Brigandage en banditisme in het Scheldedepartement gedurende de Franse tijd. (1795-1814). (Eva Van Boxelaer)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel I: Algemene achtergrond.

 

Inleiding.

 

In dit eerste deel is het bedoeling om op zoek te gaan naar de factoren die het banditisme in de hand hebben gewerkt. De komst van de Fransen betekende het einde van het Ancien regime en haar instellingen. De Franse veroveraars besloten na de annexatie van de Zuidelijke Nederlanden om nieuwe structuren en instellingen van bestuurlijke en juridische aard te creëren. In een eerste hoofdstuk wordt nagegaan in welke mate de komst van de Franse revolutionairen en de institutionele veranderingen hun invloed hadden op de ontwikkeling van het banditisme. Twee zaken krijgen hier speciale aandacht: ten eerste de invoering van de conscriptiewet en ten tweede de Boerenkrijg. In hoeverre hebben deze twee gebeurtenissen een invloed uitgeoefend op van het banditisme? De veranderingen op het gerechtelijke vlak zijn voor mijn onderzoek van groter belang. In het derde hoofdstuk wordt dan ook dieper ingegaan op de nieuwe juridische instellingen en hun werking.

Vaak wordt door auteurs aangehaald dat armoede en criminaliteit hand in hand gaan. Mensen die in armoede leven zouden zich gemakkelijker overgeven aan de verlokkingen van een crimineel bestaan. Armoede vloeit dan weer voort uit een slechte economische toestand. Daarom wordt in het tweede hoofdstuk aandacht besteed aan de economische ontwikkelingen in de periode 1795 – 1814.

Eerder werd reeds vermeld dat de gerechtelijke structuur heel wat veranderingen heeft ondergaan onder invloed van de Franse overheersers. Tegelijkertijd veranderde ook het strafrecht waaraan de rechtbanken en rechters gebonden waren. Daarom verdienen de strafrechtelijke ontwikkelingen een apart hoofdstuk. Hierin zal de aandacht vooral gaan naar de straffen aangaande bendecriminaliteit. In het voorlaatste hoofdstuk van dit deel wordt onderzocht of de politionele diensten in de bestudeerde periode in staat waren om het hoofd te bieden aan het banditisme en welke inspanningen er op dit vlak door de staat werden gedaan om de criminaliteit in te perken.

Tenslotte wil ik benadrukken dat het niet mijn bedoeling is om de Franse Revolutie te bespreken. Wel wil ik de gevolgen van de Franse inval en de annexatie van de Zuidelijke Nederlanden bij Frankrijk aanhalen in hoeverre ze van belang zijn voor mijn onderzoek naar bendecriminaliteit tussen 1795 – 1814.

 

 

1. De politieke en institutionele ontwikkelingen.

 

Het Ancien Regime staat in het algemeen voor een statische en gereglementeerde samenleving waarin de adel het voor het zeggen had. De Franse revolutie had in 1789 hier een einde aan gemaakt en op het maatschappelijk gebied behaalde de bourgeoisie de overwinning op de verzwakte adel. Wanneer de Franse revolutionairen de Nederlanden binnendrongen, brachten ze de maatschappijstructuur en het ideologisch kader van de suprematie van de burgerij met zich mee. Dit betekende het einde van de oude structuren. De Fransen waren vooral vrijgevig in de overdracht van nieuwe ideeën maar tegelijkertijd joegen ze hun eigen belang na[1].

De Fransen zouden de Zuidelijke Nederlanden in twee stappen veroveren. Een eerste keer trokken ze ons land binnen in 1792 maar een jaar later sloegen de Oostenrijkers terug en werden de Fransen verdreven. In 1794 onder het bewind van Robespierre kwamen de Franse legers terug en versloegen ze de Oostenrijkers na de slag bij Fleuris. Deze keer leek de verovering definitief te zijn. De Fransen zouden de Zuidelijke Nederlanden tot 1814 bezetten.

 

1.1. De eerste bezetting 1792 –1793.

 

Reeds in 1789 groeide in de Zuidelijke Nederlanden het verzet tegen de Oostenrijkse keizer Jozef II. Hun verzet zou zich uiten in de zgn. Brabantse Omwenteling die uitbrak in oktober van dat jaar. De ‘Belgische’ opstandelingen waren uit op de handhaving van de bestaande situatie, die steunde op de meest behoudende krachten. Ze keerden zich tegen de vernieuwingen die Wenen de Zuidelijke Nederlanden wou opleggen binnen het kader van de verlichte Oostenrijkse monarchie. De opstandelingen hadden zich in een vrij onsamenhangend verbond van provinciale staten (de Verenigde Belgische Staten) verenigd. In geen tijd hadden de opstandelingen de Zuidelijke Nederlanden veroverd op de Oostenrijkers. Op 7 januari 1790 werden de Verenigde Belgische Staten door het Soeverein Congres uitgeroepen. Gedurende een korte tijd was ‘België’ een zelfstandige republiek, maar de Oostenrijkers konden vrij snel terugslaan. Het is in deze context dat we de houding van de Zuidelijke Nederlanden t.o.v de Fransen moeten begrijpen. Voor hun komst werden de Franse revolutionairen, op grond van hun beweringen en ook omdat ze tegenstanders van Oostenrijk waren, verafgood en gezien als de belichaming van het vrijheidsideaal. Toen de Fransen na de slag bij Jemappes (6 november 1792) het Oostenrijkse leger hadden verslagen, werden ze door de bevolking met groot enthousiasme binnengehaald. Al vrij snel verminderde het enthousiasme naarmate de politiek van Frankrijk werd gekenmerkt door een gebrek aan samenhang zowel in de vanuit Parijs gegeven richtlijnen als in de uitvoering daarvan ter plaatse. Het revolutionaire elan van de troepen, hun radicale verklaringen en hun buitensporige eisen botsten met de traditionalistische geaardheid van de plaatselijke bevolking. De Zuidelijke Nederlanden werden ter plaatse bestuurd door generaal Dumouriez[2]. Dumouriez wilde een onafhankelijk en gematigd België waarin een belangrijke rol voor hem zou zijn weggelegd en dat met een gematigd republikeins Frankrijk verbonden zou zijn. Het revolutionaire Frankrijk had echter andere plannen en wilde, zonder rekening te houden met de wensen van de Belgen, doorgaan met de onverzoenlijke politiek en het Belgische grondgebied opslorpen. Hun doel was een machtig rijk te vormen dat Europa domineerde.

Vanaf dat moment stapelden de misverstanden zich op. Van het proclameren van de vrijheid van de ‘Belgen’ verwachtten de Fransen slechts één ding, namelijk dat zij, gebruik makend van deze vrijheid, zich met Frankrijk zouden verbinden. Eenmaal vrij wilden de Belgen echter op hun eigen manier van die vrijheid gebruik maken door onafhankelijk te blijven, in de geest van de oude ‘vrijheden’. De botsing tussen deze tegenstrijdigheden kwamen nog harder aan omdat de bevolking in het algemeen blijk gaf van haar band met het verleden door haar gehechtheid aan de godsdienst, terwijl de revolutionaire troepen ter plaatse op onbeschaamde wijze uiting gaven aan hun minachting voor alle verouderde instellingen, en vooral voor die op het godsdienstig gebied. Bovendien bevonden de Fransen, die aan alles te kort hadden, zich te midden van een bevolking die in hun ogen in overvloed leefde. Door dit alles was de confrontatie tussen de Fransen en de Belgen des te heviger. Het uitblijven van een broederlijk antwoord van hun ‘Belgische broeders’ op hun ‘universele boodschap’ zette de Fransen aan tot onverzoenlijkheid en provocaties. De onderlinge verhoudingen wijzigden zich snel van een relatie van bevrijders ten opzichte van bevrijden in één van bezetters ten opzichte van onderdrukten.[3] Het is dan ook niet te verwonderen dat de plaatselijke bevolking afwijzend reageerde op de mengelmoes van principebesluiten en uitvoerende maatregelen die een einde moesten stellen aan het Ancien Regime.

Het Oostenrijkse leger had zich echter vrij snel weten te herstellen van het verlies tegen de Fransen. In 1793 sloegen ze terug en deze keer moesten de Franse troepen hun meerdere herkennen. Op 18 maart 1793 werden de troepen van Dumouriez bij Neerwinden verslaan en kwamen de Zuidelijke Nederlanden opnieuw onder Oostenrijks gezag te staan. Deze keer werden de Oostenrijkers met enthousiasme begroet. Toch zouden de Belgen opnieuw een halsstarrige houding aannemen ten opzichte van de Oostenrijkers. Daarom aanvaardden ze geen hulp om definitief van de Fransen bevrijd te worden.

De omvangrijke operatie om de natie te mobiliseren leidde tot een ommekeer in de krachtsverhoudingen tussen het republikeinse leger en dat van hun tegenstanders. Het ongeordende enthousiasme van het eerste zou het halen op het futloze apparaat van het laatste[4].

 

1.2 . De tweede bezetting 1794.

 

Ten gevolge van de slag bij Fleuris op 26 juni 1794 was een groot deel van België in Franse handen gevallen en grondig geplunderd. Aanvankelijk weigerde de Republiek het land in te lijven, ofschoon dat tijdens de eerste bezetting reeds beslist was. Kort na de tweede inval ging het vooral om de verkondiging van ideeën; in 1794 kwamen thema’s van verovering en materieel voordeel uit de bezetting op de voorgrond.[5] De Oostenrijkse Nederlanden en het prinsbisdom Luik werden onderworpen aan een militaire bezetting waaraan elk ideologisch motief ontbrak. Deze gebieden werden echter niet alleen het slachtoffer van de militaire operaties maar vooral van de zware oorlogsheffingen. Ze moesten alles leveren wat maar invordervaar was en wat noodzakelijk was voor het voortbestaan van de Franse troepen. De gestelde eisen waren slecht gecoördineerd en buitensporig. Er werd al lang geen beroep meer gedaan op solidariteit of op broederschap. Maar ondanks alles bleef de ideologie overeind: de vorderingen waren slechts gericht naar de rijken, met uitsluiting van de armen. In feite drukten ze zo zwaar dat iedereen erdoor getroffen werd. De Zuidelijke Nederlanden kregen ook de zware klap te verwerken van een buitengewone ‘militaire bijdrage’ die in klinkende munt moest betaald worden[6]. Bij de opgeëiste geldbedragen kwamen nog allerlei vorderingen met betrekking tot paarden en transportmiddelen, graan, vee, stoffen, hout, enz. Daarbij kwam nog de beslaglegging op sommige kerkelijke bezittingen en op de eigendommen van de émigrés, die overigens in gering aantal bleven.[7]

Tijdens deze geldverslindende bezetting gingen de Fransen uit onbegrip of minachting voor de plaatselijke bevolking nog meedogenlozer te werk. Terwijl hun legers ter plaatse tal van bezettingstaken hadden te vervullen, beschikten de Fransen onder de bevolking niet over ideologische steunpunten, mensen die hun plannen ten uitvoer konden brengen. Ze konden slechts rekenen op een klein aantal volgelingen die vaak radicale aanhangers van de revolutionaire ideeën waren. Omdat er zo weinig aanhangers waren, werden deze personen op het bestuurlijke vlak aangevuld met Fransen. Zij moesten het voorlopige bestuursapparaat dat in werking was tot 1 oktober 1795, draaiende houden. Alle Belgische landsdelen werden samengebracht onder één centraal bestuur, de Administration centrale et supérieure de la Belgique, dat was samengesteld uit negen ‘Belgen’ en vier Fransen. Dit orgaan werd na de annexatie vervangen door de Conseil de Gouvernement (de Raad van bestuur).

Belast met ontelbare taken vanwege de voortdurende stroom besluiten van de Fransen, legden de bestuursorganen, waarin de ‘Belgen’ de meerderheid hadden, een onvermoeide werkzaamheid aan de dag. In een groot aantal gevallen vormden zij, dankzij de goede wil en het gezonde verstand van de leden, een raderwerk dat in staat was de moeilijkheden op te vangen die voortvloeiden uit de onwetendheid van de machthebbers in Parijs met betrekking tot de situatie ter plaatse en uit stilzwijgend verzet van de lokale bevolking. Hun taak werd vooral bemoeilijkt doordat de plaatselijke autoriteiten zich op alle mogelijke manieren aan hun verplichtingen trachtten te onttrekken, onder meer door massaal ontslag te nemen. In de Nederlandstalige delen waren de problemen nog groter doordat de Fransen er een erezaak van maakten om hun eigen taal te gebruiken. Hierdoor hadden de lokale autoriteiten nog een extra wapen in hun verzet tegen de bezetter door te doen alsof ze niets begrepen hadden van de eisen. Naast hun bestuurlijke functies legden ze zich ook toe op de invoering van hervormingen die aansloten bij de ideologie van de overwinnaar en die een einde maakte aan de oude gebruiken. Dit alles speelde zich af tegen de achtergrond van de stroom van rekwisities (die betaald werden in waardeloze assignaten) en de uitzonderlijk strenge winter van 1794 – 1795.[8]

De eerste maanden van de tweede bezetting waren dus uitermate zwaar. Het zakenleven stagneerde. De armoede was zeer groot. Op het platteland heerste banditisme, soms gekleurd met een vleugje politiek verzet. Een voorbeeld hiervan waren de acties van Charles de Loupoigne en de zijnen in januari 1796. Onder het roepen van ‘Leve de keizer’ pleegden zij, tussen Brussel en Charleroi, overvallen op de Fransen.[9]

 

1.3. De inlijving en assimilatie 1795 - 1797.

 

Na een jaar was de toestand zo chaotisch dat ook de meest gematigden, in weerwil van hun diep gewortelde overtuiging, de inlijving als het beste middel beschouwde om een einde te maken aan de strenge status van het bezet gebied. Zo stemden de belangen van de bevolking en de expansionistische plannen van Parijs met elkaar overeen[10]. Alvorens men tot de uiteindelijke inlijving overging, werd er eerst nog deftig gediscussieerd. Er kwamen verschillende standpunten naar voor tijdens deze discussie. Zo zagen sommigen de Zuidelijke Nederlanden als een soort zusterrepubliek van Frankrijk. Anderen waren dan weer voorstander van een volledige aanhechting bij het moederland. Een derde groep vond dat een kleine zuidelijke helft van België bij Frankrijk hoorde en de rest bij de Bataafse Republiek. Dit laatste voorstel werd echter onmiddellijk afgekeurd[11]. Uiteindelijk zou de inlijving met het decreet van 1 oktober 1795 een feit zijn. Voortaan gingen alle bewoners van de Oostenrijkse Nederlanden en het prinsbisdom Luik door het leven als Fransen[12].

De Fransen moesten na de inlijving een vrij delicate opdracht vervullen: het vertrouwde, oude regime moest afgebroken en het nieuwe geïntroduceerd worden. Hun taak was veelzijdig. Een viertal punten kan deze taak wellicht kort weergeven: het creëren van nieuwe structuren en instellingen van bestuurlijke en gerechtelijke aard, het invoeren van de Franse wetgeving inzake openbaar en kerkelijk leven, het vinden van zoveel mogelijk geld voor de republiek en tenslotte - en niet te verwaarlozen - het tot rust en medewerking brengen van de bevolking[13]. In dit hoofdstuk zal enkel teruggekomen worden op de bestuurlijke veranderingen. De nieuwe gerechtelijke instellingen zullen in een apart hoofdstuk besproken worden.

 

Een eerste bestuurlijke verandering was de indeling van de Zuidelijke Nederlanden en het prinsbisdom Luik in negen departementen, waarvan de grenzen in grote trekken samenvielen met die van de (oude) negen provincies van België, namelijk: Leie (West-Vlaanderen, Brugge), Schelde (Oost-Vlaanderen, Gent), Twee Neten (Antwerpen, Antwerpen), Neder-Maas (Limburg, Maastricht), Dijle (Brabant, Brussel), Jemappes (Henegouwen, Bergen), Samber-en-Maas (Namen, Namen), Ourthe (Luik, Luik) en de Wouden (de twee Luxemburgen, Luxemburg)[14]. Naast de opdeling in departementen werd ons grondgebied verder onderverdeeld in 216 kantons. Op het platteland werden kantons geherstructureerd en kleine dorpen werden tot kantonmunicipaliteiten omgevormd. Veel moeilijker werd echter het opvullen van de kaders met betrouwbare en eerlijke personen. De meeste bestuurders moesten overeenkomstig de Franse wetgeving verkozen worden en mochten voor hun ambtuitoefening geen vergoeding krijgen. Het eerste jaar werden zij van hogerhand benoemd en bleven hun prestaties gratis. Bij elk bestuur werd een vertrouwensman als commissaris van het Directoire aangesteld; die werd wel betaald. Velen weigerden dan ook, om principiële of financiële redenen. Bouteville[15] en zijn voorgangers hadden niet altijd een grote keuze of veel tijd: de nieuwe structuren moesten zo vlug mogelijk werken en bewijzen dat zij beter en efficiënter waren dan de afgeschafte.

Voor de negen departementen had men 45 bestuurders en 9 commissarissen nodig. Om deze kaderplaatsen op te vullen moest het Directoire in één jaar tijd 106 benoemingen realiseren, want het regende ontslagen. Voor het beheer van steden en kantons had men niet veel keuze. Indien men geen extremisten of anarchisten wilde benoemen, moest men wel eens anti-Franse personen aanstellen[16].

Tekenend voor deze niet geringe taak van Bouteville en zijn voorgangers, die met onvoldoende middelen moest worden uitgevoerd, was de fundamentele tegenstelling tussen de geproclameerde ‘assimilatie’ en de reële situatie die in vele opzichten leek op een voortzetting van de bezetting. Het werk heette voltooid te zijn aan het einde van de ambtstermijn van Bouteville. In feite was er niet veel veranderd en was de afstand tussen de Fransen en de ‘Belgen’ alleen maar groter geworden omdat de plannenmakers de onderlinge verschillen over het hoofd hadden gezien. Dit bleek voor de eerste maal tijdens de verkiezingen – volgens het censussyteem en met twee ronden – van 21 maart 1797. De Belgen, die het jaar voorheen niet werden uitgenodigd om deel te nemen, werden nu wel toegelaten bij de verkiezingen. Deze verkiezingen brachten al vrij snel problemen met zich mee. Niet iedereen, die mocht gaan stemmen, voelde zich geroepen om dit te doen of voelde zich volstrekt niet betrokken bij deze toepassing van de democratische rechten in paradoxale omstandigheden. Anderen vreesden dan weer dat men door te gaan stemmen de annexatie erkende. Dit zorgde reeds bij de inschrijving in de kiesregisters voor problemen. Op plaatsen waar sommigen hadden begrepen hoe de situatie kon worden uitgebuit, waren de gekozenen tegenstanders van de nieuwe ideologie. Zij waren duidelijk erg conservatief en zelfs ronduit reactionair terwijl men in Frankrijk op grond van de binnenlandse situatie een duidelijke zwenking naar rechts maakte. In de meeste departementen behaalde het conservatisme de overwinning en wel op een zo grote schaal dat sommige gekozenen aftraden om zich niet door middel van een eed tegen de monarchie te moeten verklaren; anderen traden in dienst zonder de eed af te leggen[17].

De eenzijdige annexatie moest ook leiden tot de opheffing van de wetten van het Ancien Regime en de invoering van de Franse wetgeving. Men had tot dan toe de oude wetten en costuimen gehandhaafd. Een onmiddellijke omschakeling zou zeker een onoverzichtelijke chaos hebben veroorzaakt. Daarom was vooral bij deze vernieuwing geleidelijkheid geboden. De Franse wetten waren enkel van toepassing wanneer deze in ons land werden gepubliceerd. Op sommige plaatsen, zoals Henegouwen, had men niet eens gewacht tot de aanhechting om de Franse regelingen over te nemen.

De nieuwe wetten werden stapsgewijs gepubliceerd. De meer burgerlijke grondwet van het jaar III, werd reeds op 6 oktober 1795 aan het land opgelegd. Men kan deze datum beschouwen als het principiële einde van het Ancien Regime. De verdere opvulling van het Nieuwe Regime door wetten en instellingen zou meer dan 15 maanden in beslag nemen. Eerst werden de structurele wetten op de afschaffing van de tienden, de feodale rechten, het corporatisme en de tollen afgekondigd, en werden de rechtbanken met jury’s en de wetgeving op huwelijk en echtscheiding ingevoerd. Zij sloegen grote bressen in de regelingen van het Ancien Regime.

Later werden de wetten op strafrecht en fiscaliteit, op de organisatie van de burgerlijke stand, het patentrecht, de grondbelasting en de afschaffing van de kloosters gepubliceerd. Zij gaven aanleiding tot woelige reacties en verzet. De invoering van de burgerlijke stand verwekte ongerustheid bij de bewoners, omdat de overheid aldus kennis kon krijgen van de leeftijd en de jongeren kon opsporen voor de conscriptie. Zij leidde tot zware tegenstand bij de geestelijkheid, omdat men haar zonder enige afspraak alle documenten ontnam en verbod oplegde nog boekingen te doen van of uittreksels te verlenen. De antikerkelijke sfeer maakte haar zeer gevoelig voor deze maatregel.

Op 6 december 1796 kon men dan decreteren dat voortaan alle nieuw gestemde wetten ook in de départements réunis toepasselijk waren.

De gevorderde uitbouw van de nieuwe overheidsinstellingen liet toe de algemene invoering van de Franse wetten in het vooruitzicht te stellen. Het bleek ondoenbaar alle Franse regelingen op te leggen: zij waren veel te talrijk – meer dan 22 000 – en spraken mekaar al eens tegen. Een commissie werd met een schifting belast. Al vlug nam de minister van Justitie Merlin de Douai haar taak over en liet op 26 januari 1797 een keuze van 438 wetten afkondigen. Daarmee was het Ancien Regime volledig afgeschreven[18].

 

1.4. Het groeiend verzet 1797 – 1799.

In 1797 vond er in Frankrijk zelf op het politieke vlak een verschuiving naar rechts waar te nemen. De verschuiving was echter maar van korte duur. De staatsgreep van 18 fructidor (4 september 1797) maakte een einde aan de conservatieve tendensen in Frankrijk. Deze werden beteugeld en in het voetspoor daarvan gebeurde hetzelfde met de Belgische conservatieven, die specifieke redenen hadden voor hun behoudendheid. De gevolgen van de politieke koerswijziging waren merkbaar in het openbare leven. Het grootste deel van de in het voorjaar gekozenen werd ontslagen en vervangen door radicalere rivalen of door personen op wie de Fransen meenden te kunnen vertrouwen. De verkiezingen van 1798 werden dan ook voor een groot deel gestuurd zoals de overheid dat wilde.

Vervolgens verslechterde de toestand snel, terwijl die zich juist enigszins leek te hebben gestabiliseerd op grond van de verwachtingen die bij de bevolking waren gewekt tussen de verkiezingen in het voorjaar en de staatsgreep in de herfst. De partners hadden namelijk weinig meer van elkaar te verwachten.

Het afbreken van de dialoog tussen regeerders en geregeerden ging gepaard met een algemene inzinking in de industrie, de economische bedrijvigheid, het maatschappelijk leven en het onderwijs en met een intensivering van de controle op de activiteiten op het politieke en intellectuele vlak. Maar de gevolgen van de politieke ommekeer manifesteerden zich vooral in het godsdienstige leven. Tot het einde van het Ancien Regime had de bevolking steeds in sterke mate de invloed ondergaan van de Rooms-katholieke kerk. De kerk bestierde het leven van individu en gemeenschap van de wieg tot het graf. De eerste aanvallen van de Oostenrijkers op deze hoeksteen van de samenleving had de aanhankelijkheid van de bevolking zeker niet aangetast. Integendeel! Met de komst van de Fransen verergerde de toestand alleen maar. Aanvankelijk waren de Fransen op dit gebied zeer voorzichtig te werk gegaan. De geestelijken werden slechts verplicht de eed van trouw aan de republiek af te leggen. Maar geleidelijk aan nam de druk op het godsdienstige leven toe. In 1796 volgden verschillende maatregelen elkaar in een ijltempo op. Eerst werden ze de registers van de burgerlijke stand ontnomen en daarna werd een verbod op het dragen van priesterkledij uitgevaardigd. De echte aanval op de kerk werd ingezet door de confiscaties van het bezit van de geestelijken en het afschaffen van religieuze orden. De bedoeling van deze maatregelen was het in perken van de autonomie van de kerk. De gelovigheid van de bevolking werd hierdoor echter niet aangetast. Omdat het godsdienstig leven van officiële zijde zo werd ingeperkt dat het voor de bevolking niet langer acceptabel was, nam zij haar toevlucht tot clandestiene godsdienstbeoefening[19].

Een tweede concrete oorzaak van verzet tegen de Franse overheerser vormde de wet van 5 september 1798, die de conscriptie van jongemannen van 20 tot 25 jaar regelde. Zij werd opgelegd aan de aangehechte departementen. Deze maatregel, die indruiste tegen alle lokale tradities, diende om een politiek te ondersteunen die door de overgrote meerderheid van de bevolking werd verworpen. Bijna onmiddellijk ontketende hij een revolte[20].

Er zal nu kort dieper ingegaan worden op de conscriptiewet en haar verdere ontwikkelingen. Daarna komt de Boerenkrijg aan bod. Deze twee feiten krijgen een speciale aandacht om na te gaan in welke mate ze een katalysator zijn geweest voor het banditisme.

 

1.4.1 De conscriptie.

 

De conscriptiewet van 5 september 1798 hield in dat alle jongemannen van 20 tot 25 jaar konden opgeroepen worden om in het Franse leger te treden. Deze wet was één van de meest ingrijpende vernieuwingen van de Franse revolutionairen: er werd namelijk een permanente wervingsreserve voor het leger aangelegd. De nood aan een permanent wervingsreserve vloeide voort uit de constante oorlogsdreiging van de Europese coalitiepartners. De Fransen ontwikkelden de theorie van de défense de la mère patrie. De verdediging van de liberté (de vrijheid) werd een burgerplicht, die in het licht van de geallieerde invasie enthousiast werd opgenomen. Aanvankelijk zou de invoering van de dienstplicht, die gebaseerd was op een lotelingensyteem, op verzet stuiten van de bevolking, zowel in Frankrijk als in de Verenigde departementen[21]. De Bloedwet, zoals ze ook wel genoemd werd, werd aangevoeld als een oorlogsverklaring. De tijd was rijp om te veranderen van verzetstactiek. De tijd van het passieve verzet werd vervangen door een tijd van openbare, actieve weerstand die in de Zuidelijke Nederlanden zou resulteren in het uitbreken van de Boerenkrijg[22]. Op dit fenomeen wordt in de volgende paragraaf op teruggekomen. Het verzet tegen deze nieuwe wet kwam niet alleen van de bevolking maar ook de lokale overheden lieten hun ongenoegen blijken. De lokale overheden hadden namelijk de weinig benijdenswaardige positie om de conscriptielijsten voor hun gemeente op te stellen. Aanvankelijk lieten ze hun ongenoegen blijken door de beslissingen van Parijs tegen te werken. Maar geleidelijk aan zouden de lokale overheden de kant kiezen van het centrale bestuur en stonden ze in voor de repressieve maatregelen die door Parijs en Gent werden opgelegd. Nam de tegenwerking onder het Consulaat nog alle mogelijke vormen aan, onder het keizerrijk zien we steeds meer overtuigde maires aan het werk, die vooral op een goed blaadje wilden staan bij de prefect en de minister van oorlog. Om de fanatiekelingen te overtuigen, werden tal van commissaire speciaux gestuurd, die op hun kosten de hen opgedragen taken kwamen uitvoeren.

Aanvankelijk verzette de bevolking zich tegen deze nieuwe wet door doof te blijven voor de oproep tot dienstplicht. De lokale autoriteiten hielpen in het begin de dienstweigeraars door hen te vrijwaren van de sanctie die hen boven het hoofd hing: plaatsing op de lijst van de émigrés – d.w.z verbeurdverklaring en inbeslagname van de inboedel[23]. Volgens Top kan er met relatieve zekerheid gezegd worden dat kwantitatief bekeken de meeste frauduleuze praktijken in verband gebracht kunnen worden met de conscriptie[24]. De overheid reageerde op het grote aantal dienstweigeraars door het toekennen van juridische gevolgen aan de refractairs. Hierdoor zagen ze al vrij snel de ernst van hun situatie in en daalde het aantal dienstweigeraars.

Naast militaire had het probleem van de weerspannigheid ook politieke gevolgen. De refractairs werden permanent opgejaagd. De gendarmerie organiseerde zich in colonnes mobiles, beweeglijke eenheden lichte cavalerie die onafgebroken het platteland doorkruisten, op jacht naar de weerspannigen. Daarenboven werden in toenemende mate premies toegekend voor wie hun arrestatie hielp bewerkstelligen, terwijl strenge straffen gesteld werden op het verbergen van refractairs. Zij waren uiteindelijk nergens meer echt veilig en de rancune van zovele vogelvrijen tegen alles wat het regime vertegenwoordigde bleef altijd een belangrijke factor van politieke instabiliteit, met impact op het moreel van de troepen, de publieke opinie in het binnenland, op het sociaal weefsel binnen de dorpsgemeenschappen en op de samenhang van de gecentraliseerde staat. De aanwezigheid van ongeregelde bendes fuyards bemoeilijkte de bestrijding van de criminaliteit en versterkte de centrifugerende oppositie in de dorpen waarrond zij hun schuilplaats hadden[25].

De conscriptie verliep aanvankelijk zeer moeilijk en het aantal refractairs was groot. Naarmate men meer met de juridische gevolgen van de dienstweigering vertrouwd raakte, namen steeds meer conscrits de rationele beslissing om, alvorens in de illegaliteit te treden, eerst hun kans te wagen om op legale wijze vrijgesteld te worden. De dienstweigering werd voor een deel door de conscrits zelf uit de wereld geholpen. Ze gaven steeds meer en meer gehoor aan de oproepingen[26]. Toch bleef men in de aangehechte departementen maar ook in Frankrijk, met een percentage dienstweigeraars en deserteurs zitten, ondanks de strenge maatregelen van de overheid[27]. Na 1810 beleefde de Franse rekrutering haar gouden tijdperk. Nochtans kon zij de militaire situatie niet keren. Deze zou echter pas eind 1813 een reële impact krijgen op de resultaten van de rekrutering[28].

 

1.4.2 De Boerenkrijg.

 

De conscriptiewet van 5 september 1798 zou de concrete aanleiding vormen tot het uitbreken van de Boerenkrijg tijdens de nacht van 19 op 20 vendémiaire VII (10 op 11 oktober 1798). De Boerenkrijg was een beweging gekenmerkt door haar spontaniteit, door haar ongecoördineerde gang van zaken en het vrijwel ontbreken van kaders waardoor ze alle eigenschappen bezat van andere boerenopstanden[29]. De samenscholingen ontstonden in de eigen gemeente vanwaar de brigands de onmiddellijke omgeving van hun gemeente onveilig maakten[30]. Het was dus geen nationale opstand die overal in het land op hetzelfde ogenblik uitbrak maar een opstand die zich langzaam verspreidde over de rest van de Zuidelijke Nederlanden. Toch werden niet alle departementen in de opstand betrokken. Het verzet verspreidde zich vanuit het Scheldedepartement naar het Leie- en Dijledepartement, de departementen van de Twee-Neten en Beneden-Maas. De Waalse departementen lijken uit de strijd gebleven te zijn. Zij werden voornamelijk toevluchtsoorden van de brigands die deelgenomen hadden aan de strijd. Het departement van de Wouden (Luxemburg) werd echter overspoeld door een tweede boerenopstand, nl. de Klöppelkrieg die zich vanuit het huidige Groothertogdom Luxemburg verspreidde[31].

In het Scheldedepartement braken de eerste onlusten uit te Overmere in de nacht van 19 op 20 vendémiaire VI. De directe aanleiding was de bijeenkomst voor het opstellen van de conscriptielijsten. Deze opstoot was zeker niet het eerste verzet tegen de Franse overheerser, en zou – onder normale omstandigheden – onopgemerkt voorbijgegaan zijn. De onverwachte felheid waarmee de overheid de princiepswet op de conscriptie wilde doorvoeren, maakte echter dat deze opstoot een ander karakter kreeg. De ontevreden conscrits lieten het hier niet bij en tijdens de nacht van 21 op 22 vendémiaire breidde het verzet zich uit. De oproerlingen gingen het zich als een lopend vuurtje verspreidend gerucht achterna, en in een minimum van tijd waren alle arbres de la liberté (de zgn. vrijheidsbomen) in het kanton Overmere geveld. Gent reageerde onmiddellijk maar het kwaad was reeds geschied. Overal in het departement (en weldra ook daarbuiten) volgden groepjes opstandelingen het voorbeeld van Overmere. De gelijktijdigheid gaf de overheid even de indruk dat er een complot van de geallieerde coalitie mee gemoeid was, en de paniek sloeg toe …

De hierdoor ontstane aarzelingen en de chaotische reacties, gaven de beweging de tijd om de omvang aan te nemen die haar tot een legende zou maken: een bevrijdingsoorlog van de Zuid-Nederlanders tegen de republiek. De feitelijke gegevens wijzen echter veeleer in de richting van diverse lokale opstanden, die van elkaar gescheiden waren door republikeinse bolwerken (Gent, Aalst) maar ook door traditionele grenzen (Land van Aalst, Land van Waas)[32].

De opstand breidde zich snel uit naar de andere Vlaamse departementen. De revolte in het Scheldedepartement werd snel bedwongen. In dat van de Leie, waar de rebellie pas later op gang was gekomen, werd zij vrijwel meteen onderdrukt. De strijd en het verzet tegen de Fransen waren beter en feller georganiseerd in Brabant, tussen de Schelde, de Rupel en het kanaal van Willebroek. Maar zodra de Franse troepen zich hadden georganiseerd werd de Boerenkrijg in de kiem gesmoord[33].

 

1.5 . Consolidering onder het consulaat en het keizerrijk (1799 – 1814).

 

Geleidelijk aan zouden de Belgen de weg vrij maken, zo niet voor een vrijwillige aansluiting dan toch voor een instemming met eerst het Consulaat en vervolgens met het Keizerrijk, althans toen dit nog in opkomst was. Ze overzagen echter niet meteen de draagwijdte van die gebeurtenissen, omdat ze zich nog steeds niet betrokken voelden met de zaak. Dit blijkt uit de deelname aan de volksstemming over de nieuwe grondwet die in de aangehechte departementen maar gering was.

Bonaparte en degenen die zijn greep naar de macht steunden, wilden een gezagsapparaat creëren waarin de macht zou berusten bij zo min mogelijk personen. Aanvankelijk werd de macht uitgeoefend door drie consuls - waarvan twee niet meer dan marionetten waren – en daarna door één consul. Dit gezag moest ondersteund worden door de rijke bourgeoisie en de leden van de vroegere adel die het ermee eens waren. Er moest een onwankelbaar regime komen die in staat was een voorspoedige gang van zaken in de maatschappij (met name op militair en economisch vlak) te garanderen. En met die bedoeling streefde Bonaparte er naar om de steun van de kerk te verkrijgen en dwong hij deze ook af.

Voor de Belgische bevolking was het van weinig belang dat er twee wetgevende vergaderingen bestonden: het Tribunaat en het Wetgevend Lichaam, met daarbij een Raad van State en een Senaat. Omdat ze geen eigen electorale traditie in de moderne zin hadden en geen belang stelden in de interne discussies in Frankrijk, liet dit alles de Belgen koud. Deze onverschilligheid werd hen door Napoleon betaald gezet. Hij benoemde geen enkele Belg in de belangrijkste bestuurlijke organen.

Het Consulaat en het Keizerrijk hadden ook een positieve invloed op het maatschappelijke leven in de aangehechte departementen. Ze bevrijdden de Zuidelijke Nederlanden van de onrustige en onzekere tijden die de bevolking had gekend sinds de eerste invasie (1792 – 1793), gedurende de periode waarin ze als inwoners van een bezet gebied waren behandeld (1794 – 1795), tijdens de overgangsperiode (1795 – 1797) en tot aan de staatsgreep van de achttiende brumaire VII (9 november 1799), het moment waarop Napoleon de macht greep. Het toen heersende ideologische systeem was hen te ver gegaan: het had hun eigen waardensysteem omvergeworpen. In dat waardensysteem hadden twee sectoren een essentiële rol vervuld: de economie, die grote schade had opgelopen, en de godsdienst, waarvan het kerkelijke apparaat was geliquideerd.

Nu was elk dorp en elke stad voor de dagelijkse gang van zaken afhankelijk van het sterk georganiseerde centrale gezag. Het nieuwe Franse systeem, onder Napoleon krachtig en paternalistisch uitgeoefend, bracht fundamentele wijzigingen in het openbare en het privé-leven. Het betrof in de eerste plaats veranderingen op bestuurlijk vlak. Brussel was niet langer de zetel van de regeringen maar alles werd geregeld vanuit Parijs. Onder het toezicht en het bestuur van de prefecten (die van zeer uitéénlopende gezindheid waren: van voormalige antimonarchisten tot vertegenwoordigers van de gewezen adel) werden de departementen door Napoleon Bonaparte stevig in handen gehouden. Ze deelden voortaan in de economische en militaire successen en tegenslagen van het Consulaat en het Keizerrijk. Dit alles werd gerealiseerd door beroep te doen op een vernieuwd administratief kader. In dat kader waren de hoogste functies, zoals die van prefect, niet weggelegd voor de Belgen, toch bezetten ze een groot deel van de lagere en middenniveaus in de bestuurlijke hiërarchie. Ze waren slechts pionnen op het schaakbord dat werd gecontroleerd door de absolute grootmeesters in Parijs. Maar tegelijkertijd vormden zij de verbinding met de bevolking, met alle risico’s van dien.

Naast de bestuurlijke veranderingen voerde Napoleon ook enkele vernieuwingen door in de gerechtelijke organisatie en vaardigde hij nieuwe wetten uit. Op deze vernieuwingen wordt in de volgende hoofdstukken nog op teruggekomen.

Ook het intellectuele leven werd door het nieuwe systeem geraakt, hoewel het in België meer ging om een zwakke afspiegeling van Parijs, omdat het in de kiem werd gesmoord door de angstvallige controles van de politie. Het onderwijs daarentegen onderging ingrijpende veranderingen in positieve zin. De onderwijsinstellingen werden aangesloten bij de nieuwe ideologie. De veranderingen in het onderwijssysteem zouden zich vooral op lange termijn laten voelen.

De sociale en economische veranderingen[34] die werden te weeg gebracht door de opneming in het Franse machtscomplex consolideerde de toestand gestaag. Naast de economische factor speelde ook het godsdienstige element een rol in het zich aansluiten bij de nieuwe situatie. Napoleon verzoende zich met de katholieke kerk maar dit zou echter niet lang duren. Geleidelijk aan ging België op in het Napoleontisch rijk – niet uit enthousiasme, maar vanuit de kracht der dingen zelf en vaak ook vanuit gemakzucht. Niet zonder voorbehoud ageerde Napoleon, via de prefecten, in die richting. Samen met het hogere Franse overheidspersoneel deden de prefecten hun best de bevolking voor zich te winnen, maar dat ging zelden van harte. De Franse ambtenaren spreidden dikwijls hun minachting of neerbuigendheid ten toon ten opzichte van hun nieuwe landgenoten. De Belgen betaalden hen in gelijke munt terug door te volharden in hun onverschilligheid[35].

 

1.6. Toenemende afkeer van het Franse gezag en het einde van de Franse Tijd.

 

Voor de overwinningen van Napoleon moest een hoge prijs betaald worden, zowel in mensenlevens als in geld. Om aan geld te komen werden indirecte belastingen geheven, o.a op bier, waardoor het lagere volk werd getroffen, en directe belastingen, vooral grondbelasting, die door de grootgrondbezitters, de klasse waarop het regime steunde, moest worden opgebracht. Voorts waren er de verlammende gevolgen van de economische blokkade door Engeland, die vooral de industrie trof. In de aangehechte departementen werd de antipathie verder gevoed doordat de bewoners zich nog steeds vreemdelingen voelden in het rijk en ook omdat hun godsdienstige overtuiging nog steeds krachtig standhield. De positieve gevolgen van de verzoening tussen kerk en staat hadden niet lang geduurd. De aanhankelijkheid van de bevolking aan de kerk was echter weer toegenomen en dit uitte zich in een vijandige houding van de Belgen t.o.v de Fransen toen de keizer en de paus opnieuw in botsing kwamen.

De groeiende weerzin tegen het Franse gezag werd nog versterkt toen Napoleon in 1813, in een poging alle beschikbare manschappen voor zijn legers te mobiliseren, in de negen Belgische departementen 13 900 rekruten opriep en zonen der aanzienlijken, die tot dan toe aan de gevaren van de oorlog waren ontsnapt, tot dienst in de gardes d’honneur verplichtte.

Uiteindelijk zouden de Fransen de Belgische departementen verlaten gedurende de winter van 1813 – 1814. Zij hadden er twintig jaar verbleven. De ontruiming verliep zonder langdurige gevechten. Op het strenge Franse regime volgde het ongeordende optreden van vreemde legers met alle gevolgen van dien[36].

 

1.7. Banditisme en de staat.

 

In deze laatste alinea wil ik de invloed nagaan van de politieke ontwikkelingen op de groei en afname van het banditisme. Florike Egmond stelt dat de macht van de staat één van de belangrijkste condities was waarmee de rovers in hun optreden te maken hadden. De speelruimte die zij genoten was afhankelijk van de capaciteit van de overheid om haar gezag te handhaven, ordeverstoringen van allerlei aard te bestrijden. Op het verband tussen zwakte van de staat en verschillende vormen van particuliere geweldpleging, zoals maffia, banditisme, vetes en terrorisme, is reeds gewezen door verschillende onderzoekers. Ook de gedachte aan een samenhang tussen het 18e-eeuwse banditisme in West-Europa en de zwakte van de overheden in meer of minder expliciete vorm werd reeds eerder geëxploreerd[37] maar nooit systematisch. De meeste auteurs komen niet veel verder dan de constatering dat inefficiëntie en gebrek aan mankracht bij politie en justitie de roverbenden in de kaart speelden. De periode 1789 – 1810 leent zich volgens Egmond bij uitstek voor een onderzoek naar deze samenhang. De grote roverbenden beleefden in deze periode hun hoogtepunt en verdwenen vervolgens in geheel West-Europa. Tegelijkertijd kregen de meeste landen in deze periode in snel tempo te maken met ingrijpende politieke en bestuurlijke veranderingen.

Tussen 1789 – 1810 kunnen fasen van bloei en teruggang vastgesteld worden. Volgens Egmond werden in Frankrijk en de Zuidelijke Nederlanden gedurende 1798 reeds de eerste tekenen van verval van de roversbenden vastgesteld. De arrestaties namen toe, al bleven de overvallen in dat jaar nog vrij talrijk. In de Zuidelijke Nederlanden deed zich echter na het einde van de Boerenkrijg nog een kortstondige opleving voor: de Bende van Bakelandt en twee kleinere groepen o.l.v Van den Berg en Van den Kerckhove begonnen hun overvallen in de zomer van 1799. Tussen 1800 en 1805 kwam in West-Europa geleidelijk een einde aan de bendeactiviteit.

Egmond toont aan dat op momenten van een zwak centraal gezag er gunstige condities worden gekweekt voor de roversbenden. Zo zien we in de Zuidelijke Nederlanden een eerste opleving van het banditisme tussen 1789-1790 onder het Oostenrijkse Bewind. Door de revolutie, de interne verdeeldheid, rebellie en onlusten ontstonden er bendes zoals de bende van Moneuse en de Brabantse tak van de Grote Nederlandse bende. Zowel politieke onlusten als bendeactiviteit vertoonden vanaf de winter van 1790-91 een duidelijke inzinking, die exact samenviel met het herstel van de Oostenrijkse macht. De stagnatie van de bendeactiviteit bleef tot de eerste helft van 1794. Op dat moment veroveren de Fransen voor de tweede keer de Zuidelijke Nederlanden, nu voor langere tijd. Deze stagnatie was vooral het gevolg van de voortdurende aanwezigheid van militairen in de Nederlanden. Het was dus niet zo zeer een gevolg van de politieke verdeeldheid en de gezagswisselingen of door terreur van de overheid. Het herstel van de roversbenden begon in de herfst van 1794 - enkele maanden nadat de Fransen de Oostenrijkse legers definitief hadden verslagen. Tijdens de korte periode van de verovering en de daarop volgende systematische plunderingen door de Fransen, was er nog weinig bendeactiviteit te bespeuren. De zeer strenge winter van 1794-95 onderbrak een eerste opleving. Maar vanaf het vroege voorjaar van 1795 nam de bendeactiviteit bijzonder snel toe en gedurende de jaren 1795-1797 bereikte ze in de Zuidelijke Nederlanden een hoogtepunt. Deze bloeitijd van de roverbenden viel samen met een periode van grote politieke en bestuurlijke onzekerheid. Door de annexatie moesten de Zuidelijke Nederlanden zich in bestuurlijk en juridisch opzicht aanpassen aan de Franse regels. Maar tot de zomer van 1795 bleven op de lagere bestuurlijke niveaus de oude, Oostenrijkse instellingen bestaan. Dit leidde tot geschillen tussen de oude en de nieuwe instellingen wat dan weer een verlammend effect had op de werking van het bestuursapparaat. Na de officiële annexatie begonnen de reorganisaties geleidelijk effect te krijgen. Absenteïsme en passief verzet namen in de loop van 1795 en zelfs 1796 echter nog toe. De condities voor het optreden van roverbenden waren dus van begin 1795 tot in 1797 wel zeer gunstig. Met behulp van een gedesorganiseerd bestuursapparaat trachtte de Franse overheid een reeks ingrijpende hervormingen door te voeren in een land dat eerst vrijwel leeggeplunderd was en waar slechts een klein deel van de bevolking deze vernieuwingen steunde.

Het geleidelijke verval van de Zuid-Nederlandse roversbenden na ongeveer 1797-1798 kan in verband gebracht worden met het effect van de langzaam doorwerkende hervormingen. De Boerenkrijg zou in deze periode echter een opleving van het bendeleven veroorzaken. De benden die hierna uit rebellen en conscrits-deserteurs in de bossen van Vlaanderen en Brabant gevormd zijn, bleven echter niet lang bestaan.

Uit het bovenstaande blijkt dus dat er een samenhang bestaat tussen de afname van de bendeactiviteit en groeiende effectiviteit van de overheid in de Zuidelijke Nederlanden. Groei van de roversbenden en sterke toename van hun overvallen zien we vooral in perioden waarin de overheid niet in staat was zich met kracht te doen gelden[38].

Terwijl Egmond de zwakte van het centrale gezag aanhaalt als één van de belangrijkste voorwaarden van het banditisme, stelt Stefaan Top dat het vooral de negatieve houding van bepaalde bevolkingsgroepen t.o.v de nieuwe heerser is die het banditisme in de hand heeft gewerkt. De nieuwe heerser liet onmiddellijk zien dat hij de overwinnaar was en dat hij in die hoedanigheid wou handelen. Als overwinaars zagen ze de Zuidelijke Nederlanden als een wingewest om hun door uitputting bedreigde Franse reserves aan te vullen. De Fransen zouden hun krediet bij de Belgische bevolking vooral verliezen door de plunderingen van de eigendommen van de oude instellingen, door het opeisen van de voorraden van de bevolking en door een zekere vorm van kerkvervolging.

Het is begrijpelijk dat het enthousiasme van diegenen die voor de annexatie geopteerd hadden, gevoelig verminderde naargelang men meer tot de vaststelling kwam dat de vrijheidssymboliek van de Fransen een zware persoonlijke tol eiste. De misnoegdheid manifesteerde zich aanvankelijk niet zo expliciet, maar naarmate de lasten van het nouveau régime ondraaglijker werden, groeide de antipathie. Top is van mening dat deze vijandige ingesteldheid t.o.v het Franse regime het banditisme tijdens en na het Directoire in belangrijke mate direct en indirect heeft bevorderd.

Ook Top heeft het over de gevolgen van de Franse hervormingen en de laksheid en slordigheid van de administratie op de criminaliteit. De auteur wijst ook op de gevolgen van de conscriptiewet en de Boerenkrijg die een invloed hadden op de bendecriminaliteit. Naast de reacties op en het openlijk geweld naar aanleiding van de conscriptiewet, kregen de Fransen ook nog af te rekenen met de dienstweigering en desertie. Het zich onttrekken aan de verplichte militiedienst is als zodanig een vorm van passief verzet. Maar door de maatregelen van de Franse overheid kan er gesproken worden van een dubbele escalatie: nl. vanwege de refractairs en de Fransen. Aanvankelijk was het zich onttrekken aan de militaire dienst een normale reactie als gevolg van de angst voor deze onbekende verplichting en haar mogelijke implicaties. Deze spontaneïteit evolueerde evenwel tot volharding, werd een soort systematisch, georganiseerde boycot, die zich al dan niet onder de vorm van geweldpleging manifesteerde. Volgens de auteur is het echter nog geen uitgemaakte zaak in welk mate de Boerenkrijg voor velen een geschikt alibi is geweest om zich in de criminaliteit te storten. Een feit als Brigandszondag zou een psychologisch effect gehad hebben op degene, die zich tijdens de turbulente Franse Tijd hadden geëngageerd. Wanneer de Boerenkrijg neergeslagen werd, liepen er dan ook veel gefrustreerden rond, die op wraak belust waren en zich hierdoor gemakkelijk lieten verleiden tot een crimineel bestaan. Daarbij kwamen ook de deserteurs en dienstweigeraars, die zich buiten de wet hadden gesteld. Het zijn outlaws in de echte zin van het woord en waar ze zich ook bevonden, waren ze strafbaar. Vandaar dat ze zich verscholen in bosrijke gebieden en bij vrienden of kennissen onderdoken. De stap naar de misdadigheid was in deze context niet groot[39]. Gita Deneckere wijst ook op de meer verdoken vormen van verzet tegen de Franse bezetter. Het verzet tegen de conscriptie is hier een voorbeeld van. Het vormde een belangrijk element in de verschillende vormen van banditisme. Benden rekruteerden in hoge mate uit de steeds groter wordende groep jongeren, die weigerden zich bij het Franse leger te laten inlijven. Ook onze gewesten werden geteisterd door het probleem van de conscrits-déserteurs. De deserteurs maakten zich meestal kenbaar door zich een vinger van de rechterhand af te hakken. Zowel het Directoire als het Keizerrijk stonden volledig machtloos tegenover de desertie en de dienstweigering[40]. Heel wat van deze refractairs en deserteurs zagen zich dus genoodzaakt om zich terug te trekken in de bossen omdat ze opgejaagd werden door de gendarmerie of omdat ze vogelvrij werden verklaard. Zij zagen de criminaliteit dan ook als enige uitweg om te overleven.

 

 

2. De sociaal-economische achtergrond.

 

Heel wat auteurs leggen de link tussen banditisme en pauperisme. Vele dieven zouden door de armoede waarin ze leven, genoodzaakt zijn om zich tot een misdadig leven te bekeren. Volgens Veraghtert is het ongenoegen van een bevolking vaak geënt op de sociaal-economische wantoestanden (uitbuiting, ongelijkheid en extreme fiscaliteit) of ingebed in een scherpe inzinking van de economische conjunctuur die een wanhopige en hongerende bevolking in opstand doet komen tegen het gevestigde gezag[41]. Dit ongenoegen heeft in de Zuidelijke Nederlanden was één van de oorzaken voor het uitbreken van de Boerenkrijg. Maar de economische wantoestanden zorgden ook voor een verarming van de bevolking. Deze verarmde bevolking zag nog enkel een uitweg in het stelen van voedsel- en graanvoorraden en stortten zich zo in een crimineel bestaan. Daarom is een overzicht van de sociaal-economische toestand onder de Franse Tijd noodzakelijk. Eerst zal kort de sociaal-economische ontwikkelingen tussen 1795 – 1814 geschetst worden om daarna het verband tussen de sociaal-economische toestand en het banditisme te verklaren.

 

2.1. Situatie tot de eerste bezetting tot 1794.

 

In de Zuidelijke Nederlanden leefde men hoofdzakelijk van een agrarische economie. Hierdoor waren de mensen afhankelijk van het lukken of mislukken van de oogst. Wanneer de graanoogsten overvloedig waren, dan waren ook de broodprijzen[42] laag. Tegelijkertijd kon de koopkracht van de lagere klassen aangemoedigd worden om de producten van de stedelijke ambachtslui te kopen. Maar wanneer de graanoogst mislukte, gingen de prijzen stijgen en daalde de koopkracht van de bevolking. Het voedsel werd voor de gewone man onbetaalbaar waardoor deze zich genoodzaakt zag om de graanvoorraden te plunderen. Het gebrek aan voedsel leidde ook tot rellen en hongersnoden werden onvermijdelijk.

Rond 1790 was de sociaal-economische toestand in de Zuidelijke Nederlanden gunstig. De voedselproductie haalde een hoog peil en maakte graaninvoer vanuit het buitenland uitzonderlijk. Er konden zelfs aanzienlijke graanvoorraden uitgevoerd worden naar de Verenigde Provinciën en Frankrijk. Ook de ambachtelijke en industriële sectoren presteerden meer dan behoorlijk. De expansie van de huisnijverheid zorgde dan weer voor een verhoging van de levenstandaard op het platteland. Eén negatief punt was het feit dat het transport en de handel nog sterk belemmerd werden door de sluiting van de Schelde. Het binnenlandse en onderlinge vrachtverkeer werd enigszins vergemakkelijkt door de aanleg van verharde wegen die de grootste steden van de Oostenrijkse Nederlanden met elkaar verbonden. Deze wegen waren zeer efficiënt maar waren ook beperkt. De economisch gunstige situatie leidde ertoe dat er een behoorlijke binnenlandse koopkracht was en dat de loonkosten lager waren dan in het buitenland. De landbouweconomie was hoog ontwikkeld, de huisnijverheid bouwde zich uit, er was een degelijke verkeersinfrastructuur en de bevolking groeide snel aan. Dit waren allemaal kenmerken van een economie in volle expansie. Toch mag men niet vergeten dat een groot deel van de bevolking in de steden en op het platteland op de rand van het bestaansminimum leefden, soms op een eigen lapje grond maar meestal op een pachtgrond van adellijke of kerkelijke instellingen.

De politiek instabiele situatie veroorzaakt door de Brabantse Omwenteling en de eerste inval van de Franse troepen, had een negatieve invloed op de dagelijkse agrarische, ambachtelijke en vooral de commerciële activiteiten. Tussen 1792 en 1794 heerste een grote economische onzekerheid doordat de investeringen werden opgeschort en grote hoeveelheden kapitaal verdwenen door de emigratie van edelen en aanhangers van de Oostenrijkse keizer.

Tijdens de eerste Franse bezetting probeerde Dumouriez het leed van de bevolking te verzachten maar hij kon niet onder de vorderingen en inbeslagnemingen van publieke fondsen uit komen. De militairen gingen vaak zelf over tot plundering om in hun levensbehoefte te voorzien. Het gedrag van de militairen toonde de tegenstelling aan tussen de revolutionaire gedachte van broederschap en de harde oorlogsrealiteit. Tijdens de tweede Franse bezetting zouden de Franse troepen een veel agressievere houding tonen. De bezetters onderwierpen de in hun ogen rijke Zuidelijke Nederlanden systematisch aan zware oorlogsheffingen en belastingen in verschillende vormen zoals vorderingen van graan, paarden en vee, schoeisel, arbeidskrachten en kunstwerken. Daarbovenop werden de klinkende munten in de publieke kassen van steden en gemeenten in beslag genomen en vervangen door sterk gedeprecieerd papiergeld, de zgn. assignaten. De rijkste steden werden belast met zware oorlogsschattingen. In het totaal werden de Zuidelijke Nederlanden belast voor een bedrag van 69 miljoen ponden (10 brumaire III). Enkele maanden later werd dit bedrag opgetrokken tot 70 miljoen ponden. Om de betaling te garanderen werden in de steden gijzelaars uit de burgerij genomen en overgebracht naar Noord-Frankrijk waar ze gevangen gehouden werden tot de schuld was afgelost. Deze belasting werd vooral omgeslagen over de kerk, de adel en de voornaamste burgers. De geëiste belasting werd uiteindelijk slechts gedeeltelijk geïnd: op 30 germinal III had men een bedrag van 33,7 miljoen ponden opgehaald. Uiteindelijk zou 45% van het totale bedrag geïnd worden[43].

 

2.2. Het experiment met de assignaten.

 

Minder flagrant en zichtbaar maar even effectief werden de Zuidelijke Nederlanden uitgezogen door de introductie van het papiergeld in de vorm van assignaten. In de Oostenrijkse Nederlanden was de officiële rekenmunt de gulden of gouden courant. Deze munt werd onderverdeeld in stuivers, oorden en penningen. Ook de Vlaamse ponden en de Luikse en Luxemburgse gulden werden in mindere mate gebruikt. Dit monetaire systeem onderging met de komst van de Fransen grote veranderingen. Tijdens de eerste verovering werden de gulden vervangen door de Franse pond tournoois met een verhouding van 90 ponden voor 49 gulden. Doordat de Fransen een ander rekensysteem hanteerden, door het voortbestaan van de oude munten en door de introductie van de assignaten werd het monetaire systeem grondig door elkaar geschud en verstoord. Bovendien stond de bevolking zeer wantrouwig t.a.v het nieuwe papiergeld. Als waarborg voor de assignaten gebruikten de Fransen de geconfisceerde kerkelijke goederen en de goederen van emigranten. De Franse staat was bovendien nagenoeg bankroet wat bij de bevolking geweten was. Deze waren ook reeds op de hoogte dat de assignaten sterk gedeprecieerd waren. De assignaten werden niet op een natuurlijke, ongedwongen manier in omloop gebracht en de oude zilveren en gouden munten werden dan weer uit de omloop gehaald. Dit alles belemmerde het nominale handelsverkeer en leidde tot moeilijkheden met betalingen. De monetaire chaos stelde voor de overheid onoplosbare problemen. Na de slag van Neerwinden (1793) werden de assignaten terug uit de omloop gehaald en waren de monetaire problemen van de baan.

Na de tweede verovering van de Zuidelijke Nederlanden ging de Franse bezetter nog radicaler te werk. De bevolking moest de assignaten tegen hun nominale waarde aanvaarden, hoewel hun reële koers tot minder dan de helft was gedaald. Wie weigerde of een dubbele koers hanteerde, riskeerde zware geldboetes en zelfs een gevangenisstraf. In de eerste helft van 1795 liep de situatie geheel uit de hand. De depreciatie en afkeer van de bevolking van de assignaten stegen ten top toen bleek dat de Engelsen valse assignaten het land binnensmokkelden. De reële koers daalde tot nauwelijks 1 à 2% van de nominale waarde. Dit leidde tot stakingen van ambtenaren en arbeiders in overheidsdienst en muiterijen van de soldaten, die allen in papiergeld werden uitbetaald. Dit zette de overheid er toe aan om de koers van de assignaten vrij te geven (volgens het decreet van 3 messidor III). Elke 15 dagen werd een koers bepaald tussen het papieren en het muntgeld. De koers werd voortaan gehanteerd bij officiële betalingen. Maar deze maatregel kwam echter te laat om de zieke monetaire situatie te redden. De bevolking aanvaardde de assignaten niet meer als betaalmiddel.

Parallel met de ontwaarding van de assignaten werden er snelle prijsstijgingen genoteerd. Tussen januari en december 1795 noteerde men een verdertigvoudiging van de prijzen. Deze hyperflatie leidde tot een totale ontreddering van de economie. De overheid trachtte de inflatie onder controle te krijgen door het vaststellen van maximumprijzen en de ruilhandel deed opnieuw zijn intrede i.p.v betalingen met papiergeld.

Het bezette gebied werd in 1794 en begin 1795 zo grondig geplunderd, belast en leeggezogen door de Fransen dat zelfs de tegenstanders van annexatie bij Frankrijk begonnen in te zien dat een aanhechting bij Frankrijk mogelijk de minste van twee kwalen was. Verdere plundering als ‘bezet gebied’ zou het land onvermijdelijk op de rand van de economische afgrond brengen en de bevolking mogelijk voor een lange tijd in complete armoede storten. Op korte termijn overleven was een dringende noodzaak. Via de inlijving hoopte men dat de voorwaarden van de contributies en inbeslagnemingen konden verzacht worden en kon men er mogelijk zelfs aan ontsnappen[44].

 

2.3. De economische gevolgen van de aanhechting en de situatie tijdens het Directoire.

 

De aanhechting betekende dat de Franse wetten geleidelijk aan toegepast werden in de Zuidelijke Nederlanden. Ook de wetten op sociaal-economisch vlak die zeer ingrijpende veranderingen met zich mee konden brengen, werden ingevoerd. Sommige hervormingen laten zelfs vandaag nog in België hun effect voelen.

Een eerste aanpassing betrof de belastingen. Het belastingssysteem aan het einde van het Ancien Regime was uiterst gecompliceerd en weinig doorzichtig. Er waren niet alleen belastingen voor het centrale bestuur maar er bestonden ook regionale, lokale en kerkelijke heffingen. Deze konden van regio tot regio sterk verschillen. Bovendien waren er in de loop der eeuwen verschillende fiscale privilegies verleend aan standen, steden en individuele personen. De Franse revolutionairen maakten tabula rasa met deze ingewikkelde toestand en introduceerden een nieuw fiscaal stelsel[45]. De uniformisering was een reële vooruitgang, zoals ook de duidelijke indeling in rechtstreekse en onrechtstreekse belastingen. Het erge was alleen dat zij veel zwaarder wogen en dat er daarnaast buitengewone heffingen voorkwamen. Deze buitengewone belastingen bestonden uit de gedwongen lening van 30 miljoen en de opeising van het twaalfde paard. Al die heffingen werden door het centrale bestuur gevorderd en dat was voor de Belgen een ongewoon procédé. Pas later zouden er lokale taksen bij komen. Voor een billijke veroordeling van de zwaardere fiscale druk moet men rekening houden met de bijkomende taken die de overheid op zich nam. Deze taken waren rechtspraak, onderwijs, nationale veiligheid en later ook de vergoeding van de bedienaren van de eredienst. Bovendien waren de lonen en prijzen gestegen[46]. Het nieuwe fiscale systeem was zwaarder dan vroeger maar het beoogde ongetwijfeld een meer rechtvaardige verdeling van de directe belastingen. De belastingswetten golden voor iedereen. Privilegies voor adel, kerk en andere bevolkingsgroepen werden afgeschaft. De belastingen bestonden uit een patentrecht, die de inkomsten van de economisch actieve bevolking trof, en uit een personele en grondbelasting. Daarnaast werden er ook douane- en fiscale rechten geheven.

Boven op de ‘normale’ belastingen kwamen echter spoedig buitengewone heffingen, zoals opeisingen, oorlogsleningen, e.d. Deze in principe uitzonderlijke heffingen waren vaak niet evenredig verdeeld over de belastingplichtigen en zorgden voor groot ongenoegen. De landbouwers werden getroffen door de opeisingen van hun paarden. Ze werden voor de opgeëiste paarden door de overheid wel vergoed maar dat gebeurde in sterk gedeprecieerd papiergeld. Hierdoor werd de reeds zwaar getroffen plattelandsbevolking nogmaals benadeeld. In de loop van 1797 steeg het ongenoegen over de sterk stijgende belastingsdruk. Niet alleen weigerden burgers her en der hun belastingen te betalen, bovendien begonnen vooral op het platteland landbouwers zich gewapenderhand te verzetten.

Er werd ook een nieuw monetair stelsel ingevoerd. De assignaten zouden in maart 1796 vervangen worden door een nieuw soort papiergeld, de mandat territorial dat al snel hetzelfde lot van het assignaat zou delen. Vanaf 1796 ging de overheid trouwens geleidelijk aan terug over op het gebruik van muntgeld voor overheidsbetalingen zodat na 1798 munten opnieuw algemeen gebruikt werden.

Op het vlak van de handel was de meest ingrijpende gebeurtenis de vrijmaking van de Schelde voor de internationale scheepvaart. De haven van Antwerpen, sinds 1585 door de Noordelijke Provinciën afgesloten van de Noordzee, werd onder druk van de Franse troepen heropend. Toch bleef de internationale handel vanuit Antwerpen een tijdlang geteisterd, o.a door de Hollandse weerstand maar vooral door de oorlogsomstandigheden. De buitenlandse handel werd verder zwaar gehinderd door een aanzienlijke verhoging van de in- en uitvoerrechten. Sommige goederen als hout, graan, ijzer, hop, lakens enz. mochten zelfs helemaal niet uitgevoerd worden. Door de aanhoudende vijandelijkheden werden bovendien traditionele handelsroutes en goederenstromen onverwachts en langdurig onderbroken. De aanleg van landwegen, niet alleen zeer belangrijk voor het vervoer van goederen, maar ook voor het snel verplaatsen van troepen, viel tot het begin van de 19e eeuw nagenoeg volledig stil. Het Directoire verbood immers in 1796 de heffing van een wegentol. Hierdoor konden de plaatselijke besturen geen nieuwe wegen financieren. Ook het centrale bestuur had te weinig financiële armslag om grootscheepse initiatieven te ontplooien.

Een laatste financiële ingreep van de overheid zijn de confiscaties van de kerkelijke goederen en de bezittingen van émigrés. De bezittingen van de seculiere kerk werden gevorderd ten voordelen van de schatkist. In ruil daarvoor zou de Constituante de armenzorg op zich nemen en aan de parochiegeestelijken en de bisschoppen een bezoldiging toekennen. Vervolgens werd de rijkdom van de abdijen en de kloosters aangepakt. Alle abdijen en kloosters werden opgeheven met uitzondering van de congregaties die educatieve en caritatieve taken verzorgden. De volgende jaren werden voortdurend nieuwe antikerkelijke maatregelen getroffen in een poging om de christelijke godsdienst te vervangen door de revolutionaire eredienst van de Rede. Tevens werden de goederen van gevluchte edelen geconfisqueerd ten voordele van de nationale schatkist. Deze maatregelen gingen ook in de Zuidelijke Nederlanden van kracht. De totale waarde van de goederen werd geraamd op 3 miljard pond. Een gedeelte van deze bezittingen werd gebruikt voor het onderbrengen van republikeinse diensten en hun ambtenaren. In theorie moesten de landbouwerspachters profijt kunnen doen door de aankoop van de vaak grote stukken grond die werden aangeboden. In realiteit werden de gronden, huizen en kloosters, vaak tegen een fractie van de reële waarde, door de rijke burgers uit de stad of door de grote boeren aangekocht. Van een herverdeling van de gronden was er hoegenaamd geen sprake[47].

 

2.4. Consulaat en keizerrijk: een eeuw van economische voorspoed.

 

Het economische leven onderging onder het Directoire grondige wijzigingen. De buitenlandse afzetgebieden zijn verloren gegaan maar de binnenlandse markt is door de annexatie vergroot. De oorlog en zijn gevolgen – de continentale blokkade vanaf 1806 – creëren echter nieuwe behoeften die inspirerend werken op de industrie[48].

De landbouw had zich gedurende de 18e eeuw sterk ontwikkeld waardoor voedselschaarste zeldzamer werd. In de Zuidelijke Nederlanden was het verschil in landbouwproductie te wijten aan een verschil in vruchtbaarheid van de gronden en een verschil in mentaliteit. Enkel de tijd kon hier verandering in brengen, vandaar dat de annexatie geen versnelling teweegbracht in de vooruitgang van de landbouw. Anderzijds is er ook geen afremming vast te stellen. Zo doet in 1811 zelfs een nieuwe teelt zijn intrede, nl. suikerbiet die het tekort aan suiker door de continentale blokkade moest opvangen en waarvan men veel verwachtte. De vernieuwingen als gevolg van de inlijving bij Frankrijk, zoals de afschaffing van de heerlijke rechten en tiendenheffing, hebben weinig invloed gehad op de landbouwontwikkelingen. Bovendien bleven de pachten ongeveer gelijke hoogte houden met die van het Ancien Regime. Voor de boeren vertegenwoordigde de Code Civil van 1807 een verschrikkelijk zware belastingverplichting. Op plaatselijk vlak heeft de verkoop van de nationale goederen soms voor onverwachte gevolgen gezorgd. Bepaalde kopers maakten van de gelegenheid gebruik om een herverkaveling van hun eigendommen door te drukken. In bepaalde gevallen werd een einde gesteld aan collectieve exploitaties die de boeren vroeger verplichtten om in een zelfde deel van hun dorp dezelfde teeltrotatie aan te houden.

In de textielindustrie, waarvan de belangrijkste centra Gent en Verviers waren, trad geleidelijk aan de mechanisatie in. Aanvankelijk werden de stoffen door de arbeiders in hun eigen huis vervaardigd, verspreid over het platteland. Het klassieke linnengewaad maakte langzaam plaats voor het katoenlinnen, ook wel toile indienne genoemd. Deze waren zeer lonend en werden omstreeks 1803 geïntroduceerd op de Franse markt. Met de kapitalen die men uit de indienne-productie haalde, werd geïnvesteerd in de mechanisatie van de textielindustrie. Lieven Bauwens was in Gent een pionier in de mechanisatie nadat hij de plannen van de Engelse machines via Frankrijk het land binnensmokkelde. Tot op dat moment verliep enkel het spinnen op mechanische wijze. In Verviers zou Cockerill de mechanisatie bewerkstelligen. Het weven gebeurde op de klassieke getouwen bij zelfstandige ambachtslui. Vanaf 1806 schakelden de wevers over op maakloonwerk – men werd per stuk betaald. De verkoop werd georganiseerd door de patroons van de spinners. Maar in de loop der jaren raakte de katoenstock geleidelijk aan uitgeput doordat men zich steeds moeilijker en moeilijker overzee konden bevoorraden, een nadeel van de blokkade.

Door het openstellen van de Franse markt viel de ijzerindustrie, ondanks de terugval van de nagel- en spijkerindustrie niet in een zwart gat. Er groeide zelfs een nood aan nieuwe halfafgewerkte producten zoals vertind plaatijzer, wapenlopen in dubbelgesmolten gietijzer en staal. Vooral vanaf 1809 zouden de Belgische departementen de bevoorrading van deze materialen mogen verzorgen. De kanonnenindustrie zou onder de Franse overheersing een grote bloei kennen. Door de vele oorlogen waarin de Fransen betrokken waren, zagen deze zich genoodzaakt om op verschillende punten van zijn territorium ‘nationale’ kanonnengieterijen op te richten. Zo werd één daarvan in Luik ingeplant. De wapenindustrie viel gedurende het Keizerrijk echter stil en moest zware klappen ondergaan. Het zijn niet alleen de militaire leveringen die aan hun neus voorbijgegaan zijn, maar bovendien kwam er in 1804 een verbod op het produceren van wapens van zwaar kaliber. Het aantal werklozen steeg en het aantal wapenfabrieken liep terug[49].

Onder het Directoire kampten de Belgische departementen met economische moeilijkheden. Maar onder het Consulaat en het Keizerrijk zou de economische situatie zich enigszins herstellen. De verschillende industrieën worden langzaam aan gemechaniseerd en gemoderniseerd wat de productie deed stijgen. Tijdens deze periode komt de economie in de Zuidelijke Nederlanden in een stroomversnelling terecht.

 

2.5. Banditisme, pauperisme en de economische ontwikkelingen.

 

In het vorige hoofdstuk werd reeds gewezen op het verband tussen de opkomst van het banditisme en de politieke macht. Een zwakke staat kon de controle over het banditisme minder in de hand houden. Maar het is zeker niet alleen de politieke zwakte die het banditisme heeft beïnvloed. Ook de economische situatie waarin de rovers verkeerden, hebben een rol gespeeld.

Enkele auteurs hebben gewezen op de band tussen armoede en bendecriminaliteit. Zo schreef Van den Eerembreemt dat armoede en pauperisme ‘criminogeen’ zijn, dat ze leiden tot diefstal, vagebondisme en bendevorming. Armoede schiep een gunstige voedingsbodem voor het plegen van misdrijven, niet alleen door hen die losgeslagen uit hun oude gemeenschapsverbanden rondzwierven in vreemde streken. Door steeds constructieve, economische maatregelen te nemen, ondergroef men de basis van het pauperisme en zo ook van de misdadigheid[50]. Vanhemelrijck toont aan dat het desocialisatieproces als gevolg van de werkloosheid, het pauperisme en de sociale ellende zich niet voordoet als een plotse breuk maar eerder geleidelijk evolueert. Zijn onderzoeken hebben uitgewezen dat de vermogenscriminaliteit zich correlatief verhoudt t.o.v de economische evolutie[51].

Ook Egmond legt in haar werk over de Grote Nederlandse Bende het verband met het pauperisme. Ze stelt de hypothese voorop dat roversbenden talrijk en zeer actief waren in fasen van massale verarming en dat ze juist verdwenen in perioden van afnemende armoede. Om haar stelling te staven onderzocht de auteur de demografische en sociaal-economische situatie in relatie tot de fluctuaties binnen het banditisme. In de Zuidelijke Nederlanden begint het banditisme te stijgen rond de 1789 – 1792 om stil te vallen tot ca. 1795. Na de annexatie bij Frankrijk kent de bendecriminaliteit opnieuw een bloeiperiode tot 1805, wanneer de grote bendes verdwijnen. Vroeger in de 18e eeuw waren de Bokkenrijders en andere bendes reeds actief in ons land.

De demografische ontwikkelingen kenmerken zich in de eerste helft van 18e eeuw met een langzame groei om vanaf 1750 snel toe te nemen. Er zijn wel aanzienlijke verschillen op te merken tussen de stad en het platteland. Het platteland vertoonde tussen 1745 en 1780 een snelle bevolkingsaangroei. Terwijl de steden in de eerste helft van de 18e eeuw zelfs een achteruitgang laten optekenen. Na 1750 en incidenteel na 1770 herstelde de groei zich en rond 1775-80 raakte deze in een stroomversnelling. De groeiende immigratieoverschotten waren hiervoor de belangrijkste reden.

De bevolkingsdruk leidde vooral in Vlaanderen en Brabant tot een voortdurende intensivering van de bebouwing, tot ontginning waar dat nog mogelijk was en tot de opdeling van de gronden in kleine stukken bouwland. De lonen voor de landarbeid en de huisarbeid lagen dan ook vrij laag. De linnenbewerking zou voor velen de hoofdactiviteit worden naast het bewerken van een klein stukje grond. Veel plattelandsbewoners zagen dan ook geen andere uitweg dan het vertrek. Ofwel trokken ze naar een andere plattelandsgemeenschap om een nieuwe job te zoeken, ofwel begonnen ze een zwervend bestaan ofwel zochten ze hun geluk in de stad. Maar de komst van de plattelandsmensen naar de stad betekende een grotere concurrentie om werk. In de steden waren handel, industriële en ambachtelijke nijverheid en dienstverlening de belangrijkste bestaansbronnen. Vanaf 1785 ontstonden op deze terreinen ernstige problemen. De handelsactiviteiten verergerden door de groeiende politieke onrust. De stedelijke nijverheid kende een stagnatie. De komst van de Fransen betekende geen verbetering. Werkloosheid, armoede en bedelarij manifesteerden zich steeds feller en feller. Gedurende de revolutionaire periode nam ze echter massale vormen aan.

Uit de bovenstaand geschetste ontwikkelingen trekt Egmond de conclusie dat de bloeiperiode van de roverbenden – vanaf 1785 tot 1805 – bleek samen te vallen met een tijdperk van aanzienlijke bevolkingsaangroei en verarming in een groot deel van West-Europa, en dus ook in de Zuidelijke Nederlanden. Een groei die volgens haar eerder te maken heeft met de afnemende werkgelegenheid en het wegvallen van werkmogelijkheden, dan met een gebrek aan de eerste levensbehoeften. De verarming liet zich voornamelijk voelen bij de loonarbeiders, ambachtslieden, neringdoenden, kleine renteniers, keuterboeren en de meeste marktkramers en andere rondtrekkende lieden.

Het bovenstaande wil echter niet zeggen dat we het verband tussen armoede en banditisme als een dwingende relatie mogen beschouwen. Dit betekent dat niet alle armen hun toevlucht zochten tot de criminaliteit en dat niet alle rovers berooide mensen waren. Er zijn auteurs die volgens Egmond, stellen dat het banditisme afnam in een periode (na 1805) wanneer de armoede zich nog sterker manifesteerde dan in de laatste decennia van de 18e eeuw[52].

Ook Top haalt de economische situatie aan als één van de beïnvloedende factoren op het banditisme. Hij stelt in zijn boek over de Bende van Bakelandt dat de Franse bezetting het einde betekende van een welvarende periode in de Zuidelijke Nederlanden. De onpopulaire maatregelen van de Franse regering en andere tijdelijke nefaste gevolgen, zoals de strenge winter van 1794-95 en de rundveepest, vormden zeker geen stimulans voor de economie. Deze laatste factoren veroorzaakten zelfs een dreigende hongersnood, die de mortaliteit vergrootte, prijsstijgingen in de hand werkte, ontvolkingverschijnselen met zich meebracht en een groot deel van de bevolking tot de bedelstaf veroordeelde. Het ligt dan ook voor de hand dat het economisch gezien kwetsbaarste deel van de bevolking hierdoor het zwaarst zal getroffen worden. De klasse van de werklui had het meest te lijden waar door de industriële achteruitgang en de Engelse concurrentie voor de katoennijverheid de werkloosheid steeg.
Vandaar dat dit een verklaring vormt waarom de meeste dieven en rovers, die wellicht uit nood in de criminaliteit zijn gestapt, uit deze klasse afkomstig waren. Anderen zagen zich dan weer genoodzaakt tot de bedelarij toe te treden. Een fenomeen dat toen zeer sterk verspreid was, maar dat noch typisch was voor onze streken en dat noch zich enkel tot de Franse Tijd beperkte. Ook Top besluit dat het pauperisme een geschikte voedingsbodem vormde voor criminaliteit
[53].

Piet Lenders schrijft in zijn bijdrage over het Franse Bewind in België dat ten gevolge van de ontwrichting van het economisch leven, de groeiende werkloosheid, de mislukking van de graanoogst in 1795 en de levensduurte, de armoede zich uitbreidde op een schrikwekkende wijze. Tegelijkertijd ontstond er een banditisme, dat zich in de loop van de volgende jaren nog zou ontwikkelen en waarvan de volksverhalen nog lang voortleefden. In de Nedermaas bloeide de beweging van de Bokkenrijders weer op. Elders kende men de bende van Wildemouwe, Schinderhannes en Bakelandt. Tot ons land opereerden de Chauffeurs du Nord, een beweging vanuit Frankrijk. De auteur eindigt zijn bijdrage met de conclusie dat onrecht en een overdreven drang naar geld alleen maar een ontregeling van het leven teweegbracht[54].

Tenslotte wijst ook Karel Veraghtert op de band tussen armoede en het banditisme. Hij schrijft: ‘De verdoken agrarische armoede werd door een funest overheidsingrijpen nog versterkt en zorgde voor een toenemende malaise en moedeloosheid op het Vlaamse platteland. De uitzichtloosheid dreef sommigen zelfs tot criminaliteit en bendevorming. De activiteiten van de bende van Baeckeland in West-Vlaanderen en van Charles Jacqmin, alias Charles de Loupoigne in Brabant zijn slechts de meest gekende voorbeelden van de gevreesde benden die rovend en brandend het platteland teisterden. Ook in andere gewesten stak ‘brigandage’ de kop op’[55].

Uit het bovenstaande blijkt dat de economische regressie die zich voornamelijk manifesteerde tot het begin van het Keizerrijk, een beïnvloedende rol heeft gespeeld op de ontwikkeling van de criminaliteit en in het bijzonder op het banditisme. Het groeiende pauperisme is zeker niet de enigste verklaring voor dit fenomeen aangezien de armoede in latere periodes zich nog sterker liet voelen dan in de Franse Tijd. Daarom moeten we ook rekening houden met de politieke macht, waarin het vorige hoofdstuk onze aandacht aan besteed werd maar ook met de reactie van de gerechtelijke en politionele diensten. In de volgende hoofdstukken zal hier dieper op ingegaan worden.

 

 

3. De gerechtelijke instellingen: overzicht en ontwikkeling.

 

De gerechtelijke instellingen hebben in de Franse Tijd heel wat veranderingen ondergaan. Toen de Franse revolutionairen de Belgische departementen hadden geannexeerd maakten ze komaf met de Ancien Regime-instellingen, zo ook met de gerechtelijke. Later zou Napoleon omwille van de slechte juridische resultaten het apparaat opnieuw hervormen. In het kader van deze ontwikkelingen wordt gepoogd aan te tonen dat de slechte werking van het gerechtelijke apparaat een stimulerende invloed had op de groei van het banditisme.

Eerst zullen de ontwikkelingen van het juridische apparaat onder het Directoire behandeld worden en daarna de hervormingen onder het Keizerrijk. Hierbij wordt enkel aandacht besteed aan de rechtbank die zich bezighield met de uitspraken inzake bendevorming. In eerste instantie is dat de criminele rechtbank (Tribunal criminel) die later omgedoopt wordt tot het Hof van Assisen (Cours d’Assises). Opnieuw zal het hoofdstuk beëindigd worden met de invloed van de gerechtelijke acties op het banditisme.

 

3.1. De gerechtelijke instellingen onder het Directoire.

 

3.1.1. Situatie in het Ancien Regime.

 

Op het einde van het Ancien Regime waren de gerechtelijke instellingen niet de meest geliefde instellingen in de Zuidelijke Nederlanden. De Zuidelijke Nederlanden vormden een conglomeraat van vorstendommen met een verschillend juridisch statuut. Niet alleen het materiële recht, maar ook de instellingen kenmerkten zich hier door een lokale eigenheid. Het institutionele kader verschilde van gewoonterecht tot gewoonterecht. Zo ontstond er tijdens het Ancien Regime een wirwar van wereldlijke en kerkelijke, allodiale en feodale, openbare en private rechtbanken, cijns- en laathoven, stedelijke en plattelandsrechtbanken, jurisdicties van allerlei corporaties zoals ambachten en universiteiten.

Naast deze plaatselijke gerechtelijke organisatie kwamen overkoepelende provinciale rechtbanken tot stand. Deze justitieraden of parlementen traden in de meeste gevallen op als hof van beroep. Daarnaast konden processen ook voor de Grote Raad van Mechelen, een overkoepelende rechtbank voor de gehele Zuidelijke Naderlanden, gebracht worden. Al deze rechtbanken hanteerden een eigen recht maar hadden ook een eigen procedure. Een proces kon jaren aanslepen en de proceskosten konden hoog opklimmen. De advocaten verwierven een kwalijke reputatie door het vinden van overlappingen en bevoegdheidsconflicten. Het systeem kwam tegen het einde van de 18e eeuw onder druk te staan.

De Oostenrijkse keizer Jozef II zou een eerste poging tot reorganisatie van de rechtbanken ondernemen. Het bestaande rechtssysteem werd vervangen door een logisch geordend geheel van 63 rechtbanken van eerste aanleg, twee hoven van beroep en een overkoepelende soevereine justitieraad te Brussel. Deze hervorming stuitte echter op groot verzet van de notabelen en werd nooit uitgevoerd. Het zullen de Fransen zijn die tabula rasa maakten met het systeem uit het Ancien Regime[56].

 

3.1.2. De Franse hervormingen: de strafrechtbanken.

 

Bij de gerechtelijke reorganisatie stelde men hoge kwaliteitseisen. Men stond hier voor een rationele opdeling in vredegerechten, rechtbanken van eerste aanleg, van criminaliteit en van koophandel en hoven van beroep. Men stuurde ook aan op de afschaffing van de gehate procureurs, zoals reeds in het jaar II bepaald werd, en hun vervanging door pleitbezorgers, die niet alleen de belangen van de partijen mochten voorstellen, maar ook verdedigen. Tevens werd het notariaat vernieuwd[57].

Omdat dit onderzoek zich vooral toespitst op strafzaken, zal hier enkel dieper ingegaan worden op de verschillende strafrechtbanken.

 

3.1.2.1. De correctionele rechtbank.

De inrichting van de verschillende strafrechtbanken werd geregeld volgens de grondwet van het jaar III. De organisatie ervan werd verder uitgewerkt bij besluit van de représentants van 23 frimaire jaar IV (14 december 1795), via de