|
Onderwijs in het Hertogdom Brabant in de Middeleeuwen. (Geert Van Boxelaer) |
|
|
2.1. ONDERWERP, PROBLEEMSTELLING, BRONNEN en METHODE.
In mijn scriptie wil ik het onderwijs in het hertogdom Brabant in de Middeleeuwen onderzoeken. Ik wil de verspreiding van de Latijnse scholen en de kleine scholen, waar in de volkstaal werd onderwezen, nagaan, en een analyse van dit onderwijs maken. Uitgangspunt voor mijn onderzoek is de studie die R. R. Post in 1954 over het onderwijs in Nederland in de Middeleeuwen publiceerde.[1] Mijn scriptie werd in eerste instantie opgevat als een tegenhanger van het werk van Post voor het hertogdom Brabant.
Meer precies wil ik in mijn onderzoek bestuderen op welke plaatsen in het hertogdom Brabant er in de Middeleeuwen scholen waren. Scholen konden verbonden zijn aan abdijen, kapittels, parochies, steden, of ook begijnhoven. Eerst ga ik op zoek naar zulke instellingen in het hertogdom Brabant. Die instellingen neem ik als uitgangspunt om op zoek te gaan naar aanwijzingen in de bronnen. Ook de vestigingen van de Broeders van het Gemene Leven in Brabant worden onderzocht. Eerst worden de instellingen geïdentificeerd die scholen konden hebben, daarna moet voor elke instelling worden uitgemaakt of er een school was. Mijn onderzoek wil van deze verhouding tussen instellingen, waarvoor een school werd gevonden, en instellingen, waar een school mogelijk was, een – weliswaar onvolledig, omdat niet alle mogelijke soorten bronnen werden bestudeerd – beeld schetsen op basis van de volgende bronnen.
Ik zal rekeningen van abdijen, kapittels en kerken, en van steden en schepenbanken, en oorkondenverzamelingen en cartularia van dezelfde instellingen raadplegen. In de rekeningen zal ik onderzoeken of er aan schoolmeesters lonen of andere vergoedingen werden uitbetaald, of er eventueel andere uitzonderlijke uitgaven voor het onderwijs – bijvoorbeeld de herstelling van een schoolgebouw – kunnen worden teruggevonden. Verder zal ik oorkonden over het onderwijs opsporen, zoals overeenkomsten tussen steden en kapittels over het onderwijs, of aanstellingen van schoolmeesters. Ik vul dit aan met gegevens uit de literatuur, die op zich gebaseerd kunnen zijn op andere categorieën bronnen dan die ik geraadpleegd heb, zodat soms de gegevens uit de literatuur de enige gegevens zijn die we hebben omdat er geen bronnen beschikbaar waren uit de categorieën bronnen die ik geraadpleegd heb.
Daarna wil ik op basis van de gegevens die ik uit die bronnen verzameld heb ook nagaan welke de leerstof was die op de scholen aangeleerd werd, wie de leerkrachten waren, wie de leerlingen, of het om jongens of meisjes ging, hoe het onderwijs praktisch ingericht was.
Ik zal enkel de kleine scholen en de Latijnse scholen onderzoeken, dus niet het universitaire onderwijs. De scholen in abdijen behoren ook tot het beoogde onderzoeksdomein, maar het is vooral de mate waarin deze voor buitenstaanders openstonden dat ze tot het onderzoek zullen behoren en van belang zijn voor een studie van het onderwijs in het algemeen. Het is dus niet de bedoeling te onderzoeken hoe verschillende religieuze gemeenschappen hun onderwijs hebben georganiseerd, maar eerder is het de bedoeling na te gaan hoe de middeleeuwse samenleving als geheel haar onderwijs structureerde, en de rol die religieuze gemeenschapen daarin speelden zal worden bestudeerd voor de periodes dat die rol voor de maatschappij als geheel van belang was.
Ik dien nog enkele opmerkingen te maken over de precieze afbakening van het onderzoek. Zo wordt in principe het onderwijs gedurende de gehele Middeleeuwen bestudeerd, van ca.500 tot ca.1500. De afwezigheid van bronnen, en de afwezigheid van scholen op lokaal niveau maken echter duidelijk dat er van het hertogdom Brabant als onderzoekskader voor de studie van het onderwijs in de Vroege Middeleeuwen geen sprake kan zijn. Het is pas vanaf de 13de en 14de eeuw immers dat scholen in de steden en soms op het platteland beginnen op te duiken. Als einddatum is er gekozen voor 1520, omdat men dan een grens kan onderscheiden tussen de periode aan het eind van de Middeleeuwen waarin het humanisme – dat uiteraard nauw verweven was met het onderwijs en er een grote invloed op had – reeds aanwezig was en een rol speelde, en de periode erna waarin dat humanisme doorbrak en bepalend werd. Terloops moet worden opgemerkt dat ik geen geschiedenis van het humanisme wil schrijven, of een studie van de pedagogie of de didactiek in de Middeleeuwen wil maken. Ik onderzoek de scholen van de Middeleeuwen en waar ze voorkwamen, niet hoe de lessen die er gegeven werden en de leerkrachten die die lessen gaven de maatschappij beïnvloedden.[2] Hoewel het onderzoek de periode vóór 1520 als object heeft, zal ik af en toe bronnen uit de periode erna raadplegen, als de eerste overgeleverde rekeningen uit de periode tot ca.1570 stammen, of er bijvoorbeeld een schoolreglement of een oorkonde i.v.m. het onderwijs uit die periode is overgeleverd en er vrijwel geen andere aanwijzingen voor scholen zijn.
Ook moet ik het onderzoek geografisch aflijnen. Ik zal die gebieden van het hertogdom Brabant onderzoeken, die vandaag deel uitmaken van het Belgische grondgebied, en vallen binnen de grenzen van het kerngebied van het hertogdom: met inbegrip van de enclaves die erbinnen gelegen waren, maar zonder de van Brabant afhankelijke gebieden die er niet mee een aaneengesloten geheel vormden.[3] Noord-Brabant behoorde tot Posts onderzoek, en ik zal zijn besluiten meenemen in mijn besluit.
Het belangrijkste werk is het al eerder aangehaalde werk van Post.[4] De data die hij verzamelde zijn uiteraard die voor Nederland, maar de synthese is algemeen, en geldt zeker ook voor het hertogdom Brabant. De inhoud ervan komt verder in de inleiding ter sprake.[5] Aansluitend hierbij moet ik het werk van Bot over het Humanisme dat bij het werk van Post aansluit vermelden.[6] Andere algemene werken zijn die van Bowen, «A History of Western Education. Volume Two. Civilization of Europe, Sixth to Sixteenth Century,»[7] Cramer, «Geschichte der Erziehung und des Unterrichts in den Nederlanden während des Mittelalters,»[8] Fortgens, «Meesters, scholieren en grammatica. Uit het middeleeuwse schoolwezen,»[9] Lebon, «Instruction du peuple. Histoire de l’enseignement populaire en Belgique,»[10] Nauwelaerts, «Scholen en onderwijs in de Middeleeuwen,» en «Meesters en leraren,»[11] Plancke, «De historische paedagogiek van België. Overzicht en bibliografie,»[12] en van Stallaert en Van Der Haeghen, «De l’instruction publique au moyen âge (VIIIe au XVIe siècle).»[13] Een recente synthese is die van Genet, «La mutation de l’éducation et de la culture médiévales. Occident chrétien (XIIe siècle – milieu du XVe siècle), Tome 1.»[14]
Een ander belangrijk werk is het werk van Put over de kleine scholen in het hertogdom Brabant in de Nieuwe Tijden.[15] Put geeft algemene informatie over het middeleeuwse onderwijs en ook enkele gegevens over specifieke plaatsen in het hertogdom Brabant in de Middeleeuwen.
Voor het onderwijs van de 6de tot de 12de eeuw zijn o.a. de werken van Berliere van belang: «Les écoles abbatiales au moyen âge,» en«Ecoles claustrales au moyen âge,»[16] net zoals de algemene werken van Contreni, «The Xth century. The perspective from the schools,»[17] van Riché, «Ecoles et enseignement dans le haut moyen âge. Fin du Ve s. – milieu du XIe s.,» «Les écoles et l’enseignement dans l’Occident chrétien de la fin du Ve s. au milieu du XIe s.,» «L’enseignement et la culture des laïcs dans l’Occident précarolingien,» en «Recherches sur l'instruction des laïcs du IXe au XIIe siècle,»[18] en van J. Verger, «Educations médiévales. L’enfance, l’école, l’Eglise en Occident, Ve – Xve siècle,» en «Les écoles cathédrales méridionales. Etat de la question,» en andere werken van dezelfde auteur.[19] De werken van Verger zijn vooral belangrijk om het algemeen kader te schetsen, maar zijn niet echt van belang voor mijn onderzoek, ik kom er ook niet op terug. Andere werken over die periode en over kloosterscholen van Riché, Pirenne en De Jong komen verder in de inleiding aan bod. Informatie over de latere eeuwen is terug te vinden in de reeds vermelde algemene werken.
De armenscholen werden o.a. bestudeerd in «De scholen der Bonefanten,»[20] de scholen en convicten van de Broeders van het Gemene Leven in het werk van Delprat, «Verhandeling over de broederschap van G. Groote en over de invloed der Fraterhuizen op den wetenschappelijken en godsdienstigen toestand, voornamelijk van de Nederlanden, na de veertiende eeuw.»[21]
Voor Brabant is het onderwijs vaak bestudeerd in de lokale geschiedschrijving. Ofwel in algemene stadsgeschiedenissen, zoals voor Brussel en Antwerpen.[22] Maar er zijn ook werken over specifieke scholen.[23] Voor de meeste studies gaat het echter om het onderwijs in de Nieuwe Tijden. De oudste informatie stamt vaak uit de 16de eeuw. Een voorbeeld hiervan is het werk «Humanisme en Latijnse scholen in de Kempen.»[24] De belangrijkste gebeurtenissen uit de geschiedenis van het onderwijs, zoals de oorkonde van Brussel uit 1320, die door verschillende auteurs werd bestudeerd,[25] zijn vaak al gekend.
2.3. ALGEMENE INLEIDING: HET ONDERWIJS IN DE MIDDELEEUWEN.
Eerst wil ik het hebben over twee schooltypes uit de 6de en 7de eeuw, de overgebleven Romeinse stedelijke Latijnse scholen, en de nieuw opgerichte scholen voor priesters in de parochies. Ze zijn voor mijn onderzoek van weinig belang.
Het onderwijs in de 6de en 7de eeuw bouwde in eerste instantie voort op de erfenis uit de Oudheid. Gedurende de eeuwen daarvoor waren de scholen uit het Romeinse Rijk blijven voortbestaan, weliswaar verminderd in aantal. H. Pirenne onderzoekt het onderwijs in deze periode in zijn artikel «De l’état de l’instruction des laïques à l’époque mérovingienne,» hij wil in dit artikel nagaan of leken in de Merovingische periode bij het onderwijs betrokken waren.[26] Pirenne stelt dat hoewel er tijdens de Karolingische Renaissance een grote kwalitatieve vooruitgang was in het onderwijs en de literatuur, het aantal mensen dat hieraan deelnam klein was, en dat hoewel de Merovingische periode geen even grote culturele verwezenlijkingen kende, de geletterdheid in meer lagen van de bevolking verspreid was.[27] In de Merovingische periode waren er geletterden onder de leken, in de Karolingische periode waren de leken niet meer geletterd, en ondanks de pogingen van Karel de Grote om hier iets aan te veranderen bleef dit zo. Het onderwijs was volledig in handen van de Kerk, er waren kapittelscholen, kloosterscholen, en parochiescholen. Het onderwijs werd er gegeven door geestelijken en voldeed aan de behoeften van de geestelijkheid. Er werden in regel enkel geestelijken opgeleid. Het is pas in de 12de eeuw dat het lekenonderwijs, als antwoord op de nieuwe economische en sociale situatie, wordt georganiseerd, in eerste instantie nog onder controle van de geestelijkheid. In de Merovingische periode was het onderwijs een lekenzaak, en was er geen sprake van een monopolie van de Kerk. Volgens Pirenne leefde het oude Romeinse onderwijssysteem door tot in de 7de eeuw. De geletterdheid zette zich volgens hem voort onder de leden van de elite en de administratie van de vorsten bediende zich nog steeds van het schrift. Al het personeel dat de vorsten inschakelden was opgeleid in het lekenonderwijs en was leek. Ook werd het Romeinse recht voortgezet, en om dit toe te kunnen passen moest volgens Pirenne het gebruik van het schrift goed verspreid zijn. Ook de aard van de economie veronderstelde het gebruik van het schrift door handelaars. Het voortbestaan van de handel in papyrus en het gebruik van het Romeins cursief zijn volgens Pirenne nog argumenten om de stelling te ondersteunen dat de kennis van het schrift goed verspreid was.
In de belangrijkste overgebleven stedelijke centra uit de Merovingische tijd, die ook een bestuursfunctie hadden, waren er in die periode waarschijnlijk Latijnse scholen, zoals die ook in de Oudheid in de steden hadden bestaan. In het gebied dat later het hertogdom Brabant zou vormen was zo’n stad er niet. Pierre Riché onderzoekt in «Education et culture dans l’Occident barbare, VIe – VIIIe siècles» ook het onderwijs in de Vroege Middeleeuwen, en brengt dit in verband met een geografische opdeling die hij ziet in die tijd.[28] In de 6de en 7de eeuw bestond Gallië volgens hem uit cultureel twee verschillende delen. In het Zuiden was er een zekere voortzetting van de Romeinse cultuur. In het Noorden werd geen schrift gebruikt, en scholen, die er in de vorige eeuwen zouden geweest zijn, verdwenen er snel. Volgens Riché geldt de schets van Pirenne in «De l’état de l’instruction des laïques à l’époque mérovingienne» hoofdzakelijk voor het Zuiden. Het kerkelijk en intellectueel leven trok zich terug in de regio tussen de Seine en het Centraal Massief. Opvallend is dat alle kerkelijke vergaderingen op het niveau van de kerkelijke provincies van het gebied in die regio plaatsvonden. Ook het kerkelijk onderwijs was in die regio naast de overgebleven Latijnse scholen beter vertegenwoordigd dan elders. In de 6de eeuw ontstonden daar voor het eerst parochiescholen. Deze richtten zich in principe enkel op de geestelijkheid. In die gebieden waar de verspreiding van het geloof op het platteland succesvol was geweest, voelde men de nood aan opleiding voor de geestelijken die de nieuwe parochies moesten leiden. Op het concilie van Vaison (529) werd beslist dat elke priester enkele ‘klerken’ moest opleiden om hem te helpen, en hen het psalterium, de heilige teksten, en de goddelijke wet aan te leren. («En 529, le concile de Vaison décida que chaque prêtre de paroisse rurale prendrait chez lui des lecteurs et leurs enseignerait le psautier, les textes saints et la loi divine.»)[29] «Ce texte fameux est considéré comme l’acte de naissance des écoles paroissales, » merkt Riché op. Hoewel enkel voor geestelijken bedoeld, werden er ook leken toegelaten. Mogelijk werd het besluit van het concilie hier en daar snel opgevolgd, stelt Riché. Volgens C. Stallaert en P. Van Der Haeghen had het slechts weinig effect.[30] Eerder had men al op het concilie van Orléans gelijkaardige besluiten genomen.[31] Ook volgens Bowen hadden al deze maatregelen weinig effect. In het hertogdom Brabant dateren het parochiewezen en de kerstening uit een latere periode zodat deze onderwijsvorm in de parochies, net zoals de Romeinse scholen in de steden ervoor niet van toepassing is.
Vanaf de 7de en 8ste eeuw ontstaan er nieuwe scholen, ditmaal helemaal in kerkelijke handen. Ze ontstaan in kloosters, naast de kapittels op de hoofdplaatsen van de bisdommen en in de parochies. Enkel de kloosterscholen zullen van belang zijn voor mijn onderzoek, in Brabant lagen immers geen hoofdplaatsen van bisdommen, waar de kapittelsscholen uit deze periode ontstonden, en de parochiescholen waren gering in aantal en zeker niet aanwezig in Brabant.
Vanaf het midden van de 7de eeuw raakte het schrift in onbruik bij de leken. Kennis van het schrift werd het monopolie van de geestelijkheid. Wereldlijke heersers moesten meer en meer een beroep op hen doen. Maar ook bij de geestelijkheid gingen de zaken er op achteruit. De laatste lekenscholen verdwenen toen.
Het onderwijs werd overgenomen door de kloosterscholen, en het culturele leven trok zich in de kloosters terug. Pirenne zoekt hiervoor een economische verklaring.[32] Het niveau van de opleiding en het aantal personen dat hiervan gebruik maakt, hangt volgens Pirenne samen met de graad van economische ontwikkeling. Een economie met veel goederenverkeer en veel geldcirculatie gaat vaak samen met een goed onderwijs. Aan het begin van de Middeleeuwen was dit zo. De economie was een voortzetting van die onder het Romeinse Rijk, en ook het onderwijs uit die periode leefde door. Er waren mogelijkheden voor leken, voor handelaars om in de steden onderwezen te worden. Dit veranderde in de 7de en 8ste eeuw. De economie veranderde van een economie met veel handel naar een economie met plaatselijke productie en plaatselijke consumptie, met weinig tot geen geldcirculatie. Het oude onderwijssysteem verdween. Het onderwijs, de geletterdheid, verdwenen uit de lekenwereld en kwamen in handen van de geestelijkheid. Onder Karel de Grote bloeide dit geestelijke culturele leven, maar pogingen om de geletterdheid naar andere milieus te verspreiden kenden geen effect.
In de Karolingische periode werden verschillende maatregelen i.v.m. het onderwijs getroffen, met als gemeenschappelijke doelstelling het verbeteren van de geletterdheid bij de geestelijkheid. Er werd geprobeerd voor de seculiere geestelijken scholen op te richten in de parochies – zoals men op de concilies van de 6de eeuw reeds had geprobeerd – en in de kapittelkerken op de hoofdplaatsen van de bisdommen, of er werden initiatieven ondernomen om hen naar kloosterscholen te sturen.
In 789 vaardigde Karel de Grote een besluit uit, de Admonitio generalis. Naast andere maatregelen bevatte het het bevel om scholen op te richten.[33] Het effect van deze maatregel voor het onderwijs was echter niet groot. Daarom volgden nog besluiten in die zin. «Les conciles d’Arles, de Mayence, de Reims, de Tours et de Châlons-sur-Saône, tenus 813, par ordre de Charlemagne, ont encore pour objet la discipline et les études, et celui de Châlons, insistant sur l’établissement d’écoles, s’exprime dans les termes suivants: ‘Ainsi que notre seigneur l’empereur Charles … l’a ordonné, il faut que les évêques établissent des écoles, dans lequelles on enseigne habilement les études littéraires et les Saintes-Ecritures; que l’on y instruise des hommes dont le Seigneur puisse dire à bon droit: Vous êtes le sel de la terre, etc.’»[34]. Karel de Grote richtte onder andere een brief aan de bisschop van Luik, waarin hij hem beval ervoor te zorgen dat de onderdanen van zijn bisdom in het geloof onderwezen werden. Deze gaf het bevel door aan zijn parochies.[35] Paus Eugenius vaardigde in 826 een besluit (decretaal) uit om de bisschoppen te verplichten onderwijs te organiseren. « Complaints have been made that in some places no masters nor endowment for a grammar school [studio literatum] is found. Therefore all bishops shall bestow all care and diligence, both for their subjects and for other places in which it shall be found necessary, to establish masters and teachers [magistri et doctores] who shall assiduously teach grammatical studies and the principles of the liberal arts, because in these chiefly the commandements of God are manifested and declared, » citeert Bowen.[36] Er zijn bewijzen dat concilies en andere kerkvergaderingen zich hierover bogen doorheen de 9de eeuw. Op de concilies van Valence (855) en Savonnières (859) werd beslist dat tenminste in de hoofdplaatsen van de bisdommen onderwijs moest georganiseerd worden.[37] «Un capitulaire de Louis-le-Débonnaire adressé aux évêques en 823 porte: ‘Ne négligez point, pour l’utilité générale, d’établir des écoles dans les endroits convenables, où il n’y en a point encore, comme vous nous l’avez dernièrement promis à Attigny, et comme nous vous avons enjoint de le faire, afin qu’il soit ainsi pourvu à l’éducation et à l’instruction complète des fils et des ministres de l’Eglise.’»[38] «Le concile des évêques tenu à Paris en 824, s’exprime en ces termes: ‘Nous avons unanimement décrétré entre nous que les évêques veilleront dorénavant avec plus de zêle aus écoles, afin de préparer et de former des soldats du Christ dans l’intérêt de l’Eglise. […] .’»[39]
We weten weinig over het effect van al deze maatregelen. Er zijn bewijzen dat er in enkele bisschopssteden scholen waren, naast de bekende kloosterscholen, maar of er ook parochiescholen waren blijft onduidelijk.[40]
Bij de kloosterscholen kan er onderscheid worden gemaakt tussen interne en externe scholen. Volgens sommige historici is dit onderscheid niet absoluut. Ik zal hier even dieper op ingaan. In ieder geval zijn enkel kloosterscholen waar leken werden toegelaten voor het onderzoek van belang.
De aanwezigheid van leken in kloosterscholen leidde er op sommige plaatsen toe dat er ‘interne’ scholen werden opgericht, naast de ‘externe’ scholen. Soms bleef de interne school, als er geen externe was, toegankelijk voor leken, soms schermde men deze af. Sommige historici vatten deze interne en externe scholen op als aparte instellingen, en waren van mening dat in de meeste kloosters het onderwijs tussen internen en externen strikt gescheiden was, sommigen waren er zelfs van overtuigd dat externen uitsluitend in de externe scholen terechtkonden en dat alle interne scholen voor hen ontoegankelijk waren. Berliere[41] stelt vragen bij deze opvattingen en voert aan dat er aanwijzingen genoeg zijn waaruit blijkt dat leken in het algemeen in de kloosters terechtkonden. M. De Jong[42] is hier nog meer van overtuigd en vindt dat zelfs de scheiding tussen interne en externe scholen niet meer kan worden aanvaard.
Berliere verzamelt in zijn artikel, «Ecoles claustrales au moyen âge,»[43] enkele teksten waaruit blijkt dat de kloosterscholen vaak in zekere mate openstonden voor buitenstaanders, voor seculiere clerus of niet-geestelijken. Er blijkt ondermeer uit dat de kloosterschool een rol speelde in de opleiding van priesters, en andere seculiere clerus – en soms zelfs van schoolmeesters – van de parochies die van hun klooster afhingen. De kloosters hadden er belang bij dat de geestelijken van de kerken verbonden aan de kloosters, en van ‘hun’ parochiekerken, een goede opleiding kregen. Dus werden deze bij hen opgeleid in het klooster, of ze zorgden eventueel voor onderwijs in de parochies zelf. Volgens Berliere waren er een aantal scholen die openstonden voor leken. Zo’n school was er te Gembloux, in het hertogdom Brabant.[44] Volgens Berliere waren dit geen externe scholen maar gebeurde dit in interne scholen. Sinds lang, zegt Berliere, gaat men er vanuit dat de vele kloosters naast een interne school een externe school bezaten, waar leken in de zeven vrije kunsten werden onderwezen. Anderen beweren dan weer het tegenovergestelde: dat het onderwijs enkel geestelijken opleidde. Volgens Berliere ligt de waarheid waarschijnlijk in het midden. In feite kunnen we slechts met moeite twee kloosters met externe scholen aanduiden : Sankt-Gallen en Saint-Hubert (in de Ardennen).[45] Moeten we uit dit laatste besluiten dat er geen leken werden onderwezen in kloosterscholen ? Neen, denkt Berliere, er zijn immers genoeg getuigenissen van leken, en ook van seculiere geestelijken, die een opleiding in het klooster genoten, en daarna niet in het klooster traden. De adel stuurde zijn kinderen naar ‘interne’ scholen.[46] In de 9de eeuw komt er weerstand tegen dit lekenonderwijs door kloosterscholen, en poogt men het aan banden te leggen, door het kloosteronderwijs voor toekomstige monniken voor te behouden. Zo gebeurde in Aken in 817.[47] Moeten we er van uitgaan, vraagt Berliere zich af, dat vanaf dat moment er een scheiding groeit tussen de interne en de externe school ? Berliere vindt niet dat er aanwijzingen zijn waaruit we dit kunnen besluiten, hij vindt het eerder waarschijnlijk dat deze maatregel net als andere maatregelen uit die periode die in dezelfde geest genomen waren, en erop gericht waren heel het monastiek gebeuren om te vormen, slechts weinig succes kende. Het lekenonderwijs in de kloosterscholen bloeide voort, aldus Berliere. Vanaf de twaalfde eeuw veranderde de situatie. De kloosterscholen zagen af van het onderwijs van ‘externen’.[48] Die rol werd door anderen overgenomen, enerzijds omdat de kloosters zelf hier anders tegenover stonden, vooral onder invloed van Cluny, anderzijds doordat de kloosters die de regel van Benedictus volgden aan invloed inboetten en doordat de steden het culturele leven naar zich toe trokken. Waar de kloosterscholen vroeger het personeel van andere scholen opleidden, moesten ze nu zelf op zoek naar mensen die elders opgeleid waren.
Ook De Jong spreekt zich uit tegen het bestaan van een scheiding tussen het interne en externe onderwijs in de kloosters. Op de concilies van Aken van 816 en 817 werd er een duidelijker scheiding tussen reguliere en seculiere geestelijken opgetrokken. In 817 werd beslist dat kloosterscholen voortaan enkel voor de eigen pueri oblati onderwijs zouden organiseren.[49] «Weinig conciliebesluiten hebben de pennen van historici zozeer in beroering gebracht als dit korte zinnetje. De controverse kan kort worden samengevat. Sommigen concludeerden dat Lodewijk de Vrome en zijn monastieke adviseur, Benedictus van Aniane, een streep wilden zetten onder de onderwijspolitiek van Karel de Grote. Scholing van jonge wereldgeestelijken en leken werd niet langer tot de specifieke taken van kloosterlingen gerekend. Anderen menen echter dat met monasterium niet het klooster in algemene zin bedoeld is, maar het besloten binnenste gedeelte (claustrum) ; hier zouden alleen de oblaten onderwijs mogen krijgen, terwijl de overige leerlingen verwezen werden naar de ‘externe school’ van het klooster. Het voornaamste argument hiervoor is de beroemde plattegrond van het klooster van St.Gallen, waarop een school te zien is die buiten het claustrum gelegen is. Volgens de aanhangers van de laatste interpretatie vertolkt deze plattegrond de idealen van de Akense hervormingsconcilies, » aldus De Jong.[50] Volgens De Jong had het besluit van 817 niet de bedoeling naast de kloosterscholen, die ‘intern’ georganiseerd waren, ook ‘externe’ kloosterscholen te doen oprichten, maar enkel de bedoeling te verzekeren dat de kloosterscholen zich op de eigen monniken of toekomstige monniken zouden concentreren. In 816 was al besloten dat toekomstige kanunniken in de kapittels zelf moesten opgeleid worden. «De intentie is duidelijk, maar of deze pogingen tot separatie en classificatie veel effect sorteerden, blijft de vraag,» stelt De Jong. Ze vervolgt: «De hele idee van een externe school is slechts gebaseerd op twee bronnen: de kloosterplattegrond van Sankt Gallen en de geschiedenis van dit klooster die rond het midden van de elfde eeuw door de monnik Ekkehard op schrift werd gesteld. Ekkehard meldde inderdaad dat onder abt Grimald (841-872) de scolae claustri met de jongens in ‘habijt’ werd toevertrouwd aan Marcellus, terwijl Iso de verantwoordelijkheid kreeg voor de scolae exteriores, id est canonicae. Hier lijkt een helder onderscheid gemaakt te worden tussen ‘interne’ oblaten en ‘externe’ wereldgeestelijken; toch is het zeer de vraag of zij ook strikt van elkaar gescheiden onderwijs genoten. Ekkehard gebruikt meestal het meervoud (scolae) als hij het over de school had, maar hij noemde slechts één schoolgebouw, dat ten Noorden van de kerk gelegen was. Over zijn naamgenoot Ekkehard II (+990) schreef hij dat deze de leiding gaf aan «beide scholen.» Hoewel het verschil tussen jonge monniken en clerici duidelijk was, schijnt dit niet geleid te hebben tot een geïnstitutionaliseerd schoolbedrijf met aparte gebouwen. Eerder was het zo dat beide scholen (lees: groepen) van elkaar gescheiden dan wel samengevoegd werden, al naar gelang het uitkwam.»[51] Volgens De Jong is het niet zeker dat het schoolgebouwtje op het plan van Sankt Gallen het bestaan van een externe school bewijst, het is volgens De Jong zelfs mogelijk dat de oblati in datzelfde gebouw lesvolgden. Het is volgens haar waarschijnlijk dat er geen duidelijke scheiding was tussen de clerici en de oblati.[52] « Het heeft er alle schijn van dat de scheidsmuren die de hervormers wilden opwerpen tussen oblaten en andere scholieren, voornamelijk op perkament hebben bestaan, » besluit De Jong. « Historici hebben een al te groot gewicht gehecht aan het capitulaire van 817 waarin de kloosterschool uitsluitend voor oblaten bestemd werd. »[53]
Na de periode gedomineerd door de kloosterscholen, kondigt zich een heel ander soort schoolwezen aan, vanaf de 12de en 13de eeuw. Er ontstond een heel net van stedelijke Latijnse scholen en kleine scholen. Die Latijnse scholen verbonden zich vaak met de – vooral in het hertogdom Brabant – talrijke nieuwe kapittels. Voor het eerst werd de leerstof van de kloosterscholen, die nog trivium en quadrivium samen hadden onderwezen, gesplitst. De Latijnse scholen ontfermden zich over het trivium en de universiteiten werden de nieuwe instellingen waar men het quadrivium ging bestuderen. De kloosterscholen zelf bleven wel al die vakken onderwijzen, maar snel enkel nog voor hun eigen leden. Er was ook een opdeling van de taken tussen de Latijnse scholen en de kleine scholen, deze laatste scholen gingen de kinderen leren lezen en schrijven en bereidden ze voor op de Latijnse school, als ze verder studeerden. Als we het vanaf nu over parochiescholen hebben, hebben we het dus over kleine scholen, terwijl in de parochiescholen van de 6de en 7de eeuw de vakken van het trivium en quadrivium onderwezen werden.
Net zoals Pirenne economische redenen zag voor het verdwijnen van het lekenonderwijs in de 8ste eeuw, zo ziet hij er nu voor de opkomst van het nieuwe onderwijs. Als na de crisis van de 9de en 10de eeuw de economie terug evolueerde naar een economie met meer handel, ontstond er een nieuwe groep van handelaars, die een groeiende nood aan de kennis van het schrift voelde. Het schrift werd een manier om zijn zaken beter te kunnen organiseren, om zelfs een grotere winst te maken.[54] In het begin van de 13de eeuw gebeurde het nog dat men leken naar kloosterscholen stuurde. Het geval van Villers toont dit aan.[55] Leken gingen echter meer en meer verlangen naar een eigen onderwijs. De nieuwe sociale en economische situatie vroeg om een nieuw soort onderwijs. Geleerde geestelijken richtten ‘scolae privatae’ op buiten de abdijen, in de steden, om aan de nieuwe vraag te beantwoorden, vanaf 12de eeuw.[56]
Al het onderwijs werd dan nog geleid door de geestelijkheid – kloosterscholen, enkele kapittelscholen, en het nieuwe privé-onderwijs – en dit bleef in hoofdzaak zo tot de 13de eeuw. De behoeften van de handelaars en het doel van het geestelijke onderwijs stemden echter niet overeen. De nood aan een eigen onderwijs deed zich dus voelen.[57] En deze nood aan onderwijs werd niet alleen meer gevoeld door de rijkste handelaars, maar ook meer en meer door andere beroepsgroepen. De steden gingen zich interesseren voor de organisatie van het onderwijs voor hun inwoners. Volgens Pirenne kon men deze tendens ten noorden van de Alpen voor het eerst waarnemen in Vlaanderen, dat ook voorop stond in de economische ontwikkeling. In Gent werd in de 12de eeuw een regeling getroffen waarbij er onderwijs in de stad kon ingericht worden, mits men de toestemming had van het kapittel. Later werd er zelfs gesteld dat men niemand die onderwijs in de stad wou inrichten mocht tegenhouden. In de eerste helft van de 13de eeuw werd deze vrijheid echter terug ingeperkt : al het onderwijs werd onderworpen aan de controle van het kapitttel, dat droeg een kandidaat voor die door de graaf werd benoemd om toezicht over de scholen te houden. In Ieper verkreeg het kapittel aan het eind van de 12de eeuw het recht om het onderwijs in de stad te controleren. Volgens Pirenne is het dus waarschijnlijk dat er daarvoor pogingen geweest waren onderwijs in te richten, los van de controle van het kapittel. Midden 13de eeuw kwamen kapittel en schepenen overeen dat er voortaan drie scholen zouden zijn, waarvan het kapittel de rectors benoemde. Het privé-onderwijs werd ingeperkt : als ouders een privé-leerkracht inschakelden dan mochten ze geen kinderen van een ander toelaten de lessen bij te wonen. De kleine scholen werd echter geen enkele beperking opgelegd, daar mocht men onderwijs organiseren zolang men niet verder ging dan het handboek Distica Catonis. In het midden van de 13de eeuw beschikken de Vlaamse steden volgens Pirenne over scholen, meestal opgesplitst in grote en kleine scholen. Vanaf dat ogenblik is het Latijn ook niet meer de enige onderwijstaal : in de kleine scholen onderwijst men vanaf dan lezen en schrijven in de volkstaal. Als de nieuwe school verbonden was met een kapittel, probeerden de leken er invloed op uit te oefenen.
Dit was de ontwikkeling die zich vanaf de 13de eeuw voortzette : in de economisch belangrijke steden ontstonden Latijnse scholen – en kleine scholen – in de parochiekerk of de kapittelkerk. Pirenne stelt dat Vlaanderen in deze evolutie de leiding nam, omdat het ook economisch voorop lag. In dezelfde logica moet het hertogdom Brabant deze evolutie niet veel later hebben ingezet.
Er waren voordien al in enkele bissschopssteden kapittelscholen geweest, maar de nieuwe kapittelscholen ontstonden, net als scholen in steden waar geen kapittel was, als antwoord op de nieuwe vraag naar onderwijs, die nu niet meer alleen van de geestelijkheid uitging. Maar ook binnen de kerk waren er pogingen om dit kapittelonderwijs beter te organiseren, om toch in elke hoofdplaats van een bisdom onderwijs te garanderen. Op het Derde Concilie van Lateranen in 1179 werd besloten dat in elke kathedraal een meester die grammatica zou onderwijzen moest aangesteld worden, zodat de kanunniken en arme scholieren er konden onderwezen worden, en hiervoor moest een prebende voorzien worden. Het Vierde Concilie van Lateranen (1215) voegde hier aan toe dat in elke hoofdplaats van een aartsbisdom bovendien een meester die theologie zou onderwijzen moest aangesteld worden, en dat voor hem ook een prebende moest voorzien worden.[58] Tijdens het Vierde Concilie van Lateranen werd ook besloten dat in de parochies scholen moesten opgericht worden.
Paus Alexander III sprak zich uit tegen het monopolie van de kapittelscholen, en stelde dat iedereen een school moest kunnen openen, in 1172-1173.[59]
Volgens Stallaert en Van Der Haeghen kan men in de kapittels waar er een scholaster was een school veronderstellen. «La présence d’un écolâtre dans les fondations de chapitres nous prouve que dans les diverses villes où ces corps religieux étaient institués, il y avait près de la collégiale une école dont ce fonctionnaire ecclésiastique avait la direction. L’écolâtre du chapitre exerçait généralement aussi de droit où de fait, la surintendance sur toutes les autres écoles de la ville.»[60] Gegevens uit latere eeuwen tonen ons aan dat dit niet altijd het geval is geweest: in de Late Middeleeuwen werd de scholasterie het slachtoffer van de cumulatie van beneficies en verwaarloosden de scholasters hun taken. De scholasters van de kapittels controleerden het onderwijs in de steden. Zij konden alle schoolmeesters van de stad inspecteren.
De kapittels hadden een goede reden om een school te hebben: zij hadden zangers nodig voor hun kerk. Dus gaven ze aan sommige – of aan alle – kinderen van de kleine school, als zo’n kleine school aan hun Latijnse school verbonden was, extra zangonderricht. Het waren de kinderen van de kleine school die hen interesseerden, omdat ze jongens nodig hadden met een goede stem. Alle kapittels hadden zo’n zangonderwijs in hun kleine school. Vaak was er een opdeling in de leerlingengroep tussen de zangers en de gewone leerlingen. In de grootste kapittels ontstonden echte aparte zangschooltjes. De bekommernis om de verzorging van de kerkgezangen was later ook één van de ontstaansredenen van vele kleine scholen in plattelandsparochies. Uit gegevens uit de 15de en 16de eeuw weten we dat dat in die eeuwen het geval was.[61]
Er werd op aangedrongen dat naast het Latijn nog andere vakken werden onderwijzen. «Vast staat dat het onderwijs tijdens de Middeleeuwen hoofdzakelijk van Latijnse signatuur was. Toch bestond er, naast de Latijnse klooster- en kapittelscholen, al in de 12de en de 13de eeuw een door de burgerij georganiseerd niet-Latijns onderwijs in de grote steden. Vooral de handelaars zouden aangedrongen hebben hebben op een meer op de praktijk georiënteerd onderricht, waarin ook levende talen en rekenen aan bod kwamen.»[62] Hieronder moeten de kleine scholen worden begrepen, waar in de volkstaal werd onderwezen. In latere eeuwen – in de 15de en 16de eeuw vindt men er aanwijzingen voor, vooral in de grote steden – ontstonden om dezelfde redenen handelscholen.[63] Het programma was geheel anders. Er werd geen Latijn maar Frans onderwezen. Ook rekenen werd er onderwezen. Lezen en schrijven zouden in sommige scholen ook onderwezen geweest zijn, om als school geduld te kunnen worden. Er zouden daardoor twee soorten leerlingen geweest zijn: enerzijds de kinderen en analfabeten die er leerden lezen en schrijven, en anderzijds de 'gevorderden' die Frans en rekenen leerden. Eventueel werd er ook handelscorrespondentie onderwezen, dat denkt Post althans te moeten verstaan bij de vermelding dat er 'nederlands' werd onderwezen. Dit zal slechts voor de 14de en 15de eeuw het geval zijn geweest, en voor de 13de en 14de eeuw zal de uitbreiding van de vakken zich beperkt hebben tot de volkstaal.
De nieuwe kleine scholen ontstonden dus als een antwoord op de vraag vanuit de bevolking om te kunnen leren lezen en schrijven. Het is mogelijk dat in de parochies niet enkel kleine scholen ontstonden, maar ook Latijnse schooltjes – net als de parochiescholen van de 6de en 7de eeuw – om priesters op te leiden. Dat er voor de 16de eeuw in de parochies buiten de steden Latijnse scholen zijn geweest met een redelijk aantal leerlingen is niet waarschijnlijk, eerder moeten we ons bij die scholen priesters voorstellen die hun eigen opvolger opleidden, zoals F.Prims zich de zaken voorstelt.
F. Prims veronderstelt al vroeg parochiescholen op het platteland, omdat de pastoors in de parochies zelf opgeleid werden. Mogelijk was dit reeds het geval in de 12de en 13de eeuw. Misschien volgden sommigen in zo’n schooltjes les om er Latijn te leren en er te leren lezen en schrijven, zonder de bedoeling het tot priester te schoppen. Aan de oorsprong van zo’n scholen lag het personaatsstelsel. Prims bespreekt in zijn artikel «De oorsprong van de Latijnse dorpsscholen» dat personaatsstelsel, dat goed verspreid was in de Kempen: een oorspronkelijk vrije parochie werd toevertrouwd aan een persona die moest instaan voor de aanduiding van de priester en de andere dienaars van de kerk. Dit personaat evolueerde later naar een vorm van bezit voor de persona die de inkomsten van de parochie binnenrijfde, het werd een beneficie dat werd toebedeeld aan vertrouwelingen, en de cumulatie ervan met andere betrekkingen was vrij. De invulling van de verplichtingen van de persona liet dus te wensen over. Volgens Prims functionneerde dit personaat in de Kempen in eerste instantie wel goed, en het werd vervuld door mensen uit de streek, vaak door de pastoor zelf. In de 12de en 13de eeuw werden sommige personaten afgeschaft. Prims merkt echter op dat in vele van de overgebleven personaten er later een Latijnse school was, dus denkt hij dat er in de meeste van de andere overgebleven personaten ook Latijnse scholen moeten geweest zijn. Volgens Prims was het ook in het belang van de personae zelf dat ze de opvolging van hun pastoors verzekerden, en de aangewezen manier om dit te doen was in hun kerken schooltjes op te richtten waaruit later pastoors konden gerekruteerd worden. In die schooltjes werd dan Latijn en muziek onderwezen, zodat toekomstige pastoors de liturgie zouden kunnen verzorgen en ze de teksten van de kerk zouden kunnen begrijpen. Prims merkt op dat vele van de ons bekende pastoors uit de streek van hun kerk zelf afkomstig zijn.[64]
In die kerken werd het onderwijs mogelijk door de koster gegeven. «In kleinere plaatsen was die opleiding van de chorales de taak van de matricularius, de custos of koster. Bemerk wel dat oudtijds de koster een clericus, een ongehuwde en vaak een priester was. De custodia was een beneficie met vaste en met casuele inkomsten. Als matricularius hield hij oorspronkelijk de inschrijvingslijst van de armen der parochie die door de H.Geesttafel werden bijgestaan. Soms heeft hij ook, vóór het concilie van Trente, in de XVde-XVIde eeuw de registers van dopen, huwelijken en overlijdens bijgehouden. Maar in grotere plaatsen is de taak van de custos gescheiden geworden van die van de schola. Naast de custos is er een scholaster, zoals in de kapittelkerken.»[65] De meeste aanwijzingen dat kosters les gaven - ook Post gaat ervan uit dat dit vaak door kosters gedaan werd en verzamelde er een aantal aanwijzingen voor – dateren uit de 16de eeuw. Of dit al in de 13de of 14de eeuw zo was, weten we niet. Mogelijk was dit in sommige plaatsen het geval, we moeten echter rekening houden met het feit dat de grootste groei van kleine scholen in de 15de en 16de eeuw plaats vond, en dat als er dan bewijzen van scholen worden gevonden in de 16de eeuw, dat niet noodzakelijk scholen zijn die eeuwen oud zijn, en dat de situatie dat vele kosters les gaven ook niet noodzakelijk zo oud is. Dat er ook in de parochiekerken, zoals in de kapittelkerken, een scholaster was, zoals Prims beweert, kunnen we niet met een voorbeeld illustreren.
In de 15de en 16de eeuw kende het in de 12de en 13de eeuw ontstane schoolnet een uitbreiding. In het midden van de 16de eeuw was dat onderwijsnet in de Nederlanden zeer sterk uitgebreid. Bovendien werd in die periode in de steden, waar het onderwijs in handen was van de scholaster van het kapittel, de controle over het onderwijs van het kapittel op de stad overgedragen. Naast de Latijnse en kleine scholen ontstonden in de steden armenscholen, of de steden betaalden hun schoolmeesters van de Latijnse of kleine scholen een vergoeding om de arme kinderen in hun scholen op te vangen. De kinderen van buiten de stad, die opvang in de stad ontbeerden, konden bij de convicten van de Broeders van het Gemene Leven terecht. De kinderen verbleven in die convicten en liepen school in de stadsschool. Ook waren er nog de kleine scholen in de begijnhoven.
In de 16de eeuw was het onderwijs met Latijnse en kleine scholen goed uitgebouwd. Later ging de toestand er terug op achteruit door de Opstand in de Nederlanden.[66] Volgens Post waren er in de 16de eeuw in alle steden Latijnse scholen in de kerk van de belangrijkste parochie van de stad – waar in sommige steden een kapittel gevestigd was – en waren op het platteland de kleine scholen goed verspreid. Sommige Latijnse scholen hadden lagere afdelingen, in andere steden waren de kleine scholen onafhankelijk van de Latijnse school.[67] Volgens Put waren er in het midden van de 16de eeuw in 2 op de 3 parochies kleine scholen. Deze verspreiding op het platteland zou een fenomeen van de late 15de eeuw en de 16de eeuw zijn, waarbij de kleine scholen, die in de steden ontstaan waren, zich vanuit die steden en vanuit de grootste rurale centra, waarin ze zich vervolgens gevestigd hadden, verspreid hebben over de rest van het platteland, vooral in het hinterland van de grote steden.[68] «R.R. Post stelde voor het gebied van het actuele Nederland een lijst op van lokaliteiten waar vóór de Reformatie al een school functioneerde. Hij vond sporen van een 300-tal onderwijsinstellingen, zowel in de steden als op het platteland; de meeste van deze meldingen dateerden uit de 16de eeuw. A. Derville verdedigde in een recente publikatie de stelling dat het elementair onderwijs op het Franse platteland in de 15de eeuw veel meer verspreid was dan men tot nog toe heeft willen geloven. Ook M.A. Nauwelaerts schreef in een overzichtsartikel in de nieuwe Algemene Geschiedenis der Nederlanden dat tijdens de 15de en 16de eeuw grote vooruitgang in de verspreiding van het volksonderwijs geboekt werd.»[69]
In de 15de eeuw hadden de meeste steden, of ze deden dit ten laatste in de 16de eeuw, de controle verworven over de Latijnse school in hun stad. Hiervoor werd in de meeste steden een overeenkomst gesloten met het kapittel, soms voorafgegaan door een conflict met de scholaster. In enkele steden verliep dit proces zonder grote spanningen. Maar bijna overal werd de grote school (dit is de Latijnse school van de stad), onder controle van de stad of van het kapittel, bedreigd door schoolmeesters die eigen Latijnse schooltjes oprichtten, en moest de positie van de grote school beschermd worden. Dit proces werd gestuurd door de vraag van de inwoners van de steden naar onderwijs. De kleine scholen werd meestal de vrije hand gegeven, zoals ook al het geval was geweest toen de scholen nog in kerkelijke handen waren, zolang ze geen leerstof gaven die in de Latijnse school werd gegeven.[70] «In vele tweederangssteden kwam de kapittelschool in de loop van de 15de en de 16de eeuw in handen van de stadsmagistraat. De Latijnse stadsscholen die op die manier ontstonden, hadden doorgaans een lagere afdeling, waar lezen en schrijven werden aangeleerd. Voorbeelden van dergelijke stadsscholen vond men onder meer in Turnhout, Vilvoorde en Herentals. Daarnaast trof men ook in de kleine steden particuliere, niet-openbare schooltjes aan.»[71] In de 16de eeuw werden in de steden naast de grote scholen onder invloed van het humanisme immers nieuwe particuliere Latijnse scholen opgericht.[72]
In de 16de eeuw waren er ook scholen voor arme kinderen, wat een relatief nieuw gegeven was : dit soort scholen bestond al langer, maar de meeste van die scholen ontstonden na de 15de eeuw. Vaak betaalden de steden hun schoolmeesters om arme kinderen te onderwijzen. De arme kinderen moesten niets betalen, maar de schoolmeester kreeg in de plaats een loon van de stad. Daarom kunnen we ervan uitgaan dat er in die scholen waarvoor we een betaling van het loon van de schoolmeester in de stadsrekeningen hebben teruggevonden aan arme kinderen werd lesgegeven. De gewone scholieren moesten aan de schoolmeester een vergoeding betalen.
In de 16de eeuw vindt men ook bewijzen voor het bestaan van handelsscholen. Er waren ook Zondagsscholen, waar arme kinderen of volwassenen konden leren lezen of schrijven, eveneens vooral vanaf de 16de eeuw.
Een andere soort van scholen waren de kleine scholen van de begijnen. De begijnen gaven les aan jongens en meisjes, en de kinderen kregen tegelijk praktijkonderricht, bij de meisjes ging het dan om het aanleren van huiselijke taken.
De Broeders van het Gemene Leven richtten in sommige steden convicten op. Zij gaven er onderdak aan kinderen van buiten de stad die aan de stadsschool wilden studeren maar die dit dit normaal niet zouden kunnen, omdat er een gebrek was aan onderdak voor zulke scholieren. De kinderen volgden gewoon les op de stadsschool, maar kregen van de Broeders bijkomende lessen. Soms richtten ze ook scholen op. «Zij begonnen omstreeks 1460 zeer bescheiden met het geven van onderwijs te Gouda, daarna ook in verscheidene andere plaatsen, o.a. te Deventer en Groningen. Hun convicten, waar ze toch al repetities gaven aan de jongens, die overigens de stadsschool bezochten, boden voor deze onderneming een geschikt begin.»[73] Zij moesten zich echter als houders van een 'bijschool' verdedigen tegen de maatregelen van het stadsbestuur om de stadsschool te beschermen.
Ik heb dit hoofdstuk opgesplitst in twee delen. Vooraf zal ik nagaan welke instellingen er in het hertogdom Brabant in aanmerking komen om er een school te veronderstellen.[74] In het eerste deel geef ik de plaatsen weer waar er scholen waren. In het tweede deel ga ik na welke plaatsen, waar er instellingen waren waar we scholen hadden verondersteld, niet voorkomen in het eerste deel.
Zoals gezegd zal ik het nu hebben over de instellingen, waarover ik het gehad heb in de inleiding, die het uitgangspunt vormen voor het onderzoek en waar men scholen kan veronderstellen. Welke waren er nu in het hertogdom Brabant?[75]
Ten eerste interesseren ons de abdijen. Vooral de oude abdijen hadden scholen die voor seculiere geestelijken en leken openstonden. Voor 1120 waren er in het hertogdom Brabant 5 benedictijner abdijen en kloosters voor mannen en 2 voor vrouwen, plus 1 dubbelklooster en 1 cisterciënzer abdij voor mannen.
Er waren voor 1120 15 kapittels en er kwamen er na 1120 11 bij. De kapittels in het hertogdom Brabant waren uitzonderlijk talrijk en invloedrijk. Door het hoger aantal kapittels stijgt het aantal plaatsen waar we eens school kunnen veronderstellen. De vraag stelt zich of het hoger aantal kapittels ook een grotere verspreiding van de scholen mag doen veronderstellen. Mijn onderzoek is echter niet gedetailleerd genoeg om hier een uitsluitend antwoord om te geven, maar in ieder geval kunnen we zeggen dat de aanwezigheid van een kapittel niet de enige factor is om een school te veronderstellen.
Het hertogdom Brabant telde 550 parochies in 1559. In de grote steden waren er meerdere.
Er waren 19 begijnhoven in het hertogdom Brabant.
De Broeders van het Gemene Leven hadden één vestiging in het hertogdom Brabant in Brussel. Er was één vestiging van de Zusters van het Gemene Leven te Aarschot.
3.1. PLAATSEN WAAR SCHOLEN WAREN IN HET HERTOGDOM BRABANT.
Hier geef ik alle plaatsen weer waarvoor ik aanwijzingen voor het bestaan scholen heb gevonden. Eerst vermeld ik – bij elke plaats afzonderlijk – bij welke instellingen mogelijk scholen te veronderstellen zijn. Dit zijn parochies, kapittels, abdijen, priorijen, … . Het zijn vooral de parochies, de kapittels en de abdijen die kandidaten zijn om er een school te veronderstellen. Dan sta ik stil bij de bronnen die ik geraadpleegd heb, welke bronnen van nut waren, en uit welke periode de eerste aanwijzing dateert, of ik vermeld in welke werken ik informatie gevonden heb als ik zelf geen bronnen heb geraadpleegd of in die bronnen die ik heb geraadpleegd geen nuttige informatie heb gevonden. Daarna volgt een uitwerking van de gegevens die ik verzameld heb. Bij sommige grote steden start ik die uitwerking met een opsomming van de belangrijkste zaken, die worden dan verder uitgewerkt. Soms doe ik dit tweemaal, eerst voor de oudste gegevens, en dan voor de 15de en 16de eeuw.
Op het einde herhaal ik alle plaatsen met al hun scholen in een tabel, met het jaartal van de eerste vermelding van de oudste school per plaats, en de bron waar ik die vermelding gevonden heb, of de mededeling dat de eerste vermelding uit de literatuur werd overgenomen.[76]
1. ANTWERPEN.
In Antwerpen was er één parochie. In de hoofdkerk, de Onze-Lieve-Vrouwkerk, was een kapittel gevestigd. Er waren nog vijf andere kerken in Antwerpen, maar zij waren aan de Onze-Lieve-Vrouwkerk ondergeschikt, en het waren geen aparte parochies. Het kapittel van Antwerpen was in eerste instantie in de Sint-Michielskerk gevestigd maar die kerk werd een abdij ca. 1122, en het kapittel verhuisde. Verder waren er in Antwerpen, met inbegrip van de Sint-Michiels abdij, en een begijnhof, nóg 20 kerkelijke instellingen. Het is niet duidelijk hoe groot die instellingen waren, of in welke ervan we scholen kunnen veronderstellen. Mogelijk mogen we een of andere vorm van onderwijs veronderstellen in de grootste ervan, zoals in de St.-Michielsabdij, maar uit de bekommernis van de stad om de inrichting van scholen blijkt dat het onderwijsaanbod in de stad niet voldeed, en dat als er in die instellingen al onderwijs was, en we zelfs van een schooltje zouden kunnen spreken, moet het toch zo zijn geweest dat dit onderwijs vrijwel uitsluitend op de eigen leden gericht was. Vermits er in Antwerpen zes kerken waren, zou men kunnen veronderstellen dat er in meerdere ervan schooltjes waren. Gelukkig kennen we de situatie in de 16de eeuw, en kunnen we de situatie in de eeuwen ervoor daaruit afleiden: er was enkel een school in de hoofdkerk.
Van de bronnen die ik voor Antwerpen heb geraadpleegd waren vooral het privilegieboek van de schoolmeestersgilde en de stadsrekeningen en de schepenakten bewaard in het stadsarchief van nut. De eerste bron bevatte verscheidene kopies van oorkonden i.v.m. het onderwijs in Antwerpen vanaf hetmidden van de 15de eeuw. Deze bron is uitzonderlijk, omdat te Antwerpen de enige schoolmeestersgilde was. Bijkomende informatie vond ik in oorkonden en de bewaarde statuten van het Onze-Lieve-Vrouwkapittel. Verder heb ik andere stadsrekeningen, bewaard op het Algemeen Rijksarchief, schepenakten uit het rijksarchief te Antwerpen, een kroniek over de stad (1146-1758), rekeningen van de Sint-Michielsabdij, rekeningen en andere bronnen van het kapittel, en rekeningen en oorkonden van de St.-Joriskerk, allemaal bewaard op het rijksarchief te Antwerpen, geraadpleegd; deze bevatten echter geen nuttige informatie. Voor Antwerpen heb ik dus voor de meeste soorten bronnen die ik wou raadplegen stukken gevonden en geraadpleegd, bronnen over de 20 kerkelijke instellingen buiten de kerken heb ik niet geraadpleegd.
De eerste maal dat het onderwijs in Antwerpen, in casu de Latijnse school van het kapittel, in de bronnen opduikt, is in 1250. In dit jaar werd een overeenkomst gesloten over de aanstelling van de schoolmeesters. We kunnen veronderstellen dat het hier om de Latijnse school van het kapittel gaat. In twee oorkondes van het kapittel, bewaard op het stadsarchief wordt dit overeengekomen. In 1250 rees er een conflict tussen twee kanunniken, die zich tot de bisschop van Kamerijk richtten. In september 1250besliste proost Cobertus van Perwez dat de benoeming van de twee schoolmeesters vanaf dan zou afhangen van het kapittel van de Onze-Lieve-Vrouwkerk te Antwerpen en niet meer van de scholaster alleen.[77] In juni 1251 keurt Nicholaus, bisschop van Kamerijk, die regeling goed.[78] Volgens Stallaert en Van Der Haeghen was de kapittelschool er misschien al van in het begin van de 12de eeuw.[79] De functie van scholaster bestond reeds in 1225, misschien was ze reeds in 1117 opgericht, toen de pastorale functies aan het kapittel toegewezen werden.[80]
In ieder geval was het onderwijs te Antwerpen in handen van het kapittel van Onze-Lieve-Vrouw. Voor de 14de eeuw heb ik nog driemaal een vermelding in de bronnen gevonden i.v.m. het onderwijs te Antwerpen: eerst komt het schoolgebouw in een oorkonde van het kapittel uit 1304 ter sprake, in 1324 duiken de leerlingen op in de stadsrekeningen, en in 1361 is de scholasterie het onderwerp van een oorkonde van het kapittel.
In het begin van de 14de eeuw werd er een nieuw huis voor de school gebouwd. In 1304 bestemde het kapittel een huis dat men naast een huis van het kapittel aan het bouwen was, dat het Papenhuis heette, voor om er een school in onder te brengen.[81] De Latijnse school werd vanaf dan Papenschool genoemd. Het gebouw werd voor de school alleen voorbehouden en aan de bevoegdheid van het kapittel onderworpen.[82] Volgens Mertens en Torfs was deze school niet de enige school te Antwerpen en moesten er, naast deze ‘kapittelschool’, nog een school van de stad en een school van een klooster, en nog andere scholen geweest zijn. We weten echter dat in 1521 de Latijnse school van het kapittel de enige Latijnse school was.[83]
In 1324 hielden de schoolkinderen van Antwerpen bisschopsverkiezingen.[84] De schoolkinderen kozen op de dag van de Onnozele Kinderen een bisschop, die die dag het bewind voerde. Ze kregen op die dag ook een vergoeding van de stad.[85] In 1361 werd de scholasterie van het O.-L.-V.kapittel te Antwerpen verbonden met een kapelanie.[86]
De stad verwierf in de 15de eeuw invloed in het bestuur van de oude kapittelschool. De stad kwam tussen als er een ordonnantie werd uitgevaardigd, en ze deed dit in samenspraak met het kapittel i.v.m. de Latijnse school, en alleen als het enkel de kleine scholen betrof, terwijl de scholaster van het kapittel de schoolmeesters benoemde. Het stadsbestuur greep in in het onderwijs met ordonnanties in 1429, 1468 en 1521. In 1521 werden drie nieuwe Latijnse scholen opgericht naast de oude Latijnse school. Er werd ook een schoolmeestersgilde opgericht in Antwerpen in de 15de eeuw. In 1480 stelde het kapittel de statuten voor de scholaster op.
In 1429 troffen stad en kapittel samen maatregelen om de Latijnse school van inkomsten te voorzien, en het onderwijs in de stad te reglementeren. Alle leerlingen die naar een kleine school gingen moesten vanaf dan een bijdrage betalen voor de rector van de Latijnse school. De meesters en meesteressen van de kleine scholen rekenden die bijdrage door aan hun leerlingen en moesten hiervan twee maal per jaar de helft aan de rector doorbetalen. Ook werd verboden dat iemand nog een Latijnse school zou openen in de stad. De grens werd vastgelegd op de Donaat, want als de kinderen aan deze leerstof toe waren, en ze wilden verder studeren, «dan sullen zij moeten comen ter Papenschole voergenoemd, behoudelic dien dat zij hen sullen moeghen dietsche boeke leeren also lange alst de kinderen oft huer ouders begheren. Sonder argelist.» Blijkbaar waren al deze maatregelen broodnodig voor het bestaan van de Latijnse school, en had die een tekort aan inkomsten of leerlingen ervaren, want men neemt deze maatregelen «Omdat men t’Antwerpen soude mogen gecrigen eene goede schole ende der goede luide kinderen te bat geinstrueerd ende geleert worden […].» De beschrijving «Sonder argelist» duidt er waarschijnlijk op dat men gewoon was zijn kinderen naar een privé-leraar te sturen om Latijn te leren, of dat men gewoon was ze bij de leraars van de kleine scholen te laten, die na lezen en schrijven te hebben geleerd voortgingen met Latijns onderwijs, en dat liever dan zijn kinderen naar de kapittelschool te sturen. De Latijnse school werd Papenschool genoemd. In de kleine scholen leert men de kinderen «huer gebet, heuren confiteor ende hueren seven salm.»[87]
In 1468 kwam er een reglementering van de kleine scholen te Antwerpen.[88] De schoolmeesters hadden zich tot het stadsbestuur gericht om op te treden tegen wanbetalers en vreemde schoolmeesters. De bedragen die de schoolmeesters ontliepen waren blijkbaar zo klein, dat ze vaak de tijd niet konden vrijmaken om van elke individuele schuldenaar de som via juridische stappen te bekomen, maar het misbruik was wel zo groot dat de schoolmeesters veel inkomsten misliepen en er zich over beklaagden dat de ouders zelfs zo’n klein bedrag niet aan hen wilden betalen. Het stadsbestuur bepaalde dat vanaf dan de schoolmeesters jaarlijks, per kwartaal, per half jaar, of voor een periode van drie kwartalen betaald zouden worden en dat men een volledig kwartaal zou moeten betalen als men zijn kinderen minstens twee weken lessen bij een schoolmeester had laten volgen. Als men zijn kinderen voor een kortere periode dan twee weken naar school gestuurd had, moest men slechts de prijs betalen voor die korte periode. En als iemand de schuldeis van een schoolmeester betwistte, kon die schoolmeester zijn zaak voor een van de burgemeesters brengen, en zou de eerste onmiddellijk moeten betalen tenzij hij zijn gelijk kon bewijzen. Ook mocht niemand schoolkinderen van een andere meester aanvaarden als die bij deze nog schulden had. Tot slot werd nog bepaald dat schoolmeesters of meesteressen poorters van de stad moesten zijn. Daar vermeldde men bij dat dit altijd de gewoonte was geweest. Blijkbaar kon de stad zomaar ingrijpen in reglementering van de kleine scholen zonder de instemming van het kapittel, dat enkel optrad als de belangen van de Latijnse school op het spel stonden.
Uit 1480 zijn de statuten van de scholasterie van het Onze-Lieve-Vrouwkapittel te Antwerpen overgeleverd. De taken van de scholaster werden toen vastgelegd. Er werd de nadruk op gelegd dat de scholaster zijn taken goed zou uitvoeren, wat in het verleden blijkbaar niet altijd het geval was geweest. Reeds in de 15de eeuw was de functie van scholaster in het kapittel in onbruik geraakt, en vanaf 1480 werd de functie nog wel voortgezet, maar dit moest vanaf dan niet meer noodzakelijk door een geestelijke gedaan worden. De scholaster moest o.a. bekwame schoolmeesters aanstellen, in overleg en met de instemming van het kapittel. En hij moest die schoolmeesters controleren. Ambrosius de Dijnter werd voor het leven tot scholaster benoemd. De inkomsten van de kapelanie van Sint-Thomas werden bij die van de scholasterie gevoegd. In de 16de eeuw was de scholaster een leek.[89]
De stad en het kapittel van Antwerpen bevalen in 1521 dat er drie nieuwe Latijnse scholen in de parochies moesten opgericht worden, naast de Latijnse school van het kapittel in de Onze-Lieve-Vrouwkerk.[90] We komen te weten dat dit tot nu toe de enige Latijnse school was geweest in de stad, en dat deze in het begin van de 16de eeuw niet meer aan de vraag voldeed, « want de poorteren ende ingesetenen der voorseide stadt heur kinderen meesten seynden buyten ter scholen mits dien dat alhier maer een schole en was daer men latijn leerde, tot heuren grooten costen ende lasten.» Niet alleen om aan de wensen van de ouders te voldoen werden er nieuwe scholen opgericht, maar ook «ter eeren godts vermeerderinge vander godtsdiensten in der prochie kercken der selver stadt ende opdat de heeren [of: chooren] in den selven kercken met sangen beter verchiert mogen worden.» In elke parochie moest eerst en vooral een huis aangekocht worden om de school in te vestigen: «dat de kerckmeesters van der Borcht, Sint Joris, ende Sinte Jacobs kercken binnen dese stadt gestaen elck in heuren prochie schuldich selen sijn te crijghen een huys om de schole aldaer te houden met eenen woonhuyse daer aene ende dat altoos onderhouden van allen reparatien,» bovendien moest er plaats zijn voor de schoolmeester en moest men blijvend voor het onderhoud van het gebouw instaan. Als er een plaats vrij was voor een schoolmeester moesten de scholaster en de kerkmeester van de parochie in kwestie een kandidaat voorstellen aan het kapittel, dat hem zou aanstellen als het hem bekwaam bevond: «wanneer dat eenige vander voorseide drie scholen vaceren sal dan sullen mijn heeren de schoolaster van Onser Lieven Vrouwen kercke met den opperkerckmeester van elcker prochienbij tijden sijnde, vernemen, ende crigen eenen goeden ende bequaemen persoon redlijck oudt wesende om de kinderen te leeren scientien, sanck ende andere goeden manieren, welcken gevonden sij presenteren sullen den heeren vanden capittel, ende eerst dat hij alsoo gevonden wort bequaem ende sufficient, soo sullen de heeren dien aanveerden, ende deselve sal dan doen eedt, habijt draeghen.» De schoolmeester stond onder de controle van het kapittel: «ende in als staen onder de justitie, correctie der heeren vanden cappittel inder manieren als de schoolmeester van Onse Lieve Vrouwe kercke, ende oft gebeurde dat de selve naedat hij aengenomen is bevonden wort nyet bequaem, insufficient, oft den heeren vanden cappittel, scolaster, oft den opperkerckmeester [re_el] dan sullen den heeren vanden cappittel den selven corrigerende oft orloff gevende bij advyse vanden voorseiden scolaster ende kerckmeester, ende selve selen dan eenen anderen alsboven presenteren.» Er werd nog bepaald dat de ouders de vrije keuze hadden naar welke van de vier scholen ze hun kinderen zouden sturen. De rector van de school van de Onze-Lieve-Vrouwkerk werd een vergoeding toegezegd als compensatie voor het feit dat hij drie nieuwe concurrenten kreeg. Ook werd verboden dat iemand anders in de stad kinderen Latijn zou aanleren. Opnieuw werd de ouders verzocht de kinderen «zonder argelist» naar de nieuwe scholen te sturen. Het waren het kapittel en de scholaster die de schoolmeesters van de Papenschool hadden benoemd, en het waren diezelfden die de schoolmeesters van de nieuwe Latijnse scholen benoemden, op voordracht van de scholaster en de kerkmeester van de parochie waar de school gevestigd was.
De Papenschool was tot dan toe de enige school geweest. In 1429 was de school niet succesvol geweest in het aantrekken van leerlingen uit de stad. Ze kreeg niet het vertrouwen van de ouders, die hun kinderen naar privé-leerkrachten stuurden in de stad. Hiervoor werden de maatregelen getroffen om van kapittelschool de enige Latijnse school van de stad te maken, en haar inkomsten te garanderen door bijdragen van de kleine scholen. In 1521 voldeed het onderwijsaanbod in de stad niet meer aan de vraag naar Latijns onderwijs, en daarom werden nieuwe scholen opgericht. Betekent dit dat de Papenschool nu wel veel leerlingen aantrok en ze de concurrentie van de privé-leerkrachten had overwonnen, en ze zelfs het slachtoffer werd van haar eigen succes en de stijgende onderwijsvraag? Of wil dit zeggen dat de Latijnse school nog altijd even weinig leerlingen aantrok en de stijgende onderwijsvraag aan de school voorbijging, en dat de stad en het kapittel de uitstroom van leerlingen wilden omkeren, en die leerlingen in hun eigen scholen onderbrengen? Men kan zich afvragen of de privé-leerkrachten ook het slachtoffer werden van de leerlingenvlucht, of dat het privé-onderwijs eerst de nieuwe leerlingen had opgevangen en daarna zelf verzadigd was. Het onderwijs dat de stad en het kapittel aanboden genoot blijkbaar toch nog altijd niet het vertrouwen, want weer werd de ouders verzocht hun kinderen «zonder argelist» naar de nieuwe scholen te sturen. We weten ook dat het privé-onderwijs in de 16de eeuw onder invloed van het humanisme een sterke groei kende. Dit betekent dat ook nieuwe Latijnse scholen werden opgericht, die de grote school beconcurreerden.
In 1530 moest de stad opnieuw ingrijpen in het ‘lager’ onderwijs, op verzoek van de schoolmeesters, want de regels van de bepaling uit 1468 werden niet nageleefd.[91] Eerst en vooral moest er weer opgetreden worden tegen schoolmeesters van buiten de stad. Er werd opnieuw bepaald dat de schoolmeesters poorters van Antwerpen moesten zijn. Ten tweede werden alle schoolmeesters verplicht toe te treden tot de schoolmeestersgilde, en er lidgeld te betalen. Zij die niet toetraden mochten geen les meer geven. De procedure van de verkiezing van de gildenmeesters en hun bevoegdheden werden vastgelegd, zij moesten toezien op de naleving van de reglementering door de schoolmeesters. Ook de lonen van de schoolmeesters werden vastgelegd: «dat de voorseide schoolmeesters, die de kinderen leren ‘t gebet, den confiteor, oft seven salme hebben sullen voor haeren arbeydt, twintich stuyvers ‘t sjaers. Ende van den ghenen die de […?] Cathonem ende dierghelijcke boecken leeren sullen vanden kinderen hebben jaerlijckx voor hunnen arbeydt achtentwintich stuyvers. Maer als aengaende de ghene die mede willen leeren schrijven, sullen jaerlijckx gheven den schoolmeesteren tweendertich stuyvers. Item aengaende de ghene die willen leeren aritmeticam oft geometriam sullen daer aff de schoolmeesteren moghen nemen ‘t ghene hun de goede lieden hun gunnen sullen.» We zien dus dat de leerstof van de kleine scholen te Antwerpen bestond uit «‘t gebet, den confiteor, oft seven salme,» zoals we eerder gezien hebben. Dit is echter niet het enige soort onderwijs dat gegeven werd, andere leerkrachten leerden de kinderen Latijn lezen (Distica Catonis) – wat mocht voor men naar een Latijnse school ging – en hadden een groter loon. De schoolmeesters die de kinderen leerden lezen én schrijven werden het meest betaald. Het was dus niet ongewoon dat men naar een kleine school ging om enkel te leren lezen. De leerkrachten die wiskunde en meetkunde onderwezen mochten een zo grote vergoeding vragen als ze wilden. De bepaling dat niemand de leerlingen van een andere schoolmeester mocht overnemen als zij nog bij hem schulden hadden werd nog eens expliciet bekrachtigd. Ook in 1557 moest de stad ingrijpen, omdat de reglementering niet werd nageleefd.[92]
In Antwerpen werd in de 15de eeuw een onderwijsgilde opgericht.[93] Die stelde lijsten van haar leden op, en die lijsten zijn vanaf de 16de eeuw bewaard. Deze dateren van na 1520, en ik heb ze niet bestudeerd. Er zijn wel schattingen gemaakt van het aantal scholen in Antwerpen, o.a. op basis van die lijsten, tijdens de rest van de 16de eeuw.[94]
De situatie in Antwerpen komt overeen met het model dat Post vooropstelde: een Latijnse school verbonden aan de centrale kerk per stad, of er nu een of meerdere kerken in die stad waren. Dat de andere kerkelijke instellingen van de stad geen scholen hadden, kunnen we ten dele afleiden uit de ontoereikendheid van het onderwijsaanbod in Antwerpen, dat ik uit de bronnen meen te kunnen afleiden, maar we moeten deze redenering aanvullen met de veronderstelling dat ook in Antwerpen de situatie zo was dat het onderwijs van abdijen, kloosters en priorijen zich op de eigen leden had gericht, zoals de algemene tendens in de Middeleeuwen was na de 13de eeuw.
2. BERLAAR.
In Berlaar was er één parochie. Het eerste bewijs van een school te Berlaar duikt op in een schoolmeesterscontract uit het begin van de 16de eeuw. Dit was tevens de enige bron die ik voor Berlaar heb geraadpleegd.
Het schoolmeesterscontract dateert uit 1505. De «stadhouder ende scepenen» van Berlaar sloten samen met de «priester ende capellaen» een overeenkomst met een zekere Gheeraert. Deze laatste zou kapelaan en schoolmeester worden. Als schoolmeester zou hij de kinderen van het dorp en de arme kinderen onderwijzen. De overeenkomst gold voor 1 jaar.[95]
3. BRECHT.
In Brecht was er één parochie. Volgens Put ontstond er een parochieschool in 1492.[96] Ik heb zelf geen enkele vermelding gevonden in de bronnen over een school te Brecht.
4. BRUSSEL.
In Brussel waren er vier parochies, twee kerken die geen afzonderlijke parochies vormden, en nog 18 kerkelijke instellingen, waaronder de Terkamerenabdij. In de Sint-Michiels en Sint-Goedeleparochie was een kapittel. Uiteraard kunnen we daar een kapittelschool veronderstellen. Wat de andere kerken betreft hebben we, net als te Antwerpen, bronnen die ons uitsluitsel geven over het al dan niet bestaan van scholen in die kerken.
Voor Brussel zijn er in het Algemeen Rijksarchief stadsrekeningen bewaard vanaf het einde van de 15de eeuw, die ik heb geraadpleegd en die van nut waren. Verder zijn er verschillende stukken over het onderwijs bewaard uit het archief van het Sint-Michiels en Sint-Goedelekapittel.
Het eerste bewijs van het bestaan van scholen te Brussel wordt geleverd door een oorkonde van de hertog van Brabant uit 1320, meteen het bewijs van het bestaan van meer dan één school te Brussel. Mogelijk was er al eerder een Latijnse school in het kapittel. We hebben documenten over de scholaster uit de 13de eeuw, maar of die toen al een Latijnse school had ingericht weten we niet. Vanaf 1320 zijn er in Brussel 2 Latijnse scholen en verschillende kleine scholen. Het onderwijs in Brussel was in handen van de scholaster, het kapittel en de hertogen, maar vanaf het einde van de 14de eeuw verwierf ook het stadsbestuur inspraak in het onderwijs. In de 14de eeuw werd er ook een armenschool, een bonifantenschool, gesticht, maar misschien was dit slechts een college en geen aparte school.
De hertog van Brabant had de controle over het onderwijs in de stad Brussel. «A Bruxelles, la direction suprême de l’instruction publique appartenait à l’autorité souveraine. Un diplôme de Jean I, duc de Brabant, du 3 septembre 1273, relatif aux prébendes du chapitre de St-Gudule, nous apprend que le prince nommait l’écolâtre … scholastria, cujus etiam collatio ad nos duoscutor eprtinere.»[97]
In 1320 vaardigde Jan III een onderwijscharter voor Brussel uit. De hertog bepaalde hierin dat er voortaan 1 Latijnse school voor jongens, 1 Latijnse school voor meisjes, 5 kleine scholen voor jongens en 4 kleine scholen voor meisjes zouden zijn.[98] Deze onderwijscharter werd in 1361 bevestigd door hertogin Johanna en Wenceslas.[99] De hertog stelde met de ordonnantie een eind aan de wildgroei van de scholen in Brussel, en bepaalde precies welke scholen mochten blijven voortbestaan en onderwierp ze allemaal aan de controle van de scholaster en van de rector van de grote school. De grens tussen de grote en de kleine scholen was de Donaat.[100]
Het kapittel sloot in 1367 een overeenkomst met Jan van IJsse, die bekwam een stuk grond van het kapittel op voorwaarde dat hij er een school bouwde.[101] In de 15de eeuw sloot het kapittel nog meer overeenkomsten voor de bouw van de Hoochschool. Het deed dit in 1417.[102] Het is vanaf dan dat de benaming Hoochschool opduikt. Ook in Antwerpen dook er een nieuwe naam op voor de Latijnse school na de bouw van een nieuw schoolgebouw.[103]
Een ordonnantie van 1381 liet nog 13 kleine scholen in Brussel toe.[104] Het was pas toen dat de magistraat voor een eerste maal tussenkwam in het onderwijsgebeuren van de stad. Daarvoor had de scholaster alle bevoegdheid, hij stelde de rector van de grote school en de onderrectors van alle kleine scholen aan. Deze situatie was niet naar de zin van de bewoners van de stad. Voor 1320 reeds ging men in Brussel naast de erkende scholen verschillende concurrerende schooltjes oprichten, om aan de macht van de scholaster te ontsnappen. De ordonnantie van 1320 was het resultaat.[105] De verordening van 1320 vormde geen eindpunt in de ‘schoolstrijd’.[106] In 1381 was er een conflict gerezen tussen de rectors van de onderscholen en de rector van de grote school, de eersten erkenden het gezag van de tweede niet en gaven hem niet het aandeel van hun inkomsten dat hem toekwam, en de tweede richtte nieuwe scholen op die met die van de eersten concurreerden. Er kwam een akkoord tussen het kapittel van Sint-Goedele en de schepenen van de stad, en het werd bekrachtigd door de hertog en de hertogin. De bijdrage die aan de rector van de grote school moest worden betaald werd vastgesteld, en voortaan moest de rector over zijn controle van de kleine scholen rapporteren aan het kapittel, de scholaster en de schepenen, die gezamenlijk tot een maatregel zouden besluiten bij een negatief rapport over een van de rectors van de kleine scholen. Voortaan zouden er 13 kleine scholen zijn, genoemd naar hun stadswijk.[107]
De stad Brussel betaalde rector Jacoppe van Zaffle zijn loon in 1498.[108] Deze had met de stad een overeenkomst als rector, zijn loon was vastgelegd en moest jaarlijks betaald worden. De overeenkomst was van onbepaalde duur. Mogelijk was dit de laatste keer dat zijn loon uitbetaald werd, en ging hij na de eerste helft van het jaar weg.[109] Hij werd rector van de «hoochschole» genoemd. In 1502 werd de schoolmeester Joris Peeters een vergoeding betaald.[110] Hij werd in de rekening van dat jaar niet «rector» genoemd. Hij werd wel genoemd als meester van de «hoochscholen». De rekening vermeldt dat de schoolmeester in dienst was zodat de kinderen van de stad niet naar een school buiten de stad zouden gaan. Was het onderwijs in de voorgaande jaren dan verwaarloosd of er op achteruit gegaan – was de vorige rector, Jacoppe, effectief vertrokken en vond men in 1502 pas een nieuwe schoolmeester voor de Hoochschool? Of was er niets uitzonderlijks aan de hand: was de opvolging vlot verlopen en was de situatie dezelfde als die in Antwerpen? In Antwerpen gingen de kinderen eveneens buiten de stad naar school, en dat kon zijn omdat hun ouders geen vertrouwen hadden in de school. De reden dat de ouders uit Brussel hun kinderen elders school lieten lopen kon ofwel zijn dat de school succesvol was, en dat er een jaartje of twee geen rector was zodat het onderwijsaanbod in Brussel wegviel en de ouders geen keuze hadden, ofwel dat de ouders dit altijd al gedaan hadden, omdat ze het onderwijs elders beter vonden, en dat dat er nu bij werd vermeld in de rekening omdat dit een bekommernis was die de stad altijd had. Dat ook de Broeders van het Gemene Leven een school oprichtten[111] duidt er eerder op dat de Brusselse stadsschool weinig succesvol was. In 1503 werd dezelfde Joris Peeters voor het tweede jaar op rij een vergoeding betaald.[112] Ditmaal werd hij wel rector genoemd. Opnieuw werd er bij verteld dat de bedoeling was de kinderen in de stad zelf onderwijs aan te bieden.
Het onderwijs te Brussel bleef in de 15de eeuw in handen van het hertogelijk gezag. In 1431 was er een ordonnantie van Filips de Goede over het onderwijs in de stad en in dat zelfde jaar deden Filips de Goede en de Raad van Brabant uitspraak in een geschil tussen de scholaster en de pastoor van Molenbeek. In 1464 moest er weer tussengekomen worden om het gezag van de scholaster te beschermen.[113]
We weten welke vakken er in Brussel op het programma stonden. «Latijn, logica en zang, dat waren de drie vakken van de middeleeuwse grote school. Latijn en zang werden daarbij op alle klassen gegeven, logica daarentegen in de vijfde en vierde en misschien in derde klas. Dat deze vakken de gewone waren, wordt bevestigd door de kapittelbesluiten van Sinte Goedele te Brussel van het jaar 1457, waarin het program van de grote school werd vastgelegd. Bepaald werd dat in het vervolg de rector van de grote school en zijn medehelpers de jongens moesten onderrichten in de beginselen van de spraakkunst en logica zoals tot dan toe gebruikelijk was geweest, nl. in Donatus, naamvallen, tijden, regels, in overeenkomsten (congruitatibus) en in de wijze van proza schrijven en het maken van verzen en in datgene wat staat in de Summulae van Petrus Hispanus.»[114]
In 1358 werd te Brussel een armenschool, «une école de Bons-enfants», opgericht, door Pierre van Huffele. Zulke scholen van Bonenfanten – boninfanten of bonifanten – werden op vele plaatsen opgericht, voor het eerst te Reims, waar het bestaan van zo’n school bekend is voor de 13de eeuw. Van Huffele stelde hiervoor middelen ter beschikking, in 1377 aangevuld door Jean Serclaes, aartsdiaken van Ca