| Armeniërs zonder land of een land zonder Armeniërs. De Belgische houding in de Volkenbond over de Armeense kwestie, 1919-1928. (Sita Vreeling) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Status quaestionis
De Armeense problematiek is vandaag de dag erg actueel. Met de mogelijke toetreding van Turkije tot de Europese Unie, raken de gemoederen verhit. Eén van de voorwaarden van deze toetreding is immers het erkennen van de Armeense genocide. Dat de meeste Turken hiermee niet akkoord gaan, wordt ten dele verklaard door de Turkse historicus Halil Berktay. Hoewel de genocide net na de Eerste Wereldoorlog werd erkend door de Geallieerden en zelfs aan Turkse zijde, veranderde dit met de oprichting van de Turkse republiek onder Mustapha Kemal. Sinds de jaren ’70 proberen de Armeniërs hun rechten, al dan niet op gewelddadige wijze, op te eisen. Hierdoor werd een kwestie opgerakeld die door Kemal in de doofpot was gestopt. Een nieuwe natie als Turkije wilde in de jaren ‘20 immers met een min of meer schone lei beginnen. De meeste Turken, die eigenlijk nooit over de volkerenmoord hadden gehoord, waren verontwaardigd over de Armeense eisen tot erkenning. Het Europees Parlement, dat de Armeense genocide al erkent sinds 1987, vindt dat het echter tijd is dat Turkije de genocide erkent. De toetreding en de herdenking op 24 april 2005, 90 jaar na de genocide, zorgen er echter wel voor dat het taboe van de Armeense massamoord bespreekbaar wordt in Turkse kringen.[1]
De Armeense genocide
Wat gebeurde er nu precies in 1915? Er bestaat een hele literatuurlijst aan werken over de genocide die ofwel de gruwelen bespreken of ze botweg ontkennen. Lange tijd kende men enkel de uitspraak van Adolf Hitler die hij eind 1939 of begin 1940 zou gedaan hebben over wat de Poolse joden te wachten stond: ‘Wie, tenslotte, herinnert zich nog de vernietiging van de Armeniërs?’[2] Eigenlijk moeten we dieper graven, tot aan het einde van de negentiende eeuw, wanneer de eerste bloedbaden plaatsvonden. De Armeniërs leefden toen verspreid in Rusland, Perzië en het Ottomaanse Rijk[3]. In het Turkse Rijk leefden de meeste Armeniërs (in de provincies of villajets[4] Erzerum, Mamours-ul-Aziz, Bitlis, Diarbekir en Van[5]), zowel in de steden als in de ‘historische gebieden’. De Armeniërs van deze laatste gebieden leefden van het land en hadden te kampen met zware belastingen en jaarlijkse plunderingen door Koerdische nomaden. De stedelijke Armeniërs leefden van de handel, industrie en de administratie. Ze genoten het vertrouwen van de Ottomanen en er waren maar weinig problemen.[6]
De situatie veranderde toen het Russische Rijk zijn positie wilde verstevigen in het Ottomaanse Rijk. Tijdens de Russisch-Turkse oorlog van 1877-1878 hadden Armeense officieren in het Russische leger gediend en deze probeerden de Armeniërs zo ver te krijgen dat ze in opstand kwamen tegen het Turkse beleid. Er ontstonden Armeense nationalistische en revolutionaire bewegingen. Toen de nationalisten zich niet meer gesteund zagen door de Russische tsaar die vreesde voor revoluties in eigen land, gingen de revolutionaire bewegingen ondergronds, overvielen ze Turkse belastingsontvangers en moordden ze moslimdorpen uit. Het leidde zelfs tot een opstand van de Armeense bevolking in 1894 te Sasun, in de buurt van het Van-meer. De Turken stuurden daarop een leger en de revolutionairen vluchtten naar de bergen, terwijl ze in hun terugtocht moslimdorpen plunderden. De moslims reageerden furieus en slachtten de Armeense bevolking af.
De Ottomaanse regering probeerde de zaak in de doofpot te stoppen, maar Europa kreeg in de gaten dat er meer aan de hand was dan het onderdrukken van een opstand. De publieke opinie wilde dat er actie werd ondernomen tegen het Turkse Rijk, in verschillende parlementen werd gesproken over de onrechtvaardigheid van het hele gebeuren[7], maar de Europese regeringen wilden geen oorlog ontketenen. Er werden commissies naar Sasun gestuurd om te onderzoeken wat er werkelijk gebeurd was. De werkzaamheden van deze commissie werden helaas bemoeilijkt en haar resultaten werden in twijfel getrokken. De ongeregeldheden tussen Armeniërs en moslims bleven aanhouden. De Armeense terroristen overvielen in 1896 zelfs de Ottomaanse bank in Constantinopel en gijzelden er meer dan honderd werknemers. Er braken onlusten uit in de stad toen revolutionaire eenheden in het wilde weg begonnen te schieten. De moslims vermoordden daarop iedere Armeniër die ze tegenkwamen in Constantinopel. Het was onduidelijk of sultan Abdul Hamid II op de hoogte was van de acties van de Armeense revolutionairen of dat hij de lagere klassen had laten bewapenen. In ieder geval stierven zo’n 5 à 6000 Armeniërs in Constantinopel. De wraakgolf zette zich echter verder en tienduizenden Armeniërs werden vermoord in Anatolië.
De Europese publieke opinie kwam opnieuw in actie en dankzij de invloed van de Europese grootmachten beloofde de sultan hervormingen door te voeren in de Armeense provincies. De publieke opinie in België sympathiseerde volledig met de Armeniërs. Tijdens de vele lezingen die aan het einde van de negentiende eeuw werden gehouden werd er steeds beroep gedaan op de christelijke solidariteit om de Armeense zaak te steunen.[8] De officiële documenten van ambassades spraken van zo’n 30000 moorden in de verschillende villajets, veel vaker kwam het cijfer ‘aantal onbekend’ naar voren.[9] Uiteindelijk zouden er ongeveer 200000 Armeniërs het leven laten in deze periode. Vele Armeniërs sloegen op de vlucht, langs wegen waar de lijken nog steeds onbegraven lagen.[10] Er blijven wel vele vragen open: over de tussenkomst van de Europese grootmachten en over de inspanningen van de Turkse regering in het doen ophouden van de ongeregeldheden.[11] In 1909 werd de villajet van Adana[12] nog uitgemoord. Alleen zijn hier geen gegevens bekend over het dodenaantal.[13] De kwestie doofde langzaamaan uit, maar flakkerde in alle hevigheid weer op met het aanbreken van de Eerste Wereldoorlog.[14]
Tijdens de Eerste Wereldoorlog koos het Turkse Rijk de kant van Duitsland. De Jong-Turken, ook wel gekend als het ‘Comité voor Eenheid en Vooruitgang’[15], hadden in 1908 de sultan afgezet. Ze zagen het Ottomaanse Rijk uiteenvallen en wilden het land moderniseren. Al gauw werd duidelijk dat het Turkse Rijk niet was opgezet met de vermeende sympathie van de Armeniërs voor de Geallieerden of voor Rusland. In 1914 namen de Jong-Turken al de eerste antichristelijke maatregelen.[16] Na enkele opstanden werden op 24 april 1915 honderden leden van de Armeense elite zonder proces terechtgesteld in Constantinopel. Deze dag werd sindsdien beschouwd als de begindatum van de volkerenmoord.[17] Verschillende Europese landen tekenden officieel protest aan tegen de Turkse vijandelijkheden.[18] Hoewel de Geallieerden daarop besloten de Armeniërs te beschermen, werden de maatregelen tegen de Armeniërs alleen maar erger.[19] Armeense mannen moesten in het Turkse leger treden of werden uit hun dorpen gehaald om wegen aan te leggen.[20] Armeense kinderen werden weggehaald en aan moslims gegeven.[21] Hele groepen Armeniërs werden gevangengezet en omgebracht.[22] De Armeense bevolking werd gedeporteerd naar Irak en Syrië (de zogenaamde dodenmarsen naar de woestijn). Vele duizenden stierven onderweg aan uitputting of werden vermoord. Bezittingen werden afgenomen en vaak vielen Koerdische bendes de transporten aan.[23] Degenen die tot in de Syrische woestijn wisten te komen, stierven daar van honger of dorst of wisten te ontsnappen door verder te vluchten naar het Russische Rijk.[24]
Tot vandaag ontkent Turkije nog steeds opdracht te hebben gegeven om de Armeniërs uit te roeien.[25] Er zijn in ieder geval veel getuigenverslagen te vinden die de gruwelijke moorden beschrijven. Deze kwamen niet alleen van overlevenden, maar ook van consuls, Rode Kruis medewerkers, militairen of mensen die onderdak gaven aan Armeense vluchtelingen.[26] Om het met de woorden van de schrijfster Elisabeth Bauer te zeggen: ‘Le premier peuple devenu historiquement chrétien avait suivi un chemin de croix qui n’était comparable qu’à celui du fondateur du christianisme.’[27] Er bestaat nog steeds twijfel over het dodenaantal. Het aantal varieert van 600000 tot 1,5 miljoen Armeense slachtoffers.[28] Men kan zich afvragen hoe een dergelijke volkerenmoord heeft kunnen plaatsvinden. In de context van een totale oorlog konden de daders natuurlijk ongestraft te werk gaan. De grenzen tussen begrensd en onbegrensd geweld worden dan immers vaag, waarbij alle buitenlandse staatsburgers zonder onderscheid kunnen worden omgebracht.[29]
De Verenigde Naties bepaalden in 1948 de definitie voor een genocide in de Convention on the Prevention and Punishment of Genocide. Volgens artikel II betekent genocide ‘any of the following acts committed with intent to destroy, in whole or in part, a national, ethnical, racial or religious group, as such: Killing members of the group; Causing serious bodily or mental harm to members of the group; Deliberately inflicting on the group conditions of life calculated to bring about its physical destruction in whole or in part; Imposing measures intended to prevent births within the group; Forcibly transferring children of the group to another group.’[30] Turkije heeft dit verdrag ondertekend en geratificeerd. Toch vindt Turkije nog steeds dat er geen sprake is van een Armeense genocide, ze hadden namelijk niet de intentie alle Armeniërs uit te roeien, noch was er sprake van een centraal gedirigeerde opdracht tot genocide.[31] Hadden de Turken immers niet eeuwenlang de christelijke minderheden in hun rijk beschermd?[32] In de jaren ’20 haalde Turkije zelfs nog de darwinistische theorie aan die de Armeniërs bestempelde als een ‘vreemd organisme’ in de Turkse natie of als een zwakke schakel.[33] Ook werden de Koerden met de vinger gewezen.[34]
Ook andere redenen werden aangehaald om de gebeurtenissen te legitimeren. De Armeniërs sympathiseerden met de vijanden van het Turkse Rijk of ze waren een levende bedreiging in een militaire zone, dus moesten ze hen met militaire strengheid behandelen.[35] Of de gebeurtenissen vonden plaats in een ‘burgeroorlog’ binnen de Eerste Wereldoorlog.[36] Nog een andere uitleg was dat de genomen maatregelen tijdens de oorlog niet gericht waren tegen de Armeniërs, maar tegen de Geallieerde mogendheden.[37] Maar uiteindelijk is het dwaas te ontkennen dat de Turken niet op de hoogte zouden zijn geweest van de gevolgen van hun deportaties. Wie zou immers de tocht naar de woestijn overleven zonder overlevingsmiddelen? Er zijn echter wel een heleboel landen die de gebeurtenissen van 1915 wel als zodanig hebben erkend. Het gaat hier met name om Argentinië, Australië, België (op 26 maart 1998), Canada, Engeland en Wales, de Europese Unie, Frankrijk, Duitsland, Griekenland, Nederland, Italië, Libanon, Litouwen, Polen, Rusland, Slowakije, Zweden, Zwitserland, Uruguay, de Verenigde Staten van Amerika en Vaticaanstad.[38]
De Armeense geschiedenis hield echter niet op met de genocide. De overgebleven Armeniërs hoopten dat de Geallieerden hun toekomst wilden vrijwaren.[39] Op 28 mei 1918 riep Armenië zijn onafhankelijkheid uit. Het nieuwe land richtte allerlei instellingen op, in 1920 werd zelfs de eerste universiteit geopend.[40] De Armeense republiek wist echter maar twee jaar stand te houden onder voortdurende aanvallen van Turkse zijde. Armenië moest zich noodgedwongen in 1920 bij de Unie van Socialistisch Sovjetrepublieken aansluiten. Zijn territoriale aspiraties werden gefnuikt door een aantal verdragen, waaronder het verdrag van Sèvres en Alexandropol in 1920.[41] In de jaren ’20 vond vooral een machtsstrijd plaats tussen de bolsjewieken, mensjewieken en de nationalisten. Vanaf 1922 maakte Armenië deel uit van de Transkaukasische Republiek, samen met Georgië en Azerbeidzjan. Het zou weer een zelfstandige republiek van de Sovjet Unie worden in 1936. Armenië kreeg wat vrijheid, vooral op cultureel vlak, maar er was ook sprake van collectivisatie en politieke zuiveringen. Stalin moedigde na de Tweede Wereldoorlog de Armeense minderheden in Perzië en Turkije aan om te komen wonen in Sovjet-Armenië. Pas op 21 september 1991 wist Armenië zich opnieuw onafhankelijk te verklaren met de hervormingen van president Gorbatsjov in Rusland.[42] Vandaag de dag leven de Armeniërs verspreid over de wereld en kennen ze - sinds de Armeense volkerenmoord - net als de Joden[43] hun diaspora.[44]
De Volkenbond
De Volkenbond en zijn instellingen worden veelvuldig aangehaald in deze verhandeling. Hieronder volgt daarom een korte uiteenzetting over het ontstaan van de Volkenbond en de werking van zijn instellingen. De Volkenbond werd opgericht op 25 januari 1919 om aan de ene kant de vrede en veiligheid van volkeren te bewaren[45] en om aan de andere kant de samenwerking tussen verschillende volkeren te bevorderen. Na de Eerste Wereldoorlog wilde men immers verder geweld voorkomen.[46] De president van de Verenigde Staten, Woodrow Wilson[47], sprak in zijn 14 Punten plan al van het oprichten van een Volkenbond. Bij de vredesbesprekingen in Parijs werd ervoor gezorgd dat dit idee in de verdragen werd opgenomen.[48] De meeste landen die de vredesverdragen hadden ondertekend, de overwinnaars van de Eerste Wereldoorlog, werden lid van de Volkenbond. Alleen Amerika was de grote uitzondering, zijn bevolking wilde zich niet langer bemoeien met de problemen in Europa.[49] Woodrow Wilson was bovendien een voorstander van het zelfbeschikkingsrecht voor alle volkeren.[50]
De Volkenbond was een bond van staten, dat wil zeggen dat iedere regering zijn vertegenwoordigers stuurde. Het deed beroep op de openbare mening en op rechtvaardigheid om conflicten uit te praten. De Volkenbond vond dat zijn Vergadering[51] als het klankbord van de beschaafde wereld moest dienen. Enkel in uitzonderlijk gevallen wilde de Volkenbond dwang gebruiken om oorlog te voorkomen, zelfs als dit tegen één van zijn leden zou moeten gebeuren.
Wie lid werd van de Volkenbond was gebonden aan een aantal verplichtingen. De leden moeten zich bijvoorbeeld houden aan de beginselen van het internationaal recht. Zonder de samenwerking en bereidwilligheid van zijn leden kon de Volkenbond geen neutrale zone worden om conflicten op te lossen. De leden moesten de grenzen en politieke onafhankelijkheid van elkaar eerbiedigen, hun onderdanen rechtvaardig behandelen en ervoor zorgen dat zij rechtvaardige en menswaardige arbeidsvoorwaarden kregen. Wie zijn lidmaatschap wilde opzeggen, moest dit twee jaar van tevoren aankondigen. Deze maatregel was ingesteld om te voorkomen dat leden hun lidmaatschap zouden opzeggen van zodra de staat zijn verplichtingen moest nakomen. Anderzijds kon een lid uit de Volkenbond worden gezet als het land het Volkenbondsverdrag had geschonden.
De Volkenbond had een aantal organen opgericht zoals het Permanente Hof van Justitie om als rechtsorgaan te dienen. Daarnaast hield de Volkenbond zich ook bezig met sociale en economische problemen via de Internationale Arbeidsorganisatie. De belangrijkste instellingen waren echter de Vergadering, de Raad en het Secretariaat. Zij werden bijgestaan door zes commissies die zich met verschillende onderwerpen bezighielden: constitutionele en juridische vraagstukken, de werkzaamheden van de technische organisaties, ontwapening, begroting en interne organisatie, sociale vraagstukken en politieke vraagstukken. De vijfde commissie of de commissie voor sociale vraagstukken, hield zich - naast andere sociale problemen - bezig met de Armeense kwestie.[52]
De Vergadering bestond uit de vertegenwoordigers van alle staten die lid waren van de Volkenbond, elk mocht maximum drie vertegenwoordigers meebrengen. De vertegenwoordigers konden wel vergezeld worden van adviseurs, technische deskundigen en secretarissen. Ook de Raad bestond uit deze leden, maar was minder permanent dan de Vergadering. Zowel de Vergadering als de Raad stemden volgens de regel van eenstemmigheid. De Vergadering liet dit in de regel doen door speciale commissies; hun besluiten werden daarna aangenomen in één van de zittingen van de Vergadering. Er waren wel uitzonderingen: een nieuw lid werd bijvoorbeeld met maar twee derde van de stemmen toegelaten.
Ieder lid van de Volkenbond had recht op één stem. De Vergadering was voor een aantal zaken bevoegd. Hieronder viel het stemmen van een nieuw lid, het benoemen van de leden voor de Raad, de controle op de begroting van de Volkenbond en het instellen van onderzoeken. Op de agenda van de Vergadering werd eerst het rapport van de Raad besproken en daarna alle vraagstukken en de begroting voor het volgende jaar.[53]
De Raad van de Volkenbond kwam iedere vier maand in Genève bij elkaar, hoewel hij in de regel maar één keer per jaar moest samenkomen.[54] Hij bestond uit de permanente vertegenwoordigers van Groot-Brittannië, Frankrijk, Italië, Japan en Duitsland. Daarnaast waren er nog negen andere vertegenwoordigers, waarvan de zetels door verschillende staten kon worden ingenomen, telkens voor een periode van drie jaar. Dit aantal kon eventueel uitgebreid worden door een lid uit te nodigen als een zaak dit lid in het bijzonder aanging.[55] Ook de Raad had een aantal specifieke bevoegdheden. Zo regelde de Raad de voorbereiding van ontwapeningsplannen, hij controleerde de uitoefening van de mandaten, keurde het personeel goed van het Secretariaat en zag toe op het bestuur van het Saargebied, de Vrije Stad Danzig (via een Hoge Commissaris) en op de bescherming van de minderheden. De Raad stelde telkens een rapporteur aan, één van zijn leden, om een verslag te maken over de kwestie die de Raad onderzocht.[56]
De Raad hield zich ook bezig met de minderhedenkwesties. Het ging hierbij om groepen van personen die in een bepaalde staat, in ras, godsdienst of taal verschilden van de meerderheid van die staat. Na de Eerste Wereldoorlog waren er een aantal gebiedsveranderingen doorgevoerd die de minderheden erg isoleerden. Er werden daarom een aantal verdragen gesloten tussen verschillende landen die de rechten van de minderheden erkenden. De Volkenbond zorgde er als controleorgaan voor dat deze rechten niet verwaarloosd zouden worden en dat de minderheden klachten konden indienen tegen eventuele schendingen.[57] Het idee om ook de minderheden tegemoet te komen, was ontstaan op de vredesonderhandelingen in Parijs. Het waren vooral de joodse leiders die hierin een grote invloed uitoefenden. Maar ook andere organisaties zijn opgekomen voor de rechten van de minderheden als de Organisation Centrale pour une Paix Durable. De Geallieerde mogendheden stonden nogal negatief tegenover de reikwijdte van deze beschermende maatregelen. Ze vonden dat dit vooral nodig was in Oost-Europa, waar zich de grootste problemen met de verschillende nationaliteiten voordeden. De Geallieerden verkozen sterke staten in Oost-Europa boven kleine nationalistische staten om het Bolsjewistische gevaar en het Duits revanchisme tegen te gaan. De minderhedenbescherming werd daarom ‘een doekje voor het bloeden’ genoemd.
De concrete uitvoering van de minderhedenbescherming bestond uit het verzekeren van het welzijn van de leden van de minderheden. Hiermee werden vooral individuele bescherming, gelijkheid voor de wet en non-discriminatie bedoeld. De Geallieerden deden dit door de meest elementaire rechtsbeginselen ook op individuen, lid van minderheden, toe te passen. Deze bepaling werd opgelegd aan de nieuwe staten die zich vormden na de Eerste Wereldoorlog.[58]
Het Secretariaat van de Volkenbond regelde de administratie en werd geleid door de secretaris-generaal. De eerste secretaris-generaal was Sir James Eric Drummond[59]. Hij benoemde zijn personeel onder goedkeuring van de Raad. Alle ambtenaren van de Volkenbond waren internationale ambtenaren en genoten diplomatieke voorrechten en onschendbaarheid.[60] Het ging hier om een adjunct-secretaris, drie ondersecretarissen en ongeveer zeshonderd andere personeelsleden.[61] Het Secretariaat bestond uit een aantal afdelingen, bijvoorbeeld voor politieke zaken, financiën, verkeer, intellectuele samenwerking, hygiëne, sociale aangelegenheden, de mandaten, bestuur en informatie. Het Secretariaat zorgde ervoor dat de Vergadering en de Raad bijeen werden geroepen en verzamelde de informatie omtrent de vraagstukken die werden onderzocht door de Volkenbond.[62]
Eén van de aandachtspunten na de Eerste Wereldoorlog was het creëren van een internationale arbeidswetgeving. Dit vloeide voort uit deel XIII van het verdrag van Versailles.[63] De Volkenbond zorgde eerst voor de oprichting van een permanente instelling, het Internationale Arbeidsbureau. Het ‘Charter van de Arbeid’ vormde de grondverklaring voor de arbeidswetgeving. Het legde de nadruk op sociale rechtvaardigheid en zorgde ervoor dat de algemene arbeidsvoorwaarden verbeterd werden. Alle leden van de Volkenbond waren ook lid van de Internationale Arbeidsorganisatie, dat het Bureau en de Internationale Arbeidsconferentie overkoepelde.[64] Daarnaast waren ook de arbeiders- en patroonsverenigingen vertegenwoordigd in de Arbeidsorganisatie.[65] De conferentie was in feite wat de Vergadering voor de Volkenbond was. De conferentie hield zich alleen bezig met ‘sociale vrede’. Het Bureau kon eerder vergeleken worden met het Secretariaat van de Volkenbond. Het was gevestigd in Genève en stond in de jaren twintig onder leiding van Albert Thomas. Het Internationale Arbeidsbureau bereidde niet alleen de conferenties voor, maar bestuurde eveneens vraagstukken in opdracht van de Raad en verzamelde gegevens over de arbeidsvoorwaarden in verschillende landen. Het Bureau zelf had ook een aantal afdelingen, zoals daar waren de Diplomatieke afdeling, de afdeling voor betrekkingen en inlichtingen, een Wetenschappelijke afdeling en de afdeling voor algemene organisatie.[66]
Het Permanente Hof van Justitie, gevestigd in Den Haag, was samengesteld uit elf rechters en vier plaatsvervangende rechters, verkozen voor negen jaar. Het Hof kon uitspraken doen over geschillen in internationale overeenkomsten, daarbij gaf het de voorkeur aan internationale gewoontes als er geen internationale rechtsregel bestond, had oog voor de mening van de meest bevoegde publicisten op internationaal rechtsgebied en paste de algemene rechtsregels toe.[67] Het Hof kon ook advies geven aan de Raad of de Vergadering bij ieder geschil. Het Hof was wel een volledig onafhankelijk orgaan, ook al werden de rechters verkozen door de Volkenbond en waren zijn onkosten voor de Volkenbond.[68]
Waar haalde de Volkenbond zijn geld vandaan? Grotendeels bestonden zijn inkomsten uit bijdragen van zijn leden. Men hield hierbij rekening met de rijkdom en financiële draagkracht van de staten. De Vergadering bepaalde ieder jaar de begroting. Bij wijze van voorbeeld: in de periode van 1921 tot 1926 bedroeg de begroting gemiddeld een kleine drieëntwintig miljoen goudfranken, waarvan zo’n twintig en een half miljoen werd gespendeerd aan lopende uitgaven.[69]
Probleemstelling
Het is niet eenvoudig voor een historicus om precies te achterhalen wat er nu werkelijk gebeurd is. Zowel van Armeense als van Turkse zijde is er weinig sprake van objectiviteit. Dit kwam ook sterk naar voren in het bronnenmateriaal en de literatuur. Waar Armeniërs en de Volkenbond spreken van een genocide, weigeren de Turken te spreken over het bewust uitroeien van het Armeense volk. Ik heb geprobeerd in mijn verhandeling om deze problematiek zo kritisch mogelijk te bespreken, hoewel het moeilijk is niet te sympathiseren met de Armeniërs.
Bij het bespreken van de Armeense kwestie moet er tevens rekening gehouden worden met de veranderde betekenis van het begrip ‘de Armeense kwestie’. Wanneer er vandaag gesproken wordt over de Armeense kwestie, slaat dit op het al dan niet erkennen van de Armeense genocide. In de naoorlogse periode stond het echter vast voor de Volkenbond dat de Armeniërs erg geleden hadden en voor hen bestond de Armeense kwestie uit het proberen oprichten van een onafhankelijke Armeense staat en het oplossen van het vluchtelingenprobleem. De Volkenbond vond dat het oplossen van de Armeense kwestie een belangrijke stap was in het brengen van vrede in het Nabije Oosten.
België had na de Eerste Wereldoorlog een bijzondere positie verworven als natie. Bij de vredesconferentie van Parijs en in de Volkenbond komt duidelijk naar voren dat België meer te zeggen had dan iedere andere kleine natie. Zijn neutraliteit was immers geschonden tijdens de oorlog, een neutraliteit die gewaarborgd had moeten worden door de grote mogendheden. Hierdoor verwierf België invloed als morele natie en liet het land zijn stem horen in humanitaire kwesties. Het is daarom interessant om te onderzoeken hoe België dit liet zien in de Volkenbond[70] in de jaren ’20 en meer bepaald hoe deze natie tegenover de Armeense kwestie stond. Maakte België gebruikt van zijn morele invloed of belangrijker: wat bereikte ze ermee?
Werkwijze
De informatie voor deze verhandeling was te vinden in de archieven van Buitenlandse Zaken en in mindere mate dat van Paul Hymans. De meeste documenten waren besluiten en verslagen van vergaderingen van de Volkenbond. Daarnaast was er nog de correspondentie tussen de verschillende diensten van Buitenlandse Zaken, de afgevaardigden van de Volkenbond of diplomaten in het buitenland. Helaas waren er maar weinig brieven die expliciete opdrachten gaven aan de afgevaardigden, zodat er enkel indirecte feiten te ontdekken waren over de houding die België wilde aannemen. Voor achtergrondinformatie boden de verschillende bibliotheken in Brussel en Leuven voldoende informatie over de (Belgische) buitenlandse politiek, de vluchtelingen, het naoorlogse Europa, de Volkenbond en de Armeense genocide.
De uiteenzetting van de Armeense kwestie is als volgt opgezet: in een eerste gedeelte wordt het territoriale probleem besproken, namelijk het oprichten van de Armeense staat en als dat niet lijkt te lukken, het creëren van een Nationaal Armeens thuis. Een tweede gedeelte behelst het vluchtelingenprobleem. Het gaat hierbij over de problemen in Cilicië en Klein-Azië en de meer juridische aspecten van het vluchteling zijn. Het geheel wordt besproken vanuit het perspectief van de Volkenbond, aangezien een volledig exposé van de gebeurtenissen rond de Armeense kwestie niet mogelijk is. Daarnaast - en dit is tegelijk de onderzoeksvraag - kijken we naar de Belgische houding in de Volkenbond. Hoe stond België tegenover de Armeense kwestie? Wat deed België om tussenbeide te komen in het oprichten van een Armeense staat en wat deed België voor de Armeense vluchtelingen? Alle gebeurtenissen verschijnen per thema in chronologische volgorde. In het besluit wordt het geheel nog eens resumerend en kritisch besproken. Hierbij wordt opnieuw aandacht besteed aan de Belgische houding en hoe de literatuur en de bronnen de Belgische politiek profileren in de jaren ’20.
Hoofdstuk 1: De moeizame start van een vrij en onafhankelijk Armenië
1.1 De Vredesconferentie van Parijs: de Armeense kwestie
1.1.1 Inleiding
Aan het einde van de negentiende eeuw sprak men over het Ottomaanse rijk als de ‘zieke man van Europa’. Financiële moeilijkheden en gebiedsverkleining hadden het rijk aangetast. De Jong-Turken waren een nationalistische en revolutionaire beweging die iets aan het verval van het rijk wilden doen. Ze namen langzaamaan de macht over in het rijk. De Jong-Turken kozen tijdens de Eerste Wereldoorlog de kant van de Duitsers. Dit was een keuze die ze later zouden betreuren. Ondertussen hadden ook in Rusland grote gebeurtenissen plaats. Na de Russische Revolutie in 1917 waarbij de bolsjewieken de macht hadden gegrepen, scheidde Transkaukasië zich af van Rusland. De drie belangrijkste volkeren, de Armeniërs, Georgiërs en de Tartaren van Azerbeidzjan verklaarden zich onafhankelijk. Op 28 mei 1918 werd Armenië een onafhankelijke republiek.[71] Deze nieuwe staat zou het echter niet lang uithouden. De Turken wilden het Armeens grondgebied annexeren, terwijl de communisten in het land zich terug wilden aansluiten bij de Sovjet Unie.[72]
Intussen liep de Eerste Wereldoorlog ten einde. Het Ottomaanse Rijk moest capituleren en tekende het verdrag van Moudros in oktober 1918. De Ottomanen moesten Transkaukasië ontruimen[73] en al hun wapens vernietigen en mochten maar een kleine politiemacht behouden.[74] De Geallieerde mogendheden wilden Europa herverdelen op de Vredesconferentie van Parijs, die liep van 18 januari 1919 tot 21 januari 1920. Het was al gauw duidelijk dat de belangrijkste mogendheden, Groot-Brittannië, de Verenigde Staten, Frankrijk, Italië en Japan, de conferentie zouden domineren. Hoewel België kon rekenen op sympathie en hierdoor een morele stem had gekregen[75], kon het tijdens de onderhandelingen in Parijs maar weinig in de wacht slepen.[76]
1.1.2 Het verdrag van Sèvres
In het verdrag van Sèvres[77] moest Turkije als verliezer van de oorlog veel toegevingen doen.[78] Het Ottomaanse Rijk werd verdeeld en verkleind door mandaten.[79] Groot-Brittannië kreeg Israël, Irak en Jordanië en Frankrijk Syrië en Libanon.[80] Frankrijk had immers grote investeringen gedaan in de regio en wilde dit niet verloren zien gaan.[81] De Armeniërs stonden erop dat hun onafhankelijkheid erkend werd in het verdrag van Sèvres. Ze wilden eveneens dat de grote mogendheden hen zouden beschermen en de onafhankelijkheid zouden garanderen.[82] De Hoge Raad der Geallieerden wilde eerst nagaan of Armenië zichzelf zou kunnen handhaven. Er werd een speciale commissie aangesteld om te onderzoeken of Armenië een eigen leger nodig had en of er genoeg materiële bronnen aanwezig waren om een eigen economie te kunnen ontwikkelen. De commissie liet zich eerst informeren over de Armeense defensie. Ze constateerde dat het Armeense leger uit zo’n 25000 soldaten bestond. Het leger was opgedeeld in verschillende divisies onder leiding van voormalige Russische officieren. De commissie oordeelde dat als Armenië nog 40000 man zou weten te rekruteren en de nodige wapens en materiaal toegewezen zou krijgen, het in staat zou zijn om zich te verdedigen.
De commissie hoopte dat de Geallieerden Armenië zouden bijstaan en deed tevens een oproep aan de leden van de Volkenbond om buitenlandse officieren, burgerlijke en militaire raadgevers te sturen. De Volkenbond stuurde zelf een vertegenwoordiger, aangeduid door de Raad, om ter plaatse te waken over de uitvoering van de clausules. De Hoge Raad der Geallieerden besloot op 12 maart 1920 om zijn goedkeuring te geven aan de onafhankelijkheid van Armenië en dit op te nemen in het verdrag met Turkije.[83] De Hoge Raad vroeg de president van de Verenigde Staten, Woodrow Wilson, wel om over de grenskwestie tussen Armenië en Turkije te beslissen. Hij zou de rol van scheidsrechter op zich nemen op 31 mei 1920.[84] De Hoge Raad dacht namelijk dat deze maatregelen de enige manier waren om Armenië op een efficiënte manier te laten ontstaan en zijn toekomst veilig te stellen.
Het verdrag van Sèvres moest ook het voortbestaan de minderheden verzekeren. Gezien de onstabiele situatie in Turkije kon de Volkenbond moeilijk bescherming bieden aan de minderheden. Bovendien beschikte ze niet over een sterke troepenmacht, laat staan dat er een Turkse vertegenwoordiger in de Raad zat om overleg te kunnen plegen.[85] Op de conferentie van Sèvres ontstond discussie over hoe deze bescherming precies in zijn werk zou gaan. Omdat de onderhandelingen hierover strop liepen, besloot men de volgende clausule in het verdrag van Sèvres op te nemen: “De belangrijkste Geallieerde Machten hebben na overleg met de Raad van de Volkenbond, besloten om enkele maatregelen te nemen om de uitvoering van de clausules te garanderen. De Turkse regering aanvaardt alle beslissingen die nog kunnen genomen worden over dit onderwerp.”[86] De maatregelen voor de etnische minderheden stonden met andere woorden onder toezicht van de Volkenbond en de Geallieerden. De maatregelen konden niet aangepast worden zonder de toestemming van de meerderheid van de Raad van de Volkenbond. De Verenigde Staten van Amerika, Groot-Brittannië, Frankrijk, Italië en Japan zouden steeds hun toestemming geven wanneer een meerderheid dit goedkeurde.[87]
De speciale commissie specificeerde in opdracht van de Raad der Geallieerden de garanties. Het ging vooral om het aanstellen van buitenlandse officieren om in de Turkse ‘gendarmerie’ en politie te dienen. Zij hadden dezelfde uitvoerende macht als de Turkse officieren en brachten rapport uit aan de Volkenbond. In ieder district moest de samenstelling van de gendarmerie, de politie en de gardes bestaan uit de verschillende rassen van de lokale bevolking, overeenkomstig het percentage van vertegenwoordigde rassen. De commissie stelde ook voor om een straf op te leggen indien de Turkse regering zich niet hield aan zijn woord. De commissie was er echter niet zeker van dat de gevraagde garanties geboden konden worden. Omdat de situatie met Turkije zo complex was, vroeg de commissie dan ook om in het vredesverdrag met Turkije een hoofdstuk toe te voegen over de nationaliteit en de nodige voorwaarden vast te leggen. Concreet stelde ze het volgende voor: in artikel twee zou vastgelegd worden dat Turkije alle inwoners van Turkije de bescherming bood van hun leven en vrijheid, zonder onderscheid te maken in geboorte, nationaliteit, taal, ras of religie. Allen zouden het recht hebben van vrije beoefening, zowel publiek als privé, van iedere geloofsbelijdenis of religie.
De rechten van de Ottomaanse onderdanen werden erkend in artikel zes van het verdrag. Iedere Ottomaanse onderdaan zou op dezelfde manier berecht worden en dezelfde rechten genieten, zonder onderscheid in ras, taal of religie. Geloofsverschillen mochten geen aanleiding geven tot vooroordelen met betrekking tot publieke functies en het uitoefenen van beroepen. Er stond geen enkele restrictie op het gebruik van de eigen taal en hiervoor moesten de nodige faciliteiten worden voorzien. Nog belangrijker waren de maatregelen die de rechten van de minderheden regelde. Artikel zeven zei dat Ottomaanse onderdanen die tot één van de minderheden behoorden, op dezelfde manier behandeld moesten worden als anderen en dezelfde garantie van hun rechten genieten. Zij mochten instellingen oprichten waar men het recht had zijn eigen taal te spreken en religie te beoefenen.
Ook artikel acht en negen handelden over de etnische minderheden: “In de steden en regio’s waar zich een groot aantal van de etnische minderheden bevinden, zullen deze minderheden een deel van de middelen uit de publieke fondsen toegewezen krijgen.” “De Ottomaanse regering zal iedere kerkelijke of educatieve autonomie van etnische minderheden respecteren. De regering kan geen wetten uitvaardigen die in strijd zijn met de rechten van de minderheden. In geval van conflict zal iedere aanpassing van het juridische regime genieten deze bepalingen voorrang, in die mate dat de aanpassingen slaan op individuen van etnische minderheden.” Dit bouwde met andere woorden een garantie in dat de rechten van de minderheden beschermde. In de steden en regio’s waar zich een groot aantal christenen en joden bevonden, zou de Ottomaanse regering er op toezien dat ze geen wetten zou stellen die indruisten tegen de wetten van de religieuze minderheden.[88]
Er werd ook gedacht aan de vluchtelingen die hun huizen en eigendommen verlaten hadden. Turkije moest hen laten terugkeren naar hun woonplaats. Alle bezittingen van deze mensen, die teruggevonden werden, zou Turkije eveneens zo snel mogelijk terugbezorgen.[89] Er zouden arbitrale commissies komen, onder toezicht van de Volkenbond, om toe te zien op de heropbouw. Verder mochten de commissies personen verbannen die deel hadden genomen aan de moorden en het verdrijven van niet-Turkse Ottomanen en konden ze de verkoop van afgenomen bezittingen ongedaan maken. Bij de uitvoering van de beslissingen van de commissies moest de Ottomaanse regering alle hulp geven die mogelijk was.[90] Artikel 230 bepaalde zelfs dat Turkije de verantwoordelijken van de Armeense massamoord aan de mogendheden zou uitleveren. De Geallieerden kregen het recht om een rechtbank aan te duiden om deze beschuldigden te berechten. Hierdoor konden de Turkse misdaden via een juridische clausule berecht worden.[91]
In het verdrag van Sèvres werden in theorie voldoende maatregelen getroffen om de minderheden, die nog in Turkije verbleven, te beschermen. Ook de onafhankelijkheid van Armenië werd hierin bevestigd. Al gauw zou echter blijken dat er nog geen einde kwam aan het lijden van de Armeniërs.
1.1.3 Het verzet van Turkije
Ondanks de ondertekening van het verdrag van Sèvres op 10 augustus 1920 bezetten het Ottomaanse Rijk en de Sovjetunie elk een deel van het Armeense grondgebied. Ze eisten dat Armenië alle contact verbrak met de Geallieerden.[92] De aanval vanuit Turkije op het Armeense grondgebied gebeurde onder leiding van Mustafa Kemal Atatürk. De Armeense staat kon niets beginnen tegen de militaire overmacht.[93] Het Armeense leger telde slechts 45000 man aan reguliere troepen en enkele duizenden vrijwilligers. De troepen van de kemalisten daarentegen waren goed omkaderde elitetroepen onder leiding van commandant Karabekir Pacha en telden ongeveer 20000 man.[94] De vijandelijkheden zouden pas ophouden met het ondertekenen van het voor Armenië ongunstige verdrag van Alexandropol[95] op 2 december 1920.[96] De Armeniërs moesten al hun wapens en munitie afstaan. Het verdrag voorzag eveneens de overdracht van het district van Kars, Sarmalu en Igdir.
De Sovjets vielen Armenië binnen met hun Rode Leger. Van 1 oktober tot 6 november 1920 gingen ze over tot veertien massale aanvallen. Daarnaast waren er nog de ontelbare dagelijkse ontmoetingen op de fronten van Sisian, Kapan, Kenvaz, Koghtan en Crdoubad.[97] Op 2 april 1921 namen de Sovjets Jerevan in.[98] Niet veel later lijfden ze Armenië in in de Sovjetunie. De Armeniërs hadden zich overgegeven omdat ze wilden verhinderen dat er nieuwe bloedbaden zouden plaatsvinden. Door de Russische machtovername in Armenië was onbedoeld een alternatief gecreëerd voor een onafhankelijke Armeense republiek. Zowel de Russische Sovjets als de verschillende antibolsjewistische regeringen van Rusland hadden de Armeense regering erkend via hun vertegenwoordigers in Jerevan. Zij erkenden Armenië als een vrije en onafhankelijke staat en ze beloofden er politieke en commerciële verdragen mee af te sluiten.[99]
Het verdrag van Alexandropol zou op 13 oktober 1921 worden vervangen door het verdrag van Kars[100]. Dit was een vriendschapsverdrag tussen Turkije en de Sovjetunie. Het zou het einde betekenen van de onafhankelijke staat van Armenië. Het territorium werd verkleind tot Russisch Armenië met het bergachtige Karabagh, Zanguezour en Nachitsjevan, Kars (zonder Olti, dat in handen van de Turken bleef) en Marneuli.[101] Tot op de dag van vandaag wordt dit verdrag niet erkend door Armenië omdat dit verdrag buiten hun wil om gesloten was.[102]
Turkije verzette zich tegen het verdrag van Sèvres dat het rijk inperkte. Het ging eveneens niet akkoord met het toegewezen gebied aan de Armeniërs. Turkije voelde zich met andere woorden tekort gedaan.[103] Het begon een oorlog tegen Griekenland om Anatolië. Eerst boekte het Griekse leger succes tot in 1921. Maar door het lage moreel en een tekort aan munitie, werden de Griekse troepen tot stilstand gebracht. Atatürk organiseerde een aanval en wist de oorlog te winnen. Er werd een verdrag afgesloten dat gunstiger was voor Turkije en zijn ‘vernedering’ uitwiste.[104] Dit verdrag van Lausanne[105] zou het verdrag van Sèvres op 24 juli 1923 vervangen.[106]
1.1.4 Het verdrag van Lausanne
Bij de herziening van het verdrag van Sèvres in 1922 probeerde de Armeense delegatie de Geallieerden zo ver te krijgen dat ze iets aan de Armeense situatie zouden doen en het zijn onafhankelijkheid zouden teruggeven, liefst bevestigd in een nieuw verdrag met Turkije. Artikel 22 van het verdrag van de Volkenbond dat deel uitmaakte van reeds geratificeerde vredesverdragen, het verdrag van Sèvres, de rechterlijke uitspraak van de president van de Verenigde Staten en de conferentie van London in 1921 bevestigden de noodzaak om hulp te bieden aan Armenië. De Hoge Raad der Geallieerden uitte de noodzaak van een Nationaal thuis te creëren voor de Armeniërs van Turkije. Ook de Algemene Vergadering van 1921 van de Volkenbond nam unaniem de resolutie aan over het realiseren van een Nationaal thuis. Tot slot was er nog de resolutie van 22 september 1922 van de Vergadering van de Volkenbond waarin stond dat men in de vredesonderhandelingen met Turkije de noodzaak van een Nationaal thuis voor de Armeniërs niet uit het oog mocht verliezen.
Turkije verzette zich tegen iedere territoriale overdracht aan de Armeniërs.[107] De Turkse regering was van mening dat de Armeense onafhankelijkheid door de vorming van de Transkaukasische republiek van Jerevan was bewerkstelligd. Deze republiek omvatte het territorium zoals bepaald in het verdrag van Kars in maart 1921 en behelsde 9000 km² aan vruchtbare gronden. Maar de republiek kon hoogstens twee derde van haar totale bevolking voeden (ongeveer 1260000 zielen), de anderen konden enkel overleven dankzij de hulp van het Near East Relief, het fonds van Lord Mayor en andere liefdadigheidsorganisaties. Het was dus materieel gezien onmogelijk om alle Armeense vluchtelingen te verenigen op arme gronden. Deze vluchtelingen bevonden zich toen in Griekenland, Macedonië, Perzië, Cyprus en verschillende delen van de Kaukasus.
De Armeense delegatie protesteerde tegen de Turkse annexatie en zijn maatregelen. De regering van Ankara had immers het bevel gegeven de Armeniërs uit Klein-Azië te verdrijven. Armeniërs uit Zonguldak en Bartin, steden bij de Zwarte Zee, waren al verdreven. Duizenden Armeniërs vertrokken uit Constantinopel. Ongeveer 700000 Armeniërs uit Turkije hadden hun geboortegrond verlaten, vluchtelingen in hun eigen land en bevonden zich in de meest harde omstandigheden. De Armeense kwestie kon dus niet opgelost worden door het Turkse voorstel om de Armeniërs te laten terugkeren. Maar om de vijandigheden te doen ophouden en de vrede te herstellen in het Oosten moesten beide volkeren wel een goede verstandhouding krijgen. De gedelegeerden op de conferentie van Lausanne wilden daarom de oplossing accepteren om een Nationaal thuis te vormen.
Een alternatief idee, dat al eerder werd aangehaald, was het toekennen van bepaalde statuten zodat de vluchtelingen veilig konden terugkeren. Dit zou kunnen gebeuren nadat de grenzen van dit Nationaal thuis zouden zijn vastgelegd en hen de toegang was gegeven tot de zee. Wanneer deze oplossing niet geaccepteerd zou worden, zou men terugkeren naar de oplossing van 1920: de uitbreiding van de Armeense republiek door de aanhechting van een deel van de Turks-Armeense regio’s. Dit zou dan als een Nationaal thuis beschouwd worden waarin alle Armeniërs zich zouden kunnen ontwikkelen en ze vrij zouden zijn om voor deze staat te kiezen. In deze omstandigheden zouden de mogendheden het geen probleem vinden om de republiek van Jerevan de jure te erkennen. Ook een derde oplossing werd in het vooruitzicht gesteld. Dit bestond uit het creëren van een Nationaal thuis in een deel van Cilicië[108], het oude klein Armenië. Welke oplossing ook aangenomen zou worden, de hulp van de Volkenbond zou worden ingeroepen. De conferentie van Lausanne wilde immers definitief het lot van de Armeniërs van Turkije regelen. De mogendheden konden zich niet voorstellen dat er geen rechtvaardige oplossing zou kunnen gevonden worden voor de Armeniërs, die reeds zoveel hadden geleden en opgeofferd.[109]
De Internationale Philarmeense Liga[110], opgericht in 1920, streefde naar de wederopbouw van de Armeense natie.[111] De Liga hield een pleidooi voor het herstel van de Armeense natie. Ze vond het onaanvaardbaar dat een natie als Armenië, die nog niet bevrijd was van het buitenlandse juk na de grote oorlog, niet haar historische rechten zou terugkrijgen, of haar onafhankelijkheid. Er waren ongeveer 700000 vluchtelingen zonder een thuis en zonder asiel, daarenboven waren er meer dan 150000 wezen afhankelijk van de zorgen van Amerika en Europa. Aangezien de gronden in de Sovjetrepubliek van Jerevan en de gronden die de Turken hadden bezet, niet geschikt waren om de hele bevolking (inwoners en terugkerende vluchtelingen) in leven te houden, benadrukte de Liga het belang om definitief een territorium toe te kennen aan de Armeniërs en om de oplossingen zo goed mogelijk te onderzoeken.[112]
Om haar betoog kracht bij te zetten had de Internationale Philarmeense Liga een handtekeningendossier samengesteld van kerken en religieuze organisaties in heel Europa; zij vertegenwoordigden zo’n drie miljoen leden. Ze wilde aantonen dat ook de christelijke publieke opinie achter het belang van het creëren van een Nationaal thuis stond. Ook in België had de Liga gelobbyd en de steun gekregen van een aantal kerken en organisaties. Het ging hierbij om zowel katholieke als protestante kerken. Alle christenen in België sympathiseerden immers met de Armeense christenen. In België ging het om de volgende kerken: de Nederlandse kerk te Brussel, de kerk van Bois de Boussu, de kerk van Chênée, de christelijke missionaire Belgische kerk van Clabecq, de christelijke missionaire Belgische kerk van Courcelles, de kerk van Herstal te Luik, de christelijke missionaire Belgische kerk van Marchienne, de Belgische missionaire kerk van Bergen, de christelijke missionaire Belgische kerk van Namen, de christelijke missionaire Belgische kerk van Nessonvaux, de kerkraad van de Protestantse kerk van Seraing, de Blauwe Ster (Gematigde bond van Verviers), de Evangelische kerk van Verviers en de kerk van Wasmes.[113] Ook enkele andere organisaties ondertekenden de petitie: de federatie van Belgische verenigingen van ‘culturele moraal’ en de syndicale federatie van de metaalbewerkers van de provincie Luik (met haar 35000 leden) betoonden hun steun aan de Armeniërs.[114]
1.1.5 Besluit
Aan het einde van de conferentie van Lausanne constateerde de Internationale Philarmeense Liga dat de Armeense kwestie nog steeds niet was opgelost. Ze zag het oprichten van een Nationaal Armeens thuis als dé oplossing om een einde te maken aan de situatie van de vluchtelingen zonder asiel, thuis, burgerlijke staat, zonder goederen of middelen, overgeleverd aan de welwillendheid van het Europese en Amerikaanse publiek. De Turken stelden de Armeniërs voor terug te keren naar hun oude woningen, maar het vertrouwen was weg, omdat dat al zo vaak en zo wreed was geschonden. Het oprichten van een Nationaal thuis, dat was afgewezen, was de enige oplossing om de duizenden Armeense vluchtelingen te redden van een onafwendbare ramp en de enige manier voor de mogendheden om hun belofte in het verdrag van Sèvres te houden. De Armeniërs voelden zich verraden, de Geallieerden konden de onafhankelijkheid van Armenië niet langer garanderen en het idee van een Nationaal thuis bleek maar moeilijk te realiseren.[115]
Alleen was de macht van Turkije zo toegenomen, dat de mogendheden bereid waren toegevingen te doen. Door de overwinning in de oorlog tegen Griekenland was duidelijk geworden dat de wereld weer rekening moest houden met het Turkse rijk. Turkije wilde niets weten van een onafhankelijk Armenië en het verdrag van Lausanne betekende een zoveelste tegenslag voor de Armeniërs. Turkije had heel wat weten te bedingen. Zo werd zijn eigen onafhankelijkheid erkend en was de republiek van Turkije een feit. Anatolië en Oost-Thracië werden opnieuw Turks grondgebied.[116] Maar de republiek moest wel haar claims opgeven op de Arabische gebieden.[117]
1.2. De Armeense kwestie voor de Volkenbond
1.2.1 Een mandaathouder gezocht
De Volkenbond zette zich op vraag van de Geallieerden in voor de Armeense zaak en was al gauw op het idee gekomen om de nieuwe republiek een mandaathouder toe te kennen zodat Armenië zich vrij zou kunnen ontwikkelen. Dit bleek echter geen eenvoudige zaak te zijn. Eerst had de Hoge Raad der Geallieerden de Volkenbond gevraagd het mandaat op zich te nemen. Maar de Volkenbond wilde liever een lid van de Volkenbond aanstellen of een andere mogendheid, die dan nog wel onder controle stond van de Volkenbond. De Volkenbond kon het mandaat onmogelijk zelf aannemen omdat het maar al te goed besefte dat de nieuwe regering van de Armeense republiek een groot kapitaal nodig zou hebben om het geruïneerde land weer op te bouwen. De Volkenbond was er zich tevens van bewust dat het land dat het mandaat op zich zou nemen, zeer waarschijnlijk niet het nodige kapitaal kon aanbieden. Bovendien achtte de Volkenbond het onwaarschijnlijk dat een land het mandaat zou aannemen als ze een dergelijke investering in Armenië zou moeten doen. De Volkenbond beschikte zelf niet over een groot kapitaal en wou de Vergadering oproepen om de leden het nodige kapitaal te laten verzamelen opdat een land dan toch het mandaat wou aanvaarden. De kwestie zou later nog bemoeilijkt worden in 1920 toen het Turkse leger een deel van het Armeense grondgebied zou bezetten. Aangezien de Volkenbond geen troepenmacht had, was het niet in staat de Turken te vragen om het grondgebied te ontruimen.
De Volkenbond nodigde ieder lid uit om het mandaat over Armenië op te nemen. Indien er geen kandidaat zou opduiken, zou de Volkenbond Armenië niet in de steek laten: in zo’n geval zou de Volkenbond ervoor ijveren om andere oplossingen te vinden om Armenië te kunnen beschermen.[118] Maar welke natie wilde nu het mandaat op zich nemen? Volgens een persbericht in De Nieuwe Courant was Nederland een potentiële kandidaat als de Verenigde Staten zouden weigeren zich te engageren. De pers formuleerde duidelijk haar ongenoegen over het eventuele mandaat van Nederland. Nederland vreesde dat dit moeilijkheden zou creëren, zeker met het grote aantal moslims en de Turkse beweging. Toch overwoog Nederland dit voorstel serieus en was het land zich bewust van zijn verplichtingen binnen de Volkenbond.[119] In een artikel van De Telegraaf werd de vraag gesteld of Nederland geschikt zou zijn om een dergelijke verantwoordelijkheid op zich te nemen. Amerika zou op materieel en moreel vlak veel meer kunnen inbrengen dan Nederland.[120] Ook België liet in januari 1922 weten dat het het mandaat over Armenië niet zou aannemen.[121]
In eerste instantie weigerden de Verenigde Staten om het mandaat over Armenië aan te nemen. Nochtans leek het de enige staat te zijn die machtig en rijk genoeg was om dit te doen. Het grootste probleem school echter in het bepalen van de grenzen van de Armeense staat. Ondanks Armeniës onafhankelijkheidsverklaring, lagen de grenzen nog niet vast en werden ze betwist door Turkije. De president van de Verenigde Staten, Woodrow Wilson, had altijd gepleit voor een groot Armenië, maar het plan om Cilicië hierin op te nemen en Armenië toegang te geven tot de Middellandse Zee, was reeds lange tijd opgegeven. Het ging vooral om het bepalen van de grenzen in het oosten en het zuiden van Armenië (het al dan niet opnemen van de villajets Erzerum, Trabzon, Van en Bitlis en een toegang tot de Zwarte Zee). In het Noordoosten en Noordwesten, respectievelijk Georgië en Azerbeidzjan, verwachtte men geen moeilijkheden met de grenzen.
Ook al weigerde president Wilson het mandaat op te nemen, dan werd hem toch gevraagd als scheidsrechter op te treden over de grenskwestie. Op 31 mei 1920 besloot de president deze rol op zich te nemen. Het volgende artikel werd daarom toegevoegd aan het vredesverdrag: “Turkije en Armenië; en de andere betrokken Hoge Partijen, zijn bereid zich te onderwerpen aan de arbitrage van de president van de Verenigde Staten van Amerika, de grenskwestie tussen Armenië en Turkije en de beslissing hierover te accepteren en eveneens alle verdere preciseringen over de toegang van Armenië tot de zee. De grenzen met de andere landen worden op hetzelfde tijdstip besproken.”[122]
De Raad van de Volkenbond stelde voor om een periode in te lassen na het sluiten van het vredesverdrag om de veiligheid te kunnen garanderen. De vraag om militaire hulp werd niet direct beantwoord. Dit kon problematisch worden aangezien de Armeense troepen nog grote gebreken kenden. Pas wanneer de onenigheden met de drie omringende Kaukasische landen opgelost zouden zijn - problemen die ontstaan waren na de onafhankelijkheid van Armenië, zou Armenië zich ten volle kunnen richten op het verdedigen van zijn grenzen. Wat betreft de hulp van de Geallieerden om op de naleving van het verdrag toe te zien, moest Armenië vooral rekenen op zijn eigen troepen, hoewel er hulp onderweg was.[123]
1.2.2 De reactie van de Volkenbond op het Turkse en Russische verzet
Eén jaar na het sluiten van het verdrag van Sèvres vielen Turkse en Russische troepen Armenië binnen. Ironisch genoeg was dit net het tijdstip waarop president Wilson had besloten om de grenzen[124] vast te leggen. Dit had vooral te maken met Wilsons strijd met het Congres, dat ieder voorstel dat met een mandaat over Armenië te maken had, afwees.