdaanvoerders. Zij belichamen als het ware de verbindingen tussen de roverbenden. Picard en Frans Bosbeeck waren in de familie van Moyse Jacob opgenomen. Picard was getrouwd met zijn dochter Dinah en Bosbeeck had geruime tijd een vaste verhouding met haar zus Rebecca.

De korte bloeiperiode in 1789-90 werd aan het einde van 1790 gevolgd door een versplintering van de Brabantse Bende. Gedurende de jaren 1791-1793 en de eerste helft van 1794 ondernamen de rovers enkel individueel of in kleine groepjes allerlei illegale praktijken. Waarschijnlijk onderhielden ze in deze periode wel contact met elkaar want in de herfst van 1794 begonnen leden van de voormalige bende zich weer te organiseren. In het begin van 1795 begon haar grote bloeiperiode, die zou duren tot het voorjaar van 1796. In deze 14 à 15 maanden was het aantal overvallen hoog. De connecties met verspieders en informanten, de zgn. baldovers, en met helers en betrouwbare herbergiers werd verder uitgebreid. Ook het aantal bendeleden nam in deze periode fors toe.

In het voorjaar van 1796 viel de Brabantse Bende opnieuw uitéén – ditmaal was de breuk definitief. Enkele bendeleden, waaronder Picard, werden gearresteerd. Voor de anderen was dit het teken om te vertrekken. Een deel bleef in de Zuidelijke Nederlanden, maar gaf de grote roofovervallen op en beperkte zich tot kleinere diefstallen.

Het grootste deel van de bende volgde Frans en Jan Bosbeeck naar Meerssen, een strategisch gelegen plaats ten noorden van Maastricht. Meersen lag op de grens tussen Duits gebied, de Bataafse Republiek en Frans grondgebied. Hierdoor kon de bende gemakkelijk overvallen plegen in de buurlanden om zich dan terug te trekken op Frans grondgebied. Op deze plaats ontstond een tweede tak van de bende die men later de Meerssener Bende is gaan noemen.

De Meerssener rovers sloten in het voorjaar van 1797 een samenwerkingsverband met de Krefelder Bende o.l.v Mathias Weber. Geleidelijk aan groeide de bende en bij de overvallen wisselden ervaren rovers elkaar af als leiders en onderaanvoerders. Rond de broers Bosbeeck en Weber ontstonden groepjes vaste aanhangers. De overige bendeleden vormden een soort reservoir die nu eens door de ene, dan weer door de andere kapitein werd uitgenodigd om deel te nemen aan een overval.

Vanaf de zomer van 1797 verplaatste Jan Bosbeeck zijn activiteiten naar de Bataafse Republiek. In de herfst en winter van dat jaar organiseerde hij een eigen bende die geheel uit christenen bestond. Deze tak draagt de naam de Hollandse Bende. De bende was voornamelijk actief op de eilanden ten zuiden van Rotterdam, in Zuid Holland, Noord-Holland, West-Brabant en de Meierij van ’s-Hertogenbosch. De komst van Frans Bosbeeck naar de Bataafse Republiek leidde tot conflicten met zijn tweelingbroer Jan. De bende van Frans kreeg later de naam van Noord-Brabantse Bende. Tot het vertrek van één van de bende is het echter nooit gekomen. De broers werkten zelfs bij één overval samen, al was het vol wantrouwen. Het succes in de Bataafse Republiek was echter maar van korte duur. De bende van Jan Bosbeeck werd in de zomer van 1798 volledig opgerold. Jan Bosbeeck wist naar Duitsland te vluchten, maar zijn broer Frans werd in het voorjaar van 1799 gearresteerd en later opgehangen. De meeste rovers van de Noord-Brabantse Bende weken uit naar Duits gebied waar ze zich verspreidden maar geen nieuwe roverbenden oprichtten. Splintergroepjes van voormalige bendeleden bleven in het Rijnland en in de omgeving van Essen opereren. De schaal van de overvallen bleef echter beperkt en de rovers vormden geen grote benden meer.

De Grote Nederlandse Bende bestond uit vier genoemde vertakkingen, splintergroepen en kleine samenwerkingsverbanden. In totaal trokken de vier grote benden zo’n 102 actieve rovers aan, die geassisteerd werden door een groot aantal helpers en beschermers. Dit netwerk van rovers en medeplichtigen strekte zich uit van Noord-Groningen tot Parijs, Straatsburg en Frankfurt en van Antwerpen tot Hamburg. Het netwerk maakte deel uit van een overwegend stedelijke onderwereld, die eigen regels, gedragsvoorschriften en communicatievormen kende[26]. De Grote Nederlandse Bende opereerde internationaal maar haar uitvalsbasis bevond zich voornamelijk in de Bataafse Republiek, het huidige Nederland.

 

2.2. Frankrijk.

 

Het banditisme in Frankrijk is reeds eerder bestudeerd door M. Marion en G. Sangnier. Marion maakte een algemene studie over de brigandage in het Directoire en het Consulaat en schreef een overzichtswerk voor de periode van de Franse Revolutie[27]. Sangnier onderzocht de brigandage in ‘le Pas-de-Calais’ voor de periode 1789 - 1815[28]. Deze werken werden door Egmond en Top in hun werken reeds verwerkt en daarom zal dit overzicht van het Franse banditisme voornamelijk op hun werken gebaseerd zijn.

 

2.2.1. Algemeen.

 

De opvallende groei en het vrij plotseling openlijker wordende optreden van Noordfranse roversbenden in 1789-90 hadden, volgens Sangnier, te maken met verschijnselen rond het begin van de Revolutie. De algemene onzekerheid en angst bereikten een hoogtepunt in de Grande Peur van de zomer van 1789. Ze brachten in bepaalde delen van het Franse platteland een burgeroorlog teweeg. Vele plattelandsbewoners begonnen zich in deze maanden te bewapenen. Gedurende deze periode deden er zich ook allerlei gewelddadige vormen van zelfverdediging, rebellie tegen de lokale en regionale overheden, plunderingen en soms zelfs voorlopers van contrarevolutionaire bewegingen voor.

Ook de nieuwe justitiële organisatie en strafwetgeving vormden in zekere zin een aanmoediging voor de rovers. De foltering, de eeuwige galeistraf en de eeuwige gevangenisstraf werden afgeschaft, waardoor rovers hun beroepsrisico’s aanzienlijk zagen verminderen. De Revolutie beoogde een sterke decentralisatie van het bestuur waardoor de beslissingsbevoegdheid over belangrijke zaken zoals de openbare veiligheid in handen kwamen van de lokale overheden. Een gebrek aan coördinatie en wederzijdse informatie leidde tot een aanzienlijke ondergraving van de overheidsmacht. Men keerde dan ook vrij snel terug naar een centralisatie van het bestuur, een ontwikkeling die eind 1793 – begin 1794 zou uitmonden in een harde overheidsterreur. Tijdens deze periode zou het bendeleven afnemen. In de Pas-de-Calais zouden de bendeactiviteiten zelfs volledig ophouden.

De interne verdeeldheid verzwakte het bewind en in 1794 werd een einde gesteld aan de Grote Terreur en ook aan de centralisatiepolitiek. In deze periode zou het banditisme opnieuw opleven. Vooral de gematigde decentralisatie van het bestuur en een zekere liberalisering van de economische politiek hebben bijgedragen tot het losbarsten van de bendeactiviteiten in 1795-96. Op economisch gebied deden zich vanaf de eerste helft van 1795 sterke prijsstijgingen, hongeroproeren en een financiële instorting voor.

Vanaf 1797, de periode van het tweede Directoire, werd een koerswijziging in het beleid zichtbaar. In 1798 namen de repressie- en controlemaatregelen van het beleid weer toe. De opsporings- en gerechtelijke instanties werden gereorganiseerd en de strafwetgeving werd verscherpt. De straffen voor struikroverij en voor diefstal met inbraak in groepsverband werden verzwaard. De gevolgen bleven dan ook niet uit: in 1798 werden de eerste belangrijke roverbenden opgerold[29]. De gewone brigandage nam vanaf 1797 lichtjes af maar de royalistische benden bleven in sommige streken van de Franse republiek (in het westen en het zuiden) in grote mate actief[30].

Na de staatsgreep van Napoleon in november 1799 vielen de laatste twee grote ontwikkelingen samen: een aanzienlijke versterking van de overheidsmacht en de verdwijning van de grote benden. Allerlei hervormingen op bestuurlijk en gerechtelijk vlak werden doorgevoerd. Vooral de speciale rechtbanken zonder jury (Tribunaux speciaux) die over buitengewone bevoegdheden beschikten, zouden volgens bepaalde auteurs een doorslaggevende rol gespeeld hebben in het verdwijnen van de grote roversbenden. Deze rechtbanken werden zonder jury opgericht omdat heel wat juryleden door bendeleden onder druk werden gezet om een gunstig oordeel uit te spreken[31]. Napoleon heeft, volgens Marion, een zeer energieke strijd geleverd tegen de criminaliteit. De omstandigheden vroegen echter naar een noodzakelijke en ingrijpende controle op de misdadigheid. Door het verwijderen van de jury uit de strafzaken heeft Napoleon als geen ander de criminaliteit teruggedrongen[32].

Frankrijk werd dus zowel voor als na Napoleon geteisterd door bandieten. Het aantal struikrovers en ander gespuis groeide gestaag. Een bijzonder soort struikrovers, die moeilijker te pakken waren dan gewone straatrovers, werden echter met succes bestreden door een omvangrijk en goed uitgeruste plattelandsgendarmerie. Markov stelt dat er twee soorten te onderscheiden waren in het Franse banditisme. Een eerste groep waren de gewone struikrovers die zich vaak onder de koningsgezinde ‘chouans’ begaven. Daarnaast heb je de royalisten. Zij maakten menig postkoetsen onveilig, waren goed bekend met de streek en werden vaak gedekt door een koppige bevolking. Dergelijke bendes konden wel uitgedund worden door de ordehandhavers maar het was zeer moeilijk om ze volledig te ontmaskeren. Wanneer ze in het nauw gedreven werden, konden de voormannen van de benden meestal vluchten naar Engeland. Na een tijdelijke verbetering in het begin van Napoleons regeerperiode werd de veiligheid van persoon en eigendom tijdens de laatste jaren van het Keizerrijk opnieuw bedreigd. Een nieuwe groep potentiële criminelen die over sterke leiders beschikte, kwam op de voorgrond. Het gaat hier om jonge mannen die na 1809 steeds vaker aan de oproepen voor militaire dienst, die elkaar onophoudelijk opvolgden, verzaakten en doorheen het land vluchtten. Degenen die niet geholpen werden door hun familie, moesten maar zien dat ze het financieel redden, ook al hadden ze geen agressieve driften of criminele neigingen van thuis meegekregen[33].

Zoals reeds eerder vermeld, heeft de assignatenpolitiek een nefast gevolg gehad voor de economie. Maar deze politiek werkte in Frankrijk ook het banditisme in de hand. Omdat de assignaten bijna geen waarde meer hadden in tegenstelling tot de munten, verstopten velen hun geld in munt op het platteland. Dit stimuleerde volgens Top de praktijken van de voetbranders (Chauffeurs) en van de binders (garroteurs) die hun slachtoffers bij voorkeur voetbranden en knevelden om hen te doen zeggen waar hun geld verborgen zat. Voor dergelijke misdaden voorzag het strafwetboek van 1791 geen precieze sanctie. Het groepsbanditisme vertoonde dan ook twee basispatronen. Een eerste zijn moord en voetbranderij, die vooral de bewoners van het platteland troffen. De wet van 26 floréal jaar V (15 mei 1797) eiste de doodstraf voor alwie zich gewapend en met geweld in de woning van anderen begaf. Er wordt aangenomen dat deze maatregel de praktijken van de voetbranderij heeft doen afnemen. Dit veroorzaakte echter een neveneffect, nl. agression sur les routes. Uit deze periode zijn voorbeelden bekend van diligenceovervallen. Tegen deze nieuwe vorm van openbare onveiligheid werd op 29 nivôse jaar VI (18 januari 1798) een wet gestemd, die eveneens de doodstraf voorzag voor struikroverij met geweldpleging. Men verwachtte dat deze zware straf de bandieten zou afschrikken, maar niets is minder waar. De toestand werd in 1799 nog onrustwekkender: het verzet tegen de conscriptie nam toe, de desertie nam grote proporties aan en de royalisten bleven onrust stoken. In het begin van het Consulaat woekerde het banditisme onverminderd voort. Er ontwikkelden zich zelfs nieuwe vormen van criminaliteit, zoals ontvoering van vooraanstaande burgers. In de zuidelijke departementen concentreerde het banditisme zich vooral in een bundeling van antirevolutionaire krachten. Het Franse banditisme is geenszins een uniforme uiting van sociale onrust geweest. Vanwege zijn intensiteit en verspreiding heeft het de allure van een gesel des tijds aangenomen[34].

Om de situatie in Frankrijk toe te lichten, worden nu enkele Franse benden kort besproken.

 

2.2.2. Enkele voorbeelden.

 

2.2.2.1. De Bende van Orgères.

De gevangenneming van Le Borgne de Jouy in 1798 luidde het einde van de bende in. De verklaringen van Le Borgne leidden tot een gigantisch proces dat zou eindigen in een terdoodveroordeling van 23 bendeleden (waaronder vier vrouwen), één veroordeling tot 24 jaar ijzers (nl. Le Borgne die waarschijnlijk dankzij zijn medewerking tijdens het onderzoek zijn leven heeft gered.), 39 veroordelingen tot verscheidene jaren ijzers en gevangenisstraf en 19 vrijspraken. De Bende van Orgères heeft zich schuldig gemaakt aan de brutaalste vormen van voetbranderij: met een mes maakte men wonden in de voetzool, die dan met vuur werden bewerkt[35].

 

2.2.2.2. De Bende van Salembier.

De Bende van Salembier opereerde in het Noorderdepartement en het daaraan palende Pas-de-Calais tussen 1796 en 1798. De bende wordt ook wel de Voetbranders van het Noorden genoemd. Het proces van de gegrepen bendeleden werd in 1798 gevoerd voor de criminele rechtbank van Brugge. Op 6 november 1798 vielen de koppen van François Marie Salembier en twintig van zijn bendeleden onder de guillotine.

De Bende van Salembier werkte interdepartementaal: de kapitein bewoog zich over zes departementen, van Abbeville tot Mechelen en Antwerpen maar de actie zelf concentreerde zich voornamelijk in het Département du Nord en Pas-de-Calais. De Bende van Salembier was talrijk en de samenstelling was moeilijk te achterhalen. De leden verkeerden in de steden Rijsel, Duinkerke, Douai, Bethune, Amiens, Oostende, Brugge en Gent waar ze steunpunten of medewerkers of raadgevers hadden. Rond en met Salembier werkten een meerderheid van ambulant volk, routiers: marktkramers, brocanteurs, paardenkopers, herbergiers, officieren en zelfs ook ambtenaren. Sommige van zijn aangesloten herbergiers verzamelden informatie voor een geplande onderneming. Zijn bendeleden waren opvallend jong: slechts 13 van de 41 mannen waren ouder dan 35 jaar. De bende legde ook een buitengewone mobiliteit aan de dag: soms waren ze op twee, drie plaatsen tegelijk in dezelfde nacht bezig. Hun favoriete methode om hun slachtoffers aan het praten te krijgen, was de voetbranderij. Toch wou Salembier het begaan van doodslag, van een gekwalificeerde moord vermijden omdat daar zeker de doodstraf en het halsrecht opstond. In totaal zou de bende een totaal van 34 aanslagen en inbraken plegen. Na hun arrestatie leken de bendeleden en ook Salembier de gerechtelijke diensten zeer bereidwillig inlichtingen over hun medeplichtigen te verschaffen. De politionele opsporing van de andere bendeleden hebben ze zelfs zeer sterk bevorderd. Salembier zou dit in een vlaag van fatalisme hebben gedaan. Hij wou zijn straf hierdoor zeker niet ontlopen en vroeg alleen om niet het reglementaire rode hemd te moeten dragen op weg naar het schavot[36].

 

2.2.2.3. De Bende van Ansart.

Ansart was een ontaarde notariszoon en deserteur. In de jaren 90 stelde hij zich aan het hoofd van een bende leeglopers, die vooral bestond uit dienstweigeraars en deserteurs. Hun belangrijkste activiteit bestond erin zich meester te maken van openbare fondsen. Met deze bedoeling overviel de bende geregeld koetsen. Ansart werd een paar keer ingerekend, maar kon telkens ontsnappen dankzij de hulp van zijn medewerkers. Nadat hij tot 5 jaar ijzers veroordeeld was - een straf die hij nooit heeft uitgezeten wegens allerlei procedurefouten – vestigde hij zich als notaris in zijn geboortedorp Saint-Pol[37].

 

2.3. Duitsland: het Noordelijk Rijnland.

 

In de jaren voor de tijd van de Franse Revolutie leek het banditisme meer in het zuidelijk deel van Duitsland gecentraliseerd te zijn. Het actieterrein van de grote benden verschoof in het begin van de jaren 90 naar de meer noordelijker gelegen gebieden.

Het Duitse banditisme kreeg door zijn verschillende vertakkingen een internationaal allure. De zware vergrijpen en tergende praktijken die zowel overdag als ’s nachts werden gepleegd, zette de overheid ertoe aan om onverbiddelijk te reageren. De geraffineerdheid van de bendeleiders en de pertinente onmacht van de overheid, die steeds struikelde over het probleem van de competentie als gevolg van de territoriale verbrokkeling, zijn er de oorzaak van dat Duitsland in die jaren zwaar te lijden had onder de groepscriminaliteit.

Een zevental min of meer georganiseerde benden hebben de Duitse Rijnprovincies en gedeeltelijk ook Vlaanderen en Nederland onveilig gemaakt. Eén van deze benden was de Meerssener tak van de Grote Nederlandse Bende. Het valt bij deze bende op dat de rovers hun oneerlijk verkregen rijkdommen verkwistten en verbrasten om haast permanent in de schandelijkste ontucht te leven. Ook kwam het regelmatig voor dat deze benden samenwerkten, waarbij dan een beroep werd gedaan op de kapiteins en een selecte groep medewerkers.

Door de massale uiting van criminaliteit en dit in een aanzienlijke territoriale ruimte zorgde ervoor dat er niet onmiddellijk gepaste middelen en structuren voor handen waren om het probleem aan te pakken. De Duitse gewesten bleven dan ook jaren geteisterd door bendeactiviteiten[38]. Volgens Egmond kende het Duitse banditisme haar hoogtepunt in de periode 1790 – 1810. Vanaf 1805 trokken de grote benden weg uit het Noordelijk Rijnland om zich te verspreiden over het oosten, zuiden en noorden van Duitsland. Geleidelijk aan werd het georganiseerde banditisme een perifeer verschijnsel[39].

Enkele voorbeelden van ‘Duitse benden’ zijn: de Moeselbende, de bende van Schinderhannes, de Neuwiedse bende, de Krefelds-Neusse bende, de Brabantse, Hollandse en Meerssener bende. Deze laatste drie benden waren vertakkingen van de Grote Nederlandse Bende en waren ook in de Bataafse Republiek actief. De Brabantse bende hield zich voornamelijk bezig met diefstallen, moorden en valsmunterij. Haar favoriete praktijken waren foltering d.m.v
geseling, verminkingen en bestormen van woningen. De bendeleden waren voornamelijk van Joodse afkomst. De
Hollandse bende was zeer bedrijvig in diefstallen met gewelddaden. De Meerssener bende maakte vaak gebruik van vermommingen wanneer ze diefstallen en moorden pleegden. Zij waren niet schuw van gewelddaden en het bestormen van woningen. Opmerkelijk was dat de leden vaak Frans spraken. De Krefelds-Neusse bende werkte samen met de Meerssener bende en hielden zich voornamelijk bezig met kerkdiefstallen na inbraak en struikroverij. Ze had bijna geen Joodse bendeleden en opereerde meestal sluipend en in kleine groepjes. Johann Bückler (alias Schinderhannes), de kapitein van de bende, gaf zijn medewerkers aanvankelijk de opdracht om paarden te stelen. Later schakelde de bende over op struikroverij, nachtelijke diefstallen en ook moorden. De gehanteerde praktijken waren voetbranden, doodsbedreigingen, verwondingen, bestormen van huizen en afpersingsbrieven. Ze bereidden hun diefstallen meestal grondig voor en hun slachtoffers waren Joden en marktkramers. De Moeselbende was zeer bedrijvig in paardendiefstallen, moorden en brandstichtingen. Hierbij werden de slachtoffers verwond en zelfs verminkt. Opmerkelijk is het feit dat de bendeleden meer individueel dan collectief opereerden. Een laatste voorbeeld is de Neuwiedse bende
die zich specialiseerde in diefstallen en brandmoorden maar eerst werden de slachtoffers gefolterd. De slachtoffers van deze bende waren meestal officiële instanties en staatsbedienden[40].

Dit overzicht toont aan dat de ‘Duitse’ benden vaak gruwelijk en sterk doordacht te werk gingen en daardoor zeer moeilijk te vatten waren. De aanwezigheid van de vertakkingen van de Grote Nederlandse Bende bewijst dat sommige benden internationaal actief waren.

 

2.4. Enkele beschouwingen over het buitenlandse banditisme.

 

Stefaan Top poneerde enkele relevante vaststellingen m.b.t het wezen van de groepsmisdadigheid in het buitenland. Deze vaststellingen zullen nu kort op een rijtje gezet worden[41].

1. Het is volgens de auteur nog helemaal niet bewezen dat deze criminaliteit in collectief verband streng georganiseerd was. Van een onwrikbare leider kan men evenmin spreken. Het leiderschap was meestal afhankelijk van de aard en de plaats van het geplande delict. Maar de afwezigheid van een innerlijke hiërarchische structuur sloot niet uit dat de bende een samenhangend geheel vormde. Familiale en andere verhoudingen bewijzen dit.

2. In de manier waarop men tot de misdaad overgaat, nl. de aanwijzing en praktische realisatie ervan, steekt wel een zekere uniformiteit. De informatie werd door bepaalde rondtrekkende bendeleden ingewonnen en vormde een uitgangspunt van het al dan niet georganiseerd overleg. De selectie van de slachtoffers gebeurde eerder toevallig en werd hoofdzakelijk bepaald door op ervaring gebaseerde geruchten dat er bij deze of gene persoon buit te vinden was. Er werden dus geen systematische strooptochten gepland tegen bepaalde groepen zoals de adel, grootgrondbezitters, e.d. De slachtoffers bleken vooral tot de middenklasse te behoren. De dieven zochten vooral naar geld, gouden juwelen en zilverwerk, voedingswaren, klederen, enz.

3. Het staat vast dat het banditisme van het einde van de 18e eeuw en begin van de 19e eeuw een internationaal verschijnsel was. Bepaalde benden werkten regionaal, interregionaal en zelfs internationaal.

4. De uitgestrektheid van het werkterrein zou evenredig zijn met de kwantitatieve aanwezigheid van rondtrekkende en / of buitenlandse elementen in de bende, d.w.z hoe meer ambulante individuen en buitenlanders, hoe meer relaties en vandaar ook hoe groter het operatiegebied. Het is een uitgemaakte zaak dat het ambuleren tot het wezen van de criminaliteit behoorde.

5. Dit banditisme was vooral uitsluitend gericht op diefstal. De bendeleden hadden immers een bijzondere nood aan geld om in hun levensonderhoud te voorzien. De niet geldelijke effecten werden meestal verkocht en / of geruild. De opbrengst ervan was bedoeld voor eigen consumptie. Het is echter geen algemene regel dat het op een oneerlijke manier buitgemaakte geld voor immorele doeleinden werd gebruikt.

6. Wat de delicten zelf betreft zijn er geen gevallen van lustmoorden bekend en werd er weinig melding gemaakt van verkrachtingen. Aan de basis van deze criminaliteit liggen meestal seksuele frustraties. De rovers hadden slechts één behoefte, nl. klinkende munt. Om dat doel te bereiken waren alle middelen gewettigd. Dat verklaart waarom alle benden zich schuldig hebben gemaakt aan folteringen, verwondingen, verminkingen, bedreigingen met de dood of brandstichting en afpersing. Het aantal moorden is in verhouding tot het aantal diefstallen opvallend gering. Het feit dat de rovers het vooral gemunt hadden op de bezittingen van de slachtoffers en niet op hun leven, bewijst dat één van de oorzaken van het banditisme te zoeken is in een teruggang van de conjunctuur, die rechtstreeks de koopkracht van een groot deel van de bevolking had aangetast. De sociaal-economische groepscriminaliteit was dan ook overwegend.

Deze vaststellingen zijn interessant om later in dit werk een vergelijking te maken met de situatie in het Scheldedepartement. Aan de hand van deze algemene besluiten kan er nagegaan worden of het banditisme in het Scheldedepartement dezelfde karakteristieken vertoont als in het buitenland voor een zelfde tijdsduur.

 

2.5. De Zuidelijke Nederlanden.

 

2.5.1. Algemeen.

 

Het banditisme in de Zuidelijke Nederlanden is reeds uitvoerig aan bod gekomen in de voorgaande hoofdstukken. Zo werden reeds de oorzaken van en beïnvloedende factoren op het banditisme in het eerste deel uitééngezet. Nu wordt er dieper ingegaan op de concrete situatie in onze gewesten.

De openbare veiligheid in de Zuidelijke Nederlanden kwam onder het Frans Bewind zwaar onder druk te staan door de toenemende criminaliteit. De bendeactiviteiten namen toe. De meeste brigands beweerden echter te strijden tegen het politieke bewind. Delanzac de Laborie schreef echter dat het gewoon om vulgaire bandieten ging, die zich verschuilden achter zgn. politieke revoltes. Toch was de paniek algemeen: in Diest en Hasselt verlieten boeren hun geïsoleerd gelegen huizen omdat deze de gemakkelijkste prooi vormden voor de benden. In de officiële documenten werd voortdurend melding gemaakt van de agressieve optredens van voetbranders en binders. De binders vormden met 20 à 30 personen een bende, vielen een huis binnen, knevelden de inwoners, namen alles mee wat voor hen waardevol was en lieten de inwoners vastgebonden achter tot iemand hen kwam bevrijden. De voetbranders folterden hun slachtoffers om te weten te komen waar hun geld en andere waardevolle spullen verborgen lagen[42].

In het eerste hoofdstuk van dit deel werd reeds aangetoond dat er twee soorten brigandage kunnen onderscheiden worden: het economische en het politieke banditisme. In Vlaanderen en Wallonië kwam grosso modo het sociaal-economisch banditisme voor. Deze karakterisering gaat op voor de benden van Boulanger en Moneuse in het departement van Jemappes, Guldentop en Cartouche in het departement van de Twee Neten en de binders in het Scheldedepartement. De overgang van sociaal-economische naar politieke groepscriminaliteit kan men zien in de min of meer georganiseerde plunderingen van
graanvoorraden en de massale aanvallen op verplichte rekwisities. Een voorbeeld van een zuiver politiek geïnspireerd bendeoptreden waren de acties van
Karel Jacquemyns alias Charlepoeng en dezijne. Tussen de jaren 1795 en 1809 kan een constante intensiteit van collectief banditisme vastgesteld worden in de Zuidelijke Nederlanden, nl. de benden van Pattyn en Salembier (1795-98), Van de Kerckhove en Van den Berg (1799-1803), De Raedt en Van Houtte
(1804-1809), allen actief in het Leiedepartement[43]. In Antwerpen, Brabant en Oost-Vlaanderen traden binders- en voetbrandersbenden op die genoemd werden naar hun hoofdman. De eerder genoemde benden van Boulanger en Moneuse bedienden zich van deze praktijken, net als de binders van de Pijpelheide en de Bende van Guldentop. De enige uitzondering vormt de huidige provincie Limburg. Na de Bokkenrijders in de jaren ’70 van de 18e eeuw, leek het alsof ze minder last had van groepen agressieve onmaatschappelijken. Toch werden ook in het departement van de Neder-Maas voetbrandersbenden gesignaleerd. De lokale overheid had echter een vermoeden dat deze criminaliteit enigszins onderdrukt werd door ondergedoken predikende priesters[44].

Als voorbeeld van het sociaal-economisch banditisme en van het politiek-ideologisch banditisme worden respectievelijk de bende van Bakelandt en de bende van Charlepoeng kort toegelicht.

 

2.5.2. Het Leiedepartement: de Bende van Bakelandt.

 

Lodewijk Bakelandt en zijn bende kunnen we situeren in de periode 1799-1801. In 1799 kwam Bakelandt in Staden in contact met een groepje misdadigers met wie hij in augustus deelnam aan een groepsdiefstal met inbraak. Bakelandts criminele wangedrag, dat een paar keer verstoord werd door deserties, eindigde in 1801 toen hij gearresteerd werd. Dit was het startsein van een gigantisch proces, dat aanvankelijk begon in Kortrijk, voortgezet werd in Ieper en uiteindelijk eindigde voor de criminele rechtbank van het Leiedepartement te Brugge[45]. Bakelandt, die voor 1799 slechts één keer in contact was gekomen met gerecht wegens een vechtpartij, heeft slechts een tweetal jaren gespendeerd aan zijn criminele activiteiten. Doordat hij zeer mededeelzaam was tijdens het onderzoek, mag er ook van uitgegaan worden dat er niet meer diefstallen gepleegd werden door zijn bende dan vermeld in de sententie[46].

De bende bestond uit een dertigtal leden (25 mannen en 8 vrouwen) waarvan iedereen schuldig werd bevonden van tweeëntwintig delicten (vier gevallen van struikroverij, dertien diefstallen met uit- en/of inwendige inbraak, drie diefstallen met inbraak en verwondingen en één roofmoord). Zeven van deze misdaden mislukten omdat de bendeleden uit angst of noodzaak wegvluchtten.

De vrouwen hebben door spionage, het ronselen van medewerkers, het verkopen van gestolen goederen, het geven van tips, het verrichten van huishoudelijk werk en vooral door hun intieme relaties met de mannelijke bendeleden, voor de cohesie in de bende gezorgd. De beroepen van de leden kan men herleiden tot de hoofdgroepen, nl. dagloners, handwerkers en kleine middenstanders. Van de vijfentwintig mannelijke bendeleden waren slechts drie recidivisten (personen die reeds eerder voor een misdrijf werden veroordeeld) en zes of acht deserteurs. Hun slachtoffers waren meestal plattelandsbewoners, die alleen woonden en met de landbouw hun brood verdienden. Uiteindelijk werden er op 20 augustus 1803 drieëntwintig bendeleden ter dood veroordeeld en terechtgesteld op Allerzielendag 1803 op de markt van Brugge[47].

 

2.5.3. Het Dijledepartement: Charles Jacqmin.

 

Charles Joseph Jacqmin, alias Charles de Loupoigne of Charlepoeng was geen struikrover maar had niet het politieke gewicht van Emmanuel Rollier en Emmanuel van Gansen[48]. Hij kan eigenlijk het best geplaatst worden tussen deze leiders van de Boerenkrijg en Schinderhannes. Schinderhannes was een ordinaire dief maar verwierf bij de bevolking een aureool van vrijheidsstrijder omdat hij het regelmatig aan de stok kreeg met de Franse gendarmen. Het is een feit dat Charlepoeng de Franse bezetter regelmatig het leven zuur maakte. Hij was een verzetsman, een vrijheidsstrijder. Maar er zijn ook genoeg aanwijzingen dat hij een gewone bandiet is geweest. Charles de Loupoigne, een snoevend avonturier die beschikte over een behoorlijke dosis lef, is een omstreden en raadselachtige figuur. Zijn verhaal gaat over een zwervend bestaan van, over vermommingen en persoonverwisselingen,
achtervolgingen en ontsnappingen en over listen en lagen allerlei. Hij was iemand die door een samenloop van omstandigheden een brigand werd en de luttele krachten waarover hij beschikte, moest inzetten tegen de Franse staat, die de Zuid-Nederlandse bevolking een ‘vrijheid’ wilde opleggen die niets te maken had met de haar vertrouwde ‘vrijheden’.

In tegenstelling tot andere benden, was Jacqmin nooit wreed of gewelddadig en kon hij steeds op sympathie rekenen. Op het ogenblik dat hij in 1795 handlangers bijeentrommelde en het verzet tegen de Fransen begon te organiseren, was hij aan lager wal geraakt[49]. Hij was in 1794 na de Oostenrijkse nederlaag door de Fransen gevangengenomen omdat hij had gestreden aan Oostenrijkse zijde. In 1795 werd hij vrijgelaten en trok hij zich terug in het Zoniënwoud waar hij zijn criminele verzetsplannen voorbereidde.

Charlepoeng wist verschillende keren door de mazen van het net te glippen. Voor 1799 zou hij nooit gevat worden. Op 6 ventôse IV (25 februari 1796) werd hij bij verstek wegens contrarevolutionaire acties ter dood veroordeeld. Enkele maanden later, in het begin van het jaar V, werden verschillende inwoners van Leuven veroordeeld omdat zij hulp geboden hadden aan de brigand. Charlepoeng zou een tijdlang ondergedoken leven in het Marollenklooster te Leuven. Vanuit dit klooster heeft hij brandbrieven en oproepen tot verzet verspreid. Toen in 1798 de Boerenkrijg uitbrak, was het Franse bestuur verbaasd over het feit dat er geen leider was. Daarom dachten velen dat Charlepoeng en zijn bende een hand hadden in de opstand. Maar de bronnen geven hier geen bevestiging over. De brigand heeft wel een schuilplaats geboden aan deserteurs en dienstweigeraars die zijn bende kwamen vervoegen. In 1799 zou een dienstweigeraar de schuilplaats van Charlepoeng en zijn bende verraden. Van de veertig bendeleden die zich in hun schuilhol bevonden, overleefden slechts 5 man het gevecht met de Fransen. Ook Charles de Loupoigne werd ter plaatse gedood. ’s Anderdaags op 13 thermidor VII (31 juli 1799) werd het hoofd, na de officiële identificatie, gedurende drie uur op het schavot op de Brusselse markt tentoongesteld, samen met het vonnis van de terdoodveroordeling. De dood van deze brigand werd in Brussel bekend gemaakt als een schitterende overwinning op het gewapend verzet[50].

 

 

3. Het banditisme in het Scheldedepartement 1795 - 1814.

 

In het vorige hoofdstuk werd de situatie in de buurlanden en in de rest van de Zuidelijke Nederlanden toegelicht. Nu we een algemeen beeld hebben van de bendecriminaliteit onder het Franse regime, kunnen we de casus van het Scheldedepartement uitwerken. In een eerste fase wordt dit gedaan aan de voorhanden zijnde literatuur. Hierbij gaat de aandacht uit naar zowel de op bronnen gebaseerde werken als de verhalende werken, de legendes. Als tweede punt zal het bronnenonderzoek uitgebreid worden beschreven. Na een korte toelichting van de gebr