| Griekse Godsdienst en Samenleving. Het Atheense theater 525-404 v. Chr. Godenrijk of Godenloos? (Mark Beumer) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Zeus, de Grote Donderaar, de listige Hera, de snelvoetige Hermes en de uilogige Athena. Wie heeft niet eens van deze goden en godinnen gehoord? Bekend zijn de talloze mythen uit de Ilias en Odyssee waarbij goden, halfgoden en stervelingen een belangrijke rol spelen. De Griekse goden die op de berg de Olympos wonen, hebben antropomorfe trekken: ze lijken in vele opzichten op de mens. Ook zij hebben te maken met liefde en ruzie, plezier en verveling.
Hoe was de instelling van de oude Grieken ten opzichte van hun goden en mythen? Welke ontwikkeling is in het religieuze denken aantoonbaar? Hoe uit deze ontwikkeling zich in het dagelijkse leven?
Met deze literatuurstudie rond ik mijn vierjarige opleiding tot docent Geschiedenis en Staatsinrichting aan de Hogeschool van Nijmegen af. Het is mijn vurige wens om iets te doen met mijn grootste hobby: Griekse goden en mythologie. In 2004 ben ik begonnen met het bedenken van een afstudeeronderwerp en na enkele gesprekken met mijn scriptiebegeleider Louis Nolet, kreeg mijn scriptie de eerste vormen.
De titel van mijn scriptie is ‘Griekse Godsdienst en Samenleving. Het Atheense theater 525-404 v. Chr. Godenrijk of Godenloos?’ Het gaat er om te onderzoeken welke invloed het religieuze denken van de oude Grieken heeft gehad op het theater en de toneelstukken die daar werden opgevoerd. Mijn onderzoek richt zich op de 5e eeuw v. Chr. De reden dat ik voor de periode 525-404 v. Chr. kies, is de volgende: in 525 v. Chr. wordt Aeschylos geboren. Hij is de eerste grote dichter van wie werken bewaard zijn gebleven. 404 v. Chr. vormt het slot omdat de bloeitijd van de Oude Komedie ongeveer in 465 v. Chr. begint en in 404 v. Chr. eindigt. Dit is tevens ook het jaar waarin de Peloponnesische Oorlog eindigt met een nederlaag van Athene tegen Sparta.
De gekozen periodisering valt binnen de Archaïsche (± 750 - ± 500 v. Chr.) en de Klassieke periode (± 500 - ± 330 v. Chr.) en wordt aangegeven door de Blois en Van der Spek.[1] Deze indeling zal ik aanhouden.
Deze hoofdvraag zal ik proberen te beantwoorden in drie hoofdstukken. In totaal zullen vier hoofdstukken geschreven worden. Vier hoofdstukken omdat naast vakinhoud ook het onderwijs besproken zal worden in relatie met mijn toekomstige rol als docent. Ik bespreek in hoofdstuk 4 het onderwijs en de rol die de Griekse godsdienst en mythologie daarin heeft.
In hoofdstuk 1 stel ik de vraag hoe het religieuze leven zich uit in het dagelijkse leven. Hierbij kan men denken aan mythen (godenverhalen), kunst, muziek, religieuze feesten en de zo bekende Olympische Spelen. Vele mythen zijn bekend over bijvoorbeeld de liefdesperikelen van Zeus met vele godinnen en stervelingen, waarbij Hera haar alles overheersende wraak laat gelden. In tempels die versierd werden met mythologische voorstellingen, worden talloze godenverhalen uitgebeeld. Verder religieuze feesten waarbij aan vele goden eer werd gedaan zoals Dionysos. En de zo beroemde Olympische Spelen, gewijd aan Zeus die voor het eerst in 776 v. Chr. gehouden werden in Olympia.
Hoofdstuk 2 laat zien hoe het Griekse theater in Athene tot stand komt. De oude Grieken kenden vele religieuze processies voor hun goden zoals Zeus, Hera en Dionysos. Het is de processie voor Dionysos waaruit zich de eerste vormen van toneel ontstaan. Hierbij ga ik verder in op de reden voor deze omslag: van gezang naar het gesproken woord. In dit hoofdstuk beschrijf ik het ontstaan van het toneel. Ook zal ik ontwikkeling van de tragedie en de komedie beschrijven.
In hoofdstuk 3 laat ik zien hoe het Griekse toneel terugkomt in de literatuur. Hierbij komen de belangrijkste schrijvers uit deze periode aan bod. Aeschylos, Euripides en Sophocles en tenslotte Aristophanes. Welke rol speelden de goden in de literatuur?
In hoofdstuk 4 onderzoek ik hoe de Griekse godsdienst en mythologie worden behandeld in drie verschillende lesmethoden voor de eerste klas HAVO. De lesmethoden die ik voor mijn onderzoek gebruik zijn Indigo, Sfinx en Sprekend Verleden. Het is mijn ervaring met lesgeven dat er steeds minder ruimte en aandacht besteed wordt aan deze thema’s. Waar je eerst de namen van de twaalf belangrijkste goden kon terugvinden met een goede beschrijving, wordt nu volstaan met een enkele naam of de vermelding dat de goden van de Grieken op de berg de Olympos wonen. Dit staat in schril contrast met de receptie van deze godennamen. In Nijmegen bijvoorbeeld bestaat een busmaatschappij met de naam ‘Hermes’. Hermes was onder andere de Griekse god van verkeer en boodschapper van de goden. Ergens anders in Nijmegen duikt een makelaarskantoor op met de naam ‘Hestia’. Zij was de godin van huis en haard. Namen die je onmogelijk kunt herleiden als je niet weet waar zij vandaan komen. In de 5e eeuw v. Chr. komt de filosofie op en daarmee een secularisering van het wereldbeeld, men gaat andere verklaringen zoeken voor natuurverschijnselen, waarbij men nog in eerste instantie tracht de wraak van de goden te ontzien (asebeia en eusebeia). ‘Asebeia’ betekent dat men geen respect heeft voor de goden, ook wel ‘atheïsme’ genoemd.[2] ‘Eusebeia’ betekent ‘vroomheid’. Je kon dus verweten worden niet voldoende vroom te zijn.[3] Deze twee begrippen staan op deze wijze met elkaar in verbinding.
De reden voor HAVO is dat ik vind dat er tijdens mijn opleiding teveel aandacht besteed wordt aan het VMBO. Aan de ene kant begrijpelijk omdat veel afgestudeerde docenten hierin terecht komen, aan de andere kant niet omdat je niet onder HAVO uitkomt. Het is mijn ervaring dat ik in al mijn stages ook HAVO tegenkwam. Op deze wijze wil ik meer de aandacht op deze onderwijsvorm vestigen.
Afsluiten zal ik doen door middel van conclusies waarbij ik de hoofdvraag zal proberen te beantwoorden door middel van de deelvragen. Daarbij zal ik een aanbeveling doen voor het geven van meer aandacht aan deze prachtige goden, godinnen, halfgoden, helden en stervelingen, die zo’n enorme indruk hebben achtergelaten. Niet alleen bij de oude Grieken maar ook in latere tijden zoals de Renaissance worden deze godenverhalen nog steeds herinnerd en doorverteld. Juist doordat heden (2006) er weer steeds meer aandacht komt voor Griekse mythen in de vorm van boeken en encyclopedieën,[4] is het belangrijk deze studie van Griekse mythen weer op te pakken en jezelf zo cultureel en historisch te verrijken.
Deze scriptie is bedoeld voor mensen die Geschiedenis studeren aan een Hogeschool of universiteit, voor mensen die zowel interesse hebben in mythologie en geschiedenis als onderwijs. Daar waar ik vaktermen gebruik, zal ik proberen deze zo duidelijk mogelijk uit te leggen. Bij de formulering van Griekse godennamen wordt vaak de uitgang –us gebruikt. Dit is echter niet juist; dit is namelijk de Latijnse wijze van schrijven. De Griekse schrijfwijze uit zich door de uitgang –os, met dank aan Louis Nolet en Bas van Rooijen.
Ik wens u allen veel leesplezier toe bij het lezen van mijn scriptie.
Mark Beumer
Hoofdstuk 1 Hoe uit het religieuze denken zich in het dagelijkse leven?
Voordat ik verder inga op de uitingen van het religieuze denken, is het belangrijk eerst stil te staan bij de vraag hoe de Griekse godsdienst zich kenmerkt. De Grieken kenden een polytheïstische godsdienst. ‘Poly’ betekent ‘meer’ en ‘theïstisch’ komt van het Griekse woord ‘theos’ dat ‘god’ betekent. Concluderend kunnen we zeggen dat de Grieken meerdere goden en godinnen kenden en vereerden. Een polytheïsme dat zich weerspiegelt in mythen kan op verschillende manieren worden uitgelegd. Zo wordt beweerd dat de hiërarchie van goden en godinnen een projectie is van de hedendaagse maatschappij. Als men bijvoorbeeld een oppergod vereert, dan zou dat kunnen betekenen dat de bevolking behoefte heeft aan een sterke leider. In Grieken en goden wordt aangegeven dat het hebben van een polytheïstische godsdienst eigen is aan maatschappijen die zich ontwikkelen uit het culturele niveau dat neolithische dorpen kenmerkt.[5] Het zou een kenmerk zijn van ‘gelaagde’ maatschappijen waarin zich vele verschillende belangen voordoen onder sociale klassen en waarin op verschillende manieren het hoofd geboden wordt om bepaalde problemen in de samenleving op te lossen.
De algemeen geldende opvatting over goden is dat zij symbool staan voor natuurverschijnselen zoals de zon, maan, het weer en nog vele andere verschijnselen. Aan de andere kant zochten de mensen ook verklaringen voor meer abstracte begrippen als oorlog en vrede. Zij geloofden dat deze begrippen door hogere machten aangestuurd werden.
De historicus niet mag vergeten dat godheden in werkelijkheid ‘gesublimeerde projecties’ waren van waarden die een complexe samenleving als de Griekse zelf tot uitdrukking bracht en die voor iedere bedreiging beschut werden. De term ‘sublimatie’ is afkomstig van Sigmund Freud, die dit begrip in de psychoanalyse heeft ingevoerd. Volgens Freud gaat het erom iets onedels om te zetten in iets edels, iets onnuttigs in iets nuttigs en iets onbruikbaars in iets bruikbaars. Het is volgens hem een manier om het hoofd te bieden aan de moeilijkheden van het leven en bedoeld om zichzelf in stand te houden.[6]
Zoals wij spreken over het christelijke geloof, zo is het moeilijk om van een ‘Grieks’ geloof te spreken. Men kan wel van een Romeins geloof spreken omdat er een Romeinse staat bestaan heeft. Dit in tegenstelling tot de Griekse wereld dat uit autonome stadstaten (poleis) bestond. Dit heeft als gevolg dat goden en godinnen in elke plaats anders vereerd werden. Dit kan men zien aan de naamgeving, zo had je bijvoorbeeld Apollo van Delphi en Apollo van Carië. Verder kunnen we Zeus noemen die onder andere in Olympia en Dodona vereerd werd. Aan de andere kant zegt men dat wij wél van een ‘Grieks’ geloof kunnen spreken omdat de belangrijkste godheden en helden bijna overal vereerd werden, maar ook omdat de gemeenschappelijke erediensten, riten en mythen zeer verspreid waren in de gehele Griekse wereld en dominant waren tegenover plaatselijke en bijzondere vormen. Verder is de verhouding van zowel de individuen als de staten met de vereerde godheden overal van dezelfde aard.[7] Hierbij kan als tegenargument aangegeven worden dat verschillende goden op verschillende plaatsen anders vereerd werden; hierdoor is de verhouding van individuen en staten ten opzichte van goden dus niet altijd gelijk.
Dit is het gevolg van historische ontwikkelingen. In de eerste plaats bestonden er vele vriendschappelijke en vijandige contacten die de verschillende Griekse gemeenschappen onderling hadden. In de tweede plaats hadden dichters een unificerende functie. Als derde kan opgemerkt worden dat veel heilige plaatsen en feestelijkheden belangrijk waren geworden en als vierde wist de Griekse mens, dat waar hij ook vandaan kwam, hij dezelfde vertrouwde goden kon vinden zij het in een andere vorm.[8] Na dit betoog kom ik voor mij zelf tot de conclusie dat ik vind dat je wél mag spreken van een ‘Grieks’ geloof omdat het nu eenmaal een gegeven is dat alle goden op een of andere manier in de Griekse wereld vereerd werden. Zeker de twaalf belangrijkste goden, ook al staat die hiërarchie niet altijd vast en is men pas na de 6e eeuw v. Chr. begonnen om deze twaalf hoofdgodheden te bepalen. Ook het feit dat goden in elke plaats anders vereerd konden worden vind ik minder relevant. Het idee dat men namelijk overal zijn ‘vertrouwde’ goden kon vinden geeft voor mij aan dat de bekendheid van verschillende goden en godinnen groot en verspreid was en dat hierdoor men altijd zijn goden kon herkennen.
Een ander kenmerk van de Griekse godsdienst is dat zij geen heilig boek kent of geschriften waarin precies beschreven staat hoe deze godsdienst beleden dient te worden. Verder zijn er ook geen priesters die bepaalde religieuze protocollen geschreven hebben. Er is geen sprake is van een dogma dat door een religieuze of staatkundige autoriteit is opgelegd. Verder was er geen sprake was van een ‘rechte’ leer en dit resulteerde in een flexibel en tolerant geloof. Kanttekening hierbij is dat men soms niet wist tot welke god men zich moest richten.[9] Het gevaar was dan dat men soms de ‘verkeerde’ god kon aanbidden, een god die niet het werkterrein behelsde waar de desbetreffende persoon op doelde. Dit kon tot wraakacties leiden van de genegeerde god zoals een slechte oogst.
Tot zover een inleiding over het karakter van de Griekse godsdienst. De uitingsvormen van deze godsdienst zijn divers. Bekende uitingsvormen zijn mythen, riten en erediensten, religieuze feesten, offers, orakels, mysteriën en mystiek, kunst en gewijde spelen.
Hoewel Brelich veel over mythen en mythologie vertelt, beschrijft hij nergens de herkomst en betekenis van het woord ‘mythe’. Hiervoor zal ik de definitie van Timmer hanteren aangezien zijn beschrijving het meest uitgebreid en compleet is in de zin van het aangeven van verschillende ideeën over mythen.
Mythen
Het woord ‘mythe’ stamt af van het Griekse ‘mythos’ en betekent ‘verhaal’ of ‘gesproken woord’. Preciezer gezegd zijn mythen godenverhalen. Mythen geven antwoord op fundamentele levensvragen. Mythen zijn beschrijvingen van psychische processen en ontwikkelingen in een religieuze attitude. Door mythen kan een grote religieuze ervaring worden uitgedrukt. Hierdoor hebben zij een grote sociale betekenis omdat zij door velen verteld en gehoord worden. Belangrijk hierbij is de vraag te stellen hoe puur deze mythen worden overgeleverd. Bekend is dat mythen verschillende versies kunnen bevatten; hierdoor kan onduidelijkheid ontstaan over het leven van bepaalden goden en helden.
‘De religieuze mythe is een openbaring van het goddelijke in het leven van de mens en bevat existentiële uitspraken over het leven waarin de mens zich bevindt.’ Mythen vertellen zoals eerder gezegd over goden, halfgoden en helden en zo geeft de mythe de zin van de wereld, het leven en de cultuur weer.[10]
Het geheel van mythen noemt men mythologie. Niet alleen de Grieken kenden een mythologie, ook de Egyptenaren, Romeinen en Etrusken hadden hun eigen godenverhalen. Ik ben het met de opmerking eens dat dichters beschouwd werden als de scheppers van de Griekse godsdienst en dat zij niets verzonnen hebben, maar heel goed eerdere overleveringen bewaard hebben. Het merendeel van hun werk is ook aan de mythologie ontleend. Er zijn zoveel Griekse goden en godinnen met al hun eigen verhalen, dat er voor mij zeker een kern van waarheid in zit. De christelijke visie dat deze goden als ‘valse goden’ beschouwd dienen te worden omdat de christelijke god als almachtig beschreven wordt, vind ik dan ook verwerpelijk. Het is dan ook een vreemde tegenstelling dat men wel over een christelijk geloof spreekt terwijl de Griekse erfenis als mythologie afgedaan wordt. Verder geeft men aan dat het kunnen vertellen van mythen al het menselijk kunnen te boven gaat en dat het een gewijde handeling op zichzelf is, waaraan een directe religieuze werking wordt toegekend. Deze doet dienst als religieuze leidraad in de samenleving. [11]
Het is dan ook mijn persoonlijke mening dat de mythologie voor de geschiedenis geplaatst dient te worden omdat er geen tijd bestaat in de mythologie. Dat is ergens wel vreemd als je bedenkt dat Kronos (Chronos) als de Griekse god van de Tijd beschouwd wordt.[12] In de mythologie wordt onder andere het ontstaan van de wereld beschreven, de geboorte van de eerste goden en hoe zij alles in de wereld geschapen hebben. Degene die dit schitterend beschreven heeft is Hesiodos (ca. 700 v. Chr.) Aan de hand van zijn Theogonie beschrijft hij de geboorte van de goden en het ontstaan van de rest van de wereld en alles wie en wat zich daarin begeeft. Dit doet hij met een meesterlijke dichtkunst waarvan ik hieronder een enkele strofe zal weergeven:
….Dan gaan de Muzen op weg, door een dichte nevel omgeven;
diep in de donkere nacht klinkt de wondere klank van hun zangen:
lofzang voor Zeus, de god met de aegis, voor Hera, gebiedster,
Argos’ godin en beschermster, die voortschrijdt op gouden sandalen;
lof voor Athene, uilogig, de dochter van Zeus met de aegis,…….(Kassies (vert.) Hesiodos 2002:53)
Er bestaan verschillende opvattingen over de verhouding tussen de Griekse godsdienst en mythologie. Aan de ene kant werden deze twee vereenzelvigd, met name door geleerden uit de 19e eeuw. Aan de andere kant werd daar tegenover de opvatting beschreven dat alleen het ‘serieuze gedeelte’ in de godsdienst te vinden was en dat mythen niets anders waren dan verzinsels, waarin men later nog een onderverdeling maakte in legenden, sagen en fabels. Uiteindelijk probeerden sommige geleerden een tussenweg te vinden door een zekere religieuze waarde toe te kennen aan mythen, waarvan zij dachten een rituele oorsprong te kunnen aantonen.[13]
Wat voor mij onomstotelijk vaststaat, is dat de mythologie de vele goden, halfgoden en helden levend maakt en volgbaar. Zo bestaan er zogenaamde ‘kosmogonische’ mythen die het ontstaan van hemel en aarde op de meest uiteenlopende wijzen verklaren. Daarnaast bestaan er ‘transformatiemythen’, die verklaren hoe bepaalde zaken in de wereld zijn gekomen. Een mooi voorbeeld is de Doos van Pandora, die al het kwaad liet ontsnappen, behalve de Hoop (Elpis).
De meest bekende Griekse kosmogonische mythe gaat over het ontstaan van de Aarde (Gaia) uit Chaos. De godin Gaia baarde zonder hulp de hemel (Ouranos), de bergen (Pontos) en de zee. Uit haar verbintenis met de hemelgod Ouranos ontstonden de Cyclopen, Giganten, Hecatoncheiren en de Titanen. Het aantal Titanen bedroeg twaalf en waren de voorouders van de Olympische goden. De bekendste Titanen zijn Kronos, Hyperion, Rhea, Thetys en Themis.
Zoals ik al in de Inleiding had beschreven, leken de goden veel op mensen en konden zij daarom ook ruzie hebben. Een bekende mythe gaat over de strijd tussen Athena en Poseidon, over wie de beschermgod(in) van Athene mag worden. Hier bestaan naar mijn weten twee versies van; het verschil is een formaliteit. In de eerste versie laat de godin Athena een olijfboom verschijnen. Poseidon laat als tegenzet een prachtig wit paard uit de zee oprijzen. In de tweede versie laat Poseidon een zoutwaterbron ontstaan. De olijf heeft echter meer betekenis in de zin van voedsel, handel en landbouw. Hierdoor is de keuze op Athena gevallen en is de stad naar haar vernoemd.
Naast verhalen over goden en halfgoden, bestaan de meeste mythen uit verhalen over helden of heroën. Echter spelen goden altijd een prominente rol in deze heldenmythen. De goden waren voor de Grieken een feit en oefenden altijd op een of andere manier invloed uit op het dagelijkse leven van de mensen. Om invloed uit te kunnen oefenen op de wil van de goden, moest men zeer direct bij de goden betrokken zijn. Dit kwam tot uiting in zogenaamde erediensten.
Riten en erediensten
Om de verbintenis tussen riten en erediensten goed te begrijpen, wil ik eerst een definitie geven, ontleend aan Timmer met betrekking tot riten omdat Brelich deze niet verstrekt en een aantal voorbeelden. Daarna zal ik de samenhang beschrijven die tussen riten en erediensten bestaat en hoe deze tot uiting komt in de Griekse godsdienst. In hoofdstuk 2 zal ik hier meer gedetailleerd op ingaan aan de hand van de riten en erediensten van Dionysos. Ik wil in eerste instantie een algemeen beeld proberen te geven van deze twee belangrijke religieuze gebeurtenissen.
Ons woord ‘ritueel’ komt van het woord ‘rite’ dat omschreven wordt als een symbolische religieuze handeling. Deze vinden onder andere plaats tijdens religieuze erediensten in de vorm van onder andere offers en aanroepingen. De rite herschept het oergebeuren en actualiseert de mythe. De rite brengt het mysterie binnen de waarneembare werkelijkheid waardoor de mens deelneemt aan de goddelijke levensorde en zo boven zichzelf uitstijgt. Riten zijn niet uitgevonden maar spontaan ontstaan. Een rite is zoals gezegd een religieuze beleving die echter wel tot een liturgie kan verstarren. Riten hebben meestal een beschermende of bezwerende betekenis en een onjuiste uitvoering kan het gevaar oproepen dat men in eerste instantie probeerde te bezweren. Riten worden benoemd als de oudste kenmerken van het religieuze leven van de mens.[14]
In de Griekse wereld werden vaak de belangrijke momenten in het leven van een mens tot riten verheven; wij zeggen dan ‘levenscyclus’. Deze riten worden huisriten genoemd omdat ze door mensen afzonderlijk binnenshuis voltrokken werden. Het huis zelf wordt in bepaalde mate als gewijd ervaren. In de Griekse godsdienst betekent dit dat goden hier een rol in speelden. De eerste godheid is de godin Hestia, zij was de godin van huis en haard of haardstede. Niet alleen was zij de godin van de haardstede, zij was de haarstede ook zelf! Zij was een maagdelijke en reine godin en beschermster van het gemeenschapsleven. Over haar is niet veel beschreven in mythologische literatuur. Omdat de haardstede zo belangrijk was, werden pasgeboren kinderen na enkele dagen er drie maal in een rituele optocht omheen gedragen (amphidromia).
Hestia wordt omschreven als godin van het heilige middelpunt, de brandende haard, zowel in huiselijke kring als op het niveau van de gemeenschap. Zij personifieerde het warme vuur in het hart van familie, stam, stad en natie. Haar betekenis lag in de saamhorigheid van een groep en de band met een bepaalde (geboorte)streek.[15]
De complexiteit neemt toe bij een gebeurtenis zoals het wegdragen van de bruid naar de haardstede van de bruidegom. Als een meisje ging trouwen, moest zij eerst ‘boete doen’ aan de maagdelijke godin Artemis, omdat zij haar terrein ging verlaten. Voor het huwelijk werden offers gebracht aan verschillende goden. Sommige van deze goden lijken ons vreemd om aan te offeren maar hier zie je de diversiteit binnen de aanbidding van goden weer terug. Naast het gegeven om goden met plaatsnamen te verbinden, wordt ook vaak een epitheton (bijnaam) toegevoegd. Allereerst had men het goddelijke bruidspaar: Zeus Teleios en Hera Teleia, wat betrekking heeft op ‘vervulling’, telos. Daarna verschijnt ook Aphrodite Gamelia (de huwelijkse) op het toneel. Aphrodite was de godin van de liefde en de schoonheid. [16] Een god die niet genoemd wordt, maar die mij wel logisch lijkt is bijvoorbeeld Hymen, de god van het huwelijk.
Een ander aspect van de levenscyclus is de dood. Bij de oude Grieken was het hiernamaals niet echt iets om naar uit te kijken. Men dacht dat men na de dood terechtkwam bij de god van de onderwereld, Hades. De ruimte waar hij verbleef werd Tartaros genoemd. Daar was je gedoemd om voor eeuwig rond te dwalen. Alleen voor helden en uitverkoren stervelingen waren er de Elyseïsche (Gelukzalige) Velden. Hier was de lucht schoon en er was altijd zon. Er groeiden volop planten en bomen en men zou er voor eeuwig gelukkig zijn.
Dat de dode erg belangrijk was bij de oude Grieken, blijkt uit de rijke graftomben uit Mycene en uit de beschrijving van Homeros (± 8e eeuw v. Chr.), waarin de lijkverbranding van Patroclos[17] beschreven wordt. Homeros is de schrijver van de Ilias en Odyssee en verhaalt over de Trojaanse Oorlog en de reizen van Odysseus. Homeros maakt ook melding van grootse offers en wedstrijden, waarmee begrafenisriten werden afgesloten. Aan de dode werd dan meestal een offer of een plengoffer gebracht. Bekend is ook dat de overledene twee obolen (munten) meekreeg om de overtocht naar de onderwereld te betalen bij Charon. Hij was de veerman die de doden over de rivier de Styx vervoerde.
Nu ga ik over tot een beschrijving van de Griekse erediensten. Belangrijk om te weten is dat riten soms deel uitmaken van erediensten. De Grieken waren zeer trots op hun erediensten en beschouwden het als de meest volmaakte uitdrukking van hun geloof. Deze erediensten werden in tempels gehouden en laatstgenoemden worden als de huizen van de goden beschouwd (naos). Binnen in deze tempels stond een beeld van de vereerde godheid; in eerste instantie was dit een houten beeld (xoanon) wat mensvormig kon zijn. Later kreeg het meer mensvormige trekken. Het oprichten van een tempel was onder andere ook bedoeld om als bank te fungeren en zo leningen te verstrekken als het herbergen van schatten, bedoeld voor noodreserves. Het verschijnen van stenen tempels hangt samen met de opkomst van de polis, de stadstaat en dus ‘politiek’ was. De bouw van stenen tempels in hun typisch Griekse vorm begint in de 8e eeuw v. Chr. en staat niet los van de algehele opleving die de Griekse wereld toen onderging door nauw contact met Voor-Azië. Zij bewaren nog herinneringen aan hun houten voorgangers als men kijkt naar de zuilen, die ooit boomstammen waren.[18]
De mensen mochten de tempel niet in. Het altaar stond voor het beeld van de godheid en was het belangrijkste voorwerp, omdat god en mens via het altaar werkelijk contact hadden.
Priesters waren geen priesters zoals wij die nu kennen. Er zijn verschillen. Zo hoefde men geen opleiding tot priester te volgen; iedere man of vrouw kon priester worden, uitzonderingen daargelaten. Men kon priester wordend door traditie of door koop. In ieder geval bracht het verplichtingen met zich mee zoals een kuisheidsgelofte. De tempels waren een toonbeeld van de beleden godsdienst en kwamen op verschillende plaatsen voor. Zo bestonden er tempels op de akropolis van een stad of op een plein (agora). De burgers hadden voor het grootste gedeelte vrije toegang hiertoe en konden uit persoonlijk belang schenkingen doen om iets van een godheid gedaan te krijgen. De tempels waren echter vóór alles de plaats waar erediensten gehouden werden.[19]
Religieuze feesten
Dit onderdeel van religieuze uiting is voor mij erg belangrijk omdat ook dit een zeer belangrijke uiting van de oude Griekse religie is. Ik zal hier enkele religieuze feesten uit Athene voor verschillende godheden op globale wijze beschrijven.
Deze feesten werden op bepaalde vastgestelde dagen van het jaar gehouden en gaven een religieuze betekenis aan het verstrijken van de tijd. De twaalf maanden werden elk verdeeld in drie groepen van tien dagen; de individuele maanden werden meestal vernoemd naar het feest dat die maand gevierd werd. Deze feesten kenmerkten zich door veel variatie en luister. Aan de namen van de feesten kon je vaak herkennen aan welke godheid het feest gewijd was. Zo kennen wij bijvoorbeeld een maand die Heraios genoemd wordt, naar Heraia, het feest van Hera.
Om deze Griekse feesten goed te kunnen begrijpen moet men twee dingen goed in gedachten nemen: aan de ene kant heeft de volgorde van de feesten een ‘primitieve’ achtergrond, die voornamelijk is gebaseerd op de periodisering van een agrarische samenleving. Grote feesten vonden dan ook vaak tijdens de oogsttijd plaats en aan het begin van de zaaitijd. Andere feesten vonden plaats in tijden van voor de landbouw kritieke perioden of wisselende klimatologische omstandigheden. Ondanks de grote diversiteit in de religieuze feesten moesten er ook elementen van overeenkomst zijn. Een daarvan is het offer, men kon zich geen feest zonder offers voorstellen. In processies bijvoorbeeld werden dieren geofferd die naar de plaats geleid moesten worden, waar men het offer bracht. Het offer houdt in die zin ook een gewijd maal in, aangezien aan helden en goden uit de onderwereld geofferd werd.
De genoemde elementen ontwikkelden zich met de tijd tot een soort van standaard die in verschillende steden werd toegepast: zo hebben wij dan de plechtige optocht, een offer, een banket en tenslotte wedstrijden. Deze wedstrijden waren van verschillende oorsprong en functie en waren aan verschillende goden gewijd. De duidelijke kenmerken van de Griekse feesten dienen gezocht te worden tussen twee uitersten: een primitieve economische basis enerzijds en het uiteindelijke resultaat van het gelijkschakelingproces anderzijds. In deze tussenliggende ruimte ligt een enorme verscheidenheid aan feesten, die voortkomt uit de grote diversiteit van het Griekse pantheon en mythologie.[20]
Zoals ik al eerder heb aangegeven zal ik de Atheense feesten aan bod laten komen. Brelich ondersteunt mij hierin. Ik zal naast zijn visie ook die van anderen beschrijven om een zo compleet mogelijk en duidelijk beeld te schetsen. Bij de beschrijving van de feesten zal ik ook het karakter van de goden schetsen, aan wie de verschillende feesten gewijd zijn. Waar mogelijk zal ik de offers beschrijven die gebracht werden als uiting van het religieuze denken.
Het eerste feest staat in verband met de eerste maand van het Atheense jaar, Hekatombaion en komt ongeveer overeen met onze maanden juni en juli. Dit feest vond plaats op het moment dat de oogst reeds had plaatsgevonden. Dit feest droeg eerst de naam Chronion, omdat men op de twaalfde van deze maand zijn vreugde uitte over de oogst in een feest ter ere van Kronos (Chronos) en zijn vrouw Rhea.[21] Voordat men aan de voorbereidingen van dit feest begon, moest men eerst gereinigd worden en men deed dit door middel van reinigingsriten. Een ander aspect waren de offers. Deze offers werden in de vorm van ‘primeurs’ gebracht en hielden landbouwproducten in, die men terug aan de goden gaf. Wat overbleef, kon men voor eigen gebruik benutten.
In Athene werden deze twee zaken, het reinigingsritueel en het offeren van primeurs, verbonden tot een twee dagen durend feest: Thargelia.
De Thargelia-feesten waren aan Apollo en Artemis gewijd en werden gevierd op de 5e en 6e dag van de maand Thargelion (mei-april). Op een gegeven moment werden deze data in verband gebracht met de zogenaamde geboortedata van deze goden. De naam Thargelia is ontleend aan een epitheton van Apollo, ‘de goddelijke zuiveraar’.
In de mythologie waren Apollo en Artemis een tweeling. Apollo was onder andere de god van het licht. Deze functie werd later aan zijn zoon Helios overgedragen. Hij was als god de beschermer van al het goede en het schone, die de kudden deed groeien, heil bracht en verderf afweerde. Hij was geneesheer van lichaam en ziel maar schonk de mens ook een zachte dood zonder angst en lijden. Hij was de god van muziek en handhaver van wet en orde. Zijn attributen zijn de zon, licht, helderheid en waarheid. Hij was de zoon van Zeus bij Leto. De godin Themis (recht) voedde hem met nectar en ambrozijn en op de vierde dag na zijn geboorte vroeg hij om pijl en boog. Apollo had relaties met zowel mannen als vrouwen of poogde in ieder geval sommige van hen te veroveren. Bekende namen in deze context zijn Phthia, Thalia, Koronis, Aria en Kyrene. Ook Dryope en Daphne hadden Apollo gecharmeerd. Daarnaast zijn er de schone jongelingen zoals Hyakinthos, Narcissos en Cypressos.[22]
Artemis was de tweelingzuster van Apollo. Haar domein was de aarde en vooral de wildernis. Zij was heerseres over de dieren en de moeder van het graan. De vruchtbaarheid van de velden kwam uit haar hand. De betekenis van het domesticeren van dieren en planten was groot, want dit maakte het mogelijk dat er nederzettingen en steden konden ontstaan. Haar eredienst ontstond uit de verering van de godin van de maan. Zij werd voorgesteld als een mooie, slanke jageres, die rein en kuis bleef. Vandaar ook de connectie met de Thargelia. Zij was een heilbrengende godin in alle aspecten van het leven. Schone kunsten, recht, wet en bruiloften stonden onder haar bescherming. Leven en dood lagen in haar hand. Zij was ook de godin van de jacht en van de genezende bronnen en wateren. Artemis gaat met pijl en boog bewapend op jacht. Zij is de beschermster van kleine kinderen.[23]
Apollo en Artemis worden als uitzonderlijk rein beschouwd en zij waren ook de goden die geen genade kenden voor overtreders van bepaalde reinheidsnormen. De wrede zuiveringsriten van de Thargelia-feesten waren dan ook volstrekt in overeenstemming met hun karakters. Onreine mensen (meestal geen Atheense staatsburgers) werden door de stad geleid en nadat zij mishandeld en bespot waren, werden zij verbannen.[24]
De maand die hierop volgt is Skiroforion (mei-juni). Dit was een ingewikkeld feest waarvan wij maar weinig weten. Wat voldoende is om te weten is dat een processie geleid werd door priesters van Athena en Poseidon, men vervolgens van de Akropolis afdaalde en de stad verliet om zich te begeven naar de rivier die de grens aangaf met Eleusis, dat weliswaar tot Atheens gebied behoorde, maar dat er in religieus opzicht los van stond (denk aan de eerder beschreven mythe tussen de strijd tussen Athena en Poseidon om de stad Athene; ondanks de nederlaag van Poseidon, bleef men hem in bijzondere mate vereren). Bij deze rivier trof men een andere stoet, geleid door priesteressen van Demeter en Perséphoné, aan wie de Eleusinische Mysteriën gewijd waren en die ook landbouwgodinnen waren. Het gegeven dat de belangrijkste goden van Athene en de landbouwgodinnen elkaar ontmoeten, is al voldoende om het meest belangrijke aspect van dit feest te onderkennen, dat in de oogsttijd gevierd werd.[25]
Bij de Kronia-feesten vond een ommekeer van de bestaande orde plaats. Het meest in het oog springende kenmerk van deze feesten is dat slaven niet gebonden waren aan hun meesters maar dat slaven bediend konden worden door hun overheersers. Een verklaring die hiermee samenhangt, is dat slaaf en meester samen feest vierden over de rijke oogst. Kronos heeft misschien op een of andere wijze iets met landbouw te maken heeft. Kronos komt tot uiting als de god van de rijpheid, die hij langzaam tot stand brengt en als god van de zonnehitte die het graan na de regentijd deed rijpen.[26]
Bij het Synoikia-feest werd de legendarische stichting van de Atheense staat herdacht die door de held Theseus tot stand werd gebracht doordat hij de Attische dorpen in een staat had verenigd. Graves geeft aan dat Theseus een heerser bleek te zijn die de wet respecteerde en een begin maakte met de politiek van de federalisering, die de basis van de latere welvaart van Athene legde. Tot dan was Attica verdeeld in twaalf afzonderlijke gebiedsdelen, die allemaal hun eigen zaken regelden zonder de Atheense koning te raadplegen, behalve in tijden van nood. Theseus bestempelde de zestiende dag van Hekatombaion tot ‘Dag van de Federatie’ en maakte er een algemene feestdag van ter ere van Athena. Op de tweede dag werd aan Zeus Phratrios geofferd, alsook aan Eirene, de Griekse godin van de Vrede.[27]
In Boèdromion (augustus-september) stonden de Eleusis-mysteriën in het middelpunt van de belangstelling. Dan volgden de Boèdromia, feesten ter ere van Apollo Boèdromios, de ‘helper in de strijd’. Het ging hier om offers en een processie.[28]
De maand Puanepsion (september-oktober) bevat de meeste festiviteiten. Allereerst de Puanepsia, ter ere van Apollo, een zaaifeest met een zeer oud en merkwaardig ritueel. Men offert de god een schaal bonen en verschillende andere groentesoorten vermengd met graanmeel. In de optocht wordt een olijftak omwikkeld met wol en beladen met producten van de eerste oogst – teken van vruchtbaarheid – meegevoerd, terwijl een stoet knapen met vrolijke zang volgt.[29]
Rond de elfde, twaalfde en dertiende van oktober vinden de Thesmophorieën plaats en zijn gewijd aan Demeter, waakster over het zaaigoed in de akkers en de vruchtbaarheid der vrouwen. Uitsluitend Atheense vrouwen namen eraan deel; mannen stonden er geheel buiten. Demeter was een zus van de Griekse oppergod Zeus en godin van de vruchtbaarheid, de akkerbouw – vooral het koren – de eetbare gewassen en de gehele plantengroei. De verering van Demeter als voedende moedergodin dateert van ongeveer 2000 v. Chr. Zij schonk de mens het tarwezaad en leerde hem ploegen, zaaien, maaien, dorsen, malen en brood bakken.[30]
Er worden vijf feesten beschreven. De maanden Metageitnion (juli-augustus) en Maikmakterion (oktober-november) worden overgeslagen omdat door te schaarse gegevens niets hierover bekend is.
Metageitnion wordt als een epitheton van Apollo beschouwd en heeft met buren te maken; men denkt dat dit een soort buurtfeest geweest moet zijn. Verder wordt er een dag besteed aan het eren van Herakles door atleten in het gymnasium van Kynosarges. Tussen de vijftiende en achttiende dag worden de Eleusinische Spelen gehouden, die men niet met de mysteriën moet verwarren. Op de 16e wordt aan Hecate, de godin van de onderwereld en hekserij, en aan Artemis geofferd; op de 20e wordt aan Hera Thelchinia geofferd en op de vijfentwintigste wordt aan Zeus Epoptes geofferd.
Maikmakterion wordt als een epitheton van Zeus gezien en betekent zoveel als ‘razende’. Omdat in deze maand de winter begint, werd tot Zeus Maimaktes gebeden. In het derde deel van de maand werd een processie aan Zeus Meilikhion (de Vriendelijke) gewijd; een chtonisch element, welke zich vertaalt in Zeus die als een slang verschijnt. Tijdens deze processie werd een schaap geofferd, waarvan men de vacht magische krachten toedicht.[31]
In de maand Poseideon (november-december) heerst er vreugde op de akkers: hier staat de bescherming van het kiemende graan in het centrum van de belangstelling. Er wordt geofferd aan Demeter en haar dochter Korè (later Perséphoné) en ook aan Poseidon, die zijn naam aan deze maand gegeven heeft en van oorsprong een chtonische (aarde) godheid was, voordat hij de heerschappij over de zeeën kreeg.[32]
Poseidon wordt omschreven als een machtige en onstuimige zeegod. De oorspronkelijke betekenis van zijn naam is ‘heer van de aarde’. Hij is de jongere broer van Zeus en krijgt na de dood van de Titanen bij de verdeling van de wereldheerschappij, het rijk van de zee toegewezen, dat de aarde omvat en omsluit. Hij kan rotsen splijten en de aarde doen schudden. Poseidon heerst over alle zeegodheden en veroorzaakt verschijnselen van de zee, zowel storm als stilte. Hij is beschermheer van schepen en vissers. Aan hem zijn de dolfijn, de stier en het paard gewijd.[33]
In Gamelion (december-januari), de maand(en) van het huwelijk (gamos), herdacht men feestelijk de Gamelia of Theogamia, een herinnering aan de vereniging van Zeus en Hera.[34]
In de laatste dagen van de eerste maand werd het meest uitgesproken ‘nieuwjaarsfeest’ gevierd: het Panathenaia-feest. Dit was het belangrijkste feest van de beschermgodin van de stad, de godin Athena. Dit feest kenmerkte zich door de meest plechtige processies en de meest uitgebreide offers (hekamtomben). Iedere vier jaar werd dit feest met nog meer spektakel opgevoerd dan voorheen; aan de godin werd dan een nieuwe peplos aangeboden die hiervoor speciaal geweven werd. Bovendien werden voor heel de Griekse wereld belangrijke wedstrijden gehouden. De tiran Peisistratos (± 605-527 v. Chr.) bevorderde de religieuze feesten van Athena en Dionysos om zo de aanhankelijkheid aan de polis te versterken ten koste van lokale bindingen en aristocratische tradities. Naast het zijn van een mild heerser, die bestaande wetten en staatsregelingen zoveel mogelijk intact hield, reorganiseerde Peisistratos de staatsculten van Athena en Dionysos. Op hun beurt zouden deze culten en bijbehorende religieuze festivals sportwedstrijden en kunsten stimuleren; niet alleen een vorm van Atheens gevoel, maar een zekere trots op de vaderstad werd daardoor bevorderd. De Panathenaia werden elk jaar gevierd en eens in de vier jaar met een bijzonder grootse stijl, de Grote Panathenaia. In het feest werd de eenheid van de polis onder haar schutsgodin benadrukt en alle burgers (en tot op zekere hoogte ook niet-burgers) konden hier aan deelnemen.[35]
De Atheense burgers werden dus in bepaalde mate beïnvloed door deze religieuze feesten door bijvoorbeeld gewassen te verbouwen voor offers. Een deel van de opbrengst was voor een bepaalde godheid en een deel voor hen zelf. Aan de ene kant kan men zeggen dat de feesten deel uitmaakten van het dagelijkse leven en dat het voor de Atheners een normale gang van zaken was als men kijkt naar de overeenkomst met de agrarische kalender en aan de andere kant denk ik dat deze feesten wel degelijk van invloed geweest zijn, omdat er op vrijwel elke dag van de maand feesten georganiseerd werden.
Wie was nu precies de godin Athena? Athena of (Pallas) Athene was de godin van de Wijsheid. Zij werd uit het hoofd van haar vader Zeus geboren. Zij was als Athena Aether de godin van de natuur, van de heldere en klare hemel en van de zuivere bovenlucht. Zij was de godin van de helderheid van geest, van bedaard en kalm overleg. Ook de oorlogsvoering viel onder haar gezag, met name het weldoordachte beleid in de krijgsvoering, in tegenstelling tot de oorlogsgod Ares, die van een gewelddadige strijd hield met veel bloedvergieten. Zij werd begeleid door een uil, het symbool van de wijsheid. In vredestijd draagt zij geen wapens. De Atheners maakten de maagdelijkheid van de godin tot symbool van de onoverwinnelijkheid van de stad Athene.[36]
In Anthesterion (januari-februari) valt een Dionysosfeest, dat drie dagen in beslag neemt, van de elfde tot en met de dertiende. Op de eerste dag worden kruiken geopend waarin de wijn sinds de oogst bewaard werd. Op de tweede dag is er een drinkwedstrijd en moet men zo snel mogelijk de inhoud opdrinken. Verder escorteert men op de tweede dag Dionysos, die een bootvormige wagen heeft bestegen. De volgelingen schijnen maskers te hebben gedragen wat aanleiding is geweest voor het trekken van parallellen tussen deze uitbundige ceremonie en ons carnaval. De derde dag wordt aan doden en stervenden gewijd. Het voornaamste offer wordt aan Hermes Psychopompos gewijd als gids van de doden naar de onderwereld.
Februari is ook de maand van de Chloia, feest van Demeter Chloè en van de Diasia, de grootste Zeus-festiviteiten in Athene.[37]
In maand Elaphèbolion (februari-maart), overgang van winter naar zomer, brengt men dankoffers aan Athena en iedereen verheugt zich op de Grote Dionysia, met hun aantrekkelijke toneelmanifestaties, bijgewoond door talrijke vreemdelingen. Het feest duurt vijf dagen; op de negende worden de dithyramben ten gehore gebracht, op de tiende de komedies, van de elfde tot en met de dertiende een trilogie van tragedies, elk gevolgd door een satyrisch spel.[38]
In Mounuchion (maart-april) wordt de Mounuchia opgevoerd, een processie ter ere van Artemis. Aan haar worden koeken, omringd door brandende fakkels opgedragen. Aan haar werd onder andere een vrouwelijke geit geofferd. Op de vierde van deze maand werd ook een feest ter ere van Eros, de god der Liefde, gehouden. Op de negentiende werden de Olympieia gehouden, een religieus festival ter ere van de Olympische Zeus.[39]
Als laatste wil ik graag de feesten die aan Dionysos gewijd zijn, beschrijven. Deze feesten worden Dionysia of Grote Dionysia genoemd. De Dionysia vonden tweemaal per jaar plaats. De kleine of landelijke Dionysia waren wijnfeesten met als hoogtepunt een optocht en werden in december-januari in de dorpen gevierd. De grote of landelijke Dionysia vonden gedurende zes dagen in de lente te Athene plaats. Dit feest begon met een fakkeloptocht, waarbij het beeld van Dionysus naar het theater werd overgebracht, en werd besloten met een feestmaaltijd en een offer. Van de derde tot de zesde dag vonden de wedstrijden voor dithyrambische koren plaats. Hun hoogtepunt beleefden de Dionysia in de 4e en 5e eeuw v. Chr. Zij zijn van groot belang geweest voor de ontwikkeling van de lyriek en van het toneel. Hier werden wedstrijden in dramatiek gehouden. Als kleine kanttekening wordt aangegeven dat de Dionysia in de negende maand werden gehouden. Dit in tegenstelling tot een andere bewering, die december en januari noemt.[40] In hoofdstuk 2 ga ik hier dieper op in.
Dionysos was een zoon van Zeus en Semele. Een Griekse vegetatiegod, een levensgod. Andere namen van Dionysos zijn onder andere Bacchos. Hij wordt beschreven als de god van de bronnen en van de groeikracht van aarde, bos en veld, die zich vooral uit in boomvruchten en grazige weiden. Hij is in het bijzonder de god van de wijnstok, aangezien deze een warme gloed weet te geven aan zijn vruchten die bevrijden van zorg en leed en het gemoed in een hogere stemming brengen. Deze god brengt geestdrift, enthousiasmeert de geesten in poëzie en muziek, onderwerpt het ruwe en wilde in de natuur en houdt de vrede in stand. Hij wordt ook als god van het toneel gezien.[41]
Offers
Uit de voorgaande beschrijvingen blijkt dat offers een belangrijke plaats innemen bij allerlei religieuze aangelegenheden zoals riten, erediensten en religieuze feesten. Vanwege de grote omvang die offers innemen, lijkt het mij niet meer dan normaal hier een apart deel aan te wijden.
Iedere Griekse eredienst ging met offers gepaard en het offer was de allerbelangrijkste rite. Daarnaast wordt het offer als hét communicatiemiddel bij uitstek beschreven voor mensen en bovenmenselijke wezens. Wat men verder goed moet weten is dat er zeer veel verschillende soorten offers bestonden. In het voorgaande kwamen offers voor in de zin van voedsel en zelfs menselijke (Iphigineia). [42]
Wat verder van belang is dat er verschillen bestaan in offers voor goden en helden. De offerplechtigheden voor helden vonden bij voorkeur ’s avonds of ’s nachts plaats in plaats van overdag; de offerdieren waren eerder donker dan wit; de offers werden meer op de grond gebracht dan op altaren en het vlees van de offerdieren werd meestal geheel verbrand in plaats van opgegeten door degenen die de offers hadden gebracht (brandoffer). Deze elementen stellen de helden gelijk aan de goden van de onderwereld.
Tussen offers voor goden en helden zijn nog een groot aantal verschillende soorten offers aantoonbaar. Iedere eredienst had namelijk haar eigen bepalingen: bepaalde diersoorten konden slechts aan bepaalde godheden in bepaalde erediensten worden gewijd. Bijna alle offerdieren werden door mensen gefokt; slechts aan Artemis, de godin die over de niet-bewoonde wereld heerste en die nog de kenmerken vertoonde van een primitieve ‘heerseres der dieren’, werden ook wilde dieren geofferd.
Ook bij de niet bloedige offers was van een zelfde variatie sprake. Bovendien waren de slachtoffers bij iedere eredienst verschillend in geslacht en leeftijd; ook de wijze waarop zij gedood werden, en de manieren waarop hun vlees bereid en genuttigd werd, verschilden sterk. Dit sluit aan bij wat ik hiervoor beschreven heb: ieder detail van een offer of zelfs van verschillende elementen van erediensten, had mede tot doel de godheid van de overige goden te onderscheiden.[43]
Naast een grote diversiteit, waren er ook overeenkomsten. Ik gebruik hier het bloedoffer als voorbeeld. De persoon die het offer bracht, doodde altijd een of ander dier; hij liet het gedeeltelijk verbranden en at samen met anderen het overgebleven gedeelte op. Iedere godheid werd dus bij gebeurtenissen betrokken, die bestonden uit een vleesmaal. De Grieken maakten dan ook geen enkel onderscheid tussen slachten en offeren, ook niet taalkundig. Nu was het niet zo dat met offers ineens alle problemen verdwenen, maar juist door te offeren kon men communiceren met de goden; hierdoor werd de mens bewust van zijn sterfelijkheid. Doordat dit de enige manier was om te communiceren, werd dit ook altijd met een grootse plechtigheden opgevoerd.
Dit was met name het geval bij het offeren van runderen; het dier werd gereinigd, opgetooid en voor het altaar geleid. Tegelijkertijd werden de benodigdheden voor het offer meegenomen. De offerhandelingen namen een centrale plaats in. Wanneer het slachtoffer op de gewijde plaats was aangekomen, werd het eerst besprenkeld met water en met gerst bestrooid (primair voedingsmiddel van de mens) en hierdoor werd het ‘gewijd’. Het door de priester uitgesproken gebed en fluitspel hielden dan plotseling op, gevolgd door absolute stilte. Vervolgens werden de bloedige handelingen verricht waarna een groots gejuich te horen was in de vorm van gezang en kreten: de paian, een overwinningslied, waarin vreugde over het behoud werd geuit; de ololyge, een geschreeuw waarin ontzetting en vreugde bleken, dat door vrouwen ten gehore werd gebracht. Het bloed dat uit het dier stroomde, werd gelijk in bakken opgevangen. Vervolgens ging men onder begeleiding van het fluitspel over tot het verdelen van het geofferde dier: de botten, het vet en de stukjes vlees werden in het vuur geworpen, waarover wijn en geurende stoffen werden gegoten. De rest werd opgegeten.[44]
Het offer stond centraal. Bij bloedige offers werd een dier geofferd, meestal een warmbloedige viervoeter als rund, schaap, geit of varken maar ook wel gevogelte. Dit met veel ritueel omgeven offeren vond vooral plaats in de openlucht. Het geofferde dier werd soms geheel verbrand, maar meestal alleen de schenkelstukken. Niet bloedige offers betroffen het verbranden of deponeren van eetbare waar, het plengen van wijn, melk, olijfolie of reukstoffen. Verder geven zij aan dat bij het offer een gebed hoorde tot de godheid, gesproken of gezongen als hymne.[45]
Price zegt over offers het volgende:
‘Sacrifices were always accompanied by prayers which explained the purpose of the sacrifice and specified what was desired in return from the relevant deity’. (Price 2004:34)
Kort maar krachtig wordt hier dus aangegeven dat de priester altijd het doel van het offer aangaf en wat men van de godheid verlangde voor het offeren. Ook wordt aangegeven dat bij offers soms hymnen gezongen werden en dat de standaard procedure het aanroepen en eren van een bepaalde godheid was, door het noemen van diverse goddelijke daden, en dat men uiteindelijk een gebed uitsprak voor goddelijke diensten. Offers, hymnen en andere soorten offers hadden het doel de goden te behagen. Een dierlijk slachtoffer moet welwillend en blij zijn dood ondergaan.[46]
Orakels
Een orakel is een godsspraak. In de Oudheid was dit een ritueel om het oordeel van de goden te peilen. De vraag aan de goden was veelal een vraag om raad en advies bij voorgenomen ondernemingen. De oude Grieken hechtten aan de uitspraken grote waarde. De orakeluitspraken bevatten vaak dubbelzinnige teksten; de eigen intuïtie was noodzakelijk voor de juiste interpretatie. Een klassiek voorbeeld was het antwoord dat Croesos, de koning van Lydië, kreeg op zijn vraag aan het Delphisch orakel. Hij was van plan het Perzische rijk binnen te vallen en wilde de afloop weten. Hij kreeg als antwoord dat als hij Perzië aanviel, hij een groot rijk zou vernietigen. De afloop bleek te zijn dat hij zijn eigen rijk ten val bracht.
Er zijn vele manieren waarop een orakel tot uiting kan komen: door het bestuderen van de vlucht van vogels, door het bestuderen van ingewanden van offerdieren, door het wachten op openbarende dromen (Asklepios), door te luisteren naar de openbaringen van de natuur- en orakelgod Zeus, die vanaf oeroude tijden in Dodona in het noorden van de Griekse wereld werd vereerd onder de naam Dodonaios Pelasgikos. Hier werd hij beschouwd als een bevruchtende en voedende godheid, die zich openbaarde in het ruisen van bladeren van de heilige eik, het ruisen van de beek die aan de voet van de eik ontsprong, de vlucht van de aan Zeus gewijde duiven en in de klank van koperen bekkens die aan de eik waren opgehangen. Daar het Orakel van Zeus reeds in de Ilias genoemd wordt, neemt men aan dat dit een van de beroemdste uit de Oudheid was.
De orakels van de Griekse wereld zijn talrijk en het Orakel van de Dodonische Zeus is het oudste orakel. In vroeger tijden vlogen twee zwarte duiven uit het Egyptische Thebe weg: één naar het Lybische Ammon, de ander naar Dodona en elk van beide streek neer in een eikenboom die zij tot een Orakel van Zeus verklaarden. Alle orakels werden oorspronkelijk gegeven door de Aardgodin, wier gezag zo groot was dat patriarchale invallers er een gewoonte van maakten om haar heiligdommen te veroveren en dan priesters aanstelden of de priesteressen voor hun eigen dienst aanhielden. Op die manier nam Zeus in Dodona de cultus over van de orakeleik, die gewijd was aan Dione.
Een ander bekend orakel is dat van Apollo te Delphi. De mythische overleveringen bevestigen dat dit orakel al bestond voordat Apollo naar Delphi kwam en onder goddelijke leiding van Gaia zelf stond. Volgens sommige berichten hield de Python zelf, het slangenachtige monster, zich bezig met orakeluitspraken: dit alles is misschien alleen al van belang voor het feit dat Grieken altijd helderziende gaven toeschreven aan de aarde en onderaardse wezens.
Het Orakel van Apollo behoorde aanvankelijk aan Moeder Aarde (Gaia), die Daphnis als haar profetes aanstelde. Sommige zeggen dat Gaia haar rechten aan de Titaan Phoibe, of aan Themis afstond, en dat deze die rechten weer afstond aan Apollo, die voor zichzelf een heiligdom maakte van lauriertakken die hij had meegebracht uit Tempe. Anderen zeggen dat Apollo het Orakel van Moeder Aarde roofde, nadat hij de Python gedood had, en dat zijn Hyperboreïsche priesters Pegasos en Agyieus daar zijn eredienst instelde.
Het Orakel van Delphi genoot een groot prestige, dat niet slechts door individuele mensen geraadpleegd werd, maar ook door staten. Zo werd het Orakel nog belangrijker en door middel van priesters greep het Orakel ook in bij politieke aangelegenheden; in het Archaïsche tijdperk had het Orakel raad gegeven inzake kolonisaties en deze begeleid. De beroemdheid had zelfs invloed op mythen. De Grieken moesten zich voorstellen dat het Orakel zeer oud was en dat het al ten tijde van de helden bestaan had.[47]
Vanwege het gegeven dat Zeus en Apollo de grootste rol vervulden in het totstandkomen van orakeluitspraken, beperk ik mij tot deze twee voorbeelden. Voor de Grieken kwam het kennen van de toekomst aan de onderwereld toe omdat alles uit de aarde voortkwam. Afgezien van een duidelijke theorie was het voor iedereen duidelijk dat de doden onder de grond verdwenen en dat iedereen van de doden afstamde. De doden behoorden dus tot de aarde en vormden daardoor de oorsprong van al het leven. Hierdoor waren zij ook in staat de toekomst te voorspellen.
Helden werden bij uitstek beschouwd als bovenmenselijke doden en daarom is het begrijpelijk dat vaak aan de verering van een held, een orakel verbonden was. Men diende zich naar het heiligdom van de held te begeven en men moest het voorgeschreven offer brengen. Vervolgens diende men op de grond van het heiligdom te gaan slapen. Daarna verscheen de held in een droom om een antwoord te geven op de vraag van de persoon in kwestie. Het is hierbij redelijk makkelijk twee aspecten van waarzeggerij te verbinden: enerzijds het feit dat aan dromen een voorspellende waarde werd toegekend en anderzijds dat door de rite van de ‘tempelslaap’, enkoimesis, de waarde van een heilige plaats werd toegevoegd, waar men sliep en met de gestorven held communiceerde. Een van de vragen kon genezing zijn.
Om genezing te krijgen sliep en droomde men onder andere in grote ruimten waar de god Asklepios te Epidauros in Argolis, op het eiland Kos en in talloze andere plaatsen werd vereerd.[48]
Asklepios wordt omschreven als de god van de genezende krachten. In een tijdsperiode waarin alle ziekten nog een spontaan verloop hadden en er epidemieën en endemieën met hoge sterfte voorkwamen, werden vele levens vroegtijdig beëindigd. In deze nood richtte de bevolking zich in de Griekse wereld tot deze genezingsgod als almachtige redder. De god Apollo wordt als zijn vader genoemd. Dit zoonschap kan betekenen dat Asklepios een personificatie is van een van de aspecten van Apollo. Asklepios wordt afgebeeld als een waardige, kalme, baardige man van middelbare leeftijd met een vriendelijk en goedaardig gelaat, leunend op zijn staf, de caduceus, waaromheen een slang kronkelt. De slang is hier het symbool van de zich steeds verjongende levenskracht. Soms wordt Asklepios afgebeeld met de knaap Telesphoros (‘Beëindiger’), die ook ziekten kan beëindigen en incubatiedromen kan oproepen.
Er zijn veel aanwijzingen dat Asklepios vroeger een held geweest is, die later vergoddelijkt is. In ieder geval wordt er melding van zijn dood gemaakt doordat hij de dode held Hippolytos tot leven gewekt had. Dit werd als een daad van hybris (overmoed) beschouwd, waarop Zeus hem doodde met een bliksemschicht. Hoewel hij reeds van oudsher vereerd moet zijn, werd hij pas vanaf de 5e eeuw v. Chr. in de Griekse wereld als de god der Geneeskunde beschouwd.[49] In de mythologie heeft hij een vrouw, Hygieia, de godin van de Gezondheid. Daar komt ons woord ‘hygiëne’ vandaan.
De verering van Asklepios komt tot uiting in openbare erediensten van verschillende staten. Deze werden gehouden in schitterende tempels en stonden op hetzelfde niveau van andere belangrijke goden. De naam Hygieia is ook een epitheton van de godin Athena. Verder heb ik al aangegeven dat Apollo als geneesheer werd aangeduid. Ook Poseidon werd in verband gebracht met genezende krachten aangezien hij altijd in contact staat met het onderaardse.
Mysteriën en mystiek
Onze woorden ‘mysterie’, ‘mysterieus’, en ‘mystiek’ stammen uit het oud-Grieks. Deze woorden schijnen echter ook in die taak ontleend te zijn aan de oorspronkelijke naam van een godsdienstig feest uit de Oudheid, de Mysteria. Deze feesten speelden zich af in de al eerder vermelde Attische plaats Eleusis in het kader van de eredienst van de ‘twee godinnen’, de moeder Demeter en de dochter Korè. Dit is slechts een veronderstelling, aangezien de naam van het feest ontleend schijnt te zijn aan het woord myesis of het werkwoord myein (inwijding, inwijden). De naam mysteria (onzijdig meervoud) en de woorden die ermee samenhangen, werden voor de Klassieke periode ook gebruikt voor andere riten, die enigszins op de Eleusinische leken. Het zou uit wetenschappelijk oogpunt weinig verantwoord zijn om een scherp onderscheid te maken tussen de erediensten die met deze termen werden aangeduid en de overige erediensten. De Grieken zelf deden het in ieder geval niet. Voor de zogenaamde mysteriën geldt dus precies hetzelfde als voor andere tot dusver behandelde facetten van het Griekse geloof: de erediensten, waarbij orakeluitspraken gedaan werden, alsmede de erediensten die hoofdzakelijk door wedstrijden werden gekenmerkt, vormden evenmin een aparte categorie als de mysteriën. Het bekendste voorbeeld van een mysteriegodsdienst, is die van die Eleusis. [50]
Eleusinische mysteriën
Eleusis was een plaats in Attica, gelegen op ongeveer twintig kilometer ten noordwesten van Athene en deel uitmakend van de Atheense staat. Mythische overleveringen vertellen van oorlogen tussen Athene en Eleusis, die werden gevoerd ten tijde van koning Erechtheus[51] en Theseus. Het heiligdom van Eleusis is een van de zeer zeldzame gewijde plaatsen, waarvan men met vrij grote zekerheid mag aannemen dat er reeds in de Myceense tijd erediensten werden gehouden. Niets bewijst echter dat in de Myceense tijd soortgelijke erediensten werden gehouden als in de Archaïsche en Klassieke tijd. Uit de documentatie die wij bezitten, blijkt dat de erediensten in Eleusis deel uitmaakten van de Atheense feestkalender. De vieringen van deze feesten waren zowel gebaseerd op het feit dat Eleusis deel uitmaakte van de Atheense staat, als op het feit dat deze plaats zich wezenlijk van Athene onderscheidde.
De mysteriecultus van de graangodin Demeter ging uit van de gedachte dat een gelukzalig voortbestaan na de dood mogelijk was, althans voor ingewijden. Verder geven zij aan dat deze mysteriën zich richtten rond de mythe van Perséphoné, de dochter van Demeter (voorheen Korè), die eenderde deel van het jaar bij Hades in de onderwereld moest verblijven en tweederde deel op aarde. Haar oprijzen uit de onderwereld symboliseerde het ontkiemen van de korenhalm uit de stervende graankorrel.
De cultus mogelijk dateert mogelijk uit het 2e millennium v. Chr. Zo als eerder opgemerkt vonden deze Eleusinische Mysteriën plaats in de maand Boèdromion. Het grote feest vond plaats in de herfst en het kleine feest (de terugkeer) in de lente.
In de maand Boèdromion werden door Atheense jongelingen bepaalde ‘heilige voorwerpen’ (hiera) van Eleusis naar Athene gebracht. Nadat allerlei rituele handelingen waren verricht, trok daarna een processie naar Eleusis en bracht de heilige voorwerpen weer terug. [52]
Naast het beeld van de processie komen daarbij nog elementen als het baden in zee, offers van gewijde varkens waarvan het bloed als reinigingsmiddel werd gebruikt, vasten, fakkeldansen, het zingen van liederen en een geheime feestviering in de tempel van Demeter. Het doel van de mysteriën bij de inwijding van de aspirant-mysten was om hen met gewijde woorden inzicht en begrip te geven in de geheimen van de natuur en in de samenstelling van de kosmos. Een dramatische handeling waarin een priesteres de verdwijnende Korè voorstelde, maakte deel uit van de inwijding. Er werden klaagliederen voor Demeter en Perséphoné gezongen, en er werden heilige voorwerpen aan de in te wijden persoon getoond. Het aantal deelnemers was naar schatting tienduizend.
De kleine mysteriën waren een voorbereiding op de grote en duurden drie dagen. Zij werden gevierd in Agrae, een kleine voorstad van Athene. Een bad in de rivier de Hissos en een reiniging met water maakten er deel van uit. Er waren na voldoende onderwijs door de mystagoog (de bewaarder van de geheimen) drie graden van inwijding. De eerste was een soort vóór-inwijding en heette telète (reiniging). Zes maanden later volgde de myese (wijding). De inwijdeling werd dan ‘myste’ genoemd. Bij deze mysteriën werd door de mysten een roesverwekkende drank gedronken om tot het ‘schouwen’ van het religieuze geheim te geraken. De ogen sluiten bij de inwijding betekende dat men niet langer waarnam met de zintuigen, maar met de vermogens van de ziel. Na een jaar kon de derdegraads inwijding volgen, de epoptie (aanschouwing). De graad van epopt was slechts voor enkelen bestemd en het doel was het zien van een visioen van een vrouwelijke godengestalte.[53]
De oudste documentatie die wij van de Eleusinische erediensten bezitten, de zogenaamde Homerische hymne aan Demeter, dateert waarschijnlijk van het einde van de 7e of het begin van de 6e eeuw v. Chr. Deze hymne maakt op geen enkele wijze melding van de band tussen Athene en Eleusis. Twee feiten die dit kunnen verklaren zijn dat in de eerste plaats vermeld dient te worden dat het in de hymne vertelde verhaal zich in het mythische tijdperk afspeelde en dus onder andere omstandigheden dan in het historische tijdperk. Tevens wordt in de hymne de nadruk gelegd op het universele karakter van de verering: alle Grieken konden in de mysteriën worden ingewijd. Het was geen burgerplicht maar een individuele keuze. Een van de strofen uit de hymne luidt:
‘gelukzalig is degene onder de aardbewoners die die dingen zag’.
Men diende zich echter naar Eleusis te begeven om ‘die dingen’ te kunnen gaan zien en het is onmogelijk te zeggen wat ‘die dingen’ precies waren. Hierover is nog steeds strijd tussen wetenschappers.[54]
De Eleusinische mysteriën als hoopgevende leer kan moeilijk worden overschat. De mysteriën van Eleusis, naast welke zich in de hellenistische tijd vele nieuwe mysteriën ontwikkelden, zijn gevierd tot in de late Oudheid tot het christendom er een einde aan maakte. Hoewel steeds meer binnen Atheense invloedssfeer gekomen en reeds in de 7e of 6e eeuw door Athene geannexeerd, bleef Eleusis een Grieks en op den duur ook niet-Grieks begrip. Naast de hiernamaalsverwachting is het vooral de persoonlijke religieuze ervaring, die het zo aantrekkelijk maakt: de mens beleeft mee wat de godin moet lijden en put troost uit haar uiteindelijke zege.
Naast het leed en de vreugde van de godinnen en de stichting van de mysteriën, speelde ook de geboorte van het Plutos-kind een grote rol. Dit is de belichaming van de rijkdom die door Demeter aan de mensen wordt geschonken. Ook kregen de gelovigen wel in een of andere vorm de zaligheden van de Elyseïsche Velden en de pijnen der verdoemenis te “zien”.[55]
Kunst
De kunst van de Griekse wereld heeft een enorme invloed op de cultuur van vele landen van oude tijden tot het heden uitgeoefend, in het bijzonder op het gebied van beeldhouwwerk en architectuur. Kunsthistorici definiëren over het algemeen Oud-Griekse kunst als kunst die in de Grieks-sprekende wereld werd vervaardigd van ongeveer 1000 v. Chr. tot ongeveer 100 v. Chr. Zij sluiten over het algemeen de kunst van de Myceense beschavingen uit, die van ongeveer 1500 v. Chr. tot ongeveer 1200 bloeide. Ondanks het feit dat deze culturen Grieks spraken, is er weinig of geen continuïteit tussen de kunst van deze beschavingen en recenter Griekse kunst.
Aan de andere kant zijn de kunsthistorici over het algemeen van mening dat de Oud-Griekse kunst eindigde met het vastleggen van Romeinse controle over de Grieks-sprekende wereld in ongeveer 100 v. Chr.
Er is ook een vraag met betrekking tot het woord “kunst“ in de oude Griekse wereld. Het oude Griekse woord τεχνη tekhnê, dat algemeen als "kunst" vertaald wordt, betekent nauwkeuriger "vaardigheid" of "vakmanschap" (het woord "techniek" komt eruit voort). De Griekse schilders en beeldhouwers waren vaklieden die hun vak als leerlingen leerden, vaak bij hun vaders in de leer, en die toen door rijke patroons werden ingehuurd. Hoewel een aantal bekend en veel bewonderd werden, bevonden zij zich niet in dezelfde sociale positie als dichters of acteurs. Het was niet tot de Hellenistische periode (na ongeveer 320 v. Chr.) dat de "kunstenaar" als sociale categorie erkend werd.[56]
Historische context: de Archaïsche periode (± 750-480 v. Chr.)
De 8e eeuw kenmerkt zich onder andere door kolonisatie en is vooral het gevolg van de sociale regimes in de poleis. De macht was daar in handen van de aristocratie. Tussen ongeveer 735 en 716 v. Chr vond de Eerste Messenische Oorlog plaats. Het was een oorlog tussen Sparta en Laconië. De voorspoed van de 7e eeuw v. Chr. zette zich voort in de 6e eeuw; net als de onderlinge rivaliteit onder staten, de toegenomen interesse in het drijven van handel en de energieke uitbreiding van de in het buitenland reeds gevestigde koloniën. Door de handel en de competitie daarin werden de Griekse staten geconfronteerd met andere expanderende machten uit het Middellandse Zeegebied: de Etrusken en Carthagers in het Westen en de Perzen in het Oosten. Veel staten bleven in handen van tirannen, maar aan het einde van de 6e eeuw v. Chr. waren er ook democratische staatsinrichtingen tot stand gekomen, bijvoorbeeld in Athene. De Archaïsche periode begint als architecten en beeldhouwers in rivaliserende stadstaten hun commerciële succes gestalte willen geven in stenen monumenten. De periode eindigt rond 490-480 v. Chr. met de grote veldslagen tussen Oost en West: de oostelijke Grieken tegen Perzië en de westelijke Grieken tegen de Carthagers.[57]
Historische context: de Klassieke periode (± 480-323 v. Chr.)
Deze periode kenmerkt zich onder andere door de Peloponnesische Oorlog (431-404 v. Chr.) tussen Athene en Sparta. Sparta en de Peloponnesische en Boeotische bondgenoten hadden de groei van het Atheense rijk met verontrusting gade geslagen; in een aantal militaire campagnes in de jaren ’50 en ’40 van de 5e eeuw v. Chr. hadden ze geprobeerd de Atheners tot staan te brengen. De Atheense leider was op dat moment Pericles. De militaire campagnes in de jaren ’40 van deze eeuw waren een teken van spanning tussen twee kampen: Sparta en bondgenoten aan de ene kant en Athene en zijn rijk aan de andere kant. Hoewel er verschillende bestanden werden gesloten, werd de vraag wie de leider van de Griekse wereld was niet definitief beantwoord. Deze oorlog begon in 431 v. Chr. en binnen twee jaar was Pericles dood; ten prooi gevallen aan de pest die Athene trof. Na een decennium werd er een nieuw bestand gesloten in 421 v. Chr. maar Athene liet zijn ambities niet varen en in 415 v. Chr. begon de strijd opnieuw. Hun jammerlijke vertoon van gebrek aan macht in Syracuse en hun nederlaag in 413 v. Chr. betekenden het begin van het einde. De Atheense vloot werd bij verrassing overvallen bij Aegospótamoi in de Hellespont in 405 v. Chr. Het jaar daarop onderwierp Athene zich. Door het verliezen van de oorlog, werd de Delisch-Attische bond opgeheven, de lange muren werden afgebroken en in Athene werd een pro-Spartaans oligarchisch bewind ingevoerd, dat na een jaar van terreur weer omvergeworpen werd, waarna de democratie terugkeerde. De Spartanen berustten hierin.
Deze oorlog ontstond na een periode van kortstondige vrede (446-431 v. Chr.) maar door moeilijkheden tussen Athene en Sparta’s maritieme bondgenoten, Korinthe en Megara, ontstond een nieuw conflict. De geschiedschrijver Thucydides meende dat deze oorlog de zwaarste was, die ooit in de Griekse geschiedenis is uitgevochten.[58]
Beeldhouwkunst in de Archaïsche periode (± 750-480 v. Chr.)
Beelden van naakte jongemannen (kouroi) behoren tot de oudste Griekse vrijstaande beeldhouwwerken. Bij het maken van deze eerste kourosbeelden greep de Griekse beeldhouwer terug op Egyptische techniek. De Egyptenaren maakten hun beelden al duizenden jaren op dezelfde manier. Ze tekenden de omtrekken van het beeld op de vier zijden van een blok marmer en hakten dat uit. Dat deden ze volgens een vast schema van proporties en houding.[59]
De Grieken waren avontuurlijker dan de Egyptenaren. Ze namen de techniek en pose van hen over en voegden nog iets toe. Het beeld moest niet alleen op een mens lijken, het moest ook een eigen schoonheid bezitten. Dit dachten zij te bereiken door symmetrie en het herhalen van gestileerde vormen over het hele standbeeld. Een kourosbeeld kon een god voorstellen, het kon een geschenk aan een god zijn of een gedenkteken voor het graf van een overledene. Deze verschillende functies hadden echter geen invloed op de vorm. De kouroi hebben dezelfde kenmerken: de naakte rechtopstaande mannelijke figuur kijkt recht voor zich uit. Het ene been staat iets naar voren, maar het gewicht rust op beide voeten. De armen hangen langs het lichaam en de vuisten zijn gebald. De krullende haren zijn weergegeven als ronde kralen. Vaak heeft het gezicht een (expressieloze) glimlach, de zogenaamde Archaïsche glimlach.
De kouros is nooit een portret. De naaktheid haalt de mens los uit het banale dagelijkse leven en verheft hem tot een niet-tijdsgebonden, sacraal-heroïsche dimensie. Verder staat de naaktheid in verband met het Griekse idee van de "kalokagathia”: wat mooi is moet goed zijn, en omgekeerd.
De Grieken hielden van experimenteren. Hierdoor werden de kouroi steeds wat realistischer; dit kon tot problemen leiden. Een kouros kon meer ronde vormen krijgen, maar er was dan nog geen oplossing voor de stijve glimlach, haren en pose. Daardoor ontstaat er als het ware een botsing van stijlen.[60]
Het type korè is een jong meisje in nauwsluitende kledij tot op de voeten, net als de kouros in stijve, strikt frontale houding ("Ionisch" elegant). De armen zijn tegen het lichaam "gekleefd", maar soms is één arm over de borst geplooid, de voeten staan naast elkaar, kleding, aanvankelijk zonder plooien, evolueert naar steeds meer drapering in reliëf. De verdere evolutie van het korè-type bestaat uit een perfecte coördinatie tussen kleding en lichaam en de plooienval van het gewaad volgt steeds meer vorm en houding van het lichaam, en laat op suggestieve wijze het vrouwelijk lichaam eronder vermoeden.[61]
De Griekse marmeren beelden waren oorspronkelijk niet kleurloos, maar beschilderd. Velen meenden dat beelden slechts ten dele beschilderd waren geweest en wel in twee kleuren, rood en blauw. Dit leidde tot de ‘dichromie-theorie’. Anderen waren nog terughoudender en beweerden dat de beelden slechts wit en goud waren geweest. De theorie dat de beelden slechts in rood en blauw beschilderd waren, berust op het feit dat de rode en blauwe pigmenten in de loop der tijd het best bewaard zijn gebleven en dus nog in overvloed te zien zijn.[62]
De beeldhouwwerken uit de Archaïsche periode, maar ook die uit latere perioden, waren niet ‘zomaar geverfd’. Het kleurgebruik was een middel om de vorm en de verhalende elementen te verduidelijken. De thema’s werden ontleend aan de mythologie en het dagelijkse leven. Deze thema’s waren bedoeld om de toeschouwer te verbazen (thaumazein) door de benadering van de werkelijkheid (mimesis). Het feitelijke doel was de verlevendiging van het kunstwerk.
Het kleurgebruik op Archaïsche en vroeg-Klassieke beelden was aan zekere regels gebonden. Sommige materialen kregen een natuurlijke kleur. Bij andere liet men deze voorwaarde los. Daar werden de kleuren gekozen om de vormgeving extra levendig te maken. Verder wilde men graag dat de vorm – en daarmee de handeling of het verhaal – duidelijk was voor de toeschouwer.[63]
Beeldhouwkunst in de Klassieke periode (± 480-323 v. Chr.)
De zogenoemde problemen met betrekking tot de verhoudingen van de kouros, komen bij de Kritios-kouros in verandering. De haren werden kortgeknipt, het gezicht kreeg meer expressie, de pose werd natuurlijker. Het beeld heeft zijn hoofd iets verdraaid en het gewicht is nie