| De Groote Oorlog bekeken door een pince-nez. Edward Anseele, het socialisme en de bezetting van Gent. (Willem Dedobbeleer) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
De figuur Anseele
Eén van de grootste figuren die de Belgische politiek heeft gekend, is ongetwijfeld de socialistische pionier Edward Anseele. Een kennismaking met de persoon die het onderwerp uitmaakt van deze scriptie, is dan ook gepast. Het zal daaruit meteen duidelijk worden waarom het verhaal van Anseele tijdens de Eerste Wereldoorlog een belangrijke bijdrage is tot de geschiedenis van Gent, en zelfs België. Geboren te Gent in juli 1856[1], zou hij tijdens zijn leven uitgroeien tot een icoon, en nog lang daarna een legendarische naam blijven. Zijn betekenis voor het (Belgische) socialisme is dan ook niet min.
Op 18-jarige leeftijd leerde Anseele de Gentse afdeling van de socialistische (Eerste) Internationale kennen. De meeting die hij nieuwsgierig bijwoonde, zou, volgens de eerder ongenuanceerde biograaf Paul Kenis “wellicht het meest belangrijke feit uit geheel zijn leven” zijn geweest. De beweging zou hem voor de rest van zijn leven niet meer los laten.[2] Hij trok meteen de aandacht door zijn enthousiasme en niet veel later zou hij al met het nazicht van de rekeningen en correspondentie van de sectie belast zijn.[3] Toen de Internationale op een mislukking was uitgelopen, was het vooral door de Gentse groep - onder impuls van Edmond van Beveren, en later van Edward Anseele - dat de socialistische arbeidersbeweging in België weer een nieuwe wind in de zeilen kreeg. In 1877 zou de voor de rest vrij betekenisloze Vlaamse Socialistische Partij worden opgericht, evoluerend naar de al even grijze Belgische Socialistische Partij (BSP). Ook hier zou Gent de drijvende kracht zijn. De belangrijkste ontwikkeling in het Belgische socialisme vond echter plaats in 1885. Toen in de Borinage een werkersstaking uitbrak, werden op voorstel van Anseele broden gestuurd naar de stakers. De solidariteit tussen beide landsdelen die daar het gevolg van was, zou een noodzakelijke voorwaarde zijn voor de oprichting van een Belgische Werkliedenpartij (BWP), dat een duurzaam sociaal-democratisch compromis was. Opnieuw was Gent dus de gangmaker. De belangrijkste programmapunten van de BWP waren onder meer de verovering van het algemeen stemrecht, de scheiding van kerk en staat, de nationalisatie van banken, spoorwegen enz. en tot slot het bekomen van een redelijke arbeidsduur. De stap naar het politieke socialisme was gezet.[4] Eenduidig is de literatuur niet, maar dat Anseele een belangrijke rol speelde - zowel bij de totstandkoming van de BWP als bij het opstellen van het programma -, kan niet ontkend worden.[5] Internationaal gezien was het ook hij die het idee voor de jaarlijkse 1-meiviering opwierp.[6] Zo had hij een hand in de relancering van zowel het Belgische socialisme als dat van de Internationale.
Bij de eerste verkiezingen met het algemeen meervoudig stemrecht in 1894 zou Anseele als eerste socialist meteen verkozen worden voor de Kamer (voor Luik): een functie die hij bekleedde tot aan het einde van zijn actieve carrière. Zonder aarzeling ging hij energiek te keer tegen zijn behoudsgezinde collega’s en legde hij zijn gewicht in de schaal voor allerhande sociale verbeteringen. Befaamd was de zogenaamde Cartouche & Cie–redevoering, over de wantoestanden in de Gentse textielindustrie.[7] In 1918, net na het einde van de Eerste Wereldoorlog, zette hij zijn persoonlijke opgang nog verder, aangezien hij in het kabinet van nationale eenheid werd opgenomen, samen met Wauters en Vandervelde. Opnieuw was hij voor (bevrijd[8]) België een van de eerste socialisten die het tot minister brachten. Hij kreeg de portefeuille van Openbare Werken toegewezen. Onder druk van de socialisten werd in 1918 bij de besprekingen van Loppem ook het belangrijkste programmapunt van de BWP, namelijk het algemeen enkelvoudig stemrecht (AES), doorgevoerd.[9] Internationaal werd zijn belang voor de Eerste Wereldoorlog eveneens steeds groter: in de Tweede Internationale vormde hij samen met Bertrand, Huysmans en voorzitter Vandervelde het Uitvoerend Bureel.[10]
Op het meer lokale vlak zou Anseele ook zijn stempel drukken op de politiek en de ontwikkeling van het socialisme. Bij de eerste gemeenteraadsverkiezingen met het meervoudig stemrecht, werden de socialisten meteen de grootste Gentse partij met 14 zetels, tegen 13 voor de liberalen en 12 voor de katholieken. Verder dan een zitje in de Gemeenteraad geraakte Anseele echter niet, omdat de katholieken en liberalen de socialisten voorlopig blokkeerden.[11] In 1907 kon het rode blok niet langer genegeerd worden, en werd hij schepen van Financiën voor Gent. Zijn schepenpost gaf hij pas op toen hij minister werd in 1918.[12] Een tweede grote verdienste was de oprichting van het dagblad Vooruit. In de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van 1884 kon hij zijn partijgenoten van de BSP van de noodzaak van een plaatselijk socialistisch dagblad overtuigen. Zo werd Vooruit uit de grond gestampt met als doel gerichte propaganda te voeren. Het tijdelijke project was een succes en Anseele zag meteen in welke kracht er uitging van het permanent maken van het dagblad voor de socialistische federatie. Dat gebeurde en het blad zou te Gent uitgroeien tot een stevige tegenspeler van de burgerlijke bladen, zoals Le Bien Public en La Flandre Liberale.[13] Daarnaast was er ook nog de Samenwerkende Maatschappij (SM) Vooruit. Begonnen als een coöperatieve bakkerij, zou de verbruikscoöperatie uitgroeien tot een machtig bastion, met onder meer een coöperatieve klerenwinkel, een grootwarenhuis en een apotheek. In het stadsbeeld van Gent zijn de imposante sporen daarvan nog steeds aanwezig. Zo is het cultuurcentrum Vooruit in de St.-Pietersnieuwstraat niets anders dan het grote feestpaleis van de SM, ingehuldigd in januari 1915. De leden kregen in ruil voor hun lidgeld elke drie maand een deel van de winsten van de maatschappij uitgekeerd, en konden daarnaast genieten van voordelige prijzen. Op die manier was de SM Vooruit bijzonder aantrekkelijk voor de arbeiders, wat meteen ook de belangrijkste verklaring is voor haar grote succes. De grootste winsten van de SM kwamen echter vooral de Gentse federatie van de BWP ten goede, die de middelen aanwendde voor haar hardnekkige propaganda, werkingskosten en verdere uitbreiding van de coöperatieve. Anseele zag het aantrekkelijke van dat mechanisme goed in. Volgens Debeuckelaere in zijn “bijdrage tot de biografie van Anseele” was er evenwel geen sprake van dat Anseele de eigenlijke stichter was van de SM Vooruit. Foucaert, Van Gijseghem, Verbauwen en De Witte waren de drijvende krachten achter het initiatief. Wel is het zo dat Anseele de SM Vooruit tot haar grote bloei bracht, gesteund door Van Beveren. Ze namen immers nog in het stichtingsjaar 1883 de macht over, toen ze de coöperatieve vooral ten dienste wilden stellen van de socialistische strijd, en de oorspronkelijke stichters zich daar niet in konden vinden.[14] Naast het oprichten van een ziekenkas (de Bond Moyson) en het stichten van een Bank van de Arbeid in 1913 - beide geen kleine verwezenlijkingen -, werden er onder Anseeles impuls ook nog coöperatieve fabrieken opgericht. Het geld dat de arbeiders hadden kunnen verzamelen als gevolg van hun verbeterende positie in de maatschappij, moest als startkapitaal dienen. Volgens Anseele “de schoonste en stoutste poging, die de werkende klasse van België tot hiertoe heeft aangedurfd.” De weverij die er het gevolg van was, draaide voor het eerst op 21 september 1904. 35 % van de winsten werd aan de werklieden en de bedienden uitgekeerd, 20 % aan de klanten, 15 % aan sociale werken ten voordele van het personeel en telkens 10 % aan de beheerders, aan de federatie der coöperatieven, en ten slotte aan werken voor arbeidersontwikkeling.[15]
Anseele was een icoon voor zijn achterban en ver daarbuiten, bemind onder de arbeiders voor zijn niet aflatende energie en onder de burgerij gevreesd voor zijn scherpe redevoeringen. Maar volgens Hendrik Defoort was hij ook een pionier. In zijn “Werklieden bemint uw profijt!” onderzocht hij de Gentse sociaal-democratische casus tegen de achtergrond van het internationale socialisme. Het Gentse model kan grotendeels samengevat worden als “de kapitalisten met eigen middelen bestrijden”. Met de explosieve groei van de SM Vooruit, het oprichten van coöperatieve bakkerijen, apothekers, ziekenfondsen en zo meer, gesteund door een machtig socialistisch dagblad, is het daar fantastisch in geslaagd. De Gentse arbeiders stapten mee in het microsysteem dat de Gentse socialisten hadden uitgebouwd en profiteerden van de winsten dat het genereerde. Het project breidde zich steeds verder uit in de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog
Is dat Gentse model grotendeels afwezig of niet meer dan een voetnoot in de grote studies over het socialisme, toch toont Defoort aan dat het wel degelijk ook lustig geanalyseerd en ten dele overgenomen werd door de socialisten van over de grenzen heen. Los daarvan, en zoals hierboven reeds aangehaald, stond Gent ook en vooral model voor het Belgische project, en de BWP als socialistische partij. Kortom, het Gentse model - waarvan Anseele en tot aan zijn dood in 1897 ook Van Beveren de drijvende krachten van waren - speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van de sociaal-democratie.[16] Volgens Vanschoenboeek was het Gentse model nog het best te typeren als volgt: “zijn gedurfde inpassing in de moderne sociale marktekonomie waarbij men openlijk uitkwam voor een sociaal-technokratische managementsfilosofie.”[17] De organisatiegeest, het scherpe inzicht en de werkkracht van Anseele waren daarbij onontbeerlijk, en voor de Eerste Wereldoorlog zou hij dan ook (samen met Vandervelde) uitgroeien tot de absolute leider van de BWP en een figuur met groot aanzien in de internationale socialistische kringen. Hij wás een pionier. En het belang van het Gentse socialisme in de ontwikkeling van het internationale en Belgische socialisme mag niet onderschat worden.
Het Gentse project werd ook gekenmerkt door haar pragmatische karakter. Het doel waren concrete en directe lotsverbeteringen. Heel het verhaal van de SM Vooruit, de Bond Moyson, de coöperatieve industrieën, enz. is daar op zich al een perfect voorbeeld van. Anseele wenste niet de omverwerping van het kapitalisme, maar de sociale modificatie ervan.[18] We vinden die pragmatische geest ook terug in het partijprogramma van de BWP. Ook daar lag de nadruk op het doorvoeren van concrete hervormingen in het belang van de arbeiders. Het belangrijkste programmapunt was de verovering van het algemeen (enkelvoudig) stemrecht. De redenering daarachter was opnieuw pragmatisch. Immers, als de arbeiders stemrecht zouden hebben, was de onteigening van de kapitalisten nabij omdat de BWP dan een verregaande machtspositie zou opbouwen. Het electorale potentieel van een tot dan toe politiek monddode groep was groot. En die onteigening van de kapitalisten was het uiteindelijke doel.[19]
In de prosopografische studie die Vanschoenbeek maakte van de Gentse sociaal-democraten, komt Anseele naar voren als een volkstribuun, een volksmenner, die een groot deel van zijn kracht en aanzien te danken had aan zijn “virtuose de la brutalité”. Zijn kleine gestalte compenseerde hij met een zekere brutaliteit en scherpte in woorden, al kon hij ook heel innemend zijn. Zijn opgang had hij vooral te danken aan het feit dat hij tot de pioniers kon gerekend worden, zijn martelaarschap (hij zat in de lente van 1886 een aantal maanden een gevangenisstraf uit omdat hij de koning had beledigd) en het feit dat de kritiek uit de hoek van De Witte op het juiste moment kwam. Hij kwam er alleen maar sterker uit. Daarna was Anseele onaantastbaar geworden in de Gentse kringen: hij “kon zonder problemen zijn opvattingen en projecten ontvouwen en voorstellen, enkel hoefde hij de tijd te laten werken.” Zelf profileerde hij zich van aan het begin van de twintigste eeuw ook zo: zijn autoriteit was gevestigd. Híj was dé leider, en niemand anders. Hij zou zich zo bijvoorbeeld niet meer laten verleiden tot het in de clinch gaan met interne opposanten, maar liet anderen de kastanjes uit het vuur halen (iets wat we ook terugzien tijdens de Eerste Wereldoorlog). Maar bovenal was Anseele een goed bemiddelaar tussen uiteenlopende strekkingen en groepen in eigen kring, zodat Vanschoenbeek hem een bonapartisch talent zou toeschrijven. Hij doorzag de verschillende lobby’s binnen het Gentse socialisme, en speelde daar bijzonder goed op in. Hijzelf kon zich dan ook perfect profileren als grote Gentse leider. De eretitel “Vader” Anseele was de perfecte uiting van het “patriarchaal” socialisme dat het Gentse model was.
Eigenlijk kon Anseele net zo goed carrière hebben gemaakt in een gedemocratiseerde liberale partij. Hij stond veel dichter bij de liberale kringen dan hij zelf wilde toegeven.[20]
Dat de figuur van Anseele mythische proporties had, kon men al vaststellen bij zijn overlijden in 1938.[21] Tijdens de uitvaartplechtigheid kwam er een indrukwekkende volksmassa op straat om hem een laatste eer te betuigen.[22] De inhuldiging van het Gentse Anseele-monument op het Woodrow Wilsonplein kort na de Tweede Wereldoorlog, is eveneens een bewijs van de betekenis van de vooraanstaande socialist. De bundel eerbetuigingen voor deze gelegenheid, uitgegeven met medewerking van Camille Huysmans en andere prominente Belgische socialisten, zijn dat evenzeer.[23] In de twee decennia daaropvolgend zouden er nog talloze herdenkingen zijn.[24] Ook nu nog wordt hij geroemd en herdacht. Afgelopen jaar werd 150 jaar Edward Anseele gevierd, met een tentoonstelling in de Bank van de Arbeid, ingericht door het Amsab. En bij de verkiezing van de Grootste Belg in 2005 was hij een van de genomineerden. Hij zou op de 58ste plaats eindigen. Daarmee was hij de vierde politicus op de lijst.
Onderzoeksvragen
De geschiedenis schrijven van een figuur als Anseele tijdens de Eerste Wereldoorlog is niet evident. Ten eerste blijft een algemene en veelomvattende geschiedenis van Gent tijdens die periode nog ongeschreven. Maar ook naar de Gentse socialisten tijdens die periode werd nog niet veel onderzoek gevoerd. Historica Mieke Claeys-Van Haegendoren[25] schreef in 1967 weliswaar een studie over de Belgische Werkliedenpartij tijdens onder meer de Eerste Wereldoorlog, maar de Gentse federatie komt maar terzijde aan bod. Over Gent verscheen van stadshistoricus André Capiteyn “Gent en de Eerste Wereldoorlog”[26]. Uiteindelijk is dat maar een bundel verschenen naar aanleiding van een tentoonstelling in 1991/1992, en is het bijgevolg niet bijzonder omvattend. Informatie over de stad Gent en de Gentse socialisten moesten we verzamelen uit de marges en voetnoten van eerdere studies.
Over de politieke situatie in Gent zijn we vrij goed ingelicht met de licentiaatsverhandeling van Veronique Michiels over de “Godsvrede”[27], over de Internationale met Wim Geldolfs “Stockholm 1917”[28] en over het activisme met “Het aktivistisch avontuur” van Daniël Vanacker[29]. Ook Yves Puissants “Genese en schipbreuk van de Vredesgroep der Socialistische Partij”[30] mogen we niet vergeten als we het hebben over de afscheuring binnen de Gentse BWP tijdens de oorlog. Binnen die verhalen moet de rol van Anseele daarin wel telkens verder onderzocht worden. Veel minder goed zijn we ingelicht als het gaat over de verschillende hulpinitiatieven en Anseeles relaties met de Duitsers. Eigenlijk moet de conclusie zijn dat er nog veel te weinig onderzoek werd gevoerd naar Gent tijdens de Eerste Wereldoorlog, en dat in de eerder schaarse werken die wel specifiek over Gent handelen[31] de rol van Anseele bijna volledig achterwege blijft. Jawel, zowel Bertrand[32] en Kenis[33] hebben in hun respectievelijke biografieën over Anseele een hoofdstuk gewijd aan de Eerste Wereldoorlog, maar het is maar de vraag wat we daarmee kunnen aanvangen. Elke kritisch apparaat ontbreekt, waardoor het weinig zinvol is veel belang te hechten aan beweringen over het activisme, Stockholm, enz. Ook feitelijke overzichten ontbreken grotendeels.
Gent bleef tijdens de Eerste Wereldoorlog relatief lang gevrijwaard van de Duitse bezetting. Toen de Duitse troepen in de tweede week van september 1914 aan de poorten van de stad stonden, besloten de Duitse generaals de beschikbare troepen in te zetten om het geallieerde tegenoffensief aan de Marne te counteren. Men geloofde immers nog steeds in een oorlog van korte duur, tengevolge van een merkwaardig optimisme dat langs beide oorlogszijden overheerste. Een duurzame bezetting van Gent paste dus voorlopig niet in de oorlogsplannen. Eigenlijk was dat een grote militaire blunder, want de oorlog duurde wel lang en het Belgische leger werd door die aarzeling in Duitse rangen in staat gesteld zich te hergroeperen en in Antwerpen terug te trekken. Omdat de troepen zuidwaarts trokken, kon Antwerpen als uitvalsbasis gebruikt worden. En na de val van Antwerpen konden de Belgische troepen zich onder meer via Gent in de richting van de Ijzer terugtrekken. Het strategische en mentale voordeel van een insluiting van de Belgische troepen zou aanzienlijk geweest zijn. Ruim drie maanden na de inval werd Gent uiteindelijk toch (vreedzaam) overgedragen aan de Duitse bezetters, kort nadat de Belgische weerstand in Antwerpen was gebroken. Gent werd tweemaal gespaard van bombardementen.[34]
België zelf was bij de stabilisering van het front verdeeld in drie grote gebieden: het kleine stukje “vrij” België achter de Ijzer, het Etappengebied (zelf onderverdeeld in het eigenlijke frontgebied en het achterland), en het gebied van de gouverneur-generaal.[35] De Gentse Kommandantur (het laagste besturingsniveau) werd ingedeeld bij het Etappengebied, en kende in die hoedanigheid geen burgerlijk, maar wel een militair bestuur. De regio stond volledig ten dienste van de militairen aan het front, en de verordeningen uitgevaardigd door de gouverneur-generaal te Brussel waren er enkel geldig als ze door het militaire bestuur werden bekrachtigd.[36] Verder bestond het Etappengebied uit een Zivilverwaltung, of burgerlijk bestuur, en een Militärverwaltung, of militair bestuur. In tegenstelling tot in het gouvernement-generaal was de scheidslijn tussen beide besturen niet zo duidelijk.[37]
Het bezettingsregime in het Etappengebied was als gevolg van de militaire prioriteiten die er heersten sowieso harder dan in het gouvernement-generaal.[38] Als hoofdplaats van het Etappengebied voor het IVde Leger was Gent dan nog eens vergeven van Duitse soldaten. Die Gentse context is niet zonder belang bij het stellen van de onderzoeksvragen van deze verhandeling. We zagen hoger al dat Anseele in het parlement zetelde, een der leiders van de BWP was (met zetel in Brussel), en ook een zitje had in het Executief Comité van de Tweede Internationale. Tengevolge van de indeling bij het Etappengebied werden zijn bewegingsvrijheid en communicatiemogelijkheden sterk ingeperkt. Deze verhandeling zal dan ook noodgedwongen haar blik moeten richten op Anseele in een Gentse context. Het Etappengebied was immers strikt gescheiden van het gouvernement-generaal, en dat de contacten tussen het bezette België en de geallieerde en neutrale buitenwereld niet evident waren, spreekt voor zich.[39]
Die beperking tot Gent geldt echter niet voor de eerste vraag die deze verhandeling zich stelt. Wat ondernam Edward Anseele aan het begin van de oorlog, zowel in nationale als Gentse context? Anseele mocht nog steeds zijn mening verkondigen, en zich vrij bewegen. Enkel op de dagbladen werd er een censuur ingesteld, iets waartegen het dagblad Vooruit overigens scherp fulmineerde. Hoe keek hij verder de oorlog tegemoet? En op welke manier schatte hij het mogelijke leed voor de Belgische bevolking toen in en hoe wou hij dat verzachten? Niet oninteressant is natuurlijk ook de vraag welke stelling Anseele als lid van het Uitvoerend Bureau van de Arbeidersinternationale aannam, maar daar komen we op terug in het vierde hoofdstuk van deze verhandeling. En hoe komt Anseele naar voren bij de eerste dreiging tot bezetting van Gent en de eigenlijke bezetting een maand later? Specifiek is de literatuur over al deze zaken niet, maar Bertrand en Kenis - de twee biografen van Anseele - raken het thema wel aan, zij het niet gehinderd door een scherpe kritische bril. Ook het Oorlogsdagboek van het Davidsfonds[40] doet wat deze Gentse situatie betreft het een en ander uit de doeken.
In een volgend hoofdstuk[41] gaan we naast de concrete bezigheden van Anseele dieper in op zijn bijdrage aan allerhande initiatieven voor hulp en voeding. Alom bekend is het Nationaal Hulp en Voedingscomité (NHVC), een comité dat speciaal werd opgericht door een groep Brusselse industriëlen, waaronder Solvay, met als belangrijkste doel om de behoeftige bevolking van hulp en voeding te voorzien. De bevoorrading van het systeem gebeurde in samenspraak met de Duitsers en geallieerden, terwijl de Commission for Relief in Belgium, waarin de neutrale landen waren vertegenwoordigd, voor de leveringen instond. Is het aannemelijk dat Anseele ook hier mee te maken had? Maakte hij deel uit van het NHVC, of een van haar onderafdelingen, of was het eerder een informele samenwerking? Het antwoord op die vraag is niet zonder belang. De eerste naoorlogse regering telde onder haar ministers enkele leden die zich bij het NHVC verdienstelijk hadden gemaakt. Behoort ook Anseele tot die personen die van deze sprinkplank hebben gebruik gemaakt? Of heeft hij zich op andere manieren verdienstelijk moeten maken? Automatisch denken we dan aan de functie die hij als schepen van Financiën, Regies en Haven uitoefende. Gent bevond zich zoals gezegd in moeilijke omstandigheden. Op welke manier droeg Anseele bij aan de inspanningen die het schepencollege en de gemeenteraad zich getroosten? Is hij op dat vlak heel actief? Men kan vermoeden van wel, aangezien de hulp vooral noodzakelijk was voor de armere delen van de stadsbevolking - voornamelijk arbeiders dus -, bij uitstek de achterban van de socialisten. Vooral de armeren hadden immers te lijden onder de oorlog omdat de prijzen voor levensmiddelen de hoogte inschoten en veel fabrieken door de Duits opeisingen van materiaal op de fles moesten gaan. Liet Anseele zich leiden door oprechte bekommernissen voor het lot van de bevolking, of speelden zoals zo vaak ook persoonlijke ambitie en/of andere hogere belangen mee? In “Het politiek maatschappelijk leven te Gent (1914-1918). Een permanente godsvrede?” geeft Veronique Michiels een onvolledig overzicht van de gedane inspanningen door de stad en de socialistische en katholieke vertegenwoordiging hierin. Onder meer de motivatie van de verschillende spelers wordt erin belicht, maar ook de concrete conflictpunten. Een overzicht van de gedane inspanningen vinden we ook, en vollediger, terug bij Steels in “Te Gent tijdens de Eerste Wereldoorlog”[42]. Op het hogere niveau is er van de hand van Henry, secretaris van het NHVC, een overzicht van “Le ravitaillement de la Belgique”[43]. Interessant zijn ook de egodocumenten die verschenen zijn van Gentse personaliteiten tijdens de oorlog. Zowel Marc Baertsoen[44], liberale ereschepen van de stad, als Virginie Loveling[45], Vlaams auteur, hielden een dagboek bij, dat ondertussen werd uitgegeven, waarin de inspanningen i.v.m. de voeding aan bod komen. Voor de meeste informatie zijn we echter aangewezen op het bronnenmateriaal, omdat de rol van Anseele zelf nauwelijks voor het voetlicht treedt in de literatuur. Tot slot vragen we ons af of Anseele voor zijn optreden in de voedselproblematiek ter discussie stond. Werd er veel kritiek geleverd, en op welke manier? Was die terecht, of vooral deel van het politieke spel?
Op dat politieke aspect van Anseeles optreden wordt dieper ingegaan in een derde hoofdstuk. In het tweede hoofdstuk vroegen we ons al af in welke mate zijn optreden voor het volk een gevolg was van oprechte bekommernissen, dan wel gedreven werd door de belangen van de socialistische beweging. Kunnen we die voorlopige conclusie doortrekken naar de volledige oorlogsperiode? Welke momenten/discussies kunnen we verder uitwerken om ons te helpen daarover conclusies te trekken? En moeten we daarvoor enkel kijken naar wat zich in de socialistische beweging afspeelde, of mogen we in navolging van Michiels’ stelling aannemen dat er in het stadsbestuur zelf, ondanks de “Godsvrede”, een hevige politieke strijd werd gevoerd? Anseele was als grote figuur van het Gentse socialisme natuurlijk te verwachten als dé voorvechter van het socialisme. De vraag is echter of hij, als schepen en al dan niet in het licht van zijn plannen voor na de oorlog, de strijd wel degelijk naar zich toetrok of deze overliet aan militanten op het lagere niveau. Welke initiatieven gingen uit van het stadsbestuur, die de socialistische strijd konden dienen, en vooral ook, welke initiatieven gingen uit van het socialistische middenbestuur zelf? Kunnen we daarin Anseeles hand herkennen? Krijgt Anseele ook op dit vlak kritiek te verduren? En tot slot, hoe moest het naoorlogse België eruitzien voor Anseele? Veel antwoorden op deze vragen moeten we niet verwachten in de literatuur. Claeys-Van Haegendoren toont wel aan dat de Belgische socialisten tout court zich sterk associeerden met de Belgische staat, ook en vooral met het oog op een toenemende invloed na de oorlog. Over Gent zelf doen Louis Bertrand en Paul Kenis, in hun respectievelijke biografieën over Anseele, en Michiels en Capiteyn daar wel uitspraken over, maar enkel Michiels doet dat op een onderbouwde manier. Volgens haar is er geen sprake van dat de politieke strijd kwam stil te liggen. Hoewel zij zich vooral baseert op de socialisten om die stelling te staven, treedt de rol van Anseele zelf daar echter amper bij aan het licht. Op basis van wat we bij Bertrand en Kenis lezen, kunnen we wel al enkele interessante breekpunten onderscheiden. Zo was er de discussie rond het al dan niet mogen vieren van het Feest van de Arbeid in 1915 (1-meiviering) en was er de opening van het socialistische Feestpaleis. Verder blijft de geschiedenis van de Gentse politiek grotendeels ongeschreven. Niettemin is dit een belangrijk gegeven willen we bijdragen tot de geschiedschrijving van zo’n belangrijk figuur als Anseele. We zijn dan ook voornamelijk aangewezen op het bronnenmateriaal.
Even belangrijk en interessant is de hele vredesproblematiek, die we uitwerken in het vierde hoofdstuk. De socialistische Arbeidersinternationale had zich voor de oorlog reeds vaag uitgesproken tegen een oorlog die het hele continent zou beheersen, maar eenmaal het eerste wapengekletter weerklonk, stapten de socialisten aller landen enthousiast mee in het oorlogsverhaal. Duitse, Belgische, Franse socialisten…: allemaal stemden ze de oorlogskredieten. Van de grote idealen leek al snel geen spaander meer heel te zijn. Liet ook Anseele zich bij aanvang van de oorlog meeslepen in het patriottisme? Of bleef hij genuanceerder? De vraag stelden we al in het eerste hoofdstuk, maar nu hernemen we de vraag in functie van de relaties met de buitenlandse socialisten. Is er een evolutie merkbaar tijdens de oorlog? En komt het vredesthema naar voor in de 1-meiredes van Anseele? Kijken we ook naar zijn optreden in de Internationale. Welke stappen ondernam hij als lid van het Uitvoerend Comité van de Internationale om het (vredes)overleg weer op gang te krijgen? Voor de bezetting van Gent, en de korte periode erna totdat de Duitsers de bewegingsvrijheid aan banden legden, zien we Anseele pleiten voor het hervatten van het internationaal socialistisch overleg. Dat komt althans naar voren in Wim Geldolfs “Stockholm 1917”. Betekent dat dan dat hij zelf een voorstander was van een snelle vrede? Trok hij ook later in de oorlog dezelfde kaart, toen het contact met zijn socialistische collega’s in het buitenland aan banden werd gelegd? Stond hij daarmee op dezelfde lijn als zijn voornaamste partijgenoten? En welke rol zag hij nog voor de Internationale tijdens de oorlog? In het tweede deel gaan we dieper in op de Stockholm-episode. Onder meer Camille Huysmans pleitte ervoor om in 1917 een heuse socialistische vredesconferentie (te Stockholm) te houden. Het doel was de socialisten van de oorlogsvoerende landen bijeen te krijgen, en zo mogelijk een manifest op te stellen dat pleitte voor een snelle vrede. Volgens Claeys-Van Haegendoren was Anseele een voorstander van de conferentie, en ook Darin sluit zich daar met zijn “De Belgische socialisten verdeeld”[46] bij aan. Mogen we aannemen dat dat ook daadwerkelijk zo ongenuanceerd klopt? En wat waren de motieven achter dit standpunt? Dat zijn belangrijke vragen, want daar waar Anseele internationaal bleek te pleiten voor een vrede in 1917, smoorde hij tegelijkertijd de vredesoppositie in de schoot van de Gentse socialistische federatie keihard in de kiem. Immers, in een derde deel bestuderen we Anseeles optreden tegenover de Socialistische Jonge Wachten, later uitgebreid tot de Vredesgroep, die in navolging van de Internationale vredespogingen gedurig pleitten voor een onmiddelijke vrede. Puissant toont in zijn “Genese en schipbreuk van de Vredesgroep van de Socialistische Partij” aan dat Anseele deze oppositie absoluut niet duldde. Op welke manier werd de Vredesgroep gefnuikt? Wat kunnen we hieruit concluderen?
In het vijfde hoofdstuk gaan we dan dieper in op een andere thema. Gent was, aldus Daniël Vanacker in zijn “Het aktivistisch avontuur”, een broeihaard van het activisme, een stroming in de Vlaamse Beweging die ervoor koos om van de oorlogsomstandigheden gebruik te maken om een aantal Vlaamse maatregelen doorgevoerd te krijgen. Over Anseeles Vlaamsgezindheid bestaat geen eensgezindheid, maar men kan aannemen dat hij Vlaamse sympathieën koesterde. Eerst en vooral proberen we de hand te leggen op Anseeles visie in verband met Vlaanderen, en dat doen we onder meer aan de hand van een pamflet uit 1913 van de hand van Anseele zelf[47] en van Van Ginderachters “Het rode vaderland”[48]. Maar na een algemene inleiding op het activisme aan de hand van onder meer Lode Wils’ “Flamenpolitik en aktivisme”[49], gaan we vooral na hoe Anseele tijdens de oorlog tegenover de Vlaamse strijd stond. We kunnen ervan uitgaan dat Anseele zich alvast niet liet meeslepen in het “aktivistisch avontuur”. Vanacker is daar alvast stellig in. Maar was hij een geëngageerde tegenstander van de activisten? En kon hij zich er openlijk tegen uitspreken? Het activisme werd immers om evidente redenen gesteund door de Duitse overheden. Is er een evolutie merkbaar in Anseeles houding? Eind maart 1918 werden burgemeester Braun en schepen De Weert wegens hun verzet tegen de activisten gedeporteerd naar Duitsland. Was dat de druppel? En wijst dat erop dat Anseele in tegenstelling tot zijn twee collega’s uit het schepencollege genuanceerder was ten aanzien van de beweging? Niet onwaarschijnlijk is dat Anseele zijn houding liet bepalen door strategische overwegingen. Is dat zo?
In het zesde en voorlaatste hoofdstuk trachten we Anseeles relaties met de Duitse overheid te documenteren. Was hij een bondgenoot van de Duitsers, was het een kwestie van er het beste van te maken, of sprak hij zich onverdroten uit tegen de Duitse bezetting? En omgekeerd, hoe zagen de Duitsers de rol van Anseele? Was hij een potentiële collaborateur? En hoe kon men hem het beste benaderen? De literatuur is allesbehalve eenduidig. Rudiger maakt in “Flamenpolitik”[50] duidelijk dat de relaties tussen Anseele en de Duitsers zeker niet vijandig waren, en bij Dolderers “Deutscher Imperialismus und belgischer Nationalitätenkonflikt”[51] vinden we een hartelijk gesprek terug tussen Anseele en een liberaal Rijksdagafgevaardigde. Langs de andere kant beweren Bertrand en Kenis stellig dat Anseele de Duitse overheden het vuur aan de schenen legde. Hierover dient klaarheid geschept te worden. En was er een evolutie? Maar niet alleen de literatuur blijft hier op de vlakte. Ook het geraadpleegde bronnenmateriaal kon hier geen afdoend antwoord op geven. Toch pogen we een aanzet te geven. We hebben iets meer materiaal als het gaat over de reguliere contacten die Anseele en de Duitse overheden onderhielden, wars van elke strategische overweging en lange termijnplanning, bijvoorbeeld i.v.m. het voedselvraagstuk. De vragen die we ons hierbij stellen zijn onder meer: durfde Anseele op tafel kloppen? En omgekeerd, durfden de Duitsers Anseele aanpakken? Zijn aanzien was immers enorm onder de Gentse arbeidersbevolking. Was het eventuele schofferen of zelfs verwijderen van Anseele geen kwalijke zaak voor de Duitse doelen? Kenis spreekt zich alvast in die zin uit. In deze steunen we vooral op het bronnenmateriaal.
Het laatste hoofdstuk is analoog opgesteld aan het eerste. We vragen ons af hoe Anseele naar voren komt in de laatste oorlogsdagen, vanaf de herstelling van het oude gemeentebestuur tot aan de akkoorden van Loppem. We weten dat hij bij afwezigheid van Braun tijdelijk het burgemeesterambt van Gent bekleedde. Interessant is ook de zogenaamde “mythe van Loppem”, waarin de overtuiging leeft dat Anseele van de revolutie van de Duitse soldaten in Brussel gebruik zou gemaakt hebben om het AES erdoor te krijgen. Over die opstand in Brussel vinden we bij Sieben in “De novemberdagen van 1918 te Brussel”[52] terug dat Anseele zowaar het presidentschap van de “Belgische Republiek” werd aangeboden. We trachten een chronologisch overzicht te geven van de gebeurtenissen, enerzijds te Gent en anderzijds op nationaal vlak.
Globaal genomen trachten we dus enerzijds een overzicht te geven van de concrete bezigheden van Anseele tijdens de Eerste Wereldoorlog, en anderzijds steeds voorzichtig te peilen naar zijn eigenlijke motivering om zo en niet anders te doen. De centrale hypothese van deze verhandeling is dat Anseele bleef bij zijn vertrouwde adagium, namelijk het voeren van een pragmatische politiek (en wel op alle vlakken). We gaan er dus vanuit dat Anseele steeds een Real-politik voerde. Voor de oorlog had Anseele steeds een duidelijk beeld van waar hij naar toe wou, maar verloor daarbij nooit de haalbaarheid en verschillende opties uit het oog. We proberen te toetsen of hij ook tijdens de Groote Oorlog steeds met alle mogelijke scenario’s rekening hield, en in functie van welk doel. Stelling nemen kon dan, maar zonder bruggen op te blazen. Kunnen we die hypothese hard maken? Op die manier hopen we een wezenlijke bijdrage te kunnen leveren aan de geschiedenis van een persoon, die gedurende zijn leven België mee vorm heeft gegeven.
Bronnenselectie
We gaven al aan niet veel heil te mogen verwachten van de literatuur. De meeste antwoorden op de onderzoeksvragen dienden dus gegeven te worden op basis van het geselecteerde bronnenmateriaal. Het archief van Anseele senior zelf, dat zich in het AMSAB bevindt, werd uiteraard geraadpleegd.[53] Tijdens de onderzoeksperiode werd het archiefbestand herwerkt, en was het enkel toegankelijk na contact met Michel Vermote. Het archiefbestand is opgedeeld in vier periodes, namelijk de periode t.e.m. 1894; van 1894 t.e.m. 1918 (parlementair); van 1918 t.e.m. 1927 (minister); en van 1927 t.e.m. 1938 (la lutte finale).[54] Doel was hier om de stem van Anseele te achterhalen. Wat dacht hij over bepaalde gewichtige zaken, die in het andere bronnenmateriaal niet aan bod zouden komen? Deed hij uitspraken over zijn doelen voor na de oorlog? Al snel konden we vaststellen dat er van primaire bronnen niet veel sprake zou zijn: brieven hield hij amper bij, en tot een dagboek schrijven is hij nooit gekomen. Interessant waren wel enkele losse documenten en vooral de verslagen van de provinciale bevoorradingscommissie, waarbij Anseele in direct contact stond met de Duitse overheden. Niettemin waren andere bronnen uiteraard noodzakelijk om dit archiefbestand aan te vullen.
Voor wat de socialistische kant van de zaak betreft, konden we ook bij het AMSAB terecht. In het Fonds Gent-Eeklo[55] werden enkele interessant ogende stukken aangevraagd, die na verder onderzoek soms relevant bleken. Doelbewust pikten we er ook de verslagen van de Bestuurszitting, enkel bewaard voor 1914, van de Beheerraad, bewaard vanaf 23 maart 1918, van de SM Vooruit[56], en de verslagen van het Middencomiteit van de Gentse federatie[57] uit. Als hoofdbeheerder van de SM Vooruit was Anseele op de meeste vergaderingen van de SM aanwezig. Als Anseele zich inzette voor de voeding van de bevolking, dan zou men iets kunnen leren uit de verslagen van de coöperatieve. Vooral het feit dat Anseele hier zelf aan het woord komt, maakte het de moeite om de verslagen door te nemen. Dat de verslagen van het Middencomiteit, of –bestuur, werden geraadpleegd, spreekt voor zich. Op die wekelijkse vergadering kwamen de verschillende secties van de socialistische beweging bijeen, zoals de vakbond, de Bond Moyson, SM Het Licht (dat de krant Vooruit uitgaf), enz. Anseele zat de vergadering indien aanwezig bijna altijd voor. Bevoorrading, propaganda, leed, socialistische belangen, het gemeentebestuur, de vredeskwestie,… Het komt er allemaal aan bod. Hoewel politieke vergaderingen zonder voorafgaande toestemming door de Duitsers werden verboden, kan men deze verslagen gemakkelijk zien als “partijvergaderingen”. Voor deze verhandeling waren deze verslagen dan ook van groot belang. Helaas beschikken we niet over alle verslagen van de oorlogsperiode. Voor 1914 zijn ze niet wekelijks beschikbaar. En voor de periode na 28 juli 1916 zijn er slechts drie verslagen. We vermoeden dan ook dat er een parallel verslagboek bestond, dat niet bewaard is gebleven.
Ook socialistische bronnen van het nationale niveau werden geraadpleegd. Naast het naoorlogse verslag dat de BWP in 1918 voorstelde op haar congres[58], bleken de microfilms van het Bureau en de Algemene Raad van de BWP te Brussel[59] van nut. De Stockholm-kwestie komt in deze verslagen aan bod, en ondanks de strikte scheiding tussen het Etappengebied en het gebied van de gouverneur-generaal, zien we Anseele voor deze gewichtige zaak soms naar Brussel afreizen en deelnemen aan de discussies. Het was ook de vraag of de rol van Anseele bij andere thema’s tijdens de oorlog naar voor zou treden, maar de geografische barrière bleek daarvoor te groot. Tot slot werd in het Amsab ook nog vluchtig het archiefbestand (microfilm) van de Brusselse socialist Louis Bertrand[60] ingekeken. Bertrand hield immers heel wat documentatie bij over de oorlogsperiode. Het bleek echter vooral om militaire informatie te gaan, en over het NHVC te Brussel.
We begonnen ons bronnenonderzoek met een krantenonderzoek van de oorlogsperiode. De aangehaalde socialistische bronnen werden aan deze informatie getoetst. Dat het partijorgaan Vooruit niet kon ontbreken, spreekt voor zich. De belangrijkste strijdpunten van de Gentse socialisten komen er in naar voor, en tal van concrete bezigheden van Anseele i.v.m. de hulp aan het volk. In deze verhandeling wordt de mening die in het blad naar voor komt soms gezien als dezelfde van Anseele. Niettemin moeten we er toch voorzichtig mee omspringen om deze redenering door te trekken naar alle stellingnamen van Vooruit. Uit de notulen van het middencomité zien we dat Anseele dan wel vaak nauw betrokken was bij de inhoud van Vooruit, maar zoals in “Het Rode Vaderland” van Van Ginderachter blijkt, deelden Hardyns, hoofdredacteur, en Anseele niet overal dezelfde mening. Toch menen we die redenering te mogen hardmaken voor gewichtige zaken zoals de Vlaamse kwestie of de Stockholmkwestie, waarover Vooruit tijdens de oorlog zelden stelling nam. Het is weinig realistisch dat als de krant dan na lang stilzwijgen - al dan niet onder druk van de censuur - toch met een mening naar buiten kwam, daar geen voorafgaand overleg met de Gentse partijleider zou zijn geweest. Voor andere onderwerpen blijft dit veeleer interpretatie, iets wat de lezer in het achterhoofd moet houden. Door de perscensuur, eerst door de Belgische regering en later door de Duitse overheid[61], is Vooruit vanzelfsprekend wel niet echt waardevol voor de vraagstelling van de positionering t.a.v. de Duitsers, en hetzelfde geldt voor de activistische beweging, op een maal na. Dat laatste komt echter veel meer aan bod in De Nieuwe Gazet van Gent, vanaf 4 oktober 1917 de Nieuwe Gentsche Courant geheten. Dit activistische blad, dat met steun van de Duitsers verscheen vanaf 5 oktober 1916, was van socialistische strekking, en poogde vaak in debat te gaan met Vooruit i.v.m. de vredeskwestie en Vlaamse eisen. Anseele werd vaak aangesproken, bekritiseerd en zelfs occasioneel geroemd. Dit dagblad kon dan ook absoluut niet genegeerd worden. Bovendien nam het nu en dan een “neutraal” standpunt in bij conflicten van Vooruit met andere dagbladen, en komen we soms meer te weten over de concrete activiteiten van Anseele. Op 2 april 1916 herverscheen ook De Waarheid, “orgaan van de Vrije Socialistenbond”. Dit weekblad vormde de spreekbuis van de anarchistische Gentse dissidenten rond Paul Verbauwen en Pol De Witte, erfvijanden van Anseele omdat die zich de SM Vooruit had toegeëigend. Kritiek op de persoon van Anseele was dus vooral daar te verwachten. Zeker de vredeskwestie en de Vlaamse kwestie zouden er aan bod moeten komen, net als gefundeerde kritiek op de socialistische en stedelijke inspanningen, maar dat bleek veeleer een ontgoocheling. De Waarheid bleek vooral ongefundeerd gescheld te zijn, wat de geloofwaardigheid van de meer onderbouwde artikels uit dezelfde krant niet ten goede komt. Tot slot namen we nog het maandblad Roode Jeugd door, dat vanaf augustus 1917 verscheen. De herkomst van dit blad dient gezocht te worden bij de Socialistische Jonge Wachten, die zich ongenuanceerd voor een onmiddellijke vrede hadden uitgesproken in januari 1917. Anseele probeerde de Jonge Wachten, die zouden evolueren naar de Vredesgroep toen de steun van oudere partijleden toenam, dit recht te ontzeggen, en dus vormt Roode Jeugd een oppositieblad dat niet kon ontbreken in het krantenonderzoek, en dat zich vooral toespitst op het vraagstuk van de Internationale en de vredeskwestie.
De twee hoofdstukken over de hulp/voeding aan de bevolking en de politieke strijd die op de achtergrond woedde, worden ook verder gedocumenteerd aan de hand van de notulen van het Gentse schepencollege[62]. Veel uitleg behoeft deze bron niet. Wel is het zo dat de Vlaamse kwestie, de vredeskwestie en de Duitse vraagstelling hier niet zo duidelijk aan bod komen. We verkozen de notulen van het schepencollege boven die van de gemeenteraad, omdat de gemeenteraad zich vooral in een besluitvormingsfase situeert, terwijl in het schepencollege plannen werden gemaakt, er gediscussieerd werd over voorstellen aan de gemeenteraad, de collega’s op de hoogte werden gehouden van de vorderingen in dit of dat dossier,… Aanvullen deden we waar nodig met een gerichte raadpleging van de notulen van de gemeenteraad[63].
In bovenstaand bronnenoverzicht ontbreken echter nog bronnen die een licht kunnen werpen op de relatie tussen Anseele en de Duitse overheden. Om die reden namen we de microfilms van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (Auswärtiger Amt) door, i.e. het archief van de Wilhelmstrasse[64]. De kans op succes was laag, aangezien Gent door de militaire overheid werd bestuurd. Uiteindelijk kon dan ook niet veel relevants gevonden worden. Een andere mogelijkheid om hier meer over te weten, was briefwisseling die we zouden vinden in het Camille Huysmansarchief[65]. Dit ontzettend rijk gedocumenteerde archief waaruit Huysmans’ inspanningen voor de Internationale blijken, is echter zoals verwacht ook niet echt nuttig i.v.m. Anseele. De kloof met het Etappengebied is ook hier te groot. We moesten het bijgevolg doen met indirecte aanwijzingen en losstaande informatie.
Met deze bronnen werd het onderzoek afgesloten. Voor alle vraagstellingen, op een na, werd voldoende materiaal gevonden om op zijn minst een beeld te krijgen van wat er allemaal gaande was. Veel conclusies blijven echter behoren tot het niveau van de interpretatie, vooral bij ontstentenis aan directe bronnen. Niettemin menen we deze interpretaties vaak goed te kunnen documenteren. Het bronnenonderzoek kan nooit volledig zijn. Daarvoor zijn de bronnen te verscheiden en is de persoon Anseele te veelzijdig. Bovendien bevinden we ons in een oorlogssituatie, die het moeilijk maakt om primaire bronnen terug te vinden. Willen we dat zo goed mogelijk opvangen, dienen we een breed arsenaal aan alternatieven en omwegen te zoeken, wat niet altijd mogelijk was. Echter, binnen het tijdsbestek van deze verhandeling, kozen we naar onze inschatting voor de best mogelijke selectie.
1.1. De oorlogsverklaring en oorlogsroes
In België drong de reële oorlogsdreiging laat door. Na de moord op de Oostenrijkse kroonprins Franz Ferdinand op 28 juni 1914 - de directe aanleiding voor de oorlog -, zou het nog duren tot 29 juli alvorens het land overging tot een eerste, gedeeltelijke, mobilisatie. Pas toen op 31 juli een Duits ultimatum werd verzonden aan Frankrijk en Rusland, ging men over tot de algemene mobilisatie. Ondertussen liet de Belgische diplomatie weten dat men in een eventueel komend conflict de neutraliteit wenste te bewaren, overeenkomstig het verplichte statuut sinds ‘s lands onafhankelijkheid. Het weerhield Duitsland er niet van op 2 augustus ook België een officieel ultimatum toe te zenden. In het ultimatum werd België ervoor gewaarschuwd als vijand van Duitsland beschouwd te worden, indien de troepen van het keizerrijk geen vrije doorgang door het land zouden krijgen.[66] België weigerde op 3 augustus kordaat en eensgezind na overleg in de Kroonraad, en de dag erop, om 9 uur ’s ochtends, schonden de eerste Duitse soldaten het Belgische territorium. België was in oorlog.[67] Onmiddellijk erna vergaderden de Belgische Kamers op een eerste (vervroegde) zitting na het zomerreces. Premier de Brocqueville, katholiek, legde er een wetsontwerp neer voor een oorlogskrediet van 200 miljoen frank en tegelijkertijd kondigde hij de benoeming van Emile Vandervelde - socialist - als minister van staat aan. Dit was ontegensprekelijk een manoeuvre om een brede steun voor de landsverdediging te verwerven, want de socialisten, die nog nooit aan een regering hadden mogen deelnemen en het AES er nog niet hadden doorgekregen, stonden bekend als pacifisten. Op 29 juli nog had de Internationale, waarvan Vandervelde voorzitter was, zich uitgesproken tegen de nakende oorlog. Niettemin bleek er sprake van een oorlogsroes, want Vandervelde aanvaardde zonder aarzeling de benoeming en verklaarde meteen ook dat de socialisten unaniem de oorlogskredieten zouden stemmen.[68]
Kunnen we daaruit afleiden dat ook Anseele, die mee het oorlogskrediet had gestemd, de mobilisatie had goedgekeurd[69] en zich voor de oorlog nog had uitgesproken voor het recht op landsverdediging[70], zich inderdaad zonder nuance liet meeslepen in de oorlogsroes? En stond hij zoals vele landgenoten als een goede patriot klaar om de Duitse indringers het land uit te verdrijven en was hij er zeker van dat dat ook zou gebeuren? Ook in Gent was die roes immers prominent aanwezig, zo laat Baertsoen op 8 augustus in zijn dagboek blijken, wanneer hij stelt: “L’enthousiamse fut grand en Belgique […]. On pavoisa partout et à Gand, notamment, il n’y avait presqu’aucune maison sans drapeau national.”[71] Kenis stelt echter dat “Anseele, de real-politieker bij uitnemendheid, zich niet door de oorlogsroes zou laten bedwelmen”,iets wat “de eeuwige glorie van een kleine groep sterke geesten” zou blijven. Hij gaat zelfs in debat met die andere biograaf, Louis Bertrand, wie hij verwijt het voor te stellen alsof Anseele volledig op de patriottische lijn stond van zichzelf (Bertrand). Anseele zag het echter “minder lyrisch” in, en voorzag meteen na de bijeenkomst van de Kamer “met een inzicht dat profetisch mocht heten” dat binnen de twee weken Brussel zou worden ingenomen. Hij zag de toekomst bezorgd tegemoet, in tegenstelling tot wat de oorlogsroes teweegbracht.[72] Deze stelling past in het venster van Kenis, die Anseele doorheen zijn biografie probeert af te schilderen als de nuchterheid zelve, maar we moeten tegelijk ook voorzichtig zijn met de stelling van “patriot” Bertrand, voor wie het ook van belang is om Anseele op een andere manier af te schilderen. Bij gebrek aan directe bronnen kunnen we niet in het hoofd van Anseele kijken, maar misschien leert het dagblad Vooruit ons meer? Het is wel opletten geblazen met de ingestelde censuur (vanaf 17 augustus) en het feit dat het niet Anseele zelf is die aan het woord komt. Nog voor de oorlog uitbrak, werd Oostenrijk-Hongarije alvast scherp veroordeeld. “Oostenrijk is de meest verachterde natie van Europa. […] En ’t is dat land dat ons den afschuwelijken oorlog opdringt.” Op 14 augustus titelde het blad “België boven”, na twee Belgische militaire overwinningen.[73] Betekende dat dan dat men ongenuanceerd vaderlandslievend was, en men de vijand scherp bleef veroordelen? Eerst en vooral zien we dat de aversie voor de “keizerskliek” rond Oostenrijk-Hongarije en Duitsland meer voortspruitte uit de algemene weerstand van de socialisten tegenover elke oorlog, dan uit een dapper belgicisme. Op 2 augustus kondigde Vooruit immers een protestbetoging aan voor de volgende dag: een “grootsche betooging voor den Vrede en tegen den Oorlog.” Wanneer de volgende dag de vredesbetoging werd verboden op laste van de regering, riep Vooruit verontwaardigd uit “Leve de vrede! Weg met den oorlog! Weg met het kapitalisme dat tot den oorlog drijft; leve het internationale socialisme! Leve het vredelievende proletariaat!”[74] De vrede was het uitgangspunt voor de scherpe kritiek op onder meer Oostenrijk-Hongarije. Verder, op 7 augustus klonk het dan wel dat de oorlog door Duitsland gewild was, maar enige kanttekeningen werden ook geplaatst tegen het optreden van de Belgische regering. Enerzijds stelde hoofdopsteller Hardyns dat de socialisten “goede vaderlanders” waren, omdat zij de oorlogskredieten hadden gestemd, en klonk het dat “de indringer [Duitsland]” een onredelijke eis stelde. Anderzijds vond hij de benoeming van Vandervelde als minister van staat “maar een mager beestje”: de toekenning van het AES zou een veel beter signaal geweest zijn.[75] Genuanceerd was men ook bij de verschillende oproepen tot kalmte. “Gister, van in den valavond, hebben in onze stad betreurens- en afkeurenswaardige betoogingen plaats gehad. Groepen, meest jonge lieden, hebben zich zingende naar de verschillende koffijhuizen, handelshuizen, hotels en konsulaten begeven, vragende om de Belgische nationale vlag te hijschen. Dit ging gepaard met kreten: “Weg met Duitschland!” Wij vragen de Gentsche bevolking zich aan de betoogingen te onthouden. […] Vergeten wij ook niet, DAT HET HET DUITSCHE VOLK NIET IS DAT DEN OORLOG HEEFT GEWILD.”[76] Bij de instelling van de vaderlandse censuur was Vooruit ongemeen scherp: “Een grondwettelijk recht, - de vrijheid der pers, - geschorst, niet in Rusland, maar in België!”[77] In de eerste zitting van het socialistisch middencomité na de oorlogsverklaring, op 12 augustus, hoorde men Anseele niet fulmineren en grote woorden spreken, maar zich wel focussen op concrete bekommernissen die de oorlog met zich meebrengt.[78] En hoewel de Duitse socialisten bijna unaniem de oorlogskredieten hadden gestemd, en gezien de historische band tussen Gent en Duitsland, reageerde Vooruit bij monde van Hardyns “afwachtend”, alvorens dit verraad scherp te veroordelen. Men wilde eerst de uitleg horen van de Duitse socialisten op de volgende bijeenkomst van de Internationale.[79]
Al bij al bleek de Gentse socialistische federatie zich dus allesbehalve onvoorwaardelijk patriottisch te gedragen, zeker als we opmerken dat de meeste geciteerde artikels dateren van voor het instellen van de officiële vaderlandse censuur. We menen ons dan ook te mogen aansluiten bij de stelling van Kenis, dat Anseele - of althans de Gentse socialistische federatie - zich aanvankelijk niet liet meeslepen in de oorlogsroes, al was er natuurlijk wel misprijzen voor de “indringer”.
Dat gevoel vergrootte na augustus, toen men Duitsland scherper begon te veroordelen en het patriottisme meer doorgang begon te vinden. Aangezien die afkeer meer kaderde in het licht van de Internationale, komen we daar pas op terug in het vierde hoofdstuk.
1.2. De bezetting van de stad Gent
Beducht voor de gevolgen van de oorlog, zien we Anseele zich meteen na de oorlogsverklaring in het schepencollege, SM Vooruit en het middencomité inzetten voor het lot van de arbeiders en bij extensio voor de hele bevolking. In het tweede hoofdstuk gaan we daar verder op in. Dat Vooruit de vrede predikte, zien we in het vierde hoofdstuk. In dit hoofdstuk gaan we nog dieper in op twee belangrijke episodes in de aanloop naar de bezetting van Gent: namelijk eerst de dreiging tot bezetting van de stad, en ten tweede de bezetting zelf.
Het eerste situeerde zich op en rond 7 september, toen de Gentenaars te Melle-Kwatrecht de Belgische troepen hevig slag hoorden leveren met een voorhoede van het Duitse leger, en een inname van de stad dreigde.[80] Vooruit titelde in de editie van de volgende dag “Gentenaars blijft kalm!,” waarmee het de bevolking trachtte te waarschuwen geen ondoordachte acties te ondernemen tegen de Duitse troepen. Gewelduitbarstingen en wilde bombardementen van de Duitse troepen, zoals die al met verwoestende gevolgen hadden plaatsgevonden in onder meer Leuven en Dinant, wilde men absoluut vermijden. Immers, “op het oogenblik dat dit nummer in uwe handen komt, zal de stad Gent zeer waarschijnlijk door de duitsche troepen bezet zijn.”[81] In de avond van 7 september was er de wekelijkse gemeenteraadszitting, waar duidelijk bleek dat niet alleen de socialisten hoopten op een vreedzame inname van de stad. Tijdens de zitting zelf ontving burgemeester Braun (liberaal) een brief van de Duitse generaal von Böhn, die met zijn troepen in Oordeghem was gelegerd. In de brief werd Braun verzocht om zich de volgende dag te melden in Oordeghem voor een onderhoud met de generaal, met als doel een treffen tussen de Duitsers en de burgerwachten te vermijden. De gemeenteraadsleden wensten de burgemeester meteen “dat hij in zijne zending wel moge gelukken, tot heil onzer stad.”[82] Tijdens de onderhandelingen de volgende dag verklaarde de generaal zich bereid Gent niet te bezetten, op voorwaarde dat de burgerwacht zich onmiddellijk zou ontwapenen en haar wapens zou afleveren aan het Duitse leger. Verder werden heel wat goederen opgeëist, waaronder 1.000 liter mineraalwater, 100 rijwielen, 10 motorfietsen, 200.000 sigaren, 150.000 kilo haver en 10.000 liter brandstof. In ruil daarvoor moest de stad geen oorlogstaks betalen.[83] Het akkoord was nog maar net afgesloten, of het werd al bijna opgeblazen door een Belgische soldaat, die niets afwist van het onderhoud tussen Braun en von Böhn. Luitenant Kervyn hield in de St. Pietersnieuwstraat een auto met Duitse soldaten tegen en schoot in de richting van de soldaten.[84] Het was het optreden van de burgemeester, na lang onderhandelen met von Böhn, dat ervoor zorgde dat de zaak niet escaleerde. Op de gemeenteraad diezelfde avond werd bij monde van Casier hulde gebracht “aan de schranderheid, de zelfopoffering en de toewijding aan zijne stad” van Braun, iets waar de rest van de gemeenteraad zich al rechtstaand en in de handen klappend bij aansloot.[85] De uitvoering van het akkoord liep niet op wieltjes: de haver kon niet binnen de voorziene tijdsspanne geleverd worden, en de ontwapening van de burgermacht bleek niet evident. Maar von Böhn stelde zich inschikkelijk op, zodat de stad voorlopig van een bezetting gespaard bleef. Anseeles rol bleef in deze episode beperkt. We dienen enkel aan te stippen dat hij als eerste schepen volledig op dezelfde golflengte zat als de burgemeester en boven alles een (gewelddadige) bezetting van de stad wou voorkomen. Getuige daarvan de oproep in Vooruit en de steun in de gemeenteraad en het schepencollege.
Ten tweede willen we nog dieper ingaan op de definitieve bezetting van de stad. Na de slag om en de val van Antwerpen, waarover in Vooruit ten gevolge van de censuur geen eenduidigheid bestond (euforische en pessimistische berichten wisselden elkaar af), was het immers de beurt aan Gent om door Duitse troepen bezet te worden. Men kan aannemen dat de belangrijkste reden daarvoor was dat het optimistische geloof in een kortstondige oorlog, een scenario waarin Gent niet zo nodig bezet hoefde te worden, sterk terrein had verloren omdat de frontlijn bijna was vastgelopen. Op 10 en 11 oktober was Melle-Kwatrecht opnieuw het toneel van hevige gevechten. Op 12 oktober, om 9u30 in de voormiddag, zouden de eerste Duitse troepen zich aanmelden aan het stadhuis, en rond 14u30 trok het Duitse leger de stad binnen. Gent was bezet, en de Belgische troepen hadden de stad zonder weerstand te leveren achtergelaten.[86]
Ook nu weer was de voornaamste bekommernis van het stadsbestuur het vermijden dat de stad zou worden gebombardeerd of de bevolking aanleiding zou geven tot Duitse vergeldingsacties. Op 9 oktober stuurde Braun in die zin nog een brief aan de Belgische minister van Binnenlandse zaken waarin hij vroeg dat de geallieerde soldaten er alles aan zouden doen “à éviter à notre cité les horreurs du bombardement, du pillage et de l’incendie”[87], blijkbaar met succes. Ook Vooruit riep weer nadrukkelijk op tot kalmte, maar dan gericht naar de Gentse bevolking.[88] Het dreigde weer mis te lopen toen een Duitse troependelegatie, bij wijze van veiligheidsverzekering vergezeld van schepenen Anseele en De Bruyne en een politiecommissaris, in de buurt van Mariakerke op vier Engelse soldaten moesten schieten. De Bruyne werd er meteen van beticht de Engelsen op de hoogte te hebben gesteld van de tocht, maar volgens Anseele zelf behielden beide schepenen hun koelbloedigheid: “Wij hebben ons woord gegeven dat gij rustig door de stad zoudt zijn gegaan, wij houden ons woord en blijven bij u,” liet hij de Duitsers weten. De Bruyne keerde daarop terug naar het stadshuis, terwijl Anseele samen met de Duitse soldaten een huis uitkamde waar de Engelsen zich zouden hebben verschanst. Toen die veronderstelling fout bleek, mocht ook Anseele terugkeren naar het stadshuis.
Anseele werd door de Duitsers vervolgens als gijzelaar genomen, om de rust in de stad te garanderen. Ook partijgenoot Coppieters, en collega’s De Weert, Van der Stegen, Casier en Siffer werden gegijzeld.[89] Burgemeester Braun had daarop gevraagd om niet Anseele, maar schepen Heynderickx als gijzelaar te nemen. Anseele zelf zou dit echter geweigerd hebben.[90] De hechtenis werd al snel omgezet naar huisarrest onder militair toezicht en met het bevel zich dagelijks aan te melden bij de bevelvoerende generaal. Uiteindelijk werden de dwangmaatregelen voorlopig opgeschorst, met dien verstande dat de zes verantwoordelijk bleven voor de orde en de rust in de stad, en dat zij Gent niet mochten verlaten zonder toelating. Toen op 28 november Engelse vliegtuigen bommen op de stad dropten, werden de gijzelaars opnieuw opgeroepen, en werden er nog 24 andere bekende figuren aan toegevoegd. Er werden 3 reeksen gevormd van 10 gijzelaars die om de beurt elk 24 uren gevangen werden gezet, eerst in een gevangenis maar al snel door toedoen van de burgemeester in een speciaal daarvoor ingericht lokaal in de Veldstraat. Ditmaal was het regime veel strenger: niemand mocht bij de gijzelaars komen, zelfs dokters niet. Op 24 december werden de gijzelaars opnieuw in vrijheid gesteld.[91]
Gijzelaar of niet, Anseele werd onmiddellijk na de bezetting van de stad door de Duitsers gelast om de nieuwe opeisingen te verzamelen en aan de Duitse autoriteiten over te dragen. Hij kreeg daarvoor van de Duitsers een auto ter beschikking gesteld, en zijn huisarrest werd minder strikt geïnterpreteerd. Ditmaal werd naast 30.000 kilo haver ook o.m. 18.000 broden, 6.000 kg vlees en 4.000 kg rijst van de stad gevraagd.[92] De opgeëiste goederen konden, op uitzondering van de haver, zonder problemen worden verzameld. Verder voerden Anseele en Braun ook onderhandelingen over een oorlogsschatting (die er niet zou komen), het drankverbod en een uitvoerverbod van goederen.[93]
Het waren de eerste contacten van Anseele met de Duitse autoriteiten. Van een vijandige sfeer was geen sprake, zo blijkt uit Vooruit. Zo verscheen er over een onderhoud tussen generaal Yung en Anseele: “Daar werd hij door generaal Yung ontvangen, die hem verklaarde dat hij liever hem in andere omstandigheden ontvangen had en hij hoopte dat die betere toestanden weldra zouden komen. Gezel Anseele verklaarde dit ook te hopen.”[94] Bovendien werd Anseele door het blad gebombardeerd tot een na te volgen voorbeeld, al speelde vooral de bekommernis van de veiligheid van de stad daarin een grote rol. Nadat het drie voorbeelden van voorbeeldig gedrag van Anseele had aangehaald, stelde het: “dus, wees tegen de duitschers beleefd maar kloek.”[95] Het is een eerste indicatie dat onze hypothese, namelijk dat Anseele zichzelf zeker niet buitenspel zou zetten, wel eens zou kunnen kloppen, alvast voor de aanvangsperiode van de oorlog.
1.3. Onderwerping aan de censuur
Hetzelfde kunnen we zeggen van de beslissing van de Gentse socialisten om Vooruit ook tijdens de bezetting te laten verschijnen. Heel wat dagbladen hadden onmiddellijk na de bezetting van Gent besloten de publicatie te staken. Vooruit verscheen daarentegen nog drie nummers. Na de instelling van de Duitse censuur herverscheen Vooruit ook opnieuw. Sommige bladeren, zoals La Flandre Liberale, deden dat om vaderlandse redenen niet. Het verslag van het middencomité dat deze beslissing moest hebben genomen is niet bewaard, maar we mogen aannemen dat ook Anseele achter deze beslissing stond. Vooruit zelf verklaarde eerst en vooral dat de voorwaarden waarin men mocht verschijnen aannemelijk waren. “En wij hebben gepakt. Waarom? Ten eerste om de zoo verstaanbare nieuwsgierigheid van onzer lezers en partijgenooten te voldoen in de mate onzer krachten. Ten tweede om mede te helpen aan het behoud der rust, wier stoornis door eene onvoorzichtige of wanhopige daad de ernstigste gevolgen zou kunnen hebben voor de gansche bevolking.”[96] Maar de belangrijkste reden was uiteraard dat men de politieke strijd wou voortzetten, zeker in een klimaat waarin de concurrerende klerikale bladen (de “confraters” De Gentenaar, Het Volk en Le Bien Public) van weerwoord moesten worden gediend. Erg patriottisch was die daad niet, en Anseele zou er dan ook volgens Kenis vanuit die patriottische kringen de nodige kritiek op krijgen, maar Anseele zag in dat het contact met de achterban, “op het ogenblik dat men meer dan ooit de betrekkingen tussen leiders en partijgenoten levendig moest houden,” niet mocht verbroken worden.[97]
1.4. Besluit
We zien Anseele de eerste oorlogsmaanden naar voor komen als een persoon die niet gediend was met het uitbarsten van de oorlog, en nadien zich evenmin liet meeslepen in de patriottische oorlogsroes. Meteen ging hij aan het werk gaat om de Gentse stedelingen zoveel mogelijk leed te besparen (zie daarvoor vooral het volgende hoofdstuk). De banden met de Duitse bezetter blies hij daarbij niet op. In het volgende hoofdstuk over de hulp beginnen we opnieuw met de eerste oorlogsmaanden, maar ditmaal trekken we het thema door tot aan het einde van de oorlog. We kozen voor een thematische benadering, om het overzicht te bewaren tussen een kluwen aan initiatieven en projecten.
2. Anseele en de hulp aan de bevolking
2.1. België voor de oorlogsverklaring en de gevolgen daarvan voor de oorlogstijd
België telde aan het begin van de oorlog op haar grondgebied 7,5 miljoen inwoners, goed voor een dichtheid van 252 inwoners per km², waarmee het meer dan de helft boven het Europese gemiddelde lag. Ongeveer 3,5% van de inwoners was immigrant, waarvan de Duitsers[98], Nederlanders en Fransen overheersend waren. België was een rijk land, en splitste haar economische activiteiten over drie verschillende sectoren: de landbouw, de industrie en de handel. De landbouwsector stelde maar liefst 1,2 miljoen mensen aan het werk. Maar België was ook heel actief op industrieel en handelsvlak. De industrie spitste zich vooral toe op de mijnontginning, glasproductie, metaal-, textiel- en linnenbewerking (die laatste twee waren belangrijk in Gent), maar ook producties zoals distillerieën, suikerijen, enz. waren belangrijk. De geproduceerde waarde op vlak van kolen, metaal, glas en textiel alleen al bedroeg niet minder dan 2 miljard frank per jaar. Daarnaast was er natuurlijk ook de bloeiende handel, ten eerste omdat de hoge bevolkingsaantallen en industriële productie de nodige import (metaalertsen, wol, hout, cokes, enz.) vereisten, en ten tweede omdat er in België door de industriële productie nu eenmaal veel goederen beschikbaar waren voor de export. Jaarlijks importeerde België meer dan 30 miljoen ton goederen (jaarlijkse waarde 5 miljard frank), waarvan 5/6 bestond uit ruwe of licht bewerkte grondstoffen bestemd voor de industrie. De export was goed voor 20 miljoen ton per jaar (waarde van 4 miljard frank). België was ook een transitland, waar jaarlijks 6,5 miljoen ton passeerde, voor een waarde van 2,5 miljard frank. Kortom, de handel was voor de economie van België cruciaal. Om dit allemaal te kunnen dragen, kon België rekenen op een spoorwegennet dat 4.700 kilometer lang was, wat veel was voor een dergelijk klein land. De spoorwegen vervoerden jaarlijks 210 miljoen reizigers, en 70 miljoen ton aan goederen. Daarnaast waren er natuurlijk ook de meer dan 10.000 kilometers grote wegen, geschikt voor het transport en communicatie.[99]
België was dus voor haar bestaan absoluut afhankelijk van het buitenland, en was zelf behoorlijk geïndustrialiseerd. De bevolking was van het buitenland afhankelijk voor de import van sommige levensmiddelen. De industrie moest op haar beurt enerzijds voor de aanvoer van grondstoffen, en anderzijds voor de export van haar goederen deels op het buitenland rekenen. In geval van oorlog en het sluiten van de grenzen was het dus te voorzien dat de Belgische economie zou instorten, en dat de voedselvoorziening van de bevolking onder druk zou komen te staan, en dat was dan ook exact wat er gebeurde toen de oorlog uitbrak. Op het vlak van de voedselvoorziening werd de tarwevoorraad met de dag kleiner en dreigden vooral de steden, de industriële centra bij uitstek, te kampen te krijgen met een tekort aan graangewassen. De Belgische overheid voerde op 14 augustus al bij koninklijk besluit een broodrantsoen in van 400 gram per dag per persoon. Oost- en West-Vlaanderen kwamen nog extra onder druk te staan door de toestroom van vluchtelingen. Maar ook de landelijke gebieden hadden meteen te lijden onder de oorlog: zij ontbraken goederen zoals koffie, zout, kolen, zeep, brandstof, ... De prijzen van al deze goederen stegen.[100] België was op deze toestand niet voorbereid: via koninklijke besluiten werd getracht om de speculatie tegen te gaan door maximumprijzen op te leggen, en de verantwoordelijkheid voor de bevoorrading in bloem en tarwe werd doorgeschoven naar de provinciegouverneur, terwijl de burgemeesters (en dus het gemeentebestuur) verantwoordelijk werden gesteld voor aardappelen, zout, suiker en rijst. Het waren vooral ad hoc maatregelen. De gemeenten zelf stampten een bureel van weldadigheid uit de grond, en er was ook een wildgroei aan private initiatieven. Het is in die context - nood aan levensmiddelen, nood aan centralisatie - dat het NHVC het levenslicht zag.[101] Eenmaal het hele land (op het gebied rond de Ijzer na) bezet was, maakte de zeeblokkade van de geallieerden tegenover Duitsland de zaak er niet gemakkelijker op.[102] Bovendien was een van de eerste beslissingen van de bezetter om de speciale maatregelen voor de bevoorrading, die de Belgische regering in augustus genomen hadden, af te schaffen.[103] De toestand werd er gedurende de oorlog vanzelfsprekend alleen maar slechter op.
Volgens Henry was de enige mogelijke uitweg uit de voedselcrisis het opdrijven van de industriële productie, maar die lag ten gevolge van de oorlog eveneens plat. Die mogelijke strategie werd op 2 manieren verhinderd. Langs de ene kant had België te weinig inkomsten uit de industrie om in het buitenland voedsel aan te kopen, en aan de andere kant viel ook de koopkracht van de bevolking terug waardoor de aankoop van levensmiddelen duurder werd.[104] Die dalende koopkracht was het gevolg van de terugval in industriële productie, omdat België zoals gezegd voor haar import en export afhankelijk was van het buitenland en de oorlogsomstandigheden dit alles behalve evident maakten. Het was dus niet alleen onmogelijk om de industriële productie op te drijven: een terugval in de productiecijfers was op zichzelf al niet te vermijden. De werkloosheidcijfers gingen dan ook de hoogte in.[105] De oorlogsomstandigheden die voor de terugval in de industriële productie verantwoordelijk waren, zijn als volgt samen te vatten: eerst en vooral was er de dubbele blokkade die de handel nagenoeg onmogelijk maakte, zowel intern als extern. Het bezettingsregime (interne blokkade) be