| Antwerpens verzet tegen de centrale macht in 1659. (Birgit Houben) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
1. Situering van het onderwerp
In de 17de eeuw braken er overal in Europa verschillende politieke conflicten uit, zoals onder andere de Engelse Revolutie die gepaard ging met revoltes in Schotland en Ierland, de Franse Fronde tussen 1648 en 1653, de revolutie over het stadhouderschap in de Republiek in 1650, en de talrijke revoluties en opstanden in het Spaanse rijk: Catalonië en Portugal in 1640, Napels en Palermo in 1647 en later Madrid in 1676. Al deze conflicten maakten dat historici vanaf de jaren vijftig van de 20ste eeuw zich zelfs begonnen af te vragen of er gesproken kan worden van een “algemene revolutie” van de 17de eeuw.[1] De Zuidelijke Nederlanden kenden in de 17de eeuw echter een eerder rustig verloop op binnenlands politiek gebied na de turbulente 16de eeuw. Volgens René Vermeir was dit te wijten aan het feit dat de Zuidelijke Nederlanden zich wel konden vinden in de Spaanse heerser, waardoor er bijgevolg nooit regimebedreigende opstanden zijn geweest in het 17de-eeuwse “België”. Een ver doorgedreven centralisering en vorstelijke absolutisme waren hier dan ook helemaal niet aan de orde.[2]
Wel ontstonden er in die periode verschillende kleine lokale oproeren in de Zuidelijke Nederlanden, wat valt af te leiden uit het doctoraatsonderzoek dat Karin Van Honacker begin jaren negentig maakte. Daarin analyseert ze enkele collectieve acties - waarvan de meeste politiek georiënteerd bleken te zijn - die in de 17de en 18de eeuw gevoerd werden tegen het centraal gezag in de drie belangrijkste Brabantse steden Brussel, Antwerpen en Leuven.[3] Op Van Honacker na, zijn er niet veel historici die deze collectieve acties hebben bestudeerd. Misschien vonden ze deze conflicten niet interessant genoeg om te onderzoeken omdat ze immers de heerschappij van de vorst nooit bedreigden, of omdat ze nogal snel uitdoofden en relatief geweldloos verliepen. Het is eveneens mogelijk dat historici in het verleden gewoon niet afwisten van hun bestaan, want omdát ze juist redelijk geweldloos waren en deel uitmaakten van een Zuid-Nederlandse politieke cultuur, moet men uitermate nauwgezet te werk gaan in de archieven om deze gebeurtenissen als vormen van verzet en oproer te herkennen.[4]
Niettemin zijn deze lokale collectieve acties zeer boeiend, niet alleen omdat er niet veel over geweten is, maar ook omdat men door ze te onderzoeken kan achterhalen wat wél redenen tot oppositie waren tegen de centrale macht in die gedweeë 17de eeuw. Van Honacker heeft echter de verschillende oproeren die ze bespreekt en bestudeert, niet zo diep uitgespit, waardoor er ongetwijfeld meer over te vinden valt. Daarom zal deze scriptie één collectieve actie - die eveneens in het doctoraat van Van Honacker aan bod komt - tot in de details uitpluizen; namelijk het conflict dat tot hiertoe bekend stond als het Antwerpse “posterijoproer” van september/oktober 1659.
2. Vraagstelling en inhoud
Posterijoproer, posterijonlusten of posterijberoerten zijn echter verkeerde benamingen voor het verzet van 1659, maar vorsers in het verleden noemden dit meestal zo, omdat ze dachten dat dit oproer een rechtstreeks gevolg was van het conflict tussen het Antwerps stadsbodekantoor en de Taxische postdienst (zie verder, p. 27-31). Dit geschil tussen de Scheldestad en de vorstelijke post had er wel iets mee te maken, maar het was geenszins de oorzaak voor de gebeurtenissen tijdens de maanden september en oktober 1659, zoals verder in dit onderzoek zal aangetoond worden.
Wat dan wel de oorzaken van dit verzet waren, is dan ook dé hamvraag van deze scriptie. Hoe het oproer van 1659 gekaderd moet worden in die “rustige” 17de eeuw en hoe deze collectieve actie tegen het centraal gezag begrepen moet worden als we weten dat het vorstelijk centralisme op een laag pitje stond, hangt dan ook rechtstreeks samen met de vraag naar de oorzaken. Pas in hoofdstuk IX zullen de antwoorden op deze vragen aan bod komen, wat op het eerste zicht nogal vreemd lijkt, gezien oorzaken uiteraard steeds aan een gebeurtenis vooraf gaan. Het verzet zelf moest echter eerst grondig bestudeerd en geanalyseerd worden vooraleer de oorzaken duidelijk werden; de volgorde van het onderzoek werd dus behouden in deze scriptie.
Hoofdstuk II zal heel kort ingaan op de politieke en sociaal-economische toestand van het midden van de 17de eeuw. Hier zal vooral de nadruk gelegd worden op de tanende macht van het Spaanse gezag en wat de houding was van de Zuid-Nederlandse onderdanen ten opzichte van de centrale overheid. Verder zal besproken worden hoe de nazomer van Antwerpens welvaart vanaf de jaren vijftig van de 17de eeuw begon weg te kwijnen. Deze achtergrond speelde ongetwijfeld een grote rol tijdens het verzet van 1659.
In het IIIde hoofdstuk zullen de talrijke twisten - die enkele jaren aan het verzet van 1659 voorafgingen - tussen (een deel van) de Antwerpse bevolking en de centrale macht uiteengezet worden. Deze conflicten mogen zeker niet beschouwd worden als louter context: er zal aangetoond worden dat ze aan de basis lagen van het verzet in 1659 en dat ze een voedingsbodem vormden waarin het oproer goed kon gedijen.
Vervolgens zal in het IVde deel een overzicht geschetst worden van het verloop van het Antwerpse verzet van 1659 om een beter begrip te krijgen van de daaropvolgende hoofdstukken.
Hoofdstukken V, VI en VII zijn zeer belangrijk: hierin worden de rollen van de verschillende actoren tijdens het oproer besproken. Deel V spitst zich toe op de deelnemers aan het verzet: wie waren ze, waarover en over wie waren ze ontevreden, wat waren hun motieven tot oppositie, welke middelen en strategieën hanteerden ze om te krijgen wat ze wilden, hadden hun acties een zekere mate van organisatie of juist niet, en welke resultaten behaalden ze uiteindelijk? De rol van de stedelijke magistraat zal besproken worden in het VIde deel: hoe keek hij aan tegen de gebeurtenissen, hoe probeerde hij het verzet te onderdrukken en hoe behandelde de centrale overheid hem? Het VIIde hoofdstuk gaat dieper in op het aandeel van de centrale macht en de Raad van Brabant tijdens de problemen van 1659: hoe trachtte de centrale macht het verzet op te lossen, wat was de reactie van de landvoogd en welke maatregelen werden er getroffen? Hoe pakte de Raad van Brabant de situatie op zowel bestuurlijk als gerechtelijk vlak aan, en welke vonnissen werden er geveld?
Tot slot zal in hoofdstuk IX - zoals hierboven reeds gezegd - verder ingegaan worden op de eigenlijke oorzaken van het Antwerpse verzet en zal er daarna nog een conclusie getrokken worden.
3. Gehanteerde bronnen
Het leuke aan dit onderwerp was dat er heel wat bronnen van uiteenlopende aard konden gebruikt worden, waardoor de zoektocht in archieven en bibliotheken steeds afwisseling bracht in plaats van een sleur te worden. Door deze brede waaier van beschikbare documenten konden er ook heel wat verschillende aspecten van het verzet belicht worden. Zo zijn er onder meer rekeningen bewaard gebleven die de financiële kant van het verzet laten zien, brieven van de landvoogd naar de vorst, het Antwerpse stadsbestuur, de Raad van Brabant en omgekeerd die de gedachtegang en genomen maatregelen van de verschillende partijen aantonen, vonnissen en correspondentie van de Raad van Brabant wat dan weer de gerechtelijke zijde van het thema benadrukt, stadsverordeningen, plakkaten en vorstelijke ordonnanties die de politieke facetten belichten, kronieken die de feiten en gebeurtenissen tot in de details bespreken en soms bijzonder grappig uit de hoek konden komen, enzovoort. Het lijstje van gebruikte bronnen kan nog wel een tijdje doorgaan, maar het zal vanzelf wel duidelijk worden uit de scriptie dat het onderwerp bijzonder veel variatie inhoudt.
4. Moeilijkheden en problemen
4.1 Onuitgegeven bronnen
Hoewel de zoektocht naar bruikbare archiefdocumenten aangenaam afwisselend was, duurde hij wel zeer lang, juist omdát gegevens over een verzet aangetroffen kunnen worden in heel wat verschillende archieffondsen. Het gevolg is dat men op voorhand niet weet welke stukken bruikbaar zijn, waardoor er heel wat archivalia moesten uitgeplozen en nagekeken worden. Uiteindelijk werden de belangrijkste documenten gevonden in het stadsarchief van Antwerpen (meer bepaald in de bestanden van de Privilegiekamer, de Vierschaar, de Rekenmaker en Gilden en Ambachten), in het Algemeen Rijksarchief te Brussel (de bestanden van de Raad van State, de Audiëntie en de Secretarie van State en Oorlog) en in het Rijksarchief van Anderlecht (voor het bestand van de Raad van Brabant en zijn Officie-Fiscaal). Vooral de zoektocht naar interessante documenten in dit laatste bestand was zonder twijfel erg slopend, omdat het archief van de Raad van Brabant nog steeds niet volledig geïnventariseerd is. Bovendien zijn sommige inventarissen ontzettend verouderd waardoor het erg lastig was om efficiënt te werk te gaan. Zo bestaan er alleen 18de-eeuwse inventarissen voor het bestand van het Officie-Fiscaal die dan nog eens zes dikke delen tellen en waarin slechts een héél erg ruwe chronologie is aangebracht. Heel wat archivalia van de Raad van Brabant waren zelfs niet raadpleegbaar, omdat ze gewoonweg nog niet geïnventariseerd zijn. Bijgevolg is het perfect mogelijk dat in deze niet-geïnventariseerde reeks een aantal documenten zitten die erg nuttig waren geweest voor dit onderzoek, maar die dus niet ingekeken konden worden. Zo werden onder andere de procesdossiers over de belangrijkste beschuldigden van dit verzet niet teruggevonden, waardoor de procesvoering bijna volledig aan de hand van briefwisseling werd gereconstrueerd.
4.2 De subjectiviteit van de tijdgenoot
Tijdens een oproer of verzet stonden er twee of meerdere groepen tegenover elkaar die elk hun eigen visie en mening hadden over de gebeurtenissen. Afhankelijk van zijn positie keurde de tijdgenoot - of hij er nu rechtstreeks bij betrokken was of niet - een collectieve actie met andere woorden goed of af. Het mag dus duidelijk wezen dat deze scriptie een erg waardegeladen onderwerp behandelt. Als historicus moet men echter het gebeurde zo objectief mogelijk proberen te benaderen, te onderzoeken en te beschrijven. Maar dit is niet altijd even eenvoudig, omdat men zich wel eens onbewust zou kunnen laten beïnvloeden door de taal van de overgeleverde bronnen, die krioelen van de subjectiviteit. De onderzoeker moet er dus op letten dat hij geen woorden uit de bronnen overneemt die de oppositie ofwel steunen ofwel veroordelen. Zelfs het gebruik van de woorden “oproer” of “verzet” is al een gevaarlijke keuze, omdat de deelnemers aan zo’n actie zelf niet vonden dat ze “oproerig” waren of ze meededen aan één of ander “verzet”. Toch worden er in deze scriptie een aantal subjectieve woorden gebruikt die dan wel tussen aanhalingstekens geplaatst werden; het was immers niet altijd mogelijk om puur objectieve woorden te bedenken die dezelfde betekenis dekken als de subjectieve.
4.3 Literatuur
Antwerpen kende in de jaren vijftig van de 17de eeuw ook heel wat andere conflicten met de centrale macht die - zoals we later zullen zien - aan de basis lagen van het verzet in 1659. Om het oproer van 1659 goed te kunnen begrijpen, was het dus noodzakelijk om de inhoud van die andere twisten te kennen, maar het probleem was echter dat daar niet veel over geschreven is geweest. Over het postconflict is wel heel wat recente literatuur verschenen, maar wat de andere twisten betreft kan er enkel gesteund worden op enkele bondige vermeldingen in het doctoraat van Van Honacker, en op verouderde werken en artikels.[5] Hetzelfde geldt eigenlijk voor literatuur over de werking en de procedures van de Raad van Brabant: buiten het recente artikel van Put, kan er enkel teruggevallen worden op het oude en onoverzichtelijke werk van Gaillard (zie bibliografie, p.123-127).
Verder moet gezegd worden dat er op internationaal vlak enorm veel literatuur bestaat over theorievorming omtrent collectieve actie en allerlei andere conflicten. Ook werden er heel wat sociologische en politologische modellen uitgedacht om revolutionaire fenomenen te kunnen verklaren. Ondanks het interessante aspect van deze theorieën en modellen, werden ze niet gebruikt in deze scriptie. Niet alleen zou dat te ver gaan, maar ook blijft een theorie en een model maar een theorie en een model: ze zijn van weinig praktisch nut en bovendien zijn ze feilbaar. Er werd in deze scriptie dus gekozen voor een pragmatische, praktijkgerichte aanpak, die bestaat uit het bestuderen, analyseren en interpreteren van historische gegevens, wat nog steeds interessantere conclusies oplevert voor het geschiedkundig onderzoek dan een theoretische aanpak.[6]
Hoofdstuk II: De politieke en sociaal-economische toestand (midden 17de eeuw)
1. De toestand van de Spaanse macht
1.1 Algemeen
Vanaf de jaren veertig van de 17de eeuw werd de tanende macht van Spanje pas echt goed zichtbaar. Dat de Spaanse monarchie over haar hoogtepunt heen was, beseften de tijdgenoten maar al te goed: er zijn talrijke memoires bewaard van Castilianen die zich ongerust maakten over de decadencia van hun land. Spaans koning Filips IV (1621-1665) steunde voor zijn buitenlandse politiek en oorlogsvoering net als zijn grootvader Filips II, vooral op inkomsten die voortkwamen uit de Castiliaanse belastingen en de Amerikaanse bezittingen. Het grote probleem was echter dat enkele jaren na de hervatting van de oorlog met de Republiek in 1621, er ten eerste een grote economische crisis in Castilië heerste, ten tweede de Zilvervloot verloren ging in 1628, en de vorst zowel in 1627 als in 1647 tegen een staatsbankroet aankeek.[7] Om de reputación hoog te houden, werden toch de laatste reserves aangesproken, waarmee men de buitenlandse vijanden trachtte af te weren en de grenzen van het rijk veilig te stellen. Maar wanneer men daarvoor nog hogere taksen probeerde op te leggen, braken er in de jaren veertig in Spanje verschillende revoltes uit. Deze kwamen voor de vorst zeer ongelegen, aangezien Spanje sinds 1635 ook opnieuw oorlog voerde met Frankrijk.[8] Deze opstanden braken uit in perifere gebieden die eerder vervreemd waren van de vorst: in de lente van 1640 in Catalonië, in december van datzelfde jaar in Portugal dat zo terug een zelfstandige staat zou worden, en tussen 1647-1648 volgden Sicilië en Napels. Ook waren er een aantal samenzweringen geweest tussen 1640-1648 in Andalusië, Aragon en enkele Zuid-Spaanse steden. Hoogstwaarschijnlijk zag men in al deze gebieden niet in waarom men zou moeten toegeven aan enorme fiscale druk, nu de centrale macht zo goed als zeker een oorlogsnederlaag tegemoet ging.[9] En die nederlaag kwam er: in 1648 kon Spanje niets anders dan instemmen met Vrede van Munster, en moest het dus het onderspit delven tegen de Republiek. In november 1659 moest het eveneens de duimen leggen tegen Frankrijk en de Vrede van de Pyreneeën ondertekenen. Vanaf 1660 betekende Spanje op internationaal vlak niets meer.
1.2 In de Zuidelijke Nederlanden
Omdat de Spaanse vorst in zijn enorm imperium niet overal tegelijk kon zijn, deed hij een beroep op gevolmachtigde plaatsvervangers, landvoogden of gouverneurs. Filips IV probeerde de Zuidelijke Nederlanden zoveel mogelijk te laten besturen door familieleden, omdat dit daar een lange traditie was die erg op prijs werd gesteld door de onderdanen, want het benadrukte het belang dat Madrid hechtte aan dit deel van het rijk, dat immers het stamland was van de dynastie.[10] Na de dood van kardinaal-infant Ferdinand in 1641, maakte Filips IV in de jaren veertig, vijftig en zestig - met uitzondering van Leopold Willem en Don Juan van Oostenrijk - toch eerder gebruik van interimarissen. Of de landvoogd nu een prins van de bloede of een interimaris was, in theorie was hij het alter ego van de vorst met volheid van bevoegdheid, maar in de praktijk zag dit er heel anders uit: de gouverneur-generaal was er niet om een eigen politiek te ontwikkelen, maar om uit te voeren wat de vorst en zijn naaste medewerkers in Madrid hadden besloten. Hoewel de landvoogden de koninklijke richtlijnen moesten volgen, verschilden ze wel eens grondig van mening met Madrid, maar dat heeft nooit aanleiding gegeven tot een openlijk conflict tussen de vorst en zijn plaatsvervangers in Brussel. Wegens familiale loyaliteit, clientèlebanden of omdat er geen andere keuze was, bleven de gouverneurs in de Zuidelijke Nederlanden gezagsgetrouw en deden ze dus wat Madrid van hen verlangde. Niettemin bleef de vorst steeds wantrouwig ten opzichte van de landvoogden in het verre Brussel, omdat hij vreesde dat ze daar al te autonoom zouden optreden. Daarom was het ministère espagnol in Brussel er niet alleen om de gouverneurs bij te staan, maar ook om hen in het oog te houden en erop toe te zien dat ze er geen eigen politieke agenda op nahielden.[11] Het probleem was echter, dat iedereen iedereen controleerde, wat enorm verlammend werkte. Bovendien maakten de Spaanse ministers-vertrouwelingen heel wat ruzie onder elkaar, met als resultaat tijdverlies en chaos. Daar kwam nog eens bij dat deze personen die deel uitmaakten van het ministère espagnol, onbekwaam waren om de Zuid-Nederlandse vorstelijke instellingen en raden te bevolken, laat staan te leiden. Daarvoor hadden ze noch de vereiste juridische kennis, noch de ervaring in binnenlandse bestuurlijke, gerechtelijke en financiële aangelegenheden, noch de beheersing van de landstalen. Dat hadden enkel de vooraanstaande, politiek mondige autochtonen, en daarom besefte Madrid maar al te goed dat hun steun broodnodig was om het vorstelijk gezag in de Zuidelijke Nederlanden te kunnen handhaven en daar de centrale instellingen draaiende te houden.[12] Deze politiek mondige onderdanen maakten tezamen met Madrid de doorslaggevende keuzes voor de Zuidelijke Nederlanden, en niet de landvoogd en zijn ministère espagnol, die slechts de uitvoerders van de Madrileense beslissingen waren.[13]
1.3 De houding van de Zuidelijke Nederlanden ten opzichte van het centrale gezag
In tegenstelling tot andere gebieden van het Spaanse rijk, bleven de Zuidelijke Nederlanden, net als Castilië[14], bespaard van regimebedreigende opstanden. Dat kwam omdat de Zuidelijke Nederlanden zich wel konden vinden in de Spaanse heerser. Zo respecteerde hij de privileges en de provinciale en lokale autonomie, en erkende hij dat de onderdanen niet konden worden belast tenzij met goedkeuring van de standenvertegenwoordiging.[15] Tevens reageerde de centrale macht op ontevredenheid vanwege de Zuid-Nederlandse onderdanen niet met dwangmiddelen, maar met vreedzame onderhandelingen, en was ze zelfs bereid toegevingen te doen. Bovendien beschikte ze niet over voldoende dwangmogelijkheden: aan de ene kant bestond haar leger in de Zuidelijke Nederlanden voor de helft uit inlandse troepen en aan de andere kant was dat leger bijna permanent bezig met de buitenlandse vijanden af te weren. Ook aanvaardden de onderdanen in grote mate de dynastie, omdat die een factor was van continuïteit en legitimiteit. Een blijvende integratie van de Zuidelijke Nederlanden in het Spaanse rijk was dus zeer interessant, eveneens omdat de centrale macht katholiek was: de onderdanen voelden niets voor een eventuele aansluiting bij het “ketterse” calvinistische Noorden, of bij het absolutistische Frankrijk dat een einde zou maken aan hun talrijke privileges en vrijheden.[16] Onafhankelijkheid zat er voor het Zuiden ook niet in, want voor welk staatsbestel zou men dan kiezen? Voor een aristocratie, wat de derde stand niet echt zag zitten, of voor een democratie, wat niet erg populair zou zijn bij adel? De Spaanse monarchie was met andere woorden de enige regeringsvorm die de eendracht in de Zuidelijke Nederlanden kon handhaven.[17]
Maar dit alles wil niet zeggen dat er in de Zuidelijke Nederlanden nooit ontevredenheid heerste over de centrale macht. Hoewel Spanje bijna niets anders deed dan nederlagen lijden tegen de Republiek, waren de politiek mondige onderdanen niet tegen de oorlog, maar wel tegen de wijze waarop hij gevoerd werd. Ook waren de Zuid-Nederlandse edelen niet echt opgezet met de rol die Filips IV hun wou toebedelen: hij wou van hen een aan de kroon ondergeschikte en dienstbare stand maken die geen enkele concurrentie meer zou betekenen voor zijn gezag. Een opstand van misnoegde edellieden was gedoemd om te mislukken omdat ze geen steun kregen van andere politiek machtige groepen, noch van collega-edelen, en evenmin van de Zuid-Nederlandse bevolking. Het merendeel van de onderdanen in het Zuiden kozen keer op keer voor de Spaanse kroon. [18]
2. De sociaal-economische situatie te Antwerpen
2.1 De eerste helft van de 17de eeuw
In de oudere geschiedkundige werken, werd de geschiedenis van Antwerpen na haar val en herovering door Alexander Farnese in 1585, nogal somber voorgesteld in tegenstelling tot haar voorgaande gouden jaren. Zo werd er onder andere beweerd dat Antwerpen na de sluiting van de Schelde een bijzonder troosteloze periode tegemoet ging, wat uiteindelijk zou leiden tot een complete ruïne en ondergang van de gehele stad. Niets is minder waar: Antwerpen bleef de hele 17de eeuw dé economische hoofdstad van de Spaanse Nederlanden.[19] Na 1585 bleven er nog steeds verbindingen bestaan tussen de Antwerpse kooplieden die naar het buitenland waren gevlucht en de thuisblijvers, zodat over geheel Europa een stevig netwerk van handelsrelaties tot stand kwam en de Scheldestad als Dispositionsplatz een rol van internationale markt kon blijven spelen. Die rol was mogelijk door de vooruitstrevende handelstechniek die Antwerpen in de loop van de 16de eeuw had ontwikkeld zoals onder andere het gebruik van stalen en prijscouranten om bepaalde goederenkwaliteiten aan te duiden, het systeem van consignatie enzoverder.[20] Toch was er onmiskenbaar een gebrek aan groei en aantrekkingskracht tijdens de eerste helft van de 17de eeuw. Niettemin veronderstelt het toch nog betrekkelijk hoog aantal inwoners een aanzienlijke economische bedrijvigheid. De Scheldestad produceerde nog steeds hoogwaardige producten, zoals luxe- en kunstvoorwerpen, kant en zijdestoffen en geraffineerde suiker. Plaatselijke kooplui zorgden voor de afzet die hoofdzakelijk gericht was op het Iberisch schiereiland, Italië en Centraal-Europa.[21] De ondertekening van het verdrag van Munster in 1648 leek bovendien een voorspoedige tijd aan te kondigen, ook al bleef de Schelde gesloten en vreesde men voor concurrentie van de Noordelijke Nederlanden. De zijdenijverheid kende bijvoorbeeld een grote heropleving na 1648. Dit was ook grotendeels te danken aan de afschaffing van de licenten (zie later, p.). Maar wanneer deze terug heringevoerd werden in 1654, aangezien de Spaanse vorst de inkomsten die eruit voortkwamen broodnodig had voor onder meer zijn oorlog met Frankrijk, werd het gunstige effect van de vrede van Munster voor de Antwerpse economie grotendeels ongedaan gemaakt. Wegens hevig protest moest de centrale macht de licenten in augustus 1656 opnieuw afschaffen om pas in 1668 terug in voege te komen.[22]
2.2 De tweede helft van de 17de eeuw
Toch moeten niet alle economische en financiële moeilijkheden van de stad vanaf het midden van de 17de eeuw afgeschoven worden op de licentrechten; in heel Europa tekenden zich immers in die periode economische stagnatie en verval af. Met de vrede van 1648 was het gevaar van een protestantering van de Zuidelijke Nederlanden bezworen en verminderde de strijdvaardigheid van de Contrareformatorische kerk, zodat de kunstprodcutie van die zijde niet veel impulsen meer kreeg, met als gevolg dat te Antwerpen vanaf 1650 jaarlijks het aantal nieuw ingeschreven meesters in de Sint-Lucasgilde daalde. Zo was de Antwerpse kunstproductie gedwongen nog meer exportgericht te werken, en dat op een moment wanneer de naburige landen een uitgesproken protectionistische politiek gingen voeren.[23] De internationale betekenis van de Antwerpse geld- en kapitaalmarkt boette eveneens vanaf de tweede helft van de 17de eeuw aan belang in, wanneer andere centra in Noordwest-Europa meer vertrouwd raakten met de moderne financiële technieken, en de rol van Antwerpen als financieel bemiddelaar tussen kooplieden uit onderling oorlogsvoerende landen was uitgespeeld.[24] Alsof dat nog niet genoeg was, veroorzaakten slechte klimatologische omstandigheden en zware verwoestingen aan de velden door de talrijke oorlogen, een aantal mislukte graanoogsten met als gevolg stijgende graanprijzen. Daardoor traden er twee bestaanscrisissen in Antwerpen op: de eerste in 1649-1653 en de tweede in 1661-1662.[25] Tussen 1648 en 1668 ging dan ook het bevolkingscijfer erop achteruit; maar dit was niet enkel te wijten aan deze bestaanscrisissen, maar eveneens aan de emigratie uit Antwerpen door de heringevoerde licentrechten die de economie verder achteruitstelden (zie verder, p. 23).[26] Het mag dus duidelijk wezen dat politieke factoren grotendeels de 17de-eeuwse economie beïnvloedden.[27] Maar de stelling dat de rol van Antwerpen als Dispositionsplatz voorbij zou zijn rond 1650, wekte het vermoeden dat de tweede helft van de 17de eeuw verval en het ontstaan van kleine commissionairsbedrijven betekende. Toch moet deze visie genuanceerd worden: na 1650 werd de internationale groothandel wel eenzijdiger, omdat hij bijna uitsluitende gericht was op export naar Spanje, maar deze handel bloeide meer dan ooit.[28] Ook het geldwezen was één van de laatste factoren dat Antwerpen een internationale invloed bleef bezorgen.[29] Toch stagneerde Antwerpens economie in de tweede helft der 17de eeuw, maar pas in de eerste helft van de 18de eeuw trad er een regressiekarakter op, waardoor er een echt economisch dieptepunt ontstond.[30]
Hoofdstuk III: De lange weg naar 1659
Het verzet tegen de centrale overheid in oktober 1659 was niet “ineens” ontstaan in Antwerpen, maar was geleidelijk aan gegroeid uit voorafgaande problemen. Daarom is het erg belangrijk om hier een goed overzicht te geven van de jaren vijftig van de 17de eeuw, die voor Antwerpen eigenlijk een hele opeenvolging waren van twisten, ruzies en geschillen tussen vooral de ambachten en de centrale autoriteiten. Voor een beter begrip van deze conflicten zal er eerst heel kort een beeld geschetst worden van de werking van de Antwerpse Brede Raad.
De Brede Raad vormde in de Nieuwe Tijden min of meer het bestuursapparaat van Antwerpen en werd bijeengeroepen voor aangelegenheden van algemeen belang. Zijn belangrijkste taak bestond uit het vergaderen over financiële verrichtingen, het toestaan belastingen te innen, het verkopen van stadseigendommen, het aangaan van leningen, het verkopen van renten op de stad, het goedkeuren van de uitvoering van openbare werken, het wijzigen van privileges, en het ontpoorteren van burgers. De Brede Raad telde vier leden: het eerste lid werd gevormd door de magistraat, die bestond uit de binnen- en buitenburgemeester, de schepenen, de twee thesauriers, de rentmeester en de stadspensionarissen, het tweede lid werd gevormd door de oud-schepenen, het derde door de hoofdmannen van de poorterij en de wijkmeesters en het vierde door de dekens en de oudermannen van de 26 geprivilegieerde ambachten[31], die gegroepeerd waren onder de drie hoofdambachten, negen onder de schippers, negen onder de meerseniers en acht onder de lakenbereiders (zie bijlagen, p. xii).[32]
1. Wijkmeesters en dekens tegen het reglement van 1654.
Op 17 oktober 1654 stelde de centrale macht een nieuw stedelijk reglement op voor Antwerpen, dat heel wat ontevredenheid opwekte bij de wijkmeesters en de dekens van de ambachten. Dat kwam omdat een drietal artikels van dat reglement restricties inhielden betreffende de keuze en de samenstelling van het derde lid van de Brede Raad (de hoofdmannen van de poorterij en de wijkmeesters).[33] In theorie konden enkel gegoede burgers die geen lid waren van een ambacht tot wijkmeester gekozen worden en dus zetelen in het derde lid, maar slechts weinigen onder hen zagen het wijkmeesterschap zitten, aangezien men dan belast werd met talrijke administratieve opdrachten die veel tijd in beslag namen. Daarom werden veel ambachtslui die niet behoorden tot het vierde stadslid van de geprivilegieerde ambachten vaak gekozen tot wijkmeester.[34] Ook kan men uit één van de betwiste artikels afleiden dat die specifieke wijkmeesters apart vergaderingen hielden zonder de hoofdmannen van de poorterij daarvan op de hoogte te brengen.[35] De bewuste artikels van het nieuwe reglement wilden juist paal en perk stellen aan deze praktijken, om te voorkomen dat er zo te veel macht zou afvloeien naar de ambachten, wiens belangen grotendeels haaks op die van de centrale macht stonden.[36] Maar de ontevredenheid van de dekens en wijkmeesters was niet echt aan die beperkingen te wijten, maar wel aan het feit dat het juist de centrale overheid was die zo’n restricties afkondigde, wat volgens hen tegen de Antwerpse privileges inging. Van oudsher was het immers zo dat de magistraat - het eerste lid van de Brede Raad - besliste over de samenstelling en werking van de andere leden van die Raad, en niet het centrale bestuur.[37]
Toch kunnen we anderzijds zeggen dat de betwiste artikels niet helemaal tegen de privileges ingingen, omdat de beperkingen in verband met het derde lid die “opgelegd” werden, alleen maar een herhaling waren van wat de Antwerpse costuimen zelf zegden.[38] Het is juist om die reden dat de Raad van Brabant verklaarde dat het reglement nageleefd diende te worden, omdat er niets in te vinden was dat tegen de privileges was.[39] Uiteraard kan er uit heel deze zaak afgeleid worden dat de centrale macht die restricties niet afkondigde omwille van haar kommer om de naleving van de Antwerpse costuimen, maar wel om via dit legitiem achterpoortje een greep te kunnen krijgen op het Antwerpse stadsbestuur. Naar eigen zeggen wilde het centrale bestuur het reglement opleggen om zo de bewegingsvrijheid van de Antwerpse burgers in te perken.[40] Dat is waarschijnlijk ook wat de ambachten en de wijkmeesters aanvoelden, wat heel wat woede bij hen teweegbracht, woede die werd geuit op vergaderingen die ze organiseerden zonder toestemming van de magistraat en die dus bijgevolg niet toegestaan waren.[41] Alsof dat nog niet genoeg was, gingen ze nog eens klagen bij de Staten van Brabant, en probeerden ze zo de andere belangrijke Brabantse steden, Brussel en Leuven, voor hun zaak te winnen. Dat mislukte, maar toch hielden ze voet bij stuk; de ambachten en de wijkmeesters weigerden te luisteren naar het advies van de Raad van Brabant en eisten van de Antwerpse magistraat dat hij zou handelen alsof het bewuste reglement nooit had bestaan.
Landvoogd Leopold-Willem vreesde dat Antwerpen in opstand zou komen en zich zou omvormen tot een stadsrepubliek. Uiteindelijk zou de landvoogd de Raad van Brabant de opdracht geven om de kanselier en twee raadsheren naar de Scheldestad te sturen, zodat ze hem later konden inlichten over de problemen die het derde en vierde lid hadden met het reglement en om hem eventuele oplossingen voor te stellen. De magistraat van Antwerpen liet echter weten dat dit echt niet nodig was, en dat hij de zaak wel zelf zou afhandelen, zonder inmenging van bovenaf. Daar wilde Leopold-Willem echter niets van weten en stuurde toch enkele leden van de Raad van Brabant naar Antwerpen. Deze werden er toch goed ontvangen waardoor de gesprekken omtrent het reglement onmiddellijk konden beginnen.[42] Drie dagen later kwamen de kanselier en de raadsleden al met een voorstel op de proppen: een tijdelijke wijziging maken in de betwiste artikels in overleg met de dekens en wijkmeesters. Op 17 februari 1655 ging de landvoogd hiermee akkoord op voorwaarde dat er binnen de zes dagen al resultaten te zien waren. Zoniet, zou er langs gerechtelijke weg opgetreden worden. Op 2 maart overhandigden de dekens en wijkmeesters hun voorstel tot wijziging aan de magistraat, dat vervolgens werd doorgestuurd naar de landvoogd. Deze laatste was hiermee tevreden: het derde en vierde lid wilden het nieuwe stedelijke reglement aanvaarden, uitgezonderd de betwiste artikels. Leopold-Willem liet op 4 maart al een voorlopige acte opstellen, met de bedoeling de gemoederen te sussen, in afwachting van een definitieve ordonnantie.[43]
2. Een voortdurende bron van onrust: de licenten
Bij het begin van de Tachtigjarige Oorlog stelde Filips II de licentrechten in, een belasting die men moest betalen indien men handel wou drijven met het vijandelijke deel van de Nederlanden, een soort tol op het in - en uitvoeren van bepaalde producten. In principe zouden de licenten enkel opgelegd worden in oorlogstijd, maar ook tijdens het Twaalfjarige Bestand bleven ze gehandhaafd. Maar wanneer de Tachtigjarige Oorlog tussen Spanje en de Republiek door de ondertekening van de Vrede van Munster in 1648 aan zijn einde kwam, was er geen enkele reden meer om de licenten te handhaven. Ze werden afgeschaft, wat op luid gejuich werd onthaald in verschillende steden in de Zuidelijke Nederlanden, omdat zo de handel een stuk goedkoper werd.[44] Vooral Antwerpen - dat altijd al één van de grootste tegenstanders van de licenten was geweest [45]- was hier heel gelukkig mee, omdat zo de Scheldetrafiek veel minder door financiële lasten zou gehinderd worden.[46] Van zodra de licentrechten afgeschaft waren, zou de stad zelfs de boekhouding ervan in de Schelde geworpen hebben.[47] Hoewel de Schelde niet volledig open werd verklaard, kon de stad toch weer gaan beginnen hopen op een bloeiende handel en economie. De bewering van d’Hovyne in zijn rapport van februari 1655, dat Antwerpen eigenhandig de licenten had afgeschaft[48], zal uiteraard wel een overdrijving zijn geweest om de vorst naar de mond te praten, mits Filips IV in een schrijven van 8 december 1648 de opheffing van de in- en uitgaande licenten op de Schelde door de landvoogd, zelf had goedgekeurd.[49] Wel is het mogelijk dat de Spaanse vorst het opportuun achtte om aan Antwerpens eis inzake afschaffing der oorlogslasten tegemoet te komen. Reeds lange tijd tekende de magistraat verzet aan tegen de licenten en zou er een gevaarlijke onrust onder het volk heersen.[50] Het leek het beste moeilijkheden in de Nederlanden te vermijden, omdat het niet lang meer zou duren eer de landvoogd Brussel moest verlaten om opnieuw uit te rijden tegen Frankrijk.[51]
Al snel bleek dat Filips IV zozeer afhankelijk was geworden van de inkomsten die de licenten hem verschaften, dat hij ze op 12 oktober 1654 terug instelde.[52] Als men daar de ontevredenheid bijtelt dat het nieuwe stadsreglement van 17 oktober 1654 met zich meebracht, kan men begrijpen dat er een erg gespannen toestand heerste in de stad. Op 6 februari 1655 schreef Leopold-Willem een verontrustende brief naar de Spaanse koning: daarin stond dat hij vreesde dat Antwerpen, Gent en Brussel zich aan het Spaanse gezag wilden onttrekken. De landvoogd had namelijk informatie gekregen over besprekingen die hadden plaatsgevonden tussen agenten van Mazarin en afgevaardigden van enkele Zuid-Nederlandse steden, waaronder Antwerpen, omdat ze zich, met Hollandse steun, wilden ontdoen van het Spaanse gezag onder de bescherming van Lodewijk XIV.Volgens Leopold-Willem moest dit wel waar zijn, want dit alles werd weerspiegeld in de houding van Antwerpen, dat alle vorstelijke ordonnanties aangaande de licenten boycotte. De landvoogd zag geen enkel mogelijke remedie.[53] Op 22 februari uitte de landvoogd nogmaals zijn bezorgdheid over de Antwerpse ongehoorzaamheid.[54] Toch had de Raad van State eerder, op 25 januari 1655, geoordeeld dat de inning van de nieuwe in - en uitvoerrechten onder geen beding mocht worden stopgezet, maar dat het dan wel moest gebeuren avecq toute retenue et douceur… commandant aux officiers de s’abstenir de rigeur extraordinaire et d’employ de soldats. Ook werd er tijdelijk afgezien van een controle op koopwaar en voorraden op de werf en in de kuip van Antwerpen.[55] Later, op 25 mei 1655, kwam er een gelijkaardig bericht van de Madrileense Raad van State: gezien de oppositie van Antwerpen tegen de licenten, keurde men goed dat de landvoogd met zo’n voorzichtigheid handelde. De Raad spoorde Leopold-Willem aan om verder te handelen in alle zachtheid.[56] Het bleef een tijdje rustig tot juli, wanneer de dekens en wijkmeesters opnieuw protesteerden tegen de heringestelde rechten. Ceux d’Anvers retournent a leurs mauvaises habitudes, schreef de Raad van State in een brief aan de landvoogd. De wijkmeesters en dekens zouden immers geprobeerd hebben de magistraat aan hun zijde te scharen en van hem geëist hebben om direct en krachtdadig op te treden tegen de licenten, onder het dreigement dat ze het anders zelf wel zouden doen. Wat ze absoluut niet begrepen, was dat de twisten rond de nieuwe rechten onder de bevoegdheid vielen van rechters die zich niet eens burgers of inwoners van Antwerpen konden noemen. De magistraat, die een rebellie vreesde, vroeg aan de Raad van State om die speciale rechterlijke bevoegdheid in te trekken, omdat hij wilde vermijden dat de inning van de licenten met geweld belet werd. Wanneer dan een reactie van de overheid te lang op zich liet wachten, trokken een twintigtal afgevaardigden van het derde en vierde lid naar de rechters en de ontvanger van de douanerechten. Ze verboden hen nog langer uitspraken te doen over de problemen met de licenten omdat dit niet strookte met de privileges; een actie die de magistraat absoluut niet goedkeurde. De Raad van State probeerde wanhopig naar een oplossing te zoeken[57] nu de Staten van Brabant de maand voordien ook al om het even welke bede hadden geweigerd omwille van de licenten.[58] Vooraleer de Raad van State een strategie kon bedenken, vroeg de Antwerpse magistraat opnieuw om hulp: de wijkmeesters en dekens hadden gedreigd om zelf de speciale rechters de stad uit te zetten. De Raad van State reageerde met ongeloof en schreef een aanmoedigende brief naar de magistraat om met gezag op te treden tegen die personen. Toch was de Raad van State bezorgder dan hij had doen blijken in de brief aan de magistraat: de Raad schreef immers tegelijkertijd een brief naar Leopold-Willem, waarin deze om bijstand werd gevraagd. Leopold-Willem deelde de bezorgdheid van de Raad, en was van mening dat alle mogelijke struikelblokken die aanleiding konden geven tot een muiterij, moesten vermeden worden. De speciale rechters werden teruggeroepen in augustus 1655.[59] Uiteindelijk zou het centrale bestuur de duimen moeten leggen in augustus 1656: Don Juan van Oostenrijk, de nieuwe landvoogd, moest noodgedwongen de licentrechten tijdelijk opschorten als gevolg van de sterke oppositie van Brabant en vooral Antwerpen.[60] De daaropvolgende jaren werd nog herhaaldelijk geprobeerd om de heffing van lasten op in- en uitgaande koopwaar ingang te doen vinden. Dit zou steeds op verzet blijven stuiten van Brabant en Antwerpen.[61]
Dit verzet tegen de regeringspolitiek kwam voort uit financiële bekommernissen, en hoewel al lang bewezen is dat ook voor Antwerpen de 17de eeuw niet zo’n “ongelukseeuw” was als aanvankelijk gedacht, en de herinvoering van de licenten geen catastrofale gevolgen had voor het economische leven in Antwerpen, had het zo wel zijn zware weerslag op handel en nijverheid. Dat toont een enquête aan, die de magistraat in 1655 liet uitvoeren: volgens de wijkmeesters waren er zo’n 1640 mensen werkloos of geëmigreerd sedert de herinvoering van de licenten.[62]
3. Verzet van de wijkmeesters en dekens tegen de vraag van de bierbrouwers tot accijnsverlaging.
Ook in het jaar 1655 ontstond er grote opschudding bij de Antwerpse brouwers; de Brede Raad had namelijk beslist dat ze zes stuivers moesten betalen op elke ton gebrouwen goed bier. De brouwers weigerden dit bedrag te betalen, omdat in hun ogen dit een zeer onrechtvaardige accijns was: ze waren van mening dat die belasting werd ingevoerd voor de aflossing van de gemene stadsschulden, en dat dit niet ten laste moest vallen van slechts één ambacht.[63] Op 29 december ordonneerde de magistraat - met goedkeuring van de landvoogd - dat de brouwers verplicht waren hun gebrouwen hoeveelheid bier te gaan aangeven bij de vertegenwoordigers van het stadsbestuur én de accijns te betalen, op straffe van uitgesloten te worden van de brouwersnatie.[64] Als reactie sloten de bierbrouwerijen hun deuren, waarop er een acuut gebrek aan de levensnoodzakelijke drank ontstond. Hierop reageerde de magistraat echter met een dubbele maatregel: alle bieren van buitenaf mochten geïmporteerd worden en het brouwersambacht werd voor iedereen opgesteld die maar wilde brouwen.[65] Opnieuw ging het derde en vierde lid van de Brede raad zich met het geschil bemoeien: zo eisten ze onder meer van de magistraat dat een bepaalde brouwer, die de zes stuivers nog niet had betaald, onmiddellijk die belasting moest komen deponeren, hoewel de man er nog drie dagen de tijd voor had. De magistraat wees hen daarop, maar de dekens en de wijkmeesters dreigden ermee, dat als de amman de arrestatie niet zou uitvoeren, ze het zelf wel zouden doen, waarop ze weigerden het stadhuis te verlaten. De magistraat werd zo ertoe gedwongen het arrest door de amman te doen uitvaardigen. Niet lang daarna zouden de brouwers zich dan toch schikken naar de beslissing van de Brede Raad en de accijnzen betalen, aangezien het proces dat ze hadden aangespannen voor de Raad van Brabant op 3 januari 1656 nietig werd verklaard; ze moesten zich immers schikken naar de ordonnantie van 29 december.[66]
Een anoniem auteur - vermoedelijk iemand uit het brouwersambacht - stelde een brief op die naar de Raad van State werd gezonden, waarin hij zijn beklag deed over de wantoestanden in 1655-1656: Het is ten hooghsten noodich dat tHoff met den eersten remedie stelt over de stadt Antwerpen, want de overhandt van de seditieuse gemeynte neempt dagelyx soo dapper aen dat met den corsten wel mochte uuyt bersten tot eene publique revolte. In Antwerpen hing blijkbaar zo’n gespannen toestand dat niemand wat durfde te doen aan de bijeenkomsten die de seditieuse gemeynte hield. Het derde en vierde lid van de Brede Raad kwamen meer en meer in verzet tegen de magistraat en eisten allerlei zaken van hem, en bleven gewoon op het stadhuis zitten, tot de magistraat tot toegeven gedwongen werd. Bovendien zetten de wijkmeesters en dekens ook nog eens een grote mond op tegen de Raad van Brabant: in hun schrijven aan pensionaris Edelheer, stond dat de Brede Raad niet viel onder de bevoegdheid van de Raad van Brabant, maar dat die juist omgekeerd “absoluut” was. De anonieme auteur drong dan ook aan op een optreden van hogerhand, zodat de leiders van de seditie zouden worden berecht voor de Raad van Brabant. Al deze moeilijkheden vloeiden volgens hem voort uit het gebrek aan respect voor de magistraat en voor het reglement van 1654 dat was opgeschort omdat men een rebellie vreesde. De landvoogd zond drie raadsheren van de Raad van Brabant naar Antwerpen, om informatie te verzamelen over de moeilijkheden en over de anonieme auteur. Maar het stadsbestuur, inclusief de magistraat, wilde er niets van weten, van medewerking was geen sprake. Men vond de Raad van Brabant niets anders dan een bemoeial die zich kwam mengen in zaken die enkel en alleen de stedelijke autoriteiten aanbelangden. Als ze zich niet terugtrokken, zweerde men in opstand te komen. De Raad van Brabant adviseerde de landvoogd de raadsheren terug te fluiten, wat bewijst dat men de toestand al te gevaarlijk vond om enige actie te ondernemen. Hoewel dit gebeurde op 1 februari 1656, werden er in april van datzelfde jaar toch een aantal personen van het derde en vierde lid voor de Raad van Brabant gedaagd; of er verdere gerechtelijke stappen werden ondernomen, is niet geweten.[67]
4. De geestelijkheid tegen de “schelling generael” op bier en wijn.
Op 11 mei 1656 volgde Don Juan van Oostenrijk aartshertog Leopold-Willem op als landvoogd. Pas op 4 mei 1657 deed de nieuwe gouverneur-generaal zijn intrede in Antwerpen, hoewel deze niet veel voorstelde: de stad zat krap bij kas, waardoor er maar één stellage opgetrokken werd voor het stadhuis die de heldenmoed van Don Juan uitbeeldde.[68] De stad besloot hem een som van 80 000 gulden te schenken ter compensatie, maar die zou hij enkel krijgen als hij de beslissing van de Brede Raad goedkeurde in verband met de schelling generael op de bieren, waarmee de gift zou gefinancierd worden. De vier leden van de Brede Raad hadden namelijk besloten dat ook de geestelijkheid deze taksen op bier en wijn moest meebetalen, hoewel vrijstelling van accijnzen steeds één van de privileges was geweest van de clerus. Slechts de vier bedelorden, de capucijnen, het professiehuis van de Jezuïeten en enkele kleinere congregaties zouden vrijgesteld blijven.[69] De landvoogd ging hiermee akkoord op 11 mei en liet een reglement opstellen dat de hoeveelheid tonnen wijn en bier voor de vrijgestelden en de jaarlijkse belastingen voor de niet - vrijgestelden bepaalde, en stipuleerde dat alle persoonen, van wat staet oft conditie de selve souden mogen wesen, Gheestelijcke oft Wereltlijcke, Inwoonderen deser Stadt…schuldigh sijn te betalen de Stadts accijsen op wijn ende bier.[70] Daardoor kwam Don Juan in een goed daglicht te staan bij de Antwerpse burgers,[71] maar daartegenover wekte hij groot misnoegen bij de clerus. De geestelijken zouden zich sterk verzetten tegen dit privilegieverlies en in november 1657 kwam het tot relletjes, wanneer het gerucht de ronde deed dat de bisschop van Antwerpen, Ambrosius Capello, een bul tot kerkban had verkregen van de paus tegen al wie de privileges van de clerus aantastte. Een aantal mensen zouden de koets van de bisschop tegengehouden hebben wanneer hij naar de kerk reed, en gedreigd hebben hem zijn paarden te ontnemen. Verder werden enkele kloosters, die de accijnzen weigerden te betalen, geplunderd. Zo vernietigde men er onder andere de brouwketels.[72] Hierop was de bisschop naar de Raad van Brabant gegaan met zijn kerkban, maar men raadde hem af de toepassing en de afkondiging ervan uit te voeren, omdat men bevreesd was voor een heuse opstand.[73] De gespannen sfeer bleef aanwezig in de Scheldestad in 1658, zeker wanneer er dat jaar ook nog eens een inning van “kettinggeld” werd geordonneerd door de Staten van Brabant.[74] Die onrust wordt bevestigd in het schrijven van Filips IV aan zijn zoon Don Juan op 25 maart en 17 mei 1658. In zijn brief van 25 maart spoorde hij zijn zoon aan de toestand in Antwerpen onder controle te houden, gezien hij binnenkort niet meer in Brussel zou zijn om heel deze situatie te regelen, omdat hij moest uitrijden tegen Frankrijk,[75] en in de brief van 17 mei verklaarde Filips IV dat de pauselijke nuntius hem had gesproken over het reglement dat men in Antwerpen had uitgevaardigd, waardoor de geestelijken hun immuniteit op de bier - en wijntaks hadden verloren. Filips vroeg aan Don Juan om dat reglement terug in te trekken, waarschijnlijk omdat hij niet echt zin en tijd had om ook nog eens een conflict aan te gaan met het geestelijk gezag.[76] Blijkbaar kon of wou Don Juan het reglement niet opschorten, aangezien dit pas gebeurde in 1660 (zie verder, p. 45 en 109).
De geschillen tussen leken en geestelijken waren nog steeds niet van de baan: begin 1659 schreven de Staten van Brabant een schouwgeld uit,[77] en de dekens en wijkmeesters eisten dat ook de clerus dit zou betalen. Eerst beriepen de geestelijken zich weer op hun oude privileges en weigerden bij te dragen, maar omdat de heersende sfeer te gevaarlijk was, ging de magistraat bemiddelen met de bisschop. Beiden kwamen tot een compromis: de geestelijkheid zou de bijdrage betalen, niet als een verplichte belasting, maar als een vrijwillige gift. Zo zou de clerus uiteraard wel kunnen terugvallen op zijn oude privileges van zodra de gemoederen waren bedaard.[78] Deze aloude twisten tussen Antwerpse burgers en geestelijkheid zouden blijven duren tot augustus 1660, wanneer de clerus zijn oude vrijstelling van accijnzen terugkreeg en zich verzoende met de leken.[79]
5. Geschillen met de Taxische postdienst.
Op het einde van de 16de eeuw werden de stads- of koopmansboden, die instonden voor het vervoer van de briefwisseling van privé-personen, kooplieden, wisselaars en bankiers, erg belangrijk in Antwerpen, waardoor ze in voortdurende concurrentie leefden met de centraal georganiseerde post. Deze centrale post stond onder de leiding van één persoon[80] die hiervoor het monopolie had gekregen van de vorst, dat hij verder volgens zijn eigen opvattingen kon aanwenden. Aanvankelijk was dit monopolie beperkt tot alle vorstelijke en diplomatieke briefwisseling. Om de noodzakelijke snelheid te bereiken die dit soort briefverkeer vereiste, voerde men het “postgewijs” rijden in: het wisselen van paarden van “station” tot “station” die op geregelde afstanden werden opgericht. Dit was een gebruik dat het absolute monopolie was van de Taxische postdienst, wat tevens gold voor het gebruik van de posthoorn, wat een snelle doorgang verzekerde. Sinds het midden van de 16de eeuw had de officiële postdienst van de Taxis ook het recht verworven om niet-officiële documenten te transporteren, zodat men kon concurreren met de lokale stadsboden. Die concurrentie zou vooral met de Antwerpse boden hoog oplopen: deze laatsten waren zeer goed georganiseerd, aangezien de Scheldestad op het einde van de 16de eeuw was uitgegroeid tot één van de belangrijkste knooppunten in het internationale postverkeer. Hoewel haar Gouden Eeuw definitief voorbij was sinds de sluiting van de Schelde in 1585, werd ze al snel hét administratief en dirigerend centrum van de handel, waardoor een uitgebreid briefverkeer noodzakelijk was. De Antwerpse bodedienst stond in verbinding met de belangrijkste Zeeuwse en Hollandse steden, Duitse handelsplaatsen en bovendien was het een belangrijke schakel voor het briefverkeer naar Engeland, Frankrijk en Spanje. De Taxis voelde zich sterk bedreigd door deze concurrent en besefte dat zijn organisatie het meest gebaat was met een beperking van de bodediensten, hoewel hij niet de stedelijke privileges in verband met de boden mocht aantasten. Wel slaagde Leonard de Taxis erin aartshertogen Albrecht en Isabella op 13 november 1600 een ordonnantie te doen uitvaardigen die het postgewijs briefverkeer naar het buitenland verbood, behalve voor de Taxische koeriers. In Antwerpen weigerde men echter halsstarrig deze verordening te publiceren, omdat ze werd gezien als een bedreiging voor de buitenlandse lijnen op onder andere Keulen, Frankfurt en Hamburg. Wanneer er een wapenstilstand kwam door het Twaalfjarig Bestand, verwachtte men in Antwerpen een bloei van handel en nijverheid, waardoor de kooplui - die geen voorstanders waren van een gemonopoliseerde vorstelijke postdienst - bij de magistraat aandrongen het briefvervoer aan te passen aan de toekomstige economische bloei.[81] Zo stelde men een hele hoop nieuwe boden aan, en kwam men tot een echt goedwerkend Antwerps bodekantoor. Dit was echter een doorn in het oog van de Taxis, waardoor hij opnieuw aandrong op de publicatie van de vorige ordonnantie, wat gebeurde op 9 september 1609. Hiermee trachtte de Taxis de Antwerpse bodediensten te verbieden op vooral de Duitse en Hollandse steden. Maar alweer weigerde de magistraat het desbetreffende plakkaat te publiceren. Daarop maakte de Taxis de zaak aanhangig bij de Raad van Brabant, wat uitmondde in een langdurig proces, waarin de Taxis niet in staat bleek te zijn om een goede wettelijke ondergrond te geven voor zijn eisen.[82]
Onder invloed van de Taxis greep de centrale macht in en op 21 februari 1654 verbood de Geheime Raad het Antwerpse postkantoor en alle bodediensten op het buitenland. Het postkantoor werd werkelijk gesloten op 7 mei, maar de magistraat en de boden legden zich niet bij het vonnis neer en dienden protest in bij de Raad van Brabant. Antwerpen was van mening dat in deze aangelegenheid dan wel staatsbelangen en buitenlandse politiek mochten gemoeid zijn, alle betrokkenen waren Brabanders en de Geheime Raad had daarvoor de Raad van Brabant niet geraadpleegd. De Raad van Brabant trad dit standpunt bij en uiteindelijk besliste hij op 24 maart 1657 dat de uitspraak van de Geheime Raad niet geldig was. Deze beslissing tastte de competentie van een centrale overheidsinstelling aan ten voordele van een gewestelijke, maar de landvoogd durfde niet in te grijpen, omdat de Staten van Brabant nog een aantal beden diende goed te keuren en omdat er in Antwerpen zo’n intense spanning in de lucht hing dat een vernietiging van de uitspraak van de Raad van Brabant zeker tot onlusten had geleid. Het enige dat de landvoogd kon doen, was het bevel geven aan de Raad van Brabant om de hele zaak nog eens grondig te onderzoeken.[83] Het allerlaatste vonnis over deze zaak kwam er op 2 december 1658 en dat eigenlijk alleen maar de rechten van beide partijen bevestigde (zie bijlagen, p. i).[84] Het vonnis was zeker niet ten nadele van de stad of de Taxis, maar ondertussen was de concurrentiële positie van de Antwerpse bodedienst zo sterk aangetast dat enkel een inkrimping van het monopolie van de Taxis redding kon brengen. De Antwerpse magistraat zou om herziening blijven vragen, en zond op 27 februari 1659 zelfs nog een rekest aan de vorst, maar deze wou niet verder gaan dan het aanstellen van een bemiddelingscommissie.[85] De magistraat zou zich dan bij het vonnis neerleggen en het publiceren, maar de ambachten waren een andere mening toegedaan; ze vonden dat het vonnis botste met de stedelijke privileges. In de lente en zomer van 1659 kwam het tot vechtpartijen: onder leiding van de dekens van de ambachten werden de Taxische koeriers keer op keer beroofd van hun Hollandse post, zelfs nadat dit uitdrukkelijk verboden werd in het vonnis van 2 december en de koeriers onder de bescherming waren geplaatst door een deurwaarder van de Raad van Brabant:[86] Maer dese exploicten souden vruchteloos ghemaeckt gheweest syn door het ghewelt ende weghen van feyt van vele dekens van de ambachten, de welcke niet teghenstaende insinuantien ende particuliere verboden aen hen ghedaen door de deurweerders in den naem van syne Majesteyt ende van synen rade, souden in misachtinghe van d’een ende d’ander de brieven wech ghenomen hebben met ghewelt ende daer inne ghecontinueert vele daghen met grooten toeloop van volck, hebbende oock soo temerair gheweest van aen den huissier, directeur van de executie, te doen insinueren een protest van weghen het derde leth van de stadt, ten eynde hy d’executie niet en soude doen. [87]
Uiteraard kon de Raad van Brabant niet toestaan dat zijn vonnis zo sterk met de voeten werd getreden. Op 23 juli 1659 besliste de Raad dat een aantal dekens, hun notaris en twee stadsboden voor hun wangedrag moesten worden gedagvaard. Ze hadden negen dagen de tijd om zich aan te melden bij de cipier van Treurenborchpoort, waar ze zouden verblijven in afwachting van hun proces. Ze kwamen echter niet opdagen en werden daardoor, op advies van de procureur-generaal, bij verstek veroordeeld op 25 augustus 1659: ze werden verbannen uit het hertogdom Brabant met confiscatie van goederen (zie bijlagen, p. ii).[88] Wanneer de veroordeelden op de hoogte waren gebracht van dit vonnis, vroegen ze herhaaldelijk om uitstel van uitvoering en stuurden daarenboven een aantal rekesten ter hunner verdediging naar de kanselier van Brabant en de landvoogd, waarin ze zweerden dat ze trouwe onderdanen van de vorst waren en dat ze aan niets anders schuldig waren dan de verdediging van de privileges.[89] Volgens hen waren het juist de procureur-generaal en de deurwaarders van de Raad van Brabant die zich niet aan het vonnis van 2 december hielden en daarom moest het vonnis van 25 augustus declaré nulle et de nulle valeur, mal et induement faite, aux obligation de la casser et mettre a neant avec touts depens, dommages et interets, et combien que pendant ledict debat on avoit subject de croire que ledit procureur general n’etoit fondé de former aucune plaincte et moings plaincte criminelle a la charge des suppliants, sous pretexte qu’ils n’avoient deferé a la suditte execution par lui mal et indurement intentée.[90] Daarom begrepen ze niet waarom ze berecht moesten worden en waarom dat dan nog eens zou moeten gebeuren door de Raad van Brabant. Antwerpse poorters moesten immers berecht worden in eerste aanleg - zowel voor civiele als criminele zaken - door de wethouders van de stad.[91] Maar deze zaak werd door de centrale macht gezien als majesteitsschennis en dat was het ook: de veroordeelden brachten schade toe aan de vorstelijke postdienst van de Taxis en zijn koeriers, terwijl de Raad van Brabant expliciet verboden had niet en vermoghen te attenteren teghens de posterye van syne Majesteyt, haere couriers ofte postillions, hunnen rechten ende pregorativen, ‘tzy door d’afnemen van de pacquetten oft brieven, t’beletten van ’t liber aenbrenghen, vervueren ende bestellen der selver op het postcomptoir op 2 december 1658 (zie bijlagen, p. i).[92] Daarenboven wil dit laatste zeggen dat de veroordeelden ook nog eens een vonnis van de opperste vorstelijke rechtbank voor het hertogdom Brabant in de wind hadden geslagen. Zodus was deze zaak een casus reservatus, een gereserveerd geval voor de vorst, die moest worden ingeleid door de procureur-generaal van de Officie-Fiscaal van de Raad van Brabant:[93] “Al hoe wel dat het recht der posten notoirelyuck is regal ende syne Majesteyt in langhe ende peyselycke possesie van de selve te ghebruycken in alle syne reycken…soo ist nochtans dat onlanghs eenighe der stadt Antwerpen hun hebben vervoordert het selve recht te willen usurperen ende by weghe van feyt aen syne Majesteyt beletten…synen procureur generael van het Hertoghdom van Brabandt heeft daer over toe vlucht ghenomen aen den cancellier ende luyden van den rade gheordonneert in den selven Hertoghdomme als naturelycke ende ordinarisse richters, die professie maecken ende eedt doen te conserveren syne privilegien…”.[94]
Er werd geen enkel gehoor gegeven aan de rekesten van de bannelingen, omdat ze zich volgens de landvoogd enkel konden verdedigen onder pretext van privilegien die sy niet en hebben konnen allegueren applicabel totten teghenwoordighen cas.[95] Om meer effect te bekomen oordeelde de Raad van Brabant het gunstig om de magistraat van Antwerpen het bevel te geven het vonnis van 25 augustus te publiceren en aan te plakken in de stad,[96] maar de magistraat voelde blijkbaar aan dat hij zo de volkswoede zou opwekken en vreesde voor oproer, mits de ambachten, het meest actieve en weerbarstige deel van de bevolking, gemakkelijk de volksmassa wisten te mobiliseren.[97] Daarom vroeg de magistraat uitstel van publicatie bij de Raad van Brabant, dat hij ook daadwerkelijk kreeg voor enkele dagen,[98] maar wanneer bleek dat hij daarna het vonnis nog steeds niet had bekendgemaakt, raakte de Raad geïrriteerd; op 25 september - maar liefst een maand later - stuurde hij de magistraat het bevel het vonnis onmiddellijk en zonder enig uitstel te publiceren en uit te plakken.[99] Toch was de magistraat blijkbaar zo bevreesd voor rellen dat hij het aandurfde op 26 september opnieuw om uitstel te vragen, aangezien er afgevaardigden van de ambachten waren vertrokken naar Brussel om de zaak te gaan bepleiten.[100] Diezelfde dag schreef de Raad al een brief terug waarin stond dat men het heel vreemd vond dat het bevel niet werd opgevolgd en men eiste dat de magistraat het zonder verder dralen zou publiceren en plakken, omdat men anders gedwongen zou zijn maatregelen te nemen.[101] Op de 27ste zou men dan uiteindelijk het vonnis publiceren en moest het - zoals de traditie het bepaalde - worden afgelezen op de pui van het stadhuis door de schout.[102] Maar de magistraat had niet zomaar deze dag gekozen: het grootste gedeelte van de bevolking was immers naar het Galgenveld afgezakt om er de executie bij te wonen van een paardendief, waardoor er niemand op de Grote Markt aanwezig was om het vonnis aan te horen.[103] Wanneer het vonnis ’s morgens op 30 september 1659 werd uitgehangen aan het stadhuis en andere belangrijke plaatsen, bleek de vrees van de magistraat gefundeerd te zijn. Voor de dekens van de ambachten was dit vonnis de laatste druppel: in plaats van steeds maar hun woede te uiten door geredetwist, gingen ze nu over tot echte collectieve actie.
6. Conclusie
Het is duidelijk dat er reeds sinds 1654 een gevaarlijke toestand in Antwerpen heerste wegens twisten met de centrale macht. Deze voorafgaande geschillen mogen zeker niet afgedaan worden als “onbenullig” of “niet ter zake”, omdat deze niet losstaan van, maar integendeel de aanleiding vormen tot wat er in september en oktober 1659 zou gaan gebeuren; september/oktober 1659 kan eigenlijk als een soort van eindpunt beschouwd worden in een keten van opeenvolgende conflicten.
Wat in de hierboven geschetste problemen ook al zeer goed opvalt, is dat de twisten steeds het werk waren van de dekens van de ambachten en wijkmeesters. Bij sommige zaken konden ze rekenen op de hulp van de magistraat, wiens steun noodzakelijk was om hun eisen ingewilligd te zien. Maar wanneer de slaagkans van hun eisen verminderde, omdat de magistraat afhaakte uit vrees voor sancties van hogerhand, keerde de woede van de dekens zich ook tegen hem. Dat laatste zagen we onder meer in de problemen in verband met de bier- en wijntaksen toen de dekens de magistraat tot medewerking dwongen, en zou nog veel sterker naar voor komen in september/oktober 1659.
In de ogen van de dekens en de wijkmeesters was de centrale macht de grote boosdoener, omdat volgens hen deze de privileges schond. Naar mijn mening werden er niet echt privileges geschonden, maar wel belangen: dat was zo in 1654 wanneer de centrale macht een reglement probeerde uit te vaardigen dat hun politieke macht trachtte in te perken, ook in 1654 wanneer de licentrechten opnieuw werden opgelegd dat de hoop op een heropbloei van de Antwerpse economie de grond inboorde, in 1655 wanneer de landvoogd raadsheren van de Raad van Brabant zond voor een zaak die enkel de stad aanbelangde, en uiteraard heel het geschil met centrale macht in verband met de Taxische postdienst dat het Antwerpse stadsbodekantoor bedreigde. Vooral de bemoeienissen van de centrale macht via de gewestelijke Raad van Brabant - hoewel die naast soevereine vorstelijke rechtbank en bestuurlijke instelling ook de verdediger was van de Brabantse privileges - werkte op hun heupen. Deze Raad moest de Brabanders beschermen, maar waarschijnlijk vertrouwden de dekens en wijkmeesters hem niet goed. Zo was er onder andere een bepaald Brabants raadsheer van dat moment die ook lid was van de Geheime Raad en daarenboven de zoon was van de voorzitter ervan, Charles d’Hovyne, een vooraanstaand figuur, vertrouwensman van de Spaanse vorst en tevens “Brabander - misantroop”.[104]
Eveneens opvallend is de voortdurende onmacht van de centrale autoriteit om iets aan de moeilijkheden te kunnen doen, waarschijnlijk door haar verzwakte positie in het midden van de 17de eeuw.[105] Meermaals moest de landvoogd de gezonden raadsheren terugroepen, werd hij tot voorzichtigheid aangemaand door de Raad van State, de Madrileense Raad van State en de koning, of moest hij zelfs instemmen met de eisen van het Antwerps stadsbestuur. Er was ook duidelijk angst aanwezig bij de centrale macht voor het uitbreken van een heuse opstand, waarbij andere steden zoals Gent en Brussel zich gemakkelijk zouden aansluiten. En hoewel overdreven en clichématig, was landvoogd Leopold-Willem bevreesd dat Frankrijk en de Noordelijke Nederlanden steun zouden bieden aan Antwerpen, zodat de stad zich kon losmaken van het Spaanse gezag.
Vele van deze zaken zullen terugkomen in de oppositie van de dekens van de ambachten in september en oktober 1659.
Hoofdstuk IV: Overzicht van de gebeurtenissen in september/oktober 1659
1. Van 30 september tot en met 8 oktober: de plunderingen veroorzaken chaos in de stad
Wanneer op 30 september het banvonnis van de Raad van Brabant uiteindelijk werd aangeplakt op verschillende plaatsen in de stad, duurde het niet lang vooraleer het overgrote deel van de bevolking ervan op de hoogte was. De vrouw van Jan Molyn, één van de verbannen dekens, rukte het plakkaat van het vonnis af dat voor het stadhuis was aangeplakt en liep ermee naar de Guldenberg en het Bierhoofd,[106] waar ze het volk ophitste en opstookte tegen de magistraat. Rond elf uur ’s morgens kwam de grote groep van ontevredenen - die vooral uit ambachtslieden en vreemdelingen zou bestaan - samen voor het stadhuis en eiste van de magistraat dat hij de verbannen personen terug in ere zou herstellen.[107] Waarschijnlijk door de aanhoudende druk van de ambachten en de aanblik van zo’n grote massa woedende mensen die de Grote Markt bezetten, beloofden de heren van de magistraat dat ze een plakkaat zouden publiceren dat de verbannen dekens van alle blaam zou zuiveren. Vervolgens trok de magistraat zich terug in de collegekamer op het stadhuis waar hij over de toestand vergaderde. Blijkbaar liet een beslissing over het eerherstel te lang op zich wachten, want de oproerige massa bestormde de noordzijde van het stadhuis.[108] Een relaas van de stadssecretaris van 1669 verklaarde hoe de heren van de magistraat, de schout en de amman die aanwezig waren in de collegezaal, vreesden voor hun leven wanneer ze hoorden hoe er op de deuren werd ingebeukt. Ze zouden immers geen wapens bij zich hebben gehad, en vonden de sleutel niet terug wanneer ze probeerden te vluchten via de trappen langs het kwartier van de conciërge. Ondertussen hadden de boze ambachtslieden de deuren langs de noordzijde kunnen openkraken en trachtten ze vervolgens het voorportaal van de voorzaal, waar de angstige ambtenaren zich bevonden, in te beuken. Toen hen dat lukte en ze binnenstormden met bijlen, knuppels en andere attributen, poogde rentmeester Schenaerts hen te kalmeren door te zeggen dat ze begonnen waren met het beloofde plakkaat op te stellen. Dit was echter tevergeefs: de rentmeester kreeg enkele raken klappen en moest onder het bloed wegvluchten. Ook buitenburgemeester Hendrik van Halmale kon net ontsnappen aan een bijlslag. De anderen panikeerden en liepen het stadhuis uit met een deel van de woedende menigte achter zich aan. Wanneer ze naar de kamer van de kolveniers liepen, weigerde Peter Arendonck, lid van de gilde, hen binnen te laten, maar hij stond wel toe dat ze via de achterkant van het gebouw naar de woningen van wijkmeester Van Breusegem en de heer Bollaert vluchtten waar ze zich schuil konden houden.[109] Enkelen van de furieuze groep zouden geroepen hebben om naar het huis van buitenburgemeester Hendrik van Halmale te gaan op het Groen Kerkhof. Daar zouden een drieduizendtal mensen aanwezig geweest zijn die eerst het blazoen van van Halmale’s Spaanse schoonvader aan stukken gooiden en vervolgens de deur openbraken en het huis van kop tot teen plunderden. De buitenburgemeester verloor niet alleen zijn meubels, maar ook boeken, charters, documenten en andere papieren. Diezelfde dag vluchtte van Halmale nog naar Brussel. Ondertussen had men toch een beroep gedaan op de gewapende gilden die erin slaagden de menigte uiteen te drijven, waardoor het die namiddag en nacht rustig bleef. [110]
Op de 1ste oktober kwam er opnieuw een grote massa samen op de Grote Markt die wou weten wat er zou gaan gebeuren met de verbannen personen. De magistraat zwichtte onder de druk en werd verplicht het vonnis van de Raad van Brabant te casseren en zelf een plakkaat uit te vaardigen dat verklaarde dat de bannelingen sullen ghestelt worden in ruste en vrede, ende in hunne oude functien ende bedieninghen, ghelijck mijne Heeren hun daer voor kennen ende houden en verder dat de Privilegien deser Stadt sullen worden onder-houden ende achter-volght (zie bijlagen, p. iii). Hierdoor werden de gemoederen gesust en verliet het volk de Grote Markt. De gewapende gilden werden ontbonden. Op dezelfde dag vertrokken binnenburgemeester Gillis Martens, schepen van de Werve en pensionaris Haeckx naar Brussel, waar ze zouden proberen het afgedwongen plakkaat te doen goedkeuren door de Raad van Brabant. Tot zes oktober bleef alles relatief rustig in Antwerpen.[111]
De 6de oktober zouden enkele afgevaardigden vanuit Brussel teruggekomen zijn met het antwoord van de landvoogd en Raad van Brabant op het rekest van de magistraat, waarin stond dat sy (de magistraat) bidden souden voor de ghebanne Dekens, ende niet eene om hun te ontschuldighen, ghelyck sy met dese deden (het plakkaat van 1 oktober); maer souden abolitie versoecken, met belofte van voldoenynghe aen de sententie van bannissement.[112] Of dit slechts een gerucht was of niet, het deed er niet veel toe; opnieuw troepte er een grote woedende menigte samen voor het stadhuis, waardoor de stormklok van de kathedraal werd geluid en alweer het bevel werd gegeven de gilden in de wapenen te brengen.[113] Daarop ging de massa eerst naar het huis van de schout waarvan de ramen werden ingegooid met stenen. De woning liep geen verdere schade op door het optreden van heer Anselmo, een verwant van de schout.[114] De massa droop af en trok naar het filiaal van de koninklijke postdienst van de Taxis op Sint-Jacobsmarkt, dat sinds 1646 in handen was van weduwe Roelants.[115] De ramen en deuren van het postkantoor werden uitgeworpen, hoewel enkele paters capucijnen dat probeerden te verhinderen. Door een snelle tegenactie van de schout, thesaurier Batkin en oud-burgemeester van Berchem tezamen met enkele gewapende gilden bleef ook dit gebouw van verdere plundering gespaard.[116] Daar zou het volk geroepen hebben: “Zoo gy durft, schiet; maer dan komen wy uw huis ook plunderen!”.[117] Vervolgens liepen de “oproerkraaiers” naar de woning van de bisschop, waar ze eveneens verdreven werden door de gewapende gilden. Die avond en nacht waren naar verluidt hoogst beangstigend voor de burgers door het gelui van de stormklok van de kathedraal, het geroep en getier van het volk en de talrijke vuren die op de straten werden aangestoken, zodat de burgerlijke wacht en de gilden hun werk beter konden verrichten.[118]
Wanneer op 7 oktober de leden van de Brede Raad hun vergadering beëindigden en het stadhuis wilden verlaten, verhinderden sommigen hen de uitgang. Toch bleef het die middag redelijk rustig, maar er hing wel een zware spanning in de lucht: op de één of andere manier was de Antwerpse bevolking te weten gekomen dat er zestien “getekende” huizen waren die het risico liepen geplunderd te worden door de woedende massa. De burgers verstopten hun goederen en vrouwen en kinderen in kloosters en wie de stad uitkon, vertrok met have en goed.[119] Rond vijf à zes uur in de namiddag kwamen de “oproerlingen” bijeen op de Grote Markt. De gewapende gilden probeerden ze uiteen te drijven, maar de meesten bleven rondhangen in kleine steegjes en straten. Rond zeven uur sloegen de stormklok en het tromgeroffel alweer alarm, toen enkele kinderen met stenen in de hand de Korte Nieuwstraat introkken en luidkeels riepen. Deze keer moest het huis van de deken van de schoenmakers, Jacob Matthys, eraan geloven: deuren en vensters werden ingesmeten, de huisraad werd vernield en op straat in brand gestoken. Bij deze plundering had de boze massa de overhand: de burgerlijke wacht en de gilden konden de grote groep niet aan, en wanneer één van de schepenen de schutters het bevel gaf te schieten hadden dezen geantwoord: “Mijnheer, wy en willen niet schieten onder borghers ghelyck wy syn”. Hierop sloten de bewuste schutters zich gewoon aan bij de groep, waarop de schepen de benen moest nemen voor de regen van stenen waarmee hij bekogeld werd. Vervolgens liep de troep richting Luizenmarkt[120] naar de woning van Maarten Mauwels, de deken van de bakkers, die ervan verdacht werd geld van de Taxis te hebben gekregen om partij te kiezen voor hem en tegen het stadsbodekantoor in te gaan. Zijn huis onderging hetzelfde lot. Hier had de gewapende wacht meer succes: ze schoten één van de plunderaars dood, waardoor de rest de moed verloor en wegvluchtte. Rond elf uur ’s avonds kwamen ze weer samen in de Keizerstraat waar pensionaris van Broeckhoven woonde, die zeer gehaat was omdat hij de zaak van de stad tegen de Taxis niet goed verdedigd zou hebben. Maar één van de kapiteins van de burgerlijke wacht was erop tijd bij en opende het vuur op de menigte die in allerijl wegsnelde met hun gewonden.[121] De magistraat gaf het bevel ‘s nachts licht aan te steken en ordonneerde dat de gewapende gilden en burgerlijke wacht de hele nacht moesten waken. Er werd eveneens voor extra beveiliging aan de stadspoorten gezorgd.[122]
De 8ste oktober verliep niet veel rustiger. De straten lagen er nogal doods bij, omdat alle winkeliers hun deuren gesloten hielden en de meeste burgers binnenshuis bleven uit angst overvallen of mishandeld te worden. Enkele geestelijken vertrokken naar Brussel om voor de dekens te pleiten bij de landvoogd. Rond acht uur luidde de klok van de kathedraal opnieuw alarm: een oproerige groep was naar de Kauwenberg afgezakt om het huis van de deken van de geelgieters, François Rubbens, te plunderen. Oud-burgemeester van Berchem trok aan het hoofd van een honderdtal goed uitgeruste mannen van de Paddegracht[123] - waar hij nog een “brutale” schipper had neergeschoten die hem de doorgang ontzegde - naar de woonst van Rubbens waar hij de plunderaars kon afschrikken nadat ze een ware ravage hadden aangericht. Deze laatsten passeerden via het huis van de deken van de kaarsmakers in de Kuipersstraat dat ze echter ongemoeid lieten, omdat ze de vlucht moesten nemen voor de gewapende gilden.[124] Later op de dag probeerden ze de brouwerij “De Oude Leeuwen” op de Oude Leeuwenrui te bestormen, maar hier hadden ze eveneens geen geluk door de snelle reactie van de brouwers.[125]
2. Van 8 tot 16 oktober: de magistraat probeert in te grijpen, maar faalt
Op 8 oktober beet de magistraat voor de eerste keer echt van zich af door een zeer streng plakkaat te publiceren dat onder meer stipuleerde dat niemand naar de Grote Markt mocht komen, er geen groepjes mochten worden gevormd, alle vrouwen en kinderen binnenshuis moesten blijven, alle mannen de wapens moesten grijpen als men alarm sloeg, er ‘s nachts steeds licht moest aangestoken worden en dat de burgerlijke wacht de oproerkraaiers uiteen moest drijven en daarbij - indien nodig - met scherp te schieten.[126] De magistraat nam ook betere maatregelen voor de verdediging van de stad: er werden honderd ruiters gelicht die werden verdeeld in twee compagnieën die dag en nacht door de straten moesten patrouilleren, en op algemeen verzoek van de kapiteins van de burgerlijke wacht werd iedere vrijwilliger die mee de wacht wilde houden per dag uitbetaald. Dat laatste vond men blijkbaar nodig, want hoewel alle weerbare mannen van Antwerpen dienstplicht hadden bij de burgerlijke wacht, sloten vele armen en ambacht