Ondergaan of ondernemen? Levenslooponderzoek van de generatie van 1830/31 in Assenede. (Christa Matthys)

 

home

lijst scripties

inhoud

vorige

volgende

 

 

DEEL II: CORPUS

 

Hoofdstuk 4. Tussen geboorte en overlijden: demografische transities binnen de cohorte.

 

In dit hoofdstuk wil ik stilstaan bij de keuzes die de cohorteleden maken op ‘demografisch’ vlak. Het gaat om beslissingen inzake huwelijk, gezin en migratie. Ik zal onder andere focussen op de partnerkeuze, de mogelijke drijfveren van de celibatairen, beslissingen inzake gezinsgrootte en –samenstelling en het opteren van sommigen voor migratie. Tussen die keuzes die een transitie van het ene naar het andere stadium teweegbrengen, kunnen verbanden bestaan. Zo kan de uitwijking naar een andere gemeente het gevolg zijn van een huwelijk met een partner van buiten de dorpsgrenzen. Het ligt voor de hand dat ik ook steeds oog zal hebben voor deze mogelijke relaties. Bovendien acht ik het nodig aandacht te besteden aan enkele demografische aspecten die niet onmiddellijk aan een ‘keuze’ onderhevig zijn, maar die de keuzes wel beïnvloeden. Een voorbeeldje kan dit duidelijk maken: twee vrouwelijke cohorteleden, Justina De Bruycker (Id 41) en Viergenie Martens (Id 140), zijn geestelijk niet volledig in gezond[1]. Dat hypothekeert natuurlijk hun kansen op de huwelijksmarkt: geen van beide zal ooit huwen. Het meest drastische aspect dat de keuzemogelijkheden beperkt is de mortaliteit. Daarom zal ik hieraan eerst een korte paragraaf wijten.

 

§1. Mortaliteit

 

Het leven, zelfs in de puur biologische zin van het woord, biedt niet voor iedereen dezelfde kansen. Er treden verschillen op naargelang geslacht, leefomgeving,... Deze ongelijkheid manifesteert zich al vanaf de eerste levensmaanden.

 

Tijdens het eerste levensjaar heeft men als jongen immers meer kans om te overlijden dan als meisje. Bij de geboorte bedraagt de seksratio (de verhouding jongens ten opzichte van 100 meisjes) immers gemiddeld 105. Tijdens het eerste levensjaar wordt het evenwicht tussen de seksen hersteld. De lezer heeft al gezien dat voor de cohorte van 1830/31 een verstoorde situatie optreedt met een seksratio van amper 87. Toch sterven ook meer jongens in de eerste twaalf maanden na geboorte, zo blijkt uit Tabel 4.1. Tijdens de kinder- en jeugdjaren ligt de mortaliteit bij meisjes dan weer wat hoger. Volgens Devos is dat te wijten aan de benadeling van meisjes door de ouders[2]. Deze achterstelling is het resultaat van de beïnvloeding door de heersende culturele en economische normen.

 

Tabel 4.1. Cohorteleden mortaliteit volgens leeftijd, geslacht en tijdstip van overlijden.

 

min 1 m

 

1 m tot 1j

 

1-4 j

 

5-15 j

 

15-29 j

 

30-54 j

 

55+

 

TOT

 

v

m

v

m

v

m

v

m

v

m

v

m

v

m

 

januari

0

1

3

0

0

0

0

0

0

2

0

1

6

2

15

februari

2

0

3

2

1

1

1

1

0

1

1

0

5

1

19

maart

1

2

4

0

1

0

0

3

1

0

0

1

6

4

23

april

1

1

0

2

2

0

1

0

0

0

3

0

2

2

14

mei

1

2

0

2

1

0

1

0

0

0

1

0

2

1

11

juni

1

2

1

0

1

4

0

0

0

0

0

1

3

2

15

juli

0

1

0

1

0

0

1

0

0

1

0

1

2

1

8

augustus

0

0

1

1

1

0

1

0

0

1

0

1

3

0

9

september

0

2

3

4

4

0

0

0

0

0

0

0

0

2

15

oktober

0

5

6

2

2

0

1

0

1

1

0

0

0

3

21

november

1

0

1

0

0

2

1

0

1

1

0

2

2

2

13

december

0

2

2

4

1

2

0

0

2

1

0

0

1

0

15

TOT

7

18

24

18

14

9

7

4

5

8

5

7

32

20

178

Bron: BR en OA

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ze uit zich in de dubbele werklast die op de schouders van meisjes wordt gelegd: naast het werk buitenshuis worden zij ook deels met  het huishouden belast. Zo worden zij vaker aan infectieziekten blootgesteld. Ook moeten zij het beste voedsel ontberen ten voordele van de vader en zoons des huizes, zodat ze ook vatbaarder zijn voor die infecties. Vanzelfsprekend worden de armere gezinnen hier het meest getroffen. Op volwassen leeftijd blijken de mannen dan weer kwetsbaarder te zijn. Bij de ouderen tenslotte zijn de hogere cijfers voor vrouwen te wijten aan het feit dat op dat moment nog meer vrouwelijke dan mannelijke cohorteleden in beeld zijn.

Wat de spreiding doorheen het jaar betreft, voldoet deze Asseneedse cohorte vrij goed aan het in hoofdstuk 3 aangehaalde algemene beeld met een overwicht aan overlijdens in het voorjaar en het vroege najaar. De ouderlingen sterven ook vooral in het voorjaar, terwijl bij de zuigelingen (-1 jaar) vooral de nazomermaanden september en oktober een piek vertonen.

 

De hoge cijfers voor de zuigelingensterfte in het geheel zijn trouwens opvallend. Ik moet wel opmerken dat het aandeel enigzins overdreven is omdat op latere leeftijd heel wat mensen verhuizen. Dat neemt echter niet weg dat al een groot aantal cohorteleden voor hun eerste verjaardag sterft. Ik maak onderscheid tussen de overlijdens binnen de eerste maand na de geboorte en deze die binnen de rest van het eerste levensjaar vallen. Dat houdt verband met het onderscheid tussen endogene en exogene sterfte. Verdere uitleg hieromtrent wordt in de volgende paragraaf onder het deeltje ‘overlevende kinderen’ verschaft. Hier wil ik enkel kwijt dat endogene sterfte vooral te wijten is aan biologische factoren, terwijl exogene sterfte juist door omgevingsfactoren wordt veroorzaakt. De endogene sterfte bedraagt hier ten opzichte van het aantal levendgeborenen 4,9% voor de meisjes en 14,4% voor de jongens. Het cijfer voor de meisjes is aan de lage kant, dat voor de jongens aan de hoge kant. Eén van de biologische factoren is dus het herstel van de balans tussen de geslachten. De waarden voor de exogene sterfte bedragen 16,6 en 14,4%. Dat zijn middelmatige cijfers. De oorzaak ligt waarschijnlijk in het feit dat Assenede zowel polders als zandgebieden bezit. In de poldergebieden is een hoog cijfer normaal wegens het verminderd toedienen van borstvoeding door vrouwen die op de grote bedrijven werken. In zanderige regio’s met meer thuisarbeid zorgt de langdurige borstvoeding wel voor lagere cijfers. Een indeling naar het hoofdberoep van het gezinshoofd leert dat zowel endogene als exogene sterfte in alle beroepsgroepen voorkomen (Bijlage 4). De enige opvallende vaststelling die ik uit deze indeling kan trekken, is dat de exogene sterfte erg vaak in de textielsector optreedt: maar liefst zeven keer op een totaal van 45 sterfgevallen. Het gaat in dze gevallen bovendien vaak om onwettige moeders. Dat wijst erop dat de armoede in deze groep begin jaren dertig al erg groot moet zijn: blijkbaar kan men de zuigelingen niet voldoende voeden. Een indeling maken volgens inkomen, is niet mogelijk omdat ik niet voor alle vaders gegevens heb over het inkomen en de info die er wel is, pas beschikbaar is vanaf 1838 en dan zijn de cohorteleden al enige tijd gestorven (zie Hoofdstuk 6).

 

§2. Gezin, huwelijk en migratie

 

In het dagelijks leven van individuen neemt het gezin een dominante positie in. Het gezin vormt een (tijdelijk) emotioneel en economisch geheel. In verband met de affectieve bindingen binnen het gezin, die voor het individu zeker een erg belangrijke rol spelen, hebben onderzoekers zich lange tijd blind gestaard op ideaaltypes[3]. Slechts recentelijk is daar onder invloed van de antropologie verandering in gekomen. Andere onderzoekers hebben het affectieve aspect echter helemaal terzijde gelaten en zagen het gezin vooral als een puur economisch samenwerkingsverband[4]. Een zuiver economische benadering schiet echter te kort. Niet enkel de complexe verhouding tussen economie en affectie, maar ook  de heersende sociale en culturele normen hebben invloed op de relaties binnen en op het handelen van gezinnen[5]. Via de levensloopanalyse kunnen ook andere dan economische variabelen in rekening worden gebracht en kan de brug worden geslagen tussen de economische, sociologische, demografische en sociaal-culturele benadering van het gezin[6]. Toch laat de aard van de hier gebruikte bronnen dat slechts in beperkte mate toe.

Een hele tak van de historische wetenschap houdt zich al vijfendertig jaar lang bezig met de ‘gezinsgeschiedenis’. De ‘Cambridge Group for the History of Population and Social Structure’ onder leiding van Laslett en Wall voerde jarenlang de toon aan en zorgde voor een aantal ophefmakende vaststellingen. Na verloop van tijd werd echter duidelijk dat begrippen zoals ‘gezin’ en ‘familie’ niet eenduidig te interpreteren zijn. Vooreerst is het niet volledig duidelijk wie als ‘gezinslid’ beschouwd kan worden[7]. Ten tweede moet de onderzoeker rekening houden met het feit dat de samenstelling en organisatie van gezinnen voortdurend aan veranderingen onderhevig zijn. Ten derde verdienen ook de interne machtsverschillen binnen voordien als homogeen en egalitair beschouwde gezinnen aandacht. Op de eerste vraag, namelijk wat eigenlijk onder een gezin kan worden verstaan, lijkt het voorlopig het beste om een tweeledig antwoord te geven[8]. Enerzijds kan de onderzoeker het belang van de verwantschapsbanden centraal stellen. Dan spreken we van ‘familienetwerken’. Deze benadering volstaat echter niet. Daarom moet ook het aspect van de co-residentie, dat op zichzelf ook niet voldoende als criterium voor het ‘gezin’, in rekening worden gebracht. Deze aanpak resulteert in de studie van ‘huishoudens’. In mijn onderzoek is het op basis van de bronnen eerder logisch dat ik eerder de ‘huishoudelijke’ benadering verkies. De tellingen en bevolkingsregisters nemen immers het huishouden als basis. Omdat ik echter de complexiteit van de werkelijkheid zoveel mogelijk wens te respecteren, acht ik het ook nodig waar mogelijk rekening te houden met de verwantschapsbanden. Bij tijdelijke migratie, bijvoorbeeld als dienstbode, primeert het verwantschapscriterium op dat van de co-residentie. In veel gevallen vallen huishouden en familienetwerk samen (de zogenaamde ‘kerngezinnen) en kan zonder aarzeling van een ‘gezin’ worden gesproken. Door de toepassing van het levenslooponderzoek is het mogelijk deze laatqte aspecten samen te behandelen.

 

2.a. burgerlijke staat en de timing van transities

 

*   burgerlijke staat per leeftijdsfase

 

Het huwelijk, of beter: het feit of men al dan niet huwt, bekleedt een centrale positie in dit hoofdstuk. Het aangaan van een officiële verbintenis met de partner wordt doorgaans immers als doorslaggevende factor beschouwd bij de gezinsvorming. Het is in kader van het verdere betoog dan ook van belang het aandeel van de celibatairen, gehuwden en weduwen/weduwnaars per leeftijdsfase te kennen.

 

Aan de hand van de bevolkingsregisters en de akten van burgerlijke stand is het mogelijk hiervan een overzicht te geven (Tabel 4.2 en 4.3). Ik werk met persoonjaren omdat het mogelijk is dat iemand slechts gedurende korte tijd gehuwd of weduw(e)/(naar) is, waardoor deze tussentijdse mutaties uit beeld blijven. Enkel de gegevens over cohorteleden die minstens tot hun 20ste gevolgd zijn, zijn in de tabel verwerkt. Enkel de reëel gevolgde jaren zijn in rekening gebracht: tijdelijk afwezigen worden dus ook tijdelijk niet gevolgd. De percentages werden berekend door het aantal persoonsjaren per categorie te plaatsen tegenover het totaal aantal persoonjaren van dezelfde sekse dat op dat moment nog ‘reëel’ in beeld is. Naarmate de tijd vordert, worden de procentuele waarden minder bruikbaar wegens de kleine aantallen. Dezelfde telling, maar dan in personen vindt de lezer in Bijlage 5.

 

Tabel 4.2. Vrouwelijke cohorteleden: burgerlijke staat per leeftijdsfase in persoonsjaren

 

ongehuwd

 

gehuwd

 

weduwe

 

tot 'reëel in beeld'

 

N

%

N

%

N

%

 

0-24

1477

98,7

19

1,3

0

0,0

1496

25-29

171,5

68,5

79

31,5

0

0,0

250,5

30-34

105

47,0

115,5

51,7

3

1,3

223,5

35-39

68

32,7

137

65,9

3

1,4

208

40-44

52

27,5

135,5

71,7

1,5

0,8

189

45-49

45

26,2

117

68,0

10

5,8

172

50-54

32

19,8

122

75,3

8

4,9

162

55-59

31

21,2

105,5

72,0

10

6,8

146,5

60-64

35

24,4

90,5

63,1

18

12,5

143,5

65-69

33

31,1

50

47,2

23

21,7

106

70-74

20,5

32,8

14,5

23,2

27,5

44,0

62,5

75-79

16

33,7

3

6,3

28,5

60,0

47,5

79+

21

32,3

0

0,0

44

67,7

65

TOT

2107

64,4

988,5

30,2

176,5

5,4

3272

Bron: BR/BS

 

 

 

 

 

 

 

Tabel 4.3. Mannelijke cohorteleden: burgerlijke staat per leeftijdsfase in persoonsjaren

 

ongehuwd

 

gehuwd

 

weduwe

 

tot 'reëel in beeld'

 

N

%

N

%

N

%

 

0-24

1483,5

100,0

0,5

0,0

0

0,0

1484

25-29

175

86,6

27

13,4

0

0,0

202

30-34

89

51,0

85

48,7

0,5

0,3

174,5

35-39

39

28,0

100

71,7

0,5

0,4

139,5

40-44

16

12,4

113

87,3

0,5

0,4

129,5

45-49

5

4,5

105

94,6

1

0,9

111

50-54

5

4,7

93

87,3

8,5

8,0

106,5

55-59

5

5,0

86

85,1

10

9,9

101

60-64

0

0,0

71

80,7

17

19,3

88

65-69

0

0,0

51,5

72,5

19,5

27,5

71

70-74

0

0,0

19

48,1

20,5

51,9

39,5

75-79

0

0,0

7,5

26,3

21

73,7

28,5

79+

0

0,0

2

25,0

6

75,0

8

TOT

1817,5

67,7

760,5

28,3

105

3,9

2683

Bron: BR/BS

 

 

 

 

 

 

De ontwikkelingen die zich voordoen, zoals uit nevenstaande tabellen blijkt, roepen weinig verbazing op. Bij de vrouwen stijgt het aandeel van de gehuwden tussen hun 20ste en 40ste en tekent zich een ongeveer omgekeerd evenredige daling van het aandeel ongehuwden af. De mannen kennen eenzelfde evolutie, maar met één leeftijdsfase vertraging. Aangezien de gemiddelde huwelijksleeftijd bij het eerste huwelijk in het derde kwart van de 19de eeuw voor vrouwen op 28 à 29 jaar ligt en voor mannen rond de 30 à 31 (cfr. infra) is deze stijging van de groep gehuwden niet verwonderlijk. Wat ook geheel aan de verwachtingen voldoet is het feit dat in de jongste leeftijdsfases nog geen weduwen en weduwnaars voorkomen: het sterfterisico ligt er lager en hoe jonger men zijn/haar partner verliest, hoe meer kans dat men hertrouwt (zie ook verder). Dat er meer weduwen zijn dan weduwnaars ligt volgens mij zeker niet alleen aan de mindere kansen op een nieuwe partner die de rurale maatschappij aan vrouwen biedt, maar vooral aan het simpele feit dat er minder mannen dan vrouwen in beeld zijn (zie Tabellen 2.1. tot en met 2.3.). Vooral vanaf de leeftijd 30-34 tot en met 65-69 is het aandeel ‘zichtbare’ mannen beduidend kleiner. Dit laatste acht ik ook verantwoordelijk voor het kleiner aandeel celibatairen bij de mannen dan bij de vrouwen. Dat is immers de enige opmerkelijke vaststelling die men in verband met dit overzicht van de burgerlijke staat zou kunnen maken. Het definitief celibaat is in de 19de eeuw op het platteland namelijk vooral een mannenzaak. Het economisch klimaat was voor ongehuwde vrouwen in die mate ongunstig dat velen naar de stad emigreren. Op de vraag naar het waarom van de grotere mannelijke afwezigheid zal ik in de loop van de uiteenzetting een antwoord trachten te formuleren.

 

*   leeftijd bij eerste huwelijk

 

Voorgaand globaal overzicht had geen aandacht voor het gemiddelde tijdsverloop tussen de transities die de burgerlijke staat bepalen. Nochtans is het onderzoek naar de timing van de events één van de belangrijkste onderzoeksvragen binnen de levensloopanalyse. Ik moet er dan ook even bij stil staan.

 

De eerste mogelijke overgang betreffende de burgerlijke staat vormt het eerste huwelijk. Over de West-Europese huwelijksleeftijd in de 18de en 19de eeuw is al heel wat inkt gevloeid[9]. Dit demografische aspect werd bijna uitsluitend vanuit economische gronden verklaard: men huwt pas wanneer men economisch op eigen benen kan staan. In een klimaat van peasants betekent dat: wanneer men over een voldoende stukje grond beschikt. Dat houdt in dat men vaak maar kan huwen na het overlijden van de vader. Dat is dus op vrij late leeftijd. Dit restrictieve huwelijkspatroon wordt ook Malthusiaans genoemd. De belangrijkste rivaliserende theorieën betreffende het Vlaamse platteland zijn toe te schrijven aan respectievelijk Franklin Mendels en Chris Vandenbroeke. Mendels meent dat het toegenomen aandeel van loonarbeid, in de vorm van huisnijverheid, in het karige gezinsinkomen in de 18de eeuw een daling van de huwelijksleeftijd veroorzaakt. Door het aanvullende inkomen moet men niet meer te wachten op het ouderlijke stukje grond. Een nog kleiner lapje volstaat. Vandenbroeke toont aan dat die daling zich voor het einde van de 19de eeuw niet voordoet. De verpaupering vanaf het einde van de 18de eeuw veroorzaakt zelfs een stijging van de huwelijksleeftijd: laat huwen is in een maatschappij zonder efficiënte contraceptiva een manier om het aantal kinderen per gezin te beperken en zo verdere verarming tegen te gaan. Verschillende micro-onderzoeken bevestigen deze vaststelling. Met de industrialisatie tijdens de tweede helft van de 19de eeuw zet zich op Belgisch niveau wel al een trend van afnemende huwelijksleeftijd in, maar in Vlaanderen, en zeker in de provincie Oost-Vlaanderen, blijven de waarden nog enkele decennia hoog. In de jaren 1850 is de gemiddelde waarde voor Vlaanderen 29,7 jaar[10]. Sommigen wijten dit aan historisch-culturele factoren. Deze culturele benadering, waarin de heersende huwelijkscodes centraal staan, wint de laatste tijd aan belang[11]. Het Oost-Vlaamse Assenede bedraagt de gemiddelde huwelijksleeftijd bij het eerste huwelijk voor de periode 1841-50 26,5 jaar bij de vouwen en 30,5 jaar bij de mannen[12]. In 1900 is dat respectievelijk 26 en 29,2 jaar[13]. Ook hier blijft het patroon van hoge huwelijksleeftijd dus doorheen de 19de eeuw overeind.

Over 45 vrouwelijke en 33 mannelijke cohorteleden kan ik met zekerheid zeggen dat zij minstens één keer trouwen. Dus op zijn minst 69,2% van de vrouwen en 50,8% van de mannen die op hun 20ste nog in beeld zijn brengen een deel van hun leven door als gehuwd persoon[14]. Van 42 vrouwen en 32 mannen is ook geweten wanneer dat eerste huwelijk plaatsvindt. De gemiddelde huwelijksleeftijd bij het eerste huwelijk bedraagt bij de vrouwelijke cohorteleden 28,6 jaar. Bij de mannelijke is dat 31,6 jaar. Verdeeld over vijfjaarlijkse leeftijdsfases ziet de verspreiding van het aantal huwelijken per leeftijd er als volgt uit:

 

Tabel 4.4. Cohorteleden: leeftijd bij eerste huwelijk

 

v

m

20-24

10

1

25-29

17

11

30-34

9

12

35-39

4

6

39+

2

2

 

De meeste vrouwen huwen de eerste maal tussen hun 25ste en 29ste, de meeste mannen tussen hun 30ste en 34ste. Bekeken vanuit bovenstaande historische schets is dit niet verwonderlijk.

Bron: bevolkingsregisters/huwelijksakten

In een maatschappij waar de economische omstandigheden sterke invloed uitoefenen op de leeftijd bij het eerste huwelijk is het niet ondenkbaar dat de beroepssituatie van de ouders die huwelijksleeftijd ten dele bepaalt. Voor 39 vrouwelijke en 30 mannelijke cohorteleden is de huwelijksleeftijd en het beroep van minstens één van de ouders gekend. Wanneer het beroep van de vader gekend is (66 van de 69 gevallen), gebruik ik die vermelding, ook al is de vader reeds gestorven. Het beroep van de moeder is immers enkel gekend via de bevolkingsregisters en daar kent men aan die vrouwen meestal het beroep van hun echtgenoot toe, als zij als niet als ‘huisvrouw’ vermeld staan. Het beroep van de vader is nauwkeuriger weergegeven en ken ik ook uit de geboorteakten en de kiezerslijsten.

 

Tabel 4.5. Cohorteleden: eerste huwelijksleeftijd volgens beroep vader

beroepscategorie vader

Nv

Leeftijdv

Nm

Leeftijdm

landbouw

4

26,3

9

35,1

arbeid

23

29,1

13

34,5

ambacht/nijverheid

9

26,2

6

28,5

handel/dienst

3

29,6

2

31

Bron: geboorteakten/kiezerslijsten/bevolkingsregisters/huwelijksakten

 

Op de indeling van de beroepen in categorieën, zoals in deze tabel, kom ik in de eerste paragraaf van Hoofdstuk 5 terug. Onderzoeken leren dat de ‘hogere’ socio-economische groepen tijdens de 19de eeuw gemiddeld iets later huwden dan de lagere[15]. Vooral boeren zouden laat huwen, terwijl ongeschoolde arbeiders het vroegst zouden trouwen. Uit nevenstaande tabel blijken hier toch enige  afwijkingen van dit algemene beeld aan de orde te zijn. Vooreerst is duidelijk dat dochters van landbouwers en ambachtslui gemiddeld iets vroeger huwen dan het totale gemiddelde. Arbeidersdochters en dochters uit de gediversifieerde tertiaire sector huwen iets later. Er lijkt voor de meisjes dus eerder een omgekeerd patroon aan de orde. Bij de mannen ligt het nog anders. De waarden voor landbouwers- en arbeiderszonen liggen hoger dan de leeftijden uit de andere groepen. Aangezien de meeste werklui vermoedelijk ook in de landbouw werkzaam zijn, kan ik grofweg stellen dat zonen uit de primaire sector later huwen dan diegene uit de secundaire en tertiaire sector.

Het feit of men al dan niet als dienstbode werkzaam is voor het huwelijk doet daarbij voor de mannen weinig ter zake. Voor de 13 vrouwen die voor hun huwelijk als bode werken, bedraagt de gemiddelde eerste huwelijksleeftijd 29,5 jaar. Dat is iets hoger dan het algemene gemiddelde en zou kunnen wijzen op een invloed. De tendens is echter te zwak om hierover uitspraken te doen. Voor de 7 mannen in deze situatie is dat 31,8 jaar. Het cijfer van de mannen komt dus overeen met het algemene gemiddelde. Bij de mannen beïnvloedt het al dan niet werken als dienstbode de huwelijksleeftijd schijnbaar niet.

 

Of men al dan niet geletterd is, schijnt voor de vrouwen weinig invloed te hebben op hun huwelijksleeftijd. Een vrouwelijk cohortelid dat kan schrijven huwt gemiddeld op 28,3 jaar. Een ongeletterd iemand op 28,3 jaar. Bij de mannen is er wel een klein verschil: wie niet geletterd is, huwt gemiddeld op 30,8 jaar, terwijl het cijfer voor degenen die kunnen lezen en schrijven 32,25 bedraagt. Mannen met een grotere intellectuele bagage huwen dus iets later.

 

Bij acht eerste huwelijken is de partner van de vrouwelijke cohorteleden een weduwnaar. Dit komt neer op 18,2% van het aantal geattesteerde eerste huwelijken bij de vrouwelijke populatie. Dit is een normaal cijfer: door een daling van de sterfte stijgt het aantal zuiver eerste huwelijken tijdens de tweede helft van de 19de eeuw van ongeveer 66 naar ongeveer 80%[16]. In zeven gevallen is het beroep van de ouders bekend. Het gaat om vier dochters van werklui, twee dochters uit de tertiaire sector en een onwettig kind van een spinster. Aangezien werklui het grootste deel van de bevolking uitmaken, kan ik uit deze kleine aantallen niet besuiten dat er een zekere band zou bestaan tussen beroep en de burgerlijke staat van de eerste mannelijke huwelijkspartner. Vier keer is de vrouw jonger dan 30, vier keer ouder dan 34. Vanuit deze cijfers kan men dus ook niet besluiten dat er een verband is tussen de huwelijksleeftijd en het feit dat men met een weduwnaar huwt. Wanneer men echter kijkt naar de zuivere eerste huwelijken dan valt op dat slechts in 2 van de 36 gevallen een vrouw nog trouwt wanneer ze 35 is of ouder, terwijl dat bij de huwelijken met een weduwnaar in de helft van de gevallen gebeurt. Bovendien noteer ik de oudste leeftijd bij het eerste huwelijk (47 jaar) ook in deze laatste groep. Bij de zuivere eerste huwelijken is de oudste bruid 42. Natuurlijk kan ik op basis van acht gevallen geen sluitende uitspraken doen, maar er lijkt mij toch een tendens aanwezig waarbij vrouwen vooral kiezen voor een huwelijk met een weduwnaar wanneer zij de gebruikelijke huwbare leeftijd bijna gepasseerd zijn zonder een jonge partner te vinden. Dat zou een indicatie kunnen zijn dat het huwelijk voor een vrouw van groot belang is om zich te kunnen handhaven op het platteland. Historici hebben er immers al op gewezen dat jonge vrouwen niet vrijwillig een huwelijk aangaan met iemand die meestal behoorlijk wat ouder is dan zijzelf (in 6 van deze 8 gevallen is de man meer dan 10 jaar ouder dan de vrouw)[17]. Het platteland biedt weinig kansen voor alleenstaande vrouwen. Er is vooral nood aan mannelijk dienstpersoneel. Vrouwen die niet aan een huwelijk toekomen, zijn vaak genoodzaakt hun heil te zoeken in de stad, waar meer nood is aan vrouwelijke bodes. Om dat te vermijden kunnen ze ook kiezen voor een huwelijk met een weduwnaar. Dat biedt hen in de meeste gevallen meer zekerheid dan een verbintenis met een jeugdige jonkman. Het voorbeeld van Viergenie Van Laere (Id 234) is het meest extreme voorbeeld van hoe een vrouw haar onzekere bestaan als alleenstaande kan omgooien tot een meer zeker, zelfs welvarend leventje door het huwelijk met een weduwnaar. Viergenie is de jongste van vier onwettige kinderen. Haar moeder is spinster. Deze situatie lijkt alles behalve gunstig te zijn. Toch leert Viergenie lezen en schrijven. Om een inkomen te garanderen, gaat zij als dienstmeid aan de slag in verschillende steden. Zij is al bijna 48, en kan dus bijna bij de ‘definitief celibatairen’ geklasseerd worden, wanneer ze in Gent toch nog huwt met de rijke Asseneedse slachter Eduard Dumez. Eduard was voordien al getrouwd. De twee keren terug naar Assenede, waar ze de rijkere groepen van de samenleving vervoegen. Het is toch wel opmerkelijk dat een vrouw met dergelijke achtergrond een partner uit de siociale topklasse vindt, zeker wanneer men nog opmerkt dat de man bij het huwelijk pas 38 was en dus ook vrij makkelijk een jong meisje had kunnen huwen. Een factor die de toenadering mogelijk vergemakkelijkte, is het feit dat Eduard in tegestelling tot Viergenie niet geletterd is en dus mogelijk ook van bescheiden afkomst is. Nochtans lijkt het eerder logisch dat iemand zo’n afkomst zou willen wegmoffelen door te huwen met een persoon met een hoge sociale positie. In dit geval is de situatie dus vooral gunstig voor Viergenie. Persoonlijke ambitie kan daarbij een rol spelen.

 

Men zou kunnen nagaan of in het derde kwart van de 19de eeuw het overlijden van de vader nog steeds invloed heeft op de huwelijksleeftijd. Zo kan men bekijken hoelang na zijn overlijden men in het huwelijk treedt. Voor deze cohorte was dit nagenoeg onmogelijk. Slechts in 49 gevallen kende ik de huwelijksdatum en het jaar van overlijden van minstens één van de ouders. In veel van deze gevallen sterft de vader lang voor het kind de huwbare leeftijd bereikt heeft, zoat degelijke vaststellingen niet aan de orde zijn. De enige opmerking die ik kan maken, is dat bij vier van de acht vrouwen van wie béide ouders bij het eerste huwelijk zijn overleden, de langstlevende ouder minder dan één jaar voor dat huwelijk sterft. Deze constatatie is echter slechts een aansporing tot verder onderzoek dienaangaande. Hetzelfde geldt voor een andere vaststelling, namelijk dat de helft van de acht vrouwen die huwen met een weduwnaar geen ouders meer heeft. Dit zou aanleiding kunnen geven tot de hypothese dat vrouwelijke wezen eerder genoodzaakt zijn met een weduwnaar te huwen dan meisjes van wie wel nog een ouder in leven is. Anderzijds moet ik wel vaststellen dat de overige 14 ouderloze vrouwen wel met een ongehuwde man trouwen. Dus ook hier kan geen uitsluitsel worden gegeven.

 

*   gemiddelde huwelijksduur, weduwschap en volgende huwelijken

 

12 vrouwen en 12 mannen overlijden tijdens hun eerste huwelijk. In 34 andere gevallen is het echter de huwelijkspartner die het eerst sterft. Dit heeft als gevolg dat de burgerlijke staat van het individu een tweede transitie doormaakt van ‘gehuwd’ naar ‘weduwe’ of ‘weduwnaar’. Ik wijs erop dat ik echtscheiding hier wegens het niet voorkomen ervan binnen de cohorte niet behandel. Van 25 huwelijken ken ik zowel de begin- als einddatum. De gemiddelde huwelijksduur wanneer de vrouw eerst sterft, of deze vrouw nu het cohortelid is dan wel de partner, bedraagt 25,5 jaar. Als het de man is die overlijdt, gebeurt dat gemiddeld na 22,4 jaar. Het grotere sterfterisico bij mannen veroorzaakt dat kleine verschil. Volgens Vandenbroeke en Matthijs duurt het gemiddelde huwelijk tot in de 19de eeuw 15 à 20 jaar[18]. De waarden voor de geboortecohorte van 1830/31 uit Assenede liggen hier toch wat boven. Een eerste verklaring is dat de medische wetenschap in de loop van de jaren 1800 vorderingen maakt met een dalend sterftecijfer als gevolg. Maar men moet ook voor ogen houden dat ik hier enkel de duur van de eerste huwelijken in rekening breng.

 

Over de gevolgen die het verlies van een partner op vlak van gezinssamenstelling, arbeid en inkomen heeft kom ik nog terug. Hier staat de timing centraal. Hoelang duurt de status van eerste weduwschap gemiddeld? Van de cohorteleden wiens eerste huwelijk met de dood van hun echtgeno(o)t(e) eindigt, kan ik er 27 nog tot hun dood volgen: 11 mannen en 16 vrouwen. Negen vrouwen en acht mannen hertrouwen niet. Van respectievelijk acht en vijf ervan ken ik de duur van hun weduw(naar)schap. Voor de vrouwen bedraagt deze gemiddeld 15,6 jaar, voor de mannen 13,6. Het verschil heeft weer te maken met de lagere levensverwachting bij de mannen: de vrouwen worden eerder weduwe en leven langer. De overige 10 personen verkiezen wel een tweede huwelijk aan te gaan. Ook van twee vrouwen die emigreren weet ik dat ze hertrouwen. Welke factoren spelen een rol in de keuze of men opnieuw een huwelijksverbintenis aangaat of niet? Vandenbroeke poneert dat hoe jonger men weduwe/weduwnaar wordt, hoe groter de kans is dat men hertrouwt[19]. Tachtig procent van de weduwen jonger dan veertig vindt een nieuwe echtgenoot. De weduwnaars van dezelfde leeftijd hertrouwen bijna allemaal en ook tussen hun veertigste en vijftigste huwt nog de helft opnieuw. Weduwen van middelbare leeftijd die hertrouwen zijn eerder uitzonderlijk. Tabel 4.6. gaat na of deze tendens zich inderdaad binnen de cohorte aftekent. De aantallen komen niet altijd overeen doordat voor sommige personen bepaalde gegevens ontbreken. Dat is het gevolg van het tijdelijk ‘spoorloos’ zijn van die personen.

 

Tabel 4.6. Leeftijd bij overlijden eerste partner en verdere evolutie burgerlijke staat

VROUW-EN

aantal

hertrouwt

hertrouwt niet

 

MANNEN

aantal

hertrouwt

hertrouwt niet

30-34

2

2

0

 

30-34

1

1

0

35-39

2

2

0

 

35-39

0

0

0

40-44

2

1

0

 

40-44

1

1

0

45-49

3

3

1

 

45-49

0

0

0

50-54

1

0

1

 

50-54

1

1

0

55-59

1

0

0

 

55-59

1

0

0

60-64

3

0

2

 

60-64

2

0

2

65-69

4

0

4

 

65-69

1

0

1

70-74

1

0

1

 

70-74

1

0

1

75-79

0

0

0

 

75-79

1

0

1

79+

0

0

0

 

79+

0

0

0

Bron: bevolkingsregisters/huwelijksakten

 

Ondanks dit gebrek is het toch duidelijk dat de resultaten van deze cohorte de stelling van Vandenbroeke ondersteunen, al ligt de grens tussen het wel en niet hertrouwen en tiental jaar later. Dat laatste vormt weer een argument voor de stelling dat weduwen het in Assenede iets beter hebben dan in de gemiddelde 19de-eeuwse rurale Vlaamse gemeente. Vrouwen die voor hun vijftigste weduwe worden, huwen nagenoeg allemaal opnieuw, nadien vindt geen van hen nog een nieuwe partner. Bij de mannen tekent zich eenzelfde tendens af met één à twee leeftijdsfases vertraging. Hier stelt zich echter het probleem dat bij het werken met één geboortecohorte het onderscheid tussen periode- en leeftijdseffecten moeilijk te maken is. De hertrouwintensiteit daalt alweer omwille van economische en culturele factoren immers fors na 1880[20], net het moment waarop de cohorteleden 50 zijn. Ik kan hier niet nagaan wat het meest doorslaggevende element is.

 

Tabel 4.7. Tijdsverloop tussen einde eerste en begin tweede huwelijk

 

v

m

min 6 maand

0

2

6 à 11 maand

2

0

12 à 17 maand

3

0

17 à 23 maand

3

0

24 maand en meer

0

1

Bron: bevolkingsregisters/huwelijksakten

 

 

 

Bij de personen die hertrouwen is de periode van weduw(naar)schap beduidend korter. In 10 van de 11 gevallen wordt binnen de twee jaar na het overlijden van de eerste partner opnieuw gehuwd. Dit fenomeen van snel hertrouwen wortelt in de historische achtergrond waarbij het zelfstandig overleven in een éénoudergezin uiterst moeilijk is[21]. Een gezin vormt immers een economisch geheel waar alle functies moeten worden ingevuld om het bedrijf draaiende te houden of een voldoende inkomen te voorzien. Vandaar ook dat vooral de jonge weduwen/weduwnaars er belang bij hebben snel een nieuwe partner te vinden. De druk van de kinderlast is bij hen het grootst omdat de kinderen nog niet of onvoldoende bijdragen aan het gezinsinkomen. Bij de vrouwen wordt gemiddeld iets later hertrouwd omdat zij een ‘tempus luctus’ in acht moeten nemen: een periode van 6 à 12 maanden na het vorig huwelijk waarbinnen men niet mocht hertrouwen[22].

Doordat het huwelijk voor vrouwen dé manier is om zich te handhaven op het platteland, en er door het restrictieve huwelijkspatroon veel ongehuwde vrouwen aanwezig zijn, kunnen de meeste weduwnaars hertrouwen met een nog ongehuwde vrouw. De drie mannelijke cohorteleden vormen hierop geen uitzondering. Vrouwen vinden in regel, gezien hun economisch ongunstige positie, minder vaak een nieuwe partner en gaan na de dood van hun echtgenoot soms in een ondergeschikte positie bij één van hun kinderen inwonen. Anderen emigreren. Als zij al een tweede man vinden, gaat het bijna altijd om een weduwnaar. In Assenede lijkt de situatie echter af te wijken. Het aandeel van de weduwen is gedurende de hele 19de eeuw beduidend hoger dan het aandeel van de weduwnaars. Ik heb al vermeld dat de mannen op het Vlaamse platteland vaker hertrouwden, maar in Assenede is het verschil tussen beide seksen wel bijzonder groot. Het aandeel van de mannen is met gemiddeld iets meer dan 3% normaal te noemen voor Vlaanderen, het aandeel van de weduwen ligt ver boven het Vlaamse gemiddelde van 5%. Blijkbaar zien minder Asseneedse weduwen zich genoodzaakt hun heil te zoeken in de stad. Ook hier kan ik weer wijzen op de functie van de gemeente als regionaal centrum. Na de teloorgang van de textielnijverheid, halen veel vrouwelijke gezinshoofden in Assenede vanaf 1866 hun inkomen uit de handel[23]. Ook de gegevens over de vrouwelijke cohorteleden die een tweede huwelijk aangaan, wijzen erop dat de positie van weduwen niet zo uitzichtloos is dan in andere rurale gemeenten. In acht gevallen is de burgerlijke staat van de nieuwe partner gekend en in de helft daarvan gaat het om een ongehuwd persoon. Of er een verband is met de leeftijd van de vrouw wordt uit deze acht voorbeelden niet duidelijk. Ook één mannelijk cohortelid huwt een weduwe. Naar het begin van de 20ste eeuw toe wordt het door het uiteenvallen van de traditionele rurale overlevingsstructuren ook voor weduwnaars moeilijker een nieuwe partner te vinden. In 1900 blijken er in Assenede bijna evenveel weduwnaars als weduwen te zijn (8,2 tegenover 9%), terwijl er tien jaar eerder nog een aanzienlijk verschil was (3,4 tegenover 6,9%)[24]. Het dichten van de kloof is vooral een gevolg van een stijging van het aantal weduwnaars bij de mannen. Aangezien de cohorteleden op dat moment al de leeftijd gepasseerd zijn waarop de meeste voor de tweede keer huwen, komt de invloed van deze ontwikkeling op de cohorte niet in aanmerking voor verder onderzoek.

 

4 vrouwen en 2 mannen sterven tijdens hun tweede huwelijk, 3 vrouwen en 1 man verliezen een tweede keer hun partner. De man, die op dat ogenblik nog maar 37 jaar oud is, huwt na een half jaar weduwnaarschap voor de derde keer. Gezien de kleine aantallen kunnen we de gegevens over tweede weduw(naar)schap en derde huwelijk niet aan statistische verwerking onderwerpen.

 

*   definitief celibaat

 

Uit het algemene overzicht van de burgerlijke staat volgens leeftijd (Tabellen 4.3. en 4.4.) blijkt dat vanaf de leeftijdsfase 50-54 nog 9 vrouwen en 2 mannen ongehuwd zijn. Men kan aannemen dat wie op zijn 50ste nog niet getrouwd is, dat ook niet meer zal doen. Dit is ook in de cohorte het geval. Ik heb reeds vermeld dat de hoogste leeftijd van een vrouwelijk cohortelid bij het aangaan van het eerste huwelijk 47 jaar is. Bij de mannen huwt de laatste vrijgezel op zijn 43ste. De elf ongehuwde personen waarop ik hier de aandacht richt vallen dus onder de categorie ‘definitief celibatairen’. Zij maken geen enkele transitie inzake burgerlijke staat door. Vanaf het einde van de 18de eeuw liggen de cijfers van het definitief celibaat in Vlaanderen hoog met 18% voor de mannen en 14,5% voor de vrouwen[25]. In de daaraan voorafgaande eeuw ligt het gemiddelde nog rond de 10%. Rond het midden van de 19de eeuw, als gevolg van de crisis, blijft meer dan 25% van de bevolking ongehuwd. De cijfers voor de mannen liggen over het algemeen hoger omdat alleenstaande mannen zich op het platteland beter kunnen handhaven dan vrouwen doordat er meer nood is aan mannelijk dienstpersoneel. Ongehuwde vrouwen emigreren vaak naar de stad waar de vrouwelijke bodes de hoofdmoot vormen. In deze populatie echter is het omgekeerde aan de orde. Bij de leeftijd 50-54 jaar is 24,3% van de dan zichtbare vrouwen niet in het huwelijk getreden, bij de mannen gaat het slechts om 8,3%. Terwijl bij de vrouwen dat aandeel tijdens de verdere fases ongeveer gelijk blijft, daalt het nog bij de mannen. Vanaf de leeftijd van 60 jaar is er geen enkel ongehuwd mannelijk cohortelid meer aanwezig. Een verklaring voor deze eigenaardigheid heb ik niet. Het zou toeval kunnen zijn. Wanneer men immers het aandeel van de ongehuwden in de totale Asseneedse bevolking bekijkt, is het aandeel van de mannen voor alle 19de-eeuwse teljaren hoger dan dat van de vrouwen[26]. Natuurlijk kan het zijn dat het vooral om erg jonge kerels gaat die nadien toch emigreren. Enkel voor 1796 zijn gegevens over het definitief celibaat in Assenede berekend[27]. Ook hier is er sprake van een ‘normale’ verhouding met 19 tot 23,9% voor de mannen en 6,3 tot 16,9% voor de vrouwen. Uit het verdere betoog inzake migratie zal blijken dat veel jonge mannelijke cohorteleden die in een buurgemeente als knecht werkzaam zijn, niet meer naar Assenede terugkeren. Het zou kunnen dat het aandeel mannelijke celibatairen in de Asseneedse bevolking vooral bestaat uit geïmmigreerde dienstknechten uit andere gemeenten. Men moet echter ook (en vooral) rekening houden met de verstoorde seksratio bij deze cohorte en algemeen in de jaren ’30. Er worden hier gewoon minder mannen gevolgd. Wanneer men er bovendien van uitgaat dat de hele mannelijke generatie uit de jaren ’30 een tekort in aantal tegenover de vrouwen bevat, is het logisch dat meer mannen trouwen en meer vrouwen ongehuwd blijven. Vier van de negen definitief alleenstaande vrouwen komen uit een landbouwersgezin, net als de twee celibataire mannen.

 

Samenvattende tabel

 

De gegevens over de wijzigingen in burgerlijke staat waarover ik tot nu toe een aantal facetten gesproken heb, zijn samen te vatten in een beperkt aantal cijfers. Tabel 4.8. tracht dit te doen ten einde de overzichtelijkheid te vergroten. Een aantal van de in de tabel genoteerde cijfers zijn in de tekst reeds vermeld. Anderen komen hier voor het eerst voor.

 

Tabel 4.8. Cohorteleden: samenvattende tabel inzake burgerlijke staat

 

 

 

v

m

% dat ooit huwt

31,3

26,4

% dat ooit huwt van degenen die op hun 20ste nog in beeld zijn

69,2

50,8

gemiddelde huwelijksleeftijd bij eerste huwelijk

28,6

31,6

% huwelijken eindigend in weduwschap

46,3

37,1

% huwelijken eindigend in overlijden

22,2

34,3

% huwelijken met onbekend einde

31,5

28,6

gemiddelde leeftijd bij weduwschap

55,4

56,5

aantal huwelijken per huwend persoon

1,2

1,1

% verweduwden dat hertrouwt

40,9

30,7

gemiddelde huwelijksleeftijd bij hertrouw

41,8

45,5

gemiddelde duur van een huwelijk

26,4

28

gemiddelde duur van een weduwschap

8,7

9,2

% van het leven ongehuwd doorgebracht van degenen die op hun 20ste nog in beeld zijn[28]

64,4

67,7

% van het leven gehuwd doorgebracht van degenen die op hun 20ste nog in beeld zijn

30,2

28,3

% van het leven in weduwschap doorgebracht van degenen die op hun 20ste nog in beeld zijn

5,4

3,9

Bron: BR, HA, OA

 

 

 

2.b. burgerlijke staat en gezin

 

*   burgerlijke staat en verbondenheid met het gezin van oorsprong

 

Dit overzicht van de burgerlijke staat per geslacht en leeftijd was nodig om het verdere onderzoek naar huwelijk, gezin en migratie te kaderen. Ik heb al herhaaldelijk vermeld dat ik op zoek ga naar verbanden tussen en combinaties van verschillende transities.

 

Aangezien de interactie tussen individu en gezin hier een cruciale rol vervult, ga ik eerst op zoek naar de invloed van de burgerlijke staat op het verlaten van het ouderlijk huis of ruimer: op het (eventuele) loskomen van de familie van geboorte. Alter ontwikkelde een hiërarchisch categorieënsysteem dat het mogelijk maakt dit te onderzoeken[29]. Hij deelt de gezinnen waarin de door hem onderzochte vrouwelijke populatie vertoeft op in een zestal categorieën. Niet het gezinstype staat bij deze indeling centraal, maar wel de situering van de vrouw binnen het gezin. De categorieën zijn in aflopende volgorde: ‘parent present’, ‘sibling present’, ‘other kin’, ‘nonkin’, ‘solitary’, ‘servant’ en ‘spouse/own child’. De volgorde van de categorieën is belangrijk. Als er minstens één ouder in het gezin aanwezig is, wordt de persoon opgenomen in de eerste categorie, ongeacht eventuele andere verwante inwoners. Is er een broer of zus aanwezig, naast andere inwoners, dan catalogeert men de persoon in de tweede categorie, enzovoort. In de categorieën zijn drie subgroepen te onderscheiden. De eerste twee categorieën vormen de groep waarin vrouwen wonen bij leden van hun gezin van oorsprong. Personen in de derde tot en met de vijfde categorie wonen bij verre verwanten of in niet-familiale verbanden. De derde groep valt samen met de laatste categorie: personen die enkel met hun zelfgevormde gezin samenleven. Ik heb dit categorieënsysteem in licht aangepaste vorm overgenomen. Ik word immers geconfronteerd met cohorteleden die een deel van hun leven in een instelling voor zwakzinnigen of in een klooster doorbrengen. De cijfers liggen soms lager dan die in het overzicht van de burgerlijke staat per leeftijd. de oorzaak hiervan is dat sommige personen slechts gedeeltelijk uit de bronnen verdwijnen. Ik ken op een bepaald ogenblik bijvoorbeeld wel hun burgerlike staat, maar niet hun  gezinssituatie. Ik werk hier weer met reële persoonsjaren tot op een half jaar nauwkeurig.

Tabel 4.9. Gezinsverbanden per geslacht, burgerlijke staat en leeftijd

V ONGEHUWD

15-19

20-24

25-29

30-34

35-39

40-44

45-49

50-54

55-59

60-64

65-69

70-74

75-79

79+

TOT

ouder(s) aanwezig

267

195,5

131

63,5

7,5

2

0

0

0

0

0

0

0

0

666,5

broer/zus aanwezig

5

7

4,5

21

40

41

40,5

27,5

26

26

23

15,5

6

3

286

verwanten aanwezig

5

3

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

5

11,5

24,5

inwoners aanwezig

5

4,5

4,5

5

5

4

3,5

0

2,5

4

5

5

5

6,5

59,5

solitair

0

0

0

0

0

0

0

3,5

1,5

5

4

0

0

0

14

in dienstverband

55

79

31,5

15,5

7,5

5

1

1

1

0

0

0

0

0

196,5

nageslacht aanwezig

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

in klooster

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

1

0

0

0

1

TOTAAL

337

289

171,5

105

60

52

45

32

31

35

33

20,5

16

21

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

V GEHUWD

15-19

20-24

25-29

30-34

35-39

40-44

45-49

50-54

55-59

60-64

65-69

70-74

75-79

79+

TOT

ouder(s) aanwezig

0

1,5

1,5

5,5

15

15

1

5

5

0

0

0

0

49,5

99

broer/zus aanwezig

0

0

0

0

10

10

10

0

0

0

0

0

0

30

60

verwanten aanwezig

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

inwoners aanwezig

0

3,5

12

23,5

36

33

26

10

6

15

15

1

 

181

362

solitair

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

in dienstverband

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

nageslacht aanwezig

0

10

53

74,5

76

73

78,5

99,5

90

68

24,5

12

2

661

1322

in klooster

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

TOTAAL

0

15

66,5

103,5

137

131

115,5

114,5

101

83

39,5

13

2

0

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

WEDUWE

15-19

20-24

25-29

30-34

35-39

40-44

45-49

50-54

55-59

60-64

65-69

70-74

75-79

79+

TOT

ouder(s) aanwezig

0

0

0

0

0

0

4

4,5

5

4

0

0

0

0

17,5

broer/zus aanwezig

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

verwanten aanwezig

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

inwoners aanwezig

0

0

0

0

0

0

0

0

0

4

4

10,5

10

13

41,5

solitair

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

in dienstverband

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

nageslacht aanwezig

0

0

0

2,5

3

1,5

2,5

3,5

5

10

19

17

17

17

98

in klooster

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

4

4

TOTAAL

0

0

0

2,5

3

1,5

6,5

8

10

18

23

27,5

27

34

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

M ONGEHUWD

15-19

20-24

25-29

30-34

35-39

40-44

45-49

50-54

55-59

60-64

65-69

70-74

75-79

79+

TOT

ouder(s) aanwezig

214

161,5

117

38

12

3

0

0

0

0

0

0

0

0

545,5

broer/zus aanwezig

10

15

11

0

5

5

5

5

5

0

0

0

0

0

61

verwanten aanwezig

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

inwoners aanwezig

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

solitair

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

in dienstverband

99,5

85

45,5

19

8

2

0

0

0

0

0

0

0

0

259

nageslacht aanwezig

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

in klooster

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

TOTAAL

324

261,5

173,5

57

25

10

5

5

5

0

0

0

0

0

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

M GEHUWD

15-19

20-24

25-29

30-34

35-39

40-44

45-49

50-54

55-59

60-64

65-69

70-74

75-79

79+

TOT

ouder(s) aanwezig

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

broer/zus aanwezig

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

verwanten aanwezig

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

inwoners aanwezig

0

 

7,5

24,5

52

44

33

13

11,5

2

2,5

2,5

0

0

192,5

solitair

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

in dienstverband

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

nageslacht aanwezig

0

0,5

19,5

60,5

48

67,5

72

80

74,5

69

49

16,5

7,5

2

566,5

in klooster

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

TOTAAL

0

0,5

27

85

100

111,5

105

93

86

71

51,5

19

7,5

2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

WEDUWNAAR

15-19

20-24

25-29

30-34

35-39

40-44

45-49

50-54

55-59

60-64

65-69

70-74

75-79

79+

TOT

ouder(s) aanwezig

0

0

0

0

0

0

1

2

0

0

0

0

0

0

3

broer/zus aanwezig

0

0

0

0

0

0

0

2,5

5

0

0

0

0

0

7,5

verwanten aanwezig

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

inwoners aanwezig

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

solitair

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

in dienstverband

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

nageslacht aanwezig

0

0

0

0,5

0,5

0,5

0

4

5

9

17

20,5

21

4

82

in klooster

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

2

2

TOTAAL

0

0

0

0,5

0,5

0,5

1

8,5

10

9

17

20,5

21

6

 

 

Een eerste zaak die in het oog springt, is dat weinig ongehuwden het ouderlijk gezin verlaten. Vooral bij de vrouwen is dit opvallend: 79,2% woont tussen haar 15de en 20ste nog bij de ouders en tot en met hun 34ste  zakt dit aandeel niet onder de helft. Naarmate het aandeel in de eerste categorie daalt, neemt dat in de tweede toe, wat er op wijst dat na de dood van de ouders de ongehuwde vrouwen gewoon bij de overblijvenden uit het ouderlijk gezin blijven wonen. Dit is wel opmerkelijk: meestal gaat men niet bij een gehuwde broer of zus inwonen, maar blijven een aantal ongehuwde broers en zussen in het ouderlijk huis samenwonen. Die samenlevingsvorm noemt men een frèreche. Dit fenomeen bekijk ik even aan de hand van de personen zelf. In de leeftijdsgroep 45-49 wonen 7 van de 10 ongehuwden in de categorie ‘broer/zus’ in een dergelijk verband. Twee van die vrouwen zijn zussen die in dezelfde frèreche leven. De vrouwen die in een frèreche leven komen uit een tappers-, molenaars- en onderwijzersgezin, en vier keer uit een landbouwersgezin. Ook de drie eerst vermelden bezitten een landbouwbedrijf van minstens enkele hectaren. De drie vrouwen die wel bij een gehuwde broer inwonen zijn werksters. Naarmate de mortaliteit ook daar zijn tol eist, gaat men over naar samenlevingsvormen met inwonenden. Tijdens de eerste (16,3%) en vooral de tweede leeftijdsfase (27,3%) leeft ook een niet onaanzienlijk deel van de vrouwen in dienstverband. Bij de ongehuwde mannen is dat aandeel echter veel groter. Tussen hun 15de en 20ste brengen de cohorteleden bijna de helft van hun leven door in dienstverband. Tussen hun 20ste en 25ste gaat het zelfs om ruim de helft.  De mannen gaan dus ook al iets vroeger in dienst dan de vrouwelijke cohorteleden. Zij verlaten dus vroeger en in grotere getale dan de vrouwen, het ouderlijk gezin.  Uit de bevolkingsregisters blijkt dat mannelijke dienstboden, net zoals hun vrouwelijke ‘collega’s’ af en toe een tijdje naar het gezin van oorsprong terugkeren, maar dat gebeurt minder en voor kortere tijd. Naarmate meer mannen huwen en verdwijnen, neemt het aandeel van de dienstboden af. De overige mannelijke vrijgezellen wonen ook in bij hun ouders. Mannen die na hun 39ste nog ongehuwd zijn blijven net zoals de vrouwen inwonen bij hun broers en zussen nadat de ouders zijn overleden. In dit (kleine aantal) gevallen wonen zij wel allemaal in bij een gehuwde broer of zus, dit in tegenstelling tot de ongehuwde vrouwen.

 

Het huwelijk blijkt een doorslaggevende factor te zijn in de beweging weg van het ouderlijk gezin. Ook hier is die trend sterker voor de mannen dan voor de vrouwen. Meer dan tweederde van de gehuwde vrouwen woont doorgaans enkel samen met haar zelfgevormde gezin, eventueel met het nodige dienstpersoneel. Het huwelijk valt dus veelal samen met de vorming van een eigen gezin. Daarmee vormt de cohorte een type-voorbeeld van deze koppeling die typisch is voor West-Europa[30]. Toch is er nog een kleine groep bij wie minstens een persoon uit het ouderlijk gezin inwoont. Een iets groter aandeel als dit laatste  woont samen met andere inwonenden. Tussen de leeftijd van 35 en 45 zijn er wel ongeveer evenveel persoonsjaren met inwoners uit het ouderlijk gezin als met niet-verwante inwoners geteld. Soms gaat het om verwanten van de echtgenoot. Bij de andere inwoners kan niet direct een verwantschap worden vastgesteld. In de leeftijdsfase 35-44 jaar komt het grootste aandeel inwonenden voor, of deze nu familie van het cohortelid zijn of niet. Ook tijdens de voorgaande en volgende leeftijdsfase blijft het aandeel van de kerngezinnen lager dan in de andere periodes. Een mogelijke verklaring is dat de proefpersonen op dat moment hun bejaarde ouder(s) of ongehuwde zussen/broers opvangen. Anderzijds kunnen deze inwonenden, vooral tijdens de meest opvallende fase 35-44, ook bijdragen aan het gezinsinkomen op het moment dat het eigen gezin enkel nog maar opgroeiende kinderen telt die nog niet beroepsactief zijn. Deze opmerking doet denken aan de opvatting uit de traditionele gezinssociologische hoek van Chris Vandenbroeke, die meent dat een landbouwersgezin personeel aantrekt ter compensatie van een gebrek aan kinderen[31]. Aldus zou een gezin het minste bodes hebben wanneer het gezinshoofd van middelbare leeftijd is, terwijl voordien en nadien wel wordt aangeworven. Personeel wordt hier evenwel niet in rekening gebracht. Dat gebeurt pas in hoofdstuk 5. Het lijkt mij echter aannemelijk dat gezinnen de voorkeur geven aan inwonende verwanten en kennissen boven dienstbodes om een aanvulling te bekomen op het gezinsinkomen. Aan inwonend personeel heeft men immers meer kosten zodat hun bijdrage wellicht minder rendeert. Er kan hier dus sprake zijn van overwegingen in verband met de kosten-batenbalans. Van Holen wijst op basis van de bevolkingsregisters en telling van 1846 en 1880 nochtans het verband tussen het aantal inwonenden en de gezinscyclus af[32]. Hij maakt evenwel geen onderscheid tussen de burgerlijke staat van de gezinshoofden. Nochtans maakt de samenstelling van het gezin, bijvoorbeeld een of het frèreche-structuur heeft dan wel gebaseerd is op een gehuwd koppel, een groot verschil uit. In zijn verwerking en betoog is ook niet vermeld welk aandeel de gezinnen op basis van gehuwde koppels uitmaken, terwijl Vandenbroeke enkel uitgaat van gehuwde koppels. Hier blijkt de tendens van toenemende inwoning rond de middelbare leeftijd ook enkel aanwezig bij gehuwde personen, zodat ik het nog steeds plausibel acht dat de inwoners bij een gehuwd koppel voor een aanvulling op het gezinsinkomen worden ingeschakeld. Bij de gehuwde mannen die enkel met hun eigen gezin samenwonen valt dit patroon nog meer op. Dat blijkt ook uit Grafiek 4.1., die op basis van Tabel 4.9. tot stand is gekomen. De curve van de gezinnen met inwoners kent vooral een piek vóór de cohorteleden 50 jaar worden, terwijl de kerngezinnen veel langer belangrijk blijven. Opvallend is dat het altijd om niet-verwante inwoners gaat. Meestal zijn deze inwonenden wel familie van de echtgenote. Hoewel het dus ook bij vrouwen om een minderheid gaat, is er bij hen toch een duidelijker tendens van langdurige gebondenheid aan het gezin van oorsprong te bespeuren. Wanneer er inwonenden zijn, gaat het vaak om familieleden van de vrouw.

 

 

Zowel weduwen als weduwnaars vertonen sterk de neiging om na de dood van hun partner enkel bij hun kinderen in te wonen. Voor de 20ste eeuw was dat in Westerse samenlevingen een heel gebruikelijk patroon, is gebleken uit andere levenslooponderzoeken[33]. Nochtans hebben traditionele gezinshistorici zich eeuwenlang blind gestaard op de zogenaamde ‘empty nest’ fase van het gezin. Voor de weduwen lijkt de inwoning bij kinderen echter enkel te gelden wanneer er nog kinderen thuis wonen. Dat blijkt wanneer ik de gegevens per persoon bekijk. In alle gevallen waarin nog minstens één kind thuiswoont, blijft de moeder bij de kinderen wonen. Bij zeven van die vrouwen ken ik door de vermelding in de bevolkingsregisters de positie waarin zij dan verkeren. In zes gevallen blijft de weduwe gezinshoofd. In één geval (Id 167) woont zij in een ondergeschikte positie in bij een gehuwde dochter. Van de vijf weduwen die in totaal zijn geattesteerd in andere categorieën, hebben er drie geen kinderen. Van de twee overige zijn de kinderen al het huis uit wanneer de vrouw weduwe wordt. Twee vrouwen zonder kinderen komen in een permanent ondergeschikte positie terecht. De andere drie blijven gezinshoofd. Dit is nog een indicatie dat het met de positie van Asseneedse weduwen zo slecht niet is gesteld als gemiddeld op het Vlaamse platteland. Ik heb immers al vermeld dat de meeste Vlaamse weduwen in een ondergeschikte positie binnen het gezin terechtkomen. In het geval van deze cohorte gaat het slechts om een minderheid. Bij de mannen heeft enkel de persoon die bij zijn moeder inwoont geen kinderen. Bij de geattesteerden in de tweede categorie gaat het om weduwnaars die samen met andere inwonenden bij hun kinderen leven. Van zeven weduwnaars is de positie binnen het gezin gekend. De man die bij zijn moeder woont en de persoon in het klooster leven in een ondergeschikte positie. Al de rest die, met of zonder andere inwonenden, bij hun kinderen wonen zijn gezinshoofden. Eén van deze mannen raakt wel in een ondergeschikte positie wanneer zijn laatste kind het huis verlaat.

 

Aanvullend bij dit onderzoek naar de gezinssamenstelling volgens burgerlijke staat, zou het relevant zijn na te gaan of zich bij de ouders een gelijkaardige cyclus van inwoning  voordoet als bij de (gehuwde) kinderen dan wel of er geen verband is tussen de gezinssamenstelling van de ouders en die van hun kinderen. Over het ouderlijk gezin beschik ik echter maar over informatie voor zover het cohortelid er in aanwezig is. En aangezien er duidelijk een evolutie kan optreden in de gezinssamenstelling volstaat deze fragmentaire info niet voor een vergelijking.

 

*   burgerlijke staat en het krijgen van kinderen

 

De burgerlijke staat van de ouders is bepalend voor de status van hun kinderen. De wetgeving gaat er van uit dat het krijgen van kinderen samengaat met het gehuwd zijn. Een kind dat buiten het huwelijk wordt geboren betitelt men als ‘onwettig’ en ontbeert een aantal rechten. Vanzelfsprekend geldt de term niet wanneer de vrouw tijdens haar zwangerschap weduwe is geworden. De studie van de onwettigheid is één van de weinige demografische terreinen waarvoor de onderzoeker over meer informatie beschikt voor de vrouwen dan voor mannen of beter: bijna uitsluitend beschikt over informatie voor vrouwen. Wel kan men nagaan of het kind na geboorte door de vader wordt erkend als zijnde het zijne zonder dat daarbij tot een huwelijk wordt overgegaan dan wel of het wordt gewettigd door een huwelijk van de ouders. Een gelijkaardig onderzoeksgebied is dat van de prenuptiale concepties. Van prenuptiale concepties spreekt men wanneer het kind geboren wordt binnen de eerste acht maanden van het huwelijk. Hier kan men zowel vrouwen als mannen aan een onderzoek naar hun voorhuwelijks seksueel gedrag onderwerpen.

 

In wat volgt zal ik eerst de onwettigheid van de cohorteleden bespreken. Over de mogelijke prenuptiale conceptie van de eerstgeborenen onder hen kan ik geen uitspraken doen aangezien de huwelijksdatum van de ouders niet in de geraadpleegde bronnen voorkomt. Nadien zal ik trachten een beeld te schetsen van het aantal onwettige kinderen van cohorteleden evenals van het aantal pre- en postnuptiale concepties.

 

15 cohorteleden komen als onwettigen op deze wereld. Dat komt neer op 5,6% van de totale populatie. Dat is een normaal cijfer want het aantal onwettige geboorten stijgt in het derde kwart van de 18de eeuw op het Vlaamse platteland van 1% naar 6 à 7% van het totale aantal geboorten[34]. De pauperisatie, die een latere huwelijksleeftijd met zich meebrengt, speelt hier sterk in mee. Het gaat om 13 onwettige moeders want in twee gevallen wordt een tweeling geboren. Nog in twee gevallen erkent de vader het kind onmiddelijk na de geboorte en wordt het kind na enkele maanden door een huwelijk van de ouders gewettigd. Van één moeder van een onwettig kind is de leeftijd niet gekend. Héél jonge vrouwen vind ik bij de onwettige moeders niet terug, maar vanaf de leeftijd van 25 jaar zijn ze wel aanwezig. De gemiddelde leeftijd bij de geboorte van hun kind is 30,8 jaar. Dit cijfer ligt dus iets hoger dan de gemiddelde huwelijksleeftijd in Vlaanderen. Dit ondersteunt de stelling van onder andere Vandenbroeke dat het restrictieve huwelijkspatroon risicovol gedrag bij jongeren in de hand werkte[35].

 

Tabel 4.10. Moeders onwettige cohorteleden: leeftijd

 

N

20-24

0

25-29

6

30-34

4

35-39

0

39+

2

Bron: bevolkingsregisters/huwelijksakten

 

Verder onderzoek in de bevolkingsregisters leverde de opmerkelijke vaststelling op dat ten minste drie van de alleenstaande moeders reeds één of meerdere onwettige kinderen hadden voor de geboorte van het cohortelid. Ik zeg “ten minste” omdat ik enkel de gezinnen van de nog levende onwettige cohorteleden heb opgezocht en dat zijn er slechts vier. Dit illustreert dan weer duidelijk dat het niet evident is om getrouwd te raken en dat dit feit pijnlijk contrasteert met de nood aan bevrediging van de seksuele behoeften.

 

Tabel 4.11. Cohorteleden: (on)wettigheid kinderen

 

Nv

% v

Nm

% m

onwettige geboorte

5

17,24

2

6,9

prenuptiale conceptie

6

20,69

7

24,14

postnuptiale conceptie

18

62,07

20

68,97

totaal

29

100

29

100

Bron: bevolkingsregisters/huwelijksakten

 

 

 

 

 

Wanneer het om het voorhuwelijks seksueel gedrag van de cohorteleden zelf gaat, ken ik in 58 gevallen de status van het eerste kind. Dit blijkt uit nevenstaande tabel 4.11. In deze tabel verreken ik personen met om het even welke burgerlijke staat. Ook tweede en derde huwelijken worden in rekening gebracht. Tussen 1840 en 1890 stijgt het aandeel onwettige geboorten nog tot 7 à 9%, met vooral een hoogtepunt rond 1875[36]. Van vijf vrouwen kan ik vaststellen dat zij een onwettig kind krijgen. In één geval wordt het kind na ongeveer anderhalf jaar gewettigd door een huwelijk. In een ander geval is de vrouw al een paar jaar weduwe en wettigt haar nieuwe echtgenoot het kind na drie maanden. Eén vrouw krijgt twee onwettige kinderen. Het tweede kind dat haar naam draagt wordt echter al geboren wanneer de vrouw is gehuwd. Waarschijnlijk is haar echtgenoot dus niet de vader van die boreling. Ook in een ander geval huwt de vrouw met een man zonder dat het kind zijn naam gaat dragen. De vierde vrouw emigreert wanneer haar nakomeling twee jaar is. Bij de mannelijke cohorteleden zijn er drie personen die via een huwelijk een onwettig kind wettigen. Dat het percentage onwettigen bij de mannen lager ligt, heeft enkel te maken met het feit dat bij niet erkende kinderen de vader onbekend blijft, terwijl wel alle onwettige moeders in beeld te dedecteren zijn. De wettiging gebeurt in één geval ook nadat het kind meer dan een jaar oud is. In het tweede geval wordt er na 3 maanden gehuwd. Aanvullend wil ik meegeven dat ook drie mannen huwen met een vrouw die een onwettig kind heeft. Eén man die huwt met een vrouw die al één kind heeft uit een eerder huwelijk geeft zijn naam aan dat kind. Uit deze kleine aantallen kan ik moeilijk verdere besluiten trekken.

In het onderzoek naar de prenuptialen stel ik vast dat in 12 van de 59 gevallen sprake is van een prenuptiale conceptie. Men maakt onderscheid tussen geboorten binnen de drie maand na het huwelijk (geprovoceerd), tussen de vier en vijf maand  na het huwelijk (geavanceerd) en tussen de zes en acht maand na het huwelijk (gepland)[37]. Geprovoceerde huwelijken zouden plaatsvinden doordat de zwangerschap zich voordoet zonder dat de partners vooraf iets hebben gepland. Geavanceerde zouden wijzen op huwelijken die worden vervroegd omwille van de zwangerschap en geplande gaan gewoon door op de voorziene datum. Voor deze cohorte noteer ik vijf geprovoceerde, zes geavanceerde en één gepland huwelijk. Bij de twee geprovoceerde eerste huwelijken van vrouwen ligt de leeftijd van die vrouwen bij het huwelijk (gemiddeld 24 jaar) lager dan bij drie overige eerste huwelijken (28,7). De aantallen zijn hier alweer veel te klein om representatief te zijn, maar het lijkt mij niet onwaarschijnlijk dat geprovoceerde huwelijken inderdaad meer bij jongere vrouwen voorkomen aangezien de gemiddelde huwelijksleeftijd hoog ligt.

 

Vandenbroeke verklaart de stijgende cijfers voor zowel onwettigen als prenuptialen in de 19de eeuw door te verwijzen naar de discrepantie tussen de economische situatie die een restrictief huwelijkspatroon veroorzaakt en de bevrediging van seksuele behoeften bij jongeren[38]. Naast de jaarlijkse aandelen van de onwettigen, liggen immers ook deze van de prenuptiale concepties erg hoog: jaarlijkse waarden van 30 tot 40% zijn normaal, rond 1870-1880 zijn zelfs waarden van 50% geen uitzondering. Dankzij deze cijfers krijgt men volgens hem inzicht in het voorhuwelijks seksueel gedrag. Men moet daarbij nog rekening houden met een onderschatting van de realiteit aangezien niet elk seksueel contact ‘gevolgen’ heeft. Blijkbaar werd lang niet voldaan aan de religieuze eis om te wachten met seks tot na het huwelijk. Wanneer een seksuele verhouding uitdraait op een zwangerschap wordt in de meeste gevallen wel tot een huwelijk overgegaan. Dat blijkt uit het de hogere waarden van de prenuptialen ten overstaan van de onwettigen. Ook na de geboorte wordt nog een aantal kinderen gewettigd. Meisjes konden zich al aan een seksuele relatie wagen als een huwelijk in het vooruitzicht werd gesteld.

De cijfers voor mijn geboortecohorte wijken enigzins af van degene die Vandenbroeke oppert voor het Vlaamse platteland. Het percentage onwettige geboorten ligt in de populatie beduidend hoger, terwijl de prenuptiale concepties minder aanwezig zijn dan gemiddeld het geval is.  De cijfers zijn dan ook ietwat anders van aard. Vandenbroeke berekent per jaar het aandeel van de onwettigen en prenuptialen ten opzichte van het totaal aantal eerste geboorten. Ik neem het totaal aantal eerste geboorten binnen de cohorte als ijkpunt, ongeacht het moment waarop deze geboorten plaatsvinden. In Zwevegem, een West-Vlaamse vlasgemeente, ligt het aantal onwettige kinderen voor de vrouwelijke generatie van 1830/31 lager en valt het binnen de ‘normale’ cijfers met 7,7%[39]. Het aantal prenuptialen ligt er ook veel lager: er is er slechts één geattesteerd.

 

Ik wil het onderzoek naar onwettige en prenuptiaal geconcipieerde kinderen verder verfijnen door de leeftijd van het cohortelid bij de geboorte van het eerste kind zowel voor de maritale als buitenhuwelijkse concepties te bekijken.

 

Tabel 4.12. Cohorteleden: leeftijd bij geboorte eerste kind

 

v

m

onwettige geboorte

28,5

28

prenuptiale conceptie

26,8

30

postnuptiale conceptie

34,6

33,7

 

Ik bekijk enkel de leeftijden voor ongehuwden en de personen binnen het eerste huwelijk. De gegevens over weduwen en tweede huwelijken zijn zo miniem dat een relevante interpretatie van de gegevens niet mogelijk is. De gemiddelde leeftijd van de vrouwen waarbij het kind voor het huwelijk wordt verwekt, ligt het laagst. Hierboven heb ik ook reeds gewezen op het leeftijdsverschil tussen de vrouwen die een geprovoceerd, dan wel een geavanceerd of gepland huwelijk aangaan. Vrouwen die een onwettig kind baren zijn iets ouder. Ik wil ook herinneren aan de vrij hoge leeftijd van de moeders van onwettige cohorteleden bij de geboorte van dat cohortelid. Daar lag de waarde nog hoger, maar sommige van die vrouwen hadden zoals gezegd voordien reeds onwettige kinderen. Het is dus waarschijnlijk dat ‘oudere’ zwangere vrouwen makkelijker in de steek worden gelaten. Alter verklaart dit vanuit de vaststelling dat “older women had less bargaining power in the marriage market and a greater need to take risks.[40] De gemiddelde leeftijd bij de groep van de postnuptiale concepties ligt erg hoog. Wanneer men de transities echt in de ‘gepaste’ volgorde doormaakt, moet men blijkbaar lang wachten met seksuele activiteiten. Ook hier ligt de oorzaak bij het restrictieve huwelijksptroon. Maar wellicht geven de cijfers een enigzins vertekend beeld. Uit het verdere betoog zal immers blijken dat een aantal vrouwen die op vrij jonge leeftijd huwen vlak na het huwelijk de gemeente verlaten, zodat ik geen idee heb van de geboortedatum van hun eerste kind. De cijfers die ik hier voor de mannelijke cohorteleden meegeef, zijn eerder illustratief. Over de mannen kan men immers geen vaste conclusies trekken aangezien het vaderschap niet steeds bekend is. Toch valt ook hier op dat de binnenhuwelijkse verwekkingen op latere leeftijd voorkomen. Dit alles ondersteunt de stelling dat de buitenhuwelijkse betrekkingen door het restrictieve huwelijkspatroon in de hand worden gewerkt.

 

Ter afronding van dit punt ben ik voor de vrouwelijke cohorteleden nagegaan of de gezinssamenstelling ten tijde van de geboorte van het eerste kind enige invloed uitoefent op het al dan niet krijgen van een onwettig of prenuptiaal geconcipieerd kind. Er lijken echter geen duidelijke verbanden te zijn: zowel onwettige moeders als moeders van voorhuwelijkse en maritaal verwekte kinderen komen zowel voor in dienstverband als in gezinnen met één of twee ouders. Het lijkt erop dat er wel een relatie bestaat tussen de partnerkeuze en het hebben van een onwettig kind: bij de prenuptiale concepties huwt geen enkele vrouw voor de eerste keer met een weduwnaar, bij de postnuptiale is dat slechts in 2 van de 16 gevallen wel zo. Maar twee van de drie huwende onwettige moeders huwen met een weduwnaar. Alweer zijn de aantallen te klein om conclusies te trekken, maar rekening houdend met wat we hierboven reeds hebben gezien over de positie van ongehuwde vrouwen, zou het niet onlogisch zijn dat ongehuwde moeders eerder hun heil bij een weduwnaar moeten zoeken.

Drie van de vier onwettige moeders komen uit een werkmansgezin. Eén is geletterd en dienstmeid. Zij vinden nog een partner. Een naaister komt uit een slagersfamilie en emigreert na een aantal jaar alleen met haar kind naar de stad. Een werkman en een hoefsmid legitimeren een kind door met de moeder te huwen. Bij de prenuptiale concepties noteer ik drie keer een werkmansdochter.  Twee keer is ze ongeletterd. Eén vrouw is meid. Verder zie ik twee geletterde dochters uit de voedingssector en een geletterde landbouwersdochter. Drie vaders van prenuptiaal geconcipieerde kinderen zijn geletterde landbouwers. Drie keer gaat het om een werkmanszoon, waarvan een dienstbode. Eén werkman is geletterd. De laatste an deze vaders is een geletterd kleermaker (Id 255). Dat is wellicht de reden voor zijn vroege huwelijk

 

2.c. fertiliteit

 

Over de geboorte van het eerste kind, een zeer belangrijke mogelijke transitie tijdens een mensenleven, heb ik het nu dus uitgebreid gehad. Een aantal andere aspecten betreffende de benutting van de vruchtbaarheid, binnen of buiten het huwelijk, komen hier aan bod. Ook hier ligt de nadruk weer op het vrouwelijke deel van de cohorte aangezien de vruchtbaarheid van een vrouw wijzigt gedurende haar levensloop, terwijl de vruchtbaarheid van een volwassen man geen grondige wijzigingen ondergaat.

De redenen waarom koppels aan vruchtbaarheidsbeperking doen, kunnen zeer uiteenlopend van aard zijn. Men kan het kinderaantal inperken omdat men de overheveling van het bezit ongeschonden wil laten verlopen of omdat een extra mond voeden de overleving van het gezin in het gedrang brengt. Anderzijds betekent een groot kinderaantal na enige tijd ook een grote aanwezigheid van arbeidspotentieel. Ook niet-economische factoren kunnen hebben meegespeeld. In rijkere middens kan het bijvoorbeeld zijn dat de vrouw haar aantrekkelijkheid voor de man niet in het gedrang wil brengen door haar lichaam af te peigeren via vele zwangerschappen.

 

*   Stopping of spacing?

 

Uit de hoge gemiddelde leeftijden bij de geboorte van het eerste kind blijkt reeds dat de vruchtbaarheid van de vrouw allerminst optimaal benut wordt. Er wordt immers aangenomen dat de meest vruchtbare jaren van een vrouw zich tussen haar 20ste en 24ste situeren[41]. Nadien neemt de vrouwelijke fertiliteit geleidelijk af tot ze de steriliteit ongeveer rond het 40ste à 42ste levensjaar bereikt. Wetende dat de gemiddelde leeftijd van de vrouwelijke cohorteleden bij de geboorte van hun eerste kind 31,7 jaar bedraagt, kan men stellen dat men gemiddeld maar een tiental jaar van de vruchtbare periode meer benut. Op die manier wordt het aantal kinderen al duidelijk beperkt. In de gevallen waar geen prenuptiale conceptie heeft plaatsgevonden wacht men bovendien na de huwelijkssluiting nog even voor men aan kinderen begint. Wanneer het kind na het huwelijk is geconcipieerd, wordt het gemiddeld na 19 maanden geboren. De vraag blijft of men ook de verdere vruchtbare periode nog wel benut dan wel of men op grote schaal ‘stopping’ toepast. Wanneer verder geen enkel gedrag op te merken is dat de bedoeling kan hebben het kinderaantal in te perken, spreekt men van een natuurlijke vruchtbaarheid[42]. Om de vraag te kunnen beantwoorden bekijk ik per vrouwelijk cohortelid op welke leeftijd zij haar laatste kind krijgt. Enkel de bevolkingsregisters kunnen mij hierover informeren. Alleen die vrouwen die tot hun 49ste in deze bron in beeld zijn komen in aanmerking. Dat zijn er 22. Al deze cohorteleden zijn gehuwd. Dat wijst erop dat het voor ongehuwde moeders nog moeilijker is te overleven op het 19de eeuwse platteland dan voor celibataire vrouwen zonder kinderen. Vier onwettige moeders huwen immers na een korte periode als alleenstaande ouder. De vijfde vrouw emigreert. Omdat ik hier dus enkel gehuwde vrouwen kan bestuderen (een weduwe krijgt nog wel een kind, maar hertrouwt kort daarna), kan ik hier ook de echtgenotes van de mannelijke cohorteleden in rekening nemen als deze vrouwen tot hun 49ste gevolgd worden. Dat zijn er 21. Het werken met (iets) grotere aantallen verhoogt immers de representativiteit. Deze echtgenotes krijgen hun eerste kind gemiddeld op de leeftijd van 29,2 jaar. De leeftijden waarop het laatste kind wordt gebaard schommelen bij de vrouwelijke cohorteleden tussen 29 en 49 en bij de echtgenotes tussen 35 en 44 met respectievelijke gemiddelden van 40,3 en 41,3. De modus bedraagt in beide gevallen 43. Zowel bij de cohorteleden als bij de echtgenotes komt vier keer een leeftijd onder de veertig voor. In één geval is dat omdat de mannelijke partner overlijdt, maar in de overige kan geen oorzaak worden aangegeven. Het zou kunnen dat in die gevallen bewust ‘contraception par arrêt’ is toegepast, maar in de meerderheid van de gevallen ziet men toch dat men binnen het huwelijk de volledige vruchtbare periode van de vrouw benut.

 

Natuurlijk kan ook binnen deze periode het aantal geboorten beperkt worden doordat men tussen twee opeenvolgende geboortes ruime intervallen aanhoudt. Deze vorm van geboortebeperking betitelt men als ‘spacing’[43]. De methode is pas effectief  wanneer een gemiddeld interval van minstens 48 maanden wordt aangehouden[44]. Ook een gemiddeld interval van 31 à 48 maanden zorgt nog voor een zekere verlaging van de vruchtbaarheidsbenutting. Middenlange intervallen tussen 19 en 30 maanden bieden geen rem op de vruchtbaarheid. Personen of gezinnen bij wie het gemiddeld interval tussen twee opeenvolgende geboorten 18 maanden of minder bedraagt, zijn bijzonder vruchtbaar. Eén van de manieren om het interval tussen de geboortes te vergroten, is het geven van borstvoeding. De lactatie zorgt immers voor tijdelijke steriliteit. Bij een vrouw die geen borstvoeding geeft, kan al na 3 à 4 maanden een volgend kind verwekt worden[45]. Wanneer wel borstvoeding wordt gegeven is dat pas na 18 à 20 maanden. Ook coïtus interruptus en verlaagde coïtusfrequentie zijn methoden om het kinderaantal te beperken. Tabel 4.14. toont het aantal attestaties voor elke categorie van intervallen.

 

Tabel 4.13. Cohorteleden: interval tussen geboortes kinderen

interval

N

tot N intervals

%

0-18

72

217

33,18

19-30

92

217

42,40

31-48

41

217

18,89

48+

14

217

6,45

Bron: bevolkingsregisters[46]

 

 

 

 

Voor deze tabel zijn alle vrouwelijke cohorteleden opgenomen met minstens twee kinderen die in het bevolkingsregister van 1866-80 en eventueel in latere registers voorkomen, alsook de huwelijkspartners van de mannelijke cohorteleden die aan dezelfde voorwaarden voldoen[47]. Veertig vrouwen komen in aanmerking. Dat sommige van deze vrouwen voor hun 49ste emigreren of overlijden vormt hier geen bezwaar. De leeftijd waarop men het laatste kind baart, kwam immers zonet nog aan bod. De leeftijd waarop men voor het eerst een kind krijgt, is wel voor alle personen gekend. Voor 263 geboortes kon ik in totaal 217 intervallen berekenen. De lezer moet er wel rekening mee houden dat de bevolkingsregisters enkel de levendgeborenen vermelden. Aangezien de inwoners drie dagen de tijd hebben om een geboorte aan te geven, is het niet ondenkbaar dat ook kinderen die vroeger sterven, niet zijn opgetekend. Deze borelingen vormen slechts een minderheid en het algemene beeld zal niet lijden onder hun afwezigheid. Op individueel vlak echter brengt het ontbreken van doodgeborenen een vertekening van de grootte van het interval met zich mee. Deze tabel ordent het totaal aantal gekende intervallen, zonder rekening te houden met de persoon voor wie ze zijn berekend. Korte en middellange intervals maken driekwart van het totale aantal uit. ‘Contraceptieve’ intervallen vormen een minieme minderheid. Blijkbaar wordt ook ‘spacing’ in Assenede in het derde kwart van de 19de eeuw niet op grote schaal toegepast. De (huwelijks)vruchtbaarheid blijft dus hoog. Ik wil er dan ook aan herinneren dat tot 1871 (ongeveer het tijdstip waarop de vrouwelijke cohorteleden de steriliteit bereiken) hoge geboortecoëfficiënten worden genoteerd voor de gemeente en hoge waarden van huwelijksvruchtbaarheid in Vlaanderen. Toch zijn er op het Vlaamse platteland ook gemeenten waar de vrouwen geboren in 1830 wel blijk geven van toegepaste ‘spacing’. Verhaeghe noteert een gemiddeld interval van maar liefst 37,4 maanden voor de cohorte uit het West-Vlaamse Zwevegem[48]. Het is wel zo dat voor die cohorte de leeftijd waarop de vrouw haar eerste kind krijgt gemiddeld lager ligt dan voor mijn cohorte: namelijk 28,4 tegenover 31,7 jaar[49]. De Zwevegemse vrouwen neigen ook meer naar stopping dan de Asseneedse: de gemiddelde leeftijd bij de geboorte van het laatste kind bedraagt er 38,8 jaar tegenover 40,3 in Assenede[50].

 

Om een beter zicht te krijgen op de factoren die invloed uitoefenen op de periode tussen twee bevallingen, volstaat het niet elk interval als losstaand geheel te beschouwen. Per vrouw bereken ik daarom het gemiddeld interval tussen twee geboortes. De geordende resultaten zijn weergegeven in Tabel 4.14.

 

Tabel 4.14. Cohorteleden: gemiddeld interval tussen geboortes kinderen per vrouw

G interval per vrouw

N

Nvrouwen

%

0-18

1

40

2,5

19-30

26

40

65

31-48

11

40

27,5

48+

2

40

5

Bron: bevolkingsregisters

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik achtte het geoorloofd dit te doen aangezien de intervallen per vrouw, op enkele uitzonderingen na, doorgaans van een gelijkaardige grootteorde zijn. Als er al grote schommelingen zijn voor een bepaalde vrouw, valt daar geen evolutie in te zien die verband zou kunnen houden met leeftijd. Wanneer een intermediaire fase als weduwe invloed heeft op de gemiddelde lengte van de intervals, moet ik er wel melding van maken. Hier zijn er twee vrouwen (Id 117 en 143) bij wie dit het geval is. De periode tussen de geboorte van het laatste kind binnen het eerste huwelijk en het daaropvolgende kind duurt langer dan de andere intervals. Ik kan mijn indeling echter niet wijzigen van ‘gemiddeld per vrouw’ naar ‘gemiddeld per huwelijk’ omdat één van deze vrouwen tussendoor een onwettig kind krijgt. Het gemiddelde interval wijzigt bovendien niet drastisch. Enkel bij Tabel 4.18. de gegevens voor Marie Theresia Mechelinck (Id 143) opgesplitst omdat zij tijdens haar eerste huwelijk en daarna een verschillend beroep uitoefent.

Uit Tabel 4.15. blijkt dat meer dan tweederde van de vrouwen een middellang interval aanhoudt. Ook de de lange intervallen zijn goed vertegenwoordigd. Dat de weinig vruchtbare vrouwen een kleine minderheid vormen, zal rekening houdend met Tabel 4.14 niemand verbazen. Dat Victoria Lietaer (Id 134) met een gemiddeld kort interval een uitzondering is, kan wel enige verwondering wekken. De korte intervallen maken immers een derde van het totaal aantal intervallen. Het is echter zo dat bijna voor elke vrouw wel een paar keer een kort interval te noteren valt, maar deze intervallen maken steeds een kleine minderheid uit op het totale aantal per vrouw. Victoria geeft dan ook slechts het leven aan twee kinderen, zodat ik maar over één interval beschik. Hoewel de idee van explosieve vruchtbaarheid dankzij Tabel 4.15 wordt getemperd, valt het ook hier op dat van ‘spacing’ nauwelijks sprake is.

 

Het is natuurlijk wel mogelijk dat de toepassing van stopping of spacing gelimiteerd blijft tot bepaalde categorieën van vrouwen. Mogelijke factoren van invloed zijn de volgende. Vrouwen die hun eerste kind op jonge leeftijd krijgen, kunnen het uiteindelijke kinderaantal nog beperken door de intervallen tussen de geboortes lang te houden of door voortijdig de seksuele activiteit te staken. Binnen bepaalde beroeps- en inkomensgroepen kan de nood aan geboortebeperking groter zijn dan in andere. Zo is er de opvatting dat er op de grotere landbouwbedrijven meer kinderen worden voortgebracht, zodat er minder nood is aan personeel. Over de samenhang tussen verschillen in vruchtbaarheid en beroeps- en sociale klasse bestaat echter nog heel wat discussie[51]. Algemeen neemt men aan dat de hogere sociale klassen het eerst aan geboortbeperking doen en dat deze tendens zich verspreidt over de rest van de bevolking. Verschillende West-Europese micro-studies wijzen echter op een grote regionale diversiteit. Over de oorzaken bestaat nog een grotere tweedracht: net zoals bij verklaringen over de eerste huwelijksleeftijd volstaat een louter economische noch een louter culturele verklaring. Een laatste mogelijke factor is van geografische aard. Geboortebeperking via spacing wordt vooral bewerkstelligd door een langdurige zoogperiode. Op Belgisch niveau tekent zich in dat verband een grote verscheidenheid af, waarbij de polderregio’s zich kenmerken door kortere geboorte-intervallen dan in de rest van het land. In deze regio’s komen grotere landbouwbedrijven voor. De vrouwen moeten daardoor buitenshuis werken waardoor langdurig toedienen van borstvoeding niet mogelijk is. In het sterk versnipperde binnenland werkt de vrouw vooral thuis, zodat de overschakeling op koemelk zich minder vlug opdringt. De lokaliteit Assenede omvat zoals gezegd zowel een open polder- als versnipperd zandgebied, zodat ook binnen de gemeente geografische verscheidenheid niet uit te sluiten is. Tabellen 4.15. tot 4.17. gaan na of al deze veronderstellingen zich effectief weerspiegelen in de intervallen tussen de geboortes en in de leeftijd waarop de vrouw het laatste kind baart.

 

Tabel 4.15. Cohorteleden: stopping en spacing volgens leeftijd bij geboorte eerste kind

L1

N

G interval per vrouw

minimum

maximum

G leeftijd laatste kind[52]

20-24

7

25,88

18,54

32,82

41,8

25-29

17

29,08

19,01

53,74

43,21

30-34

9

27,78

18,57

50,23

40,63

35-39

6

26,45

16,96

37,28

42

39+

1

29,82

29,82

29,82

_

Bron: bevolkingsregisters

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tabel 4.16. Cohorteleden: stopping en spacing volgens wijk

 

wijk

N

G interval per vrouw

minimum

maximum

G leeftijd laatste kind

Dorp

23

27,38

16,96

41,2

42,2

Kapelle/Polders

10

28,67

18,54

53,74

43,6

Muikem

2

42,82

35,41

50,23

42

Staak

2

21,43

19,42

23,44

42

Triest

3

22,97

18,77

27,2

41,5

Bron: bevolkingsregisters

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tabel 4.17. Cohorteleden: stopping en spacing volgens beroepscategorie

beroepscategorie

N

G interval per vrouw

minimum

maximum

G leeftijd laatste kind

landbouw

8

31,13

18,54

50,23

42,14

arbeid

23

28,12

19,42

71,4

40,53

ambacht/nijverheid

6

25,35

16,96

41,2

40,83

handel/dienst

4

25,83

18,57

38,57

42

Bron: alle nominatieve lijsten

 

 

 

 

 

Zowel de leeftijd waarop men het eerste kind krijgt als de wijk waar men woont lijken geen grote invloed te hebben op de toepassing van spacing of stopping. De schommelingen tussen de waarden zijn miniem en als ze er zijn, houden ze op het eerste zicht geen verband met de indelingscriteria. Enkel de indeling naar beroep laat zien dat de ambachtelijken en personen uit de sector handel/en diensten hun kinderen sneller na elkaar krijgen dan landbouwers. Bij de landbouwers zorgen echter vooral de hoge waarden uit Muikem voor het grote gemiddelde. De werklui zitten ergens tussenin. Ik heb daar geen verklaring voor. De wijk Muikem valt wel op door de toepassing van ‘contraceptieve’ intervals, maar de aantallen zijn te klein om hieruit besluiten te trekken. Het toepassen van geboortebeperking en de manier waarop men dit doet lijkt op basis van deze vaststellingen vooral een (zeldzame) individuele keuze te zijn. Wellicht werd dan voor één van beide mogelijkheden gekozen. Van de 40 vrouwen die in bovenstaande tabellen aan bod komen, past enkel de begoede Coleta Stroobandt (Id 188) contraception par arrêt toe, als zij tenminste later geen doodgeborene meer baart: haar laatste levende kind wordt geboren wanneer ze 37 is. Van spacing lijkt geen sprake. Omgekeerd wordt in de gevallen waar wel enigzins sprake is van spacing, geen stopping genoteerd.

 

Het toepassen van stopping wordt door velen als cruciaal gezien voor de 19de eeuwse ‘fertility decline’[53]. Spacing zou eerder een overgangsvorm zijn. Maar daarover staat er geen eensgezindheid. In sommige gemeenten zouden dergelijke praktijken al vroeger voorkomen. In Assenede blijkt dat althans bij deze cohorte niet het geval te zijn. Enkel de huwelijksleeftijd zet een belangrijke rem op het kinderaantal. Er is dus sprake van een natuurlijk vruchtbaarheidspatroon. Op gemeentelijk niveau en ook in de cohorte is niet enkel huwelijksuitstel een belangrijke vorm om de vruchtbaarheid te controleren, maar ook huwelijksafstel. Dergelijk patroon waarbij niet binnen maar via het huwelijk aan vruchtbaarheidsbeheersing wordt gedaan is volgens Matthijs discriminerend[54]. Het betekent immers dat niet iedereen dezelfde kans krijgt om te huwen. In praktijk krijgen de eerstgeborenen de beste kansen.

 

*   kinderaantal

 

Uit het voorgaande kan de lezer afleiden dat het kinderaantal per vrouw of gezin bij deze cohorte vooral gelimiteerd wordt door de hoge huwelijksleeftijd. Ondanks het grote aandeel onwettigen bij de eerstgeboren kinderen, wordt de overgrote meerderheid van het totale aantal kinderen toch binnen het huwelijk op de wereld gezet. Daarbij laten de cohorteleden  met kinderen over het algemeen de natuur zijn vrije gang gaan. Hiermee rekening houdend, wil ik nu overgaan naar een studie van het gemiddeld aantal kinderen per vrouw en per huwelijk. Vrouwen en koppels die emigreren of verdwijnen voor de vruchtbare periode van de vrouw ten einde is, komen hier niet in aanmerking omdat ik voor deze personen niet het totale kinderaantal ken. Voor 49 vrouwen en 57 huwelijken ken ik het aantal kinderen. Er bevindt zich onder de vrouwelijke cohorteleden geen enkele ongehuwde, want geen van de celibataire vrouwen krijgt een kind. De gemiddelde waarden van het aantal kinderen per vrouw en huwelijk bedragen respectievelijk 5,2 en 4,9. Breng ik ook de 11 ongehuwde vrouwen in rekening  dan bedraagt de gemiddelde waarde per vrouw 4,3. De gemiddelde waarde per vrouw ligt hoger dan die per huwelijk omdat verschillende huwelijken vroegtijdig worden afgebroken door het overlijden van één van de partners. Eenzelfde persoon kon dan ook verschillende keren huwen. Daarom is het ook belangrijk een onderscheid te maken tussen de twee.

Het gemiddeld aantal kinderen per huwelijk ligt behoorlijk wat lager voor deze geboortecohorte dan voor de cohorte uit Zwevegem (6,3)[55], hoewel men in die gemeente meer contraceptieve praktijken toepaste. De verklaring hiervoor ligt niet enkel in de gemiddeld hogere leeftijd waarop men bij de Asseneedse cohorte het eerste kind krijgt, maar ook in het feit dat maar liefst 10 van de hier bekeken huwelijken kinderloos blijven (17,5%). Het gaat om 7 van de 49 gehuwde vrouwen. Dat komt neer op 14,3%. Dit is een opmerkelijke vaststelling die om verder onderzoek vraagt. Twee van de tien kinderloze huwelijken worden afgesloten na de vruchtbare periode van de vrouw[56]. In de andere acht gevallen gaat het telkens om geletterde vrouwen die gehuwd zijn met een man die tot de middenklasse of de rijkere klasse behoort[57]. Elk van de echtgenoten is immers minstens één keer teruggevonden op de belastingslijsten. Zeven van hen oefenen bovendien een beroep uit in de secundaire of tertiaire sector. De gelijkenissen zijn te groot om aan te nemen dat het om toeval gaat. Ook van de zeven gevallen waarin wel stopping werd vastgesteld oefenen vier gezinshoofden en secundair of tertiair beroep uit[58]. Drie van hen komen minstens één keer op de fiscale lijsten voor. Het lijkt mij enigzins logisch dat in rijke landbouwmiddens de traditionele vorm van geboortebeperking, namelijk enkel door huwelijksuitstel (zie ook de hogere huwelijksleeftijd bij boerenzonen), langer blijft doorleven dan in andere economische sectoren. Het restrictieve patroon is immers gegroeid vanuit de agrarische structuren en nieuwe zaken zoals stopping worden ook pas bij hen op grote schaal toegepast naar het einde van de 19de eeuw. De middenlagen van de secundaire en tertiaire sector gaan echter verder dan toepassing van contraception par arrêt. In plaats van de seksuele activiteiten te staken wanneer het gewenste kinderaantal omwille van redenen zoals verdeling van de eigendom, levenskwaliteit en dergelijke, is bereikt, lijken zij er gewoon niet aan te beginnen. Het zou kunnen dat hier de eerste tekenen van de verburgerlijking al aan het licht komen. Dit proces gaat bij het begin van de 20ste eeuw invloed uitoefenen op brede lagen van de bevolking en houdt een afwijzing van de spontane seksualiteitsbeleving in[59]. Deze ‘preutse’ houding ontstaat bij de 18de- eeuwse burgerij en blijft lange tijd tot deze groep beperkt. Maar blijkbaar treft men in een regionaal centrum zoals Assenede in de tweede helft van de 19de eeuw in bepaalde middens ook al personen aan voor wie de seksualiteitsbeleving eerder een last dan een lust betekent.

 

Toch blijkt dat ook enkel het uitstellen van de geboorte van het eerste kind al belangrijk kan zijn in de beperking van het aantal kinderen. In Tabel 4.18. zijn alle vrouwen (cohorteleden en echtgenotes) met minstens één kind opgenomen die tot hun dood of minstens tot hun 49ste gevolgd zijn. In de eerste kolom geef ik de leeftijd weer waarop men het eerste kind ter wereld brengt weer. Voor elke leeftijdsgroep bereken ik het gemiddeld aantal kinderen dat de geattesteerde vrouwen baren en geef ik het minimum en maximum aantal kinderen per vrouw mee.

 

Tabel 4.18. Cohorteleden: aantal kinderen per vrouw volgens leeftijd bij geboorte eerste kind

L1

Nv

G aantal kinderen per vrouw

minimum

maximum

20-24

6

11,6

8

12

25-29

22

6,2

3

13

30-34

11

5,1

1

9

35-39

5

3,3

2

6

39+

1

2

2

2

Bron: bevolkingsregisters

 

 

 

 

De leeftijd waarop een vrouw voor het eerst een kind krijgt, lijkt, naast de bovenstaande steriele huwelijken die slechts bij een beperkte groep cohorteleden voorkomen en de weinige gevallen van stopping, dé bepalende factor voor het totale kinderaantal. De vrouwen die binnen hun meest vruchtbare periode al een kind baren, krijgen opvallend meer kinderen dan de oudere vrouwen. Nadien neemt het aantal kinderen per vrouw duidelijk omgekeerd evenredig af met de leeftijd. De Asseneedse cohorte van 1830/31 houdt dus nog vast aan een natuurlijk patroon waarbij huwelijksuitstel de belangrijkste manier is om een teveel aan kinderen te vermijden. Dat is niet zo verwonderlijk als men er rekening mee houdt dat de dalende huwelijksvruchtbaarheid, die vanaf de jaren 1870 in België voelbaar is, zich het laatst doorzet in de provincies Oost-en West-Vlaanderen. Pas rond 1900-10 zijn de contraceptiva er wijdverspreid en effectief[60]. Daarom behelpt men zich voor deze periode met bovengenoemde spacing- en stoppingtechnieken. Maar ook deze methodes zetten zich pas echt door vanaf het einde van de 19de eeuw[61]. Hoewel de traditionele Asseneedse manier wel enigzins zijn vruchten afwerpt (vergelijk aantal kinderen per huwelijk met Zwevegem), kan zij toch niet verhinderen dat in het derde kwart van de 19de eeuw vooral de hoge geboortecijfers verantwoordelijk zijn voor de groeiende bevolking van de gemeente.

 

Bij een verdere analyse van het kinderaantal per beroepsgroep verwacht ik geen andere opvallende  verschillen meer. Het doorvoeren van stopping en zeker van spacing lijkt immers niet in een rechtstreeks  verband met de beroepsactiviteit te staan. Het is immers gebleken dat enkel wat betreft huwelijksleeftijd enige diversiteit optreedt. Ook voor de personen uit de secundaire en tertiaire sector kan vanuit het fenomeen van de steriele huwelijken een lager gemiddelde worden verwacht dan in landbouwers- en werkersgezinnen. Ik bekijk in Tabellen 4.19 en 4.20. enkel het aantal kinderen per huwelijk. Alle huwelijken mét of zonder kinderen, waarvan de vrouw tot haar dood of haar 49ste is gevolgd, zijn hier verwerkt. In de tweede tabel bekijk ik de geografische diversiteit: tellen de poldergezinnen meer kinderen? Dat is mogelijk omdat de grote bedrijven daar meer arbeidsinzet vragen. Hoe groter het eigen gezin, hoe minder men beroep moet doen op personeel of inwonenden.

 

Tabel 4.19. Cohorteleden: aantal kinderen volgens beroep

 

beroep

N

G aantal kinderen per huw

minimum

maximum

landbouw

11

6

0

12

arbeid

24

6,24

1

13

ambacht/nijverheid

15

3,8

0

10

handel/diensten

8

2,75

0

7

Bron: alle nominatieve lijsten

 

 

 

Tabel 4.20. Cohorteleden: aantal kinderen volgens wijk

 

wijk

N

G aantal kinderen per huw

minimum

maximum

Dorp

32

4,75

0

13

Kapelle/Polders

15

6,5

0

12

Muikem

4

2,5

0

5

Nieuwburg

1

4