De Groote Oorlog bekeken door een pince-nez. Edward Anseele, het socialisme en de bezetting van Gent. (Willem Dedobbeleer)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding

 

De figuur Anseele

 

Eén van de grootste figuren die de Belgische politiek heeft gekend, is ongetwijfeld de socialistische pionier Edward Anseele. Een kennismaking met de persoon die het onderwerp uitmaakt van deze scriptie, is dan ook gepast. Het zal daaruit meteen duidelijk worden waarom het verhaal van Anseele tijdens de Eerste Wereldoorlog een belangrijke bijdrage is tot de geschiedenis van Gent, en zelfs België. Geboren te Gent in juli 1856[1], zou hij tijdens zijn leven uitgroeien tot een icoon, en nog lang daarna een legendarische naam blijven. Zijn betekenis voor het (Belgische) socialisme is dan ook niet min.

 

Op 18-jarige leeftijd leerde Anseele de Gentse afdeling van de socialistische (Eerste) Internationale kennen. De meeting die hij nieuwsgierig bijwoonde, zou, volgens de eerder ongenuanceerde biograaf Paul Kenis “wellicht het meest belangrijke feit uit geheel zijn leven” zijn geweest. De beweging zou hem voor de rest van zijn leven niet meer los laten.[2] Hij trok meteen de aandacht door zijn enthousiasme en niet veel later zou hij al met het nazicht van de rekeningen en correspondentie van de sectie belast zijn.[3] Toen de Internationale op een mislukking was uitgelopen, was het vooral door de Gentse groep - onder impuls van Edmond van Beveren, en later van Edward Anseele - dat de socialistische arbeidersbeweging in België weer een nieuwe wind in de zeilen kreeg. In 1877 zou de voor de rest vrij betekenisloze Vlaamse Socialistische Partij worden opgericht, evoluerend naar de al even grijze Belgische Socialistische Partij (BSP). Ook hier zou Gent de drijvende kracht zijn. De belangrijkste ontwikkeling in het Belgische socialisme vond echter plaats in 1885. Toen in de Borinage een werkersstaking uitbrak, werden op voorstel van Anseele broden gestuurd naar de stakers. De solidariteit tussen beide landsdelen die daar het gevolg van was, zou een noodzakelijke voorwaarde zijn voor de oprichting van een Belgische Werkliedenpartij (BWP), dat een duurzaam sociaal-democratisch compromis was. Opnieuw was Gent dus de gangmaker. De belangrijkste programmapunten van de BWP waren onder meer de verovering van het algemeen stemrecht, de scheiding van kerk en staat, de nationalisatie van banken, spoorwegen enz. en tot slot het bekomen van een redelijke arbeidsduur. De stap naar het politieke socialisme was gezet.[4] Eenduidig is de literatuur niet, maar dat Anseele een belangrijke rol speelde - zowel bij de totstandkoming van de BWP als bij het opstellen van het programma -, kan niet ontkend worden.[5] Internationaal gezien was het ook hij die het idee voor de jaarlijkse 1-meiviering opwierp.[6] Zo had hij een hand in de relancering van zowel het Belgische socialisme als dat van de Internationale.

Bij de eerste verkiezingen met het algemeen meervoudig stemrecht in 1894 zou Anseele als eerste socialist meteen verkozen worden voor de Kamer (voor Luik): een functie die hij bekleedde tot aan het einde van zijn actieve carrière. Zonder aarzeling ging hij energiek te keer tegen zijn behoudsgezinde collega’s en legde hij zijn gewicht in de schaal voor allerhande sociale verbeteringen. Befaamd was de zogenaamde Cartouche & Cie–redevoering, over de wantoestanden in de Gentse textielindustrie.[7] In 1918, net na het einde van de Eerste Wereldoorlog, zette hij zijn persoonlijke opgang nog verder, aangezien hij in het kabinet van nationale eenheid werd opgenomen, samen met Wauters en Vandervelde. Opnieuw was hij voor (bevrijd[8]) België een van de eerste socialisten die het tot minister brachten. Hij kreeg de portefeuille van Openbare Werken toegewezen. Onder druk van de socialisten werd in 1918 bij de besprekingen van Loppem ook het belangrijkste programmapunt van de BWP, namelijk het algemeen enkelvoudig stemrecht (AES), doorgevoerd.[9] Internationaal werd zijn belang voor de Eerste Wereldoorlog eveneens steeds groter: in de Tweede Internationale vormde hij samen met Bertrand, Huysmans en voorzitter Vandervelde het Uitvoerend Bureel.[10]

 

Op het meer lokale vlak zou Anseele ook zijn stempel drukken op de politiek en de ontwikkeling van het socialisme. Bij de eerste gemeenteraadsverkiezingen met het meervoudig stemrecht, werden de socialisten meteen de grootste Gentse partij met 14 zetels, tegen 13 voor de liberalen en 12 voor de katholieken. Verder dan een zitje in de Gemeenteraad geraakte Anseele echter niet, omdat de katholieken en liberalen de socialisten voorlopig blokkeerden.[11] In 1907 kon het rode blok niet langer genegeerd worden, en werd hij schepen van Financiën voor Gent. Zijn schepenpost gaf hij pas op toen hij minister werd in 1918.[12] Een tweede grote verdienste was de oprichting van het dagblad Vooruit. In de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van 1884 kon hij zijn partijgenoten van de BSP van de noodzaak van een plaatselijk socialistisch dagblad overtuigen. Zo werd Vooruit uit de grond gestampt met als doel gerichte propaganda te voeren. Het tijdelijke project was een succes en Anseele zag meteen in welke kracht er uitging van het permanent maken van het dagblad voor de socialistische federatie. Dat gebeurde en het blad zou te Gent uitgroeien tot een stevige tegenspeler van de burgerlijke bladen, zoals Le Bien Public en La Flandre Liberale.[13] Daarnaast was er ook nog de Samenwerkende Maatschappij (SM) Vooruit. Begonnen als een coöperatieve bakkerij, zou de verbruikscoöperatie uitgroeien tot een machtig bastion, met onder meer een coöperatieve klerenwinkel, een grootwarenhuis en een apotheek. In het stadsbeeld van Gent zijn de imposante sporen daarvan nog steeds aanwezig. Zo is het cultuurcentrum Vooruit in de St.-Pietersnieuwstraat niets anders dan het grote feestpaleis van de SM, ingehuldigd in januari 1915. De leden kregen in ruil voor hun lidgeld elke drie maand een deel van de winsten van de maatschappij uitgekeerd, en konden daarnaast genieten van voordelige prijzen. Op die manier was de SM Vooruit bijzonder aantrekkelijk voor de arbeiders, wat meteen ook de belangrijkste verklaring is voor haar grote succes. De grootste winsten van de SM kwamen echter vooral de Gentse federatie van de BWP ten goede, die de middelen aanwendde voor haar hardnekkige propaganda, werkingskosten en verdere uitbreiding van de coöperatieve. Anseele zag het aantrekkelijke van dat mechanisme goed in. Volgens Debeuckelaere in zijn “bijdrage tot de biografie van Anseele” was er evenwel geen sprake van dat Anseele de eigenlijke stichter was van de SM Vooruit. Foucaert, Van Gijseghem, Verbauwen en De Witte waren de drijvende krachten achter het initiatief. Wel is het zo dat Anseele de SM Vooruit tot haar grote bloei bracht, gesteund door Van Beveren. Ze namen immers nog in het stichtingsjaar 1883 de macht over, toen ze de coöperatieve vooral ten dienste wilden stellen van de socialistische strijd, en de oorspronkelijke stichters zich daar niet in konden vinden.[14] Naast het oprichten van een ziekenkas (de Bond Moyson) en het stichten van een Bank van de Arbeid in 1913 - beide geen kleine verwezenlijkingen -, werden er onder Anseeles impuls ook nog coöperatieve fabrieken opgericht. Het geld dat de arbeiders hadden kunnen verzamelen als gevolg van hun verbeterende positie in de maatschappij, moest als startkapitaal dienen. Volgens Anseele “de schoonste en stoutste poging, die de werkende klasse van België tot hiertoe heeft aangedurfd.” De weverij die er het gevolg van was, draaide voor het eerst op 21 september 1904. 35 % van de winsten werd aan de werklieden en de bedienden uitgekeerd, 20 % aan de klanten, 15 % aan sociale werken ten voordele van het personeel en telkens 10 % aan de beheerders, aan de federatie der coöperatieven, en ten slotte aan werken voor arbeidersontwikkeling.[15]

 

Anseele was een icoon voor zijn achterban en ver daarbuiten, bemind onder de arbeiders voor zijn niet aflatende energie en onder de burgerij gevreesd voor zijn scherpe redevoeringen. Maar volgens Hendrik Defoort was hij ook een pionier. In zijn “Werklieden bemint uw profijt!” onderzocht hij de Gentse sociaal-democratische casus tegen de achtergrond van het internationale socialisme. Het Gentse model kan grotendeels samengevat worden als “de kapitalisten met eigen middelen bestrijden”. Met de explosieve groei van de SM Vooruit, het oprichten van coöperatieve bakkerijen, apothekers, ziekenfondsen en zo meer, gesteund door een machtig socialistisch dagblad, is het daar fantastisch in geslaagd. De Gentse arbeiders stapten mee in het microsysteem dat de Gentse socialisten hadden uitgebouwd en profiteerden van de winsten dat het genereerde. Het project breidde zich steeds verder uit in de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog

Is dat Gentse model grotendeels afwezig of niet meer dan een voetnoot in de grote studies over het socialisme, toch toont Defoort aan dat het wel degelijk ook lustig geanalyseerd en ten dele overgenomen werd door de socialisten van over de grenzen heen. Los daarvan, en zoals hierboven reeds aangehaald, stond Gent ook en vooral model voor het Belgische project, en de BWP als socialistische partij. Kortom, het Gentse model - waarvan Anseele en tot aan zijn dood in 1897 ook Van Beveren de drijvende krachten van waren - speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van de sociaal-democratie.[16] Volgens Vanschoenboeek was het Gentse model nog het best te typeren als volgt: “zijn gedurfde inpassing in de moderne sociale marktekonomie waarbij men openlijk uitkwam voor een sociaal-technokratische managementsfilosofie.”[17] De organisatiegeest, het scherpe inzicht en de werkkracht van Anseele waren daarbij onontbeerlijk, en voor de Eerste Wereldoorlog zou hij dan ook (samen met Vandervelde) uitgroeien tot de absolute leider van de BWP en een figuur met groot aanzien in de internationale socialistische kringen. Hij wás een pionier. En het belang van het Gentse socialisme in de ontwikkeling van het internationale en Belgische socialisme mag niet onderschat worden.

 

Het Gentse project werd ook gekenmerkt door haar pragmatische karakter. Het doel waren concrete en directe lotsverbeteringen. Heel het verhaal van de SM Vooruit, de Bond Moyson, de coöperatieve industrieën, enz. is daar op zich al een perfect voorbeeld van. Anseele wenste niet de omverwerping van het kapitalisme, maar de sociale modificatie ervan.[18] We vinden die pragmatische geest ook terug in het partijprogramma van de BWP. Ook daar lag de nadruk op het doorvoeren van concrete hervormingen in het belang van de arbeiders. Het belangrijkste programmapunt was de verovering van het algemeen (enkelvoudig) stemrecht. De redenering daarachter was opnieuw pragmatisch. Immers, als de arbeiders stemrecht zouden hebben, was de onteigening van de kapitalisten nabij omdat de BWP dan een verregaande machtspositie zou opbouwen. Het electorale potentieel van een tot dan toe politiek monddode groep was groot. En die onteigening van de kapitalisten was het uiteindelijke doel.[19]

 

In de prosopografische studie die Vanschoenbeek maakte van de Gentse sociaal-democraten, komt Anseele naar voren als een volkstribuun, een volksmenner, die een groot deel van zijn kracht en aanzien te danken had aan zijn “virtuose de la brutalité”. Zijn kleine gestalte compenseerde hij met een zekere brutaliteit en scherpte in woorden, al kon hij ook heel innemend zijn. Zijn opgang had hij vooral te danken aan het feit dat hij tot de pioniers kon gerekend worden, zijn martelaarschap (hij zat in de lente van 1886 een aantal maanden een gevangenisstraf uit omdat hij de koning had beledigd) en het feit dat de kritiek uit de hoek van De Witte op het juiste moment kwam. Hij kwam er alleen maar sterker uit. Daarna was Anseele onaantastbaar geworden in de Gentse kringen: hij “kon zonder problemen zijn opvattingen en projecten ontvouwen en voorstellen, enkel hoefde hij de tijd te laten werken.” Zelf profileerde hij zich van aan het begin van de twintigste eeuw ook zo: zijn autoriteit was gevestigd. Híj was dé leider, en niemand anders. Hij zou zich zo bijvoorbeeld niet meer laten verleiden tot het in de clinch gaan met interne opposanten, maar liet anderen de kastanjes uit het vuur halen (iets wat we ook terugzien tijdens de Eerste Wereldoorlog). Maar bovenal was Anseele een goed bemiddelaar tussen uiteenlopende strekkingen en groepen in eigen kring, zodat Vanschoenbeek hem een bonapartisch talent zou toeschrijven. Hij doorzag de verschillende lobby’s binnen het Gentse socialisme, en speelde daar bijzonder goed op in. Hijzelf kon zich dan ook perfect profileren als grote Gentse leider. De eretitel “Vader” Anseele was de perfecte uiting van het “patriarchaal” socialisme dat het Gentse model was.

Eigenlijk kon Anseele net zo goed carrière hebben gemaakt in een gedemocratiseerde liberale partij. Hij stond veel dichter bij de liberale kringen dan hij zelf wilde toegeven.[20]

 

Dat de figuur van Anseele mythische proporties had, kon men al vaststellen bij zijn overlijden in 1938.[21] Tijdens de uitvaartplechtigheid kwam er een indrukwekkende volksmassa op straat om hem een laatste eer te betuigen.[22] De inhuldiging van het Gentse Anseele-monument op het Woodrow Wilsonplein kort na de Tweede Wereldoorlog, is eveneens een bewijs van de betekenis van de vooraanstaande socialist. De bundel eerbetuigingen voor deze gelegenheid, uitgegeven met medewerking van Camille Huysmans en andere prominente Belgische socialisten, zijn dat evenzeer.[23] In de twee decennia daaropvolgend zouden er nog talloze herdenkingen zijn.[24] Ook nu nog wordt hij geroemd en herdacht. Afgelopen jaar werd 150 jaar Edward Anseele gevierd, met een tentoonstelling in de Bank van de Arbeid, ingericht door het Amsab. En bij de verkiezing van de Grootste Belg in 2005 was hij een van de genomineerden. Hij zou op de 58ste plaats eindigen. Daarmee was hij de vierde politicus op de lijst.

 

 

Onderzoeksvragen

 

De geschiedenis schrijven van een figuur als Anseele tijdens de Eerste Wereldoorlog is niet evident. Ten eerste blijft een algemene en veelomvattende geschiedenis van Gent tijdens die periode nog ongeschreven. Maar ook naar de Gentse socialisten tijdens die periode werd nog niet veel onderzoek gevoerd. Historica Mieke Claeys-Van Haegendoren[25] schreef in 1967 weliswaar een studie over de Belgische Werkliedenpartij tijdens onder meer de Eerste Wereldoorlog, maar de Gentse federatie komt maar terzijde aan bod. Over Gent verscheen van stadshistoricus André Capiteyn “Gent en de Eerste Wereldoorlog”[26]. Uiteindelijk is dat maar een bundel verschenen naar aanleiding van een tentoonstelling in 1991/1992, en is het bijgevolg niet bijzonder omvattend. Informatie over de stad Gent en de Gentse socialisten moesten we verzamelen uit de marges en voetnoten van eerdere studies.

Over de politieke situatie in Gent zijn we vrij goed ingelicht met de licentiaatsverhandeling van Veronique Michiels over de “Godsvrede”[27], over de Internationale met Wim Geldolfs “Stockholm 1917”[28] en over het activisme met “Het aktivistisch avontuur” van Daniël Vanacker[29]. Ook Yves Puissants “Genese en schipbreuk van de Vredesgroep der Socialistische Partij”[30] mogen we niet vergeten als we het hebben over de afscheuring binnen de Gentse BWP tijdens de oorlog. Binnen die verhalen moet de rol van Anseele daarin wel telkens verder onderzocht worden. Veel minder goed zijn we ingelicht als het gaat over de verschillende hulpinitiatieven en Anseeles relaties met de Duitsers. Eigenlijk moet de conclusie zijn dat er nog veel te weinig onderzoek werd gevoerd naar Gent tijdens de Eerste Wereldoorlog, en dat in de eerder schaarse werken die wel specifiek over Gent handelen[31] de rol van Anseele bijna volledig achterwege blijft. Jawel, zowel Bertrand[32] en Kenis[33] hebben in hun respectievelijke biografieën over Anseele een hoofdstuk gewijd aan de Eerste Wereldoorlog, maar het is maar de vraag wat we daarmee kunnen aanvangen. Elke kritisch apparaat ontbreekt, waardoor het weinig zinvol is veel belang te hechten aan beweringen over het activisme, Stockholm, enz. Ook feitelijke overzichten ontbreken grotendeels.

 

Gent bleef tijdens de Eerste Wereldoorlog relatief lang gevrijwaard van de Duitse bezetting. Toen de Duitse troepen in de tweede week van september 1914 aan de poorten van de stad stonden, besloten de Duitse generaals de beschikbare troepen in te zetten om het geallieerde tegenoffensief aan de Marne te counteren. Men geloofde immers nog steeds in een oorlog van korte duur, tengevolge van een merkwaardig optimisme dat langs beide oorlogszijden overheerste. Een duurzame bezetting van Gent paste dus voorlopig niet in de oorlogsplannen. Eigenlijk was dat een grote militaire blunder, want de oorlog duurde wel lang en het Belgische leger werd door die aarzeling in Duitse rangen in staat gesteld zich te hergroeperen en in Antwerpen terug te trekken. Omdat de troepen zuidwaarts trokken, kon Antwerpen als uitvalsbasis gebruikt worden. En na de val van Antwerpen konden de Belgische troepen zich onder meer via Gent in de richting van de Ijzer terugtrekken. Het strategische en mentale voordeel van een insluiting van de Belgische troepen zou aanzienlijk geweest zijn. Ruim drie maanden na de inval werd Gent uiteindelijk toch (vreedzaam) overgedragen aan de Duitse bezetters, kort nadat de Belgische weerstand in Antwerpen was gebroken. Gent werd tweemaal gespaard van bombardementen.[34]

België zelf was bij de stabilisering van het front verdeeld in drie grote gebieden: het kleine stukje “vrij” België achter de Ijzer, het Etappengebied (zelf onderverdeeld in het eigenlijke frontgebied en het achterland), en het gebied van de gouverneur-generaal.[35] De Gentse Kommandantur (het laagste besturingsniveau) werd ingedeeld bij het Etappengebied, en kende in die hoedanigheid geen burgerlijk, maar wel een militair bestuur. De regio stond volledig ten dienste van de militairen aan het front, en de verordeningen uitgevaardigd door de gouverneur-generaal te Brussel waren er enkel geldig als ze door het militaire bestuur werden bekrachtigd.[36] Verder bestond het Etappengebied uit een Zivilverwaltung, of burgerlijk bestuur, en een Militärverwaltung, of militair bestuur. In tegenstelling tot in het gouvernement-generaal was de scheidslijn tussen beide besturen niet zo duidelijk.[37]

Het bezettingsregime in het Etappengebied was als gevolg van de militaire prioriteiten die er heersten sowieso harder dan in het gouvernement-generaal.[38] Als hoofdplaats van het Etappengebied voor het IVde Leger was Gent dan nog eens vergeven van Duitse soldaten. Die Gentse context is niet zonder belang bij het stellen van de onderzoeksvragen van deze verhandeling. We zagen hoger al dat Anseele in het parlement zetelde, een der leiders van de BWP was (met zetel in Brussel), en ook een zitje had in het Executief Comité van de Tweede Internationale. Tengevolge van de indeling bij het Etappengebied werden zijn bewegingsvrijheid en communicatiemogelijkheden sterk ingeperkt. Deze verhandeling zal dan ook noodgedwongen haar blik moeten richten op Anseele in een Gentse context. Het Etappengebied was immers strikt gescheiden van het gouvernement-generaal, en dat de contacten tussen het bezette België en de geallieerde en neutrale buitenwereld niet evident waren, spreekt voor zich.[39]

 

Die beperking tot Gent geldt echter niet voor de eerste vraag die deze verhandeling zich stelt. Wat ondernam Edward Anseele aan het begin van de oorlog, zowel in nationale als Gentse context? Anseele mocht nog steeds zijn mening verkondigen, en zich vrij bewegen. Enkel op de dagbladen werd er een censuur ingesteld, iets waartegen het dagblad Vooruit overigens scherp fulmineerde. Hoe keek hij verder de oorlog tegemoet? En op welke manier schatte hij het mogelijke leed voor de Belgische bevolking toen in en hoe wou hij dat verzachten? Niet oninteressant is natuurlijk ook de vraag welke stelling Anseele als lid van het Uitvoerend Bureau van de Arbeidersinternationale aannam, maar daar komen we op terug in het vierde hoofdstuk van deze verhandeling. En hoe komt Anseele naar voren bij de eerste dreiging tot bezetting van Gent en de eigenlijke bezetting een maand later? Specifiek is de literatuur over al deze zaken niet, maar Bertrand en Kenis - de twee biografen van Anseele - raken het thema wel aan, zij het niet gehinderd door een scherpe kritische bril. Ook het Oorlogsdagboek van het Davidsfonds[40] doet wat deze Gentse situatie betreft het een en ander uit de doeken.

 

In een volgend hoofdstuk[41] gaan we naast de concrete bezigheden van Anseele dieper in op zijn bijdrage aan allerhande initiatieven voor hulp en voeding. Alom bekend is het Nationaal Hulp en Voedingscomité (NHVC), een comité dat speciaal werd opgericht door een groep Brusselse industriëlen, waaronder Solvay, met als belangrijkste doel om de behoeftige bevolking van hulp en voeding te voorzien. De bevoorrading van het systeem gebeurde in samenspraak met de Duitsers en geallieerden, terwijl de Commission for Relief in Belgium, waarin de neutrale landen waren vertegenwoordigd, voor de leveringen instond. Is het aannemelijk dat Anseele ook hier mee te maken had? Maakte hij deel uit van het NHVC, of een van haar onderafdelingen, of was het eerder een informele samenwerking? Het antwoord op die vraag is niet zonder belang. De eerste naoorlogse regering telde onder haar ministers enkele leden die zich bij het NHVC verdienstelijk hadden gemaakt. Behoort ook Anseele tot die personen die van deze sprinkplank hebben gebruik gemaakt? Of heeft hij zich op andere manieren verdienstelijk moeten maken? Automatisch denken we dan aan de functie die hij als schepen van Financiën, Regies en Haven uitoefende. Gent bevond zich zoals gezegd in moeilijke omstandigheden. Op welke manier droeg Anseele bij aan de inspanningen die het schepencollege en de gemeenteraad zich getroosten? Is hij op dat vlak heel actief? Men kan vermoeden van wel, aangezien de hulp vooral noodzakelijk was voor de armere delen van de stadsbevolking - voornamelijk arbeiders dus -, bij uitstek de achterban van de socialisten. Vooral de armeren hadden immers te lijden onder de oorlog omdat de prijzen voor levensmiddelen de hoogte inschoten en veel fabrieken door de Duits opeisingen van materiaal op de fles moesten gaan. Liet Anseele zich leiden door oprechte bekommernissen voor het lot van de bevolking, of speelden zoals zo vaak ook persoonlijke ambitie en/of andere hogere belangen mee? In “Het politiek maatschappelijk leven te Gent (1914-1918). Een permanente godsvrede?” geeft Veronique Michiels een onvolledig overzicht van de gedane inspanningen door de stad en de socialistische en katholieke vertegenwoordiging hierin. Onder meer de motivatie van de verschillende spelers wordt erin belicht, maar ook de concrete conflictpunten. Een overzicht van de gedane inspanningen vinden we ook, en vollediger, terug bij Steels in “Te Gent tijdens de Eerste Wereldoorlog”[42]. Op het hogere niveau is er van de hand van Henry, secretaris van het NHVC, een overzicht van “Le ravitaillement de la Belgique”[43]. Interessant zijn ook de egodocumenten die verschenen zijn van Gentse personaliteiten tijdens de oorlog. Zowel Marc Baertsoen[44], liberale ereschepen van de stad, als Virginie Loveling[45], Vlaams auteur, hielden een dagboek bij, dat ondertussen werd uitgegeven, waarin de inspanningen i.v.m. de voeding aan bod komen. Voor de meeste informatie zijn we echter aangewezen op het bronnenmateriaal, omdat de rol van Anseele zelf nauwelijks voor het voetlicht treedt in de literatuur. Tot slot vragen we ons af of Anseele voor zijn optreden in de voedselproblematiek ter discussie stond. Werd er veel kritiek geleverd, en op welke manier? Was die terecht, of vooral deel van het politieke spel?

 

Op dat politieke aspect van Anseeles optreden wordt dieper ingegaan in een derde hoofdstuk. In het tweede hoofdstuk vroegen we ons al af in welke mate zijn optreden voor het volk een gevolg was van oprechte bekommernissen, dan wel gedreven werd door de belangen van de socialistische beweging. Kunnen we die voorlopige conclusie doortrekken naar de volledige oorlogsperiode? Welke momenten/discussies kunnen we verder uitwerken om ons te helpen daarover conclusies te trekken? En moeten we daarvoor enkel kijken naar wat zich in de socialistische beweging afspeelde, of mogen we in navolging van Michiels’ stelling aannemen dat er in het stadsbestuur zelf, ondanks de “Godsvrede”, een hevige politieke strijd werd gevoerd? Anseele was als grote figuur van het Gentse socialisme natuurlijk te verwachten als dé voorvechter van het socialisme. De vraag is echter of hij, als schepen en al dan niet in het licht van zijn plannen voor na de oorlog, de strijd wel degelijk naar zich toetrok of deze overliet aan militanten op het lagere niveau. Welke initiatieven gingen uit van het stadsbestuur, die de socialistische strijd konden dienen, en vooral ook, welke initiatieven gingen uit van het socialistische middenbestuur zelf? Kunnen we daarin Anseeles hand herkennen? Krijgt Anseele ook op dit vlak kritiek te verduren? En tot slot, hoe moest het naoorlogse België eruitzien voor Anseele? Veel antwoorden op deze vragen moeten we niet verwachten in de literatuur. Claeys-Van Haegendoren toont wel aan dat de Belgische socialisten tout court zich sterk associeerden met de Belgische staat, ook en vooral met het oog op een toenemende invloed na de oorlog. Over Gent zelf doen Louis Bertrand en Paul Kenis, in hun respectievelijke biografieën over Anseele, en Michiels en Capiteyn daar wel uitspraken over, maar enkel Michiels doet dat op een onderbouwde manier. Volgens haar is er geen sprake van dat de politieke strijd kwam stil te liggen. Hoewel zij zich vooral baseert op de socialisten om die stelling te staven, treedt de rol van Anseele zelf daar echter amper bij aan het licht. Op basis van wat we bij Bertrand en Kenis lezen, kunnen we wel al enkele interessante breekpunten onderscheiden. Zo was er de discussie rond het al dan niet mogen vieren van het Feest van de Arbeid in 1915 (1-meiviering) en was er de opening van het socialistische Feestpaleis. Verder blijft de geschiedenis van de Gentse politiek grotendeels ongeschreven. Niettemin is dit een belangrijk gegeven willen we bijdragen tot de geschiedschrijving van zo’n belangrijk figuur als Anseele. We zijn dan ook voornamelijk aangewezen op het bronnenmateriaal.

 

Even belangrijk en interessant is de hele vredesproblematiek, die we uitwerken in het vierde hoofdstuk. De socialistische Arbeidersinternationale had zich voor de oorlog reeds vaag uitgesproken tegen een oorlog die het hele continent zou beheersen, maar eenmaal het eerste wapengekletter weerklonk, stapten de socialisten aller landen enthousiast mee in het oorlogsverhaal. Duitse, Belgische, Franse socialisten…: allemaal stemden ze de oorlogskredieten. Van de grote idealen leek al snel geen spaander meer heel te zijn. Liet ook Anseele zich bij aanvang van de oorlog meeslepen in het patriottisme? Of bleef hij genuanceerder? De vraag stelden we al in het eerste hoofdstuk, maar nu hernemen we de vraag in functie van de relaties met de buitenlandse socialisten. Is er een evolutie merkbaar tijdens de oorlog? En komt het vredesthema naar voor in de 1-meiredes van Anseele? Kijken we ook naar zijn optreden in de Internationale. Welke stappen ondernam hij als lid van het Uitvoerend Comité van de Internationale om het (vredes)overleg weer op gang te krijgen? Voor de bezetting van Gent, en de korte periode erna totdat de Duitsers de bewegingsvrijheid aan banden legden, zien we Anseele pleiten voor het hervatten van het internationaal socialistisch overleg. Dat komt althans naar voren in Wim Geldolfs “Stockholm 1917”. Betekent dat dan dat hij zelf een voorstander was van een snelle vrede? Trok hij ook later in de oorlog dezelfde kaart, toen het contact met zijn socialistische collega’s in het buitenland aan banden werd gelegd? Stond hij daarmee op dezelfde lijn als zijn voornaamste partijgenoten? En welke rol zag hij nog voor de Internationale tijdens de oorlog? In het tweede deel gaan we dieper in op de Stockholm-episode. Onder meer Camille Huysmans pleitte ervoor om in 1917 een heuse socialistische vredesconferentie (te Stockholm) te houden. Het doel was de socialisten van de oorlogsvoerende landen bijeen te krijgen, en zo mogelijk een manifest op te stellen dat pleitte voor een snelle vrede. Volgens Claeys-Van Haegendoren was Anseele een voorstander van de conferentie, en ook Darin sluit zich daar met zijn “De Belgische socialisten verdeeld”[46] bij aan. Mogen we aannemen dat dat ook daadwerkelijk zo ongenuanceerd klopt? En wat waren de motieven achter dit standpunt? Dat zijn belangrijke vragen, want daar waar Anseele internationaal bleek te pleiten voor een vrede in 1917, smoorde hij tegelijkertijd de vredesoppositie in de schoot van de Gentse socialistische federatie keihard in de kiem. Immers, in een derde deel bestuderen we Anseeles optreden tegenover de Socialistische Jonge Wachten, later uitgebreid tot de Vredesgroep, die in navolging van de Internationale vredespogingen gedurig pleitten voor een onmiddelijke vrede. Puissant toont in zijn “Genese en schipbreuk van de Vredesgroep van de Socialistische Partij” aan dat Anseele deze oppositie absoluut niet duldde. Op welke manier werd de Vredesgroep gefnuikt? Wat kunnen we hieruit concluderen?

 

In het vijfde hoofdstuk gaan we dan dieper in op een andere thema. Gent was, aldus Daniël Vanacker in zijn “Het aktivistisch avontuur”, een broeihaard van het activisme, een stroming in de Vlaamse Beweging die ervoor koos om van de oorlogsomstandigheden gebruik te maken om een aantal Vlaamse maatregelen doorgevoerd te krijgen. Over Anseeles Vlaamsgezindheid bestaat geen eensgezindheid, maar men kan aannemen dat hij Vlaamse sympathieën koesterde. Eerst en vooral proberen we de hand te leggen op Anseeles visie in verband met Vlaanderen, en dat doen we onder meer aan de hand van een pamflet uit 1913 van de hand van Anseele zelf[47] en van Van Ginderachters “Het rode vaderland”[48]. Maar na een algemene inleiding op het activisme aan de hand van onder meer Lode Wils’ “Flamenpolitik en aktivisme”[49], gaan we vooral na hoe Anseele tijdens de oorlog tegenover de Vlaamse strijd stond. We kunnen ervan uitgaan dat Anseele zich alvast niet liet meeslepen in het “aktivistisch avontuur”. Vanacker is daar alvast stellig in. Maar was hij een geëngageerde tegenstander van de activisten? En kon hij zich er openlijk tegen uitspreken? Het activisme werd immers om evidente redenen gesteund door de Duitse overheden. Is er een evolutie merkbaar in Anseeles houding? Eind maart 1918 werden burgemeester Braun en schepen De Weert wegens hun verzet tegen de activisten gedeporteerd naar Duitsland. Was dat de druppel? En wijst dat erop dat Anseele in tegenstelling tot zijn twee collega’s uit het schepencollege genuanceerder was ten aanzien van de beweging? Niet onwaarschijnlijk is dat Anseele zijn houding liet bepalen door strategische overwegingen. Is dat zo?

 

In het zesde en voorlaatste hoofdstuk trachten we Anseeles relaties met de Duitse overheid te documenteren. Was hij een bondgenoot van de Duitsers, was het een kwestie van er het beste van te maken, of sprak hij zich onverdroten uit tegen de Duitse bezetting? En omgekeerd, hoe zagen de Duitsers de rol van Anseele? Was hij een potentiële collaborateur? En hoe kon men hem het beste benaderen? De literatuur is allesbehalve eenduidig. Rudiger maakt in “Flamenpolitik”[50] duidelijk dat de relaties tussen Anseele en de Duitsers zeker niet vijandig waren, en bij Dolderers “Deutscher Imperialismus und belgischer Nationalitätenkonflikt”[51] vinden we een hartelijk gesprek terug tussen Anseele en een liberaal Rijksdagafgevaardigde. Langs de andere kant beweren Bertrand en Kenis stellig dat Anseele de Duitse overheden het vuur aan de schenen legde. Hierover dient klaarheid geschept te worden. En was er een evolutie? Maar niet alleen de literatuur blijft hier op de vlakte. Ook het geraadpleegde bronnenmateriaal kon hier geen afdoend antwoord op geven. Toch pogen we een aanzet te geven. We hebben iets meer materiaal als het gaat over de reguliere contacten die Anseele en de Duitse overheden onderhielden, wars van elke strategische overweging en lange termijnplanning, bijvoorbeeld i.v.m. het voedselvraagstuk. De vragen die we ons hierbij stellen zijn onder meer: durfde Anseele op tafel kloppen? En omgekeerd, durfden de Duitsers Anseele aanpakken? Zijn aanzien was immers enorm onder de Gentse arbeidersbevolking. Was het eventuele schofferen of zelfs verwijderen van Anseele geen kwalijke zaak voor de Duitse doelen? Kenis spreekt zich alvast in die zin uit. In deze steunen we vooral op het bronnenmateriaal.

 

Het laatste hoofdstuk is analoog opgesteld aan het eerste. We vragen ons af hoe Anseele naar voren komt in de laatste oorlogsdagen, vanaf de herstelling van het oude gemeentebestuur tot aan de akkoorden van Loppem. We weten dat hij bij afwezigheid van Braun tijdelijk het burgemeesterambt van Gent bekleedde. Interessant is ook de zogenaamde “mythe van Loppem”, waarin de overtuiging leeft dat Anseele van de revolutie van de Duitse soldaten in Brussel gebruik zou gemaakt hebben om het AES erdoor te krijgen. Over die opstand in Brussel vinden we bij Sieben in “De novemberdagen van 1918 te Brussel”[52] terug dat Anseele zowaar het presidentschap van de “Belgische Republiek” werd aangeboden. We trachten een chronologisch overzicht te geven van de gebeurtenissen, enerzijds te Gent en anderzijds op nationaal vlak.

 

Globaal genomen trachten we dus enerzijds een overzicht te geven van de concrete bezigheden van Anseele tijdens de Eerste Wereldoorlog, en anderzijds steeds voorzichtig te peilen naar zijn eigenlijke motivering om zo en niet anders te doen. De centrale hypothese van deze verhandeling is dat Anseele bleef bij zijn vertrouwde adagium, namelijk het voeren van een pragmatische politiek (en wel op alle vlakken). We gaan er dus vanuit dat Anseele steeds een Real-politik voerde. Voor de oorlog had Anseele steeds een duidelijk beeld van waar hij naar toe wou, maar verloor daarbij nooit de haalbaarheid en verschillende opties uit het oog. We proberen te toetsen of hij ook tijdens de Groote Oorlog steeds met alle mogelijke scenario’s rekening hield, en in functie van welk doel. Stelling nemen kon dan, maar zonder bruggen op te blazen. Kunnen we die hypothese hard maken? Op die manier hopen we een wezenlijke bijdrage te kunnen leveren aan de geschiedenis van een persoon, die gedurende zijn leven België mee vorm heeft gegeven.

 

 

Bronnenselectie

 

We gaven al aan niet veel heil te mogen verwachten van de literatuur. De meeste antwoorden op de onderzoeksvragen dienden dus gegeven te worden op basis van het geselecteerde bronnenmateriaal. Het archief van Anseele senior zelf, dat zich in het AMSAB bevindt, werd uiteraard geraadpleegd.[53] Tijdens de onderzoeksperiode werd het archiefbestand herwerkt, en was het enkel toegankelijk na contact met Michel Vermote. Het archiefbestand is opgedeeld in vier periodes, namelijk de periode t.e.m. 1894; van 1894 t.e.m. 1918 (parlementair); van 1918 t.e.m. 1927 (minister); en van 1927 t.e.m. 1938 (la lutte finale).[54] Doel was hier om de stem van Anseele te achterhalen. Wat dacht hij over bepaalde gewichtige zaken, die in het andere bronnenmateriaal niet aan bod zouden komen? Deed hij uitspraken over zijn doelen voor na de oorlog? Al snel konden we vaststellen dat er van primaire bronnen niet veel sprake zou zijn: brieven hield hij amper bij, en tot een dagboek schrijven is hij nooit gekomen. Interessant waren wel enkele losse documenten en vooral de verslagen van de provinciale bevoorradingscommissie, waarbij Anseele in direct contact stond met de Duitse overheden. Niettemin waren andere bronnen uiteraard noodzakelijk om dit archiefbestand aan te vullen.

 

Voor wat de socialistische kant van de zaak betreft, konden we ook bij het AMSAB terecht. In het Fonds Gent-Eeklo[55] werden enkele interessant ogende stukken aangevraagd, die na verder onderzoek soms relevant bleken. Doelbewust pikten we er ook de verslagen van de Bestuurszitting, enkel bewaard voor 1914, van de Beheerraad, bewaard vanaf 23 maart 1918, van de SM Vooruit[56], en de verslagen van het Middencomiteit van de Gentse federatie[57] uit. Als hoofdbeheerder van de SM Vooruit was Anseele op de meeste vergaderingen van de SM aanwezig. Als Anseele zich inzette voor de voeding van de bevolking, dan zou men iets kunnen leren uit de verslagen van de coöperatieve. Vooral het feit dat Anseele hier zelf aan het woord komt, maakte het de moeite om de verslagen door te nemen. Dat de verslagen van het Middencomiteit, of –bestuur, werden geraadpleegd, spreekt voor zich. Op die wekelijkse vergadering kwamen de verschillende secties van de socialistische beweging bijeen, zoals de vakbond, de Bond Moyson, SM Het Licht (dat de krant Vooruit uitgaf), enz. Anseele zat de vergadering indien aanwezig bijna altijd voor. Bevoorrading, propaganda, leed, socialistische belangen, het gemeentebestuur, de vredeskwestie,… Het komt er allemaal aan bod. Hoewel politieke vergaderingen zonder voorafgaande toestemming door de Duitsers werden verboden, kan men deze verslagen gemakkelijk zien als “partijvergaderingen”. Voor deze verhandeling waren deze verslagen dan ook van groot belang. Helaas beschikken we niet over alle verslagen van de oorlogsperiode. Voor 1914 zijn ze niet wekelijks beschikbaar. En voor de periode na 28 juli 1916 zijn er slechts drie verslagen. We vermoeden dan ook dat er een parallel verslagboek bestond, dat niet bewaard is gebleven.

 

Ook socialistische bronnen van het nationale niveau werden geraadpleegd. Naast het naoorlogse verslag dat de BWP in 1918 voorstelde op haar congres[58], bleken de microfilms van het Bureau en de Algemene Raad van de BWP te Brussel[59] van nut. De Stockholm-kwestie komt in deze verslagen aan bod, en ondanks de strikte scheiding tussen het Etappengebied en het gebied van de gouverneur-generaal, zien we Anseele voor deze gewichtige zaak soms naar Brussel afreizen en deelnemen aan de discussies. Het was ook de vraag of de rol van Anseele bij andere thema’s tijdens de oorlog naar voor zou treden, maar de geografische barrière bleek daarvoor te groot. Tot slot werd in het Amsab ook nog vluchtig het archiefbestand (microfilm) van de Brusselse socialist Louis Bertrand[60] ingekeken. Bertrand hield immers heel wat documentatie bij over de oorlogsperiode. Het bleek echter vooral om militaire informatie te gaan, en over het NHVC te Brussel.

 

We begonnen ons bronnenonderzoek met een krantenonderzoek van de oorlogsperiode. De aangehaalde socialistische bronnen werden aan deze informatie getoetst. Dat het partijorgaan Vooruit niet kon ontbreken, spreekt voor zich. De belangrijkste strijdpunten van de Gentse socialisten komen er in naar voor, en tal van concrete bezigheden van Anseele i.v.m. de hulp aan het volk. In deze verhandeling wordt de mening die in het blad naar voor komt soms gezien als dezelfde van Anseele. Niettemin moeten we er toch voorzichtig mee omspringen om deze redenering door te trekken naar alle stellingnamen van Vooruit. Uit de notulen van het middencomité zien we dat Anseele dan wel vaak nauw betrokken was bij de inhoud van Vooruit, maar zoals in “Het Rode Vaderland” van Van Ginderachter blijkt, deelden Hardyns, hoofdredacteur, en Anseele niet overal dezelfde mening. Toch menen we die redenering te mogen hardmaken voor gewichtige zaken zoals de Vlaamse kwestie of de Stockholmkwestie, waarover Vooruit tijdens de oorlog zelden stelling nam. Het is weinig realistisch dat als de krant dan na lang stilzwijgen - al dan niet onder druk van de censuur - toch met een mening naar buiten kwam, daar geen voorafgaand overleg met de Gentse partijleider zou zijn geweest. Voor andere onderwerpen blijft dit veeleer interpretatie, iets wat de lezer in het achterhoofd moet houden. Door de perscensuur, eerst door de Belgische regering en later door de Duitse overheid[61], is Vooruit vanzelfsprekend wel niet echt waardevol voor de vraagstelling van de positionering t.a.v. de Duitsers, en hetzelfde geldt voor de activistische beweging, op een maal na. Dat laatste komt echter veel meer aan bod in De Nieuwe Gazet van Gent, vanaf 4 oktober 1917 de Nieuwe Gentsche Courant geheten. Dit activistische blad, dat met steun van de Duitsers verscheen vanaf 5 oktober 1916, was van socialistische strekking, en poogde vaak in debat te gaan met Vooruit i.v.m. de vredeskwestie en Vlaamse eisen. Anseele werd vaak aangesproken, bekritiseerd en zelfs occasioneel geroemd. Dit dagblad kon dan ook absoluut niet genegeerd worden. Bovendien nam het nu en dan een “neutraal” standpunt in bij conflicten van Vooruit met andere dagbladen, en komen we soms meer te weten over de concrete activiteiten van Anseele. Op 2 april 1916 herverscheen ook De Waarheid, “orgaan van de Vrije Socialistenbond”. Dit weekblad vormde de spreekbuis van de anarchistische Gentse dissidenten rond Paul Verbauwen en Pol De Witte, erfvijanden van Anseele omdat die zich de SM Vooruit had toegeëigend. Kritiek op de persoon van Anseele was dus vooral daar te verwachten. Zeker de vredeskwestie en de Vlaamse kwestie zouden er aan bod moeten komen, net als gefundeerde kritiek op de socialistische en stedelijke inspanningen, maar dat bleek veeleer een ontgoocheling. De Waarheid bleek vooral ongefundeerd gescheld te zijn, wat de geloofwaardigheid van de meer onderbouwde artikels uit dezelfde krant niet ten goede komt. Tot slot namen we nog het maandblad Roode Jeugd door, dat vanaf augustus 1917 verscheen. De herkomst van dit blad dient gezocht te worden bij de Socialistische Jonge Wachten, die zich ongenuanceerd voor een onmiddellijke vrede hadden uitgesproken in januari 1917. Anseele probeerde de Jonge Wachten, die zouden evolueren naar de Vredesgroep toen de steun van oudere partijleden toenam, dit recht te ontzeggen, en dus vormt Roode Jeugd een oppositieblad dat niet kon ontbreken in het krantenonderzoek, en dat zich vooral toespitst op het vraagstuk van de Internationale en de vredeskwestie.

 

De twee hoofdstukken over de hulp/voeding aan de bevolking en de politieke strijd die op de achtergrond woedde, worden ook verder gedocumenteerd aan de hand van de notulen van het Gentse schepencollege[62]. Veel uitleg behoeft deze bron niet. Wel is het zo dat de Vlaamse kwestie, de vredeskwestie en de Duitse vraagstelling hier niet zo duidelijk aan bod komen. We verkozen de notulen van het schepencollege boven die van de gemeenteraad, omdat de gemeenteraad zich vooral in een besluitvormingsfase situeert, terwijl in het schepencollege plannen werden gemaakt, er gediscussieerd werd over voorstellen aan de gemeenteraad, de collega’s op de hoogte werden gehouden van de vorderingen in dit of dat dossier,… Aanvullen deden we waar nodig met een gerichte raadpleging van de notulen van de gemeenteraad[63].

 

In bovenstaand bronnenoverzicht ontbreken echter nog bronnen die een licht kunnen werpen op de relatie tussen Anseele en de Duitse overheden. Om die reden namen we de microfilms van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (Auswärtiger Amt) door, i.e. het archief van de Wilhelmstrasse[64]. De kans op succes was laag, aangezien Gent door de militaire overheid werd bestuurd. Uiteindelijk kon dan ook niet veel relevants gevonden worden. Een andere mogelijkheid om hier meer over te weten, was briefwisseling die we zouden vinden in het Camille Huysmansarchief[65]. Dit ontzettend rijk gedocumenteerde archief waaruit Huysmans’ inspanningen voor de Internationale blijken, is echter zoals verwacht ook niet echt nuttig i.v.m. Anseele. De kloof met het Etappengebied is ook hier te groot. We moesten het bijgevolg doen met indirecte aanwijzingen en losstaande informatie.

 

Met deze bronnen werd het onderzoek afgesloten. Voor alle vraagstellingen, op een na, werd voldoende materiaal gevonden om op zijn minst een beeld te krijgen van wat er allemaal gaande was. Veel conclusies blijven echter behoren tot het niveau van de interpretatie, vooral bij ontstentenis aan directe bronnen. Niettemin menen we deze interpretaties vaak goed te kunnen documenteren. Het bronnenonderzoek kan nooit volledig zijn. Daarvoor zijn de bronnen te verscheiden en is de persoon Anseele te veelzijdig. Bovendien bevinden we ons in een oorlogssituatie, die het moeilijk maakt om primaire bronnen terug te vinden. Willen we dat zo goed mogelijk opvangen, dienen we een breed arsenaal aan alternatieven en omwegen te zoeken, wat niet altijd mogelijk was. Echter, binnen het tijdsbestek van deze verhandeling, kozen we naar onze inschatting voor de best mogelijke selectie.

 

 

1. De eerste oorlogsmaanden

 

 1.1. De oorlogsverklaring en oorlogsroes

 

In België drong de reële oorlogsdreiging laat door. Na de moord op de Oostenrijkse kroonprins Franz Ferdinand op 28 juni 1914 - de directe aanleiding voor de oorlog -, zou het nog duren tot 29 juli alvorens het land overging tot een eerste, gedeeltelijke, mobilisatie. Pas toen op 31 juli een Duits ultimatum werd verzonden aan Frankrijk en Rusland, ging men over tot de algemene mobilisatie. Ondertussen liet de Belgische diplomatie weten dat men in een eventueel komend conflict de neutraliteit wenste te bewaren, overeenkomstig het verplichte statuut sinds ‘s lands onafhankelijkheid. Het weerhield Duitsland er niet van op 2 augustus ook België een officieel ultimatum toe te zenden. In het ultimatum werd België ervoor gewaarschuwd als vijand van Duitsland beschouwd te worden, indien de troepen van het keizerrijk geen vrije doorgang door het land zouden krijgen.[66] België weigerde op 3 augustus kordaat en eensgezind na overleg in de Kroonraad, en de dag erop, om 9 uur ’s ochtends, schonden de eerste Duitse soldaten het Belgische territorium. België was in oorlog.[67] Onmiddellijk erna vergaderden de Belgische Kamers op een eerste (vervroegde) zitting na het zomerreces. Premier de Brocqueville, katholiek, legde er een wetsontwerp neer voor een oorlogskrediet van 200 miljoen frank en tegelijkertijd kondigde hij de benoeming van Emile Vandervelde - socialist - als minister van staat aan. Dit was ontegensprekelijk een manoeuvre om een brede steun voor de landsverdediging te verwerven, want de socialisten, die nog nooit aan een regering hadden mogen deelnemen en het AES er nog niet hadden doorgekregen, stonden bekend als pacifisten. Op 29 juli nog had de Internationale, waarvan Vandervelde voorzitter was, zich uitgesproken tegen de nakende oorlog. Niettemin bleek er sprake van een oorlogsroes, want Vandervelde aanvaardde zonder aarzeling de benoeming en verklaarde meteen ook dat de socialisten unaniem de oorlogskredieten zouden stemmen.[68]

 

Kunnen we daaruit afleiden dat ook Anseele, die mee het oorlogskrediet had gestemd, de mobilisatie had goedgekeurd[69] en zich voor de oorlog nog had uitgesproken voor het recht op landsverdediging[70], zich inderdaad zonder nuance liet meeslepen in de oorlogsroes? En stond hij zoals vele landgenoten als een goede patriot klaar om de Duitse indringers het land uit te verdrijven en was hij er zeker van dat dat ook zou gebeuren? Ook in Gent was die roes immers prominent aanwezig, zo laat Baertsoen op 8 augustus in zijn dagboek blijken, wanneer hij stelt: “L’enthousiamse fut grand en Belgique […]. On pavoisa partout et à Gand, notamment, il n’y avait presqu’aucune maison sans drapeau national.”[71] Kenis stelt echter dat “Anseele, de real-politieker bij uitnemendheid, zich niet door de oorlogsroes zou laten bedwelmen”,iets wat “de eeuwige glorie van een kleine groep sterke geesten” zou blijven. Hij gaat zelfs in debat met die andere biograaf, Louis Bertrand, wie hij verwijt het voor te stellen alsof Anseele volledig op de patriottische lijn stond van zichzelf (Bertrand). Anseele zag het echter “minder lyrisch” in, en voorzag meteen na de bijeenkomst van de Kamer “met een inzicht dat profetisch mocht heten” dat binnen de twee weken Brussel zou worden ingenomen. Hij zag de toekomst bezorgd tegemoet, in tegenstelling tot wat de oorlogsroes teweegbracht.[72] Deze stelling past in het venster van Kenis, die Anseele doorheen zijn biografie probeert af te schilderen als de nuchterheid zelve, maar we moeten tegelijk ook voorzichtig zijn met de stelling van “patriot” Bertrand, voor wie het ook van belang is om Anseele op een andere manier af te schilderen. Bij gebrek aan directe bronnen kunnen we niet in het hoofd van Anseele kijken, maar misschien leert het dagblad Vooruit ons meer? Het is wel opletten geblazen met de ingestelde censuur (vanaf 17 augustus) en het feit dat het niet Anseele zelf is die aan het woord komt. Nog voor de oorlog uitbrak, werd Oostenrijk-Hongarije alvast scherp veroordeeld. “Oostenrijk is de meest verachterde natie van Europa. […] En ’t is dat land dat ons den afschuwelijken oorlog opdringt.” Op 14 augustus titelde het blad “België boven”, na twee Belgische militaire overwinningen.[73] Betekende dat dan dat men ongenuanceerd vaderlandslievend was, en men de vijand scherp bleef veroordelen? Eerst en vooral zien we dat de aversie voor de “keizerskliek” rond Oostenrijk-Hongarije en Duitsland meer voortspruitte uit de algemene weerstand van de socialisten tegenover elke oorlog, dan uit een dapper belgicisme. Op 2 augustus kondigde Vooruit immers een protestbetoging aan voor de volgende dag: een “grootsche betooging voor den Vrede en tegen den Oorlog.” Wanneer de volgende dag de vredesbetoging werd verboden op laste van de regering, riep Vooruit verontwaardigd uit “Leve de vrede! Weg met den oorlog! Weg met het kapitalisme dat tot den oorlog drijft; leve het internationale socialisme! Leve het vredelievende proletariaat!”[74] De vrede was het uitgangspunt voor de scherpe kritiek op onder meer Oostenrijk-Hongarije. Verder, op 7 augustus klonk het dan wel dat de oorlog door Duitsland gewild was, maar enige kanttekeningen werden ook geplaatst tegen het optreden van de Belgische regering. Enerzijds stelde hoofdopsteller Hardyns dat de socialisten “goede vaderlanders” waren, omdat zij de oorlogskredieten hadden gestemd, en klonk het dat “de indringer [Duitsland]” een onredelijke eis stelde. Anderzijds vond hij de benoeming van Vandervelde als minister van staat “maar een mager beestje”: de toekenning van het AES zou een veel beter signaal geweest zijn.[75] Genuanceerd was men ook bij de verschillende oproepen tot kalmte. “Gister, van in den valavond, hebben in onze stad betreurens- en afkeurenswaardige betoogingen plaats gehad. Groepen, meest jonge lieden, hebben zich zingende naar de verschillende koffijhuizen, handelshuizen, hotels en konsulaten begeven, vragende om de Belgische nationale vlag te hijschen. Dit ging gepaard met kreten: “Weg met Duitschland!” Wij vragen de Gentsche bevolking zich aan de betoogingen te onthouden. […] Vergeten wij ook niet, DAT HET HET DUITSCHE VOLK NIET IS DAT DEN OORLOG HEEFT GEWILD.”[76] Bij de instelling van de vaderlandse censuur was Vooruit ongemeen scherp: “Een grondwettelijk recht, - de vrijheid der pers, - geschorst, niet in Rusland, maar in België!”[77] In de eerste zitting van het socialistisch middencomité na de oorlogsverklaring, op 12 augustus, hoorde men Anseele niet fulmineren en grote woorden spreken, maar zich wel focussen op concrete bekommernissen die de oorlog met zich meebrengt.[78] En hoewel de Duitse socialisten bijna unaniem de oorlogskredieten hadden gestemd, en gezien de historische band tussen Gent en Duitsland, reageerde Vooruit bij monde van Hardyns “afwachtend”, alvorens dit verraad scherp te veroordelen. Men wilde eerst de uitleg horen van de Duitse socialisten op de volgende bijeenkomst van de Internationale.[79]

Al bij al bleek de Gentse socialistische federatie zich dus allesbehalve onvoorwaardelijk patriottisch te gedragen, zeker als we opmerken dat de meeste geciteerde artikels dateren van voor het instellen van de officiële vaderlandse censuur. We menen ons dan ook te mogen aansluiten bij de stelling van Kenis, dat Anseele - of althans de Gentse socialistische federatie - zich aanvankelijk niet liet meeslepen in de oorlogsroes, al was er natuurlijk wel misprijzen voor de “indringer”.

Dat gevoel vergrootte na augustus, toen men Duitsland scherper begon te veroordelen en het patriottisme meer doorgang begon te vinden. Aangezien die afkeer meer kaderde in het licht van de Internationale, komen we daar pas op terug in het vierde hoofdstuk.

 

 

 1.2. De bezetting van de stad Gent

 

Beducht voor de gevolgen van de oorlog, zien we Anseele zich meteen na de oorlogsverklaring in het schepencollege, SM Vooruit en het middencomité inzetten voor het lot van de arbeiders en bij extensio voor de hele bevolking. In het tweede hoofdstuk gaan we daar verder op in. Dat Vooruit de vrede predikte, zien we in het vierde hoofdstuk. In dit hoofdstuk gaan we nog dieper in op twee belangrijke episodes in de aanloop naar de bezetting van Gent: namelijk eerst de dreiging tot bezetting van de stad, en ten tweede de bezetting zelf.

Het eerste situeerde zich op en rond 7 september, toen de Gentenaars te Melle-Kwatrecht de Belgische troepen hevig slag hoorden leveren met een voorhoede van het Duitse leger, en een inname van de stad dreigde.[80] Vooruit titelde in de editie van de volgende dag “Gentenaars blijft kalm!,” waarmee het de bevolking trachtte te waarschuwen geen ondoordachte acties te ondernemen tegen de Duitse troepen. Gewelduitbarstingen en wilde bombardementen van de Duitse troepen, zoals die al met verwoestende gevolgen hadden plaatsgevonden in onder meer Leuven en Dinant, wilde men absoluut vermijden. Immers, “op het oogenblik dat dit nummer in uwe handen komt, zal de stad Gent zeer waarschijnlijk door de duitsche troepen bezet zijn.”[81] In de avond van 7 september was er de wekelijkse gemeenteraadszitting, waar duidelijk bleek dat niet alleen de socialisten hoopten op een vreedzame inname van de stad. Tijdens de zitting zelf ontving burgemeester Braun (liberaal) een brief van de Duitse generaal von Böhn, die met zijn troepen in Oordeghem was gelegerd. In de brief werd Braun verzocht om zich de volgende dag te melden in Oordeghem voor een onderhoud met de generaal, met als doel een treffen tussen de Duitsers en de burgerwachten te vermijden. De gemeenteraadsleden wensten de burgemeester meteen “dat hij in zijne zending wel moge gelukken, tot heil onzer stad.”[82] Tijdens de onderhandelingen de volgende dag verklaarde de generaal zich bereid Gent niet te bezetten, op voorwaarde dat de burgerwacht zich onmiddellijk zou ontwapenen en haar wapens zou afleveren aan het Duitse leger. Verder werden heel wat goederen opgeëist, waaronder 1.000 liter mineraalwater, 100 rijwielen, 10 motorfietsen, 200.000 sigaren, 150.000 kilo haver en 10.000 liter brandstof. In ruil daarvoor moest de stad geen oorlogstaks betalen.[83] Het akkoord was nog maar net afgesloten, of het werd al bijna opgeblazen door een Belgische soldaat, die niets afwist van het onderhoud tussen Braun en von Böhn. Luitenant Kervyn hield in de St. Pietersnieuwstraat een auto met Duitse soldaten tegen en schoot in de richting van de soldaten.[84] Het was het optreden van de burgemeester, na lang onderhandelen met von Böhn, dat ervoor zorgde dat de zaak niet escaleerde. Op de gemeenteraad diezelfde avond werd bij monde van Casier hulde gebracht “aan de schranderheid, de zelfopoffering en de toewijding aan zijne stad” van Braun, iets waar de rest van de gemeenteraad zich al rechtstaand en in de handen klappend bij aansloot.[85] De uitvoering van het akkoord liep niet op wieltjes: de haver kon niet binnen de voorziene tijdsspanne geleverd worden, en de ontwapening van de burgermacht bleek niet evident. Maar von Böhn stelde zich inschikkelijk op, zodat de stad voorlopig van een bezetting gespaard bleef. Anseeles rol bleef in deze episode beperkt. We dienen enkel aan te stippen dat hij als eerste schepen volledig op dezelfde golflengte zat als de burgemeester en boven alles een (gewelddadige) bezetting van de stad wou voorkomen. Getuige daarvan de oproep in Vooruit en de steun in de gemeenteraad en het schepencollege.

 

Ten tweede willen we nog dieper ingaan op de definitieve bezetting van de stad. Na de slag om en de val van Antwerpen, waarover in Vooruit ten gevolge van de censuur geen eenduidigheid bestond (euforische en pessimistische berichten wisselden elkaar af), was het immers de beurt aan Gent om door Duitse troepen bezet te worden. Men kan aannemen dat de belangrijkste reden daarvoor was dat het optimistische geloof in een kortstondige oorlog, een scenario waarin Gent niet zo nodig bezet hoefde te worden, sterk terrein had verloren omdat de frontlijn bijna was vastgelopen. Op 10 en 11 oktober was Melle-Kwatrecht opnieuw het toneel van hevige gevechten. Op 12 oktober, om 9u30 in de voormiddag, zouden de eerste Duitse troepen zich aanmelden aan het stadhuis, en rond 14u30 trok het Duitse leger de stad binnen. Gent was bezet, en de Belgische troepen hadden de stad zonder weerstand te leveren achtergelaten.[86]

Ook nu weer was de voornaamste bekommernis van het stadsbestuur het vermijden dat de stad zou worden gebombardeerd of de bevolking aanleiding zou geven tot Duitse vergeldingsacties. Op 9 oktober stuurde Braun in die zin nog een brief aan de Belgische minister van Binnenlandse zaken waarin hij vroeg dat de geallieerde soldaten er alles aan zouden doen “à éviter à notre cité les horreurs du bombardement, du pillage et de l’incendie”[87], blijkbaar met succes. Ook Vooruit riep weer nadrukkelijk op tot kalmte, maar dan gericht naar de Gentse bevolking.[88] Het dreigde weer mis te lopen toen een Duitse troependelegatie, bij wijze van veiligheidsverzekering vergezeld van schepenen Anseele en De Bruyne en een politiecommissaris, in de buurt van Mariakerke op vier Engelse soldaten moesten schieten. De Bruyne werd er meteen van beticht de Engelsen op de hoogte te hebben gesteld van de tocht, maar volgens Anseele zelf behielden beide schepenen hun koelbloedigheid: “Wij hebben ons woord gegeven dat gij rustig door de stad zoudt zijn gegaan, wij houden ons woord en blijven bij u,” liet hij de Duitsers weten. De Bruyne keerde daarop terug naar het stadshuis, terwijl Anseele samen met de Duitse soldaten een huis uitkamde waar de Engelsen zich zouden hebben verschanst. Toen die veronderstelling fout bleek, mocht ook Anseele terugkeren naar het stadshuis.

Anseele werd door de Duitsers vervolgens als gijzelaar genomen, om de rust in de stad te garanderen. Ook partijgenoot Coppieters, en collega’s De Weert, Van der Stegen, Casier en Siffer werden gegijzeld.[89] Burgemeester Braun had daarop gevraagd om niet Anseele, maar schepen Heynderickx als gijzelaar te nemen. Anseele zelf zou dit echter geweigerd hebben.[90] De hechtenis werd al snel omgezet naar huisarrest onder militair toezicht en met het bevel zich dagelijks aan te melden bij de bevelvoerende generaal. Uiteindelijk werden de dwangmaatregelen voorlopig opgeschorst, met dien verstande dat de zes verantwoordelijk bleven voor de orde en de rust in de stad, en dat zij Gent niet mochten verlaten zonder toelating. Toen op 28 november Engelse vliegtuigen bommen op de stad dropten, werden de gijzelaars opnieuw opgeroepen, en werden er nog 24 andere bekende figuren aan toegevoegd. Er werden 3 reeksen gevormd van 10 gijzelaars die om de beurt elk 24 uren gevangen werden gezet, eerst in een gevangenis maar al snel door toedoen van de burgemeester in een speciaal daarvoor ingericht lokaal in de Veldstraat. Ditmaal was het regime veel strenger: niemand mocht bij de gijzelaars komen, zelfs dokters niet. Op 24 december werden de gijzelaars opnieuw in vrijheid gesteld.[91]

Gijzelaar of niet, Anseele werd onmiddellijk na de bezetting van de stad door de Duitsers gelast om de nieuwe opeisingen te verzamelen en aan de Duitse autoriteiten over te dragen. Hij kreeg daarvoor van de Duitsers een auto ter beschikking gesteld, en zijn huisarrest werd minder strikt geïnterpreteerd. Ditmaal werd naast 30.000 kilo haver ook o.m. 18.000 broden, 6.000 kg vlees en 4.000 kg rijst van de stad gevraagd.[92] De opgeëiste goederen konden, op uitzondering van de haver, zonder problemen worden verzameld. Verder voerden Anseele en Braun ook onderhandelingen over een oorlogsschatting (die er niet zou komen), het drankverbod en een uitvoerverbod van goederen.[93]

Het waren de eerste contacten van Anseele met de Duitse autoriteiten. Van een vijandige sfeer was geen sprake, zo blijkt uit Vooruit. Zo verscheen er over een onderhoud tussen generaal Yung en Anseele: “Daar werd hij door generaal Yung ontvangen, die hem verklaarde dat hij liever hem in andere omstandigheden ontvangen had en hij hoopte dat die betere toestanden weldra zouden komen. Gezel Anseele verklaarde dit ook te hopen.”[94] Bovendien werd Anseele door het blad gebombardeerd tot een na te volgen voorbeeld, al speelde vooral de bekommernis van de veiligheid van de stad daarin een grote rol. Nadat het drie voorbeelden van voorbeeldig gedrag van Anseele had aangehaald, stelde het: “dus, wees tegen de duitschers beleefd maar kloek.”[95] Het is een eerste indicatie dat onze hypothese, namelijk dat Anseele zichzelf zeker niet buitenspel zou zetten, wel eens zou kunnen kloppen, alvast voor de aanvangsperiode van de oorlog.

 

 

 1.3. Onderwerping aan de censuur

 

Hetzelfde kunnen we zeggen van de beslissing van de Gentse socialisten om Vooruit ook tijdens de bezetting te laten verschijnen. Heel wat dagbladen hadden onmiddellijk na de bezetting van Gent besloten de publicatie te staken. Vooruit verscheen daarentegen nog drie nummers. Na de instelling van de Duitse censuur herverscheen Vooruit ook opnieuw. Sommige bladeren, zoals La Flandre Liberale, deden dat om vaderlandse redenen niet. Het verslag van het middencomité dat deze beslissing moest hebben genomen is niet bewaard, maar we mogen aannemen dat ook Anseele achter deze beslissing stond. Vooruit zelf verklaarde eerst en vooral dat de voorwaarden waarin men mocht verschijnen aannemelijk waren. “En wij hebben gepakt. Waarom? Ten eerste om de zoo verstaanbare nieuwsgierigheid van onzer lezers en partijgenooten te voldoen in de mate onzer krachten. Ten tweede om mede te helpen aan het behoud der rust, wier stoornis door eene onvoorzichtige of wanhopige daad de ernstigste gevolgen zou kunnen hebben voor de gansche bevolking.”[96] Maar de belangrijkste reden was uiteraard dat men de politieke strijd wou voortzetten, zeker in een klimaat waarin de concurrerende klerikale bladen (de “confraters” De Gentenaar, Het Volk en Le Bien Public) van weerwoord moesten worden gediend. Erg patriottisch was die daad niet, en Anseele zou er dan ook volgens Kenis vanuit die patriottische kringen de nodige kritiek op krijgen, maar Anseele zag in dat het contact met de achterban, “op het ogenblik dat men meer dan ooit de betrekkingen tussen leiders en partijgenoten levendig moest houden,” niet mocht verbroken worden.[97]

 

 

 1.4. Besluit

 

We zien Anseele de eerste oorlogsmaanden naar voor komen als een persoon die niet gediend was met het uitbarsten van de oorlog, en nadien zich evenmin liet meeslepen in de patriottische oorlogsroes. Meteen ging hij aan het werk gaat om de Gentse stedelingen zoveel mogelijk leed te besparen (zie daarvoor vooral het volgende hoofdstuk). De banden met de Duitse bezetter blies hij daarbij niet op. In het volgende hoofdstuk over de hulp beginnen we opnieuw met de eerste oorlogsmaanden, maar ditmaal trekken we het thema door tot aan het einde van de oorlog. We kozen voor een thematische benadering, om het overzicht te bewaren tussen een kluwen aan initiatieven en projecten.

 

 

2. Anseele en de hulp aan de bevolking

 

 2.1. België voor de oorlogsverklaring en de gevolgen daarvan voor de oorlogstijd

 

België telde aan het begin van de oorlog op haar grondgebied 7,5 miljoen inwoners, goed voor een dichtheid van 252 inwoners per km², waarmee het meer dan de helft boven het Europese gemiddelde lag. Ongeveer 3,5% van de inwoners was immigrant, waarvan de Duitsers[98], Nederlanders en Fransen overheersend waren. België was een rijk land, en splitste haar economische activiteiten over drie verschillende sectoren: de landbouw, de industrie en de handel. De landbouwsector stelde maar liefst 1,2 miljoen mensen aan het werk. Maar België was ook heel actief op industrieel en handelsvlak. De industrie spitste zich vooral toe op de mijnontginning, glasproductie, metaal-, textiel- en linnenbewerking (die laatste twee waren belangrijk in Gent), maar ook producties zoals distillerieën, suikerijen, enz. waren belangrijk. De geproduceerde waarde op vlak van kolen, metaal, glas en textiel alleen al bedroeg niet minder dan 2 miljard frank per jaar. Daarnaast was er natuurlijk ook de bloeiende handel, ten eerste omdat de hoge bevolkingsaantallen en industriële productie de nodige import (metaalertsen, wol, hout, cokes, enz.) vereisten, en ten tweede omdat er in België door de industriële productie nu eenmaal veel goederen beschikbaar waren voor de export. Jaarlijks importeerde België meer dan 30 miljoen ton goederen (jaarlijkse waarde 5 miljard frank), waarvan 5/6 bestond uit ruwe of licht bewerkte grondstoffen bestemd voor de industrie. De export was goed voor 20 miljoen ton per jaar (waarde van 4 miljard frank). België was ook een transitland, waar jaarlijks 6,5 miljoen ton passeerde, voor een waarde van 2,5 miljard frank. Kortom, de handel was voor de economie van België cruciaal. Om dit allemaal te kunnen dragen, kon België rekenen op een spoorwegennet dat 4.700 kilometer lang was, wat veel was voor een dergelijk klein land. De spoorwegen vervoerden jaarlijks 210 miljoen reizigers, en 70 miljoen ton aan goederen. Daarnaast waren er natuurlijk ook de meer dan 10.000 kilometers grote wegen, geschikt voor het transport en communicatie.[99]

 

België was dus voor haar bestaan absoluut afhankelijk van het buitenland, en was zelf behoorlijk geïndustrialiseerd. De bevolking was van het buitenland afhankelijk voor de import van sommige levensmiddelen. De industrie moest op haar beurt enerzijds voor de aanvoer van grondstoffen, en anderzijds voor de export van haar goederen deels op het buitenland rekenen. In geval van oorlog en het sluiten van de grenzen was het dus te voorzien dat de Belgische economie zou instorten, en dat de voedselvoorziening van de bevolking onder druk zou komen te staan, en dat was dan ook exact wat er gebeurde toen de oorlog uitbrak. Op het vlak van de voedselvoorziening werd de tarwevoorraad met de dag kleiner en dreigden vooral de steden, de industriële centra bij uitstek, te kampen te krijgen met een tekort aan graangewassen. De Belgische overheid voerde op 14 augustus al bij koninklijk besluit een broodrantsoen in van 400 gram per dag per persoon. Oost- en West-Vlaanderen kwamen nog extra onder druk te staan door de toestroom van vluchtelingen. Maar ook de landelijke gebieden hadden meteen te lijden onder de oorlog: zij ontbraken goederen zoals koffie, zout, kolen, zeep, brandstof, ... De prijzen van al deze goederen stegen.[100] België was op deze toestand niet voorbereid: via koninklijke besluiten werd getracht om de speculatie tegen te gaan door maximumprijzen op te leggen, en de verantwoordelijkheid voor de bevoorrading in bloem en tarwe werd doorgeschoven naar de provinciegouverneur, terwijl de burgemeesters (en dus het gemeentebestuur) verantwoordelijk werden gesteld voor aardappelen, zout, suiker en rijst. Het waren vooral ad hoc maatregelen. De gemeenten zelf stampten een bureel van weldadigheid uit de grond, en er was ook een wildgroei aan private initiatieven. Het is in die context - nood aan levensmiddelen, nood aan centralisatie - dat het NHVC het levenslicht zag.[101] Eenmaal het hele land (op het gebied rond de Ijzer na) bezet was, maakte de zeeblokkade van de geallieerden tegenover Duitsland de zaak er niet gemakkelijker op.[102] Bovendien was een van de eerste beslissingen van de bezetter om de speciale maatregelen voor de bevoorrading, die de Belgische regering in augustus genomen hadden, af te schaffen.[103] De toestand werd er gedurende de oorlog vanzelfsprekend alleen maar slechter op.

Volgens Henry was de enige mogelijke uitweg uit de voedselcrisis het opdrijven van de industriële productie, maar die lag ten gevolge van de oorlog eveneens plat. Die mogelijke strategie werd op 2 manieren verhinderd. Langs de ene kant had België te weinig inkomsten uit de industrie om in het buitenland voedsel aan te kopen, en aan de andere kant viel ook de koopkracht van de bevolking terug waardoor de aankoop van levensmiddelen duurder werd.[104] Die dalende koopkracht was het gevolg van de terugval in industriële productie, omdat België zoals gezegd voor haar import en export afhankelijk was van het buitenland en de oorlogsomstandigheden dit alles behalve evident maakten. Het was dus niet alleen onmogelijk om de industriële productie op te drijven: een terugval in de productiecijfers was op zichzelf al niet te vermijden. De werkloosheidcijfers gingen dan ook de hoogte in.[105] De oorlogsomstandigheden die voor de terugval in de industriële productie verantwoordelijk waren, zijn als volgt samen te vatten: eerst en vooral was er de dubbele blokkade die de handel nagenoeg onmogelijk maakte, zowel intern als extern. Het bezettingsregime (interne blokkade) beperkte sowieso sterk de handelsmogelijkheden, en extern was ook hier de geallieerde zeeblokkade van belang zodat de industrie de noodzakelijke grondstoffen niet kon toegeleverd krijgen.[106] Maar ten tweede waren er ook de talrijke materiële opeisingen van de Duitsers die maakten dat de industriële sector nagenoeg stilviel. Koper, lood, zink, kolen, cokes, nikkel, aluminium, brandstoffen, ... Het werd de fabrieken allemaal ontnomen, opdat het zou gebruikt kunnen worden voor de Duitse oorlogsmachine.[107]

 

Gent werd niet gespaard. In 1914 waren er ongeveer 20.000 werklieden tewerk gesteld in de textielfabrieken die de stad rijk was. Doordat de oorlog de invoer van grondstoffen lam legde, vielen bijna alle fabrieken stil en verloren duizenden gezinnen hun inkomen. Al op 6 augustus, twee dagen na de inval, zaten er van de 10.000 werknemers in de katoenindustrie al 3.000 thuis, en werkten anderen maar een halve dag (er heerste hoe dan ook al een economische crisis in België). Het werklozenfonds, dat diende om dergelijke gevallen te ondersteunen, was vlug uitgeput. In het begin schonk de stad nog 10.000 fr. per week aan dat fonds, opdat de werklozen zouden blijven ondersteund worden. Daarnaast werden er nog andere initiatieven genomen (cfr. infra). Om dit allemaal te financieren werden in november 1914 nieuwe belastingen gestemd (bv. op bier, honden). In het verloop van de oorlog zou de werkloosheid alleen maar toenemen: eind oktober 1915 telde Gent 32.033 werklozen, eind maart 1916 waren dat er al 38.447 (ondersteunde).[108]

Ook op vlak van de voeding had Gent te lijden. Op zichzelf was de inlandse teelt van graan al niet voldoende om de bevolking te voeden, maar door de oorlog verminderde de opbrengst nog meer door onder meer de vernielingen en de opeisingen van de percelen en/of oogst.[109] Bovendien was het regime in de Etappen dan nog eens strenger dan elders, omdat het militaire belang daar prioritair was. Dat had zowel gevolgen voor de aanvoer van voedingsstoffen, als voor de opeisingen en de verdeling.[110]

Op vlak van de werkloosheid en de voeding golden de Duitse opeisingen van materiaal en goederen ook nog eens als een groot probleem: gedurende de oorlog werden duizenden verordeningen op straat opgehangen over goederen die bij de Duitsers moesten worden ingeleverd: van vlasgaren, over stoffen en rijwielen, tot notenoogst en wijnvoorraden.[111] Dit kwam bovenop de al bestaande ellende en maakte het er niet eenvoudiger op.

 

De situatie was dus eenvoudig: de voedselvoorraden dreigden uitgeput te geraken, en steeds meer mensen werden afhankelijk gemaakt van de hulp als gevolg van een toenemende werkloosheid. De mogelijkheden van de overheid om daar adequaat naar te handelen verminderden gestaag tijdens het verloop van de oorlog. Wel werd het NHVC opgericht en rezen de private initiatieven als paddenstoelen uit de grond, maar voor elk van die organisaties gold ontegensprekelijk dat hoe langer de oorlog duurde, hoe duurder de prijzen van de levensmiddelen werden, hoe moeilijker goederen te verkrijgen waren, en voor hoe meer mensen de bijstand levensnoodzakelijk begon te worden.

 

Verder in dit hoofdstuk proberen we na te gaan welke inspanningen de stad Gent leverde om deze flessenhals te lijf te gaan, en vooral welke de rol van Anseele bij die initiatieven was. Soms zal het overzicht het karakter van een opsomming krijgen, omdat de verschillende initiatieven uiteraard niet altijd met elkaar in verband stonden.

 

 

 2.2. Anseele tot de bezetting van Gent

 

Op 5 augustus kwam het schepencollege voor de eerste maal in oorlogstijd bijeen, en meteen werd er op initiatief van Anseele besloten een bevoorradingscommissie op te richten. De volgende dag werd daarvoor een vergadering ingericht met telkens 2 afgevaardigden van respectievelijk de SM Vooruit, en de SM’en Het Volksbelang en Het Volk, plus een aantal bedrijfsleiders en schepen Anseele.[112] Op 6 augustus deed Anseele verslag van het onderhoud dat hij had met de vertegenwoordigers van de verschillende belanghebbenden. De bevoorradingscommissie zou er komen, en om de speculatie tegen te gaan, werd een maximumprijs voor het brood vastgelegd.[113] Daarnaast werd afgesproken om broden te bakken van dezelfde kwaliteit, gewicht en prijs en de leveringsvoorwaarden voor de drie coöperatieven gelijk te houden. De graanprijs kreeg eveneens een plafond, en voor heel de provincie werden de maximumprijzen voor de kleinhandel vastgelegd. De (beschikbare) kolen en cokes (van de gasfabriek) werden bij de coöperatieven aan dezelfde en aan de meest goedkoop mogelijke prijs verkocht. Los daarvan moesten alle handelaars inkopen aan dezelfde prijs als de coöperatieven.[114] De commissie zou ook onderhandelen met de provincie, de generaal verantwoordelijk voor Oost-Vlaanderen en de minister van oorlog om de goederen en levensmiddelen die te Antwerpen voor transport naar Gent beschikbaar lagen werkelijk verzonden te krijgen naar Oost-Vlaanderen. De meeste vervoersmiddelen waren immers ter beschikking gesteld van het leger, hetgeen het transport niet evident maakte. Vooruit blies de loftrompet over de inrichting van de commissie en de gemaakte afspraken: “door deze krachtdadige handelswijze, waarvan onzen vriend Anseele de spil was, zijn deze kleinhandelaars en winkeliers tegen alle misdadige speculatie beschermd.”[115]

Op vlak van de bevoorrading was Anseele in die eerste oorlogsmaanden erg actief. Op bijna elke zitting van het schepencollege in die periode deed hij verslag van “les démarches faites” om de stad te bevoorraden. Onder meer de bevoorrading in kolen verliep niet eenvoudig, omdat ten gevolge van de oorlogstoestand de meeste vaartuigen waren opgeëist.[116] Eind augustus kon hij echter blij verkondigen dat de beloofde schepen, waarop zijn inspanningen zich hadden toegespitst, uit Antwerpen waren aangekomen. De schepen bevatten naast kolen ook “marchandises, ravitaillement.”[117] Daarmee was alles uiteraard niet opgelost, en voor nieuwe kolen keek Anseele in de richting van Londen. Op 14 september kon hij aankondigen dat de Gentse haven op dezelfde basis open was verklaard als de havens van Antwerpen en Oostende, wat een gunstig vooruitzicht bood voor de aankomst van Engelse kolen.[118] Daarnaast was hij actief op het vlak van de bevoorrading van bloem, tarwe,…

 

Anseele was eveneens bekommerd om het voortbestaan van de verschillende instellingen. Op 11 augustus gaf Anseele in het schepencollege aan dat hij samen met Eylenbosch, gedelegeerd bestuurder van SM Het Volk, zou onderhandelen met minister van landbouw, openbare werken en spoorwegen Vande Vyvere opdat de coöperaties ook tijdens de oorlog verder zouden kunnen functioneren.[119] Drie dagen later konden Anseele en Eylenbosch op een nieuwe zitting van het college melden dat er maatregelen waren genomen om niet alleen de werking te garanderen van de coöperaties, maar ook van de werkerorganisaties, mutualiteiten, stakings- en spaarkassen. Bovendien had men van de minister van Binnenlandse Zaken en van die van Financiën bekomen dat de vraag naar een subsidie welwillend zou onderzocht worden.[120]

 

De stad Gent zelf breidde haar activiteiten via het Bureel van Weldadigheid verder uit. Schepen Heynderickx, progressist, was schepen van Weldadigheid, maar de actie werd gecoördineerd in het schepencollege. Er was overleg tussen Heynderickx en Anseele, wiens activiteiten elkaar deels overlapten in deze. Op dit vlak was Anseele echter niet echt prominent aanwezig.[121] Onder de schepenen was Anseele vooral verantwoordelijk voor de bevoorrading, wat overigens zou blijven duren voor de rest van de oorlog (cfr. infra). Braun, als burgemeester, was overal een voortrekker, Lampens was verantwoordelijk voor het Werkloozenfonds, terwijl het De Weert, De Bruyne en Heynderickx waren die de openbare werken (cfr. infra), het Werk der Voeding, het Rood Kruis en de vluchtelingen (cfr. infra) onder hun hoede hadden.[122] Een eerste ondersteuningswerk dat werd opgericht is het zogenaamde Voedingswerk, gefinancierd door particuliere giften en het stadsbestuur. Behoeftige gezinnen kregen via deze organisatie brood en soep uitgedeeld, en gezinnen waarvan de broodwinner of het gezinshoofd dienst deed in het leger kregen een vergoeding van maximum 1,85 fr. per dag. Een tweede werk was het Werk der Goedkope Eetmalen, waaronder onder meer het Groene Kruis ressorteerde. De stad had hier niet rechtstreeks mee te maken, maar stelde wel lokalen ter beschikking. Men kon er een eetmaal genieten voor 35 cent, terwijl er ook veel gratis maaltijden werden uitgedeeld.[123] Via het Stedelijk Werk tot Onderstand, kregen de rechthebbende gezinnen - gezinnen getroffen door het binnenroepen van een of meer van de gezinsleden of getroffen door de werkloosheid - eveneens toegang tot de openbare keukens.[124] En voor het uitbarsten van de oorlog nog, had Anseele een aantal voorstellen in het schepencollege gedaan, waarvan er een betrekking had op de toen nakende oorlog. Anseele en Braun kwamen overeen om de families van stadswerklieden, die binnengeroepen waren vanwege de mobilisatie, twee derde van hun loon uit te betalen.[125]

 

Op 27 augustus titelde Vooruit “10.000 Mechelse vluchtelingen te Gent”. Het schepencollege schoot meteen in actie om deze hulpeloze slachtoffers van de oorlog op te vangen. “Het best was niet te lamenteeren en direkt aan ’t werk te gaan. Gezel Anseele zette zich aan den telefoon en elkeen die hij maar hoopte te kunnen helpen, werd verwittigd,” aldus Vooruit. Het dagblad deed een oproep aan alle instellingen die konden helpen (voor een onderkomen) en aan particulieren voor allerhande (voedings-) middelen, zoals brood.[126] Een golf van offervaardigheid beving de stedelingen, de stad stelde het grote Feestpaleis (van de wereldtentoonstelling in 1913) ter beschikking van de talloze vluchtelingen, die met de dag aangroeiden.[127] Gent werd door het stadsbestuur opgedeeld conform aan de elf politiewijken, elk onder de verantwoordelijkheid van 3 schepenen en/of gemeenteraadsleden. Die moesten zorgen voor logement, voeding en onderwijs. Anseele kreeg 2 wijken toegewezen.[128] Op 8 oktober was het aantal vluchtelingen dermate groot en werden de beschikbare hulpmiddelen steeds schaarser, zodat men er bij monde van M. Comhaire, besturend lid van het Komiteit der Vluchtelingen, voor pleitte om een groot deel van de vluchtelingen over te brengen naar Engeland.[129] Eenmaal Gent bezet was, normaliseerden de vluchtelingenaantallen zich, al kwam daar nu uiteraard een streng bezettingsregime voor in de plaats.

 

Tot slot zou de stad Gent, om de werkloosheid op te vangen, arbeiders die zonder werk waren gevallen van werk trachten te voorzien door het uitschrijven van openbare werken. Reeds in 1914 werden door de gemeenteraad een aantal initiatieven in die zin genomen. Zo werd besloten pleinen te plaveien, de riolen te kuisen, werden er wegenwerken uitgevoerd, beplantingen gedaan en een laan aangelegd. Het meest ambitieuze was ongetwijfeld het werk aan de darsen, maar daarover verder meer.[130] In Vooruit klonk het: “Het gemeentebestuur zal eerstdaags doen overgaan tot het uitvoeren belangrijke werken, zulks om de werkloozen bezigheid te verschaffen. Onder andere zouden, door heel de stad, de waterloopen worden gekuischt.”[131] Anseele zelf, hoewel minder betrokken bij de uitvoering ervan, was een voorvechter van deze initiatieven, en pleitte er bij de arbeiders voor om de werken serieus op te vatten. Het momentum van steun mocht immers door een lakse houding van die arbeiders niet verloren gaan.[132]

 

Kortom: zowel Anseele, het stadsbestuur als verschillende individuen besteden veel aandacht aan het verzachten van de uitzonderlijke toestand. Zet zich dat verder door gedurende de rest van de oorlog, en op welke manier? Vanzelfsprekend is het vooral de rol van Anseele die ons daarbij bezig houdt.

 

 

 2.3. Het Nationaal Hulp- en Voedingscomiteit (NHVC[133])

 

Dé grote hulpinstelling tijdens de Eerste Wereldoorlog was ontegensprekelijk het Nationaal Hulp- en Voedingscomiteit. Gegroeid uit een Brussels initiatief rond industriëlen Solvay, Janssen, Francqui, Jadot en burgemeester Max, zou het NHVC met toestemming van de geallieerden en de Asmogendheden en onder impuls van de neutrale landen (Verenigde Staten van Amerika, Spanje, Nederland) uitgroeien tot een massale organisatie met niet alleen een nationaal comité, maar ook provinciale, regionale en lokale onderverdelingen. De goederen, vooral levensmiddelen, die door de Commission for Relief in Belgium in België verdeeld werden, werden van boven naar onder verspreid over de verschillende comité’s. De bevolking kon zich voor de aankopen (van de geïmporteerde goederen) wenden naar de zogenaamde Amerikaanse winkels, zo ook in Gent.[134] Kunnen we Anseele hier zien ageren? Zet ook hij zich via deze organisatiestructuur in voor de hulp aan de bevolking, zoals zijn Brusselse socialistische collega’s Wauters en Bertrand? Zag een pragmatische politieker als Anseele meteen in dat het NHVC na de oorlog een fantastische sprinkplank zou blijken naar meer politieke macht? Het bleek toen alvast dat de medewerking van de socialisten aan het NHVC aan de basis van de erkenning van de BWP als “normale” nationale partij zou liggen.[135] Het NHVC was dus ontegensprekelijk een belangrijk orgaan.

Volgens Kenis was het “als vanzelfsprekend” dat men beroep deed op Anseeles “organisatorisch talent voor de verschillende comité’s die te Gent” werden gesticht. Zo was hij “één der eerste leden van het Hulp- en Voedingscomité, van de Commission for Relief.”[136] Bij Louis Bertrand, zelf heel actief binnen de Brusselse afdeling van het NHVC, horen we dan dat “Anseele fit partie de plusieurs de ces comités de secours et d’alimentation,”, maar wordt het NHVC niet vermeld.[137] Gaat Kenis dan te kort door de bocht? Dat Anseele lid zou zijn van de Commission for Relief in Belgium is sowieso weinig geloofwaardig: het bureau bevond zich in Brussel[138], en zoals bekend lag Gent in het geïsoleerde Etappengebied. Bovendien had Anseele er in zijn hoedanigheid van schepen van de stad Gent niet veel te zoeken.

Maar hoe zat het dan bij het NHVC? Sowieso waren betrekkingen tussen Anseele en het NHVC niet zeldzaam. Zo reisde Anseele in de hoedanigheid van schepen samen met zijn collega Heynderickx af naar Brussel, toen ze kort na de bezetting van Gent vernamen dat er in Brussel “een comité is opgericht, bevoegd voor heel België.” Ze wilden er de aandacht vestigen op het lot van Gent.[139] Een paar dagen later deelde hij in de gemeenteraad mee dat Gent, bij monde van hemzelf, zich “in betrekking zal stellen” met het NHVC.[140]

Maar toen Heynderickx op 30 oktober 1914 in het schepencollege bekend maakte wie de leden waren van het Provinciaal Comiteit voor Hulp en Voeding, was daar geen Anseele bij. Heynderickx zelf was vice-president, en vertegenwoordigde daarmee, samen met Lampens, Fraues en Peelman, Gent.[141]

En dan, op 7 november lezen we in de notulen van het schepencollege dat “Anseele, qui a dans ses attributions le ravitaillement de la ville, remplacera mr. l’Echevin Lampens comme délégué au Comité Central d’alimentation à Bruxelles.”[142] Het is zeer de vraag wat we hier van moeten maken: was dat een tijdelijke vervanging (misschien voor een enkele zitting)? Viel dit weg eenmaal de reisvoorwaarden voor Brussel verstrengden in januari 1915? In Vooruit horen we alleszins nooit spreken van een vertegenwoordiging van Anseele in Brussel - iets wat men zeker niet zou verzwijgen -, en - nog belangrijker -, tijdens de vergaderingen van het schepencollege nam Anseele nagenoeg nooit het woord als het over het NHVC ging, in tegenstelling tot provinciaal vertegenwoordiger Heynderickx.[143] We vonden ook geen andere sporen die erop zouden wijzen dat Anseele tijdens de oorlog (duurzaam) vertegenwoordigd zou zijn op het nationale niveau van de organisatie. De zinsnede lijkt dan ook heel ongeloofwaardig, en kunnen we niet meteen verklaren.

Wél bestond het PHVC uit verschillende onderafdelingen, en Anseele zou in mei 1915 lid worden van een van hen, nl. het Provintiaal Komiteit voor Hulp en Bescherming aan Werkloozen.[144] In het lokale ondercomité van Gent was Anseele als schepen van rechtswege ook vertegenwoordigd.[145] Het bewijs dat dat een stap vooruit was en er tot dan toe geen sprake was van Anseele in het NHVC, wordt geleverd door Vooruit toen het schreef “Bravo! Dat is toch anderen peper dan de manier waarop de comiteiten samengesteld werden waarover wij reeds meermaals spraken: de provinciale, regionale comiteiten van Hulp en Voeding en van kleeding.”

Niettemin moesten de socialisten het in het lokale comité maar stellen met 3 leden op een totaal van 20.[146] Het is dan ook niet toevallig dat in Vooruit herhaaldelijk klachten verschenen over een ondervertegenwoordiging van de socialisten in de verschillende H&V-comité’s (merk ook op dat het dus bijna een half jaar duurde eer een groot figuur als Anseele erin werd opgenomen). In het volgende hoofdstuk, over de politieke strijd, gaan we daar verder op in.

Het provinciale comité waar Anseele was vertegenwoordigd, had als taak de door het Comiteit van den Nationalen Werkeloozensteun uitgekeerde sommen te verdelen.[147] Op 8 juni werd begonnen met de uitdelingen. Er waren op dat moment 22.165 volledige en 14.800 deeltijdse werklozen. Wekelijks bedroegen de uitgaven 109.200 fr. Aangezien het PHVC maar 100.000 fr. bijdroeg, was er een tekort van 9.200 fr. Wie dat bijpaste, lezen we niet.[148] Op het lokale niveau werd vooral de praktische kant van de zaak georganiseerd.[149]

 

Als we even recapituleren, zien we Anseele inderdaad lid worden van het NHVC, maar dan pas na verloop van tijd, op het provinciale en op het lokale niveau, én bovendien in een onderafdeling op dat niveau. Van een prominente aanwezigheid is dus geen sprake, maar hij wás er wel. En hij speelde er ook zijn rol.

 

Dat er daarnaast veel overleg was tussen Anseele, in de hoedanigheid van verantwoordelijke voor de bevoorrading van de stad Gent (cfr. infra) en de verschillende afdelingen van het NHVC mag natuurlijk niet verbazen. Van Laethem noemde de samenwerking “innig”.[150] Te Oost-Vlaanderen zouden de lokale comité’s trouwens nauw samenwerken met de Werklozenfondsen, Werkbeurzen, syndicaten, mutualiteiten, pensioenkassen, Maatschappijen van Werkmanswoningen, enz.[151] Via zijn invloed op bijvoorbeeld de syndicaten, had Anseele misschien ook op die manier contact met het NHVC. Los daarvan was een gecoördineerde actie tussen Anseele en het NHVC uiteraard gewenst, omdat de activiteiten van beide elkaar overlapten. Een regeringsdeelname na de oorlog echter overwegend toeschrijven aan een optreden in het NHVC, zoals dat bij bv. Wauters het geval was, is de waarheid geweld aandoen omdat dit zeker niet de belangrijkste activiteit was van Anseele tijdens de oorlog. Het is bovendien ook de vraag of tijdens de oorlog (voor Anseele) al duidelijk was op welke manier het NHVC een hefboom zou blijken. Dat er andere redenen waren, zullen we aantonen in het vervolg van dit hoofdstuk.

 

 

 2.4. Bevoorrading

 

2.4.1. Algemeen

 

Eén van de belangrijkste zaken, zoniet het belangrijkste, waar Anseele zich mee zou bezighouden tijdens de oorlog was de bevoorrading van de stad in levensmiddelen en andere belangrijke goederen. We vermeldden al de oprichting van een stedelijke bevoorradingscommissie aan het begin van de oorlog, en de inspanningen van Anseele om levensmiddelen en kolen te doen verzenden uit Engeland en/of de haven van Antwerpen.[152] Echt systematisch ging dat er nog niet aan toe, het was eerder ad hoc. Gedurende de oorlog zou daar geleidelijk aan verandering in komen: het systeem zou steeds uniformer worden. Bovendien werden er nieuwe comité’s opgericht, om de problemen in de bevoorrading verder aan te pakken. Veel van deze acties geschiedden in overleg met de Duitse overheden. Grotendeels kunnen we de levensmiddelen die door de stad zelf werden ingekocht, verdelen in drie categorieën. Er waren de kolen, de aardappelen, en een verzameling van andere belangrijke goederen, die vaak ook verspreid werden via het NHVC (zoals suiker, vlees, boter,…). Anseele zelf was voor de stad verantwoordelijk voor de bevoorrading van de eerste twee categorieën. Hij deed echter vaak ook inspanningen voor de levering van goederen zoals Nederlands wit brood, vlees, suiker, boter, melk enz., zaken waar schepen Heynderickx ook zijn inspanningen op toespitste. We gaan er hier niet verder op in, maar richten ons vooral naar de bevoorrading van die goederen waarbij Anseele heel nauw betrokken was, met name de aardappelen en de kolen. Maar we mogen niet vergeten dat hij gedurende heel de oorlog erg actief was op vlak van de bevoorrading van álle levensmiddelen en daar dan ook voortdurend verslag over deed in het schepencollege en de gemeenteraad.

 

Voor de bevolking was de voeding dé grootste bekommernis. Zonder de hulp van de neutrale machten, en in het bijzonder van de Verenigde Staten van Amerika, zouden er duizenden mensen zijn omgekomen, omdat - aldus Steels - er voor de gewone man buiten de producten van het Amerikaans huis praktisch niets te krijgen was.[153] Dit was dus een gedroomd terrein om politiek mee te scoren en de eigen populariteit te vergroten. Onzes inziens is het dan ook niet toevallig dat net Anseele zich bijzonder zou bezig houden met deze materie, los van de inspanningen van het NHVC. Anseele zou het er echter niet mee onder de markt hebben. Gedurende de oorlog zou hij immers veel kritiek krijgen op zijn optreden op vlak van de bevoorrading (cfr. infra). De oorlogsomstandigheden hebben daar natuurlijk veel mee te maken. Zoals reeds eerder aangehaald werden steeds meer mensen behoevend, terwijl tegelijkertijd de prijzen voor de levensmiddelen de hoogte in schoten en de financiële mogelijkheden van de stad achteruit gingen. Toch zou Anseele zijn opdracht met veel energie blijven uitvoeren, en dat op verschillende terreinen en voor verschillende goederen.

 

Nog voor de oprichting van een aardappeldienst eind 1915 (cfr. infra), zien we Anseele een aantal keer optreden i.v.m. de bevoorrading tout court, los van de afzonderlijke inspanningen voor bijvoorbeeld de bevoorrading in meel. Zo besliste het schepencollege op 30 oktober unaniem om op de verspreiding van de noodzakelijke levensmiddelen het monopolie te behouden. Dit om de efficiëntie van de bevoorrading te verzekeren en de speculatie tegen te gaan, maar ook omdat de stad het nodig achtte een zekere winst te maken met dat monopolie.[154] Met het provinciaal bestuur sloot de stad niet veel later een overeenkomst om de bevoorrading in brandstof en voedsel van de provincie te verzekeren.[155] Bovendien kon Vooruit melden dat er een overeenkomst was getroffen tussen de oorlogvoerende mogendheden om in de bevoorrading van de stad te voorzien. Gent mocht levensmiddelen toegezonden krijgen, onder die voorwaarde dat het Duitse leger een vierde voor zich mocht nemen. Anseele zelf was blijkbaar niet betrokken bij deze onderhandelingen (wat niet onlogisch is, gezien het hoge niveau waarop de afspraken werden gemaakt), want de krant dankte Fallon, Belgisch gezant in Den Haag.[156] Anseele stond wel achter het initiatief om de gesprongen bruggen te doen herstellen, om zo de scheepvaart weer aan gang te krijgen en de bevoorrading van de stad te vergemakkelijken.[157] Het was vooral de bedenkelijke toestand van de kolenbevoorrading die hem ertoe noopte dit aspect van de bevoorrading naar zich toe te trekken. Overigens wist de stad eind 1914 ook beter waar ze stond: de stad moest alle aspecten van de bevoorrading in meel en bloem aan het NHVC overlaten. Voor de andere goederen behield de stad een deel van haar vrijheid, iets wat de stad via de figuur van Anseele ook zou gebruiken.[158] Verder besliste Anseele in overleg met de Duitse overheden, althans volgens Vooruit, over de maximumprijzen van heel wat goederen. In Vooruit ontspon zich daarover een polemiek, waarin hijzelf uitzonderlijk het woord nam. De maximumprijs voor boter en eieren was op voorstel van Anseele verhoogd. Lezer B. Alleyn begreep niet dat Anseele, “de gekozene der werklieden”, deze maatregel “ten voordeele der rijken en ten nadeele der arme werklieden” had genomen, en stuurde daarover enkele lezersbrieven naar Vooruit. Anseele repliceerde daarop dat de winkelier zonder de prijsverhoging er anders niets aan overhield, en, opmerkelijk, dat de kleinhandel anders zou weggeconcurreerd worden door de coöperatieven (waaronder de eigen SM Vooruit). Het hoger belang stond voor Anseele dus in deze voorop.[159] Dat vastleggen van de prijzen bleef zo doorheen de oorlog. Later in 1915 kreeg het Gentse stadsbestuur van de Nederlandse regering ook nog een bedankbrief, als reactie op een dankwoord van het Gentse stadsbestuur dat de Nederlandse regering was toegezonden op 21 mei. Daarin vernemen we dat Anseele al een aantal maal naar Nederland was afgereisd ter wille van de bevoorrading. In Vooruit reageerde Anseele met een nieuwe bedanking, nu voor het grote publiek bestemd: “En wij, te dezer gelegenheid spreken hier onzen oprechten dank uit voor al het goede, dat ik persoonlijk, van drij hollandsche ministers heb ondervonden. Sinds Oktober ’14 ben ik, voor de voeding van Gent, van Vlaanderen en van een deel van Henegouwen, verscheidene malen naar Holland geweest.”[160] Aan het einde van 1915 hield Anseele zich ten slotte bezig met de organisatie van een gemeentelijke melkdienst.[161]

 

Ook na de oprichting van de aardappeldienst zien we Anseele nog optreden voor de algemene bevoorrading van de stad in levensmiddelen. Hier vermelden we enkel nog de oprichting op 29 januari 1918 van een Provinciale Handelskamer, waarvan Anseele tot ondervoorzitter werd benoemd. Doel was de bevolking van alle levensnoodzakelijke goederen te voorzien aan de hand van vrijhandel (onder de producenten), onderhandelingen met de bevoegde overheden en invoer van levensmiddelen. De producten werden verkocht zonder winst, men onderzocht de producten op vervalsing (bv. aangelengde melk), en men informeerde de bevolking over de werkelijke waarden van de producten, om speculatie tegen te gaan. De fondsen waren afkomstig van de provincie, de gemeenten, steden en banken, en de verschillende bevoorradingscommissies.[162] Over de verdere werking van de Kamer vonden we geen gegevens terug.

De andere aspecten van de bevoorrading werden steeds uniformer gemaakt en op elkaar afgestemd, en dat op verschillende niveaus, wat meteen ook verklaart waarom we minder te vermelden hebben voor de periode na 1915. Voor de bevoorrading in aardappelen en kolen geldt dan weer dat zij net dán echt van start gaan.

 

2.4.2. Bevoorrading van de stad in aardappelen

 

In normale tijden was de productie van aardappelen in België meer dan voldoende om de hele bevolking van aardappelen te voorzien en was een jaarlijkse export van 200.000 ton mogelijk. Voor het andere hoofdbestanddeel van de voeding, graan (en dus brood), was België dan weer deels afhankelijk van de import. Door de oorlogsomstandigheden en de isolatie van het land trad er bijgevolg al snel een gebrek aan brood op (cfr. supra). Het was te voorzien dat dit zou gecompenseerd moeten worden door een hoger aandeel van aardappelen in het voedselpakket, wat in de winter van 1914-1915 moeiteloos lukte. Pas erna zouden ook de aardappelen, net als al gebeurd was bij het graan en andere levensmiddelen, schaarser en dus duurder worden. Er zou druk gespeculeerd worden met dit voedingsmiddel, en uiteindelijk zou men de aardappelverkoop gaan rantsoeneren. In de strenge winter van 1916-1917 bedroeg het rantsoen per persoon en per dag 300 gram. Nog een jaar later werd dat teruggebracht tot 190 gram.[163] De prijzen gingen ook nog eens gestadig de hoogte in. De officiële aardappelprijs voor het generaal-gouvernement steeg van 6 fr. per 100 kg in 1914 naar 25 fr. in 1918.[164] De reden daarvoor was volgens Henry de opsplitsing van het land in een gouvernement-generaal en een Etappengebied, waardoor de uitwisseling van goederen in het land werd bemoeilijkt. Bovendien zou het aandeel van de Duitse opeisingen bij de aardappelteelt steeds groter worden.[165]

 

Deze algemene schets voor het hele land was ook van toepassing op Gent. Edward Anseele zou in de zomer van 1915 aan Virginie Loveling verklaren dat de stad de buitengewone kosten van de werklozenwinter geen tweede winter kon uithouden.[166] Toch viel de situatie die eerste oorlogswinter al bij al mee, onder meer dankzij het adequate optreden van het NHVC. Vooral de prijzen van de aardappelen bleven heel stabiel in die periode.[167] Eind 1915 begonnen ook de die prijzen echter de hoogte in te gaan[168], en in de winter van 1916-1917 werd de situatie kritiek.[169] Vanaf dan werden de inspanningen van de stad (Anseele) en andere instanties steeds intenser, zodat in de laatste oorlogswinter de situatie, ondanks de hoge prijzen en het kleine rantsoen, betrekkelijk goed was.[170]

 

De eerste maal dat de stad zich bekommerd toonde over de bevoorrading in aardappelen, situeerde zich aan het einde van 1915. Anseele stelde het schepencollege op de hoogte dat de vaste prijzen voor aardappelen te laag lagen, zelfs in die mate dat de bevoorrading van de stad in het gedrang zou kunnen komen. De kans was immers reëel dat de boeren bij een te lage prijs liever geen aardappelen verkochten en een deel van de voorraad vernietigden, dan te verkopen aan de op dat moment zeer negatieve en lage prijs voor de boeren. Anseele stelde zich in contact met de Duitse overheden om een hogere maximumprijs voor de aardappelen vast te leggen.[171] Ook Vooruit trok de aandacht op de dreigende aardappelnood. De krant had over de Nederlandse grens gekeken, waar de regering statistieken van de behoeften per regio bijhield en de boeren gedwongen waren hun voorraad mee te delen, om op die manier de bevoorrading te optimaliseren. De (Oost-Vlaamse) boeren werden er zelfs van beschuldigd de prijzen op te trekken: “wie gaat de bezitter van de aardappelen dwingen deze te verkopen aan die prijs [6 fr.]? Hij kan ze duurder maken door ze in de vaart te smijten. Bovendien is verbouwen van rogge veel voordeliger.” Er werd ook druk verkocht op de zwarte markt, aan hogere prijzen.[172]

Later luidden ook de katholieke bladen de alarmbel: Het Volk wou dat de aardappelen aangeslagen en ter beschikking gesteld werden van de bevolking, en De Gentenaar vroeg de prijs voor de boeren op te trekken naar 8 fr. per 100 kg, en 12 centiem voor 1 kg, zodat het speculeren minder aantrekkelijk zou worden. De Duitse overheid besloot die voorstellen te onderwerpen aan het oordeel van het stadsbestuur, en Anseele werd gevraagd om voorstellen in die zin te doen. Deze sloot zich grotendeels aan bij de door de katholieke kranten geformuleerde voorstellen. Het heil moest komen van een combinatie van een prijsverhoging (8 fr. voor de boer, en 4 fr. voor het vervoer per 100 kg), vrijhandel in het Etappengebied tussen de Kommandanturen, en de garantie dat elke burger bevoorraad zou worden. De vrijhandel was een belangrijk onderdeel van de oplossing volgens Anseele, “omdat alleen daardoor, op doeltreffende wijze, de speculatie en het achterhouden der aardappelen op gevaar af van verrotting, zullen belet worden.” Bood ook die vrijhandel geen afdoende antwoord op de speculatie of werd dat voorstel niet aanvaard, pas dan moesten er voor Anseele lijsten gemaakt worden per gemeente met de nood aan en de geproduceerde aantallen van aardappelen en moesten er strenge verordeningen aan te pas komen. Anseele verkoos duidelijk de eerste optie. Hij pleitte verder ook voor een centrale stapelplaats.[173] Op de gemeenteraadszitting van 8 november werden de voorgestelde prijzen goedgekeurd: de boer mocht 8 fr. aanrekenen per 100 kg, de handelaar 12 fr.[174] Tegelijkertijd werd bekend gemaakt door de Etappeninspectie dat het overtreden van de maximumprijzen strenger bestraft zou worden.[175] De eerste optie werd een kans gegeven.

 

Op 29 november besliste de gemeenteraad over te gaan tot de oprichting van een aardappeldienst. Anseele nam de leiding op zich en werd bijgestaan door een driepartijdige commissie. De Duitse overheid had de gemeenten aangeduid waar de stad zich mocht bevoorraden, en meteen ook bepaald hoeveel er van de plaatselijke opbrengst aan Gent moest afgedragen worden. De ingekochte voorraad zou worden ondergebracht in een loods aan de haven (gecentraliseerd dus, zoals Anseele had gevraagd), en verkocht via een systeem van aankoopbons. Verder werd er een bericht opgehangen waarin de inwoners werd gevraagd bekend te maken indien ze een voorraad aardappelen van meer dan 50 kg ter beschikking hadden.[176] Volkskeukens, kostscholen, enz. moesten te kennen geven welke dagelijkse hoeveelheid aardappelen ze nodig hadden.[177] Doel van dit alles was om alle behoeften en voorraden in kaart te brengen en iedereen in de stad van aardappelen te voorzien, en dit aan een correcte prijs. De stad was niet van plan meer te doen dan de verkoop te regelen (via de aankoopbons). De eigenlijke verkoop via het aankoopbon-systeem werd overgelaten aan de winkels in de stad die al voor 1 augustus 1915 aardappelen verkochten. Het systeem van vrijhandel dat door Anseele was geopperd werd dus geïnstalleerd.[178]

De beloofde leveringen bleken echter onvoldoende voor een algemene en regelmatige verdeling van de voorraad.[179] Bovendien liep het berekenen van de bestaande voorraden in de stad niet van een leien dakje. Men stelde vast dat er slechts een beperkt aantal antwoorden werd ontvangen op de oproep om voorraden van meer dan 50 kg bekend te maken, en bovendien werd vermoed dat niet iedereen eerlijk was geweest in zijn/haar antwoord. In een mededeling in Vooruit, ondertekend door de burgemeester, werd opnieuw opgeroepen om de voorraden aardappelen, nu ook onder de 50 kg, bekend te maken: “medeburgers, Het College rekent op den goeden wil van U allen en op uw algemeen verlangen om de belangen der stad te dienen, om ditmaal begrepen en gehoorzaamd te worden.”[180] Als gevolg van de onvoldoende voorraad aardappelen diende de verkoop gerantsoeneerd te gebeuren[181], iets wat voor de rest van de oorlog zo zou blijven. Anseele zou later inspanningen leveren om te verkrijgen dat de zone van waaruit de stad aardappelen kon verwerven, zou worden uitgebreid, en hij zou herhaaldelijke keren onderhandelen met Nederland voor de invoer van aardappelen. Alles met het doel om de voorraad te vergroten.[182]

 

Nog voor de aardappeldienst goed en wel van start was gegaan, werd ze al het onderwerp van heftige kritiek, vooral uit katholieke hoek. Een eerste soort klachten ging over het gebrek aan controle op de winkeliers, die niet zelden minder gewicht aardappelen meegaven dan waar de klant voor had betaald.[183] Ten tweede signaleerde Het Volk dat de inwoners die eerlijk hun voorraad aardappelen hadden opgegeven niets kregen, in tegenstelling tot de bedriegers die zogezegd geen voorraad in hun kelders hadden liggen.[184] Bovendien zouden er tussen de aardappelen vaak rotte exemplaren zitten.[185] Helemaal erg werd het toen het gerucht werd verspreid dat het de schuld van Anseele was dat de hoeveelheid aardappelen die verdeeld werd zo klein was per persoon. Het gerucht kwam uit de hoek van de stadspolitie, in één bepaalde wijk.[186] De “klerikale ophitsing” (titel van een tweedelig artikel in Vooruit) was compleet toen de stad zich genoodzaakt zag om de prijs voor de winkeliers in twee fases op te trekken.[187] In de winkel zelf bedroeg de verkoopprijs op die manier 20 fr. per 100 kg. De katholieke volksvertegenwoordiger Maenhaut beschuldigde de stad ervan grote winsten te maken met de aardappelverkoop, gezien die prijsverhogingen, terwijl de inkoopprijs bij de boeren op 8 fr. per 100 kg zou zijn blijven steken.

Vooruit liet zich deze beschuldigingen ten aanzien van Anseele niet welgevallen, en nam prompt en energiek de verdediging op van de dienst en van haar socialistische leider. Op de kritiek van Maenhaut verschenen twee ellenlange artikels, waarin de beschuldigingen werden ontkracht. Eerst en vooral zou de stad ongeveer 32.000 fr. verloren hebben aan de hele zaak, onder meer aan transportkosten. Een simpele blik in de stadsboeken kon dit allemaal bewijzen, iets was Maenhaut had nagelaten te doen. Ten tweede waren het volgens Vooruit de boeren die de grootste winst in hun zak staken. Niet toevallig is het natuurlijk dat de boeren, traditioneel het kiespubliek van de katholieken, werden beschuldigd. Verder werd de geloofwaardigheid van Maenhaut onderuit gehaald, zelf een “grootgrondbezitter” en typische “reactionair”. De krant meende de beschuldigingen van Maenhaut treffend weerlegd te hebben: “Mr. Maenhaut is een gevaarlijk mensch. Hij staat daar nu, de klerikale politieker, in zijne lelijke naaktheid, met zijn slecht inzicht en zijne oneerlijke middelen.”[188] De prijsverhoging werd op 12 mei nog eens uitvoerig verdedigd. Het was zeker Anseeles fout niet dat de prijs de hoogte was ingegaan, en er werd wel degelijk geld verloren aan de aardappelbevoorrading, omdat de stad “het in haar herte niet kon bevinden” om de verkoopprijs in de kleinhandel plots sterk op te trekken (nodig om de gestegen kosten te dekken). Tot slot werd er opnieuw gesneerd naar de boeren: “sommigen onzer boeren laten ze liever verrotten dan ze aan billijken prijs aan onze arme bevolking te verkoopen.”[189]

In de storm van kritiek werd een georganiseerde lastercampagne gezien. In een artikel getiteld “Opgepast, Vuiltongen” kwam het Vooruit voor “dat die geruchten [dat de hoeveelheid aardappelen zo laag is] het gevolg zijn van een opzettelijke, georganiseerde lastercampagne tegen onzen schepen E. Anseele, die altijd het zwarte beest moet zijn.” “Zwartsprekers” werden meteen ook gewaarschuwd dat Anseele lasteren gelijk stond aan de hele partij, “die onze kameraad zoo eervol vertegenwoordigt,” aanvallen. De lezers werden opgeroepen de “vuiltongen” te verklikken.[190]

De kritiek op de prijsverhoging van de aardappelen was op het moment van de polemiek in de Gentse kranten eigenlijk al achterhaald: ten gevolge van een misrekening (!) moest de verkoopprijs opnieuw opgetrokken worden.[191] Op 19 juni werd beslist, na een uiteenzetting van Anseele, die verhoogde prijs te handhaven.[192] Gedurende de rest van de oorlog zou de marktprijs nog verder stijgen.[193]

 

Op 11 augustus 1916 werd de Provinciale Bevoorradingscommissie opgericht, een centraal orgaan met de bedoeling de (hele) bevolking van de Etappen van eetwaren te voorzien, “in ’t bijzonder van aardappelen.” Het orgaan werd voorgezeten door Edgard de Kerckhove d’Ousselghem, senator, die werd geassisteerd door Cooreman, lid van de bestendige deputatie. Gouverneur Ecker frequenteerde vaak de vergaderingen. Anseele was als schepen van de stad Gent lid van de commissie. Elke Kommandantur had recht op een afgevaardigde, zodat er 20 leden in het totaal waren. De Duitsers hadden ook hun afgevaardigden op de vergadering.[194]

De taak van de commissie bestond erin het aankopen van levensmiddelen bij de Duitse militaire overheid te verzorgen, hetzij door haar eigen tussenkomst, hetzij door door haar bekrachtigde afgevaardigden. De Duitsers eisten immers vanaf dan integraal de aardappeloogst op. De commissie zou op die manier als tussenschakel tussen de gemeenten en de militaire overheid optreden, en onderhandelen over het aandeel van de oogst die voor het veevoeder en de bevolking gereserveerd zou worden (en dus niet bestemd was voor de Duitsers), incl. de grootte van het rantsoen.[195] Daarnaast moest de commissie toezicht houden op de verkooptransacties en verzorgde het de verdeling tussen de verschillende gemeenten. De verzamelde waren werden enkel verkocht aan de gemeenten, die bij een falend beleid op vlak van verdeling van de goederen als actor zouden worden vervangen door de commissie. De winsten die de commissie genereerde, zouden later uitgedeeld worden aan de gemeenten door kostenloze leveringen van waren, of door een verminderde prijs. In elke Kommandantur werd een onderafdeling gesticht.[196]

De stedelijke aardappeldienst vormde een aanvulling op de Provinciale Bevoorradingscommissie, en werd feitelijk omgezet in de Gentse onderafdeling van het provinciale orgaan. De hele aardappelbevoorrading werd op die manier verder gecentraliseerd.

We hadden het geluk om de verslagen van de wekelijkse vergaderingen t.e.m. 25 oktober 1917 terug te vinden in het archief van Anseele (enkele ontbreken wel). Omdat ze een blik werpen op de concrete problemen waarmee men te kampen had, en zelfs de drijfveren van de verschillende actoren, is dat een bijzonder interessante bron. Anseele komt in deze notulen naar voren als energiek en gedreven. Zijn organisatorische talent komt er bij uitstek in naar voren, zoals hieronder zal blijken.

 

Tijdens de strenge winter van 1916-1917 had Gent te kampen met een ernstig aardappeltekort, waarover we Anseele in die Provinciale Bevoorradingscommissie herhaaldelijk de alarmbel zagen luiden. Door zijn tussenkomst kreeg de stad bijvoorbeeld in maart uiteindelijk, nadat ze van de Duitsers al ontoereikende hoeveelheden had mogen lenen, een voldoende voorraad aardappelen toegezonden. Hij had de bezetter in deze kwestie op haar plichten gewezen: het rantsoen van 300 gr per persoon en per dag moest gehandhaafd worden.[197]

Maar de problemen waren met de aardappellevering in maart niet opgelost: de aardappelnood bleef in Gent heel groot. Anseele meldde dat eind juni 1917 in de commissie. In dezelfde vergadering werd de geplande Duitse verordening i.v.m. de aardappeloogst besproken. De Duitsers stelden voor om per hectare oogst 6.500 kg op te eisen, waarna het overschot ter beschikking zou komen te staan van de commissie (de opeising zelf gebeurde wel integraal door de Duitsers). Of dat overschot groot genoeg was, zou de verantwoordelijkheid van de commissie zijn, die daartoe nauwkeurige schattingen moest maken en een efficiënte controle moest uitoefenen. Het rantsoen zou daarvan afhankelijk gemaakt worden en kon volgens de Duitse afgevaardigde Gribel mits efficiënte controle meer dan 300 gr bedragen. Over het principe werd er niet geredetwist: Anseele gaf meteen aan dat er voor de Kommandantur Gent niets anders op zat dan een heel ernstige controle in te richten. Zeker gezien de ernstige nood die er heerste. De vergadering meende wel dat het getal van 6.500 kg per hectare “een schromelijk hoog cijfer” was, en stelde 5.000 kg voor. Gribel beloofde zijn best te doen om dat te bereiken.[198]

Voor Anseele betekende de hele discussie dat de optie van vrijhandel, waar hij in 1915 nog ernstig voor had gepleit, niet langer kon gehandhaafd worden: “Daar vrij verkeer [tussen de Kommandanturen] van de overheid niet te verkrijgen is, staat ons niets anders open dan ons monopolie door te voeren. Daar de gentsche bevolking onmogelijk zonder aardappelen kan gelaten worden, moeten wij onze uiterste krachten inspannen om dat deel van den oogst te verkrijgen, dat voor onze bevolking noodig is.” Hij aanvaardde m.a.w. de integrale opeising van de oogst door de Duitsers. Hij liet weten dat Gent haar steentje zou bijdragen om het systeem door te voeren en het rantsoen van 300 gr te handhaven, en was daarvoor bereid “desnoods” controleurs aan te vragen om de oogst te doen schatten.[199] Op een volgende vergadering liet hij over het controlesysteem zelfs weten dat “de verantwoordelijkheid” van de Commissie “in spel” was.

Het kwam er dan ook op aan om snel een werkingsplan te maken, want de oogsttijd naderde (voor de oogst van vroege aardappelen was men al te laat). Men moest gedetailleerd weten wat de totale bebouwde oppervlakte was, wat de schatting van de opbrengst was, en er moesten lijsten gemaakt worden van de rechthebbenden op een rantsoen. Anseele drong er bij Falke op aan om snel alle mogelijke statistieken door te geven, en een Centraal Bureel in te richten. Hij toonde zich heel gedreven, en sloot af met: “Onze bevolking lijdt honger: de Commissie mag haar niet in de steek laten.”[200]

Ook in de volgende vergaderingen gaf Anseele blijk van zijn organisatietalent en verantwoordelijkheidszin. Hij waarschuwde onder meer de leden van de commissie om in navolging van het Gentse ondercomité maatregelen te nemen opdat er in oktober geen problemen zouden optreden, wanneer ineens miljoenen kg aardappelen zouden moeten vervoerd worden.[201] Hij verklaarde zich daarnaast voorstander van het optrekken van het gewicht aardappelen dat voor de boer ter beschikking zou blijven. Hij nam immers aan dat de boer sowieso eerst zijn gezin zou willen onderhouden, en dat 8 kg daarvoor te weinig was. Wilde men misbruik voorkomen, moest men dat verhogen naar 20 kg.[202] Verder wilde Anseele de kosten voor de controle in de verkoopprijs verwerken[203], regelde hij het salaris van de controleurs[204] en stelde hij het Gentse controlesysteem op punt.[205] Die controle leverde trouwens nuttige resultaten op: 2.850.000 kg extra aardappelen werden ontdekt (zo’n 300 hectare). Bovendien zou er volgens de vergadering van de Gentse schatters-magazijniers zonder de controle geen 50% geleverd zijn van wat er nu werd geleverd.[206]

Tot slot vermelden we nog dat Anseele in de kringen van de Provinciale Bevoorradingscommissie achter het initiatief stond om een landbouwafdeling te stichten, met als doel om geschikte bos- en braakliggende gronden te vinden die konden gebruikt worden voor het aanleggen van aardappelbeplantingen (voor 1918). Anseele zelf was bovendien gewoon lid van de commissie.[207]

Een nieuw idee was het bebouwen van braakliggende gronden niet, maar het grote verschil was dat dat vanaf dan op een hoger niveau werd gecoördineerd (zoals de bevoorrading in aardappelen zelf natuurlijk). In december 1915 had Vooruit bijvoorbeeld de bevolking al opgeroepen het stadsinitiatief om braakliggende gronden te beplanten na te volgen.[208] Het was met dat initiatief de eerste in België. Eind 1916 werd die bestaande toestand bekrachtigd met de oprichting van het Plaatselijk Comiteit van het Stukje Grond, waarvan Anseele ondervoorzitter was. De stad stelde plantaardappelen, vetstoffen en sproeimiddelen ter beschikking van de grondeigenaars, verdeelde de beschikbare gronden onder de inwoners, en oefende controle uit op het gebeuren.[209]

 

In het najaar van 1917 zag Anseele zich in de Provinciale Bevoorradingscommissie genoodzaakt enkele keren scherp uit te halen naar de Duitse autoriteiten. Waarschijnlijk speelde daarbij niet alleen de bekommernis over de eigen geloofwaardigheid mee (wat zeker het geval was), maar ook en vooral de bezorgdheid voor het lot van de bevolking. Anseele ging een eerste maal steigeren, toen hij op 18 september in de vergadering van de Provinciale Bevoorradingscommissie te horen had gekregen dat het rantsoen per dag en per persoon zou teruggebracht worden op 200 gr. Hij dreigde meteen met ontslag. In de notulen: “Anseele stelt voor dat er een nieuw schrijven aan de Overheid gezonden worde, waarin verklaard wordt dat de 300 gr. rantsoen van 1917 het minimum is waarbij de Commissie zich zou kunnen aansluiten. De Commissie kan niet als belooning voor hare werkzaamheden het rantsoen der burgerlijke bevolking met 1/3 verminderd zien, wanneer de oogst van 1917 beter is als die van 1916, wanneer de Commissie alle velden gecontroleerd heeft, en al gedaan heeft wat zij kon om den smokkel tegen te gaan. Blijft de overheid bij de 200 gr. en wordt 1 October dit cijfer door de nieuwe verordening behouden, dan kunnen wij niet anders doen, naar mijne meening dan ons ontslag in te dienen.” Alle leden van de commissie sloten zich volledig aan bij de woorden van Anseele, en gingen als blijk van steun rechtstaan. Anseele besloot vervolgens: “Gewoonlijk staat men bij ons recht als eerebewijs tegenover een doode. Laat ons hopen dat wij ditmaal niet opgestaan zullen hebben voor den dood van ons dierbaar Vlaanderen!”[210] Uiteindelijk bleek dat het rantsoen voor de rest van 1917 op 190 gram gehandhaafd werd[211], al bleven de onderhandelingen lopen.[212] Toch bleven Anseele en zijn collega’s deel uitmaken van de bevoorradingscommissie. Ondanks het dreigement namen hij en zijn collega’s dus géén ontslag.

De tweede maal dat we Anseele scherp zien optreden, was nog geen drie weken later. Hij had immers opgemerkt dat de prijzen voor de eetwaren in het Etappengebied niet alleen veel hoger lagen dan in het generaal-gouvernement, maar dat daarenboven ook het rantsoen nog eens veel kleiner was. Ook hier is het interessant om uit de notulen te citeren: “Spreker zegt dat het niet aannemelijk is dat het Etappen-Gebied aan alle de gevaren en de lasten van den oorlog zou blootstaan en daarbij nog min eten en duurder eten zou bekomen. Hij vraagt de gelijkheid voor heel de Belgische bevolking.”[213] Daarvoor diende aangeklopt te worden bij de Etappen-Inspektion, en veel gevolg werd aan de oproep niet gegeven. Het punt was echter gemaakt.

 

In de winter van 1917-1918 was de situatie er dan uiteindelijk merkelijk op verbeterd. De voornaamste reden daarvoor was dat er werd besloten om ineens de voorraad aardappelen voor 6 maanden te bedelen, zodat men niet afhankelijk zou zijn van iets grilligs als de aanvoeromstandigheden. Om misbruik te vermijden, werd er besloten dat de ontvanger eerst een verklaring diende te ondertekenen dat hij met die voorraad tot 1 juli moest zien rond te komen.[214] Méér aardappelen waren er bijgevolg niet, maar ze wáren er tenminste. Bovendien was men van mening dat de aardappelen beter zouden bewaard worden in de kelders van de inwoners, dan in de centrale opslagplaatsen van de commissie of de stad Gent. En misschien klopte dat ook wel.

 

Vanaf dan ontbreken de verslagen van de Provinciale Bevoorradingscommissie. In Vooruit en de andere dagbladen zien we echter minder berichten verschijnen over de ellendige toestand. We mogen waarschijnlijk aannemen dat de grootste ellende voor wat betreft de bevoorrading in aardappelen was opgelost. In die zin wijst ook de lofzang van de Nieuwe Gazet van Gent, een activistisch blad dat Anseele vaak aanpakte over zijn visie op de Vlaamse kwestie en de vrede, maar hem nu in een hoofdartikel roemde omwille van de organisatie van de controle op de oogst. “Er is een betere organisatiegeest doorgedrongen op dit gebied, zoo schijnt het; het is dank aan het krachtdadige optreden van schepen Edward Anseele, als sekretaris, laat ons maar zeggen, als hoofd van de Plaatselijke bevoorradingscommissie. Anseele heeft de werking in breeden, algemeenen zin opgevat. Heel het kommandanturgebied Gent heeft hij ineens aan algemeene maatregelen ontworpen. Het is een groot werk geweest, dat wel heel veel zal gekost hebben aan dagloon en energie, maar dat dubbel zal rendeeren omdat het de misbruiken, laat ons maar zeggen, zoo goed als ter zijde stelt,” schreef het.[215] Toch wel opmerkelijk.

Uiteindelijk zou Anseele niets meer te maken hebben met de bevoorradingsdienst vanaf het moment dat het activistisch schepencollege zich installeerde en hij ontslag nam als schepen van de stad (cfr. infra).[216]

 

2.4.3. Bevoorrading van de stad in kolen en cokes

 

We merkten al op dat Anseele aandacht besteedde aan de bevoorrading in brandstof met de oprichting van de bevoorradingscommissie in augustus 1914, en met het pleidooi om de bruggen in de stad te herstellen. Ook hier geldt zoals bij bevoorrading in levensmiddelen dat hij vaak verslag deed van zijn werkzaamheden in het schepencollege en de gemeenteraad. Die bekommernis vloeide voornamelijk voort uit zijn hoedanigheid als schepen van regieën, want de Gasfabriek en de elektriciteitscentrale die onder die stedelijke portefeuille vielen, konden de verlichting van de stad en de verwarming van de huizen pas verzorgen indien er kolen en cokes waren om de fabriek draaiende te houden.

 

De kolenkwestie werd pas echt brandend actueel, en zou dat blijven voor de rest van de oorlog, tijdens de strenge winter van 1916-1917. Verontrust diende Anseele in oktober 1916 aan het schepencollege te melden dat de Gasfabriek wegens het gebrek aan kolen in een moeilijke situatie zat. Het probleem was niet zozeer de voorraad zelf, maar het transport ervan naar Gent (zowel over spoor als over water). De slechte tijdingen volgden elkaar vanaf dan snel op. Anseele ondernam verschillende stappen bij de Duitse overheden om de problemen op te lossen, maar veel succes leverde dat niet op.[217]

De bij de Duitse overheden bekomen beloftes werden bovendien niet nagekomen, zodat Anseele moest melden dat een compleet stilvallen van de fabriek dreigde. Noodgedwongen stelde hij voor maatregelen door te voeren om het kolen- en gasverbruik terug te schroeven, iets waar het college zich unaniem bij aansloot.[218] Op de gemeenteraad 3 dagen later werd op voorstel van Anseele beslist om in die zin de openbare verlichting te beperken, de koffiehuizen na 22u te laten sluiten en werd er een verbod uitgevaardigd op de verlichting van winkeletalages na 19u.[219] Op 18 december werden bijkomende maatregelen goedgekeurd, omdat er nog geen opmerkelijke vermindering van het gasverbruik was vast te stellen. Wegens de “hoogdringendheid, en op vertoog van de Burgemeester”, werd unaniem besloten om een maximumverbruik voor particulieren (niet voor de nijverheid) vast te leggen, totdat de kolenvoorraad zich zou normaliseren. Binnen de marges van dat maximumverbruik werd de gewone prijs (0,20 fr./m³) aangerekend, maar in het geval dat men het quotum zou overschrijden, werd een dubbele prijs gerekend.[220]

In Vooruit werden de maatregelen aangekondigd en verdedigd: er zou slechts voorraad zijn t.e.m. 20 januari, en het kon geen kwaad om nu al op het gasverbruik te sparen, omdat bij het dichtvriezen van de waterlopen de toestand helemaal kritiek zou dreigen te worden.[221]

Toch zouden ook deze nieuwe maatregelen geen effect ressorteren (er zou zelfs een stijging in het verbruik zijn vastgesteld), terwijl de invoer van kolen heel onregelmatig bleef. Anseele beloofde nieuwe inspanningen te doen om te bekomen van de Duitse overheid dat “elle veuille remédier à cette situation inquiétante.”[222] Als gevolg van de strenge vrieskou, waren de waterwegen zoals gevreesd immers bevroren, waardoor de toestand nog kritieker werd.[223] De militaire overheid had beloofd alles in het werk te stellen om de problemen te verhelpen, omdat de gasfabriek nu op 2 februari volledig dreigde stil te vallen.[224]

Veel schot leek er echter niet in de zaak te komen: op 29 januari herhaalde Anseele dat er nog maar voor enkele dagen kolenvoorraad was, en dat de Duitsers te kennen hadden gegeven inspanningen te zullen doen[225], maar op 2 februari liet hij weten nog eens te moeten zijn tussenkomen bij de chef van de militaire politie om er op te wijzen dat heel wat huishoudens écht wel met een compleet gebrek aan brandstof kampen.[226] De gasfabriek zou volgens nieuwe berekeningen kunnen draaien tot 12 februari, de elektriciteitscentrale tot 1 maart. Om nog extra te besparen werd er beslist om de gemeentediensten vanaf 15 februari te doen overschakelen op zomeruur.[227] De verlichting binnenshuis moest dan weer tot een minimum beperkt worden, aldus een verordening van de Etappen-Inspektion, op gevaar van strenge straffen.[228]

In februari kwam er eindelijk een beetje licht aan het einde van de tunnel. De aanvoer van kolen begon weer op gang te komen. Dat was enerzijds het gevolg van de dooi die - eindelijk - begon in te treden, maar anderzijds zullen de inspanningen van de Duitse militairen er ook wel iets mee te maken hebben gehad (al hebben we daar uit onze bronnen geen aanwijzingen voor gevonden). Indien de aangevoerde voorraad voldoende zou blijken, zou er worden overgegaan tot een gerantsoeneerde uitdeling. Dat werd in het schepencollege beslist op 9 februari.[229] Op 26 februari was het dan zo ver: de stad kon de verkoop aankondigen van een zak kolen voor elk huishouden, die men moest komen ophalen in de Stedelijke Magazijnen (cfr. infra).[230] Op 12 maart meldde Anseele dat de Duitsers nog eens een aanzienlijke voorraad kolen hadden beloofd. Zijn voorstel om de gasprijs terug vast te leggen op 1 uniforme prijs, nl. 0,25 fr./m³ (een verhoging van 5 cent), werd aangenomen.[231] Er werd bovendien een nieuw verdeelsysteem goedgekeurd, eveneens op voorstel van Anseele. Elke inwoner van de stad zou een kolenkaart krijgen, waarvan hij een scheurstrook zou moeten overhandigen aan een handelaar naar keuze. De handelaar die meer dan 500 kaarten kon verzamelen, zou de toestemming krijgen om de kolen te ontvangen en ze te transporteren naar zijn klanten.[232]

Op lange termijn waren er echter nog geen oplossingen, zoveel was duidelijk toen Anseele in augustus 1917 de Provinciale Bevoorradingscommissie op de hoogte stelde van de nieuwe alarmerende toestand van de gasfabriek. Er was opnieuw slechts een voorraad voor enkele dagen, alvorens Gent in het donker zou komen te zitten.[233] Zover zou het niet komen, maar de toestand bleef kritiek. Anseele en Coene, directeur van de Gasfabriek, hadden van de Duitse overheid passen gekregen om naar de koolputten af te reizen, om daar de levering van nieuwe kolen te verkrijgen.[234] Het probleem situeerde zich echter vooral in Brussel, waar de Kohlen-Zentrale de transacties bemoeilijkte. Nog voor de reis naar de koolputten, had de Zentrale al laten weten dat er geen kolen mochten worden aangekocht in de Borinage en te Strepy-Braquiqny, terwijl andere contracten eerst zouden moeten voorgelegd worden ter goedkeuring. De contracten die Anseele en Coene hadden kunnen afsluiten met mijnen in het Bekken van Charleroi en dat van Luik werden dan ook meteen door de Zentrale geblokkeerd. Er werd maar een levering toegestaan van 5.000 ton voor november, december en eventueel januari. Anseele drong er bij de Provinciale Bevoorradingscommissie op aan om stappen te ondernemen opdat de 60.000 bestelde ton kolen in een keer zou kunnen geleverd worden.[235] De Zentrale hield echter het been stijf, ondanks de opmerking van Anseele dat als andere steden 100 kg per hoofd geleverd kregen, dat dan ook voor Groot-Gent moest gelden.[236]

Het een en ander had haar gevolgen voor Gent. Eind oktober dreigden opnieuw zowel de gasfabriek als de elektriciteitscentrale stil te vallen.[237] Bovendien lag ook de Kohlen-Zentrale opnieuw dwars: de beloofde 4.000 ton uit de koolmijn Grand Mambourg mocht niet geleverd worden.[238] Vreemd genoeg vinden we in de notulen van het schepencollege geen sporen over de afwikkeling van de zaak. Wat we wel weten is dat de Gasfabriek bleef draaien, maar dat de slechte kwaliteit van de kolen aanleiding gaf tot klachten bij de bevolking.[239] Wat er óók op wijst dat de voorraad van de stad niet was uitgeput, is het feit dat men eind november het systeem van kolenverdeling besprak in het schepencollege. Er moest dus een voorraad ter beschikking geweest zijn.[240] Niettemin bleef de schaarste zo groot dat de stad te kampen kreeg met kolendiefstallen onder de werknemers van de Gasfabriek en de elektriciteitscentrale. Na herhaaldelijke waarschuwingen moest Anseele, “tot zijn grote spijt” de klachten aan de politie overmaken.[241] De toenemende schaarste had ook haar gevolgen voor de kolenprijs, die verder werd verhoogd.[242]

 

Tot aan zijn ontslag als schepen, zou de bevoorrading in kolen mank blijven lopen. Aan de inspanningen van Anseele had dat alleszins niet gelegen, zoals we hierboven hopen te hebben aangetoond. Maar ook voor hem gold dat de oorlogstoestand alles sterk bemoeilijkte. Daar was geen ontkomen aan. Eén van de manieren om de kritieke toestand op te vangen, was het inrichten en opstellen van lokalen, waar de noodbehoevenden niet alleen warmte en licht vonden, maar ook gezelligheid en klein vertier. De stad nam daartoe initiatief in oktober 1917, toen de winter, de eerste na de uiterst strenge van 1916/1917, voor de deur stond. De burgemeester gaf aan het voorstel aan de gemeenteraad te willen onderwerpen. De organisatie moest worden geassisteerd door een commissie gevormd door zes gemeenteraadsleden, en zes personen van buiten de raad (verspreid over de 3 politieke families).[243] Aan het einde van de maand deelde Anseele mee dat hij die laatste 6 personen had aangesteld.[244] De commissie kreeg de naam Stedelijke Commissie der Openbare Verwarming mee, en Anseele werd tot voorzitter benoemd. Haar taak bestond erin toezicht te houden op de inrichting van de lokalen, en vooral samen met de eigenaars van de lokalen alles op punt te stellen, inclusief de veiligheid. Inwoners uit de buurt konden de 6 weekdagen in de lokalen terecht, en kregen er een kop koffie en een avondmaal aangeboden. Verder zou er ook voor een rustig hoekje gezorgd worden, waar de kinderen hun huiswerk konden maken.

Op 16 november verscheen in Vooruit een oproep aan fabrieken, politieke lokalen, magazijnen, enz. om hun lokalen, indien mogelijk, tegen 1 december ter beschikking van de stad te stellen. De Commissie: “Wij denken niet veel te moeten uitweiden over het nut, zelfs niet over de dringende noodzakelijkheid der inrichting van dezen openbaren verwarmingsdienst. Bij al de rampen, smarten, weeën die den oorlog na zich sleept, is ’s winters met moeder en kind zonder vuur wel het ergste. Daarom verwachten wij een algemeen deelnemen van onze medeburgers en drukken hen op voorhand en in de naam van het Stadsbestuur en van heel de bevolking onze innigste gevoelens van dankbaarheid en hoogachting uit.”[245]

De stad nam de kosten voor de verwarming en de verlichting op zich, terwijl het onderhoud en de controle moest uitgevoerd worden door de eigenaar van de gebouwen, die daarvoor een dagelijkse vergoeding tussen 2 en 3 fr. kreeg. De lokalen waren open tussen 15u en 19u30.[246]

Reeds lang voor dit stedelijk initatief had ook de socialistische federatie haar lokalen reeds open gesteld voor sympathisanten (tweede oorlogswinter). In het volgende hoofdstuk gaan we daar verder op in, omdat dit bij uitstek een politiek doel had. Toch vermelden we het hier alvast, omdat het uiteraard ook te maken had met de schaarste aan kolen.

 

2.4.4. Stedelijke magazijnen

 

In Vooruit waren herhaaldelijk klachtenbrieven te lezen over de hoge prijzen en de slechte bediening in de winkels van het NHVC (de Amerikaanse winkels). In het voorjaar van 1916 was voor de stad Gent de maat vol: in het schepencollege kwam naast de exorbitant hoge prijzen ook de manke bevoorrading in levensmiddelen bij het NHVC ter sprake. Het college vond het haar plicht om te “reageren” en zelf ook te gaan wegen op de markt. Men besloot zelf bepaalde producten aan te kopen aan redelijke prijzen, om ze dan te verkopen via zogenaamde Stedelijke Magazijnen aan prijzen die niet veel hoger lagen dan de aankoopprijs plus de onkosten. Er werd geen winst nagestreefd. Men hoopte op die manier niet alleen zelf van nut te zijn voor de bevolking, maar via het marktmechanisme hoopte men ook het NHVC te dwingen efficiënter te werk te gaan.[247]

Voor de organisatie van de magazijnen werd er opnieuw beroep gedaan op Anseele en Heynderickx. Daarnaast werd een controledienst ingericht, die gemachtigd was om personeel aan te werven, de lokalen in te richten, en uitgaven te doen in die zin.[248] De dienst zou bestaan uit drie gemeenteraadsleden (van elke politieke familie een) en drie personen bekend met de handel in voedingswaren. Dit alles werd goedgekeurd in de gemeenteraadszitting van 13 maart.[249] Bij de bank werd een lening van 1 miljoen frank verkregen om het project te financieren.[250]

De goederen die men wilde aanbieden waren bijvoorbeeld rijst, koffie, wit brood, vis, suiker, patés, bonen, zeep en melk(poeder).[251] Vooral over de bevoorrading in suiker werd het schepencollege op de hoogte gehouden. Heynderickx en Anseele gaven aan in onderhandeling te gaan met de Duitse overheid om suiker te kunnen aanbieden[252], en verkregen niet veel later zelfs dat de stad het monopolie kreeg voor de verkoop ervan.[253]

Niet alles verliep echter van een leien dakje: aangezien men geen passen had verkregen voor Nederland, moest men sommige goederen aankopen op de veel duurdere binnenlandse markt. De inspanningen om toch op zijn minst suiker, en ook melk, zonder problemen te kunnen aanbieden, moeten we dan ook in dit kader zien. Dat wordt met zoveel woorden in een zitting van het schepencollege gezegd. Op die manier konden toch die goederen aangeboden worden aan scherpe prijzen.[254]

Begin april vond de eerste verkoopdag van de stedelijke winkels plaats, maar die verliep vrij chaotisch.[255] Aan de uitbouw van de dienst werd nog verder gewerkt[256], maar we mogen aannemen dat de werking uiteindelijk werd geoptimaliseerd. De prijzenpolitiek werd wel deels gemilderd, toen het college besliste om de prijzen in de stedelijke winkels te verhogen. De reden: de prijzen lagen “vrij laag”.[257]

 

2.4.5. Besluit

 

Op vlak van de bevoorrading toonde Anseele zich heel actief tijdens de oorlog (althans tijdens zijn periode als schepen). Hij onderhield het schepencollege en de gemeenteraad voortdurend over de leveringen die hij al dan niet bekomen had, en hanteerde daarbij een grote openheid. Zijn voornaamste inspanningen richtten zich op de bevoorrading in kolen, en vooral op die van de aardappelen. Beide goederen waren van cruciaal belang voor de Gentse bevolking en waren op directe wijze verbonden aan haar levenscomfort (respectievelijk verwarming en verlichting en het belangrijkste basisvoedsel). Dat gold zeker voor de traditionele achterban van de socialisten, namelijk de arbeiders en behoeftigen. Waarschijnlijk is een deel van de verklaring voor de energie die Anseele in de bevoorrading stopte dan ook het politieke voordeel dat zijn inspanningen konden opleveren, zelfs buiten zijn traditionele achterban om. In die zin wijst zijn opmerking in de Provinciale Bevoorradingscommissie dat de geloofwaardigheid ervan “in spel” is. Verliezen we echter niet uit het oog dat een oprechte bezorgdheid over de bevolking zeker en vast ook meespeelde. Dat komt goed naar voren in de verslagen van de Provinciale Bevoorradingscommissie tijdens het probleemjaar 1917, waar hij een grote scherpzinnigheid aan de dag legt.

 

Al was het naar zich toe trekken van de bevoorrading politiek interessant, Anseele stelde zich daardoor ook heel kwetsbaar op. Dat was niet geheel onlogisch: omdat beide goederen absolute basisproducten waren, zou het mank lopen van de bevoorrading ervan hem automatisch zwaar aangerekend worden. Op de bevoorrading in kolen, en vooral op die van de aardappelen kwam inderdaad veel kritiek. Eerst en vooral uit katholieke hoek, maar ook uit de hoek van de arbeiders en behoeftigen. Het toont aan dat het ook voor Anseele, boven op de problemen van schaarste, niet evident was om de bestuurlijke problemen als gevolg van de bezetting te omzeilen. Ook hij was met handen en voeten gebonden aan het feit dat het land vrij geïsoleerd was van de buitenwereld, en dat het was opgedeeld in een generaal-gouvernement en een Etappengebied, waartussen amper coördinatie, laat staan uitwisseling, bestond.

De kritiek die vooral de kop opstak in 1916, zou Anseele echter aanzetten om nog gedrevener aan het werk te gaan. Hij was heel actief in het nieuwe en praktische - want gecentraliseerde - orgaan dat die zomer het levenslicht ziet, namelijk de Provinciale Bevoorradingscommissie. Hij hield zich ook niet in om de Duitse overheid op haar plichten te wijzen, al was het maar opdat zijn eigen persoon niet ter discussie zou kunnen staan. In zijn ogen was het naar zich toe trekken, het organiseren daar de beste garantie voor. En gezien de vele kritieken in 1916, was het niet onlogisch dat we hem zo zien optreden. Dat zijn geloofwaardigheid wel degelijk meespeelde, werd duidelijk met zijn dreiging tot ontslag in de Provinciale Bevoorradingscommissie, najaar 1917. Daarnaast toonde Anseele ook aan over een bijzonder scherpzinnige geest en een groot organisatietalent te bezitten. In de Nieuwe Gazet van Gent werd er zowaar een heel artikel gewijd aan een lofzang op Anseeles organisatie van het controlemechanisme op de boeren. Naast een politieke stellingname van het blad tegen de katholieken, was dat ook een oprechte waardering voor zijn inspanningen.

 

Scherpzinnig was Anseele ook toen we hem tweemaal via het dagblad Vooruit expliciet zagen pleiten voor een prijsverhoging, eerst van de aardappelen (zodat de boeren meer zouden krijgen), en later van boter. Dat is opvallend, omdat hij in beide gevallen de confrontatie diende aan te gaan met de arbeiders en armen, die niet begrepen dat “hun vertegenwoordiger” kon overgaan tot voor hen zo negatieve maatregelen. De economische realiteit was daar nu eenmaal, en ook Anseele kon daar niet onderuit. Maar het was ook en vooral Anseeles bedoeling, hetgeen hij expliciet zei, om de handel draaiende te houden (waarvoor die prijsverhogingen belangrijk waren, omdat anders de handel niet kon overleven). Een soort van stellingname tegen de arbeiders dus, en voor de kleinhandelaars, al moeten we dat zo niet interpreteren. Indien de handel zou stilvallen, zouden er immers nog meer mensen afhankelijk worden van de stedelijke onderstand.

Het beschermen van de kleinhandelaars zagen we ook bij de oprichting van een stedelijke aardappeldienst: de stad stond toe dat de aardappelen die zij importeerde verkocht werden via de winkels in de stad. De oprichting van de Stedelijke Magazijnen was ook geen reactie op de stedelijke kleinhandel, maar op de twijfelachtige werking van het NHVC. De kleinhandel zal er echter wel onder te lijden hebben gehad. De winkels in de stad bleven anderzijds de enige verdeler van de aardappelen, en ook andere goederen die Gent invoerde, werden onder de kleinhandelaars verdeeld.

 

In Vooruit pleitte Anseele verder voor “vrijhandel”, als beste garantie tegen de toenemende speculatie. Vooral de boeren, voornamelijk de achterban van de katholieken, waren in de ogen van de socialisten (Vooruit) de boosdoeners. “Ze zouden nog liever hun oogst in de vaart smijten om de prijs de hoogte te doen ingaan,” klonk het. Dat dit onderdeel was van het politieke spel is duidelijk. Merken we bijvoorbeeld op dat de katholieken kritiek leverden op de stedelijke bevoorrading, in handen van de socialisten/progressisten (Anseele, Heynderickx), terwijl de socialisten dan weer hun kritiek niet spaarden t.a.v. dat andere bevoorradingsmechanisme, namelijk het NHVC (cfr. hoofdstuk 3). Daar dreigden de katholieken immers met de eer te gaan lopen. Toch verkoos Anseele in deze onderhuidse polemiek een genuanceerde houding t.a.v. de boeren. Hij wilde, ondanks de politieke retoriek, eerst de markt haar werk te laten doen, en de minimumprijs voor de boeren verhogen opdat de speculatie minder aantrekkelijk zou worden. De stok achter de deur, namelijk een einde stellen aan de vrijhandel en het integraal opeisen van de oogst door de Duitsers, werd in de zomer van 1917 uiteindelijk wel ingevoerd, omdat de speculatie bleef duren. Bovendien was een strakkere controle op de oogst sowieso nodig, gezien men een even ellendige winter als het jaar ervoor absoluut wilde vermijden. Anseeles eerste keuze was dat nog steeds niet, zoals hij nog eens in de Provinciale Bevoorradingscommissie bevestigde, maar als volbloed pragmaticus en organisator zag ook hij in dat het opeisen van de oogst de beste garantie vormde op een meer eerlijke aardappelverdeling.

 

Kortom, ook op vlak van de bevoorrading toonde Anseele zich een pragmaticus, in die zin dat hij steeds de optie verkoos die het meest haalbaar was en die de grootste vrijheid bood. Ook in het politieke spel trachtte hij zich zo neutraal mogelijk op te stellen, wat er toch wel op wijst dat vooral de oprechte bekommernis om het lot van de bevolking de belangrijkste drijfveer was voor zijn grote inspanningen. Voor het politieke spel waren er nog andere hefbomen.

 

 

 2.5. De werken aan de darsen

 

Op 12 september 1914 kondigde Vooruit trots aan dat het gemeentebestuur eerstdaags zou “doen overgaan tot het uitvoeren van belangrijke werken, zulks om de werkloozen bezigheid te verschaffen.”[258] Zo waren deze arbeiders niet langer afhankelijk van allerhande liefdadigheids- en ondersteuningswerken. Maar net zo belangrijk was het feit dat de duizenden werklozen daarmee aan het werk werden gezet en iets hadden om zich mee bezig te houden. We vermeldden al dat de stad pleinen liet plaveien, de riolen en waterwegen liet kuisen, wegenwerken uitvoerde, allerhande beplantingen uitvoerde en zelfs lanen liet aanleggen. Maar het belangrijkste, grootste en meest ambitieuze project was ongetwijfeld het werk aan de darsen (dok). Aan de nieuwste inrichting van de Gentse haven, i.e. Port Arthur, was er aan de ene zijde een lange vaargeul en aan de andere zijde braakliggend terrein. Op dat braakliggend terrein was er bij het uitbreken van de oorlog al een noord- en een zuiddok gegraven. Nu besloot de stad, “om werk te verschaffen en een inkomen te bezorgen aan duizenden families, en dus brood te schenken aan duizenden en nog duizenden inwoners, -mannen, vrouwen en kinderen -,” om een derde darse te graven. Wat dit initiatief extra bijzonder maakte, was het feit dat de stad besloot om het werk te doen uitvoeren met spade en kruiwagen, en niet zoals dat bij de vorige dokken was gebeurd met grote machinale “zuigers”. Op die manier konden er beduidend meer arbeiders aan het werk worden gezet dan bij een machinale uitvoering van het werk, iets wat de stad enerzijds goed uitkwam omdat het daardoor minder mensen moest ondersteunen, maar anderzijds van de stadskas natuurlijk veel meer geld vroeg. Het loon voor de arbeiders bedroeg 40 centiemen per uur. Om nog extra mensen aan het werk te kunnen krijgen, werd er in twee ploegen gewerkt die elk 6 uur lang aan de slag gingen. Per week betaalde de stad bijgevolg 14,40 fr. per arbeider, nog los van de kosten voor het materiaal ed. Later werd dat 12 fr. (0,50 fr./u) voor 24 uur arbeid per week (4u per dag).[259] Op 13 augustus 1914 werd het werk aangevat, en op dat moment werd er werk verschaft aan 1.400 werklieden.[260] Naar het einde van het werk in 1916 zouden er ongeveer 9.000 werklieden en 110 bedienden aan de slag zijn aan de darsen. Een indrukwekkend getal.[261]

 

Hoewel Anseele (cfr. supra) binnen het stadsbestuur niet echt verantwoordelijk was voor de openbare werken die de stad liet uitvoeren[262], had hij van meet af aan een bijzondere interesse voor het project. Op 12 augustus al, nog voor dat het werk was aangevangen, waarschuwde Anseele er in het socialistisch middenbestuur voor dat er bij het werk niet mocht geluierd worden. De reden daarvoor was dat de stad in dit ambitieuze project zich veel (financiële) moeite getroostte, en dat men het zich niet kon permitteren dat er zou geprofiteerd worden op het terrein. Te vrezen was immers dat er dan wel eens snel een einde zou gesteld worden aan het project.[263]

Die vrees was gegrond, zoals zou blijken in het voorjaar van 1915. Nog voor de problemen echt uitbraken, kwam de kwestie in januari 1915 al ter sprake in het Middencomiteit, waar men de problemen wilde aanpakken alvorens ze verder zouden uitdeinen. Normaal gezien moesten de arbeiders per werkdag 340 kruiwagens kunnen vervoeren, maar dat werd niet gehaald. Dreigen met boetes hielp niet, wel integendeel: men haalde zelfs geen 160 kruiwagens per dag meer. Volgens Anseele was dat overduidelijk een kwestie van onwil. Het middenbestuur beraadde zich dan ook over de te nemen maatregelen. Lefevre stelde voor om de werklieden te verdelen over ploegen van enerzijds verenigden (bij de syndicaten), en anderzijds de onverenigden. Het idee was dat die eerste betere arbeiders waren, of dat men er toch op zijn minst druk kon op uitoefenen. Uiteindelijk stelde Anseele voor om er in Vooruit over te schrijven, een oproep te doen aan de verenigden en een officieus onderhoud voor te bereiden tussen hem, collega-schepen en socialist Lampens en de secretarissen van de syndicaten.[264] Een circulaire die ze daarnaast wilden verspreiden onder de darsenarbeiders werd door de censuur tegengehouden.

De problemen bleven ondanks alles duren[265], zodat het uiteindelijk ook een thema werd in de vergaderingen van het schepencollege. De arbeiders wensten een loonopslag van 12 fr. per week naar 15 fr. per week, wat volgens Anseele onterecht was. Bovendien vond hij het niet kunnen dat de tewerk gestelde arbeiders steun genoten van het NHVC. Arbeiders met een kind zouden in ruil voor het handhaven van hun loon wel recht hebben op soep en melk. Het college ging daarmee akkoord.[266]

Om de werkonwilligen aan te pakken, ontwierp Anseele een nieuw werkreglement, dat in werking zou treden vanaf 26 april indien er tegen dan geen beterschap merkbaar was. Hij stelde ook een oproep tot goede wil op. Deze tekst werd door het college goedgekeurd.[267] Het ultimatum werd op 22 april in Vooruit gepubliceerd.[268] Eén dag na het verstrijken van het ultimatum en het ingaan van het nieuwe werkreglement, bracht gemeenteraadslid en college-socialist Coppieters verslag uit in het schepencollege: “Il est absolument indispensable de prendre des mesures et de prévenir les ouvriers que ces agissement doivent cesser.” Van een verbetering was immers geen sprake: het uiterste minimum aan werk werd verzet, en op veel plaatsen stopten de arbeiders een half uur voor het einde van de werkdag. Het college besliste om het nieuwe werkreglement nog eens te publiceren en de aandacht te vestigen op de mogelijke straffen. Er zou ook een nieuw werkreglement opgesteld worden voor de periode van de laatste kans, 3 - 15 mei. In die eerste week moesten meer dan 960 kruiwagens vervoerd worden, in de tweede 1200. Indien er nog arbeiders het werk voortijdig neer zouden leggen, zou het werk definitief stopgezet worden. Er werd besloten het dan pas te hernemen door hen die zich formeel engageerden om het reglement op te volgen.[269]

 

Dat het geduld van het stadsbestuur op was, mocht nu wel duidelijk zijn. Zeker toen ook de twee dagen erop niet goed werd gewerkt: de arbeiders stopten dan wel niet meer voortijdig, maar men kwam op het terrein niet verder dan het strikte minimum van 120 kruiwagens per dag.[270] Anseele gaf op 3 mei in de gemeenteraad aan dat er een nieuwe aanplakbrief was opgehangen, met de melding dat de onwillige werklieden zouden weggezonden worden en niet meer worden aangenomen indien er niet meteen verbetering optrad. De raad stemde meteen ook de oprichting van een Bijzondere Commissie, die gelast was met het aanstellen van de arbeiders, en waarvan Anseele voorzitter was.[271]

Op 5 mei werd in het schepencollege en in Vooruit vervolgens meegedeeld dat de werken waren stilgelegd. Op 17 mei zou het werk hervat worden, maar enkel door die arbeiders die hun handtekening wilden zetten onder het werkreglement, en die door de Bijzondere Commissie werden aanvaard.[272] Anseele maakte op 7 mei via affiche bekend hoe het werk zou hernomen worden: in drie ploegen ingedeeld volgens leeftijd.[273]

De kogel was door de kerk: de wantoestanden moesten beëindigd worden, het stadsbestuur was te hard uitgedaagd. Haar geloofwaardigheid stond op het spel, en dat gold zeker ook voor Anseele persoonlijk. Denken we immers terug aan zijn optreden in het middencomiteit (cfr. supra), toen hij zijn bezorgdheid over de toestand - zelfs nog voor het werk was begonnen - uitte. De arbeiders vormden natuurlijk ook zijn achterban. Hij mocht zijn vingers niet verbranden aan werkonwillige arbeiders. De vele lezersbrieven in Vooruit die uitschreeuwden dat slechts enkelingen van slechte wil waren[274] ten spijt, was er voor de socialisten en de rest van het stadsbestuur geen twijfel: het probleem moest aangepakt worden. Het mag dan ook niet verbazen dat de Vooruit de beslissing van het gemeentebestuur steunde en de verdediging opnam van Anseele toen een nieuwe storm protestbrieven losbarstte: “is het Anseeles schuld dat er nog zooveel werklieden zijn die de maatschappelijke toestanden niet kennen? Is het Anseeles schuld dat al de werklieden niet luisteren naar goeden raad?”[275] Bij de publicatie van het nieuwe werkreglement in Vooruit klonk het: “Wij hopen dat alle werknemers het zullen naleven. Moest zulks echter het geval niet zijn, wij zullen het streng doen uitvoeren en de werken aan de darsen voortzetten enkel met die groepen, welke begrijpen dat de werkman altijd de fierheid moet bezitten door zijn arbeid zijn loon te verdienen.”[276] Ook Anseele zelf gaf blijk van zijn vastberadenheid in de gemeenteraad: “wat er zal gebeuren kunnen wij niet vooruitzien, maar de Stad zal met de goede werkers het werk volhouden, al waren zij maar met 1000.”[277]

Er werd vanaf dan gewerkt in 3 ploegen (analoog aan 3 leeftijdscategorieën), telkens 4 uur lang. Het loon bleef 0,50 fr. per uur, en een minimum van 60 kruiwagens moest per persoon en per week worden vervoerd.[278] Eenmaal het werk werd hervat, verbeterde de toestand merkelijk, zodat de problemen grotendeels van de baan waren.[279] De vraag van de gesyndiceerden om een loonopslag van 2 fr. te krijgen, werd wegens het oneerlijke karakter ervan t.a.v. de onverenigden unaniem van tafel geveegd.[280]

 

In de zomer van 1916 liepen de darsenwerken ten einde. Op 2 juli maakte de Commissie der Darsen aan het schepencollege bekend dat de werken aan het midden- en het zuiddok respectievelijk begin september en einde oktober zouden stilvallen, waardoor ongeveer 9.000 werklieden en 110 bedienden zonder werk zouden vallen. Men was van plan de tewerkstelling getrapt af te bouwen, zodat de meest behoeftigen het langst een inkomen zouden hebben. Aangezien het einde van de oorlog nog niet in zicht was, werd er ook gezocht naar een alternatief. Het was duidelijk niet de bedoeling van de stad om de darsenwerkers aan hun lot over te laten.[281] Op 24 augustus verschenen in Vooruit onder de titel “Wat het gemeentebestuur doen wil om de werkeloosheid te verhelpen” tien projecten die moesten dienen om de arbeiders nieuw werk te verschaffen, iets waarover het dagblad verheugd was.[282]

Toch kon de stad niet vermijden dat er onder de darsenwerkers onrust heerste. In juli moest Coppieters (dan reeds schepen[283]) melden dat de werken niet goed vlotten, en stelde Anseele affiches op om de arbeiders gerust te stellen en op te roepen tot werkwilligheid.[284] Helemaal onterecht was die onrust niet, aangezien de stad geen nieuw groot werk wilde oprichten. In oktober weigerden de arbeiders nog verder aan het werk te gaan, en het is Anseele die als bemiddelaar optrad. Hij kreeg ze, al is het dan zonder enthousiasme, opnieuw aan het werk.[285] In die periode werd ook een nieuw barema van onderstand voorbereid (cfr. infra), en het college hoopte er kennelijk op dat dit barema de werkloze arbeiders zou kunnen opvangen. Men wilde dan ook een overgangsperiode inlassen tussen het stilvallen van de darsenwerken en het in werking treden van het nieuwe barema.[286]

Het een en ander had te maken met wat de ronde deed in de stad. In het dagboek van Virginie Loveling lezen we op 22 oktober 1916: “[…], wordt de schuld aan de hachelijken toestand nu geweten aan burgemeester Braun en den socialisten schepen Anseele: ‘"Zij hadden het opeischen moeten beletten,"’ gaat het, ‘"maar zij zijn het, die ze aan de Duitschers afleveren."’ Hun doel? - ‘"om ze hier kwijt te zijn, zooveel eters min zooveel last min aan de stad."’ Het gaat zoover, dat er gezegd wordt: ‘"Kopaf,"’ moeten ze.” De volgende dag klonk het in een gesprek dat ze had opgevangen: “De burgemeester, Anseele, schurken zijn 't. - Hun geleende broodjes zullen later wel thuiskomen. - Steenen zijn in zijn auto gesmeten. - Wel besteed."”[287] Voor het Gentse gemeentebestuur kwam het er dus op aan om te tonen dat ze de bevolking niet in de steek liet op het moment dat de opeisingen van arbeiders gekoppeld werden aan het stilleggen van het werk aan de darsen. Haar inspanningen voor de opgeëisten (cfr. infra) moeten we dan ook in dit kader zien. Of zoals we de burgemeester zien spreken in de gemeenteraad: “De burgemeester geeft aan dat de Stad niet stil kan blijven, zeker nu die opeisingen gebeuren nu de stad de darsen heeft stilgelegd.”[288]

Uiteindelijk vielen de werken stil onder toezicht van een Commission de Controle des ouvriers employés aux travaux exécutés en régie, dat aan werkonwilligen elke uitbetaling van het loon ontzegde.[289] Het noodbarema zelf werd op 19 oktober 1916 gestemd.[290]

 

 

 2.6. Arsenaal

 

Een andere probleemsituatie waarbij we Anseele zien tussenkomen, is de staking van de arbeiders aan het spoorwegarsenaal in Gentbrugge, eind december 1914. Ongeveer 200 arbeiders die door de Duitsers waren opgevorderd om materiaal te herstellen, weigerden te werken voor de Duitsers. In hun ogen hielpen ze daarmee op een indirecte manier een Duitse militaire overwinning te bewerkstelligen. Bovendien wilde men blijven werken onder dezelfde omstandigheden als bij de Belgische overheid, en onder bestuurder Grootaert. De Duitsers klopten aan bij Anseele en sommeerden hem om de arbeiders terug aan het werk te krijgen, indien zij dwangmaatregelen wensten te vermijden. Voor Anseele, aldus Kenis, was dat een “hachelijk probleem”. Immers, moest “Anseele nu de arbeiders, aanraden, hulp aan de vijand te verlenen, of moe[s]t hij ze blootstellen aan dwangmaatregelen?”[291] We kunnen inderdaad een aarzeling merken in zijn reactie, maar dat had veeleer te maken met het feit dat de werklieden niet gesyndiceerd waren, hij ze dus “niet kon vinden, hun adres niet kende en hij dus aan de zaak niets kon doen.” Althans, dat schreef Vooruit.[292] Niettemin is het niet onwaarschijnlijk dat Anseele zich niet wou moeien met een zaak waar hij alleen mee kon verliezen. Immers, het excuus dat hij de niet-gesyndiceerden niet kon bereiken - iets wat hij overigens ook gebruikte in het schepencollege[293] - is betrekkelijk flauw, zeker gelet op het aanzien dat Anseele genoot onder de arbeiders. Zekere pragmatiek zal hem dus niet vreemd zijn geweest.

 

Eerst zou Anseele de zaak dan ook daadwerkelijk weigeren, ervan uitgaande dat het met de dreigementen zo ver niet zou komen. Maar dat was een misrekening: twee dagen later werden de arbeiders ’s morgens vroeg uit hun huis opgehaald door Duitse patrouilles en gevangen gezet in het arsenaal. Er werd eveneens gedreigd met deportatie naar Duitsland. Onder druk hiervan werd op een vergadering in Ons Huis, lokaal van de Gentse socialisten, diezelfde dag na een grondige discussie besloten dat men de eis van de bezetter zou inwilligen, liever dan het risico te lopen dat 5.000 staatsarbeiders hun werk zouden verliezen, of erger, gedeporteerd zouden worden.[294]

Nu moesten de arbeiders nog overtuigd worden. Om die reden maande Anseele de Duitse overheid aan om de zaak voorzichtig aan te pakken. Het dreigen met deportaties en andere straffen zou hen niet verder helpen. De Duitsers reageerden instemmend, op voorwaarde dat hij het hervatten van het werk zou bepleiten. Twee dagen later werd er op het gemeentehuis van Ledeberg een vergadering gehouden tussen 300 arsenaalmedewerkers, voorzitter Grootaert, en schepenen Anseele en Lampens. Daar werd definitief besloten dat het werk zou hernomen worden en, belangrijk, dat Anseele en Lampens er zich toe verbonden het terug aan het werk gaan van de arbeiders tegenover de Belgische regering te verdedigen. De Duitsers stemden in dat de arbeiders enkel Belgische locomotieven zouden herstellen.[295] In de gemeenteraad kon Anseele tevreden melden: “De dienstoversten, in aanmerking nemende den huidigen toestand, stemmen er in toe, met de werklieden, terug in de werkhuizen te treden. Men herneemt het werk, daartoe gedwongen door de Duitsche overheid en geenzins uit vrijen wil, en wel om in het Arsenaal, en niet elders, te arbeiden aan het herstellen van Belgische locomotieven. De werklieden bekomen de belofte dat zij hun vroeger loon zullen bekomen en dat dit zal betaald worden, nu dagelijks, en later alle acht dagen; dat de waarborgen welke de wetgeving hun verzekerde in zake van ‘werkongevallen’ op eerlijke wijze zullen toegepast worden.”[296] Bovendien kon Grootaert zijn functie hernemen.[297]

 

Daarmee was het probleem aan het Arsenaal beëindigd. De aarzeling van Anseele is opvallend: hij wilde zich vooral niet aan de situatie verbranden. Pas als de dreiging voor de arbeiders reëler werd, wierp hij zich op de zaak en kreeg het lot van de arbeiders de hoogste prioriteit. In de oplossing die naar voren kwam, zien we opnieuw een staaltje politiek opportunisme: zowel de vaderlandslievende arbeiders als de Duitse overheden kwamen zonder gezichtsverlies uit het verhaal, wat meteen ook bijdroeg tot de eigen populariteit.

 

 

 2.7. Opgeëisten

 

In het najaar van 1916 begonnen de Duitsers met de deportaties van Belgische arbeiders naar Duitsland. Officieel was dat om de werkloosheid in België aan te pakken door hen in Duitsland aan het werk te stellen, om op die manier de zware financiële last die de gemeenten moesten dragen te reduceren.[298] In de praktijk echter werden niet alleen werklozen gedeporteerd, maar ook mensen die werk hadden in het bezette België. Dit liet toch toe enige kanttekeningen te plaatsen bij het zogezegde oprechte streven van de Duitsers. Volgens de Schaepdrijver was het vooral de bedoeling om op korte termijn een beslissing aan het front te forceren. Voor elke Belgische arbeider die aan de slag ging in Duitsland, kon er immers een extra Duitse soldaat aan het front worden ingezet. Maar daarnaast werd het patriottische gevoel van de Belgen en Fransen nog extra geprikkeld doordat ook veel arbeiders loopgraven moesten graven aan het front zelf, en dus m.a.w. moesten helpen met de vernietiging van de eigen landgenoten aan de andere zijde van het front.

Dat er een storm van protest losbarstte tegen deze praktijken van de Duitsers, zowel in België, langs geallieerde zijde als zelfs bij sommige Duitse meerderheidssocialisten, mag dan ook niet verbazen. Uiteindelijk zou dat leiden tot het officieel staken van de deportaties. Voor het Etappengebied gold dat echter niet, aangezien de militairen daar autonoom het bevel voerden en zich niet konden vinden in de maatregel[299], en voor Gent specifiek betekende dat dat juist in 1917 de situatie steeds slechter werd. Steeds meer werkende mensen werden opgeëist, en ook de hogere klassen werden getroffen. In totaal zouden er in Groot-Gent zo’n 11.782 personen opgeëist worden, waarvan sommigen meermaals.[300]

 

De situatie was dus ook hier kritiek, en we zagen hoger al dat het stopzetten van de werken aan de darsen door de bevolking werd geassocieerd met het begin van de opeisingen. Het stadsbestuur moest dus reageren; het kon zich niet permitteren om roerloos van aan de zijlijn toe te kijken. De woede bij de bevolking moet immers heftig geweest zijn.[301]

Een eerste vraag die we ons moeten stellen is of het Gentse stadsbestuur en Anseele in het bijzonder ook deelnemen aan het energieke protest. Volgens Henry waren er in België drie grote golven van protest. Eerst was er het intensieve protest van kardinaal Mercier bij de Duitse overheden. Daarnaast liet ook de Belgische magistratuur zich niet onbetuigd. Een derde duidelijk protest werd geuit door de Belgische parlementairen. Op 9 november 1916 ondertekenden zij een protestbrief aan de gouverneur-generaal.[302] Nu was Anseele zelf ook parlementair, maar we kunnen opmerken dat de protestbrief noch door Anseele, noch door enig andere politieker uit het Etappengebied werd ondertekend.[303] De reden daarvoor is - opnieuw - dat Gent in het Etappengebied lag, en het contact met Brussel op zijn minst heel stroef verliep. Dat de Gentse socialisten in hun archief een kopie van de brief bewaarden, wijst er waarschijnlijk wel op dat ze het protest niet ongenegen waren, maar zegt niets over een mogelijke betrokkenheid van de Gentse socialisten. Hoe dan ook, we vonden geen sporen terug in de notulen van het schepencollege dat de stad als dusdanig protest had aangetekend bij de Duitse overheid. Niettemin sluit dat niet uit dat er informeel en/of direct werd geprotesteerd bij Duitse officieren. Dat is zelfs heel waarschijnlijk, gezien de druk op het stadsbestuur van de kant van de bevolking.

Hetzelfde geldt eigenlijk voor Anseele zelf. Bij Louis Bertrand lezen we een anekdote over een heftige discussie die Anseele zou gevoerd hebben met luitenant Wendling[304], en Kenis stelt onomwonden dat hij de deportaties met alle macht, als gevolg van zijn “impulsief temperament”, zou bestrijden.[305] Maar gezien het weinig neutrale karakter van beide biografieën, kunnen we daar niet zeker van uitgaan, temeer we in het door ons geraadpleegde bronnenmateriaal geen sporen terugvonden van protest van Anseele bij de Duitsers. Bovendien lezen we tussen de regels zelfs bij Kenis dat het protest van Anseele na de eerste inspanningen werd gestaakt, of toch zeker afzwakte.[306] We achten het wél heel waarschijnlijk dat hij op zijn minst zou gewezen hebben op het ongelukkige karakter van de opeisingen, en misschien nog veel meer. Voor andere belangrijke zaken, waar zijn eigen populariteit en geloofwaardigheid “in spel” was (cfr. supra), zou hij dat immers niet nalaten, zoals we hoger al hebben aangetoond. En de Duitsers zelf vreesden dat Anseele agitatie zou maken over de gedeporteerde arbeiders wanneer hij in het kader van de Internationale begin 1917 naar Nederland zou afzakken, wat er waarschijnlijk toch wel op wees dat Anseele al zijn beklag had gedaan.[307] De vraag blijft dus open.

 

De tweede vraag is dan of de stad initiatieven nam om de slachtoffers van dienst te zijn en haar eigen geloofwaardigheid te redden. Tijdens de zitting van het schepencollege op 16 oktober nam Anseele het woord en hield een lang pleidooi om zowel de slachtoffers als de families niet in de steek te laten. Voor Anseele was dat essentieel, zeker als men in het achterhoofd hield dat de stad al veel inspanningen had gedaan voor de Gentse oorlogsgevangenen in Duitsland (waar we niet verder op ingaan). De enige vraag die men zich diende te stellen, aldus Anseele, was wát men moest doen om te interveniëren. Na een lange discussie lanceerde de burgemeester het voorstel om een speciale commissie te benoemen, zoals zo vaak gevormd uit gemeenteraadsleden en niet-gemeenteraadsleden, eerlijk verspreid over de verschillende politieke families (18 in totaal). Het college zou aan de gemeenteraadszitting voorstellen om Anseele, opnieuw hij, te benoemen als voorzitter.[308]

Op de gemeenteraadszitting diezelfde dag nog werd besloten om op 18 oktober een speciale zitting bijeen te roepen om de kwestie te bespreken, niet zonder eerst vastgesteld te hebben dat het besluit van de Duitsers “onder de bevolking eene diepen en zeer begrijpelijke verontruststelling [heeft] doen ontstaan.”[309] Op die speciale zitting was het de burgemeester die het woord nam, het stilleggen van de werken aan de darsen koppelde aan de woede van de bevolking (cfr. supra), en een lans brak voor de oprichting van de speciale commissie. Hij besloot dat de instelling er een van “menschlievendheid” moest zijn. Haar opdracht bestond erin de betrokken personen in het noodzakelijke te voorzien, de familie bij te staan, en de briefwisseling tussen de gedeporteerde en zijn/haar familie proberen mogelijk te maken.[310] De stad stelde een krediet van 25.000 frank ter beschikking.[311]

De agitatie onder de bevolking tegen het stadsbestuur, Anseele en het stilleggen van de werken aan de darsen, wordt ook in Vooruit vastgesteld, en gewoontegetrouw afgedaan als “laster”. Men daagde ook al de “vijanden uit een woord, eene daad, een poging aan te halen, die eene dergelijke beschuldiging, al ware het maar schijn van waarheid zou geven,” en besloot: “Dat bestaat niet!”[312] Natuurlijk waren die beweringen ook daadwerkelijk nergens op gebaseerd, maar de onrust onder de bevolking was er wél.

De commissie verkreeg een onderhoud met de provinciale gouverneur Ecker. De afvaardiging bestond uit Anseele, en de twee gemeenteraadsleden en ex-schepenen Siffer (katholiek) en Baertsoen (liberaal). In het uitgegeven dagboek van die laatste lezen we op 1 november een verslag van het gesprek. Meer dan een grondig protest tégen de deportaties, was het een vraag naar het lot en de toekomst van de gedeporteerden. In een voorafgaande brief had men geïnformeerd naar het motief, het doel en de geplande termijn van de deportaties, om de familieleden van gedeporteerde burgers op de hoogte te kunnen stellen en ze te kunnen kalmeren. Daarom wilde men ook weten waar de gedeporteerden naartoe werden gebracht, of men de slachtoffers kon schrijven, kleren en levensmiddelen mocht toezenden, enz. Meteen bij de ontvangst werd men wegens het “outrecuidance inouie” (verwaande en ongehoorde) karakter van de brief op de vingers getikt, en werd de delegatie verzekerd dat indien de brief in handen zou zijn gevallen van de militaire overheid, dat dat dan zou geresulteerd hebben in “les conséquences les plus graves pour les délégués,” zonder dat die verder werden gespecificeerd. De sfeer moet eerder vijandig zijn geweest. Het enige dat men kon verkrijgen was dat men postkaarten mocht zenden. Het voorzichtige protest en de vraag naar meer informatie werden van de hand gewezen.[313] Later zouden de Duitsers wel toestaan dat de families postpakketten verzonden, op vaste dagen.[314] De stad mocht zelf blijkbaar wel zendingen (kleren e.a.) doen.[315]

Anseele en de commissie zouden in het begin veel energie steken in de hulp.[316] Zo had Anseele vernomen dat een deel van de arbeiders zwaar ziek was[317], waarna hij verkreeg dat die arbeiders in groten getale werden teruggezonden naar Gent. Om hen op te vangen, richtte de commissie ook een medische dienst in.[318] De activiteit leek echter gestadig te verminderen, zodat er tegen het midden van 1917 kritiek zou komen op de dienst, iets wat Vooruit natuurlijk van de hand wees.[319] Wat er ook van was, het blijkt uit de notulen van het schepencollege dat in de zomer van 1917 het kledingsdepot uitgeput was, en er dus geen zendingen meer werden verzonden. Het college vond het op dat moment niet opportuun om nieuwe aankopen te doen.[320] Later werd daar op teruggekomen, en werd er bij de Duitse overheid op aangedrongen om kledingstukken te mogen invoeren, waarschijnlijk niet toevallig nadat besloten was - op diezelfde zitting - een nieuwe lening aan te vragen.[321] Een echt grote activiteit stellen we echter niet meer vast, maar dat kan er ook gewoon op wijzen dat de werking vlot verliep.

 

 

 2.8. Barema / Werklozenfonds

 

Het Gentse Stedelijk Werklozenfonds was snel uitgeput. De stad besloot daarop zes frank per week en per aangesloten lid door te sluizen naar het fonds. De vergoeding die de gedeeltelijk werkloze ontving, hing af van het aantal wekelijkse werkuren, en werklieden die meer dan 30 uur per week presteerden, kregen niets uitgekeerd. Op 15 mei 1915 werd het fonds aangevuld door een nationaal initiatief, een Nationaal Werklozenfonds, waar de stad financieel eveneens toe bijdroeg.[322] Anseele, als lid van het Provintiaal Komiteit voor Hulp en Bescherming aan Werkloozen, was betrokken bij de organisatie en de verdeling van de uitkeringen. Het was schepen Lampens, en na diens deportatie Coppieters, die voor het Stedelijk Werklozenfonds de verantwoordelijkheid droeg.[323]

 

Gedurende de oorlog zouden de verschillende hulpinstellingen (bv. stedelijk, NHVC) zich meer en meer op elkaar afstemmen, wat een aantal maal zou leiden tot veranderingen in de grootte en de bedeling van de uitkeringen. Eén van de kenmerken van die hervormingen was dat het aandeel van voedselhulp zou vergroten ten koste van de financiële bijdragen. De belangrijkste omslagen situeren zich in februari 1916, oktober 1916, maart 1917, en december 1917. In het volgend hoofdstuk gaan we er verder op in, omdat het systeem bij uitstek onderwerp was van politieke discussies. Toch dienen we hier alvast te vermelden dat Anseele bij die discussies (die betrekking hadden op de hulp aan de bevolking) vaak een duidelijk standpunt innam. Vandaar dat we dit onderwerp ook hier vermelden.

 

 

 2.9. Stadsfinanciën

 

Dat de stadsfinanciën onder druk kwamen te staan, gaven we al herhaaldelijk aan. Om daar een antwoord op te bieden, bestond de politiek van schepen van financiën Anseele er volgens V. Michiels voornamelijk in om de belastingen te verhogen. Ondanks de Godsvrede, waren de katholieken scherp tegen deze maatregel, zeker omdat ze zich niet konden verzoenen met een aantal van de geïnde belastingen. Zo was er de belasting op de ongehuwde mannen, die door de katholieken maar matig kon geapprecieerd worden omdat ze werd aanzien als een aanval op de uit principe alleenwonende mannen (kloosterlingen). Voor hen moest de stadspolitiek er vooral in bestaan om leningen aan te gaan om de toenemende kosten voor de stad, die het al niet breed had ten gevolge van de organisatie van de Wereldtentoonstelling in 1913, te kunnen dekken.[324]

Herhaaldelijk werd in het schepencollege de precaire financiële situatie aangekaart. Kort na de bezetting van de stad Gent drukte Anseele zijn bezorgdheid al uit over de financiële balans van de stad.[325] Eind 1915 werd er zelfs gevreesd dat de stad haar werkzaamheden zou moeten neerleggen: “La gravité de la situation et l’impossibilité où il se trouve d’y remédier, décident le collège à la signaler dés à présent à l’autorité allemand.”[326] Op 11 februari 1916 gaf de burgemeester opnieuw aan dat de situatie van de gemeentekas “fort critique” was.[327] In juli klonk het al “excessivement critique”. Het betalen van de rekeningen zou weldra onmogelijk worden.[328] Een jaar later werd opnieuw de alarmbel geluid.[329]

In feite was de stadspolitiek om daaraan te verhelpen een combinatie van drie opties, en heeft Michiels ongelijk om de krantenkritieken van de katholieken zo maar voor waar aan te nemen. Zo verhoogde de stad inderdaad enkele bestaande belastingen, en voerde het er nieuwe in. Maar ten tweede gaf de stad zelfgedrukt noodgeld uit, en tot slot ging het wel degelijk een aantal zware leningen aan. Onzes inziens deed de stad dan ook wat in haar mogelijkheden lag, zo lang dat maar betekende dat ze de bevolking niet in de steek moest laten.

Op vlak van belastingen voerde de stad naast een taks op ongehuwde mannen, onder meer ook een taks op honden en terrassen in, en werd de taks op patenten verhoogd.[330] Schepen die in de Gentse haven aanmeerden, moesten een stationeringtaks betalen.[331] Eind 1915 werden de nieuw ingevoerde taksen verlengd, en nog enkele nieuwe doorgevoerd.[332] Kortom, een verhoging van de taksen maakte zeker deel uit van de stadspolitiek. In dit kort overzicht zijn we verre van volledig.

Als grootste van de meer dan 600 gemeenten die hun toevlucht zochten tot deze maatregel, gaf ook Gent noodgeld uit. Bankbiljetten waren steeds minder in omloop, omdat de bevolking ze inruilde voor klinkende munt (goud, zilver, kopernikkel, koper). De munten werden immers gehamsterd omdat de werkelijke waarde hoger lag dan de nominale waarde (in vergelijking met de bankbiljetten). En dus moesten er biljetten op de markt gebracht worden.

Bovendien leende de stad meer dan 3 miljoen frank uit, aan enkele gemeenten, maar ook aan een viertal banken die ten gevolge van het moratorium van de Nationale Bank een tekort hadden aan betaalmiddelen.[333] Het was Anseele zelf die dit had bepleit en onderhandeld, volgens Vooruit “met het gewoon talent en den klaren blik die wij hem allen toekennen.” Indien de banken failliet zouden gaan, zouden ook de nijverheid en de handel het zwaar te verduren krijgen, en dat moest absoluut vermeden worden.[334]

Het principe van het stedelijke noodgeld was eenvoudig: met akkoord van de banken werden biljetten (en later ook munten) uitgegeven, die na een bepaalde termijn garant stonden voor terugbetaling. Tijdens de oorlog zou men de uitgave een aantal keren moeten herhalen, omdat de financiële toestand er vanzelfsprekend niet echt op beterde.[335] De stad zou daarmee in conflict moeten gaan met opnieuw Ecker (zoals bij de deportaties), want die had de stad de uitgave van het geld toegestaan, maar meteen ook een maximumbedrag vastgelegd. De stad had dat met een nieuwe uitgave van bankbiljetten echter overschreden, en Braun en Anseele werden op het matje geroepen. Volgens Kenis zou Anseele daarop in woede zijn uitgebarsten.[336] Naast bankbiljetten gaf de stad later ook munten uit, omdat die minder eenvoudig te vervalsen waren. In totaal gaf Gent voor 46.522.699 fr. biljetten en stukken uit, bijna 3 maal en 5 maal zoveel als respectievelijk Oostende en Brugge.[337]

Tot slot ging de stad in de loop van de oorlog ook leningen aan bij de banken. De bedoeling van de leningen was om de uitgave van het noodgeld te dekken.[338]

 

Vergeten we ook niet dat de stad winsten maakte op de bevoorrading in levensmiddelen en op de rente op de leningen. Ook daar haalde de stad haar middelen uit.

 

 

 2.10. Loonsverhoging en verbetering arbeidsomstandigheden voor stadswerklieden

 

Nadat de stad eerst al een loonsverhoging had toegestaan voor de stedelijke bedienden[339], besliste ze begin 1918 ook een loonsverhoging toe te staan aan de werklieden in dienst van de stad. De logica achter de beslissing was, zoals zo vaak, zo veel mogelijk mensen onafhankelijk te houden van de voedsel- en andere hulp. Aangezien de prijzen van de voeding bleven stijgen, was een verhoging van loon in die optiek onvermijdelijk geworden. Een eerste verhoging werd, onder impuls van Anseele, toegekend in februari.[340] Het was ook hij die de kwestie opnieuw in het schepencollege bracht in maart, waarmee hij het voorbeeld van het NHVC volgde, dat de lonen voor de bij haar in dienst zijnde dokkers en broodverkopers met 20% had verhoogd. Voor de stadswerklieden zou deze nieuwe loonsverhoging een opslag van 0,2 fr. per dag betekenen. Daarnaast zouden ze een extra toelage ontvangen.[341] Anseele pleitte er tevens voor om die toelage ook van toepassing te maken op de tijdelijke werklieden.[342]

 

De levensomstandigheden van de stadsarbeiders waren in die periode ellendig. Zowel de burgemeester als Anseele braken op de zitting van 29 maart 1918 een lans voor een verbetering van de arbeids- en vooral levensomstandigheden van de stedelijke loontrekkenden. Volgens Anseele was het de plicht van de stad om de arbeiders die het slachtoffer waren van een werkongeval, en daarbij hun kleren gescheurd of vernield zagen, op een of andere manier te hulp te schieten. En er werd ook beslist om voor alle stadsbedienden en stadswerklieden elk oorlogsjaar dubbel te tellen in de berekening van de dienstjaren voor de toepassing van de loonstandaarden, en dus de reglementaire loonsverhogingen.[343] Ironisch genoeg is de zitting van 29 maart de laatste zitting van het niet-activistische schepencollege, terwijl net in maart 1918 het schepencollege liet blijken steeds meer energie en middelen te willen steken in de hulp aan de hulpbehoevenden. Anseele stond daarbij op de voorste rangen. In de voorgaande jaren zagen we Anseele voornamelijk optreden met de belangen van de stad steeds in het achterhoofd. In deze periode, althans dat is onze indruk, speelde eerst en vooral de bekommernis om de noodlijdenden mee. Zijn interventies in het schepencollege ten voordele van de noodlijdenden (vooral de stadswerklieden) gingen alleszins gestadig de hoogte in. Ook in Vooruit werd in het laatste oorlogsjaar campagne gevoerd voor loonsverhogingen (zowel voor de werklieden tewerkgesteld in de privé als die bij de stad), wat toch wel in dezelfde richting wijst.[344]

 

 

 2.11. Besluit

 

De oorlogssituatie maakte veel Gentse burgers afhankelijk van hulp, een aantal dat tijdens de oorlog zou blijven stijgen. Zoals overal in het land waren er ook in Gent tal van initiatieven om de bevolking te ondersteunen. Dat ging over de oprichting van een lokale afdeling van het NHVC, private initiatieven, tot ook en vooral inspanningen door de stad Gent. Initiatieven zoals het uitschrijven van grote openbare werken, bijdragen aan de verschillende werklozenfondsen, het verzorgen van de bevoorrading, het bedelen van soep en brood, de uitgave van stedelijk geld, het opstellen van noodbarema’s… het waren allemaal ondernemingen - zonder daarbij de pretentie te hebben volledig te zijn - die tot doel hadden om het hulpbehoevende deel van de Gentse bevolking van dienst te zijn. Anseele speelde in veel van die initiatieven een voortrekkersrol, en zeker op vlak van de bevoorrading toonde hij zich heel actief en gedreven. De inspanningen van de stad maakten wel degelijk een verschil, maar de oorlogsomstandigheden zorgden er niettemin voor dat de situatie voor de bevolking steeds slechter werd. Ook het stadsbestuur werd immers geconfronteerd met haar beperkingen in deze tijd, zowel van financiële, menselijke als van praktische aard.

 

Zoals we Anseele kennen, ging hij ook hier pragmatisch te werk. Liever dan de oogst op te eisen, zou hij de verkoopprijs in het voordeel van de boeren optrekken (wat ook gebeurde). Ook dat was immers een manier om de speculatie tegen te gaan, en zou misschien nog wel de beste garantie bieden op een adequate bevoorrading. Een socialistisch principe was dat trouwens niet, net zoals het pleidooi voor de “vrijhandel” en de kleinhandel, waarover nota bene tegen de eigen achterban polemiek moest gevoerd worden, dat ook niet waren. In 1917 zou ook Anseele zich achter een opeising van de oogst scharen, omdat hij inzag dat dat de beste mogelijke oplossing was, toen de speculatie bleef voortduren.

Een ander voorbeeld was de oprichting van een bevoorradingsdienst nog in de eerste oorlogsmaand, een afspraak tussen de verschillende SM’en. Over de socialistische belangen an sich heen dus. Steeds trachtte hij het beste eruit te halen, zonder de haalbaarheid van de projecten uit het oog te verliezen, en/of de bruggen op te blazen met ofwel de Duitsers, het NHVC, het stadsbestuur, de boeren, de handelaars of de behoeftigen. De Duitsers durfde hij op de vingers te tikken, soms hard, maar echt over de schreef ging hij nooit. Hij deed dat enkel als zijn woede ook in de ogen van de Duitsers gerechtvaardigd moest blijken. Zo vonden we bijvoorbeeld geen sporen terug van heftig protest tegen de deportaties (wat niet wil zeggen dat dat er niet geweest is), misschien omdat hij wel inzag dat daar toch niets tegen te beginnen was. Liever dan keihard op tafel te kloppen en zichzelf onmogelijk te maken, richtte hij zich op een concrete lotsverbetering door zijn engagement in een speciaal opgerichte commissie voor hulp aan gedeporteerden en hun families.

De samenwerking met de gemeenteraad gebeurde dan weer in volle openheid. In het NHVC zette hij zich constructief in voor de verdeling van werkloosheidsuitkeringen, maar klaagde hij via Vooruit wel de ondervertegenwoordiging in de comité’s aan. En van de arbeiders tewerk gesteld door de stad, bijvoorbeeld aan de darsen, verlangde hij plichtsbewustzijn en engagement. Overal valt op dat zijn gedrag logisch en dus haalbaar was, zijn eigen geloofwaardigheid en die van de stad meespeelde, maar in die mate dat alles voor iedereen aanvaardbaar bleef.

 

We moeten vaststellen dat voor Anseele en de socialisten in het algemeen op vlak van de stedelijke hulp veel op het spel stond, iets waar we in het volgende hoofdstuk dieper op ingaan. De katholieken en liberalen dreigden zich het succes van het NHVC te kunnen toe-eigenen, en dus moesten de socialisten goed scoren op vlak van de stedelijke hulp. Als er geen politieke ambities meespeelden voor Anseele persoonlijk, dan was toch ten minste de politieke strijd niet zonder belang in zijn engagement. De hulp aan de bevolking was immers bij uitstek een thema waarbij de godsvrede werd doorbroken.[345] De vraag naar de politieke betekenis achter de andere acties van Anseele, stellen we bij uitstek ook in het volgende hoofdstuk, waarin we nagaan op welke manier de godsvrede door Anseele werd doorbroken, er gewerkt werd aan concrete verwezenlijkingen voor na de oorlog, wat de breekpunten waren, enz. Kortom, hoe werden de socialistische belangen tijdens de oorlog verdedigd, ook los van de steun die aan de bevolking werd geboden.

 

 

3. Anseele en de politieke strijd

 

 3.1. Inleiding

 

Het centrale begrip hier heet de “Godsvrede”. De Godsvrede was een afspraak die de politieke partijen maakten om tijdens de duur van de oorlog de politieke strijdbijl te begraven. Het eerste staaltje daarvan was de goedkeuring door de socialisten van de oorlogskredieten en de benoeming van E. Vandervelde als minister van staat door de katholieken en liberalen. De Gentse Godsvrede, een afleiding van het nationale initiatief, kreeg vorm tijdens de eerste oorlogsmaanden. De basis werd gelegd na de opstelling van een manifest door alle Gentse parlementairen, waarin aan de vooravond van de bezetting alle jonge mannen werden opgeroepen in het Belgische leger dienst te nemen. Dadelijk na de Duitse inval werden (cfr. supra) allerhande initiatieven uit de grond gestampt om de nood op te vangen, op vlak van de werkloosheid of voedselvoorziening. Volgens Capiteyn steunden de katholieken die dure initiatieven, omdat zij in ruil daarvoor zitting kregen in de verschillende stedelijke hulpcomité’s. Die Godsvrede was echter geen lang leven beschoren, en zou vooral rond de thema’s van de bevoorrading en stedelijke hulp doorbroken worden, een terrein waarop zowel de socialisten (via Anseeles bevoorradingsdienst), als de katholieken en liberalen (NHVC) hoopten te scoren.[346] De kanalen waarlangs de Godsvrede met de voeten werd getreden, zijn naast de vaak nog brave interventies in de gemeenteraad, vooral de dagbladen. Het liberale La Flandre Liberale staakte de druk tijdens de oorlog, maar de katholieke kranten (Het Volk, de Gentenaar, Le Bien Public) gingen niet zelden in polemiek met Vooruit.[347]

Naast het voeren van politieke discussies, was de beste propaganda voor de eigen beweging het instandhouden van de organisaties (SM Vooruit, culturele kringen, Bond Moyson, vrouwenkringen, syndikaten, enz.). De Gentse socialisten beseften dat ten volle, en deden de nodige inspanningen om de boel draaiende te houden, ondanks de praktische en de financiële problemen die de oorlog met zich meebracht. Ze deden dat vrij offensief, in die zin dat ze telkens energiek protest aantekenden wanneer de belangen van de achterban werden geschaad, om op die manier hun strijdvaardigheid te laten blijken. Ze maakten een prioriteit van het verwerven van nieuwe leden, en spaarden kosten noch moeite om die leden ideologisch te vormen.[348] Het idee was eenvoudig: wilde men de naoorlogse doelen bereiken, en de invoering van het AES was daarvan de belangrijkste eis, dan kon men het zich niet permitteren om het contact met de leden te verliezen. Het was immers vooral onderaan dat de machtsverhoudingen in het naoorlogse België zouden bepaald worden. Wilde men sterk staan, dan mocht men niet om de socialistische achterban heen kunnen kijken. En dus was de actie op het terrein, meer nog dan de politieke discussies of het aandeel van de socialisten in het NHVC of elders, het allerbelangrijkste.[349]

 

In dit hoofdstuk gaan we na welke rol Anseele speelde in dit gebeuren. Zijn engagementen op vlak van de hulp en het politieke belang dat daarmee gepaard ging, diepen we verder uit aan de hand van enkele concrete casus (een overzicht gaven we al in het vorige hoofdstuk). In een volgende fase bekijken we hoe er volgens Anseele propaganda moest gevoerd worden, en voor welke zaken met belangrijke propagandistische waarde moest worden gestreden. Anseele was niet betrokken bij elk socialistisch initiatief, dus het is niet de bedoeling een volledig overzicht te geven van de socialistische propaganda-activiteiten. We bekijken ook in welke mate de figuur van Anseele zelf een rol speelde in de politieke strijd. Was het een tactiek van de katholieken om Anseele zelf aan te vallen? En liet Vooruit zich dat zomaar zeggen? Tot slot bestuderen we op het meer theoretische niveau de naoorlogse doelen in de ogen van Anseele, en de speeches op bv. 1 mei die de bedoeling hadden om die eisen in de verf te zetten.

 

 

 3.2. Politieke toe-eigening van de hulpinitiatieven

 

3.2.1. Kritiek op de stad als hulpverlenende en bevoorradende instantie[350]

 

In het vorige hoofdstuk gaven we al een overzicht van allerhande initiatieven die de stad nam om de hulpbehoevenden te ondersteunen. De socialisten waren daar zeer opgetogen over, en claimden via Vooruit dat dit alles de verwezenlijking was van het socialistische idee dat de overheid, de openbare besturen, moesten instaan voor de behartiging van de belangen van de gemeenschap, van alle mensen zonder onderscheid. Aanvankelijk voerden de katholieken niet al te zeer oppositie tegen deze zienswijze omwille van de Godsvrede, maar in april 1915 begonnen de kritieken toch de kop op te steken. Voor hen was het logischerwijze niet echt een goede zaak indien de stedelijke regieën een grotere betekenis zouden krijgen ten koste van de (katholieke) liefdadigheidswerken, en dat was net hetgeen aan het gebeuren was. De kritiek uit katholieke hoek op de stedelijke hulpverlening zou dan ook toenemen, en vaak werden de pijlen gericht op de betaalbaarheid van het geheel. Vanuit de reactionaire hoek van Le Bien Public werd openlijk voor openbare aanbestedingen gepleit, ter vervanging van de stedelijke regieën. Vooruit zou zich daar uiteraard tegen verdedigen.

 

Bij de werken aan de darsen konden de socialisten zich vanwege het politieke belang ervan dan ook niet veroorloven om de werkonwillige arbeiders te steunen. Via Vooruit, maar ook in het schepencollege namen de socialisten een harde houding aan, omdat de hele kwestie de socialisten en hun visie op de hulpverlening in diskrediet zou kunnen brengen. Niettemin werd er met de katholieke bladen polemiek gevoerd over zogezegd foute informatie die ze moedwillig zouden verspreid hebben. De kwestie had duidelijk haar politiek belang.

 

Ook bij de kwestie van het Werklozenfonds zou er over en weer gescholden worden tussen katholieken (en liberalen) en socialisten. Het Stedelijk Werklozenfonds waar de stad financieel toe bijdroeg, keerde alleen geldelijke steun uit aan verenigden. Een betere propaganda konden de socialistische syndicaten zich niet wensen, en het principe zou dan ook op de nodige kritiek stuiten uit katholieke hoek. Toen de stad de kosten voor de werkloosheid niet langer alleen kon dragen, en het NHVC ter hulp schoot met de oprichting van het Nationaal Werklozenfonds, was de kwestie van de baan. Van dan af werd iedereen ondersteund, ongeacht het lidmaatschap van een of andere vereniging. De gesyndiceerden en de aangeslotenen van een ziekenbond genoten wel het voorrecht uitbetaald te worden door de eigen vereniging. Begin 1916 dreigde de situatie echter omgedraaid te worden, want voor de syndicaten dreigde de ondergang toen een nieuwe hervorming van het Werklozenfonds hen in hun bestaan bedreigde. De kosten voor de stad waren immers nog steeds te hoog, en het voorstel dat voorzitter Varlez had ingediend om daaraan te verhelpen, betekende onvermijdelijk de doodsteek voor de syndicaten (cfr. infra). De politieke strijd die daar het gevolg van was, was hevig.

 

Op vlak van de bevoorrading zou er uit katholieke hoek eveneens een aantal keren kritiek geleverd worden. Voor wat betreft de bevoorrading in aardappelen was Anseele vaak kop van jut. We gaven daar in het vorige hoofdstuk al enkele voorbeelden van.

 

Dat de kritiek op de toe-eigening van de hulpinitiatieven geen eenrichtingsverkeer was van de katholieken in de richting van de socialisten, maar daarentegen in beide richtingen verliep, hopen we hieronder te kunnen aantonen. Ook Anseele speelde zijn rol. Het belang ervan mogen we niet onderschatten, omdat de bevolking zo hulpbehoevend was, dat elke “redder” meteen ook politiek goed scoorde. Voor de naoorlogse politieke strijd, en het strijdpunt van het AES, was steun onder de bevolking van cruciaal belang.

 

3.2.2. Het debat over (de vertegenwoordiging in) het NHVC

 

Het NHVC werd in theorie opgevat als de institutionele belichaming van de godsvrede. De medewerkers op elk niveau benadrukten steevast dat het privé-initiatief neutraal werd opgevat, en waarbinnen alle medewerkers hun functie opnamen als privé-personen, niet als vertegenwoordiger van een bepaalde partij, vereniging, instelling of opiniegroep. In de praktijk waren er voldoende redenen om daar kanttekeningen bij te plaatsen, waarvan de voornaamste was dat de socialisten sterk ondervertegenwoordigd waren in de organisatie. Dat het politieke karakter ervan een strijdpunt was, was niet onlogisch gezien de omvang van de instelling (in die zin wordt soms gesproken van een “kleine regering”), en vooral ook de populariteit die de instelling genoot onder de bevolking.[351] Vooral de socialisten richtten hun pijlen op het NHVC, omdat zowel de katholieken als de liberalen aanvankelijk het succes ervan politiek dreigden te verzilveren.[352] De socialisten hadden goed ingezien dat ze de boot niet mochten missen. Na de oorlog zou immers zoals gezegd blijken dat haar tijdens de oorlog groeiende rol (het gevolg van de klachten over de vertegenwoordiging) binnen het NHVC - hoewel niet echt geldend voor Oost-Vlaanderen - de doorbraak als “normale” politieke partij zou betekenen. De inspanningen om beter vertegenwoordigd te worden in het NHVC zouden dus lonend blijken.[353]

 

In Gent vatte de discussie begin 1915 aan met de oprichting door het PHVC van het “Werk der Kleding”. De bedoeling was om een algemeen onderstandsboekje (“zwartboekje”) in te voeren en te verdelen onder de bevolking, waarmee men kon aankloppen bij een liefdadigheidsinstelling of bij het comité zelf voor kleren en ondergoed. Om misbruik te vermijden, werd een uitdeling genoteerd in dat “zwartboekje”. Voor de uitdelingen deed het PHVC echter beroep op dekenijen, die in de ogen van de socialisten bekend stonden als “katholieke machienen”. De socialisten zelf hadden daar geen vertegenwoordiging. Om alles nog erger te maken, werden in die delen van de stad waar er geen dekenijen bestonden, snel katholieken benoemd als deken. Een ander markant feit dat voor de socialisten niet door de beugel kon, was het uitdelen van “zwartboekjes” zonder rekening te houden met het inkomen.[354] In het socialistisch middencomiteit werd de toestand aangeklaagd, en op voorstel van Anseele werd er een campagne in Vooruit begonnen om de praktijken aan te klagen. De “comiteiten” werden ervan beschuldigd te dienen als propaganda voor de katholieken, en opzettelijk elke afvaardiging van de werklieden te weren, “om vrij spel te hebben zonder enige controle.” Secretaris Verschraegen stelde vast dat er op 20 afgevaardigden slechts drie socialisten waren, wat een serieuze ondervertegenwoordiging was.[355] Slechts een dik aantal maanden verder zou er aan de klachten gevolg worden gegeven: de uitdelingen zouden voortaan gedaan worden door de leden van het comité zelf, i.p.v. door de dekenijen, en zouden plaatsvinden in neutrale lokalen.[356]

Niet veel later werd er in Vooruit een nieuwe campagne gevoerd. Er werd in een hoofdartikel aan de kaak gesteld dat te Gent, dat twee lokale comité’s telde, er geen socialist was vertegenwoordigd. Op het provinciale niveau moest men het stellen met Lampens.[357] Op 24 mei vierde Vooruit dan ook niet zonder reden dat Anseele lid was geworden van het Provintiaal Komiteit voor Hulp en Bescherming aan Werkloozen.[358] Het bleef echter triestig gesteld. In dezelfde periode waren er in alle lokale afdelingen van Oost-Vlaanderen slechts vier BWP-leden, op een totaal van 137.[359] In het middencomiteit moest men dan ook vaststellen dat de hele campagne in Vooruit niets had uitgehaald. Verschraegen vroeg andere maatregelen. Met Anseeles akkoord zou men een brief sturen naar het nationaal comiteit, en indien dat geen zoden aan de dijk bracht zou men een schrijven richten tot de Amerikaanse dagbladen.[360] Vanaf dan zouden allerhande omzendbrieven verstuurd worden, en zouden delegaties lokaal en provinciaal een grotere vertegenwoordiging van de socialisten proberen af te dwingen. De eindbalans van al deze pogingen, ook via Vooruit, was niet echt grandioos. Enkel te Gent kon E. Peelman “inbreken”, maar in de kleinere steden veranderde er niet veel. Hetzelfde gold voor het PHVC.[361] Anseele kloeg er ook over dat er geen Gentse socialistische vertegenwoordiger in het Nationaal Comiteit was vertegenwoordigd. Eind 1917 werd dat opgevangen door de opname van Coppieters in het comité.[362]

 

Naast de klachten over de ondervertegenwoordiging voerde Vooruit ook campagne tegen de werking zelf van het NHVC. Zowel de vriendelijkheid t.a.v. de klanten als de hoge prijzen werden aangeklaagd, vaak via gretig gepubliceerde lezersbrieven. We zagen al dat dit ertoe leidde dat de stad de Stedelijke Magazijnen oprichtte, waarbinnen Anseele en zijn collega-schepenen veel belang hechtten aan zo goedkoop mogelijke verkoopsprijzen. In februari 1916 verbond Vooruit zo ook onder meer het gebrek aan brood aan de werking van het PHVC, dat te weinig meel ter beschikking wou stellen. Zo zou SM Vooruit een aantal maal geen brood hebben kunnen verkopen aan mensen zonder broodjeton. In niet mis te verstane bewoordingen klonk het aan het adres van het PHVC: “Mijne heeren, uwe verantwoordelijkheid is groot: het volk lijdt honger en het kan niet langer het slachtoffer van een handvol oneerlijken blijven, die er zich door de valsche bons wisten op te werken. De bakkers en de broodfabrieken hebben u verwittigd, wij doen dit op onze beurt. De bevolking moest worden ingelicht. Wij deden onze plicht. Aan de bevolking om te oordeelen! Aan U tegen het broodgebrek handelend op te treden!”[363]

 

3.2.3. De veroordelingen van SM Vooruit

 

Ook omgekeerd was de houding van het NHVC tegenover de socialisten en de SM Vooruit in het bijzonder geen toonbeeld van goede verstandhouding.[364] Nog geen 5 dagen na de kritiek in de krant, werd de SM Vooruit van beheerder Anseele veroordeeld door het PHVC, en kreeg het daardoor van het comité een kleinere hoeveelheid meel. De reden was officieel dat Vooruit wit brood had ingevoerd uit Nederland, terwijl het contract met het PHVC voorschreef dat men geen ander meel mocht verwerken dan deze verstrekt door het PHVC zelf. Wit brood was in sommige gevallen, vaak omwille van gezondheidsredenen, aangewezen boven het donkere roggebrood. Vooruit schoot met scherp op de veroordeling (“zonder beroep, dus daarom moeten wij erover schrijven”), en beargumenteerde dat het invoeren van brood geen inbreuk was op het contract dat het invoeren van meel verbood.[365] Het PHVC repliceerde dat de veroordeling er was gekomen op voorspraak van het lokale comité, en het er zelf niets mee te maken had.[366] In een “onafhankelijk onderzoek” van de krant, werd het bewijsmateriaal van het PHVC later ontkracht. De veroordeling werd echter niet ongedaan gemaakt, wat meteen vraagtekens plaatst bij de bewijslast.[367]

 

Ongeveer een jaar later werd de bakkerij van SM Vooruit opnieuw veroordeeld, ditmaal tot een boete van 6320 fr.[368] Een chemische ontleding van het brood door het PHVC zou immers aangetoond hebben dat er te veel water in het brood was verwerkt, ten koste van de hoeveelheid meel.[369] Veel meer nog dan bij de eerste veroordeling, nam de zusterkrant hier de verdediging op van de SM Vooruit. In de (door ons onderzochte) concurrerende kranten werd er immers luidruchtig schande geroepen over het misbruik. Zo schreef het activistische dagblad de Nieuwe Gazet van Gent onmiddellijk na de veroordeling: “Veel geschrift hieromtrent is overbodig. De feiten spreken ditmaal. […] Wat een smaad en schande hebt ge op U geladen.”[370] In de twee weken die er op volgden, deed de krant lustig mee aan de stemmingmakerij die vooral in “het papenblad” Le Bien Public werd gevoerd.[371] In een artikel dat anderhalve pagina besloeg, kwam Vooruit met eigen bewijsmateriaal op de proppen, dat moest aantonen dat men met het ter beschikking gestelde meel geen broden van hetzelfde gewicht kon bakken met een hoger percentage meel erin. De argumentatie en het sterk van zich afbijten moesten indruk hebben gemaakt, want de SM Vooruit werd uiteindelijk door het PHVC vrijgepleit van de boete.[372] De socialisten haalden hun gram tegen de aanvallen uit (katholieke) hoek.

De Nieuwe Gazet van Gent was op 25 februari 1917 nog niet overtuigd van de onschuld van de SM Vooruit. Het stelde dat de beschuldigingen dan wel open waren voor interpretatie, maar dat dat daarom nog niet betekende dat de SM Vooruit “schuldloos” was.[373] Ook De Waarheid - vaste oppositiekrant tegenover de Gentse socialisten - bond niet in en zette de stemmingmakerij voort, ondanks de scherpe veroordelingen van Vooruit die de hele campagne naar gewoonte afdeed als “laster”.[374] De Waarheid hield vol dat SM Vooruit niet was vrijgepleit van alle schuld, maar gewoon genade werd verleend: “Maar of het Voedingskomiteit den duim zou gelegd hebben als Vooruit niet gedreigd had zijne werkzaamheden te staken - dus de menschen zonder brood te zetten - zal door het publiek wel betwijfeld worden. Ook heeft het Voedingskomiteit wel genade verleent (sic), maar niet toegegeven dat zijn vonnis niet op goede gronden berustte.”[375] In een artikelenreeks ontleedde het weekblad de begroting van de SM Vooruit, en stelde op 3 verschillende wijzen vast dat de winsten van Vooruit officieel lager waren dan ze in principe moesten zijn. Er werd dus, zoals in de broodkwestie, gefraudeerd.[376] Voor Vooruit was de maat vol: het sleepte De Waarheid voor de rechter wegens herhaaldelijke lasteringen, en eiste maar liefst 10.000 fr. schadeloosstelling.[377] De actie miste ondanks het getier van De Waarheid haar effect niet. Over de veroordeling van de SM Vooruit verschenen er geen artikels meer in het weekblad. De Nieuwe Gazet van Gent had al een tijdje een meer genuanceerde houding aangenomen, en zou SM Vooruit op 30 maart van alle schuld vrijpleiten.[378]

 

Ondanks alle problemen vice versa zouden de socialisten in het NHVC zelf volgens Claeys-Van Haegendoren wel een loyale houding aannemen en een grote activiteit aan de dag leggen.[379]

 

3.2.4. Werklozenfonds en onderstandsbarema

 

De hulpinitiatieven schoten in het eerste oorlogsjaar als paddestoelen uit de grond, maar het probleem daarmee was dat ze niet afdoende op elkaar waren afgestemd, de echte noden niet waren berekend en dat de criteria voor de rechthebbenden niet eenduidig waren. Het inzicht dat daarin verandering moest komen, zien we het eerst bij de Gentse socialisten. In de zomer van 1915 stelden Verschraegen, Lefevre en Pankock in het middencomiteit een eenduidig en eenvoudig ontwerp van barema voor, dat ze wilden opdringen aan het NHVC. Meteen zien we het politieke belang van de discussies over de ondersteuning, wanneer we Lefevre de wens zien uitdrukken dat men aan de hand van dit heldere voorstel op een betere vertegenwoordiging in het NHVC zou kunnen rekenen. Verschraegen drukte bovendien iedereen op het hart voorzichtig te zijn in het belang van de federatie: een hogere uitkering kon men niet eisen omdat de kans op afwijzing dan reëel zou zijn, terwijl men bij een lagere uitkering het risico liep onder de bevolking als schuldigen gezien te worden.[380] De discussies over barema’s zouden gedurende de oorlog een aantal maal terugkeren, en omdat Anseele er nauw bij betrokken was, besteden we er hier voldoende aandacht aan.

 

Zo werd begin 1916 het Stedelijk Werklozenfonds hervormd, omdat de stad de zware last niet langer kon dragen. Anseele zag zich genoodzaakt in het middencomiteit te melden dat een hervorming onvermijdelijk was, en dat die niet ten goede zou komen van de werklozen.[381] Het principe was dat de syndicaten ook hun steentje moesten bijdragen, wat Anseele niet betwistte.[382] Er waren drie voorstellen. Een eerste kwam van Lefevre (socialist), die voorstelde dat de syndicaten wekelijks de helft van het lidgeld (dat 20 cent bedroeg) zouden doorstorten naar het fonds. Het voorstel van de anti-socialistische syndicaten behelsde dat de “zuivere” inkomsten van de syndicaten zouden worden afgestaan. En ten derde was er het voorstel van Varlez, katholiek en voorzitter van het werklozenfonds, waarin werd gepleit voor een tussenkomst ten bedrage van 10 % door de syndicaten (wat op 30 cent per week neerkwam[383]), terwijl de geldelijke hulp van de stad van 6 fr. per week zou worden teruggebracht naar 2,7 fr.[384]

Met het tweede voorstel werd sowieso niet echt rekening gehouden (ze hadden “een voorstel ingediend, die hierop neerkwam, dat ze met de linkerhand terugnamen, wat ze met de rechterhand wilden geven”, lezen we in het verslag van het middencomité), maar voor de rest was men er in de socialistische kringen niet echt gerust op dat het eigen voorstel (dat van Lefevre) het zou halen. Voor Anseele was dit nochtans een kwestie van uitzonderlijk politiek belang, omdat het voortbestaan van de syndicaten werd bedreigd. Zij konden onmogelijk 30 cent per week en per lid afdragen, terwijl ze slechts 20 cent binnenkregen. In het middencomiteit benadrukte hij het belang van de zaak: “Voor mij is het niet, de redding der financien van de stad, die men beoogt, want het verschil tussen de cijfers van Lefevre en Varlez [die in het voordeel van Varlez waren] beloopen hoogstens 120.000 fr. per jaar. Gezien de kolosale (sic) uitgaven welke de stad zich moet getroosten om het hoofd te bieden aan de vereischten die den oorlog meebrengt, en die millioenen beloopen, is zulke besparing het spreken niet waard. Voor mij zit de zaak dieper. De Burgerij kan niet lijden dat onze instellingen te midden van den oorlog groeien en bloeien, daarom wil zij het bestaan der syndikaten onmogelijk maken. Zij willen deze zoodanig treffen, dat zij na den oorlog in de onmogelijkheid zijn het hoofd te bieden aan de geschillen welke onvermijdelijk zullen ontstaan.” En wegens het belang van de zaak: “niettegenstaande de kans van lukken klein is, alles moet ingespannen worden om onze syndikaten te redden.” Op voorstel van Anseele werd er in Vooruit een campagne begonnen, en ondanks het papiertekort zou men de week erop vijf maal op vier bladzijden verschijnen, i.p.v. op twee.[385]

In de zitting van de gemeenteraad nam Lefevre de verdediging op van zijn voorstel, door te stellen dat de stad dan wel ontlast moest worden, maar dat dat niet ten koste van de syndicaten mocht gebeuren. Carpentier beargumenteerde voor de katholieken dat het voorstel van Lefevre sommige syndicaten bevoordeelde, en dat het voorstel Varlez goedkoper was. Ook Anseele wierp zijn gewicht in de schaal: hij benadrukte dat alle syndicaten, buiten dat van de bedienden, het voorstel Lefevre hadden aangenomen, hij voegde er aan toe “dat dit voorstel der Syndicaten om aan de Stad de helft van hunne ontvangsten af te staan, zeer schoon is,” en betwistte de berekeningen van Carpentier. Om de kans te krijgen alles beter te becijferen, werd besloten de beslissing te verdagen tot na het overleg met de syndicaten, die volgens Casier het voorstel van Varlez niet goed hadden begrepen.[386]

Op dat overleg tussen de syndicaten en de stedelijke vertegenwoordigers van het stedelijk werklozenfonds werd besloten het voorstel van Lefevre en dat van Varlez te “splitsen” en deze beslissing in de gemeenteraad te verdedigen. De syndicaten zouden nu 12,50 centiemen i.p.v. 10 of 30 centiemen per lid betalen.[387] Indien de syndicaten niet langer zouden kunnen betalen, zou de stad haar de nodige fondsen lenen.[388]

Anseele aanzag het hernieuwde voorstel als een overwinning: “Verleden week, meenen wij, en terecht dat de Syndikaten tot den ondergang veroordeeld waren, en nu zien wij, dat de zaak eene wending neemt die de syndikaten in de moeilijke omstandigheden waarin zij zich bevinden, komen redden.”[389] Op de gemeenteraadszitting werd het hernieuwde voorstel dan ook met eenparigheid van stemmen goedgekeurd. Lefevre drukte zijn tevredenheid uit dat de stad haar uitgaven verminderd zag, terwijl het voortbestaan van de syndicaten niet in gevaar werd gebracht.[390]

Voor de Gentse socialisten in het algemeen was het een overwinning. In Vooruit werd dan ook in een artikelenreeks de lof van het besluit gezongen. Niet alleen bleken de syndicaten gered van de “ruïne” en kregen de verenigden een aanzienlijk voordeel op de onverenigden, de onderstand was ook nog eens verhoogd tot 1 fr. per dag i.p.v. 3 fr. per week. Het was “eene aanzienlijke verbetering en eene veel bredere en rechtvaardiger opvatting van den staat van behoeftigheid van een gezin,” aldus Vooruit.[391] De socialisten zagen er ook de erkenning in van de vakbonden, “en die erkenning der syndikaten heeft ook geleerd dat de werklieden practisch en gematigd kunnen zijn als er daardoor iets te bekomen en te verbeteren is.” Als het ware het overlegmodel avant la lettre. Immers, “als de arbeidersorganisatie in zulken pijnlijken omstandigheden kalmte, verstand en goedheid toont, waarom zou ze dit niet doen in fabrieksraden, in verzoeningsraden, en zelfs in arbeidstribunalen?” Voor hoofdredacteur Hardyns toonde de hele kwestie ook aan dat de toekenning van het AES niet het einde van de normale politiek hoefde te betekenen, een argument van de tegenstanders van het AES. Onverenigden werden erop gewezen dat er voor hen niets te winnen viel om zich niet aan te sluiten bij de syndicaten. Voor hen was er minder steun, en “een ezel stoot zich” immers “geen twee keer aan dezelfde steen.” Kortom, men was “tevreden” in de afloop van deze kwestie van hoog politiek belang.[392]

 

In het najaar van 1916 werden de werken aan de darsen stilgelegd, iets wat opnieuw aanleiding zou geven tot politieke discussies. In juli had Anseele in het socialistische middenbestuur al gemeld dat het onvermijdelijk was dat een nieuw barema voor de Stedelijke Voeding werd voorbereid. Hij had zich “op het standpunt gesteld dat de stad, door het stilleggen der darsen hoegenaamd niets minder mag uitgeven.” Hij vond dat de stad borg moest staan voor de betaling van het barema, en niet zoals tot dan het geval was het “armbureel”. Anseele: “Wij moeten de menschen den weg naar de arme kamer niet leeren.” Pankock en Verschraegen gaven meteen aan intensief op het debat te willen wegen. Pankock deelde ook mee dat het comité der Stedelijke Voeding akkoord was met een verandering van het barema in die zin dat voor kleine huisgezinnen de onderstand gelijk moest blijven, maar voor de grotere moest stijgen. Pankock sloot zich daarbij aan.[393]

Op 4 augustus besloot het schepencollege op haar beurt de kwestie onder handen te nemen. Het moest de bedoeling zijn absolute uniformiteit te bereiken in de praktijk van de verschillende onderstandactiviteiten.[394] Een maand later kregen de leden van het college drie documenten met de resultaten van het onderzoek, respectievelijk de algemene uitgaven per huishouden en per week, de persoonlijke uitgaven per week en het barema van de noden per week. Ze beslisten tot enkele modificaties, en stelden een beperkt comité aan van zes gemeenteraadsleden dat overleg moest plegen met het college.[395] Op 18 oktober werd de kwestie voorgelegd aan de gemeenteraad. De vergadering begon met drie “vaststellingen”. Ten eerste was het noodzakelijk om door het stilvallen van de werken aan de darsen de daar tewerkgestelde arbeiders hulp toe te kennen. Ten tweede mocht het noodbarema dat was voorgesteld door het Comiteit der Stedelijke Voeding “in grondbeginsel” aangenomen worden. Ten derde kon de meerderheid van het beperkt comité zich niet vinden in het voorstel van het Comiteit der Stedelijke Voeding over het soort uitkering en het middel van uitbetaling. Schepen Heynderickx en het Comiteit der Stedelijke Voeding, dat onder zijn beheer stond, vonden dat de hulp in natura (voeding) moest worden uitgekeerd. Ook het NHVC had zich op dat standpunt gesteld. Het Stedelijk Werk der Voeding kon de last van het nieuwe barema dragen volgens deze groep, “gezien dat het de oudste is, en de nodige expertise heeft.” Het beperkt comité zag echter liever de hulp in de vorm van gelduitdelingen uitgekeerd, en zag bovenal het liefst van al het NHVC tussenkomen in de uitdelingen. Heynderickx bleef “van gedacht dat het ontwerp der Stedelijke Voeding beter is dan dit der Commissie” en dat “geene economische noch politieke redenen” bestonden om aan dit laatste voorkeur te geven. De reden daarvoor was simpel volgens Anseele, die zich met de andere socialisten en progressisten aansloot bij Heynderickx: “onze groep is het om zoo te zeggen eens om zich aan te sluiten bij het voorstel dat de minste opofferingen vanwege de stad vergt: de twee andere groepen van den Raad denken dat de Stad zich eene meerdere uitgave van 33.000 frank per week mag getroosten.” Bij de uiteindelijke stemming waarin het voorstel van het beperkt comité het haalde, stemden de socialisten en progressisten dan ook tegen, met enkel een onthouding van Lefevre.[396] Het principe van het barema was als volgt: verdiende een gezin minder dan het cijfer waar men volgens het noodbarema recht op had, kregen zij soep-, brood- of geldbons, tot wanneer zij de som bereikt hadden die in het noodbarema was voorzien.[397]

De socialisten claimden de overwinning, en trachtten zich de verwezenlijking van het noodbarema toe te eigenen. Vooruit titelde: “Hoezee! Hoezee! Het noodbarema voor Gent is gestemd” en besloot: “wij mogen van heden af zeggen dat wij tevreden zijn, omdat wij gerust mogen beweren dat dit barema ons werk is, het werk der socialisten en van niemand anders.”[398] Het klopte natuurlijk wel dat de socialisten voor het aangepaste barema hadden geijverd, maar in de gemeenteraad hadden zij een nederlaag geleden. Opvallend was de tegenspraak: naar buiten toe namen ze de stelling aan dat ze er alles voor gedaan hadden om de bevolking zo veel mogelijk te kunnen uitkeren, terwijl ze binnenskamers hadden gepleit voor een beperking van de kosten, in het voordeel van de stad. De voorstelling die ze maakten, klopte dan ook niet volledig. Zeker niet toen ze beweerden dat ze door hun inspanningen de bourgeoisie en de katholieken de loef hadden afgestoken: “het barema is een socialistische, mooie verwezenlijking.” Eerst zouden de bourgeoisie en de katholieken er niet van willen weten hebben, maar later zouden ook zij het voorstel hebben gesteund, volgens Vooruit. Immers, “midderwijl vielen er in Gent gebeurtenissen voor [de deportaties van arbeiders], waar wij niet moeten op aandringen omdat iedereen ze kent. De behoudende bourgeoisie werd al in eens met schrik bevangen. En dat verwerkte in eens een mirakel.”[399] In de notulen van de gemeenteraad[400] vonden we nochtans geen sporen terug van een afwijzende houding van de bourgeoisie of katholieken, terwijl de katholieken op de zitting van 21 augustus nog de wens hadden uitgedrukt om de arbeiders aan de darsen op te vangen, en bijgevolg hun goedkeuring verleenden aan een aantal kleinere openbare werken.[401] Bovendien was het schepencollege, dat via de liberalen toch de bourgeoisie vertegenwoordigde, unaniem van mening dat er een onderzoek naar een nieuw barema moest gevoerd worden. De eerste maal dat de opeisingen van arbeiders ter sprake kwam in de gemeenteraad, was trouwens maar op 18 oktober. Twee dagen dus voor de goedkeuring van het barema, dat onmogelijk op twee dagen kon voorbereid zijn. In een periode van twee dagen zouden de katholieken ook nooit zo plots fundamenteel van mening kunnen veranderd zijn. Als we Vooruit dan ook nog eens kritiek zien leveren op het NHVC, dat via “neutrale lokalen” haar deel van de uitkeringen mocht uitbetalen[402], zijn we nog meer overtuigd dat Vooruit de waarheid verdraaide, en dat louter om politieke redenen. De socialisten zagen in de kritieken op hun standpunt een lastercampagne, en wensten tijdens de winter in de clublokalen hun versie van de feiten te geven, omdat de vrijheid daarvoor in Vooruit beperkt was.[403] Helaas konden we de type-voordracht die zou opgemaakt worden niet terugvinden.

De Waarheid zag in dat Vooruit de feiten vertekend had weergegeven, en haalde haar scherpe pen weer boven. “Het noodbarema zooals het thans gestemd is tegen den wil der roodhaantjes van Vooruit in, is het gevolg der samenwerking van de eerlijke lieden tegen de joden uit de Rooden tempel, van het eendrachtig optreden van allen aan wien het walgt langer onder het voogdijschap te staan van een politieke partij, wier macht in de handen zit van een kliekske, van een enkele familie! Hoezee! Dat mag De Waarheid roepen, omdat ze eindelijk de getuige is van de eerste gevoelige slag die toegebracht werd aan de aanstellerige onbekwamen die zich op ’t stadhuis hadden vastgenesteld,” schreef het weekblad.[404] Het beschuldigde de socialisten er tevens van “van de ellende van het volk een politieke wipplank te maken”, met hun kritiek op het NHVC.[405]

 

In januari 1917 dook de discussie over het barema weer op, en ditmaal zou het principe dat de socialisten en progressisten eind 1916 verdedigden er wel door komen. Het NHVC had de omdraaiing van het bestaande systeem gevraagd naar analogie van haar reglementen, en wou dus in de eerste plaats voedselhulp uitkeren, alvorens geldelijke onderstand werd uitgedeeld.[406] Na een samenkomst tussen Heynderickx en de vertegenwoordigers van het NHVC, bleek er eensgezindheid te bestaan over dat principe. De Stedelijke Voeding verzorgde twee maaltijden per dag, waar telkens een halve liter soep per persoon werd uitgedeeld. Het PHVC zou voor de ingrediënten van de soep zorgen, terwijl de stad voor de supplementaire groenten en het brood moest instaan. De maaltijden moesten volledig gratis zijn, naast het aanbod van maaltijden aan halve prijs. Geldelijke steun mocht niet meer zijn dan een supplement.[407]

Op 16 februari waren Mechelynck, Ligy en Feyerick, vertegenwoordigers van het PHVC, op de zitting van het schepencollege aanwezig. Zij verdedigden er de belangrijkere rol van de voedingssteun en vroegen om het lokale onderstandbarema af te stammen op het nationale principe. Ze pleitten er ook voor dat de stad verantwoordelijk zou zijn voor de verwarming van de lokalen waar de voeding werd uitgedeeld, de “infrastructuur”. Het NHVC wilde enkel nog bereide maaltijden verdeeld zien, zodat de levensmiddelen niet verder verkocht zouden kunnen worden op de zwarte markt. “Le collège déclare qu’il examinera avec le plus vif désir d’abortir à une solution qui réponde aux voeux du Comité, les propositions qui viennent d’être développées,” drukte het schepencollege haar bereidwillige medewerking uit.[408] Op 9 maart werd er meegedeeld dat er een akkoord was tussen het NHVC en het beperkt comité van de stad om het stedelijk barema in overeenstemming te brengen met het reglement van het NHVC. Het zou op de volgende zitting van de gemeenteraad ter stemming gelegd worden.[409]

Op die gemeenteraadszitting van 12 maart werd door Lefevre, die zich als socialist had onthouden bij de vorige stemming, en Carpentier een verdaging van de beslissing bekomen. De verandering van het systeem was te groot, en zou te weinig rekening houden met de lokale eigenheden, en dus kon men nog niet beslissen. Heynderickx, die had aangedrongen op een snelle beslissing, ging daarmee akkoord, maar gaf meteen ook aan dat er uiteindelijk niet veel te doen zou zijn aan de verandering.[410] Op 19 maart werd het gemodificeerde barema uiteindelijk goedgekeurd, nadat Carpentier een kleine verandering had aangevraagd en verkregen.[411]

Anseele zelf zien we niet aan het woord in deze discussie. Niettemin haalde hij de slag thuis die hij eind 1916 al beoogde. Opvallend was ook dat het NHVC ditmaal blijkbaar meer zeggenschap had, want nu werd er wel dieper ingegaan op hun vraag, ondanks het feit dat eind 1916 het NHVC al dezelfde mening was toegedaan als Heynderickx en de socialisten. De reden daarvoor was dat het principe ondertussen door het NHVC overal in het land werd toegepast en in het nationale reglement was ingeschreven, wat de eis meteen kracht bijzette. Gent moest zich aanpassen aan de nationale afspraken.

Het politieke belang lag er voor Anseele en de socialisten in dat het Werk der Gemeentelijke Soep werd behouden, en het NHVC niet met alle pluimen ging gaan lopen. In de notulen lezen we dan ook nadrukkelijk: “Overwegende dat het Provintiaal Comiteit verlangt het Werk der gemeentelijke soep in stand te houden, op voorwaarde dat dit laatste op zulke wijze worde uitgebreid en ingericht dat het aan de wenschen van het Nationaal Comiteit voldoet.”[412]

 

Uiteindelijk was de hervorming van het Werklozenfonds en de invoering en modificatie van het barema, dat in december 1917 nog eens werd verhoogd[413], een politiek compromis waar de socialisten, katholieken en liberalen zich qua verdiensten in evenwicht hielden.

 

3.2.5. Het voortbestaan van SM Vooruit

 

We zagen al dat Anseele onmiddellijk na het uitbreken van de oorlog bij minister Van de Vyvere ging pleiten voor maatregelen die het voortbestaan van de coöperaties tijdens de oorlog moesten garanderen. Ook na de bezetting van Gent zou hij zich daarvoor inzetten. Zo verkreeg hij dat de drie grote SM’en van de stad een lening toegekend kregen, met goedkeuring van de drie politieke partijen. Omdat de oorlog bleef duren, moest er in de gemeenteraad enkele keren gestemd worden voor de verlenging van het krediet. In 1916 zou dat een politieke discussie opleveren: Siffer (katholiek) wilde niet dat het krediet verlengd werd, voordat zou worden bewezen dat het zou aangewend worden voor een specifiek en nauw omschreven doel. Het voortzetten van de handelszaken viel daar volgens hem niet onder. Anseele verzette zich daar tegen, en pleitte ook tegen een verdaging, omdat dat de indruk zou wekken dat er iets niet klopte met de missie van de SM’en. Het krediet werd uiteindelijk verlengd, en enkel Siffer stemde tegen.[414]

 

De Waarheid zag er opnieuw een schijnheilig manoeuvre in van Anseele, met als doel de socialistische instellingen een duwtje in de rug te geven. In een scherp hoofdartikel werd er van de hele zaak een clownesk toneel gemaakt, waarin enkel Anseele een rol speelde. De personages waren wel telkens anders: de ene keer nam hij de gedaante aan van schepen, dan van de beheerder van de SM Vooruit, dan weer van volksvertegenwoordiger, vervolgens van beheerder van de socialistische coöperatieve industrieën (waarvan de aandelen borg stonden voor de lening), en tenslotte van administrateur van de Bank van de Arbeid. Op die manier probeerde het blad het twijfelachtige van de toekenningsprocedure aan te tonen, omdat Anseele op alle niveaus medezeggenschap had.[415]

Anseele zelf was zich bewust van zijn “ietwat kiesche” positie. Toch vond hij niet dat hij om die reden de zaak niet mocht bepleiten: “Dit moet mij nochtans niet beletten de zaak, in algemeene termen, te bespreken.”[416] Waarschijnlijk speelde voor hem inderdaad ook meer mee dan het zuivere voortbestaan van de SM Vooruit. Hoe meer handelszaken bleven bestaan, hoe groter de garantie op een goede verdeling van levensmiddelen was. Zo speelde de markt op de prijzen en op die manier was er ook een groter bereik bij de bevolking. Een gelijkaardig pleidooi zagen we immers al bij de kwestie van de boterprijs. Bovendien nam hij het ook uitdrukkelijk op voor de SM Het Volk en de SM Vrijheidsliefde, twee katholieke concurrenten. Ondanks het nuttige van het voorstel, toont het toch opnieuw aan dat de hele hulpkwestie (in brede zin) voorwerp was van politiek gekrakeel. Vooruit zou zich er overigens over verheugen dat Siffer, de “mossel noch vis,” bakzeil moest halen.[417]

 

3.2.6. Besluit

 

Zonder volledig te willen zijn, zien we dat er veelvuldige conflicten bestaan tussen katholieken en socialisten over de hulpinitiatieven en dat ook Anseele daarin een rol speelde. De katholieken leverden kritiek op de stad als hulpverlenende en bevoorradende instantie, en van socialistische kant was het NHVC vaak het mikpunt (binnen het PHVC zelf stelde Anseele zich wel constructief op). Over een aantal gewichtige kwesties, zoals bijvoorbeeld de leningen voor de SM’en en ook en vooral de barema’s en het werklozenfonds, zou er hard gestreden en gepolemiseerd worden. Het was overduidelijk niet zonder belang om op te eisen dat men het meeste bijdroeg aan de hulp van de bevolking, en om dat doel te bereiken kon het geen kwaad de waarheid af en toe vertekend weer te geven. De strijd om de toe-eigening van de verschillende hulpinitiatieven woedde in volle hevigheid, in alle richtingen.

De verdere uitbouw van de socialistische beweging moest echter vooral op het terrein gerealiseerd worden (cfr. supra). Daarom is het niet zonder belang om te kijken hoe er binnen de socialistische federatie voor werd geijverd om de politieke strijd verder te zetten. We beperken ons tot de zaken waar Anseele bij betrokken was. Een vollediger overzicht van de activiteiten van de Gentse socialisten is te vinden in de licentiaatsverhandeling van Michiels[418].

 

 

 3.3. Binnen de socialistische federatie

 

 3.3.1. Propaganda en propagandistische activiteiten

 

Het dagblad Vooruit

 

Het dagblad Vooruit was vanzelfsprekend het voornaamste kanaal waarlangs de socialisten hun propaganda voerden. Kritiek op de “papen” (Le Bien Public) en de andere “katholieke confraters” (De Gentenaar, Het Volk) kreeg er haar plaats, en er werd vaak met hen polemiek gevoerd. Dat ging soms over heel concrete zaken i.v.m. de Gentse hulpinitiatieven, maar er werd ook vaak gepolemiseerd over de visie op de oorlogsschuld, de Belgische staat na de oorlog en socialistische of katholieke principes. Vaak werd ook de lof gezongen van het gemeentebestuur, in die zin dat De Waarheid zou stellen dat Vooruit de “moniteur” van de stad was geworden.[419]

 

De socialisten waren zich bewust van de propagandistische waarde van hun blad, en dat was dan ook de voornaamste reden waarom men zich liever onderwierp aan de censuur dan de druk volledig te moeten staken. In het eerste gecensureerde dagblad van 28 oktober stelde men het wegens de Godsvrede nog niet zo expliciet[420], maar later klonk het: “Niet één ogenblik zullen we trachten de Godsvrede te storen, maar ook niet één aanval of onrecht tegenover onze organisaties of tegenover de algemeene belangen der werkers en kleine burgers zullen we onverdedigd laten.”[421] De belangen van de socialistische federatie moesten duidelijk verdedigd worden. Dat Anseele voor het herverschijnen had geijverd of er toch tenminste zijn goedkeuring aan had gegeven, konden we niet staven omdat de verslagen van het middencomiteit voor die periode ontbreken. Maar we kunnen ons niet voorstellen dat dat niet zo was. Anseele was immers niet alleen de grote man van de Gentse federatie, maar ook nog eens de stichter van het dagblad, en had nog geen enkele kans onbenut gelaten om de socialistische federatie verder uit te bouwen.

Anseele zou omwille van de propagandistische waarde van het dagblad zich in het middencomiteit ook dikwijls moeien met de inhoud en praktische zaken. Vaak liet hij weten een “campagne” of propaganda in Vooruit te willen over een of ander politiek of socialistisch onderwerp (bv. Werklozenfonds (cfr. supra), vertegenwoordiging in het NHVC (cfr. supra), syndicaten[422], SM Vooruit[423]), maar hij had ook invloed op minder gewichtige zaken. Zo stelde hij nieuwe feuilletons voor, liet Hardyns weten dat hij zijn toon moest milderen[424] of dat een bepaalde lezersbrief wegens de scherpe toon niet mocht gepubliceerd worden[425], kwam de herlancering van het zondagse literaire bijblad van Vooruit er op zijn voorspraak[426], wilde hij de verdere verspreiding van het blad over het platteland[427], pleitte hij ervoor om de lezingen in de wijklokalen integraal in Vooruit te publiceren[428], stelde hij wegens de papierschaarste een prijsverhoging voor[429], enz. Via het middencomité werd de hele federatie daarnaast op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen i.v.m. het dagblad, en kon er een gecoördineerde actie begonnen worden. Dat Anseele wel degelijk veel belang hechtte aan de propagandawaarde van het blad, zien we bijvoorbeeld ook toen hij zich erg tevreden toonde met het nieuwe getal lezers dat men had verworven.[430]

Het inzicht dat aan dit alles ten grondslag lag, zien we naar voren komen in zijn pleidooi voor propaganda voor de SM Vooruit: “na den oorlog zal de strijd nog heviger zijn dan heden. Wij moeten trachten, bij middel van schriftjes, brochuurtjes, over de werking der SM Vooruit, haar ontstaan, enz. het volk in te lichten, en trachten hen als lid te winnen.”[431] Of, anders gezegd, de socialistische beweging moest aan de basis uitgebouwd worden opdat men na de oorlog sterker op de politiek zou kunnen wegen. Om die reden pleitte Anseele er ook voor om - ondanks het papiertekort - de almanak van Vooruit wel degelijk te doen verschijnen: “Wij moeten zien dat niet een schakel, uit de ketting onzer inrichtingen gedurende den oorlog genomen word (sic).”[432] Kort samengevat, en verwoord door hemzelf, kwam de tactiek van Anseele op het volgende neer: “Men moet zich niet alleen verdedigen, maar ook aanvallen.”[433]

 

Propagandaclubs en Feestcomité

 

In de zomer van 1915 drukte Anseele de wens uit om een propagandaclub op te richten, met als doel een kern te vormen die zich zou moeten bezighouden met het verwerven van nieuwe leden voor de organisaties en van nieuwe lezers voor Vooruit.[434] Dezelfde redenering die Anseele maakte bij het dagblad Vooruit lag ook hier aan de grondslag. Hij voorspelde dat de strijd na de oorlog nog heviger zou zijn, en dat de duizenden werklozen het moeilijk zouden hebben om zich opnieuw aan te passen aan de “tucht” van de nijverheidsondernemingen. Zelf wou hij daarom na de oorlog een beweging zien voor de vermindering van de werkuren, en de propagandaclub moest het pad effenen door extra steun onder de arbeiders te verwerven. “Bijgevolg zit het gedacht er reeds in. Wij moeten vooral het socialistische bewustzijn van het proletariaat opwekken.” De propagandaclub kreeg de naam van “Vrijzinnige Werkmansbibliotheek” mee[435], maar werd uiteindelijk ondanks de goede voornemens dood geboren. Anseele had al snel besloten de zittingen niet meer bij te wonen, “gezien de opzettelijke moeilijkheden die eenige jongeren in den weg legden.”[436] Het zou niet de eerste keer zijn dat de Socialistische Jonge Wachten voor problemen zouden zorgen (cfr. infra)

 

Later werd er op vraag van Anseele nog een propagandaclub opgericht met als doel de SM Vooruit te promoten. Die club moest voor de verspreiding zorgen van “kleine brochuurtjes”.[437]

 

Naar aanleiding van een discussie over een opgevoerd toneelstuk, dat volgens Anseele “bij ons” niet thuis zou horen, werd er ook besloten om een Feestcommissie op te richten, “die zich niet alleen zou gelasten met de datums te fixeeren, waarop de opvoeringen zullen plaats grijpen, maar ook met den inhoud der op te voeren stukken na te gaan.” De keuze van de stukken zou voorheen te veel overgelaten zijn aan “enkele personen”, en dat was volgens het middencomiteit de reden dat er soms klachten waren.[438] Anseele hield zich bezig met het inrichten van de commissie, en zou er zelf als vertegenwoordiger van SM Vooruit in zetelen.[439] Ondanks dat lidmaatschap was hij duidelijk niet erg actief in de commissie: op de zitting van het middencomiteit van 9 februari 1916 zou hij zich er samen met Verschraegen over verwonderen dat de commissie, waar hij dus zelf in zetelde, het initiatief had genomen voor het inrichten van de concerten voor 1 mei, terwijl dat vroeger altijd gedaan werd door het middencomiteit.[440] Over 1 mei zou er zich vervolgens een conflict aftekenen over de betaling van de artiesten, dat uiteindelijk door bemiddeling van Anseele werd opgelost.[441]

 

Verwarming van de wijklokalen

 

Dat de ellende onder de bevolking groot was en dat er een tekort was aan kolen, hoeft geen betoog meer. Ook de Gentse socialisten hadden dat snel door, en zagen meteen in welke politieke opportuniteit zich aandiende. Indien men de leden op dit vlak goed ondersteunde, zou dat de Gentse socialisten veel sympathie opleveren. Zo werd er op voorstel van Anseele al in 1915 besloten om de lokalen van de wijkclubs kosteloos ter beschikking te stellen aan de leden om zich te verwarmen en licht uit te sparen.[442] In de zomer van 1915 werd al aan de volgende winter gedacht, want men wilde het initiatief verderzetten. De subsidies zouden moeten komen van de propagandaclub, de coöperatieven (waaronder SM Het Licht, uitgever van Vooruit, dat besloot 1 fr. te betalen voor iedere nieuwe lezer) en van sommige syndicaten. Ook deze keer was Anseele de drijvende kracht achter het initiatief, en hij stelde ook voor om “het schoone van dit soort steun” verder te benadrukken door het organiseren van lezingen in de lokalen, “voor een groot publiek”.[443] De lokalen waren geopend van 5 november[444] t.e.m. 18 maart[445], en het initiatief was met het dagelijks bijeenkomen van ruim 1500 partijgenoten een groot succes.[446] Het belang daarvan mag niet onderschat worden. Het contact tussen de socialistische leden onderling was op die manieren heel innig, en de Gentse socialisten waren heel aanwezig voor hun leden, wat nog altijd een heel belangrijke troef was. Om daar nog een schepje bovenop te doen, werd er op voorstel van Verschraegen een groot feest ingericht op 18 maart, de dag dat de lokalen werden gesloten.[447] Ook in de winter van 1916-1917 werden de lokalen verwarmd[448], en we hebben geen redenen om aan te nemen dat dat in de laatste oorlogswinter niet meer het geval was.

 

Hulp aan krijgsgevangenen

 

Anseele toonde zich ook bekommerd om het lot van de Gentse krijgsgevangen. Hij stelde vast dat “iedereen” ondersteuning genoot, en opperde of dat ook voor hen niet moest gelden. Hij had graag gehad dat de Gentse socialisten hen pakketten zouden toesturen.[449] De syndicaten en de SM Vooruit beloofden daarop hun medewerking. Anseele zelf werd geen lid van het comité dat opgericht werd.[450]

 

Vakuiteenzettingen en de oprichting van de Hogeschool van den Arbeid

 

In de zomer van 1915 lanceerde het NHVC het idee om aan gesyndiceerde werklozen cursussen aan te bieden in ruil voor de gegeven ondersteuning, en sprak daar de Gentse socialisten over aan. Lefevre en Verschraegen mochten het ontwerp opmaken, en overhandigen aan het NHVC. In het middencomiteit werd het idee besproken, en Anseele vond “het gedacht” meteen uitstekend vanwege de politieke kansen die het bood. De syndicaten zouden meewerken, en moesten spreken over “bepaalde onderwerpen betreffende de werkersbeweging”. Ze moesten m.a.w. de gelegenheid ten bate nemen om nieuwe leden te verwerven, en proberen de toehoorders te winnen voor het socialistische gedachtegoed.[451] Meteen werd er actie ondernomen, en op de volgende zitting van het middencomiteit kon men al concrete plannen voorleggen. Er zouden leergangen ingericht worden in nijverheidsscholen, beroepsscholen en avondscholen, men zou voordrachten en cursussen organiseren, en “leerzame cinema” projecteren. Ook de onderwerpen werden besproken, en die gingen van sociale wetten, over voordrachten over techniek, reizen, geschiedenis, wetenschap, tot geneeskundige onderwerpen. De ondersteunde werklozen van minder dan 18 jaar zouden 6 uur les per week ontvangen, en alle werkloze mannen en vrouwen zouden twee voordrachten of cinemavoorstellingen per week bijwonen. De verenigden die naar de voordrachten gingen, zouden worden ontlast van het dagelijkse aftekenen bij hun syndicaat.[452]

Anseele woonde zelf een nieuwe zitting met het NHVC bij. De bedoeling was dat er zo snel mogelijk werd begonnen met de voordrachten. Over een mogelijke verplichting was er wel nog geen eensgezindheid. De socialisten waren, in tegenstelling tot de katholieken, alvast voor. Anseele gaf ook aan waarom: ze moesten vermijden dat de katholieken zich zouden kunnen opdringen.[453] Ook hier speelden immers duidelijk politieke belangen mee: de cursussen verzorgd door de syndicaten waren een fantastische hefboom voor de socialisten, en dat de katholieken een eventuele verplichting niet zagen zitten, was dan ook niet onlogisch.

Op een volgende zitting waren alle socialistische verenigingen aanwezig, en was het Anseele die hen van het interessante van de opportuniteit overtuigde. Hij verlangde dat een 50 à 60 “bekwame werklieden” zouden worden aangeduid door de syndicaten om de lezingen te verzorgen.[454] Ook van de vrouwen vroeg hij medewerking. Belangrijk was dat de lessen zo aantrekkelijk mogelijk zouden worden, en in die zin verklaarde hij zich akkoord met de aangehaalde onderwerpen. Het belang van de kwestie onderstreepte hij door te zeggen: “dit zal onvermijdelijk in Gent een prachtigen indruk maken.”[455]

De voorbereidingen bleven lopen, en eind oktober kon Verschraegen melden (op een zitting waar Anseele niet aanwezig was) dat in het NHVC “het werk ten einde” was, wat zoveel betekende dat de voorstellen enkel nog moesten bekrachtigd worden. Toch was er nog geen zekerheid dat de voorgestelde vaklessen door het NHVC zouden worden aangenomen. De socialisten hoopten uitdrukkelijk van wel en probeerden wat druk te zetten: “Wij moet (sic) het Comiteit voor zijn, met onze werklessen, om op uitslagen te kunnen wijzen, en deze te doen aanvaarden. Wij zouden bv. kunnen beginnen den 3e week van November.”[456] Op 24 november bleek dat de Kleermakers reeds begonnen waren, en werd er overlopen wanneer de andere verenigingen zouden beginnen. Anseele zag “met voldoening” dat er zoveel kameraden waren die zich hadden aangeboden om de lessen te geven en dat ze zo talrijk op de zitting van het middencomiteit aanwezig waren. Zijn enthousiasme bleek opnieuw toen we hem ervoor zien pleiten om de vakuiteenzettingen volledig in het dagblad Vooruit te doen opnemen. Aan het Comiteit van Werkloozensteun had hij een subsidie gevraagd, en er waren goede vooruitzichten dat die zou worden toegekend.[457]

We konden niet achterhalen of de lessen door de werklozen uiteindelijk verplicht moesten worden bijgewoond, maar zeker was dat de socialistische plannen werden goedgekeurd, de subsidie werd toegekend en dat de vakuiteenzettingen werden begonnen. In april kwam een eventuele verlenging van de subsidie ter sprake, en er moest worden betreurd dat net op dat moment twee vakverenigingen hun lessen hadden gestaakt.[458] Het middencomiteit drukte dan ook de wens uit dat de “vakuitleggingen” zouden worden voorgezet of hervat. De subsidie zou immers meer dan waarschijnlijk toegekend worden.[459]

 

Het voorbeeld van de vakuiteenzettingen, die bijdroegen tot de geestelijke ontwikkeling van de arbeiders, werkte inspirerend. In de zomer van 1916 zou men dan ook de wens uitdrukken dat er van de socialistische tentoonstelling van Nijverheid en Kunst “iets blijvends moest overschieten” en werd besloten om “vakscholen” op te richten. Dit initiatief stond los van de vakuiteenzettingen die door het NHVC waren opgedragen, maar lag natuurlijk in dezelfde lijn van de arbeidersopvoeding, waar Anseele een groot voorstander van was.[460] Diezelfde vakuiteenzettingen voor de werklozen zouden er wél in opgenomen worden, zodat er geen twee parallelle ondernemingen zouden gaan bestaan.[461] Voor Anseele moest het grootse project opgevat worden in de vorm van een coöperatie, die de nodige fondsen moest bijeenkrijgen, waarna een beperkte groep de verantwoordelijkheid zou gaan dragen om de inrichting verder uit de grond stampen.[462] De voorbereidingen mondden in oktober 1916 uit in de oprichting van de Hoogeschool van den Arbeid. Oorspronkelijk werd het klein opgevat, maar men hoopte via de bijdragen van de arbeiders en zelfs van de burgerij, “die het met het onderwijs goed meent,” de coöperatie snel te kunnen uitbreiden. In Vooruit werd het “stoute plan” als volgt uitgelegd: “Aan de werklieden hunne eigene onderwijsgestichten te bezorgen en eene aanvulling en vollediging der officieele beroeps- en ambachtsscholen daar te stellen.” Men meende ook een argument uit de handen “onzer vijanden” te hebben geslagen, en onderstreepte daarmee de politieke bedoeling achter het project: “inderdaad, hoe dikwijls werd ons niet verweten dat wij geene scholen stichtten en anders niet deden dan winstgevende zaken aanpakken, dat wij niet anders deden dan onze leden en klanten gedurig doen betalen en nooit iets stichtten dat geld kostte?”[463]

Anseele werd als voorzitter-beheerder aangesteld en ook “den stouten geestdriftigen stichter” ervan genoemd.[464] Hijzelf deelde in een rede ter ere van de Hoogeschool zijn visie op het project mee. Volgens hem verenigde de school twee reuzenkrachten van de mensheid, die al eeuwen van elkaar waren verwijderd, namelijk de wetenschap en de arbeid, en hij noemde beide respectievelijk “een groot gedacht en eene groote kracht.” De school stelde meteen ook een einde aan het oude onderwijssysteem, waarin de werklieden volgens hem juist voldoende werden opgeleid om de onderdanige taken die de burgerij hen oplegde uit te voeren. Nu zou de Arbeid er uit oprijzen, en zou het laatste bolwerk dat nog van de kapitalisten was, namelijk het hoger onderwijs, afbrokkelen. Via de Hoogeschool zou de Wereld van het Werk aan de mensheid meer vrijheid, meer welstand en een hogere beschaving kunnen schenken, iets wat het oude onderwijssysteem niet kon bieden. Immers, de werklieden zouden niet alleen meer kennis opdoen, maar ook de productie- en natuurkrachten beter kunnen aanwenden, en voor een rechtvaardiger verdeling van de opbrengsten en voor “hoogere politieke en sociale regeeringsvormen” zorgen. Kortom, de school bevatte de “kiemen eener nieuwe wereld” en was op die manier politiek geïnspireerd.[465]

Opvallend was dan ook dat de socialisten de school zo open zouden stellen aan de kritieken, zodat het onderwerp zou worden van een politieke discussie. Het was De Waarheid die de kat de koebel aanbond. Nadat de werking van de school een tijdje had stilgelegen omdat de Duitsers de lokalen hadden opgeëist, en de lessen waren hervat op 3 april 1918[466], zou De Waarheid de Hoogeschool op 16 juni tot een nieuwe socialistische “melkkoe” bombarderen. De beschuldigingen waren niet min: “het doel dezer school is eene jacht naar subsidiën.” De krant gaf ook een voorbeeld. Er werd aan de boekerijen van de onderwijsstichtingen een subsidie beloofd. De Hoogeschool van den Arbeid zou daarop snel een kast hebben aangekocht voor enkele franken, “daarin eenige boeker geborgen en toelage aangevraagd” hebben, terwijl de (verouderde) boeken nooit zouden worden uitgeleend, noch aan leerlingen noch aan leraars. De leraren zouden daarnaast hun loon niet uitbetaald krijgen, bijna alle inrichtingskosten zouden uit de duim gezogen zijn, en de voordrachten zouden een lachertje zijn. De onderwijzers hadden vaak zelfs niet eens een diploma, en de beheerraad, die volgens het reglement maandelijks moest bijeenkomen, had dat al negen maanden nagelaten.[467]

Ook de Nieuwe Gentsche Courant, opvolger van de Nieuwe Gazet van Gent, sprong mee op de kar. Het was naar eigen zeggen op onderzoek uitgetrokken alvorens de aanklacht over te nemen, maar het had “vernomen dat die klachten eerder beneden dan boven de waarheid” waren. Het had ook gehoord dat “door het ministerie van onderwijs onverwijld een onderzoek [was] ingesteld” en dat de Hoogeschool bijgevolg “veel kans [liep] van de toelageziekte genezen te worden.”[468] In Vooruit trok Cnudde van leer tegen de beschuldigingen: hij zou niet minder dan zestien “onnauwkeurigheden” hebben vastgesteld, die dienden weerlegd te worden. De kritiek werd opnieuw afgedaan als eene “lasterlijken veldtocht”, maar men was vastbesloten niet van de ingeslagen weg af te wijken.[469] Op De Waarheid maakte het antwoord van Vooruit, “een misbaksel dat op een schaterlach is ontvangen”, niet veel indruk. Het hield haar beschuldigingen staande.[470] Ook de Nieuwe Gentsche Courant weigerde het recht van antwoord van Vooruit op te nemen, waarover Vooruit zich beklaagde.[471] Wat er ook van aan was, het project dat de “kiemen eener nieuwe wereld” bevatte, kon niet als dusdanig bestuurd zijn. Daarvoor waren de kritieken te hardnekkig. Het zou eerder verbazen dat die er zouden gekomen zijn, moest er op de uitvoering van het initiatief niets aan te merken zijn geweest. We moeten dan ook besluiten dat het project op een sisser was afgelopen. Na de oorlog zou de instelling alleszins geen lang leven meer beschoren zijn.

 

SM Vooruit

 

We willen hier ook heel kort nog de SM Vooruit, waarvan Anseele hoofdbeheerder was, tijdens de oorlogsperiode bespreken. We zijn daarvoor aangewezen op hetgeen in het dagblad Vooruit verscheen, aangezien de verslagen van de beheerraad en het bestuur zoals gezegd maar heel gedeeltelijk bewaard zijn gebleven. Het belang van de SM Vooruit was evident, en lag in dezelfde lijn als hetgeen we al schreven over het uitbouwen van de beweging aan de basis. We gaven ook al aan dat in het socialistisch middenbestuur de nodige aandacht werd besteed aan de propaganda voor de SM Vooruit.

 

Aan het begin van de oorlog trachtte Anseele de verzekering te verkrijgen dat het voortbestaan van de SM Vooruit niet in gevaar werd gebracht. Daarvoor maakte hij zoals gezegd afspraken met minister Van de Vyvere. Hij had ook geijverd voor de oprichting van een bevoorradingscommissie in samenwerking met de SM Vrijheidsliefde en de SM Het Volk. Van de stad verkreeg hij ook een lening.

Ironisch was echter dat de ellendige oorlogsomstandigheden voor de SM Vooruit een zegen waren. De coöperaties hadden te lijden onder de hogere prijzen voor de levensmiddelen en de moeilijke bevoorrading erin. Op sommige momenten waren de magazijnen volledig leeg.[472] Het zakencijfer daalde serieus.[473] Toch hadden de coöperaties, waaronder Vooruit, twee grote troeven: ze verkochten vaak aan prijzen die lager lagen dan in de private handel, en de winsten van de coöperaties werden om de drie maanden uitgedeeld aan de leden.[474]

In het boekjaar 1915 steeg het zakencijfer van SM Vooruit (dan nog) met meer dan 4 miljoen frank[475], en in 1916 werden er maar liefst 2621 nieuwe leden gewonnen, ofwel meer dan 7 nieuwe leden per dag.[476] Op de algemene vergadering in juni 1917 zou Anseele verklaren dat de SM Vooruit gezien de omstandigheden hoegenaamd niet te klagen had, “het tegendeel is eerder waar”. Het vertrouwen van de leden in de maatschappij bleek ook te groeien, maar het zakencijfer daalde nu wel conform de algemene trend. Daar was niets aan te doen, maar voor de rest verging het de SM Vooruit goed.[477] Het aantal leden bleef immers groeien, in 1917 kwamen er nog eens 1766 nieuwe bij.[478] Hen werd ongeveer 87.577,71 fr. winst uitgekeerd.[479] Het zakencijfer was in 1917 met iets meer dan 200.000 fr. gedaald, ten eerste omdat er steeds minder goederen te vinden waren, en ten tweede omdat de koopkracht van de leden tengevolge van de werkloosheid ook sterk was teruggevallen.[480]

Kortom, de oorlog was voor SM Vooruit zo slecht nog niet geweest, en na de oorlog zou men er zich eerder over verwonderd hebben dat men winst had gemaakt. Eén van de redenen daarvoor was dat de SM Vooruit, naast de voordeligere prijzen die een grote troef waren, profiteerde van het wegvallen van een groot deel van de kleinhandel en dus figureerde in een omgeving waarin de concurrentie sterk was teruggevallen. Na de oorlog zou de SM Vooruit het dan ook veel moeilijker krijgen.[481]

 

Ook tijdens de oorlog waren er echter een aantal moeilijkheden. Om de lening die de SM had gekregen af te betalen, gaf de SM Vooruit 5.000 obligaties uit, elk van 500 fr. nominale waarde. Zo hoopte men genoeg fondsen bijeen te krijgen onder het motto “wie zijne schulden betaalt, verrijkt zich!” In het partijblad werd het nieuws gekleurd weergegeven, en werd het verkocht als een stoutmoedig idee: “Dat te durven in dezen tijd, zonder complimenten of zonder welkdanige foorekramerij, dit toont zoveel zelfvertrouwen, zooveel geloof in eigen kracht voor het heden en de toekomst, dat men onwillekeurig in bewondering geraakt door deze prachtige werkersforteres.”[482]

 

Maar het grootste probleem voor SM Vooruit tijdens de oorlog stelde zich toen haar bakkers in 1918 het werk neerlegden n.a.v. een nieuw werkreglement dat op de Algemene Vergadering van de SM was goedgekeurd. Tussen Vooruit en de Nieuwe Gazet van Gent, dat zich aan de kant stelde van de bakkers, ontspon er zich een heftige polemiek. Zo werd Anseele ervan beschuldigd de aanwezigen op de Algemene Vergadering doelbewust misleid te hebben, om zo een hoger rendement te eisen, een lager loon in te voeren en te beknibbelen op de arbeidssituatie van de bakkers. Vooruit kwam met “bewijzen” om dat te weerleggen, en wees erop dat de syndicaten het nieuwe werkreglement mee hadden ontworpen[483]

Wie in de kwestie ook gelijk had (wij kunnen er niet over oordelen), op 21 mei hielden de bakkers en het beheer een samenkomst. Anseele vroeg er kordaat of men nu akkoord ging of niet met het nieuwe werkreglement, waarop een woordvoerder van de bakkers aangaf dat dat niet zo was. Anseele vroeg daarop aan de andere aanwezige bakkers of zij daar ook zo over dachten, waarop de meesten uitriepen van wel. Daarop hief Anseele de zitting op, omdat er onder die voorwaarden niet gediscussieerd kon worden. In de loop van de week zouden de stakende bakkers zich na een nieuwe algemene vergadering echter opnieuw komen aanbieden zijn, waarop een schikking werd getroffen. Van de 36 bakkers zouden er 23 terug aangenomen worden, zij het op voorlopige basis. De staking was daarmee beëindigd.[484]

De socialisten zaten met de hele kwestie erg verveeld, getuige daarvan de energieke verdediging dagen na elkaar in Vooruit. De socialisten, die ijverden voor betere werkomstandigheden en sociale wetten, werden er hier zélf van beschuldigd het niet al te nauw te nemen met de arbeidsethiek. Een ergere belediging en aanval kon men niet incasseren. Het mag dan ook niet verwonderen dat de concurrerende bladen zoals de Nieuwe Gentsche Courant, De Waarheid, maar zeker ook de katholieke “confraters” gretig op de zaak sprongen. Voor Vooruit was het conflict in zo’n mate een prestigezaak, dat het na het beëindigen van de staking een zesdelige artikelenreeks uitgaf met als titel “Kalme overwegingen! Nuttige lessen!”. Het was een lofzang op de socialistische leiders, en de ruimte voor overleg dat zij hadden gelaten. Men zag er daarnaast ook de bevestiging in van de juistheid van de eigen theorieën over de achturige werkdag en de arbeidsomstandigheden, en men kon niet anders dan verheugd vaststellen dat de leden van de SM Vooruit van haar “moeder” hielden.[485]

 

3.3.2. Discussies en ondernemingen met belangrijke propagandistische waarde

 

De socialistische federatie werd niet alleen opgebouwd van onderuit, maar die groei werd ook via enkele symbooldiscussies, waarin de socialisten van zich lieten horen, ondersteund. We bespreken hier de drie belangrijkste.

 

Ten eerste was er de opening van het socialistische feestpaleis in de St. Pietersnieuwsstraat. De plechtige opening was aangekondigd voor 15 augustus 1914[486], maar vanwege de Duitse inval werd besloten om die opening uit te stellen. Daar waren niet alleen praktische redenen voor: feesten in oorlogstijd zou immers niet door iedereen goed onthaald worden.

In de bestuurszitting van de SM Vooruit werd eind 1914 aangekondigd dat de plechtige opening uiteindelijk dan toch zou doorgaan, en dat op 3 januari 1915. Van den Berghe betreurde die beslissing meteen en trachtte ze te verhinderen. Hij noemde het feest “immoreel”, en verklaarde “dat men dan zoowel een bal op een kerkhof kon inrichten.” Anseele ging daarmee niet akkoord: hij drukte zijn volle eerbied uit voor al de families van de getroffenen, maar vond “dat men het verdriet toch niet moet aankweken.” Hij wilde de “zaak breeder zien”: “op dezen oogenblik vechten wij zelf om niet lichamelijk te vervallen. Het werk der gemeentevoeding doet alles om de menschen van de ramp van den honger te houden. En wij zouden ons zelf zedelijk laten omkomen. Dat de kerk dat doet, zij die leeft van de overheersching van de zwakke massas. En zal het niet beter zijn, wanneer wij na een schoon partijlied aanhoord te hebben, huiswaarts zullen keeren met den priem in het hart, dat wij, nadat alles zal gedaan zijn, weder den strijd zullen moeten aangaan en met meer iever dan vroeger.” Het was dus expliciet de bedoeling om de socialistische trots uit te dragen, ook in deze oorlogstijden en tijd van Godsvrede. Bovendien hoopte men dat het feest opbeurend zou werken “op den geest aller partijgenooten.”

De stemming leverde een overweldigende meerderheid voor de plechtige opening op: slechts 1 tegenstem en 1 onthouding tegen 46 stemmen voor.[487]

 

Ten tweede was er de 1-meiviering en de vraag of het officiële verlof daarvoor moest toegekend worden. Ook hier werd de vraag gesteld of het vieren van het Feest van de Arbeid wel gepast was, op het moment dat veel werklieden werkloos waren of aan het front aan de ergste ellende leden. En ook hier pleitte Anseele vóór het vieren van het feest, omdat hij de symboolwaarde van het evenement inzag. Het verschil was hier dat de discussie niet in de socialistische rangen zelf woedde, maar tegen de burgerlijke partijen. In het schepencollege kwam de kwestie ter sprake op 21 april 1915. Enkele leden waren van mening dat het niet gepast was de arbeiders te vieren op het moment dat veel van hen werkloos waren. Een ander lid (gaat het over Anseele?) zag geen enkele reden om het feest niet te vieren. Uitzonderlijk werd besloten de kwestie aan de gemeenteraad voor te leggen.[488]

Op 26 april boog die zich over de zaak. “Verscheidene lieden” waren van mening dat het 1-meiverlof niet mocht toegekend worden. Alle verlofdagen waren immers opgeschorst, en men vond het ongepast om aan feestelijkheden te denken omdat de publieke opinie er niet mee zou opgezet zijn, zeker op een moment dat de arbeiders aan de darsen niet veel redenen gaven om de arbeid te verheerlijken. Men wilde wel beloven op een gepast moment een “verlofdag gelijk aan dit van 1en Mei te verleenen.” Anseele, Coppieters en Lampens wezen de raad er op dat er tot dan toe nog geen feestelijkheden waren verboden, zoals bv. de opening van de Vlaamsche Schouwburg, en ze vroegen zich af: “Waarom zou nu de eensgezindheid niet meer bestaan voor 1en Mei, voor het feest van de Arbeid en van den Vrede?” Ze argumenteerden dat men moest behouden wat bestond en dat de werkende klasse niet mocht teleurgesteld worden, en dreigde dat tegenstemmen zou gezien worden als een “maatregel tegen den socialistischen partij”. Het argument dat de publieke opinie hier niet zat op te wachten werd van tafel geveegd: “De openbare meening kan zich niet gekwetst gevoelen door een feest van vrede en hulde aan het werk.” De burgemeester verklaarde daarop dat “niemand het inzicht heeft gehad de gevoelens van de Socialistische Partij te kwetsen”, maar dat het de uitzonderlijke toestand was die aan de basis van het voorstel lag. “Het zou ons grootelijks spijt aandoen, moest men buiten deze vergadering een anderen zin aan onze houding hechten.” Hij wilde dit “volstrekt vermijden” en gaf dan ook aan zijn voorstel te willen intrekken. Daarna werd er gestemd, en het voorstel om de 1-meiviering op te schorten werd verworpen met 14 stemmen voor, 14 tegen en 6 onthoudingen. Ondanks zijn pleidooi stemde Braun, net als de liberale collega-schepenen De Weert en De Bruyne samen met de katholieken tegen het voorstel. Andere liberalen onthielden zich, omdat de socialisten zo veel belang hechtten aan de hele kwestie. Opmerkelijk.[489]

 

In zijn uiteindelijke 1-meiredes, en ook in zijn rede ter gelegenheid van de plechtige inhuldiging van het nieuwe Feestlokaal, legde Anseele de nadruk op het kapitalisme die de schuld zou zijn voor de oorlog. Dat is de derde symbooldiscussie waarvan we spraken. Hij hield drie 1-meiredes. Wat opviel, was dat er in 1917 geen rede werd gehouden op het moment dat de Stockholm-kwestie brandend actueel was (cfr. infra). De redes van 1915 en 1916 verschenen integraal in Vooruit, die van 1918 niet. Met zijn standpunt over de oorlogsschuld ging hij direct in tegen de katholieken en liberalen, die de stelling verwierpen dat de wereldorde waarvoor zij stonden onvermijdelijk moest leiden naar wereldconflicten. Na de 1-meirede van 1916 zou er zich zo in Vooruit een polemiek ontspinnen met Le Bien Public die voortborduurde op die schuldvraag. Parallel met het bekritiseren van het kapitalisme, zwaaide Anseele de Internationale lof toe en bejubelde hij de vrede. Dat gebeurde ook nog in de rede van 1918, na het Stockholm-debacle. Met een sterke Internationale was de oorlog er nooit gekomen, had men elkaars grieven op voorhand leren kennen, en had de geheime diplomatie geen kans op slagen gehad, zo was zijn stelling. Er was maar een conclusie mogelijk, en dat was dat de socialisten na de oorlog meer macht moesten krijgen en dus aan de regering moesten deelnemen, zodat ellendige oorlogen zoals de Groote Oorlog geen kans meer zouden krijgen om tot ontwikkeling te komen: “het huidige werelddrama, waarin millioenen onzer zonen eene lijdelijke rol spelen, hunne vaders en moeders de rampzalige en machtelooze toeschouwers zijn, leert den volkeren dat het voor hen tijd wordt hunne zaken zelven in handen te nemen, willen zij in de naaste toekomst geene ergere rampen beleven.”[490]

 

 

 3.4. De naoorlogse maatschappij in de ogen van Anseele

 

De vraag is dan hoe volgens Anseele België er concreet moest uitzien na de oorlog. In een interview met Vorwärts tijdens de zomer van 1917 liet Anseele alvast optekenen dat de oorlog voor hem een geweldige hefboom naar de democratie betekende. Oorlogscorrespondent A. Köster hoorde uit zijn mond dat er in België een “sterk democratisch bewustzijn” was doorgebroken, zelfs tot in de kringen van de hoge burgerij.[491] Het land moest via dat democratische bewustzijn stappen zetten in de richting van een verdere democratisering, en over een mogelijke invoering van het AES mocht er zelfs niet meer gediscussieerd worden. Het AES was eigenlijk al voor de oorlog beloofd als gevolg van de algemene staking van 1912[492], en was dus niet echt meer een strijdpunt, zeker toen ook Vandervelde werd opgenomen in de regering van Le Havre.[493] We zagen al dat Anseele ervoor ijverde dat de syndicaten, de SM Vooruit en de andere socialistische instellingen versterkt uit de oorlog zouden komen, waardoor de socialisten meer op het nationale debat zouden kunnen wegen. De vraag hield hem dus zeker en vast bezig. Hij zou zich daarbij, samen met zijn collega’s van de Gentse federatie, niet willen verliezen in theoretische debatten, maar proberen zich in de goede pragmatische traditie die de Gentenaars kenmerkte te richten op concrete objectieven. Geen getheoriseer over het “hoe” en “waarom”, maar daarentegen concrete haalbare plannen in het belang van de werklieden.[494] Niettemin drukte hij wel de abstracte wens uit dat de Arbeid de besturende macht van de wereld moest worden[495], maar dat was net als zijn 1-meiredes voornamelijk retoriek.

In een vijfdelige reeks in Vooruit zette Anseele in 1918 zelf eindelijk zijn eigen concrete strijdpunten uiteen. Hij was daartoe aangespoord door de oprichting van een Belgische onderzoekscommissie door de regering in Le Havre, die zich moest buigen over de naoorlogse inrichting van België. Anseele pleitte voor een wijziging in de grondwet, maar die moest beperkt blijven tot de invoering van het AES (voor alle mannelijke Belgen van 21 jaar na 6 maanden verblijf in België) voor álle verkiezingen. Hij voorzag dat de reactionairen tijd zouden proberen te rekken, en het elitaire karakter van de senaat zouden trachten te vergroten. De socialisten moesten dan reageren door de afschaffing van de senaat en het invoeren van volksraadplegingen te eisen. De hele grondwet moest dan in vraag gesteld worden. Kon de koning wel beslissen over oorlog en vrede? Was een republiek geen betere staatsvorm? Het praktische en pragmatische talent van Anseele kwam daarbij naar boven: “De heeren reactionnairen mogen kiezen. Voor ons is het beste aan de grondwet niet anders te wijzigen dan het artikel betreffend het stemrecht en wellicht andere artikels wier wijziging door den oorlog wordt vereischt. Willen de reactionnairen het anders, het zijzoo, maar dan dragen zij de verantwoordelijkheid.” De herziening van de grondwet moest voor Anseele ook niet verlopen zoals de grondwet het voorschreef (wat 2 à 4 jaar zou duren, met als gevolg talloze opstootjes): bij de eerste zitting van het parlement moest het AES gestemd worden, waarna er in sneltempo nieuwe kieslijsten moesten opgesteld worden. Aan de hand daarvan zouden 5 maanden later verkiezingen gehouden moeten worden.[496]

Over de taalkwestie (zie hoofdstuk 5) stelde hij zich op het standpunt dat de eenheid van het land het belangrijkste was, en dat de beide landstalen gelijkwaardig waren. De moedertaal moest de voertaal worden in het onderwijs, en vanaf 10 jaar moest de tweede landstaal worden aangeleerd.[497] Indien het volk dat vroeg, kon er anderstalig onderwijs ingericht worden. Er moest ook een Vlaams-Belgische hogeschool gesticht worden, en de beste plaats daarvoor was volgens hem Gent. De Franstalige hogeschool mocht blijven bestaan. En voor alle openbare diensten moest Vlaams-België als een eentalig land aanzien worden. M.a.w., het personeel dat tewerk gesteld was in de openbare diensten in Vlaanderen en in contact kwam met de burgers, moest het Nederlands beheersen. Hij wilde dit allemaal niet opdringen: “Ziedaar onze voorstellen over de taalkwestie. Wij onderwerpen ze aan onze partij en aan onze lezers. Wij dringen niets op. Wij hebben maar een doel: de schoone demokratische taalkwestie oplossen in de richting en in den geest van de eenheid van ons land en van de gelijkheid onzer beide landstalen. Dit hebben wij verdedigd vóór den oorlog en dat verdedigen wij nog.”[498]

Tot slot wilde Anseele nog enkele andere hervormingen. Hij wilde de afschaffing van het verplichte onderricht in godsdienst (“verplicht godsdienstonderricht is hatelijk” en de katholieken moesten “van dat zedelijk geweld afzien en verdraagzaam worden”), enkele nieuwe belastingen invoeren, de opbrengst van de landbouw verhoogd zien door staatsinvesteringen, de vissersvloot uitbreiden, de spoorwegen en kanalen hersteld zien, de afschaffing van een wetsartikel dat een misdrijf tijdens een werkstaking tot 10 maal zwaarder liet bestraffen, betere kledijgaranties en staatssteun voor kleine, middelgrote en grote nijverheden. En, belangrijk, de klasse van werkers en bedienden moesten ook als dusdanig erkend worden: de vakbonden moesten erkend worden door de regering en de patroons, de werkuren (max. 10u per dag) en de lonen moesten vastgelegd worden, een verzekering tegen werkloosheid was nodig, en de sociale voorzorg moest verbeterd worden. De staat had de taak de patroons zonodig een duwtje in de rug te geven, de wet op ongevallen en invaliditeit te verbeteren en het voortgezet onderwijs (14 - 18 jaar) te stimuleren.[499] Kortom, de eisen waren typisch socialistisch. Anseele wilde vooral de rol van de staat in de economie vergroten en de erkenning van de arbeidersverenigingen.

 

 

 3.5. Anseele als onderwerp van het politiek getouwtrek

 

Tot nu toe hebben we al een aantal elementen aangehaald die moeten aantonen dat de godsvrede op het terrein niet echt werd gehandhaafd. Maar ook Anseele zelf werd vaak gebombardeerd tot onderwerp van politieke discussie. Voor de socialisten was Anseele een icoon, waaraan niet geraakt mocht worden, terwijl hij voor de politieke tegenstanders de belichaming was van alles waarvoor het verwerpelijke socialisme stond. Vanzelfsprekend reageerde Vooruit dan ook bits op elke poging om Anseele van zijn voetstuk te lichten, en al even vanzelfsprekend werden er (vanuit katholieke hoek) pogingen in die zin ondernomen. Dat leverde op sommige momenten boeiende discussies op. We baseren ons hier uitsluitend op de krant Vooruit, omdat de krant steevast reageerde wanneer Anseele ter discussie stond. Het deed de kritische geluiden, die zich vaak toespitsten op zijn activiteiten i.v.m. de voeding, af als laster. Merken we ook op dat de krant net zo goed vaak de lof zong van haar socialistische voorman, en op die manier subtiel het spel meespeelde in de strijd rond Anseele. Doordat we ons richten naar Vooruit lopen we niet echt het risico iets te missen. Ook De Waarheid viel Anseele vaak aan, maar door de socialisten werden zij niet als “politieke vijand” gezien. Ze opteerden er voor om het weekblad van de socialistische dissidenten rond Verbauwen en De Witte dood te zwijgen. Echt geprikkeld werden ze er ook niet door (cfr. infra).

 

De eerste maal dat Vooruit op “praatjes” reageerde was in de late herfst van 1914, toen in de stad de geruchten de ronde deden dat Anseele gevlucht of gearresteerd was, of dat hij de huishuur van zijn huisjes in Nederland (het was al lang een hardnekkig gerucht dat hij veel huisjes in Nederland bezat) aan het innen was. In werkelijkheid was hij ook in Amsterdam, maar dan voor de bevoorrading van de stad. Anseele stelde zich daar zogezegd boven, en daarmee was voor Vooruit de kous af.[500] De eerste serieuze “gemeene laster” deed zich voor begin 1915: beenhouwers uit de stad zouden gaan rondbazuinen zijn dat Anseele percenten won op het vlees dat aan de Duitsers geleverd werd. Vooruit reageerde scherp, en vroeg voor de eerste maal aan alle partijgenoten, “die dezen laster zouden horen rondventen, getuigen te nemen,” er hen “onmiddellijk kennis van te geven.” De krant zou de lasteraars dan ter verantwoording roepen.[501]

Op 9 maart werd Anseele in Het Volk ervan beschuldigd de Godsvrede niet te eerbiedigen. Het Volk: “we teekenen het alleen maar aan voor later, meer is ’t ons op dit oogenblik niet waard.” Vooruit antwoordde laconiek: “Merci waarde confrater, dat is geheel knap gedaan. Anseele zal er erg door getroffen zijn. Nogmaals al onze felicitaties.” De kleine woordenwisseling kwam er naar aanleiding van volgende woorden van Anseele, die Vooruit niet ontkende: “de kerk en het klerikalisme zijn aldus gemaakt en zullen aldus versleten worden: zijt schurk, dief of moordenaar, maar heult tegen het volk, en gij wordt al in eens zuiver en onbelast.”[502]

Het startschot voor de katholieke “laster” was dat nog niet en de godsvrede over Anseele zelf hield nog even stand. In juni werd die echter serieus op de helling gezet door Vooruit. Enkele edelen zouden hebben verspreid dat Coppieters en Anseele al 2 miljoen frank in hun zak hadden gestoken sinds het uitbreken van de oorlog. Vooruit was daar woest over, en vroeg als antwoord op de laster aan haar lezers een stroom aan klachten over misbruik door de adel.[503] Ondertussen zong Vooruit in november de lof van Anseele: “Voor ons is het voldoende dat geheel de werkende klasse en geheel veel burgers Anseele goedkeuren en bewonderen, zoowel als schepen van financiën dan als volksleider in ’t algemeen. En ’t is verdiend.”[504]

In 1916 werd Anseele pas echt goed het onderwerp van verschillende (nu ook katholieke) aanvallen. In januari nog werd de SM Vooruit ervan beschuldigd dat het betrokken was bij de uitgifte van valse kaarten om bloem mee te kopen, waardoor men meer bloem kon kopen dan waar men recht op had. Hardyns schoot uit: het was “eene schandelijke, vuile, gemeene leugen, waarvan de verspreiders gepatenteerde leugenaars zijn.” Het was meteen de tweede, en zeker niet de laatste keer dat de krant opriep om de lasteraars door te geven aan de redactie, onder het motto: “dat vuil ras wordt langs om brutaler gelijk de kinderen stouter worden als men ze niet corrigeert en tuchtigt.”[505]

En in dezelfde maand werden de klachten tegenover de stedelijke aardappeldienst, waarover we het in hoofdstuk 2 al hadden, geuit. Anseele werd er ook nog van beschuldigd dat de onderwijzers op zijn voorstel een deel van hun loon zouden afgetrokken worden, wat volgens Vooruit volledig onwaar was.[506] Het liep zo de spuigaten uit, dat Vooruit lezersbrieven liet publiceren waarin de “troepen” lasteraars werden aangeklaagd[507], en het er nog eens op wees dat een van de redenen voor het herverschijnen van Vooruit was dat men weerwerk wou kunnen bieden aan de laster zoals die bijvoorbeeld tegen Anseele werd gevoerd.[508]

In het voorjaar kwam een nieuwe golf op gang. De aanvallen van Maenhaut over de aardappelprijs vermeldden we al, maar Anseele zou nu ook als oorzaak genoemd worden voor het gebrek aan brandstof. Vooruit jammerde: “sedert 20 maanden worden allerhande maatregelen genomen en natuurlijk is Anseele telkens den zondebok of het in of buiten zijne bevoegdheid valle.” Ditmaal kon het er zich echter ook over verheugen dat de “lasteraars” door een lezer aan de redactie werden verklikt: “Dat schrijven vinden wij moedig en korrekt. Het is geteekend door den schrijver en hij geeft den beschuldiger en den bevestiger op. Wij zullen de verdediging of ten minste de tegenspraak afwachten.”[509]

Op 24 april was de emmer weer volledig overgelopen, en publiceerde het dagblad in een hoofdartikel opnieuw een oproep om de lasteraars aan te pakken: “Iets zouden wij van al de partijgenooten verlangen: ’t Is dat zij dien laster, die eerdieverij niet dulden, als hij in hunne tegenwoordigheid gebeurt. Dat zij den lasteraar niet alleen weerleggen, maar hem uitdagen de feiten waarmede hij Anseele of andere partijgenooten beschuldigt, in ’t openbaar bekend te maken, bewijzen te leveren, zijne aanklacht aan de policie of ’t gerecht over te maken en te teekenen met zijn naam. Door den band zal die slek in hare schelp kruipen en haar oorkens intrekken. Gelukkiglijk hebben wij nog ons blad om die rekels aan den schandpaal te spijkeren en als zij weigeren het gerecht in te lichten, kunnen wij het in hunne plaats doen. Het moet eindigen dat die gemeene filous hun vuil werk straffeloos voortzetten.”[510]

In juni was de storm blijkbaar nog niet gaan liggen. De laster werd “meer dan ooit” over Anseele “uitgeworpen”. Na de feiten opnieuw veroordeeld te hebben, nam Vooruit de gelegenheid ten bate om hem te roemen. Bewijs daarvoor waren de talloze bezigheden van Anseele, die zelfs amper nog de tijd had om eens bij de redactie binnen te springen.[511]

Het voorjaar van 1916 was ook het moment dat er in de Hamburger Echo een interview was verschenen met “een vooraanstaande Gentse socialist”, waarin die had verklaard Engeland als de voornaamste oorlogsschuldenaar te zien. Vooruit was niet zeker van haar stuk, en vroeg de Duitse krant om de naam van de socialist door te geven, maar voelde zich duidelijk niet echt op haar gemak bij de beschuldigingen.[512] Op 30 mei beweerde de Rheinisch-Westfälische Zeitung dat het Anseele was die de uitspraken had gedaan, en dat hij ook de Duitse oorlogsmisdaden aan het begin van de oorlog had afgedaan als nonsens. Vooruit had bij Anseele navraag gedaan, maar die had de beschuldigingen ontkend. Men vroeg met aandrang om de naam te laten kennen.[513] Omdat de naam uitbleef, kon de Bruxellois het artikel in de Hamburger Echo als een feit verkopen en Anseele direct beschuldigen de uitspraken te hebben gedaan. Vooruit ontkende opnieuw met klem en liet de Brusselse krant weten dat ze beter zelf ook eens navraag zouden doen bij de Hamburger Echo. Men zat duidelijk heel verveeld met de zaak.[514] Omdat de Bruxellois de rechtzetting van Vooruit niet wou publiceren, liet die laatste weten er een doelbewuste klerikale lastercampagne tegen Anseele in te zien.[515] Dat vermoeden werd bevestigd toen de krant het antwoord van de Hamburger Echo, waarin stond dat er geen gesprek met Anseele was geweest, niet wilde publiceren. Vooruit triomfeerde eindelijk opgelucht.[516]

 

Tot het najaar van 1916 zou het dan stil blijven, tot er uit katholieke hoek opnieuw het gerucht werd verspreid dat de stad woekerwinsten maakte op de aardappelhandel, op de rug van de behoeftigen. In de polemiek zou Vooruit opnieuw sterk van zich afbijten. De vraag waarom Le Bien Public in navolging van Le Journal de Gand de aardappeldienst niet verdedigde, beantwoordde het zelf: “’t Is omdat de papen alle gelegenheden aangrijpen, zonder de minste kieskeurigheid in de middels, om de werkende klasse op te hitsen. Zij meenen dat er geene betere gelegenheid bestaat dan profijt te trekken uit de diepe stoffelijke ellende en het groot zedelijk verdriet dat op onze klasse weegt, om hun verachtelijk werk aan te vangen en voort te zetten. Maar geloof ons “Bien Public”, uwe plannen zullen verijdeld worden. Houd het u voor gezegd.”[517] De klerikale krant moest er niet op rekenen dat Vooruit de beschuldigingen blauwblauw zou laten: “En wij zouden zulks misschien moeten goedkeuren, of ten minste, het lijdelijk aanzien? Steek dat uit uw gebenedijd hoofd, confrater. Nooit of nooit verkrijgt gij die zwakheid of die lafheid van Vooruit. Laat er ons bijvoegen, dat de partij het niet zou dulden en terecht. Anseele vertegenwoordigt in alle gevallen onze klasse, niet alleen met talent en waardigheid, maar aanhoudend zonder zich moeite of opofferingen te sparen. Daarvoor is hij onze chef, zoolang hij blijft wat hij altijd was, zooals onze groote Van Beveren hem noemde: de eer en de glorie der werkende klasse van Gent.”[518]

Nog geen twee maanden later werden de katholieke kritieken herhaald, en opnieuw van de hand gewezen.[519]

Daarmee kwam merkwaardig genoeg een einde aan de systematische aanvallen op de persoon van Anseele, zodat we 1916 eigenlijk mogen bombarderen als een lasterjaar. Vooruit ging althans niet meer in de verdediging op de aanvallen (op uitzondering van april[520]), en beperkte zich in februari tot twee lofzangen, om de hele discussie te beëindigen. Op 4 en 6 februari 1917 publiceerde het de “schoone uitslagen”, vooral in het voordeel van de werklieden, die Anseele had bekomen sinds hij in 1909 schepen van de stad was geworden. “Maar het is sedert het schepenschap van Anseele dat de verbeteringen een meer methodischen en regelmatigen gang volgen, dat zulks de betrokken werklieden met ons gereedelijk bekennen. Voor den oogenblik kunnen wij daarmede sluiten, maar wij doen het niet zonder aan de werklieden te zeggen: vrienden toont u die behandeling waardig. Slaat alle kritieken plat op voorhand door uwen iever en gedrag en meer en grootere verbeteringen zullen volgen. En in al uwer naam en in deze van de partij, aarzelen wij niet van aan onzen schepen Anseele toe te roepen: bravo en proficiat. Gij hebt U waardig getoond van de hoop en ’t vertrouwen dat de werkende klasse in U stelde en blijft stellen,” klonk het.[521] En op 8 februari publiceerde het een lezersbrief waarin de voedselsituatie in Gent met Lokeren werd vergeleken. Volgens de schrijver werd in Lokeren het stadsbestuur niet bekritiseerd, terwijl de situatie daar absoluut niet beter was dan in vergelijking met Gent.[522]

 

 

 3.6. De Waarheid van de Vrije Socialistenbond

 

Eind 1915 zou Paul De Witte bij de Duitse overheden een aanvraag indienen om het weekblad De Waarheid opnieuw te laten verschijnen. De Waarheid was het orgaan van de Vrije Socialistenbond, en voor welke strekking dat stond had De Witte reeds geïllustreerd met zijn versie van de geschiedenis van Vooruit in 1898.[523] Volgens De Witte zelf waren ze geen anarchisten, maar “vrije socialisten”. Kort gezegd kwam het hierop neer: zij waren “zuivere, echte” socialisten, terwijl de meerderheidssocialisten rond Anseele het echte socialisme gedurig verraadden. De toestemming voor het herverschijnen werd verkregen eind januari 1916, en het eerste blad verscheen op 2 april.[524] De formule bleek aan te slaan, want de verkoop steeg meteen van 3.000 tot 8.000 exemplaren, waardoor het weekblad meteen met winst kon werken.[525]

Niet iedereen was echter verheugd over het herverschijnen van De Waarheid. De Gentse socialisten en Anseele in het bijzonder waren er niet echt mee opgezet, en zouden de werking van het blad tegenwerken. Ten eerste zou Vooruit tijdens de oorlog geen enkele keer in debat gaan met het weekblad, en de aantal keren dat de kritieken van De Waarheid Vooruit danig prikkelden, werd er in polemiek gegaan met het “lokaal blad” De Nieuwe Gazet van Gent dat die kritieken in haar kolommen had overgedrukt. Het weekblad zou zich er vaak over beklagen dat het compleet werd genegeerd.[526]

Een tweede tactiek van Anseele en zijn kameraden was om De Waarheid te compromitteren. Toen Anseele in de gemeenteraad op de vingers werd getikt omdat hij valse gegevens had doorgegeven i.v.m. het noodbarema, wat De Waarheid had gesignaleerd, vloog hij, in plaats van te antwoorden op de beschuldigingen, uit tegen het weekblad. Hij beschuldigde het ervan enkel te kunnen herverschenen zijn met behulp van liberale steungelden. Voor de “vrije socialisten” was dat een grove belediging. In een volgende gemeenteraadszitting zou dan een brief van De Witte zijn voorgelezen, waarin dat werd ontkend. De Witte vroeg daarin ook uitdagend aan Anseele waar men die gelden van de liberale “fabriekanten” kon bekomen, en in ruil voor de tip zou hij 10% mogen opstrijken. Ten gronde ging Anseele echter niet in op de zaak.[527]

Een derde manier waarop Anseele trachtte het blad tegen te werken, was het gaan aanklagen bij de Duitse overheden. Als antwoord op het artikel “Anseele troont, Anseele regeert” dat was geschreven onder de schuilnaam Vindex, zou Anseele een brief hebben gestuurd naar de gouverneur-generaal von Bissing, Op diens bevel zou Hoffmann van de Zivilverwaltung moeten onderzoeken waarom Anseele werd aangevallen, waarna De Witte op de vingers werd getikt.[528] En begin 1918 zou Anseeles invloed zo ver reiken, althans volgens De Witte, dat er enkele artikels over hem waren geschrapt door de censuur, en er vanaf dan geen artikels meer mochten worden gepubliceerd waarin zijn naam werd vernoemd.[529] Die bewering klopte in die zin dat de kritiek op Anseele zelf wel degelijk verstomde (hoewel de bakkerskwestie en de kwestie van de Hoogeschool van de Arbeiders, waar Anseele toch direct bij betrokken was, nog uitgebreid aan bod kwamen), maar of het Anseele was die daarvoor bij de Duitse overheden had gepleit, kunnen we gezien het eenzijdige van de bron - het relaas van De Witte zelf in zijn “Alles is omgekeerd. Hoe de werklieden leefden (1848 - 1918)” - uiteraard niet met zekerheid zeggen.

 

Dat de Gentse socialisten niet echt happig waren om het weekblad op een normale manier te benaderen, mocht gezien de voorgeschiedenis van De Witte en Verbauwen niet verbazen. Desalniettemin gaf De Waarheid daar zelf wel enige extra redenen toe. De kolommen werden vaak gevuld met gratuite kritieken en waren enkel gericht tegen de socialisten, wat de geloofwaardigheid niet meteen ten goede kwam. Om dat te illustreren, verwijzen we graag naar een opvallende tegenspraak in het weekblad zelf. In een en hetzelfde artikel verontschuldigde het zich enerzijds dat het niet alle brieven kon publiceren wegens plaatsgebrek en het papiertekort, terwijl het Vooruit anderzijds waarschuwde dat het niet publiceren van kritische lezersbrieven als een teken van kwade wil zou beschouwd worden.[530] Op de vraag waarom het altijd Vooruit was die bekritiseerd werd, antwoordde het dat het de andere partijen nu eenmaal niet zo goed kende, en dat het Vooruit was die vroeger niets goed vond. Nu was het haar beurt om voortdurend bekritiseerd te worden.[531] Eén van de zinsneden die vaak terugkwam was een uitspraak van Anseele zelf. Die had beweerd dat hij die de SM Vooruit kon besturen, net zo goed de wereld kon besturen.[532] Dat werd dan tot vervelens toe herhaald. Kortom, De Waarheid schopte wild in het rond, zat waarschijnlijk wel af en toe op de waarheid, die het pretenteerde te schrijven, maar echt geloofwaardig kwam het allemaal niet over.

 

Uiteindelijk was de tegenstelling Vooruit – De Waarheid dan wel vrij politiek, maar echt verontrust bleken Anseele en zijn vrienden niet. De tactiek om het blad dood te zwijgen hielp hen duidelijk vooruit.

 

 

 3.7. Besluit

 

Ook Anseele speelde het politieke spel mee, en hield dus maar in beperkte mate de Godsvrede in stand. Via het dagblad Vooruit, dat vaak gedirigeerd werd door Anseele, spitsten de polemieken zich vooral toe op allerhande ondersteuningsinitiatieven. De socialisten stonden vaak neus aan neus met het NHVC, omdat het niet naar de zin was van de socialisten dat de liberalen en katholieken het initiatief politiek dreigden te verzilveren. Omgekeerd werden de socialisten en Anseele vaak geviseerd over hun rol in de stedelijke hulpinitiatieven en de bevoorrading. Voor de socialisten was ook de discussie over het werklozenfonds en het noodbarema van cruciaal belang, in het eerste geval omdat de syndicaten in hun bestaan werden bedreigd, en in het tweede geval omdat ze met de pluimen wilden gaan lopen. De syndicaten werden gered, onder meer door de constructieve opstelling van de socialisten - waarover ze zich zelf trouwens uitvoerig op de borst klopten -, maar bij de kwestie van het noodbarema zouden de socialisten een nederlaag lijden. Pas in tweede instantie haalden ze hun slag thuis. In de kolommen van Vooruit was van de nederlaag over de modaliteiten echter niets te merken, en werd het noodbarema trots verdedigd alsof het een zuivere socialistische verwezenlijking was. We zien Anseele ook de verdediging opnemen van de SM Vooruit, tegen de katholieke Siffer in.

 

Belangrijk in de politieke strijd was ook de opbouw van de federatie van onderuit. Veronique Michiels gaf in haar “Het politiek-maatschappelijke leven te Gent (1914-1918): een permanente godsvrede?” al aan hoe belangrijk deze vorm van politiek bedrijven was voor de socialisten, en ook Anseele zien we op dit vlak heel actief ijveren voor de uitbreiding van het ledenbestand. Het dagblad Vooruit, de SM Vooruit, de syndicaten, hulp aan krijgsgevangenen of gedeporteerden, propagandacomités, het verwarmen van de wijklokalen tijdens de winter… Anseele besteedde aan alles voldoende aandacht, en verklaarde meermaals dat dat allemaal gebeurde in het licht van de politieke doelen voor na de oorlog. De oprichting van de Hoogeschool van de Arbeid was een initiatief in dezelfde zin. Ook de drie symbooldiscussies speelden daarin een rol. De socialistische federatie zou niet mogen genegeerd worden na de oorlog, dat was het doel. Met de Russische revolutie en de revolutie-dreiging kregen de Gentse/Belgische socialisten alvast een onverhoopt pressiemiddel in de schoot geworpen.

 

Na de oorlog wenste Anseele het AES tot stand te zien komen, en pleitte hij voor een grotere rol van de overheid, de erkenning van de vakbonden en voor een aantal sociale wetten. Over de Vlaamse kwestie sprak hij zich maar voorzichtig uit: enkele Vlaamse eisen moesten ingewilligd worden, maar de eenheid van het land mocht niet in gevaar gebracht worden.

 

Binnen de federatie zelf hadden de socialisten ook met enkele problemen te kampen: zo stond de Hoogeschool van de Arbeid bloot aan kritieken die het zelf had gezocht en de staking van de bakkers in de SM Vooruit compromitteerde de socialisten vrij grondig. Vooruit ging telkens sterk in het verweer.

 

Dat deed het ook elke keer dat Anseele werd aangevallen of, beter gezegd, “gelasterd”. De figuur van Anseele zelf speelde immers ook een rol in de politieke strijd, vooral in 1916. Zijn politieke vijanden trachtten hem in zijn integriteit te raken, en Vooruit schuwde geen woorden om van zich af te bijten. Die tactiek werd niet gebruikt t.a.v. De Waarheid, het weekblad van de dissidente Vrije Socialistenbond. Zij werden simpelweg doodgezwegen, zeer tot ongenoegen van die laatste.

 

Wel mogen we niet vergeten dat Anseele zich, ondanks zijn deelname aan het politieke debat, al bij al constructief opstelde, zowel in de gemeenteraad als in het NHVC. De politieke strijd spitste zich voornamelijk toe op enkele symbooldiscussies zoals de ondersteuning aan de bevolking of het noodbarema, of werd achter de schermen voorbereid via de uitbouw van de socialistische federatie. Naar buiten toe kon Anseele nog relatief de indruk hooghouden dat hij de Godsvrede in stand hield.

 

In wat volgt bespreken we Anseeles visie t.a.v. de vrede.

 

 

4. De vredeskwestie op de Internationale en Gentse scène: onduidelijkheid troef

 

 4.1. Inleiding

 

Als lid van het uitvoerend bureel van de Internationale[533] was Anseele indirect betrokken bij de vredespogingen die van de Internationale uitgingen, al werd hij daar sterk in verhinderd omdat hij zich in het geïsoleerde Etappengebied bevond. Toen de oorlogsdreiging reëel begon te worden, had die Internationale zich in een compromisresolutie uitgesproken tegen de nakende oorlog, en besloten “alles” in het werk te stellen om het niet tot een oorlog te laten komen. Maar eenmaal de ultimatums werden verstuurd door de verschillende oorlogspartijen, bleek al snel hoe ver die loyaliteit reikte. Elke socialistische federatie sloot zich (nagenoeg) unaniem aan bij het nationale establishment, en stemde de oorlogskredieten. Van een doorgedreven vredesvisie was nergens sprake.[534] De splitsing in de Internationale die daar het gevolg van was, zou tijdens de hele oorlogsperiode een smet werpen op het internationale socialistische forum en haar werking blokkeren. In wat volgt bekijken we Anseeles rol in de Internationale, en trachten we na te gaan welk standpunt hij had. Bijzondere aandacht krijgt de zogenaamde Stockholm-kwestie in 1917, een officiële poging om de Internationale te relanceren.

 

Ook in Gent gebeurde er in 1917 het een en ander op vlak van de vredeskwestie. De socialistische Jonge Wachten splitsten zich af omdat zij zich niet konden vinden in het Gentse partijstandpunt over de vrede. Anseele deed er alles aan om de Jonge Wachten op de knieën te krijgen. Daarom verdient ook dat enige aandacht.

 

We zullen zien dat de standpunten van Anseele in beide kwesties tegengesteld waren, wat toch wel opmerkelijk was. Voor Kenis, Bertrand en Huysmans was het echter eenduidig: Anseele stelde zich ongenuanceerd op het vredesstandpunt.[535] Dat dient onderzocht te worden.

 

 

 4.2. De Internationale

 

4.2.1. Het begin van de oorlog

 

Op 24 juli 1914 wilde Camille Huysmans, als secretaris van het uitvoerend bureel, het voltallige ISB (Internationaal Socialistisch Bureel) laten bijeenroepen. Anseele verklaarde zich akkoord. Op 29 juli kwam het ISB dan bijeen, maar zonder Servië, Bosnië-Herzegovina, Bulgarije, Roemenië, Noorwegen, Zweden en de VSA. Op 30 juli werd een resolutie[536] unaniem aangenomen. De resolutie stipuleerde dat de actie tegen de oorlog, voor de vrede en voor een arbitrage van het Oostenrijk-Servisch conflict moest voortgezet en versterkt worden. De Duitse arbeiders kregen de opdracht hun regering onder druk te zetten opdat Duitsland een matigende invloed op Oostenrijk zou uitoefenen, de Fransen moesten er via hun regering voor zorgen dat de Russen zich ook afzijdig zouden houden, en de Italianen en de Engelsen moesten hen in die pogingen ondersteunen. Dat het echt tot een oorlog zou kunnen komen werd klaarblijkelijk niet overwogen, wat betekende dat het ISB in dat geval geen concreet actieplan klaar had liggen.[537] Dat zou zich wreken: ondanks de onderlinge beloften van de Fransen en Duitsers om de oorlogskredieten niet goed te keuren in het parlement (men was van plan zich te onthouden), werden die beloften gebroken. De oorlogskredieten werden wel degelijk gestemd, en de resoluties van het ISB bleven daarna dode letter.[538]

 

De Gentse socialistische federatie zou zich niettemin inspannen om de vrede te handhaven. Op 2 augustus, drie dagen na de bijeenkomst van het ISB, werd in Vooruit een “grootsche betooging voor den Vrede en tegen den Oorlog” aangekondigd.[539] En toen die vredesbetoging op laste van de regering verboden werd, blokletterde het “Leve de vrede! Weg met den oorlog! Weg met het kapitalisme dat tot den oorlog drijft! Leve het internationale socialisme! Leve het vredelievende proletariaat!”[540] Aan de moord op Jean Jaurès, vredesapostel binnen de ISB, kort na de bijeenkomst van de Internationale, werd ook uitvoerig ruchtbaarheid gegeven in het partijblad. Jaurès zelf werd omwille van zijn vredespogingen en het ontwerpen van de resolutie die was gestemd in het ISB geprezen.[541]

Ondanks het feit dat ook de Gentse socialisten mee de oorlogskredieten hadden gestemd, lieten zij zich na de inval van de Duitsers niet echt meeslepen in de oorlogsroes (zie ook hoger).[542] In het partijblad riepen ze op om het Duitse volk niet te viseren, omdat ook zij de oorlog niet hadden gewild. De echte vijand heette het kapitalisme.[543] In die zin verscheen op 20 augustus ook een artikel over “de Internationale en de oorlog”. Men herhaalde dat de vijand van de Internationale steeds het kapitalisme was geweest. Dat mocht men nu niet uit het oog verliezen.[544] In het bijzonder wilde men de Duitse socialisten, die de oorlogskredieten hadden gestemd, nog niet veroordelen: “Wij verstaan dat die stemming een pijnlijken indruk gemaakt heeft op de socialisten van geheel de wereld, wij zelven hebben er onder geleden. […] Maar wij vragen dat men niet te haastig oordeele en veroordeele.” Op het nakende Internationaal Socialistisch Congres verwachtte men wel een verantwoording.[545] De eigen goedkeuring van de kredieten werd dan weer vergoelijkt: “Het zou bijv. onzinnig zijn geweest, waar ons volk elk jaar 150 millioen voor zijn verdediging moest opbrengen, thans, nu dit [de verdedigingsmiddelen die men jaarlijks had gefinancierd] in werking moet gebracht worden, om ons land trachten buiten de oorlog te houden, het daarvoor benoodigde mobilisatiekrediet te weigeren.”[546]

De Gentenaars begonnen echter langzaam bij te draaien. In een tekst die door Anseele zelf was ondertekend werd de oorlogsschuld expliciet bij Duitsland gelegd. Eenmaal haar bevolking de waarheid zou kennen, zou het met hem akkoord gaan dat Duitsland de agressor was, zo stelde de tekst. T.a.v. de Duitse socialisten bleef men in dit “Manifest van het Internationaal Socialistisch Bureel aan het Duitsche volk”, dat ook door Vandervelde, Huysmans, Bertrand (voor België) en Guesde, Vaillant, Longuet en Sembat (voor Frankrijk) was ondertekend, mild. “Zij [de ondertekenaars] betrouwen er op dat eenmaal de waarheid in het licht gesteld, zij zullen goedgekeurd en vervoegd worden door de socialisten van Duitsland.”[547] Later herhaalde Vooruit in haar eigen naam dat de schuld voor de oorlog bij Duitsland lag (“Zulks is niet te loochenen”[548]) en werden de standpunten van Liebknecht, Kautsky en Luxemburg aangeprezen. Zij waren onder de veertien Duitse socialisten die de kredieten hadden afgewezen, en bewezen zogezegd dat Vooruit gelijk had de Duitse stemming nog niet te veroordelen.[549] Bovendien reageerde het blad verheugd toen het Duitse zusterblad Vorwärts het Duitse imperialisme en militarisme erkende.[550] Anseele en de Gentse socialisten begonnen dus steeds meer misprijzen te tonen voor de indringer, en zich patriottischer op te stellen. In die zin moeten we in navolging van Van Ginderachter ook opmerken dat in het dagblad Vooruit de term “Vlaanderen” steeds meer naar de achtergrond verdween ten nadele van “België”, iets wat voor de oorlog nauwelijks denkbaar was vanwege het Vlaamse karakter van de Gentse socialistische federatie.[551]

 

Toch betekende de verscherpte toon tegen Duitsland niet dat Anseele het internationale overleg afwees, in tegenstelling tot zijn partijgenoten. Op 21 september 1914 overlegde hij in een zitting van het Uitvoerend Comité van het Internationaal Bureel met Vandersmissen, Bertrand, Huysmans en Mathijs (secretaris van de Nederlandse SDAP). Het voorstel van Matthijsen om de zetel en de macht van het Internationaal Bureel tijdelijk naar Amsterdam over te brengen werd geweigerd, maar Anseele ondersteunde wel zijn voorstel om in oktober een conferentie te houden. Op zijn verzoek werd aan de aangesloten partijen gevraagd of het “gepast en nuttig” was om eind oktober in Amsterdam bijeen te komen. De conferentie moest zich volgens Matthijsen bezig houden met de vraag hoe men de oorlog zo snel mogelijk door overleg kon beëindigen, maar ook met het voortbestaan van de Internationale na de oorlog zelf.[552] Op 30 september boog het bureau van de Landelijke Raad van de BWP zich over de uitnodiging. Het voorstel werd afgewezen omdat het “stoffelijk onmogelijk [was] over de dagorde van die conferentie te beraadslagen, er regelmatig aangestelde afgevaardigden heen te sturen”, de conferentie “in den grond doelloos” werd geacht en men van gevoelen was dat het met haar “waardigheid” niet overeenkwam om “met de afgevaardigden der Duitsche Socialistische Partij samen te komen.” Indien de conferentie toch zou plaatsvinden, zou de Belgische delegatie slechts deelnemen indien de Duitsers zich zouden moeten verantwoorden over hun verantwoordelijkheid in de oorlog.[553] Anseele had zich echter wel voor de conferentie uitgesproken, net als Huysmans. De meeste andere (prominente) BWP’ers waren (toen al) tegen.[554]

 

Zolang Gent niet bezet was, speelde Anseele zijn rol als lid van het Uitvoerend Comité (UC) van het ISB trouwens ten volle. Hij was betrokken bij allerhande correspondentie, en debatteerde mee over de praktische kant van de werking van het ISB. Uit Nederlandse hoek werd ervoor gepleit om het ISB naar Amsterdam over te plaatsen omdat België bezet was, en Anseele sloot zich in het belang van het UC daarbij aan. Het zou echter tot eind 1914 duren alvorens die overplaatsing naar Nederland (Den Haag) er ook werkelijk kwam. Het Belgische viertal bleef aan het hoofd van het Uitvoerend Comité, maar het Comité zou uitgebreid worden met een Nederlandse delegatie. Het compromisplan werd door de SDAP pas goedgekeurd nadat Anseele en Huysmans Troelstra, die het voorzitterschap van het ISB ambieerde, hadden verzekerd dat de Nederlanders binnen het UC gelijkberechtigd zouden worden. Daarmee was de verhuis een feit. Voor Anseele betekende dat dat het uitoefenen van zijn rol als lid van het Uitvoerend Comité steeds moeilijker werd, en we zien hem dan ook in de Internationale van het voorplan verdwijnen. Van de Belgen speelde enkel Huysmans, die voor zijn verhuis eind 1915 naar Den Haag een maal per week van Antwerpen naar Den Haag pendelde, nog een belangrijke rol.[555]

 

4.2.2. In het verloop van de oorlog

 

Op de zittingen van het UC van het ISB was Anseele ondanks zijn teruggetrokken rol vaak wel nog aanwezig. Op 5 september 1915 kwam de Belgische (precaire) voedselsituatie ter sprake.[556] Begin januari 1916 werd er besloten om, als de Franse en Engelse delegatie niet tot in Den Haag zou willen komen, hen in Londen en Parijs op te zoeken om te overleggen over de Internationale. Daarnaast werd er ook beslist dat Huysmans een rede zou houden in naam van het UC over de slagvaardigheid van de Internationale.[557] En ook begin 1917 werd hij in Den Haag verwacht voor een zitting van de Internationale. Op de agenda stond opnieuw de toekomst van de Internationale en een eventuele bijeenroeping van het ISB.[558] Vooral de vredesnota van Amerikaans president Wilson zette de socialisten van het UC ertoe onderling te willen overleggen. Huysmans[559] en Troelstra drongen er bij de Duitse overheden op aan om aan Anseele en Bertrand een reispas te verlenen. De Duitsers waren oorspronkelijk niet bijster enthousiast om dat te doen, omdat ze vreesden dat Bertrand en Anseele op dat internationale platform de deportaties van de arbeiders scherp zouden veroordelen, maar Troelstra garandeerde dat er geen agitatie zou ontstaan. Vanuit Den Haag werd getelegrafeerd door de Duitse gezant: “Ich nehme an, dass die erwähnte Erlaubnis den Herren Deputierten Bertrand und Anseele nur unter der Bedingung, sich jeder Agitation in Holland zu enthalten, erteilt wird und die holländischen Komiteemitglieder bürgen dafür, dass eine derartige Bedingung erfüllt wird.”[560] Men had er dus uiteindelijk wel vertrouwen in, en zo werd er uit Berlijn aan chef van de Politische Abteilung von der Lancken getelegrafeerd dat de passen mochten verleend worden “unter der Bedingung, dass die beiden nach Kenntnis der Trölstraschen Erklärung sich verpflichten jede Agitation gegen uns in Holland zu unterlassen.”[561] De militaire overheid van het Etappengebied weigerde echter “nach längeren Verhandlungen” de reispas voor Anseele toe te kennen, waardoor enkel Bertrand naar Den Haag kon afzakken.[562]

 

De rede van Huysmans waarvan sprake, werd op het SDAP-congres te Arnhem gehouden en werd integraal in Vooruit opgenomen onder de titel “De Internationale is niet dood!” De tekst was volgens Huysmans door Anseele en de andere leden van het UC goedgekeurd en “tot in de kleinste details onderzocht.”[563] Ze moest het bewijs leveren dat de Internationale nog springlevend was en kon om die reden internationaal op een enorme weerklank rekenen. Maar omdat ze veel verder ging dan was afgesproken kreeg Huysmans ook harde kritieken van onder meer de Brouckère. Anseele was ongeveer de enige Belgische socialist die zich zonder reserve achter Huysmans schaarde.[564] Wat stond er nu in de rede, die ook in Vooruit verscheen en die dus ook door Anseele werd ondersteund? Er moest vooral aangetoond worden dat de Internationale springlevend was, en dat de Internationale er voor de oorlog alles aan had gedaan om het uitbreken van het geweld te vermijden. Helaas was men daar niet in geslaagd, omdat de kapitalistische regeringen de geesten hadden gevormd.[565] Maar ook na de eerste ontgoocheling was de Internationale volgens Huysmans actief gebleven: via briefwisseling waren nog vrij recent contacten aangehaald, rechtstreeks of onrechtstreeks via het Bureau in Den Haag. De drie partijen (centralen, neutralen en entente) kregen vier kwesties waarover ze moesten beraadslagen: ten eerste het zelfbeschikkingsrecht voor alle naties, ten tweede de beperking van de bewapening met het oog op een algemene ontwapening, ten derde de democratie, diplomatie en parlementaire controle en tot slot het verplichtende scheidsgerecht.[566] De partijen stemden niet met elkaar overeen op alle punten, maar er waren enkele waarover er eensgezindheid bestond. Om te bewijzen dat de Internationale nog springlevend was, werd de bereidwilligheid tot een nieuwe bijeenroeping van het ISB verkondigd. Enkel Frankrijk en Engeland waren daar nog niet voor gewonnen, omdat de Duitse socialisten nog geen afstand hadden genomen van het imperialisme en de veroveringspolitiek van haar overheid en vooral omwille van het statuut van Elzas-Lotharingen.[567] Toch waren er in de ogen van het UC van het ISB tekenen van toenadering. De verschillende federaties drukten de wens uit van een duurzame vrede, die moest gewaarborgd zijn door de eenheid van het proletariaat, of, m.a.w., de Internationale had een belangrijke rol te spelen.[568]

 

We onthouden daar vooral uit dat Anseele zich, ondanks zijn verminderde rol in het UC, op het overlegstandpunt bleef stellen. Hij sprak zich nooit onverdroten uit voor een vrede waarvan de bepalingen er niet toe deden[569], maar hij bleef ijveren voor het hervatten van het internationale overleg onder de socialisten, met als doel om de vrede te bereiken. Hij deed dat niet alleen als lid van het UC van de Internationale, maar ook onrechtstreeks in Vooruit. De scherpe toon t.a.v. de Duitsers in september 1914 zou in Vooruit verdwijnen, hoewel waarschijnlijk meer ten gevolge van de censuur dan van een verandering van opinie, en het kapitalisme werd opnieuw gebombardeerd tot voornaamste oorlogsschuldenaar. Dat zien we ook goed in de 1-meiredes van Anseele in 1915 en 1916, waar hij duidelijk de kaart trekt van de Internationale.[570] Vooruit bleef daarnaast uitgebreid Jean Jaurès herdenken.[571] Voor Anseele en de Gentenaars bleef de vrede, of althans het overleg onder socialisten, dus een belangrijk thema.

 

4.2.3. Geen eensgezindheid met het partijbestuur in Brussel

 

Zijn Belgische partijgenoten dachten daar anders over. Vandervelde, De Brouckère en de socialisten te Brussel bevonden zich internationaal gezien aan de rechterzijde van het socialistische spectrum, met hun ongenuanceerde patriottische houding. Van een mogelijk overleg met Duitse socialisten kon voor hen geen sprake zijn: zij stonden achter een vrede door overwinning op de As-mogendheden. Pas daarna kon er op redelijke basis met de Duitsers gepraat worden.[572] Ze drukten zich wel uit tegen een veroveringsoorlog door de geallieerden.[573] Die harde opstelling zien we ook op de verschillende internationale bijeenkomsten, waar de stem van Anseele afwezig bleef. In januari 1915 was er een conferentie gepland in Kopenhagen, maar de Belgische delegatie van de Landelijke Raad, bestaande uit Vandersmissen, Wauters en Vinck, had besloten daar niet aan deel te nemen omdat zij weinig animo koesterden voor een conferentie waar de Duitsers op aanwezig zouden zijn. Op de intergeallieerde socialistische conferentie in Londen, begin februari werd Duitsland opnieuw geviseerd, en op 20 februari drukten Wauters en Vandersmissen voor het Internationaal Socialistisch Bureel in Den Haag nog eens het afwijzende standpunt van de Landelijke Raad uit. Voor er sprake kon zijn van een bijeenkomst met de Duitsers moesten zij zich eerst verantwoorden, en moest België ontruimd zijn. Ze pretendeerden de “eenparige zienswijze der Belgische socialisten” uit te drukken, maar vergaten er bij te vermelden dat op de zitting de vertegenwoordigers van het Etappengebied en de socialisten die in het buitenland verbleven niet aanwezig konden zijn.[574] Een bewijs voor de tegengestelde meningen was ook de unanieme afwijzing door de Algemene Raad van de BWP van een bijeenkomst van de neutrale socialisten gepland voor mei 1916, terwijl Anseele wel akkoord was. De Algemene Raad wenste geen vrede voor de absolute zege van de geallieerden, en veroordeelde met de grootste kracht alle pogingen in die zin.[575] Op 12 december 1916 verspreidde de Landelijke Raad ook een nota waarin het de radicale zienswijze van 20 februari 1915 bevestigde. Er kon geen sprake zijn van een conferentie waar ook de socialisten van de centralen op zouden aanwezig zijn, de inspanningen voor de vrede werden “vergeefsch en gevaarlijk” genoemd, en men wilde geen andere vrede zien dan deze door een overwinningsoorlog. De nota, die er op voorspraak van Wauters was gekomen, handhaafde ook de visie dat er geen annexaties mochten gebeuren die tegen de vrije wil van de betrokken bevolkingen zouden geschieden.[576] De hele nota betekende het failliet van de Internationale en haar vredespogingen.

Deze zienswijze strookte niet met die van Anseele, die de hele vredeskwestie genuanceerder bekeek en zoals gezegd wel achter het hervatten van het internationale overleg leek te staan, en dat ook na de nota tijdens de Stockholm-episode zou bepleiten. Zijn er dan redenen om aan te nemen dat Anseele de nota had goedgekeurd of van het bestaan ervan afwist? Zekerheid daarover hebben we niet omdat de verslagen van de Bureauvergaderingen van de BWP tussen 22 augustus 1916 en 11 april 1917 niet bewaard zijn gebleven. Ook Darin stelt zich de vraag in welke mate de nota een eenmansactie van Wauters was, dan wel centraal gecoördineerd was.[577] Maar ondanks Anseeles genuanceerdere mening over de Internationale wees hij de nota naderhand blijkbaar ook niet ten gronde af, wat doet vermoeden dat dat ook op 12 december 1916 het geval was. Op 3 mei 1917 zou hij immers de herbevestiging van de nota goedkeuren ondanks het feit dat hij de opheffing ervan had gevraagd (cfr. infra).[578] Het is duidelijk dat hij de eenheid in de partij niet op de helling wilde zetten. Of misschien was hij in december 1916 (kortstondig) van mening veranderd als gevolg van de deportaties van de arbeiders en stond hij principieel achter de nota? We weten het niet.

Naar de redenen voor de kloof onder de Belgische socialisten hebben we het raden, maar we mogen misschien wel vermoeden dat Anseele vanwege de harde realiteit in het Etappengebied veel meer de nood inzag aan een vrede. De bevolking in het generaal-gouvernement had zoals gezegd niet zo sterk te lijden onder de oorlog als deze van het Etappengebied. Misschien waren ook de historische banden tussen Gent en de Duitse socialisten een deel van de verklaring. Of was het standpunt van Anseele tactisch geïnspireerd, zoals dat bij de Stockholm-kwestie zou naar voren komen?

 

De meningsverschillen betekenden echter geenszins dat Anseele zich krachtig distantieerde van zijn partijgenoten: hij deed er naar buiten toe het zwijgen toe. Van een debat (in het openbaar) met zijn partijgenoten was er geen sprake. Waarschijnlijk speelde ook hier de pragmatische geest van Anseele een rol. Voor hem was de kwestie blijkbaar niet belangrijk genoeg om zijn eigen positie binnen de BWP of de werking van de partij zelf in gevaar te brengen. Maar net omdat Anseele naar de buitenwereld toe nooit expliciet een standpunt over de meningsverschillen in de BWP innam, werd hij het onderwerp van een polemiek in de Nieuwe Gazet van Gent (pleitbezorger van een vrede) omtrent zijn stilzwijgen over de BWP-nota van 12 december 1916. De BWP-nota was Frans Primo (hoofdredacteur Nieuwe Gazet van Gent) op 16 januari 1917 ter ore gekomen. De Nieuwe Gazet van Gent was verrast over het geheim manifest, dat “zoo scherp” afbreuk deed “aan de steeds hooggehouden ideeën, van algemeene verbroedering der volken en van wereldvrede.” Maar vooralsnog geloofde Primo er niet veel van. Gent was immers het brandpunt van het Belgische socialisme, en ook in Gentse socialistische kringen had de nota als een verrassing geklonken. En waarom zou dat manifest, dat zou zijn opgesteld door “al de afgevaardigden van de Belgische Arbeiderspartij in het geheim”, daadwerkelijk geschreven zijn, terwijl Anseele - toch een van de afgevaardigden van de BWP - in zijn 1-meiredes elk geheim verdrag heel scherp had veroordeeld en er in Vooruit stellig werd beweerd dat de Internationale niet dood was?! “Anseele zei, dat de Internationale er op gericht is rassenhaat en rassentrots niet meer tot bloedige botsingen te laten komen: het manifest der geheime vergadering der Belg. Arbeiderspartij, sluit uit de Internationale betrekkingen buiten, de socialisten van Duitschland, wellicht ook die van Oostenrijk, en beoogde daardoor niet de verbroedering der volken en loutering van den rassentrots, maar de oprichting van een Internationale, bestaande uit socialisten van de Entente-landen, in meerderheid Latijnen, dus een Latijnsche Internationale, en een andere, die wellicht zou gevormd worden uit socialisten der centrale landen, in geestelijke meerderheid Germanen, dus een geestelijk-aristokratische Germaansche Internationale! Dit zou dan heeten: louteren van den rassentrots? Neen, dat kan de Belgische Arbeiderspartij onder geen voorwendsel willen nastreven!,” schreef het dagblad.[579]

Ondanks het feit dat Anseele toch rechtstreeks werd aangesproken, hield hij zijn lippen (naar buiten toe) nog steeds stijf op elkaar. Het was het activistische dagblad zelf dat op 23 januari klaarheid schepte: het geheime manifest was “een poets gebakken aan de BWP”, zoals het op 16 januari al vermoedde. “Maar nu komt het! Het is een poets gebakken door enige harer eigen strijders.” M.a.w., de nota was echt maar ging niet uit van alle partijgenoten.[580] Huysmans ontkende het bestaan van de nota, maar hij werd tegengesproken door Vandervelde.[581] Over de wijfelende houding van Anseele hadden we het al: waarschijnlijk stond hij niet volledig achter de nota, maar had hij ze mee goedgekeurd om de eenheid binnen de BWP te bewaren. Maar niets sluit uit dat de nota ook voor hem als een volslagen verrassing had geklonken.

Op 11 maart deed de Nieuwe Gazet van Gent een nieuwe poging om te weten te komen hoe Anseele stond tegenover het manifest, toen het in de Belgische Socialist, het blad van Huysmans, had gelezen dat Anseele “van het zelfde gedacht” was als Huysmans. “Moet aan de bewering in Huysmans’ blad geloof geschonken worden, dan zouden hieruit verscheidenen, tot hiertoe in duister gehulde punten plots ophelderen… of nog duisterder worden,” schreef de Nieuwe Gazet van Gent. Klopte de bewering van Huysmans immers, dan was Anseele internationalist en werd het hoog tijd dat hij daarvoor zou uitkomen. De auteur van het artikel geloofde de bewering van de Belgische Socialist echter niet, als een gevolg van Anseeles optreden tegenover de Socialistische Jonge Wachten (cfr. infra).[582]

Het dagblad bleef proberen om Anseele aan het praten te krijgen. N.a.v. 1 mei hoopte men eindelijk zijn standpunt te leren kennen: “Naar aanleiding van de verklaring van M. Kamiel Huysmans en van zijn bewering ten opzichte van de meening van M. Anseele is men dus gerechtigd te verwachten dat deze laatste zich omtrent zijn standpunt in het openbaar zou uitspreken. Zou M. Anseele aan het proletariaat wellicht de verrassing sparen voor het aanstaande Eerste Mei-feest, dat zooals aangekondigd, “een grootsch Vredesfeest” belooft te zijn? Er heerscht eenige spanning in dit vooruitzicht.”[583] Anseele hield dat jaar echter uitzonderlijk geen 1-meirede, wat voor de Nieuwe Gazet van Gent meteen voldoende was om te besluiten dat Anseele zich niét op het standpunt van Huysmans stelde.[584]

Het voortdurende zwijgen van Anseele was opvallend, omdat hij in deze zaak gecompromitteerd werd. Het was zelfs markant dat hij geen 1-meirede uitsprak. De verklaring voor zijn stilzwijgen kan zijn dat hij er niet openlijk voor durfde uitkomen dat hij het “geheime manifest” mee had goedgekeurd. Wij denken immers in tegenstelling tot de Nieuwe Gazet van Gent dat Anseele wel dezelfde mening toegedaan was als Huysmans, maar dat hij om partijpolitieke redenen de nota wél had goedgekeurd. Hij wilde zich niet distantiëren van zijn partijgenoten zoals zijn stilzwijgende houding over het “geheime manifest” aantoont, en langs de andere kant kon hij het tegen zijn achterban waarschijnlijk niet maken om niet voor de vrede te ijveren. En dus was een stilzwijgen misschien wel de beste optie. Dat hij ten gronde immers nog niet van mening was veranderd over het internationale overleg, wat zijn stilzwijgen had kunnen verklaren, bewijst dan weer de Stockholm-episode.

 

 

 4.3. De Stockholm-kwestie

 

In Den Haag had er zich in april 1917 een Hollands-Scandinaafs comité gevormd dat zich zou gaan bezighouden met het bijeenroepen van de voltallige ISB in Stockholm. De uitnodigingen werden op 22 april verstuurd naar de minderheids- en meerderheidssocialisten. In concreto was het de bedoeling om de socialisten van alle oorlogsvoerende partijen bijeen te brengen om te overleggen over de vrede.[585]

Anseele ijverde binnen de BWP voor een deelname aan de conferentie, zoals hij al de hele oorlog had gepleit voor het bijeenkomen van de Internationale. Nadat ook de Russische kameraden, die na de februarirevolutie merkelijk aan invloed hadden gewonnen, zich hadden uitgesproken voor de bijeenkomst, kwam het Bureau van de BWP bijeen om over de kwestie te beraadslagen. Door de vraag van de Russen waren er nieuwe elementen opgedoken die een herziening van de nota van 12 december (waarin dus elk internationaal overleg scherp werd afgewezen) misschien nodig maakten, zo erkende ook Wauters. Op 3 mei zou Anseele naar Brussel afzakken. De Brusselse partijgenoten wilden klaarblijkelijk de zitting voorbereiden, en vergaderden op 2 mei al. Er werd beslist dat er ondanks de nieuwe elementen geen sprake kon zijn van een Belgische delegatie te sturen naar Stockholm. Daarover was geen discussie mogelijk, en Anseele zou dat moeten aanvaarden.[586] Op 3 mei pleitte Anseele zoals men had verwacht voor het hervatten van de socialistische relaties. Hij vond dat de nota van 12 december 1916 moest vergeten worden, omdat ze de BWP in een lastig parket bracht binnen de Internationale terwijl het nodig was “que nous montrons devant le monde entier ce que les socialistes veulent.” Hij wees erop dat elke socialist vurig een vrede wenste en zo snel mogelijk, maar dat het een duurzame vrede moest zijn. De Stockholm-conferentie was voor Anseele een belangrijk middel in het diplomatieke spel naar een duurzame, socialistische vrede en hij benadrukte daarmee vooral de tactische overwegingen voor zijn pro-standpunt. Of hij probeerde toch met tactische argumenten zijn visie door te drukken, dat kon ook. De tegenstand op de vergadering was echter zoals op 2 mei was bepaald groot, en uiteindelijk keurde Anseele de handhaving van het manifest van 12 december 1916 goed. Het besluit zou wel herzien worden indien de Fransen en de Engelsen t.a.v. Stockholm van mening zouden veranderen. Eigenlijk was dat een overwinning voor Anseele, die erkende dat een deelname aan de conferentie zonder dat de Fransen en Engelsen aanwezig waren niet wenselijk was.[587]

 

Ondertussen werd er achter de schermen al voor geijverd dat Anseele een reispas zou ontvangen van de Duitse overheden voor het geval er een conferentie zou plaatsvinden. Iemand had daarvoor blijkbaar Ebert aangeschreven, want die drong erop aan dat het verzoek werd ingewilligd.[588] Von der Lancken had daar geen bezwaren tegen, op voorwaarde dat de Belgische socialisten zich zelf zouden komen aanbieden.[589] Voor Huysmans en de rest van het Stockholm-comité bleek de aanwezigheid van Anseele te Stockholm zeer belangrijk, waardoor er vanuit die hoek bij de Duitsers ook vaak werd op aangedrongen.[590] De activisten echter, die met Primo en Joris en met steun van de Duitsers door het organisatiecomité werden ontvangen (ze wilden de wind uit de zeilen nemen van de besluiteloze BWP), zouden via de Raad van Vlaanderen, een eenzijdig opgericht activistisch parlement, proberen te verhinderen dat de pas aan Anseele zou verleend worden.[591] Omdat de conferentie uiteindelijk niet doorging, konden we de uiteindelijke beslissing van de Etappeninspektion, die in laatste instantie de bevoegdheid had, niet achterhalen.[592]

 

Anseele was er in juni wel meer dan ooit van overtuigd dat de BWP niet kon wegblijven op de Stockholm-conferentie. Hij liet om die reden speciaal het socialistische middencomité van Gent, waarvan sinds 25 oktober 1916 geen verslagen meer werden bijgehouden in het verslagboek, bijeenroepen om de houding van de Gentse federatie te bepalen. Omdat de Russische kameraden zich ongenuanceerd pro Stockholm hadden uitgelaten, vond Anseele dat de BWP er zich onmogelijk aan kon onttrekken. Blijkbaar was er voor de stellingname van de Russen toch enige twijfel, ook bij hem. Enkele Gentse socialisten, zoals Coppieters, waren na het nieuws van de Russen ook plots gewonnen voor de conferentie. Aan de zitting in Brussel van 3 mei had Anseele een goed gevoel overgehouden: hij had de indruk “dat de Kameraden voorstanders waren, van het zenden eener afvaardiging naar de conferencie van Stockholm.” Op 13 juni was er een zitting van de Algemene Raad van de BWP gepland (op vraag van Anseele), en de Gentse federatie zou er, zo werd besloten, met vijf personen waaronder ook Anseele voor deelname aan de Stockholmconferentie pleiten. Van de Duitse overheid zou geëist worden dat men te Stockholm vrij mocht spreken en dat in Vooruit de reden voor het aanvragen van de passen zou mogen verdedigd worden.[593]

Het optimisme van Anseele over zijn Brusselse kameraden bleek onterecht. Op de zitting van 13 juni had hij opnieuw te kampen met heftige tegenstand binnen de BWP. Lekeu wees erop dat Vandervelde had getelegrafeerd dat “il ne peut être question de renouer les relations avec des gens qui ont trahi le socialisme aussi effrontément que les hommes de la majorité de la social-démocratie”, en stelde de vraag van wie de Russische oproep nu eigenlijk uitging. Anseele repliceerde dat men zich niet moest laten leiden door de verklaringen van deze of gene afgevaardigde van het land, omdat de verklaringen niet op haar waarheid konden worden gecontroleerd. Opmerkelijk was dat hij zich openlijk afvroeg of Vandervelde nog wel moest gevolgd worden: “N’oublièz (sic) pas que nous sommes devant le fait le grandiose de l’histoire socialiste: la Révolution Russe qui a détroné le Tzar; cela doit cependant vous dire quelque chose à les gens qui ont fait celà nous invitent à une réunion et vous ne pouvez pas la refuser.” Wat er toe deed was enerzijds het tactische argument “que nous ayons notre mot à dire dans les conditions de la paix”, en anderzijds de hereniging van de Internationale: “et que nous fassions revivre le plus tôt possible l’Internationale Socialiste.” Die was immers niet alleen door de Duitse stemming van de oorlogskredieten maar ook door de Zimmerwald- en Kienthalbeweging op de helling gezet (cfr. infra). Het argument dat het niet wenselijk was om met de Duitse socialisten van de meerderheid te spreken, veegde hij van tafel: “Les membres de la majorité de la social-démocratie allemande ne sont rien pour moi. Ils ont failli à leur devoir et nous devons le leur dire: pour le leur dire il faut que nous soyons en leur présence à la première occasion.” De vraag was wel in welke mate zijn scherpe mening over de Duitse socialisten gemeend was. Herinneren we ons het hartelijke gesprek tussen oorlogscorrespondent voor Vörwarts Köster en Anseele enkele maanden later, waarover Köster schreef “[vertaald] […] zullen wij niet het minst bang hoeven ze zijn voor het oordeel dat over Duitschland zal uitgesproken worden in de veronderstelling echt dat al onze vijanden bestaan uit personen zooals Anseele.”[594]

Hoe dan ook, de argumentatie van Anseele viel bij Wauters, Troclet, Lekeu en Vinck in dovemansoren. Het feit dat de Duitse socialisten aanwezig zouden zijn bleef het struikelblok. Anseele deed nog een laatste poging. Hij benadrukte dat Stockholm nodig was om de Internationale te doen herleven. Hij erkende dat de Duitsers België wilden annexeren, maar wat hadden ze te vrezen nadat alle partijen die naar het Hollands-Scandinavisch comité waren geweest hadden verklaard dat ze de herstelling van België wensten? Wat kon een volk met vier miljoen stemgerechtigden inbrengen tegen de rest van de partijen op de conferentie? Volgens hem niets, en dus moest men niets vrezen indien men van de Duitsers de garantie zou krijgen om vrij te spreken.

De tegenstand was echter te groot. In de resolutie die werd aangenomen, werd de nota van 12 december 1916 gehandhaafd en werd beslist dat de BWP haar beslissing over Stockholm zou uitstellen tot na de intergeallieerde conferentie die in Londen zou plaatsvinden. De resolutie was met “presque unanimité” aangenomen. Meer dan waarschijnlijk had Anseele tegen gestemd: hij was immers de enige die tijdens de vergadering voor Stockholm had gepleit.[595]

 

Anseele bleef ijveren voor Stockholm, waarvan de geplande datum door de praktische problemen steeds bleef opschuiven. Aan het Bureau had hij naar aanleiding van het vervoegen van het Hollands-Scandinaafs comité door de Russen de vraag gestuurd om op 1 augustus de Algemene Raad bijeen te roepen. De brief die was gedateerd op 19 juli bereikte Brussel pas de 28ste. Op 31 juli kwam het Bureau bijeen om erover te beraadslagen, met het nieuws in het achterhoofd dat de Franse socialisten zich bereid hadden getoond om naar Stockholm te gaan. Lekeu was niet geneigd op de vraag in te gaan, maar dat was omwille van praktische redenen. Ofwel moest de vergadering in het geheim doorgaan, ofwel zouden er Duitse spionnen aanwezig zijn. Geen van beide was ideaal. Politieke vergaderingen waren immers verboden, tenzij er toestemming werd verleend door de Duitsers. Hij was eerder voorstander van een zitting van een uitgebreid Bureau dat zich zou uitspreken over Stockholm. De meningen waren verdeeld, en er werd besloten om de vraag voor een Algemene Raad voor te leggen aan een uitgebreid Bureau.[596] Op die (ongedateerde) zitting protesteerde Lekeu eerst tegen de onvoorzichtigheid van de Gentse federatie, die niet aan de gevolgen had gedacht van een brief via de censuur te versturen. Daarna werd het antwoord aan de Gentse federatie unaniem aangenomen. Daarin stond dat de BWP, cfr. aan de beslissing van 13 juni, bij haar besluit bleef om de intergeallieerde conferentie van Londen, gepland voor 8 en 9 augustus, af te wachten alvorens een beslissing te nemen.[597] Die conferentie werd trouwens een fiasco.[598]

Op 8 augustus werd de vraag van de opportuniteit van het bijeenroepen van de Algemene Raad weer voorgelegd aan een uitgebreid Bureau, omdat de Fransen en Engelsen zich ondertussen in principe hadden uitgesproken voor Stockholm. Ditmaal werd er beslist dat de Algemene Raad zou bijeenkomen, op 22 augustus. Er waren drie tegenstemmen, maar van de pro-stemmers bleken de meeste nog steeds tegen Stockholm gekant.[599]

De Algemene Raad werd geopend door voorzitter Delporte, die de wens uitdrukte dat men de vergadering verenigd zou verlaten. Meteen werd dus benadrukt dat de vergadering gewichtig was, en het karakter daarvan werd versterkt doordat de zitting geheim, en dus niet toegelaten, was. Niets van wat er gezegd werd, zou mogen uitlekken naar de pers. Opvallend was dat Anseele, de bezieler van de bijeenkomst, niet aanwezig was. De Gentenaars hadden laten weten dat ze de intentie hadden te voet te komen (op die manier waren geen reispassen nodig en kon de zitting onopgemerkt gehouden worden), maar blijkbaar hadden ze het niet gehaald. Op de vergadering zou Wauters het standpunt van Anseele verdedigen, maar merkwaardig genoeg blijkt uit de notulen dat hij het woord niet genomen heeft. Zowel de Antwerpse, Luikse delegatie en de delegatie uit Soignies als de Brusselse syndicaten (o.l.v. Jacquemotte, die later de Belgische communistische partij zou oprichten) drukten zich voor Stockholm uit. De tegenargumentatie, verwoord door Meysmans, Vinck, Bologne, Lekeu, Colleaux en Debunne, werd opnieuw gevoed door de reserves t.a.v. de Duitse meerderheidssocialisten. Nationaal gezien bleek Anseele niet geïsoleerd te staan met zijn pro-standpunt, maar toch werd een aanwezigheid op de Stockholm-conferentie met vrij grote meerderheid verworpen. Er was 1 onthouding, en 30 tegenstemmers stonden tegenover 8 socialisten die pro waren. Daarmee was de kwestie definitief van de baan.[600]

Ook Anseele legde zich blijkbaar neer bij de beslissing. Op 5 september 1917 was hij immers aanwezig op een vergadering tussen het Bureau, de syndicale commissie en het Brusselse arbeiderscomité van de voeding, zonder dat de Stockholm-kwestie ter sprake kwam. Anseele en Wauters - over Stockholm scherp van mening verschillend - overlegden constructief over de problemen i.v.m. de bevoorrading van de bevolking.[601] En ook in Vooruit verscheen er geen onvertogen woord over de kwestie.

Veel deed het er hoe dan ook niet meer toe, want het werd steeds duidelijker dat de conferentie van Stockholm, en dus de hergeboorte van de Internationale, er niet zou komen. De geallieerde regeringen weigerden reispassen aan haar socialisten en het vinden van een gepaste datum bleek heel moeilijk, maar eigenlijk waren dat niet de voornaamste redenen. Het was vooral het Belgisch Memorandum (opgesteld door De Brouckère en Vandervelde met de gebruikelijke nationalistische argumentatie), de schipperende houding van de Engelse socialisten (die Stockholm in Blackpool definitief van de hand wezen) en de onenigheid over de oorlogsdoelen onder de Entente-socialisten eind augustus in Londen (waar de Fransen vooral dwars lagen en De Brouckère en Vandervelde een bedenkelijke rol speelden) die definitief het doek wierpen over het initiatief.[602]

 

Naar buiten toe had Anseele ook over Stockholm de optie van de zwijgzaamheid verkozen, zodat de Nieuwe Gazet van Gent hem opnieuw zou uitdagen om te spreken. “Terecht vragen velen onder hen zich dan ook af, wat zij [de Gentse proletariërs] aan hunnen leider, M. Anseele, hebben: hier hult hij zich in stilzwijgendheid, niemand kent zijn meeningen in deze partijzaak, de kiezers weten niet waaraan zich te houden. Een socialist uit Vooruit hoorde men de vraag stellen: “Is Anseele bij de mannen van het geheim manifest of staat hij aan de zijde van gezel Huysmans?” In andere woorden: is hij van de meerderheids- of wel van de minderheidsfraktie der Belgische socialisten?,” schreef het blad op 13 mei 1917.[603] Dezelfde pragmatische houding als bij de nota van 12 december 1916 moet aan die stilzwijgende houding ten grondslag hebben gelegen: het bewaren van de partijeenheid en het zichzelf niet compromitteren. Pas op 27 mei zou de Gentse federatie voor het eerst openlijk stelling innemen via het dagblad Vooruit. Aangezien dat zo lang geduurd had, mogen we aannemen dat de tekst weloverwogen was en er niet was gekomen zonder de goedkeuring van Anseele. We gaan er dan ook van uit dat het artikel “Een Roode Verrijzenis” van Jos Coole de mening van Anseele weerspiegelt. Blijkbaar was het moment gekomen om wat extra druk te zetten op de partijgenoten in Brussel, of vond Anseele het niet langer houdbaar om tegen zijn achterban zo dubbelzinnig te blijven acteren. Het Stockholm-initiatief werd in het artikel geloofd: “Stockholm is heden ’t aantrekkingspunt waarop de blikken van miljoenen menschen hoopvol gevestigd zijn”, en werd een “mijlpaal” genoemd, “als een roode lichtbaak die den gezichteinder verheldert.” Vooral de betekenis ervan voor het voortbestaan van de Internationale werd benadrukt: “de konferentie van Stockholm is eene koene, welberekende en ten gepasten tijde komende daad, die op de toekomst der Internationale een blijvende invloed zal nalaten.”[604] Het punt was gemaakt in de aanloop naar de bijeenkomst van 13 juni (cfr. supra). Daarna bleef de stem van de Gentenaars in Vooruit opnieuw afwezig, hoewel uitvoerig bericht werd over de voorbereidingen van Stockholm. Dat wijst er op dat Anseele dan wel voorstander van de conferentie was, maar dat hij er niet alles voor op het spel wilde zetten.

Toen op 13 juni bleek dat Anseeles interne loyaliteit niet meer zo ver ging als in mei - ditmaal had hij durven tegenstemmen in de BWP-vergadering -, bleef Anseele naar buiten toe de eenheid bewaren. In Vooruit werd het besluit van de BWP, zogezegd “met algemeene stemmen aangenomen”, meegedeeld. Het dagblad benadrukte wel dat het géén afwijzing van Stockholm was, “maar het stellen eener voorafgaande kwestie, met het doel om met beredeneerde en heldere voorstellen voor den dag te komen en vele verwarring te voorkomen.”[605] Dat ondanks het gegeven dat de partijgenoten het dan weer niet zo nauw namen met de interne eenheid: Vandervelde verheugde zich erover dat de Algemene Raad zich op zijn standpunt had gesteld, en wilde het bij de internationale vrienden op die manier ongenuanceerd aanbrengen.[606] En het Bureau wilde Anseele duidelijk weren op de intergeallieerde conferentie.[607]

Voor de Nieuwe Gazet van Gent zou het tot begin juli duren eer ook zij ervan overtuigd waren dat Anseele pro Stockholm was. Het artikel uit Vooruit van 27 mei werd oorspronkelijk doodgezwegen. Pas op 4 juli besloot de activistische redactie dat Anseele pro Stockholm was.[608]

 

Wat we uit dit alles kunnen besluiten, is dat Anseele steeds een voorstander bleef van een hervat overleg tussen de socialisten. Of dat louter uit strategische overwegingen was (wegen op de vredesbepalingen) of haar oorsprong vond in een verlangen naar vrede an sich, is wel niet duidelijk. Om zijn partijgenoten te overtuigen gebruikte hij alleszins voornamelijk argumenten van strategische aard, iets wat ook door Darin zo wordt geïnterpreteerd.[609] Hoe dan ook wilde hij de Internationale, verscheurd door de nationalistische houding van alle fracties en de Zimmerwald- en Kienthalbeweging, herenigd zien. En misschien speelde het ook wel mee dat Stockholm een grote baken van hoop was voor de bevolking. Ook daarom was de Stockholm-conferentie belangrijk.

Maar de eenheid binnen de BWP bleek het allerbelangrijkste. Die moest boven alles gehandhaafd worden. Naar buiten toe liet Anseele daar geen twijfel over bestaan. Op een enkel artikel in Vooruit na dat zich voor Stockholm uitsprak, bleef het partijblad van de Gentenaars loyaal. Haar pro-standpunt bleef wel duidelijk omdat het alle vredespogingen op de voet bleef volgen, maar werd niet expliciet herhaald. Maar ook intern bleef Anseele loyaal en constructief. Zo keurde hij aanvankelijk de herbevestiging van de nota van 12 december 1916, tegen zijn wil in, mee goed. De strijd voor Stockholm probeerde hij wel in zijn voordeel te beslechten, maar hij deed dat via de gebruikelijke partijkanalen. En bovendien legde hij zich ook (vermoedelijk zonder problemen) neer bij de democratische beslissing van de Algemene Raad. Hij had samen met Huysmans bij de andere Belgische socialisten geijverd voor de Stockholm-conferentie, maar had verloren. En dat was dan dat.

 

Binnen het Belgische BWP-kader kwam een mogelijk onderhoud met Duitse socialisten pas in augustus 1918 weer ter sprake. De Duitse socialisten hadden laten weten graag met de Belgische socialisten te spreken. Anseele was voor, onder het motto dat het moment nu misschien wel gekomen was, maar binnen het Bureau zou hij opnieuw op heftige tegenstand stuiten. Van een overleg kwam er bijgevolg opnieuw niets terecht.[610] Ondertussen hadden de Belgische socialisten zich wel verzoend. De verschillen, die op het eerste zicht vooral strategisch geïnspireerd waren, vlakten uit en de minderheid werd door de meerderheid erkend, waardoor een toenadering mogelijk was. De belangrijkste stappen werden genomen door Vandervelde, de Brouckère, de Man, Huysmans en Eckelers. Anseele was daar dus niet rechtstreeks bij betrokken, maar onoverkomelijke problemen waren er toch niet tussen hem en de Brusselse socialisten. De Stockholm-episode zou geen zichtbare blijvende wonden slaan.[611] Denken we bijvoorbeeld in die zin ook aan de nieuwjaarswensen voor 1918 van Vooruit, waarin de vrede opnieuw als het hoogste goed werd verkocht maar er niet werd teruggekomen op de Stockholm-episode.[612] Opvallend was ook dat de 1-meirede van Anseele van 1918 over de vrede en de Internationale, vermoedelijk om dezelfde reden van de partijeenheid, niet in Vooruit werd opgenomen.

 

 

 4.4. De Gentse Jonge Wachten en de Vredesgroep

 

De loyale houding die Anseele kenmerkte tijdens de Stockholm-periode zou hij niet hanteren tegenover de Gentse Socialistische Jonge Wachten (SJW), later met ouderen uit de Gentse socialistische federatie uitgebreid tot de Vredesgroep. Deze jonge Gentse socialisten trachtten in 1917 de Gentse partijfederatie ertoe aan te zetten stappen te ondernemen naar een snelle vrede, wat Anseele maar matig kon appreciëren. Al voor de oorlog bestonden er binnen de kringen van de Jonge Wachten linkse marxisten, maar het was pas tijdens de oorlog en met dank aan hun vredesstandpunt dat zij konden doorbreken en voor de Gentse federatie een bedreiging konden worden. Zonder dat zo expliciet uit te spreken, verdedigde de Vredesgroep in grote lijnen dezelfde standpunten als de Zimmerwald- en Kienthalbeweging.[613] De SJW stelden zich eerder op een Stockholm-standpunt en waren nog iets constructiever, maar beide lagen wel duidelijk in elkaars verlengde.[614] Zimmerwald en Kienthal waren de twee locaties waar de minderheidssocialisten onder impuls van de (toen neutrale) Italiaanse en Zwitserse socialisten waren bijeengekomen om de houding van de meerderheidssocialisten te hekelen. Het werd die laatste immers aangerekend dat de Internationale geen doortastende stappen had ondernomen om tot een vrede te komen. In het manifest dat in Zimmerwald (september 1915) unaniem werd goedgekeurd, werden de socialistische partijen van de oorlogvoerende landen en het ISB ervan beschuldigd de taak niet te hebben vervuld die de resoluties hen hadden voorgeschreven en werd de participatie aan de godsvrede streng veroordeeld. In Kienthal (april 1916) werd die boodschap nog verder geradicaliseerd doordat ook het utopische pacifisme van de Scandinavische en Nederlandse socialisten werd afgewezen en doordat de gematigde stromingen van Zimmerwald, die geen breuk met de IIde Internationale wensten, werden veroordeeld.[615] De Gentse SJW sloten zich inhoudelijk op bepaalde vlakken aan bij de resoluties van Zimmerwald, al wensten zij géén breuk met de BWP of Internationale maar wilden ze vía de Internationale ageren. De Vredesgroep was zoals gezegd iets radicaler in haar standpunt t.a.v. de Internationale (ze wilden de oprichting van een IIIde Internationale[616]), maar bleef op zich ook vrij centristisch en behoorde dus ook niet tot de radicale groepen binnen de Zimmerwald-beweging. Het grote verschil lag hem in de visie op de Internationale en de BWP. Over de visie op de oorlogsoorzaken en het vredesstandpunt waren de standpunten van de SJW en de Vredesgroep eerder hetzelfde.

In juli 1918 gaf de Vredesgroep met “Ons Standpunt” een bundel uit waarin haar positie was samengevat. Zoals ook in Zimmerwald was gebeurd, werd de inertie van de IIde Internationale aangeklaagd en de godsvrede afgedaan als een voorwendsel van de heersende klasse om de arbeiders te binden aan een zaak die niet in hun belang was. Maar ook de BWP ontsnapte niet aan de kritieken: “Onze voormannen lijden aan de ziekte der gemakzucht. De tijd van den opofferingsgeest heeft voor hen uitgedaan. Zij dragen de verantwoordelijkheid voor het laten voorbijgaan der kleinste mogelijkheid om iets te doen aan ophelderingsarbeid in de werkershoofden. In de uren van den nijpendsten nood, waar het ging om woorden in daden om te zetten, waar het gold het leven van duizenden klassegenooten, werd het proletariaat door hen in de steek gelaten. Het Belgisch regeerings socialisme is geworden doof, stom en blind. Het verloor, gewild, den zin de wereldgebeurtenissen ten bate van het socialisme te gebruiken,” besloot de bundel. Analoog aan Zimmerwald was ook dat in de ogen van de Vredesgroep de (enige) oorzaak voor de oorlog diende gezocht te worden in het imperialisme en de drang naar afzetgebieden van de kapitalistische staten. De arbeidersklasse zelf had niets te winnen bij een oorlog, en om die reden moesten alle socialisten volgens de Vredesgroep dan ook meteen en onvoorwaardelijk ijveren voor een onmiddellijke vrede.[617]

In grote lijnen mogen we dat standpunt ook doortrekken naar de SJW. Zij werden ook in Roode Jeugd verdedigd, het maandblad dat de SJW sinds augustus 1917 uitgaven. In het eerste nummer klonk het “Wij, arbeiders, hebben geen belang bij den oorlog, op verre na niet. We hebben er alle belang bij dat de oorlog niet uitbreekt, en als hij toch uitbreekt, dat hij zoo spoedig mogelijk eindige.”[618] In de vredesmotie van de groep werd ook duidelijk aangeduid dat de arbeiders bij een oorlog, die was voortgekomen uit het kapitalisme, niets te winnen hadden. Wat telde was een snelle vrede.[619] In een reeks theoretische artikels werd het falen van de Internationale en het kapitalisme ook nader toegelicht.

 

De Gentse Jonge Wachten werden in januari 1916 in de illegaliteit heropgericht, en konden daarbij op zijn minst op de passieve steun van de wijkclubs rekenen. Omgekeerd vertoonden de Jonge Wachten ook een opvallende homogeniteit t.o.v. de partijleiding. De vredesmotie van januari 1917, die het conflict in gang zette, kwam volgens Yves Puissant dan ook als een volslagen verrassing. Toch waren er volgens hem van meet af aan al enkele spanningen tussen partijleiding en SJW, wat meteen zijn eigen standpunt nuanceert. Zo werd een kritiek op de 1-meirede van 1916 van Anseele niet in Vooruit opgenomen omdat ze een kritiek inhield op Anseeles standpunt van regeringsdeelname. Maar het belangrijkste conflict werd in het middencomiteit uitgevochten. Begin september mochten de SJW van de afdeling Brugsepoort geen lezingen meer houden in hun lokaal zonder goedkeuring door de censuur. Ze hadden beelden getoond van Duitse marxisten.[620] In het middencomiteit legde het bestuur van de Heuvelpoort uit wat er scheelde: er was een plaatsgebrek maar ook zonder dat plaatsgebrek waren er genoeg redenen om afstand te nemen van hen “die hun zouden leeren woorden verdraaien”. M.a.w., de inhoud van de lezingen was niet naar de zin van het middenbestuur. Brans nam in het comiteit de verdediging op van de SJW door op de man (De Backer) te spelen, maar stootte op verontwaardigd protest van Anseele “tegen de lastertaal […] aangaande de invloed van gezel De Backer.” Anseele waarschuwde dat hij het niet zou dulden dat de propagandisten aan de Heuvelpoort werden afgeschilderd als “menschen die kruipen voor een beetje brood.” En over de onderwerpen van de lezingen liet hij weten: “Het is waar, de houding van zekere jongeren, geeft aanleiding tot wantrouwen bij de oudere partijgenooten. In de schrijvers die gij zelf opgeeft en uit wiens schriften gij uwe voordrachten put, zijn er twee, die in Nederland, juist rechtstreeks tegenover de Partij staan. Er zijn andere schrijvers onder andere Troelstra, die voor de jongeren beter en schooner geschreven hebben dan Garther en Roland Helst. Waarom deze niet gebruiken? Dit gebeurt met opzet.”[621]

In de partijkrant Vooruit nam de oppositie tegen de SJW al een aanvang.[622]

 

Op 14 januari 1917 kwam dan de Vredesmotie. Het kapitalisme werd als oorzaak voor de oorlog genoemd en er werd benadrukt dat de werklieden de “zwaarste menschenoffers” brachten. De wapens moesten zo snel mogelijk worden neergelegd. Voor de Internationale was men nog niet echt scherp.[623] In december hadden de SJW het moment gekomen geacht (het was het moment dat de Amerikaanse president Wilson naar de oorlogsdoelen van de oorlogvoerende partijen informeerde met als doel tot een vrede te komen) om naar buiten te komen met de vredesmotie, en ze legden het ontwerp voor aan de Duitse censuur. Er werd ook toestemming gevraagd om een Algemene Vergadering bijeen te mogen roepen waar men de motie zou stemmen. Vooruit had die Algemene Vergadering in het lokaal “Ons Huis” nog in haar kolommen aangekondigd: het was dus niet de bijeenkomst zelf, maar het resultaat ervan dat voor Anseele en zijn kameraden de deur dicht deed.[624]

Zij konden het motie-ontwerp inderdaad niet appreciëren. Op 21 januari verscheen in Vooruit immers een aankondiging van “het Partijbestuur” waarin de motie van de hand werd gewezen: “Een blad [de Nieuwe Gazet van Gent] verschijnt met eene motie ten voordeele van den vrede, gestemd in eene algemeene vergadering […] in “Ons Huis” […] door de bij de socialistische partij aangesloten Jonge Wachten. Wij moeten verklaren van die vergadering niets te hebben geweten en noch min op de hoogte geweest te zijn der dagorde welke aan de bespreking stond dier zoogezegde algemeene vergadering der Jonge Wachten.”

Waarom was Vooruit zo scherp voor een motie die de BWP nergens veroordeelde, die in se niet meer vertelde dan Anseele in zijn 1-meiredes deed en geen revolutionair taalgebruik inhield? Volgens Puissant kwam het gebrek aan partijdiscipline bijzonder ongelegen op een moment dat de Gentse socialisten schipperden tussen klassensamenwerking (via het stadsbestuur) en klassenstrijd. Partijdiscipline was voor Anseele altijd al een belangrijk punt geweest. Zeker werd ook Anseele zelf via de motie uitgedaagd. Om die reden moesten de SJW terug op hun plaats gezet worden en dat werd ook gedaan: ze werden op 24 januari geweigerd op een zitting van het middencomiteit, werden voorgoed verbannen uit de socialistische lokalen en Anseele verklaarde de SJW voor ontbonden en gaf meteen opdracht tot de oprichting van een nieuwe, loyale, SJW-groep.[625] In december 1916 hadden de SJW ook de toelating verkregen voor de uitgave van het maandblad Roode Jeugd, maar het zou zoals gezegd duren tot augustus vooraleer het eerste nummer verscheen. In eerste instantie lagen organisatorische problemen daarvan aan de basis, maar volgens Puissant is het ook goed mogelijk dat Anseele in persoon bij majoor Heitz (censuur) had gepleit voor het verbod op uitgave en daar enig gehoor had voor gevonden.[626] Het was nog maar het begin. Eind mei verspreidden de SJW een manifest onder de bevolking met dezelfde boodschap als de Vredesmotie en met voor het eerst ook een veroordeling van de socialisten van de Entente-landen[627], maar in Vooruit werd meteen weer verkondigd dat dat niets had te maken met “de Socialistische Partij van Gent”.[628] Hetzelfde deed “het Partijbestuur” op 12 augustus 1917 n.a.v. het eerste nummer van Roode Jeugd[629] en in januari 1918 toen de Vredesgroep werd opgericht.[630] Aan de uitgave van “Ons Standpunt” werden zelfs geen woorden vuil gemaakt.

Ook uit het maandblad van de SJW kunnen we iets leren over de manier waarop de groep werd tegengewerkt. Het taalgebruik, waarvan de belangrijkste woorden door ons zijn gecursiveerd, maakt ons daarnaast iets wijzer over de intensiteit waarmee dat gebeurde. In het eerste nummer werd erop gewezen dat de SJW bestonden “uit 350 leden […] ondanks den banvloek over ons uitgesproken door een klein kliekje dat zich het Partijbestuur noemt, alles in ’t geheim schotelt en lepelt, niet eens eene partijvergadering durft samenroepen om over den vrede te spreken, en dat het moediger vindt met leugenachtige berichtjes verwarring in de geesten te brengen aangaande onze vredesmotie op 14 Januari 1917 in Ons Huis gestemd, en onze manifesten hier en in den vreemde zelfs verspreid.”[631] Op het voorstel een volksreferendum te houden werd door het partijbestuur niet eens geantwoord. “Wil het partijbestuur niets doen dan af en toe wat waterachtige declaraties leveren in het partijblad, wat verzuchtingen in plaats van energieke vredespropaganda, dit is zijne zaak. Wij zullen voor hardnekkig onze vredeskampanje blijven voeren met al de jeugdige krachten waarover wij beschikken, en het partijbestuur zal moeten volgen, willen of niet.”[632] Ook Anseele zelf deed zijn best om de groep stil te zwijgen. Een persoonlijke brief van de redactie van Roode Jeugd aan Anseele kreeg geen antwoord. Het zat de SJW/Vredesgroep duidelijk dwars, want er werd tweemaal op teruggekomen. “Wij richtten op 14 December 1917, persoonlijk aan gezel Anseele een schrijven, een smeekschrift mogen wij zeggen, om voor den vrede te beginnen werken, wel wetende dat, als hij het ordewoord gaf, al die anderen die nu op commando ons op de lafste wijze lasteren, hem zouden hebben gevolgd. Wij lieten dus de eer voor vrede op te komen aan het Partijbestuur. Geen antwoord! Dan wisten wij wat wij te verwachten hadden: Gezel Anseele WILDE niet voor den vrede spreken, duidelijk en onbewimpeld althans.”[633] De Gentse federatie trachtte de SJW ook te compromitteren door hen ervan te beschuldigen van activistische inslag te zijn. Het zou tot december 1917 duren eer er onder de jongeren zelf duidelijkheid was. Pas dan weerlegden ze de beschuldigingen: “Roode Jeugd zal zuiver rood blijven of we scheppen ’t blaadje op.”[634]

Vanaf mei 1918 zou de toon in Roode Jeugd nog verscherpen, blijkbaar omdat ook de tegenwerking opnieuw in hevigheid was toegenomen. In mei klonk het scherp: “En zich sociaal-demokraten noemende volksleiders slingeren onbeschaamd, en op spottenden toon, ons den scheldnaam (?) van “Vredesapostels” naar het hoofd; en dit in socialistische lokalen, in socialistische vergaderingen! Zóó ver zijn ze reeds gezonken, die fameuze socialistische leiders, dat zij de benaming van “Vredesapostel” als een scheldnaam opvatten.” De socialistische leiders werden er van beschuldigd alleen te denken aan hun patriottische geldzak: “de oorlog is het profijt van de kapitalisten, het kapitalisme berust op eigenbelang, op het elk voor zich zelven, en daarom zijn die patrioten (sic) zoo oorlogsgezind.”[635] In juli werd de systematische lastercampagne van het partijbestuur met als doel de Vredesgroep te doen springen, “met alle middels”, opnieuw gehekeld. Die eerste zou immers mensen op pad sturen om de Vredesgroep te bekritiseren, erop te schelden, van gesloten vergaderingen gebruik maken om de militanten van de groep te lasteren, ze verdacht te maken als activisten, scheurmakers, enz. Het “naïeve” geloof van de Vredesgroep was aan diggelen geslagen, aldus henzelf, vanwege de intensieve lastercampagne. En voor de slinkse manier waarop had het blad ook geen goed woord over: “En de verantwoordelijke gezellen, Anseele in de eerste plaats, ondanks de dringendste uitnoodigingen bleven achteraan: zij lieten ’t vuile werkje door anderen doen: Pontius-Pilatus taktiek.”[636]

De SJW/Vredesgroep verweten de Gentse socialisten en Anseele vooral een gebrek aan moed om het op te nemen voor de vrede. In haar tweede nummer deelde de redactie van Roode Jeugd de Gentse socialisten in drie groepen in. De groep waartoe Anseele behoorde was zogezegd innerlijk wel voor de vrede, maar zij durfden het niet te zeggen om de Belgische regering niet te compromitteren.[637]

 

Toch betekende dat alles niet dat de groep zich wilde afkeren van de BWP. In het eerste nummer van Roode Jeugd gaf het blad een duidelijk antwoord op de geruchten als zouden de SJW voor een scheuring binnen de partij staan: de groep “wenscht hoegenaamd niet eene minderheid in de partij daar te stellen: zij keurt zelfs alle drijven daarnaar openlijk af” en ze gaven aan zich niet met de partijpolitiek te willen bemoeien.[638] In de praktijk was deze positie niettemin niet houdbaar, omdat de jongeren door hun positionering in het internationale veld (rechterzijde Zimmerwald) sowieso al lieten blijken waarvoor ze stonden.[639] Uiteindelijk werd er ook een Minderheidsfractie opgericht, opnieuw niet met het doel om een scheuring in de partij te veroorzaken, maar om op een georganiseerde wijze binnen de BWP-organisaties voor de vrede te ijveren.[640] Eind 1917 stierf de fractie echter een stille dood.[641] Omdat de Gentse BWP de SJW bleef tegenwerken, zou langzaam maar zeker ook de toon in Roode Jeugd verscherpen. In februari werd dan de Vredesgroep opgericht omdat de SJW door de partij nog steeds geen ademruimte kregen en er heel wat ouderen zich bij de jongeren hadden aangesloten. In Roode Jeugd weerklonken er scherpe woorden als voorbode voor een scherpere opstelling tegenover de BWP: “De partijleiding boycotteert dus alle uiting naar vrede van wege de partijgenooten en weigert halsstarrig, met een ijver eene veel betere zaak waardig, de partijgenooten aan het woord te laten komen, om dan later te kunnen zeggen dat niemand vrede verlangde. Die toestand kan niet blijven duren; de partijleiding maakt misbruik van hare macht van het oogenblik. De Soc. Partij is eene demokratische partij d.w.z. dat alle partijgenooten van welke richting ook het recht hebben in de partij hunne meening te zeggen; dat de wil der meerderheid moet eerbiedigd worden; en dat de Partijleiding in de eerste plaats aan den wil der meerderheid heeft te gehoorzamen. Gezien aan vele partijgenooten die een directe vrede gunstig zijn geweigerd wordt in de partijorganismes, partijbladen en partijlokalen hunne meening te laten kennen, hebben tal van ouderen en jongeren, meest allen beproefde propagandisten voor de socialistische zaak, geen andere uitweg ziende, besloten zelf een vredesgroep te stichten, die zich noemen zal “Vredesgroep der Soc. Partij.”[642] Maar verder dan dit ging de scheuring niet. Er werd geen nieuwe partij opgericht. De SJW bleven aansluiting zoeken bij de BWP, bij de Vredesgroep was dat al minder en omgekeerd was er - zoals gezegd - van toenadering geen sprake. Na de oorlog werden de restanten van de Vredesgroep en de SJW dan ook volledig en officieel uit de partij gesloten.[643]

 

De Nieuwe Gazet van Gent kloeg de houding van de kringen rond Vooruit uitvoerig aan. Nadat het zelf op vraag van de SJW de Vredesmotie had gepubliceerd, wees het niet ten onrechte op de ambivalente houding van Anseele en zijn kameraden: hij deed er aan de ene kant het zwijgen toe als het over het hervatten van de Internationale ging terwijl hij er aan de andere kant alles aan deed om de niet eens revolutionaire groep die voor de vrede opkwam uit de partij te bannen. De krant plaatste kanttekeningen bij het afwijzen door Vooruit van de vredesmotie: “Wat heeft een duistere en geheimzinnige verklaring als deze hierboven overdrukt eigenlijk te beduiden? Zou Vooruit’s partijbestuur door zijne ontwijkende verklaringen, soms bij zijne lezers het gedacht willen doen ontstaan dat het hier gaat om een grapje of een kale uitvlucht?” Dat was het natuurlijk niet aangezien de algemene vergadering in Ons Huis, en dus met medeweten van de Gentse socialisten, had plaatsgevonden. Dat wist ook de Nieuwe Gazet van Gent.[644] We zagen hoger al dat Anseele over zijn stilzwijgen over Stockholm en de Internationale tout court al door de Nieuwe Gazet van Gent gehekeld werd. De krant incorporeerde die kritieken met die over de Vredesmotie en besloot voorbarig dat Anseele niet voor een vrede was. Van Huysmans’ woorden, die beweerde dat Anseele op zijn standpunt stond (cfr. supra), geloofde het blad dan ook niet veel[645] en ook op andere gelegenheden werd er op het afwijzen van de Vredesmotie gewezen. Toen het blad uiteindelijk Anseeles pro Stockholm-standpunt had erkend, liet het niet na opnieuw op de dubbelzinnige houding van Anseele te wijzen: “Terwijl Huysmans ervoor uitkomt dat “wat de burgers van hem denken hem koud laat” voert Anseele een andere leus: “wat de arbeiders van hem denken raakt hem niet.” Een kapitalist-bourgeois kan niet driester.”[646]

De verwijten waren niet onterecht. Hoe kunnen we eigenlijk de tegenspraak in Anseeles optreden verklaren tussen het enerzijds pleiten voor een vrede via de Stockholm-conferentie en het anderzijds doodknijpen van interne oppositie die zich in se op hetzelfde standpunt stelde? Eerst en vooral kon Anseele zich natuurlijk niet positief uitlaten over de vredesmotie van de SJW op een moment dat hij zelf zweeg over de opportuniteit van het bijeenroepen van de Internationale. Dat zou immers een tegenspraak zijn. Waarschijnlijk dienen we de verklaring ook en vooral te zoeken in de partijeenheid die voor Anseele zo belangrijk was in de hele vredeskwestie. Hoe dat speelde tijdens de Stockholm-episode schreven we al. Maar ook ten aanzien van de SJW en de Vredesgroep was de verklaring hoewel overtrokken vrij evident. Anseele zag zich lokaal in zijn positie bedreigd en kon geen interne oppositie verdragen, zoals ook zijn gedrag tegenover de Vrije Socialistenbond aantoont. Ook in het belang van de BWP zelf kon men de Vredesgroep en de SJW missen als de pest. Als er voor vrede werd geijverd, moest dat in de ogen van Anseele via hemzelf gebeuren, en via de gebruikelijke partijkanalen. Dat was duidelijk.

 

 

 4.5. Besluit

 

Anseele was als lid van het Uitvoerend Comité van het ISB een voorstander van het hervatten van het internationaal overleg. Zijn collega socialisten uit de BWP en de andere Entente-landen dachten daar anders over: voor hen was een bijeenkomst van de Internationale ondenkbaar omdat de Duitse socialisten daarop aanwezig zouden zijn. Tijdens de oorlog zouden de meningsverschillen tussen Huysmans en Anseele enerzijds en de Brusselse en Waalse socialisten en Vandervelde en de Brouckère anderzijds groot blijven, tot de verzoening begin 1918. Waarom was Anseele dan voor? We kunnen daar moeilijk een eenduidig antwoord op geven. Waarschijnlijk speelde in de loop van de oorlog een zekere oorlogsmoeheid mee bij hem en zijn kameraden van de Gentse socialistische federatie, die in het Etappen-gebied kennis maakten met de harde kant van deze oorlog. Maar hij zag zeker ook de waarde van de Internationale voor het socialisme in en wilde deze via de Zimmerwald- en Kienthalhoek niet verloren zien gaan. Anseele beargumenteerde zijn standpunt strategisch en gaf daarmee opnieuw uiting aan zijn pragmatisme: hij hoopte druk te kunnen leggen op de vredesbesprekingen om zo tot een socialistische vrede te kunnen komen. Of dat ook de voornaamste réden uitdrukte voor zijn pro-standpunt, is niet zeker, maar we nemen het aan. Nochtans was ook hij na de eerste oorlogsmaand niet langer genuanceerd tegenover de Duitse socialisten, die de voornaamste reden waren voor de Entente-socialisten om de Internationale niet bijeen te roepen. Naast het kapitalisme was voor Anseele ook Duitsland de reden voor deze oorlog, en de Duitse socialisten hadden met hun goedkeuring van de oorlogskredieten meegeholpen aan de imperialistische pletwals die Duitsland was. Met de instelling van de Duitse censuur verdwenen dat soort bespiegelingen in het partijblad, maar Anseele gaf ook in 1917 op een Algemene Raad van de BWP aan met de Duitse socialisten niet hoog op te lopen, al dan niet gemeend.

 

Toch verhinderde dat Anseele dus niet om voor het hervatten van de Internationale te pleiten. Toen de uitnodigingen voor de conferentie van Stockholm waren verstuurd, bleef Anseele naar de buitenwereld toe eerst nog stil. Om die reden zou hij door de Nieuwe Gazet van Gent uitgenodigd worden om te spreken. Pas in mei sprak het partijblad Vooruit weloverwogen haar pro Stockholm-standpunt uit. Dat was meteen ook de laatste keer dat dat zo expliciet gebeurde, al bleef het standpunt wel duidelijk. Binnen de BWP zou hij echter wel hardnekkig ijveren voor het zenden van een Belgische delegatie naar Stockholm. Gezien het nationalistische standpunt van zijn Brusselse partijgenoten was dat niet eenvoudig, en uiteindelijk zou zijn voorstel op de Algemene Raad van 22 augustus met een vrij grote meerderheid verworpen worden. Anseele zelf kon op die zitting, die hij met heel wat moeite had weten bijeen te roepen, niet aanwezig zijn. Omdat de zitting zonder toestemming van de Duitsers en dus in het geheim plaatsvond, had Anseele geen passen kunnen aanvragen voor hem en zijn kameraden uit Gent.

 

Waarom zweeg Anseele aanvankelijk naar buiten toe over zijn pro-Stockholm-standpunt, en bleef hij na het bewuste artikel in Vooruit dezelfde kaart trekken? De reden daarvoor is meer dan waarschijnlijk dat Anseele de partij over dit onderwerp niet uit elkaar wilde zien vallen. Om die reden bleef Anseele loyaal na het afwijzen van Stockholm op 22 augustus 1917. En om die reden stemde hij in mei ook de herbevestiging van het “geheim manifest” dat op 12 december 1916 was opgesteld door de Landelijke Raad van de BWP. Het manifest hield een scherpe veroordeling in van de vredespogingen door de Internationale, en pleitte expliciet voor een overwinningsoorlog. Dat strookte niet met de visie van Anseele, maar toch keurde hij het goed.

 

Zijn optreden tegenover de Gentse SJW en de Vredesgroep, de niet eens revolutionaire groepen die voor een snelle vrede pleitten, botste op het eerste gezicht met zijn pro-Stockholm-standpunt. De SJW werden na de stemming van hun vredesmotie in januari 1917 uit de partij gezet en Anseele spaarde kosten noch moeite om de SJW dwars te zitten. De lastercampagne zou als gevolg van de oprichting van de Vredesgroep nog verscherpen. Maar uiteindelijk was ook dat eenvoudig te verklaren. Wilde Anseele loyaal blijven t.a.v. de BWP, dan kon hij onmogelijk interne oppositie dulden. Dat zou hem in Brussel compromitteren. En bovendien wilde hij boven alles niet zelf in zijn flank aangevallen worden. Ook in deze episode stond de partijeenheid voorop.

 

In de hele vredeskwestie was Anseele dus loyaal en genuanceerd pro vrede. Het belangrijkste kenmerk is - opnieuw - het pragmatisme van Anseele. Op geen enkel moment wilde hij bruggen opblazen, maar hij wist zich zo op te stellen dat alles wel haalbaar bleef. Het nastreven van de partijeenheid was pragmatisch, omdat dat belangrijk was voor de verdere uitbouw van het socialisme. Ook het pleiten voor een vrede was pragmatisch en niet irrationeel. Wilde men later een socialistische vrede bekomen, dan moest er nu voor vrede geijverd worden binnen socialistische kringen zodat men op afdoende manier druk kon zetten op de internationale onderhandelaars. Over Stockholm haalde hij uiteindelijk zijn slag niet thuis, maar door zijn optreden in de hele kwestie stelde hij zichzelf niet buiten de partij en werd de verdere werking van de BWP niet op de helling gezet. En dat bleek al bij al het belangrijkste. Ook in het optreden tegen de SJW en de Vredesgroep.

 

 

5. Anseele en het activisme

 

 5.1. Inleiding

 

5.1.1. Anseele flamingant?

 

“Socialisten, gezellen zonder vaderland”? Deze stelling van Karl Marx uit zijn Communistisch Manifest kan niet zo strikt geïnterpreteerd worden en ook voor Anseele geldt dat hij een vaderland koesterde. Zeker voor een land als België, dat verdeeld was (en is) in een Frans- en een Vlaamssprekend gedeelte, was er de keuze tussen verschillende “vaderlanden”. Het is de vraag het welke, en op welke manier dat zijn houding tijdens de Eerste Wereldoorlog zou beïnvloeden.

 

Als jonge socialist tijdens de jaren ’80 van de negentiende eeuw stond Anseele bekend als een voorstander van een Groot-Nederland. Over de Belgische Revolutie van 1830 was hij niet minder dan afwijzend omdat het de arbeiders niets concreets had opgeleverd. Het kapitalisme was er niet door verdwenen en van een lotsverbetering was er ook niet echt sprake. Omwille van die Groot-Nederlandse voorkeur koesterde Anseele een Vlaams-etnisch gevoel met een anti-Belgische inslag.[647] Het zou fout zijn die positie af te doen als louter opportunisme (om nieuwe partijgenoten aan te trekken), want daarvoor lag het gevoel veel dieper. Zo werd de socialistische strijd consequent in het Vlaamse of Groot-Nederlandse verleden gekaderd, en niet in het Belgische. Volgens Van Ginderachter kon het Vlaamse discours nooit volgehouden worden als dat gevoel niet oprecht zou zijn geweest.[648] Dat Groot-Nederlandse aanvoelen kreeg haar concrete vertaling in een uitwisseling van sprekers tussen Gent en Nederland. Uit Nederland kwamen Domela Nieuwenhuis en Van Kol vaak spreken in Gent, terwijl omgekeerd Anseele, Van Beveren en De Paepe voor Gent in Nederland gingen spreken.[649] Met het recent verschenen boek van Van Ginderachter (“Het Rode Vaderland”) werd de bestaande literatuur dan ook bijgestuurd, waarin te lezen staat dat de Gentse socialisten anti-Vlaams, unitaristisch en/of belgicistisch waren.[650] Op die positie bevindt zich bijvoorbeeld Craeybeckx, die stelt dat Anseele vanwege zijn aanleunen bij de Franse industriëlen en andere bourgeoisie automatisch dichter ging aanleunen bij die franskiljons.[651]

Maar dat de Gentse socialisten en Vooruit Vlaamse gevoelens koesterden, betekende niet dat zij zich identificeerden met de Vlaamse Beweging. Tussen beide bewegingen bestond er vaak een dynamiek van wederzijdse afstoting, omdat de socialisten zich niet gesteund voelden in hun sociale strijd. Voor hen bleef de sociale strijd altijd van groter belang dan de taalstrijd.[652] Ook Craeybeckx signaleert die afkeer voor de flaminganten.[653]

 

Met de integratie van de BWP in het nationale bestel en haar explosieve groei aan het einde van de 19de eeuw milderde ook haar toon t.a.v. België. De nationale symbolen werden niet meer in dergelijke mate verfoeit, wat vooral gebeurde onder impuls van Jaurès die onder de socialisten het gedacht had doen ingang vinden dat het recht op zelfverdediging gelegitimeerd was. Daarmee werd het streven naar internationale eenheid verzoend met een zekere mate van vaderlandslievendheid.[654] Zo ook in Gent en bij Anseele, die zoals gezegd het recht op landsverdediging erkende. Het streven naar samenwerking tussen de Nederlanders en de Gentenaars bleef bestaan, maar het enthousiasme over Groot-Nederland werd teruggedrongen. De reden daarvoor was dat de BWP als gevolg van haar integratie in het politieke systeem zich steeds meer op het Belgische kader moest focussen, wat automatisch voor gevolg had dat dat kader ook steeds meer het referentiekader werd.[655] Maar hoewel de Gentenaars en Anseele zich persoonlijk meer oriënteerden naar België, bleef Vlaanderen in de eindafrekening de belangrijkste achtergrond vormen. Dat gold ook voor Anseele zelf. Langs de ene kant zwaaide hij koning Albert n.a.v. zijn bezoek aan Gent lof toe, terwijl hij langs de andere kant in het parlement bleef strijden voor taalwetten.[656] Ook Craeybeckx erkent overigens dat Anseele steeds de rechtmatige Vlaamse eisen bepleitte en dat hij steeds de taalwetten in het parlement goedkeurde.[657]

 

Anseele bleef echter schipperen. In het midden van het eerste decennium van de 20ste eeuw brak het Vlaams-etnische discours weer door ten koste van de Belgische sympathieën.[658] Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog bleef bij Anseele, althans volgens Van Ginderachter, het Vlaamsgezinde overwegend. Zeker binnen de BWP waren er spanningen tussen de Walen en de Vlamingen, aangevoerd door Anseele. Dat was vooral ingegeven door de achtergestelde positie van de Vlaamse arbeiders in de Borinage en elders in Wallonië.[659] Het was pas door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en het verschijnen van een externe vijand dat de eenheid binnen de BWP hersteld werd. In Gent zelf heerste er aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog tegelijkertijd een Vlaamse voorkeur en antiflamingantisme,[660] wat we ook bij Anseele terugvinden. In 1913 schreef hij de bundel “Vooruit en de Vlaamse Beweging” als reactie op een artikelenreeks in “Het Recht” door Hector Plancquaert, waarin Vooruit ervan beticht werd niet goed te weten wat ze met de Vlaamse eisen wou doen. De aanleiding daarvoor was dat Vooruit de flaminganten had bekritiseerd die met de Vlaamse Leeuw hadden gezwaaid tijdens het bezoek van koning Albert aan de Wereldtentoonstelling te Gent.[661] Langs de ene kant zou volgens Anseele in de bundel de taalkwestie opgelost geraken als het sociale programma van de BWP zou doorgevoerd worden, terwijl hij langs de andere kant pleitte voor een vernederlandste universiteit. Antiflamingant en Vlaams tegelijk dus.[662] Wat leren we verder nog uit de bundel? De reactie van Vooruit was zogezegd geïnspireerd op het oneerlijke van het optreden van de flaminganten. Als de Duitsers of Engelsen deel hadden uitgemaakt van het organisatiecomité van de wereldtentoonstelling dan was er hoegenaamd geen Vlaamse Leeuw te zien geweest, zo stelde Anseele. De veroordeling ervan in Vooruit was dus geen afwijzing van de Vlaamse eisen, maar van deze onrechtvaardigheid.[663] Verder gaf Anseele aan dat de taal voor “hen” niets meer was dan een middel om het volk en de arbeidersklasse te doen opstaan[664], en dat de taalstrijd in eerste plaats een klassenstrijd was, en pas in tweede instantie een rassenstrijd.[665] Dat laatste is van belang omdat dat punt tijdens de oorlog wordt herhaald, al is het dan niet door Anseele persoonlijk.

 

Kortom, Anseele was bij aanvang van de oorlog Vlaamsgezind, maar zeker niet meer radicaal. De sociale strijd kreeg hoe dan ook steeds voorrang. Volgens Craeybeckx was er voor Anseele sowieso strategisch en tactisch niet veel voordeel te halen “uit het spannen van de flamingantische wagen voor die van zijn partij, zijn coöperatieven en mutualiteiten.”[666] Van Ginderachter merkt op dat “Vlaanderen” kort na het uitbreken van de oorlog uit het discours in Vooruit verdween in het voordeel van België. [667] Dat wijst er meteen op dat de Vlaamsgezindheid inderdaad niet meer zo diepgeworteld was als tijdens de beginjaren van de BWP. We gaven zelf ook al aan dat het patriottisme, zij het genuanceerd, doorgang begon te vinden.

 

5.1.2. Het activisme te Gent tijdens de Eerste Wereldoorlog

 

Terwijl langs de ene kant het belgicisme en patriottisme een doorbraak kende in verschillende middens als gevolg van het opdoemen van een externe vijand, zouden sommige groepen flaminganten van de oorlog gebruik maken om hun vaderland Vlaanderen met behulp van de Duitse bezetter uit te bouwen. Die groep zogenaamde “activisten” stond tegenover de Vlaamsgezinde “passivisten” zoals bijvoorbeeld Franck (burgemeester Antwerpen), van Cauwelaert (katholieke politicus), Fredericq (professor in de letteren) en Huysmans die zich hadden voorgenomen de Vlaamse strijd te laten rusten tot na de oorlog.

Het activisme nam haar aanvang met de oprichting te Gent in oktober 1914 van de groep Jong-Vlaanderen, onder leiding van dominee Domela Nieuwenhuis Nyegaard (niet dezelfde als de Nederlandse socialist die in het laatste kwart van de 19de eeuw in België kwam spreken).[668] De groep was in haar activistische standpunt meteen vrij radicaal, omdat het de vernietiging van België en de inlijving bij Duitsland van de Nederlands sprekende gedeelten van België en Frans-Vlaanderen wenste. Het doel was eerst een Vlaamse deelstaat van Duitsland te vormen, om daarna in een tweede fase de oprichting te zien van een Germaanse statenbond met Duitsland, Scandinavië en de Nederlanden. Het Frans moest verbannen worden uit Vlaanderen.[669] Binnen de activistische beweging, voor zover van een eenvormige beweging sprake kon zijn, zouden de Jong-Vlamingen echter steeds meer geïsoleerd geraken. Andere groeperingen die ook voor het activistische pad hadden gekozen (in 1915 begonnen ook oudere en bekendere flaminganten zich tot het activisme te bekeren en nam het activisme uitbreiding[670]) wonnen aan invloed. Het is hier niet de plaats om daar veel dieper op in te gaan, maar het is hier wel van belang om de meer gematigde groep rond de Nieuwe Gazet van Gent te vermelden. Hoofdredacteur van het blad was Frans Primo. Als redactielid van De Vlaamsche Post (de krant van Jong-Vlaanderen) zou hij zich uit onvrede met het te radicale standpunt langzaam maar zeker distantiëren van Jong-Vlaanderen. Eind 1916 richtte hij met de steun van de Duitsers de Nieuwe Gazet van Gent op, een dagblad dat de socialistische sympathieën van haar hoofdredacteur zou volgen en dat voor de oprichting van een Groot-Nederland stond. Op die manier was het dagblad een rechtstreekse uitdaging aan het adres van Anseele en de socialisten rond Vooruit, zeker en vast ook over het vredesstandpunt (cfr. supra).[671]

 

Eén constante bij de groei van het activisme was de steun van de Duitsers. Als we er de oorlogsdoelen van Duitsland bijnemen, mag dat niet verbazen. Over de toekomst van België waren er verschillende meningen, maar het minimum waaraan men in Duitsland dacht was een Belgische vazalstaat. In het geval dat Duitsland de oorlog zou winnen was een annexatie het meeste gewenst. Daartussen waren er nog een brede waaier aan mogelijkheden, zoals een verbrokkeling van het land, militaire, politieke en/of economische overheersing. Het herstel van het vooroorlogse België was geen optie[672], dus bleek het vertrouwen winnen van de traditionele machtskringen (liberalen, katholieken en socialisten) bij voorbaat zinloos. Er moest gezocht worden naar een nieuwe politieke machtsfactor, die in staat was de vooroorlogse ordening overhoop te gooien en die gunstig tegenover de Duitsers zou staan. De flaminganten waren daarvoor uiterst geschikt. Men hoopte ook dat de activisten bij mogelijke vredesonderhandelingen veel druk zouden uitoefenen, opdat de Duitse invloed in België na de oorlog zou behouden kunnen blijven.[673] Kortom, via de activisten hoopte men België te kunnen blijven beheersen. De architect van de zogenaamde Flamenpolitik in België was gouverneur-generaal von Bissing. Hij behoorde tot diegene die België geannexeerd wilden zien teneinde de machtspositie van Duitsland in de toekomst te kunnen handhaven, maar hij onderscheidde zich van de militaire top (die ook de annexatie van België nastreefden en in het Etappengebied meer macht hadden) door zijn geduld om dat doel te bereiken. Na een jarenlange militaire dictatuur hoopte hij dat de nieuwe situatie in de geesten van de bevolking zou zijn ingeslepen, en dus moest elke stap in de Flamenpolitik weloverwogen zijn en geen aanleiding geven voor verontwaardiging onder de bevolking.[674] Gedurende de hele oorlog zou hij tegenover de Duitse militairen van het Etappengebied moeten strijden die veel sneller en bruusker te werk wilden gaan.[675]

 

Uiteindelijk zijn er vijf belangrijke ontwikkelingen in het activisme en de Flamenpolitik van belang voor wat betreft de positiename van Anseele. Het zijn vijf ontwikkelingen die duidelijk zichtbaar nieuwe stappen in de Flamenpolitik markeerden. Het was zeker zo dat Anseele niet telkens (direct) reageerde, maar de laatste fase zou uiteindelijk leiden tot het ontslag van Anseele als schepen van de stad Gent. De eerdere ontwikkelingen hadden natuurlijk bijgedragen tot Anseeles houding.

 

Een eerste - zorgvuldig voorbereide - activistische verwezenlijking vond plaats in Gent zelf. In oktober 1916 werd er de Vlaamsche Hoogeschool plechtig geopend door gouverneur-generaal von Bissing. De Hogeschool was het gevolg van de vernederlandsing van de oude Franstalige universiteit en maakte al lang deel uit van het eisenpakket van de flaminganten. Voor de Duitsers en activisten was de vernederlandsing dan ook een verwezenlijking met belangrijke propagandistische waarde, en was om die reden meteen ook het grootste succes van de hele Flamenpolitik.[676]

 

In februari 1917 werd dan de Raad van Vlaanderen opgericht, een soort van Vlaams parlement. Oorspronkelijk moest de oprichting ervan geheim gehouden worden, maar doordat de reis naar Berlijn van een delegatie van de Raad van Vlaanderen uitlekte kon dat niet gehandhaafd worden. De bedoeling was druk uit te oefenen op het vredesverdrag, dat maatregelen moest bevatten die moesten “leiden tot de volledige ontplooiing in eigen taal van onze Vlaamse nationaliteit”, en op relatief korte tijd een bestuurlijke scheiding tussen Wallonië en Vlaanderen door te voeren.[677] De Raad van Vlaanderen was dus een inrichting die zich specifiek bezig hield met het na-oorlogse België en hoewel het niet echt veel macht had, moest dat Anseeles aandacht zeker getrokken hebben.

 

Het een en ander werd nog veel concreter toen op 21 maart 1917 door gouverneur-generaal von Bissing de geambieerde bestuurlijke scheiding werd doorgevoerd tussen Vlaanderen en Wallonië, met het expliciete doel België te ontwrichten om het in blijvende Duits afhankelijkheid te brengen. In concreto betekende dat dat alle ministeries werden gesplitst in een Vlaams en Waals departement.[678] De Vlaamse ministeries waren gevestigd in Brussel, de Waalse in Namen. De reactie van de uitgeweken Belgische regering in Le Havre loog er niet om: in plaats van beloftes aan de flaminganten te doen voor na de oorlog, reageerde het alleen met het bestraffen van de activisten. Daarmee werd duidelijk de negatieve beoordeling van de activisten gemarkeerd door de regeringskringen, wat ook voor Anseele een signaal moet zijn geweest.[679]

 

Nadien werd Anseele ook nog uitgedaagd in de Stockholm-episode, doordat Frans Primo en Edward Joris voor de activisten een bezoek brachten aan het organisatiecomité van de conferentie en omdat de Raad van Vlaanderen er bij de Duitsers op aandrong dat Anseele geen pas voor Stockholm zou krijgen. De activistische delegatie bereikte zowaar haar doel: de Vlaamse kwestie zou op de agenda van Stockholm komen te staan. Toen de Algemene Raad van de BWP op 22 augustus het Stockholm-initiatief definitief had teruggefloten, waren het opnieuw de activisten die zich Stockholm trachtten toe te eigenen. De conferentie bleek zoals gezegd uiteindelijk niet door te gaan, wat de bedreiging uit die hoek neutraliseerde.[680]

 

Uiteindelijk zou het eenzijdige uitroepen van de “zelfstandigheid” van Vlaanderen door de Raad van Vlaanderen het ontslag van Anseele als schepen voor Gent betekenen. De zelfstandigheid was niet alleen niet naar de zin van de Duitsers op het moment dat er over de vrede werd onderhandeld, maar ook voor het Gentse stadsbestuur was het de spreekwoordelijke druppel (cfr. infra). Over de concrete inhoud van de “zelfstandigheid” was er onder de activisten geen eensgezindheid, maar het was een verregaande daad die veel kwaad bloed zette.[681]

 

Als we Anseeles positie willen bepalen zijn we voornamelijk aangewezen op het activistische dagblad de Nieuwe Gazet van Gent / Nieuwe Gentsche Courant. Vooruit was gecensureerd en zoals bekend hebben we geen directe bronnen van Anseele teruggevonden. Niettemin geeft de Nieuwe Gazet van Gent / Nieuwe Gentsche Courant een betrouwbaar beeld van Anseeles visie op het activisme omdat het Anseele er vaak rechtstreeks over aansprak in negatieve zin. Het spreekt voor zich dat moest een figuur als Anseele zijn sympathie had laten blijken over het activisme dat de activisten de eerste zouden zijn om dat te benadrukken.

 

 

 5.2. Het Belgische vaderland

 

Alvorens concreter in te gaan op stellingnamen tegen de activisten herhalen we nog eens hoe de Gentse socialisten naar het Belgische “vaderland” keken tijdens de oorlog. We gaven al aan dat “Vlaanderen” uit Vooruit verdween ten voordele van “België”, en dat er in de afkeer tegen de Duitse invallers enig patriottisme lag. Om dat verder te staven, geven we nog enkele andere voorbeelden uit Vooruit die de toegenomen liefde voor het Belgische vaderland benadrukken.

 

Zo werd er door de Gentse volksvertegenwoordigers (en dus ook Anseele) een oproep ondertekend voor vrijwilligers in het leger. De oproep verscheen ook in Vooruit en drukte de warme liefde voor het land uit: “Wij richten een warm beroep op uwe vaderlandsche gevoelens. Het bestaan van België’s onafhankelijkheid wordt bedreigd. Het Vaderland wordt onderdrukt en geteisterd door den vijand.”[682] Nog meer overtuigd klonk het in november 1914: “Allen die in dezen tijd hun vaderlandsche plichten niet gaaf volbrengen, zullen van de roede krijgen; wij sparen niemand!”[683] En de klap op de vuurpijl kwam er in januari 1915 met “Ah, eindelijk erkent men dat ook wij ons vaderland lief hebben, juist alsof daar ooit twijfel omtrent mogelijk was geweest.”[684]

 

 

 5.3. Anseele tegen de activisten

 

5.3.1. Een volkomen vreemd streven

 

Maar hoe stond Anseele nu tegenover de activisten zelf? Voor Kenis was het duidelijk: “Zo zal men eveneens begrijpen dat Anseele, van het eerste ogenblik af, stelling koos tegen het activisme. Niet alleen was dit streven hem volkomen vreemd, maar waar het insloeg bij een geestdriftige democratisch voelende jeugd, werd het een geduchte mededinger voor het socialisme; tucht en eenheid van de partij, waarvoor de oude leider steeds geijverd had, konden eens te meer in het gedrang worden gebracht.”[685] Maar mogen we dat wel zonder bedenkingen aannemen van zijn geëngageerde biograaf? Volgens Kenis was Anseele ook geen groot voorstander van Vlaanderen[686], maar door Van Ginderachter werd dat al weerlegd. Meer gewicht krijgt de stelling van Kenis als ook Daniël Vanacker het citaat in zijn “Het Aktivistisch Avontuur” letterlijk overneemt.[687] Het moet dus inderdaad ons uitgangspunt vormen. Hoe concretiseerde zich dat?

 

Ondanks de censuur mochten prominente flaminganten gebruik maken van het partijblad Vooruit om zich (tot twee maal toe) te distantiëren van “De Vlaamsche Post”, het blad van de Jong-Vlamingen.[688] Later verscherpte de censuur, want dergelijke uitlatingen kregen in Vooruit geen forum meer. De activistische beweging werd in het dagblad wel doodgezwegen.

 

5.3.2. 1916: Protest tegen de Vlaamsche Hoogeschool

 

Pas in 1916 zouden de activisten steeds meer een bedreiging gaan vormen. In oktober verscheen het eerste nummer van de Nieuwe Gazet van Gent dat zoals al aangegeven vaak met Anseele de degens wenste te kruisen, en de activistische bedreiging kreeg een concreet uitzicht met de opening van de Gentse Hoogeschool. Op 27 maart verscheen in Vooruit de verordening van 15 maart die de vervlaamsing van de Gentse universiteit aankondigde. Vooruit kon er geen commentaar op geven.[689] Ook aan de deportatie naar Duitsland van professoren Fredericq (passivistisch flamingant) en Pirenne (franskiljon) omwille van hun verzet tegen de vernederlandste universiteit[690] wijdde Vooruit geen kolommen. Maar dat de socialisten en Anseele persoonlijk niet opgezet waren met het nieuws, waarover al een tijdje geruchten de ronde deden[691], bleek toen Anseele zich begin 1916 aansloot bij het protest tegen de vervlaamsing. In de motie waaronder hij zijn handtekening zette, werd aan de Duitsers elk recht ontzegd zich in de binnenlandse aangelegenheden te mengen. De bezwaren waren onderbouwd met juridische, praktische en morele argumenten. In plaats van dat dit Anseele (en de 37 andere ondertekenaars) zwaar werd aangerekend, verscheen er in de dagbladen een juridisch onderbouwd verweer van von Bissing.[692]

 

De inhoud van de motie was gewaagd, maar gemeend. Voor de oorlog had Anseele immers nog zijn handtekening gezet onder een wetsvoorstel vóór de vervlaamsing van de Gentse universiteit, iets waar hij nu dus tegen inging om de reden dat het initiatief uitging van de Duitsers.[693] Hoewel dat volgens Craeybeckx in 1910 niet van harte was, betekent dat toch op zijn minst dat hij het voorstel niet volledig ongenegen was. Camille Huysmans, een van de drie zogenaamde kraaiende hanen[694] die het voorstel hadden ontworpen, had binnen de BWP nog niet genoeg gewicht om het voorstel te ondertekenen. Men was dan maar bij Anseele terecht gekomen.[695] Bij Van Ginderachter lezen we minder over mogelijk voorbehoud van Anseele bij het voorstel.[696] Huysmans’ analyse dat het ondertekenen van het rechtvaardige voorstel tot vernederlandsing van de universiteit het begin was van Anseeles flamingantisme[697], moeten we van de hand wijzen. Alleszins was Anseele ook voorstander van een Nederlandstalige universiteit in het naoorlogse België (cfr. supra), mogelijk onder druk gezet door de vernederlandsing tijdens de oorlog. Naar eigen zeggen was dat een voorstel dat de Vlaamse socialisten steeds hadden verdedigd. Hij pleitte er wel niet voor om de Nederlandstalige universiteit volledig te doen verdwijnen.[698] Kortom, voor de oorlog was Anseele een voorstander van de vernederlandsing van de universiteit, maar tijdens de oorlog was hij tegen omdat het voorstel uit activistische en Duitse hoek kwam. Hoe dan ook werd de protestmotie waaronder Anseeles handtekening prijkte gedragen door een groot deel van de bevolking, wat Anseele ook wel moet ingezien hebben. Voor een vernederlandste universiteit doorgevoerd door de Duitsers bestond onder de bevolking immers maar weinig animo.[699]

 

En in 1916 verscheen ook het activistische dagblad de Nieuwe Gazet van Gent, dat van socialistische strekking was. Uiteindelijk nam Frans Primo daarmee in Gent een vrij verrassende positie in, omdat het socialistisch activisme, in tegenstelling tot Brussel en vooral Antwerpen, te Gent nooit van de grond was gekomen.[700] Niet alleen op het vredesstandpunt daagde de krant Anseele uit, maar natuurlijk vooral over zijn houding t.a.v. de activisten en Vlaanderen. Voor de Gentse socialisten was het dan ook een belangrijke tegenspeler.

 

5.3.3. 1917: oplopende tegenstellingen

 

Het jaar nadien was het jaar van de oprichting van de Raad van Vlaanderen, het doorvoeren van de bestuurlijke scheiding en de Stockholm-perikelen. We konden geen sporen terugvinden van mogelijk protest of een afwijzende houding van Anseele tegenover de Raad van Vlaanderen of de bestuurlijke scheiding, maar er zijn geen redenen om aan te nemen dat hij van gedacht was veranderd sinds de doorvoering van de Nederlandstalige universiteit. Omwille van de deportaties van de arbeiders eind 1916 zou Anseele tegenover de Duitsers niet meer zo loyaal staan, en het activisme was natuurlijk een zichtbare verwezenlijking van die bezetter. Dat stond nog los van zijn afkeer voor de activisten an sich. Het was voor de Nieuwe Gazet van Gent ook het jaar waarin het openlijk stelling begon te nemen voor het activisme (om strategische redenen had het dat tot dan toe nagelaten[701]). In die zin leren we veel over Anseeles standpunt over Vlaanderen en de activisten, althans bekeken door de ogen van de activisten zelf. We geven daar een aantal voorbeelden van.

Op 16 februari werd Anseele gekapitteld als iemand voor wie het flamingantisme gelijk stond aan een burgerlijke verzuchting, en het staafde dat met uitspraken van Anseele uit 1911 en 1913. Zo had Anseele zich toen laten ontvallen: “het flamingantisme roomt onzen werkenden stand af en stelt hem aldus geestelijk machteloos tegenover het kapitalisme.” Nu was zijn houding nog niets veranderd, aldus de Nieuwe Gazet van Gent. Het ondertekenen van het protest tegen de Hoogeschool werd hem zwaar aangerekend: “dezelfde Vlaamschvijandige geest waarmee Anseele de werklieden in het harnas heeft gejaagd tegen de Flaminganten, heeft hij nog steeds bewaard: in 1916 teekende hij als sociaal-demokraat de lijst Franck, gericht aan den gouverneur-generaal om hem te smeeken de Fransche Universiteit van de verfranschte burgerij en aristokratie in Vlaanderen a.u.b. niet te willen hervormen in een ware volkshoogeschool met het Nederlandsch als voertaal!”[702]

In een “open brief aan M. Anseele” voor de vrede werd er een beroep gedaan op zijn Germaans karakter, “te meer daar de overgroote meerderheid uwer kiezers er op roemen gesproten te zijn uit het Germaansche bloed.” Of de oproep aan Anseele om toenadering te zoeken tot de Duitsers, het bestuur in handen te nemen met een eigen regering en het Vlaams te laten ontplooien (eventueel in een Belgische context) en aldus tot vrede te komen ofwel naïef was, ofwel tactisch wel overwogen was, ofwel wel degelijk kans op slagen had bij (een twijfelende?) Anseele is niet duidelijk, maar wij vermoeden het eerste of tweede. In elk geval is het een bewijs dat Anseele zich nog steeds niet positief had uitgelaten over het activisme.[703]

Dezelfde vraag naar de eigenlijke motivatie kunnen we ook stellen bij een nieuwe “open brief aan de Gentsche Sociaal-Demokraten” in maart. De brief was opgesteld door Jef van Extergem, een jonge socialist die zich in 1915 nog had laten opmerken in Vooruit alvorens eind 1916 een hevige voorvechter van het activisme te worden.[704] Van Extergem vroeg de Gentse sociaal-democraten opnieuw de kant te kiezen van de activistische flaminganten. Dat was de “goede kant” omdat men dan niet in strijd zou komen “met de thesis van den klassenkamp, waarop geheel de socialistische theorie gebouwd is.” De situatie werd vergeleken met die van een fabriek. Daar zou de socialist toch ook de kant kiezen van de “activistische arbeiders”, die streefden voor verbeteringen in de arbeid op het moment dat de kans zich voordeed (zoals nu de oorlog een kans was voor de flaminganten)?[705] Was de poging om Anseele en zijn trouwste kameraden van de gedacht te doen veranderen hopeloos (wat het meer dan waarschijnlijk wel was), dan zegt het toch veel over de strategie van de activisten om te infiltreren en verdeeldheid te zaaien in de sociaal-democratische beweging.

Dat zien we ook gebeuren naar aanleiding van het interview van Anseele met Vorwärts. De Nieuwe Gazet van Gent drukte het artikel over en reageerde ontstemd dat Anseele niets te zeggen had over de Vlaamse Beweging: “Nochtans zal eenieder het met ons eens zijn, dat op dit oogeblik in de Vlaamsche Beweging een geweldigden strijd in demokratische richting gevoerd wordt [dat is een referentie naar de uitspraak van Anseele dat de oorlog een geweldige hefboom was voor de democratie]. Dat M. Anseele er blijkbaar niets wist over te zeggen kan slechts de zienswijze versterken van diegenen onder de socialisten die beweren dat het interview Anseele in de Vorwärts, niet een interview is, waardig van een sociaal-demokratisch volksvertegenwoordiger in dezen grooten tijd.”[706] In Vorwärts lezen we echter iets anders. Anseele zou een lang gesprek hebben gehad met Adolf Köster over de Vlaamse kwestie. In Vorwärts lezen we niet waarover het gesprek ging, maar het mag niet verwonderen dat Anseele waarschijnlijk (fel?) van leer trok tegen het activisme.[707] Waarom duurde het gesprek immers zo lang? En waarom werd er geen verslag gedaan van dat deel van het gesprek, terwijl Köster wel gretig sprong op andere zaken die in het voordeel van de Duitse(rs) (socialisten) spraken? Vorwärts was immers van die strekking dat het als spreekbuis van de meerderheidssocialisten de Flamenpolitik accepteerde.[708] Waarom dan eventuele positieve uitlatingen van Anseele niet publiceren?

Ondertussen had Vooruit nog laconiek opgemerkt dat 5 van de 7 afgevaardigden die in naam van Raad van Vlaanderen naar Duitsland waren afgereisd “bekende en beproefde aanklevers van de katholieke partij” waren.[709] Een zoveelste bewijs dat de socialisten en de activisten niet op goede voet stonden.

 

Zeker en vast was ook de toe-eigening van Stockholm door de activisten Anseele een doorn in het oog. Het was sowieso een Duits propagandatrucje om de stelling te propageren dat een consequent socialist altijd tegen de oorlog moest zijn.[710] Zeker nu de activisten van de Nieuwe Gazet van Gent en de Raad van Vlaanderen dat trucje gebruikten, werden de socialisten rechtstreeks op ongemakkelijke wijze uitgedaagd. Misschien was het dan ook niet toevallig dat kort na het Stockholm-debacle in Vooruit “het ware standpunt” verscheen, een artikel geschreven door Hardyns over de Vlaamse kwestie. Net zoals bij de Stockholm-kwestie is het onwaarschijnlijk dat het gewichtige artikel is verschenen zonder dat Anseele ervan op de hoogte moet zijn geweest. In het artikel werd herhaald dat de Vlaamse eisen door de socialisten altijd waren verdedigd omdat ze hen als rechtvaardig voorkwamen. Maar één ding was waar: men had steeds geweigerd “de Vlaamsche kwestie als een rassenvraagstuk te aanzien tusschen Walen en Vlamingen, maar ze altijd beschouwd hebben als een klassenvraagstuk tusschen armen en rijken.”[711] In zijn bundel van 1913 over de Vlaamse kwestie had Anseele nog hetzelfde standpunt verdedigd.[712] Hardyns preciseerde het als volgt: “neen, de Vlamingen hebben er geen vrede mee dat de rijke burgers in Vlaanderen zich schier uitsluitend van de Fransche taal bedienen in hunne intieme betrekkingen, onder elkaar - wat ons minder schelen kan - maar ook in hun openbaar leven, hunne maatschappelijke daden. Dat is ernstiger en wordt eene grief. De volkstaal is te gemeen, te crapuleus, te on-gedistingueerd. Oh! was het alleen om die platonischen afkeer te doen, wij zouden er ons weinig aan storen en zeggen: “elk zijn goest!” omdat wij er verduiveld goed van overtuigd zijn dat, al spraken onze rijke menschen een Vlaamsch om geheel de zogenaamden Raad van Vlaanderen met beschaamde kaken te doen staan, de werkende klasse daardoor geen zier beternis aan haar lot zou brengen. Maar dat bijna uitsluitend Fransch spreken der bezittende klasse, ingegeven door gewild klassenverschil met de werkers, heeft onvermijdelijke gevolgen die nadeliger zijn.” Doordat men enkel het Frans sprak, was het de arbeiders onmogelijk zich te laten gelden in de politiek, bij politici vooral en - belangrijk - in fabrieken en het leger, luidde de argumentatie. “Dat alles samengenomen vormt een bundel met grieven waaraan loochenen of verblommen niet kan verminderen.”

Maar voor Vooruit was dat geen reden om in het midden van de oorlog voor de activistische optie te kiezen. Het nam er dan ook subtiel maar duidelijk afstand van: eerst sneerde het naar de Raad van Vlaanderen (cfr. citaat supra), en daarna klonk het: “wij zijn nochtans geen Flaminganten in den zin der mannen die nu midden in den krijg, wanneer eendracht en samenwerking meer dan ooit wenschelijk en nodig zijn, van de Vlaamsche kwestie een twistappel maken. Maar wij zijn Vlamingen zonder vergeten dat wij ook Belgen zijn en voor alles sociaal-demokraten. En als zoodanig zeggen wij: de Vlaamsche grieven zijn op dezen oogenblik niet vatbaar voor eene doelmatige en bevredigende oplossing zonder scheuring en verdeling, iets wat wij niet willen. Wij willen niet dat er aan eene enkele natie een heiligschennende hand worde geslagen, maar wij wenschen in de toekomst wel de versmelting van twee en meer naties, met toestemming der volkeren en zonder ontneming der eigenaardige en kenmerkende teekens van hun ras. Dat is de demokratie, dat willen de socialisten.”

De oplossing in de Vlaamse kwestie moest gezocht worden bij de socialisten zelf, aldus Hardyns: “en wie de Vlaamsche grieven erkent en hunne verdwijning wil, zijne plaats is in onze rangen en elders niet.”[713]

De Gentse sociaal-democraten hadden gesproken. Als vanzelf weerklonk er een misprijzen over de afwijzing van het activisme in de Nieuwe Gazet van Gent, maar ook in De Waarheid. Die laatste had zich in juni nog afgevraagd hoe “den rooden profeet van Gent, E. Anseele” over de Vlaamse kwestie dacht en zag daarin een uiting van zijn opportunisme: “ons gedacht is dat hij die meening maar liever in zijn hoofd houdt tot na den oorlog, als hij bepaald zal vaststellen van waar de krachtigste wind waait. Eedje is een wijs en voorzichtig man!”[714] Over “het ware standpunt” deed het dan weer smalend: heel de wereld stond zogezegd perplex bij het belang van dit document.[715] In niet minder dan 10 theoretische artikels werd er van leer getrokken tegen het klassenstandpunt van Vooruit. Anseele werd door het publiceren van “het ware standpunt een “verleider” genoemd, in de hoop de Flaminganten “te bekoren en in zijne armen op te vangen.”[716]

De Nieuwe Gazet van Gent reageerde met een “open brief aan Vooruit”, ondertekend door “een groep Vlaamsch-aktivistische sociaal-democraten”. De brief verweet Vooruit dezelfde houding aan te nemen als de burgerpartijen tegen het maatschappelijke probleem. Vooruit erkende immers de Vlaamse grieven net als de liberalen en de katholieken de grieven van de arbeiders erkenden, maar analoog aan hen erkende Vooruit het probleem zélf niet. In het geval van het maatschappelijke probleem was dat het maatschappelijke stelsel, in het geval van de Vlaamse kwestie was dat de unitaire landsconstructie. Om die reden verheugden de ondertekenaars zich er ook over dat Vooruit met haar klachten over het Franstalige karakter van de politiek een uitstekend argument had gegeven voor de bestuurlijke scheiding.[717]

 

De op het eerste gezicht dapperste reactie - en het beste bewijs van Anseeles oppositie tegen de activisten - kwam echter van Anseeles “partijgenoot” Jacob Vinderhout, die zich naar eigen zeggen had gefocust op de Vlaamse zaak door de twijfelachtige artikels van Hardyns in Vooruit over de kwestie. Vinderhout schreef het 8 pagina’s tellende pamflet “Bedriegt den Boer of de Kunst om Appelen voor Citroenen te verkoopen. Open Brief van eenen werkman aan Anseele” n.a.v. het standpunt van Anseele over de Vlaamse kwestie, en verspreidde het in grote oplage in de stad. Vinderhout was een fictieve naam, die moest verbergen dat het Jan Wannyn - op dat moment volop in strijd voor de grootste macht onder de activisten - was die het pamflet had geschreven.[718] In plaats van dapper was de reactie dus laf. Anseele werd erin beschuldigd altijd partij te trekken “van de regeerders, van de rijken, van de finantiemannen”, terwijl hij er tegelijk alles aan deed om “degenen, die strijden voor de taal van ’t kleine volk, de flaminganten aan te randen.” De schrijver merkte in die zin op dat de flaminganten die door Anseele zo vervolgd werden, meestal uit de arme klassen kwamen. Anseele speelde zogezegd “een vieze rol”: “telkens als er iets wordt op touw gezet, een schrijver gevierd, een gedenkdag van ’t Vlaamsche Volk herdacht, eene gepleegde onrechtvaardigheid in ’t openbaar besproken, martelt gij uwe hersenen om toch eene schijnreden te vinden, om die menschen, die met een goede bedoeling strijden, tegen te werken, verdacht te maken en, ik durf het wel te zeggen, te lasteren,” klonk het. Bovendien erkende Anseele zogezegd de Vlaamse grieven, maar met een resem voorbeelden werd beargumenteerd dat hij daar uiteindelijk niets concreets mee deed: “’t is niet genoeg van altijd te zeggen: Mietje, ‘k zie u geerne, er moet ook een beetje liefde bij zijn. En die liefde worden wij niet gewaar! […] Gebaar niet van krommenaas, Anseele!” De grove belediging dat hij heulde met de rijken werd op de laatste pagina van het pamflet nog eens herhaald.[719]

De Gentse socialisten konden er dan ook allesbehalve om lachen. Onder een artikel in Vooruit, genaamd “Partijverklaring”, stond een indrukwekkend lijstje ondertekenaars uit de socialistische familie, van redacteurs van Vooruit, over leiders van de syndicaten, SM Vooruit, ziekenfonds, tot de wijkclubs. Op de beschuldigingen wenste men niet eens te antwoorden. “Immers, Anseele heeft altijd in openbare debatten ons standpunt omtrent de Vlaamsche kwestie volledig en eerlijk uiteengezet, en hij - gelijk wij allen - is daartoe nog altijd bereid.” Veel belangrijker was het de ongelooflijke waarde van Anseele voor de socialistische beweging te benadrukken, nu en voor in de toekomst, en de buitenwereld op een onnavolgbare manier duidelijk maken dat er over Anseele niet de minste discussie kon zijn. “Dat [men pleitte ondertussen voor een zo snel mogelijk vrede] weze de leuze geschreven op onze vlag, door Anseele aan het hoofd onze legers gedragen. En achter die vlag onzer vrijmaking en rond onzer vriend Anseele zult gij U allen scharen. Weg met de verdeelers onzen stand! Werkers, vereenigt U allen, vertrouwend in het woord van onzen grooten voorkamper Karl Marx: Proletariërs aller landen vereenigt U!”[720] Het mocht duidelijk zijn naar de buitenwereld: Anseele zou zich niet laten compromitteren door een stelletje activisten en de eenheid binnen de Gentse BWP zou er niet door doorbroken worden. Door de censuur werd volgende passage nog geschrapt: “Flaminganten, waarvan het overgrote deel nooit aan deze strijd deelgenomen hebben, hem zelfs liever met slijk besmeurden, trachten nu door taalbelangen de werkende klassen te verdelen. Welnu, diezelfde taalbelangen zouden zonder de oorlog getriomfeerd hebben en na de oorlog zullen zij zeker worden erkend. Maar de verdeeldheid die nu onder de werkers gezaaid wordt, schaadt de Vlaamse zaak zelve en bevoordeligt alleen de burgerelementen die de overwegende meerderheid in die beweging uitmaken.”[721]

Blijkbaar werd het pamflet van Vinderhout/Wannyn daarna herdrukt, want in de versie die wij konden inzien werd op de laatste bladzijde verontwaardigd gereageerd op de “partijverklaring”. “Vriend Anseele, die partijverklaring is onwaardig van U! Ik eisch op mijne duidelijke vragen, duidelijke antwoorden, en verzoek U, Hardijns daar niet mede te gelasten, want die partijgenoot meent, dat alle werklieden uilen zijn, die zijnen ondoordachten praat, grove jezuitentrukken en schijnargumenten maar goedwillig slikken.”[722] Het was Anseeles tactiek echter nooit geweest om op zo’n uitdagingen in te gaan, en ook deze keer werd de zaak voor de rest in Vooruit doodgezwegen.

 

Voor de Nieuwe Gazet was het nu wel duidelijk dat de pogingen om verdeelheid onder de socialisten te zaaien niet echt succesvol waren gebleken. Ook Jef van Extergem werd zich bewust van het falen van die strategie en gooide het over een andere boeg: “Toen begon de Vlaamsche Beweging op te leven. Een nieuw vraagstuk! […] Lang bleef hij wachten op het woord der ouderen, der voormannen, der Anseeles en Cools, de socialisten die zich flamingant hadden genoemd vóór den oorlog. Zij bleven weg, zij zwegen, en toen zij spraken was het om te verraden wat zij voorheen hadden “verdedigd” om te verbranden wat zij hadden aanbeden!”[723] Begin november werden Anseele en Hardyns in tegenstelling tot voordien ook hard aangepakt over hun Vlaamse standpunt, en vergeleken met een “barnum en kornak die aan het goedzakkig publiek olifanten en kemels te bewonderen geven.” Kapitalistische, grote kemels. Dat legde zogezegd de “weinig fiere houding” van Anseele en Hardyns uit. “In plaats van zooals vroeger aan het volk den goeden weg te wijzen, moeten zij nu zelven, den weg bewandelen die hun wordt voorgeschreven door de vijanden van hun volk; daarvan moet iedereen zich overtuigen.” De afrekening was compleet met het besluit van het artikel: “het ware dus dwaasheid van het te verwachten dat zij het roemrijk voorbeeld van vroegere hoofdmannen in bange tijden zullen navolgen. Hunne rol van voorkampers der schandelijk bedrogen Vlaamsche werklieden is uitgespeeld. Aan jongere, maar vrijere socialisten is het voorbehouden aan de Vlamingen den weg naar stoffelijk en zedelijk welzijn door volledig zelfbestuur aan te wijzen.”[724]

 

5.3.4. 1918: de “zelfstandigheid” van Vlaanderen en het ontslag van Anseele als schepen

 

De toegenomen spanningen tussen de activisten en Gentse socialisten zouden er niet op beteren in 1918, het jaar waarin de door de Raad van Vlaanderen geproclameerde “zelfstandigheid” van Vlaanderen bekend werd. De tekst van 19 januari van het Centraal Vlaamsch Persbureel die de plechtige en eenparige uitroeping van “Vlaanderen’s volledige zelfstandigheid” aankondigde, verscheen op 21 januari op laste van de censuur in Vooruit.[725]

De stad Gent keurde deze handeling sterk af. In de notulen van het schepencollege lezen we op 25 januari: “Het college beslist aldan: de Commissie van Betwistbare te raadplegen over de vraag van te weten of de aandacht van den Gemeenteraad niet dient gevestigd te worden op de houding, aangenomen door een Comiteit dat zich “Raad van Vlaanderen” betitelt, en aanspraak maakt op een zeker gezag in zake van Bestuur; opdat hij desgevallend tegen die matigingen protest zou kunnen aanteekenen.”[726] De zaak werd inderdaad voor de gemeenteraad gebracht. Opnieuw klonk het afwijzende (en zelfs minachtende) standpunt sterk door in de notulen: “De Heer Burgemeester zegt: Sinds eenigen tijd stellen zich enkele personaliteiten aan als zouden zij met een zeker gezag in Vlaanderen bekleed zijn. Het College en de Commissie van het Betwistbare desaangaande geraadpleegd, zijn van gevoelen dat de Gentsche Gemeenteraad daaraan niet onverschillig kan blijven.” De gemeenteraadsleden legden geen enkel bezwaar neer. Tijdens de zitting werd gedebatteerd over het ontwerp van een protestmotie, en aan het einde van de zitting werd de tekst unaniem aangenomen en ondertekend door elk gemeenteraadslid afzonderlijk.[727] In de motie werd in krachtige bewoordingen afstand genomen van elke handeling gepleegd door de Raad van Vlaanderen: “De Gemeenteraad van Gent, […] Teekent eenpariglijk protest aan in naam van de Gentsche bevolking die hij vertegenwoordigt en wier wezenlijke gevoelens hij overtuigd is uit te drukken tegen de handelingen gepleegd door voormelde “Raad van Vlaanderen”, ontkent aan dit Comiteit alle wettelijke en feitelijke macht, veroordeelt ten strengste deze handelingen als zijnde een verraad tegen de heiligste belangen van het Vaderland en betuigt, uit al zijne kracht en met den meesten nadruk, zijne trouw aan de Natie, aan den Koning en aan de Regeering van het Belgische Volk.”[728]

Anseele zelf protesteerde via een naamloos verspreide nota bij zijn Duitse kameraden. Hij liet weten dat het idee van een politieke scheiding geen enkele kans maakte, omdat alle machten in Vlaanderen tegen waren. Het activisme vond volgens hem “geen wortel in de arbeidende klasse”, en werd niet door het volk gevolgd. Bovendien moesten de Duitse socialisten ook weten dat de Vlaamse Beweging steeds vijandig had gestaan tegenover de arbeidersbeweging.[729]

Ondertussen verscheen er bij de Gentse socialisten naar aanleiding van de protestmotie van de gemeenteraad ook een tekst met “het Sociaal-demokratisch oordeel uit Vlaanderen over de Vlaamsche-aktivistische beweging.” Van wie de tekst uitging en waarvoor ze diende, is niet meteen duidelijk. Maar de inhoud ligt in het verlengde van wat we eerder al hoorden bij Anseele en Vooruit, wat - opnieuw - doet vermoeden dat het dezelfde mening als die van Anseele weerspiegelt. De auteur benadrukte dat de activistische beweging onder de bevolking geen draagvlak had (niet bij de boeren, niet bij het groot-kapitaal en het grondbezit, niet bij de sociaal-democraten en niet bij de middenstand) en dat de socialistische instellingen steevast door haar leden belasterd waren. Het Gentse standpunt werd ook herhaald: de Vlaamse kwestie was een klassenvraagstuk en geen rassenvraagstuk, en de rechtmatige eisen konden steeds op de steun van de socialisten rekenen. Kortom, de activistische beweging had geen toekomst.[730] We sluiten niet uit dat dit dezelfde (vertaalde) tekst was die Anseele onder de Duitse kameraden verspreidde.

 

Nu was het de beurt aan de activisten om verontwaardigd te reageren. De Raad van Vlaanderen stuurde naar aanleiding van de protestmotie op 8 februari 1918 een brief naar de Verwaltungschef Schaible met het uitdrukkelijke verzoek om burgemeester Braun en schepen De Weert te deporteren, aangezien zij “hun gezag misbruiken om de vrije uiting te belemmeren van de gevoelens der voorstanders van de Vlaamsche zaak. Deze personen zouden als gijzelaars kunnen dienen met het oog op mogelijke aanslagen tegen activisten.”[731] Dat was trouwens geen nieuw gedacht. Al bij de oprichting van Jong-Vlaanderen in 1914 zou Domela Nieuwenhuis erop aangedrongen hebben dat beide mannen zouden gedeporteerd worden (“De wegzending van mannen als P. Fredericq, burgemeester Braun, schepen De Weert, Pirenne e.a. zou moeten worden gevraagd en niet worden gerust voordat deze verkregen is.”)[732], en dus haalde hij eindelijk zijn slag thuis. Fredericq en Pirenne waren al in 1916 gedeporteerd.

Op 30 april werden De Weert en Braun inderdaad naar Duitsland gedeporteerd. Op 29 maart was er in het schepencollege nog geen vuiltje aan de lucht (Braun en de Weert hadden wel al een boete gekregen van 3.000 Duitse marken elk[733]), maar op 30 maart werd de zitting al voorgezeten door de Duitser Künzer, die burgemeester Braun zou vervangen. Deze deelde de deportatie mee en kondigde aan dat de activisten Jan Wannyn en Hector Plancquaert als schepen waren benoemd. Anseele keurde die laatste actie duidelijk af en nam daarop het woord: “Heer Oberbürgemeister, Gij hebt ons verzocht gemeenschappelijk voor het welzijn en de belangen der Stad Gent te arbeiden. Wij waren bereid tot deze samenwerking, maar in de meening dat dit samenwerken zou geschieden met schepenen die door den Gemeenteraad zouden gekozen worden: met beide voornoemde schepenen kunnen wij niet samenwerken.” Samen met Coppieters en Heynderickx diende hij vervolgens zijn ontslag in. Blijkbaar konden de schepenen leven met de deportatie van Braun en de Weert en de aanstelling van Künzer: tenslotte hadden ze ook de deportatie van Lampens opgevangen. Maar dat het activisten waren die hun plaats zouden innemen was ondenkbaar. Zíj waren te ver gegaan met de proclamatie van de “zelfstandigheid” en waren dus schuldig aan de deportatie van Braun en de Weert. Van samenwerking met die inheemse landverraders kon dan ook om evidente redenen geen sprake zijn.[734] Op dezelfde dag werd ook de gemeenteraad ingelicht[735], en die staakte uit protest eveneens haar bezigheden.[736]

 

In Vooruit werd de verordening die de deportatie aankondigde gepubliceerd op 4 april. De censuur was heel scherp: er verscheen geen enkele commentaar en het opstappen van de gemeenteraad en de andere schepenen werd niet eens meegedeeld.[737] In de Nieuwe Gentsche Courant was dat natuurlijk helemaal anders. Het zong de lof van het Duitse besluit en verheugde zich ook in het opstappen van Anseele en zijn collega-schepenen. “Eindelijk” was er een einde gekomen aan “het franskiljonsche bewind.” Lief was de auteur niet voor Anseele (en de andere schepenen): hij werd een van de “volksvijanden die aan verbastering en volksonderjukking meededen” genoemd.”[738]

De spanningen tussen de activisten en Gentse socialisten hadden zo’n grote kloof geslagen, dat de brokken niet meer te lijmen waren. De Nieuwe Gentsche Courant profiteerde van het feit dat Vooruit minder dan ooit weerwerk kon bieden als gevolg van de censuur. Eind april greep het twee feiten aan om de socialisten te kijk te zetten op haar voorpagina. In het eerste geval gaf het F. Lippens, secretaris van het syndicaat van de kleermakers, een forum. De socialistische voormannen werd gevraagd het protest van de gemeenteraad mee te ondertekenen, maar Lippens had dat geweigerd. “Maar hier had hij niet gerekend met het fanatisme der partij, die op grond der partijtucht hem het recht ontzegde zoo te handelen,” schreef de krant. De Gentse socialisten hadden hem voor de keuze gesteld: breken met de Vlaamse Beweging of zich onderwerpen aan het besluit van de partij. “Daar hij zulks aanzag als eene verregaande beperking der persoonlijke vrijheid, gaf hij zijn ontslag als bestuurslid der partij, als secretaris van zijn vakbond en als lid van den Werkrechtersraad.”[739] Opmerkelijk was ook het verslag van een “Handgemeen in ’t Gentsch Atheneum”. In het atheneum werden volgens de Nieuwe Gentsche Courant de activistische leerlingen gepest, terwijl de pestkoppen werden gesteund door hun ouders. Het dagblad meende daar een manoeuvre in te zien van onder meer Anseele: “We kunnen als aanvoerders van de franskiljonsche deugnietsbende signaleeren: de zoon van den socialistischen leider Edward Anseele, de zoon Pirenne en zekere Heyman!” De prefect werd opgeroepen om paal en perk te stellen aan de situatie.[740] Later werd er aangekondigd dat enkele leerlingen waren gestraft, maar over de rol van Anseele, Pirenne of Heyman bleef het stil.[741]

 

In augustus keerden de oorlogskansen. Het hoopvolle lenteoffensief van de Centrale mogendheden was definitief vastgelopen en het geallieerde offensief, dat later succesvol zou blijken, was begonnen. In de vijfdelige artikelenreeks van Anseele over het na-oorlogse België toonde hij meteen veel toekomstperspectieven. Twee delen gingen over de taalkwestie (cfr. supra), maar aan het activistische avontuur werden geen woorden vuilgemaakt. Het enige dat in die richting werd geschreven, was dat de socialisten de taalkwestie democratisch wensten op te lossen “in de geest van de eenheid van ons land en van de gelijkheid onzer beide landstalen”.[742] De Nieuwe Gentsche Courant had haar scherpe toon tegen Anseele en de socialisten ook al een tijdje laten varen, al tijdens het lenteoffensief van de Centralen. Waarschijnlijk moeten we de oorzaak daarvan zoeken in het feit dat Anseele met zijn verwijdering uit het schepencollege al een tijdje van het voorplan was verdwenen.

 

En toen naderde de oorlog haar einde. De evidente volkswoede richtte zich tegen de activisten, die niet alleen hun huis geplunderd zagen of fysiek werden aangevallen, maar vaak ook gedwongen werden op de vlucht te slaan. Anseele liet op 11 november als waarnemend burgemeester een affiche uithangen om de bevolking te vragen kalm en waardig te blijven. Hij wilde van geen publieke afrekening weten.[743] Na de oorlog werd hij daar uit activistische kringen nog voor bedankt.[744]

In Vooruit werd wel afgerekend met de activisten, maar dan in woorden. De Morgenbode, een katholiek activistisch dagblad, hoopte er kennelijk op om haar activistische oorsprong te kunnen verloochenen. Het had aangegeven dat het enkel de lezers op de hoogte had gehouden van de gebeurtenissen in binnen- en buitenland, niets meer. Vooruit noemde het dagblad om die reden op het ogenblik dat de censuur niet meer zo scherp was “een pretentieus heerschap” en verklaarde dreigend: “enkel dit voor het oogenblik, ‘Morgenbode’: In Augustus laatst verschenen in “Vooruit” verschillige artikels van de hand van onzen vriend Edward Anseele waarin onder ander ons socialistisch standpunt in zake de VLAAMSCHE beweging en VLAAMSCHE VOLK werden behandeld. Zonder van ons voorgaande en als partij én als blad en als Vlaamsche arbeiders te spreken, stellen we dit programma tegenover de Flamingantische beweging met hare gevolgen die gij in de laatste periode hebt gevoerd en in dewelke gij uw “ontstaan” vond. En hieromtrent zullen we weldra in gelegenheid zijn eens nader met elkaar te spreken.”[745] Niet veel later klonk het: “wij hopen dat de gentsche bevolking zoo verstandig zal zijn dat zwendelarij-gedoe van dien derden oorlogsmarchand in journalisme te onthalen zooals het behoort: het vlaamsch spreekwoord zegt immers = “Met wien men verkeert wordt men geëerd.””[746]

Eenmaal met de Duitsers de censuur was vertrokken, werd pas echt goed duidelijk hoezeer de Gentse socialisten (en Anseele?) de activisten hadden veracht. Cynisch klonk het: “Anderzijds meldt men dat verscheidene heeren, die zich in den laatsten tijd als eenige en ware redders van het verdrukte vlaamsche volk lieten betitelen, spoorloos verdwennen (sic) of met noorderzon vertrokken zijn. Voorwaar, eene zonderlinge manier om de volksbelangen te verdedigen.”[747] Of ook: “Ook hadden we gedurende ruim drie jaren de tergende handelingen van eene bende lafaards, een troep slechterikken, arrivisten, heersch- en eerzuchtenden, gediplomeerde nulliteiten, politieke misbaksels te gedogen. […] Onder de laffe bewering: voor de vrijmaking van ’t Vlaamsche volk te werken, poogden deze ploerten haat, ontzenuwing en verdeeldheid, vooral in de harten der werkers te strooien.”

Meteen gaf Vooruit ook aan waarom het het activisme zo scherp afwees: “de socialistische voormannen en instellingen in de eerste plaats werden aangevallen, door kerels die zich de naam van sociaal-demokraat toeëigenden ofwel door andere politieke hoeren, terwijl wij in de onmogelijkheid waren ons te verdedigen.” Over hun vlucht naar het buitenland, wist de redactie ook niet veel goeds te vertellen: “werpend met drek en vuil, hunne venijnige gal uitspuwend, hebben ze het als hunne resterende levenstaak beschouwd midden al dit stikkende vuil om te komen.”[748] Op 12 november wijdde het dagblad een artikel aan “het verraad der aktivisten-flaminganten” (auteur R.Vercammen), waar het nauwelijks vriendelijker voor de dag kwam. Het kwam terug op de doelmatige aanvallen uit de activistische pers: “in meetingen en smaadschriften werden vooral de socialistische inrichtingen, voormannen, ideeën aangevallen. Door de perscensuur werd ons het verbod opgelegd te antwoorden, op de aangevoerden laster mochten wij ons niet verdedigen.” En de activisten werden opnieuw afgeschilderd als een bedenkelijke groep: “maar spot, leugen, laster en verraad hebben geen duur. Deze flamingantische arrivisten en zwendelaars aller kleur hadden op eene onvermijdelijke overwinning van het pruisische militarisme gerekend.” Maar, “de lafaards waren zóó goed van de slechtheid hunner daden bewust, dat ze weken op voorhand vertrokken.” Volgens Vercammen had Anseele trouwens ook zijn ongenoegen laten blijken tegenover een Duitse officier, en die vlucht en de volkswoede voorspeld. Hij zou hebben gezegd: “dat de flaminganten wel zouden doen den VOORlaatsten trein te nemen, indien de Duitschers met de laatsten zouden vertrekken.”[749] Toch riep Anseele dus, zoals gezegd, als waarnemend burgemeester de bevolking op tot kalmte.

 

 

 5.4. Besluit

 

De afrekening in Vooruit de laatste oorlogsdagen was illustratief voor hetgeen in de oorlog was gebeurd tussen de activisten en de socialisten. Voor Anseele, die zelf Vlaamsgezind was maar die strijd altijd ondergeschikt had gezien aan de sociale strijd, was het activistische avontuur oorspronkelijk niet iets waar hij dicht bij betrokken was. Dat zou pas veranderen met de opening van de vernederlandste Gentse universiteit. Omdat hij de Duitsers elk recht ontzegde zich in de binnenlandse aangelegenheden te moeien, ondertekende hij mee een protestmotie tegen de vernederlandsing op het moment dat het Duitse voornemen concreet werd. Dat was voornamelijk principieel, want veel scherpe geluiden waren er nog steeds niet te horen. Het activisme werd door Anseele wel afgekeurd, maar persoonlijk was hij nog niet echt betrokken. Hij bleef zich nog pragmatisch afzijdig houden.

In 1917 zou dat veranderen. Niet alleen kreeg het activisme een politiek gezicht met de Raad van Vlaanderen, een soort parlement dat voor een Vlaamse vrede ijverde, en de doorvoering van de bestuurlijke scheiding, maar vooral de stellingnamen van de socialistisch georiënteerde Nieuwe Gazet van Gent en de toeëigening van de Stockholm-conferentie door de activisten betekende voor de Gentse socialisten een aanval op de eigen achterban. Het sprak vanzelf dat de Gentse socialisten dat niet zomaar lieten gebeuren. De Nieuwe Gazet van Gent ondernam begin 1917 onder meer via Jef van Extergem subtiele maar nauwelijks verholen pogingen om verdeeldheid te zaaien in de socialistische rangen. Met ook de Stockholm-episode en het passenprobleem in het achterhoofd, steeg de spanning tussen beide groeperingen. Vooruit gaf met het artikel “het ware standpunt” het startschot voor een scheldtirade over en weer, waarschijnlijk niet toevallig na het Stockholm-debacle. De Gentse socialisten lieten daarmee hun pragmatisme varen, en kozen ditmaal openlijk stelling. Hardyns herhaalde in het artikel zijn en Anseeles vooroorlogse standpunt dat de Vlaamse kwestie in de eerste plaats een klassenvraagstuk was, en gaf enkele subtiele sneren naar de activisten. Die reageerden met artikels in de Nieuwe Gazet van Gent en met een pamflet dat Anseele persoonlijk aanviel. Vooruit reageerde dan weer met een indrukwekkende partijverklaring om haar partijgenoot te steunen.

In de Nieuwe Gazet van Gent/Nieuwe Gentsche Courant werd de toon ten aanzien van Anseele als gevolg van de stellingname grimmiger. De subtiele pogingen om overlopers te lokken, werden opgegeven ten voordele van enkele scheldtirade’s. Uiteindelijk zou de boel pas helemaal ontploffen met de uitroeping door de Raad van Vlaanderen van de “zelfstandigheid” van Vlaanderen. Opnieuw zette Anseele zijn handtekening onder een protestmotie, maar ditmaal met verregaandere consequenties. Burgemeester Braun en de Weert, van wie het initiatief tot de protestmotie uitgingen, werden op vraag van de activisten gedeporteerd. Anseele kon de Duitse plaatsvervanger van Braun, Künzer, nog met tegenzin aanvaarden, maar diende samen met collega-schepenen Coppieters en De Bruyne zijn ontslag in omdat er twee activisten tot schepen werden benoemd. De gemeenteraad volgde dat voorbeeld. De kringen rond de Nieuwe Gentsche Courant triomfeerden uiteraard, maar Vooruit werd door de censuur gedwongen te zwijgen.

En dan was er het einde van de oorlog: de vergaarde gal werd uitgespuwd via het partijblad Vooruit, en het was duidelijk dat de woede vooral het gevolg was van de activistische pogingen om verdeeldheid in socialistische rangen te zaaien. In het dagblad werd op scherpe wijze afgerekend met de “landverraders”. Anseele zelf nam als plaatsvervangende burgemeester wel de verantwoordelijkheid op om de volkswoede te kalmeren, maar dat ook hij, de man die de eenheid binnen zijn partij altijd het belangrijkste had gevonden, de activisten de verdeeldheid in de socialistische vereniging zwaar aanrekende, daar bestaat geen twijfel over.

 

 

6. Anseele en de Duitsers

 

 6.1. Inleiding

 

Aan de ene kant bekijken we hoe Anseele strategisch naar Duitsland keek. M.a.w. hoe calculeerde Anseele zijn eigen rol en die van Duitsland in het naoorlogse België in? Langs de andere kant gaan we na hoe Anseele zich verhield met de Duitsers in Gent/België. Hoe werkte hij samen? Loyaal, plichtsbewust of uit noodzaak? En was er bij beide een evolutie merkbaar?

 

Om op deze twee pertinente vragen een afdoende antwoord te geven, volstond het bronnenmateriaal niet. Vooruit was gecensureerd, in het middencomité werd er niet over de Duitsers gesproken, terwijl andere bronnen dan weer ontbreken. In het archief van de Auswärtiger Amt was Anseele blijkbaar niet echt onderwerp van strategische overwegingen, wat op zich natuurlijk al iets zegt. En ook in de (uitgegeven) rapporten van Oscar von der Lancken[750], chef van de Politische Abteilung, wordt er over Anseele met geen woord gerept. De pogingen om het een en ander te omzeilen via het Camille Huysmansarchief liepen op niets uit. Onvermijdelijk vormt dit hoofdstuk dan ook een aaneenrijgen van alleenstaande elementen die we voornamelijk in de literatuur vonden, en waarin we trachten een ordening te scheppen. Dat werd ons niet gemakkelijk gemaakt doordat er over sommige lange periodes geen documentatie bestaat. Vooral hier geldt dus dat we blijven steken op het niveau van de interpretatie. De lezer dient dit dan ook in het achterhoofd te houden.

 

 

 6.2. Anseele tegenover Duitsland

 

De echte strategische overwegingen van Anseele blijven in de biografie van Kenis achterwege. Anseele was volgens Kenis zijn vaderland trouw, en liet zich niet verleiden het met de Duitse bezetter op akkoordjes te gooien. Als het moest, klopte hij op tafel. Ook al riskeerde hij daarmee deportatie. Enigszins verwonderd stelt de biograaf vast dat het nooit zover was gekomen. Kortom, met de Duitse bezetter was hij geen beste vriendjes.[751] Ook Bertrand laat dat doorschijnen, al is het ook niet met zoveel woorden.[752]

Bij Vanacker horen we dan weer een ander geluid: “met de Duitse bezetter kon de Gentse socialistische schepen behoorlijk opschieten. Naar verluidt werkten de Duitsers liever met hem samen dan met burgemeester Braun, omdat Anseele ‘vrijpostig en grof’ was en Braun ’te fijn en te handig’.”[753] Claeys-Van Haegendoren schrijft in dezelfde zin: “Zij [de Gentse socialisten] maakten zelfs, in tegenstelling tot hun Brusselse partijgenoten, geen bezwaren tegen een zekere vorm van collaboratie met de bezetter.”[754] En Rudiger schrijft ongenuanceerd dat Anseele “zich geenszins anti-Duitsch toont en dat hij zich zelf bereid heeft verklaard de Duitsche belangen te Gent te beschermen.”[755]

De vraag is nu aan welke bewering we het meeste belang dienen te hechten? Vanacker en Claeys-Van Haegendoren hanteren alleszins een wetenschappelijke benadering, maar hun bronnenmateriaal is vrij eenzijdig. Vanacker verwijst naar het dagboek van Paul Fredericq. Claeys-Van Haegendoren verwijst zelfs niet eens naar een bron. De vraag blijft dus open. Maar alvorens daar verder op in te gaan, moeten we ons de vraag stellen hoe de Duítsers op hun beurt naar Anseele keken.

 

Aan het begin van de oorlog trachtte Duitsland alvast toenadering te zoeken tot bestaande politieke groeperingen om haar oorlogsdoelen (cfr. supra) te verwezenlijken. We zagen dat ze uiteindelijk bij de Vlaamse Beweging uitkwamen, maar eigenlijk waren die slechts de derde keuze na de socialisten en de kerk. De Duitsers zochten eerst intensief toenadering tot de socialisten en stelden daarom enkele sociale wetten en de invoering van het AES in het vooruitzicht. De socialisten bleken niet onder de indruk. Natuurlijk waren er de Duitse misdaden tegen de Belgische bevolking in bijvoorbeeld Dinant en Leuven die het vertrouwen hadden gekelderd, maar de socialisten rekenden ook vooral op zichzelf om hun doelen te bereiken. Bovendien waren er reeds democratische vooruitzichten binnen het Belgische kader en was de gouverneur-generaal de emanatie van het verfoeide absolutisme en militarisme. De Duitsers vingen bijgevolg bot.[756] Maar dat betekende niet dat dat Anseele werd aangerekend. Vanacker gaf al aan dat de Duitsers graag met hem samenwerkten (zie ook volgende paragraaf) en de Duitsers zagen wel in dat ze zich er beter voor hoedden om Anseele veel in de weg te leggen. Staken ze immers een vinger uit naar hem, dan zou de bevolking daar alles behalve mee gediend geweest zijn. Zijn populariteit was dus de beste garantie voor zijn veiligheid. Of zoals Kenis het verwoordde: “Doch nooit kwam het tot een deportatie. In de steeds dreigender omstandigheden, bleef hij de beste waarborg tegen de algemene ontreddering en anarchie.”[757]

 

Maar was er niet meer aan de hand? Zeker in de eerste jaren van de oorlog leek dat wel zo. Hoewel Vooruit de eerste oorlogsmaanden Duitsland tot oorlogsschuldenaar had gebombardeerd (cfr. supra) en in een gedichtje scherp had afgerekend met de Duitse gewelddaden[758], bleef Anseele zelf mild tegenover de Duitse socialisten en manoeuvreerde hij zelf achter de schermen veel genuanceerder of zelfs volledig op tegenovergestelde wijze. Of het moet zijn dat hij in de eerste maanden na de bezetting van Gent van gedacht was veranderd.

We vonden twee voorbeelden terug van die houding van Anseele. In maart 1915 ontving hij Gustav Mayer, een Duitse sociaal-democratische journalist, gastvrij in zijn woning en van enige rancune of haat was er geen sprake. Toch veroordeelde hij streng de Duitse inval, de Duitse wreedheden en de pogingen om de Vlamingen en Walen te verdelen. Wat konden de Duitsers België bieden, vroeg Anseele zich luidop af. Hij wees Mayer erop dat de Fransen vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid hadden gebracht.[759] In oktober 1915 was Anseele pas echt vriendelijk tegenover de Duitse bezetter, toen de liberale Rijksdagafgevaardigde Gerhard von Schulze-Gaevernitz door Anseele in zijn woning werd ontvangen. Anseele gaf aan ervan overtuigd te zijn dat Duitsland de oorlog ging winnen en heel België en Noord-Frankrijk zou annexeren, “eine Aussicht, die, wie er meinte, ihn nicht begeisterte, aber auch nicht sonderlich beunruhigte” (aldus von Schulze-Gaevernitz). Hij wou de voor- en nadelen ervan voor de arbeidersbeweging afwegen, en van de Duitsers verwachtte hij de invoering van het AES en een zekere vooruitgang op gebied van sociale en schoolwetten. Daartegenover stond een vermindering van de politieke vrijheden en de invoering van een autoritair, nationalistisch regime. Na een marxistische analyse te hebben gegeven waarom een Duitse overheersing plausibel zou zijn, trachtte hij zijn eigen politieke toekomst te verzekeren. Als een platte opportunist vroeg hij von Schulze-Gaevernitz de garantie dat hij als afgevaardigde van Gent in de rijksdag zou mogen zetelen.[760]

Of de Gentse kameraden op de hoogte waren van Anseeles visie is niet duidelijk, maar erg waarschijnlijk achten we dat niet om de simpele reden dat Anseele dergelijk politiek calculeren natuurlijk best voor zichzelf hield. Bovendien was de houding van Anseele ietwat in tegenstelling met wat Vooruit aan het begin van de bezetting van Gent had geschreven, net voor de Duitse censuur werd ingesteld. Anseele werd daarin als het te volgen voorbeeld afgeschilderd van hoe men met de Duitse bezetter moest omgaan, nl. fatsoenlijk en beleefd maar krachtdadig. De bezetter tonen dat hij de bezetter was, en dus gedoogd werd, maar niet gewenst was.[761]

 

Het tweede volledige oorlogsjaar vormt dan een zwarte vlek. We weten dat Anseele via een protestmotie tegen de vernederlandsing van de Gentse hogeschool de Duitsers elk recht ontzegde zich te moeien in de binnenlandse aangelegenheden. En het dagblad Vooruit verdedigde zoals gezegd vurig Anseele tegen de insinuaties als zou hij Engeland als de voornaamste oorlogsschuldenaar zien en triomfeerde uiteindelijk opgelucht toen het zekerheid had dat het niet Anseele was die deze uitspraken had gedaan. Toch bleek Vooruit er niet volledig gerust op. Hadden ze toch weet van Anseeles onderhoud met het Rijksdaglid en kon men bijgevolg dergelijke (ongelukkige) uitlatingen uit die hoek verwachten? Uit deze rel blijkt alleszins duidelijk dat zijn Gentse kameraden nog steeds de Duitse bezetting scherp afwezen, of dat althans naar de buitenwereld toe zo wilden laten blijken. Maar zegt de rel iets over Anseele zelf? Niet noodzakelijk.

 

En toen begonnen de deportaties van de Belgische arbeiders. Was Anseele zich n.a.v. de Vlaamse Hogeschool zich in maart 1916 al harder gaan opstellen, dan waren de deportaties alvast de druppel die de emmer deed overlopen. Tijdens een tweede ontmoeting met von Schulze-Gaevernitz in december 1916 liet hij zijn ongenoegen blijken over de deportaties van de arbeiders en de nakende bestuurlijke scheiding tussen Vlaanderen en Wallonië. Van hem was geen medewerking meer te verwachten, zo maakte hij het Rijksdaglid duidelijk.[762] De Duitse overheden wilden Anseele ook maar een pas voor Den Haag toekennen, als zeker zou zijn dat hij zijn klachten over de deportaties niet op het internationale forum zou verspreiden. We sluiten ons ook aan bij de conclusie van Vanacker, die stelt dat een “collaboratie” - overigens een problematische term - van Anseele als gevolg van de bestuurlijke scheiding en de deportatie van de arbeiders voor hem niet langer een van de opties was (zie volgende paragraaf).[763]

 

Betekent dat non-collaboratie standpunt dan dat de woede tegenover Duitsland de bovenhand haalde? We nemen aan van niet. Eerst en vooral diende Anseele nog altijd met de Duitsers samen te werken als schepen van Gent en als verantwoordelijke van de bevoorrading. Daarnaast moet hij ook wel ingezien hebben dat een mogelijke verscherpte houding hem of de bevolking niet veel zou opleveren. Misschien was Anseele kortstondig heel scherp tegenover Duitsland op het moment dat hij mogelijks de BWP- nota van 12 december 1916 mee goedkeurde (het moment van het tweede gesprek met von Schulze-Gaevernitz), maar naderhand was hij alleszins veel genuanceerder. En het is niet eens zeker dat Anseele mee de BWP-nota had ondertekend. In tegenstelling tot zijn patriottische collega-socialisten in Brussel en in het buitenland die een overwinning op Duitsland wensten, pleitte Anseele immers voor het hervatten van het overleg met de Duitse socialisten naar aanleiding van de Stockholm-conferentie. Hij stond voor een vrede door overleg, en niet voor de nederlaag van Duitsland. Als hij echt razend zou zijn geweest, zou daar geen sprake van geweest kunnen zijn. Zijn collega-socialisten hadden dat voorbeeld al gegeven. Ook het onderhoud met oorlogscorrespondent Köster van Vorwärts, waarin Köster zoals gezegd verheugd bleek over de milde toon van Anseele t.a.v. Duitsland, wijst in de richting van een genuanceerde houding van Anseele.

 

 

 6.3. Anseele tegenover de Duitsers

 

Maar wat betekende Anseeles niet-collaboratie standpunt dan eigenlijk? Alleszins niet dat hij niet meer samenwerkte met de Duitsers. Uit de notulen van het schepencollege blijkt immers heel duidelijk dat Anseele op meer dan regelmatige basis in betrekking stond met de Duitsers over de bevoorrading. Tijdens de eerste twee oorlogsjaren verliep de samenwerking tussen de Duitsers en Anseele, zoals ook Vanacker al had aangegeven, reeds vlot. Anseele stond onder meer in voor het verzamelen van de opgeëiste goederen, de bevoorrading, het bepalen van de verkoopprijzen voor voedingswaren,… Niet zelden pleegde Anseele overleg met de bezetter, omwille van allerhande redenen. Bovendien was het de politiek van de SM Vooruit om de Duitsers heel vriendelijk te ontvangen[764], wat misschien ook iets zegt over Anseeles houding. Het voorbehoud om tussen te komen bij de arbeiders aan het Arsenaal, was waarschijnlijk het gevolg van de moeilijke positie waarin Anseele zich bevond. Maar ook nadat Anseele als gevolg van de deporaties meer afstand had genomen van Duitsland en zich op het non-collaboratie standpunt had gesteld, bleef hij constructief meewerken met de Duitsers. Voor de stad bleef hij verantwoordelijk voor de bevoorrading, hij overlegde over nieuwe leningen voor de stad, in het kader van zijn taak als hoofd van de dienst die zich bezighield met de gedeporteerde Gentse arbeiders moest hij afspraken maken met de Duitsers, … Over Anseeles activiteiten binnen de provinciale bevoorradingscommissie zijn we het best geïnformeerd. Omdat de verslagen van de zittingen bewaard zijn gebleven, beschikken we over een directe bron van de wisselwerking tussen Anseele en de Duitse vertegenwoordigers. Van een meer verzuurde relatie tussen beide zijden valt alvast niets te merken.

Kortom, niet-collaboratie betekende voor Anseele dat hij zich begon te distantiëren van de Duitse oorlogsdoelen en haar handelingen (deportaties, activisme), maar niet dat hij niet meer met de Duitsers zélf kon samenwerken. Of in andere woorden, hij was niet van plan zich nog voor de kar van de Duitsland te laten spannen, maar wilde tegelijk de bevolking niet in de steek laten. En dus bleef hij zich inzetten voor een directe verbetering van het lot van de bevolking, zoals hij al zijn hele leven had gedaan.

Maar waar ligt tijdens een oorlog de scheidingslijn tussen collaboreren met de bezetter en de eigen bevolking niet in de steek laten? Toegepast op Anseele: toen hij naar aanleiding van het verminderen van het aardappelrantsoen met zijn ontslag in de provinciale bevoorradingscommissie dreigde, maar dat uiteindelijk niet deed, was dat dan toch een kwestie van collaboratie (en het blijven meehelpen aan het bezettingsregime in weerwil van de bevolking) of was het juist om de bevolking ook in de het verloop van de oorlog van dienst te kunnen zijn, in de redenering dat als hijzelf verdween zij dan volledig overgeleverd zouden zijn aan de willekeur van de bezetting? En toen hij te kennen gaf te willen samenwerken met de Duitse burgemeester Künzer, was dat dan het zich voor de Duitse kar laten spannen of het willen voorkomen van erger? Het is een gekend probleem, dat zich ook stelde tijdens de Tweede Wereldoorlog. Voor Nederland legt historicus Chris van der Heijden het nader uit aan de hand van fragmenten uit egodocumenten. Om zichzelf niet bloot te stellen aan de beschuldiging van collaboratie, zou de meest logische beslissing voor ambtenaren, burgemeesters, politiediensten enz. zijn om ontslag te nemen. Toch moeten we vaststellen dat deze praktijk alvast in Nederland niet zo snel gebeurde. In de eerste plaats wilde men natuurlijk het inkomen niet verliezen. Daarnaast was accommodatie aan de nieuwe situatie op zich vrij natuurlijk. “Wat anders doen?,” merkt van der Heijden op. Maar in de egodocumenten valt ook vaak te lezen dat het de uitdrukkelijke bedoeling was aan te blijven om erger te voorkomen, zoals bij Boot, Hirschfeld of Frederiks. Alle drie waren in dienst van de overheid, respectievelijk als burgemeester, ambtenaar en minister. En alle drie konden ze vanuit hun positie de Duitsers als het ware “sturen”, of toch op zijn minst afremmen. Los van de terechte vraag in hoeverre we dat kunnen extrapoleren naar het België van de Eerste Wereldoorlog[765] en in welke mate egodocumenten als betrouwbare bron kunnen doorgaan in dit soort stellingnamen, geeft dat wel te kennen dat de scheidingslijn tussen collaboratie en aanblijven om de bevolking van dienst te blijven flinterdun is. Naar buiten toe zagen Boot, Hirschfeld of Frederiks zich immers soms genoodzaakt om op het eerste gezicht een onpatriottische houding aan te nemen, terwijl er in werkelijkheid juist een verstandige daad van verzet speelde. Voor de buitenwereld leek het echter alsof ze collaboreerden.[766]

Toen Anseele met zijn ontslag dreigde in de provinciale bevoorradingscommissie, toonde hij op zijn beurt aan de Duitsers dat het hem menens was dat de bevolking niet in de steek mocht gelaten worden. Hij gaf ook expliciet aan dat hij in dergelijke omstandigheden niet bereid was zijn geloofwaardigheid op het spel te zetten, en zich in de perceptie niet langer te willen laten gebruiken als loyale medewerker. Maar uiteindelijk diende hij zijn ontslag niet in. Naar het waarom hebben we het raden, maar het is reëel dat het niet in de steek laten van de bevolking een deel van de verklaring was. Voor zijn eigen populariteit hoefde hij het alleszins niet te doen: uit katholieke hoek kreeg hij zoals gezegd veel kritiek op de erbarmelijke voedingssituatie en dat zou er met het beperkte rantsoen uiteraard niet op verbeteren.

En waarom toonde Anseele zich bereid om met Künzer samen te werken? Collega’s Braun en de Weert waren immers gedeporteerd door de houding van de activisten, die hij op dat moment verfoeide. Hij kon zich dan ook onmogelijk goed gevoeld hebben bij de situatie. Mogen we ook hier aannemen dat Anseele redeneerde dat hij voor het welzijn van de Gentse stadsbevolking beter op post kon blijven? Of was het toch een vorm van collaboratie en eigenbelang? Voor dat laatste viel alvast iets te zeggen. Het feit dat Coppieters, De Bruyne en Heynderickx dezelfde houding aannamen, pleit dan weer à décharge. En voor het geld moest Anseele het ook niet doen.[767] Toen bleek dat er twee activisten tot schepen zouden benoemd worden, diende hij uiteindelijk wel zijn ontslag in. Als hij schepen zou zijn gebleven in een schepencollege met daarin enkele onvoorwaardelijke collaborateurs (de activisten), dan kon hij waarschijnlijk zelf niet langer staande houden dat hij op post bleef om de bevolking te helpen. Het cruciale punt op weg naar de collaboratie was bovendien wanneer het aanblijven meer in het belang van de Duitsers zou zijn dan in dat van de bevolking.[768] Als Anseele niet wilde collaboreren, dan kon hij ook nooit zijn medewerking verlenen aan een zoveelste platform voor de activisten en dus aan de belangen van de bezetter in haar Flamenpolitik. Laat staan dat hij met de activisten zou kunnen samenwerken en ook nog eens ten dienste kon blijven van het Belgische vaderland, dat zoals gezegd ook bij de Gentse socialisten steeds meer doorgang begon te vinden.

Dat hij wel degelijk weigerde te collaboreren, zien we ook in volgende twee voorbeelden. Terwijl er bij de provinciale bevoorradingscommissie en de benoeming van een Duitse burgemeester nog twijfel kon bestaan over het eventuele belang van de bevolking, was dat hier niet langer het geval. In 1918 deden de Duitsers bijvoorbeeld nieuwe pogingen om de socialisten voor zich te winnen. Ze hadden aangeboden een resem sociale wetten te stemmen en vroegen daarover het advies van de socialisten. Het aanbod werd vervolgens besproken op een zitting van de Nationale Federatie van de Mutualiteiten. Anseele was niet aanwezig, maar Wauters verdedigde naar eigen zeggen zijn standpunt. Er waren voor Anseele drie redenen om deze vorm van collaboratie te weigeren. Eerst en vooral was het zijn mening dat het de bezetter niet toekwam om Belgische wetten te ontwerpen, maar wel aan hen - wat niet nader werd gespecificeerd. Ten tweede weigerde men de samenwerking omwille van de administratieve scheiding. En de derde en laatste reden was dat de werkende klasse er geen enkel voordeel uit zou halen. Hetgeen zij verwachtte, was de vrede.[769]

Een tweede bewijs was het afwijzen van het Duitse voorstel om hem als president van de Belgische republiek aan te stellen. Als dat verhaal klopt, tenminste (cfr. infra).

Beide voorstellen waren vooral in het voordeel van de Duitsers. Anseele wees de Duitsers in beide gevallen dan ook resoluut van de hand.

 

Maar zoals gezegd kon Anseele ondanks het niet-collaboratie standpunt na 1916 vlot en constructief samenwerken met de Duitse bezetter. Dat betekende echter niet dat Anseele niet durfde in te gaan tegen de Duitsers. In de verslagen van de provinciale bevoorradingscommissie vonden we daar al twee voorbeelden van met het dreigen met ontslag en het onrechtvaardig noemen van de prijsverschillen tussen het Etappengebied en het gouvernement-generaal. Maar ook biografen Kenis en Bertrand geven enkele voorbeelden van Anseele die scherpe afkeuring liet blijken tegenover de Duitse bezetter. Toegegeven, echt neutraal zijn beide niet, maar niettemin zal er wel een grond van waarheid hebben ingezeten. We vermelden ze alvast hier. Volgens Kenis boezemde het Duitse uniform hem geen ontzag in: “Hij geneerde zich niet, met de vuist op tafel te slaan als de discussie soms vinnig werd”, en ook: “Herhaalde malen trouwens, kreeg Anseele het met de bezettende overheid aan de stok.” Hij gaf ook twee voorbeelden die zijn stelling moesten bewijzen. Een eerste maal zou Anseele woedend geworden zijn omdat hij en Braun werden berispt omdat ze het vastgestelde maximumbedrag aan nieuwe biljetten hadden overschreden (zie ook hoofdstuk 2). Hij zou vervolgens hebben uitgeroepen: “Wel hoe […] gij komt hier tegen alle recht het land overrompelen. Wij gaan gebukt onder uw requisities. Gij spelt hier de wet. Gij komt onze arbeiders opvorderen om ze voor U te doen werken. Gij dompelt heel ons volk in de miserie. Overal heersen ellende en wanhoop. En op de hoop (sic) toe wilt gij ons beletten, voor de nodige financies te zorgen… Het is ongehoord! Gij zoudt u moeten schamen, aldus het stadsbestuur tegen te werken.” Een tweede maal zou Anseele in woede zijn uitgebarsten naar aanleiding van het verminderen van het aardappelrantsoen.[770]

Ook Bertrand geeft twee voorbeelden. Een eerste maal zou hij zijn uitgevaren tegen de strenge beperking van de mobiliteit in het Etappengebied, en een tweede keer naar aanleiding van een gedeporteerde die was overleden.[771]

 

 

 6.4. Besluit

 

Ondanks het feit dat het bronnenmateriaal ons niet toelaat veel uitspraken te doen over de relatie tussen Anseele en de Duitsers, denken we toch een evolutie te ontwaren. Voor de aankondiging van de Nederlandstalige universiteit in Gent en de deportaties van de arbeiders eind 1916, liet Anseele zich in twee privé-gesprekken met Duitsers niet negatief uit over de bezetter. Hij solliciteerde bij Rijksdaglid von Schulze-Gaevernitz zelfs openlijk naar een zetel in de Rijksdag, zodat we gerust mogen stellen dat Anseele dicht bij een collaboratie stond. In december 1916 ontving hij von Schulze-Gaevernitz opnieuw, maar ditmaal maakte hij die laatste duidelijk dat hij niet op medewerking moest rekenen. Anseele rekende de Duitsers de deportaties en de nakende bestuurlijke scheiding (expliciet) zwaar aan. Anseele had eerder al via een protestmotie n.a.v. de vernederlandsing van de universiteit te kennen gegeven dat hij de Duitsers elk recht ontzegde zich te moeien in de binnenlandse aangelegenheden. In de periode van het tweede bezoek van von Schulze-Gaevernitz verscheen ook de bewuste BWP-nota (12 december 1916) die heel scherp was voor Duitsland, maar waarvan het niet zeker was of Anseele ze mee had ondertekend. Vanaf dan liet Anseele zich alvast niet meer voor de kar van Duitsland spannen en concentreerde hij zich vooral op het helpen van de bevolking. Dat betekende dat hij zich (met tegenzin?) constructief tegenover de bezetter bleef opstellen en verder bleef overleggen over de bevoorrading, leningen, enz. Wat niet wilde zeggen dat hij niet op tafel durfde kloppen. Niettemin toonde Anseele ook aan dat hij niet bereid was de samenwerking tot het uiterste door te trekken. Hij dreigde met zijn ontslag in de provinciale bevoorradingscommissie omdat het rantsoen aardappelen werd verminderd en diende zijn ontslag in als schepen toen activistische schepenen het college kwamen vervoegen. En bovenal, hij wees het Duitse aanbod voor sociale wetten en het Belgische presidentschap van de hand. Vooral de eerste twee voorbeelden tonen aan hoe flinterdun de scheidingslijn was tussen collaboreren en het op de post blijven om de bevolking het best te kunnen helpen. Als we aannemen dat ook Anseele met dit dilemma worstelde, dan valt zijn optreden alvast goed te verklaren. De invoering van Duitse sociale wetten en zichzelf tot president laten benoemen, was niét in het belang van de bevolking. Het aanblijven als lid van de provinciale bevoorradingscommissie en als schepen onder een Duitse burgemeester kon dat wél zijn. De eenzijdige benoeming van twee activistische schepenen was dan weer de stap te ver. Toch mogen we niet de fout maken andere mogelijke verklaringsfactoren uit te sluiten. Het is niet onwaarschijnlijk dat Anseele ook bezorgd was om zijn eigen politieke toekomst, en daarom als goede pragmaticus zo lang mogelijk alle pistes openhield. Had het Duitse Rijk de oorlog gewonnen, dan was hij als op de post gebleven schepen en socialistisch icoon zeker niet uitgesloten van een verdere politieke carrière. Zeker als we ook de goede banden met de Duitse socialisten in overweging nemen. Het is niet dat hij eerder in de oorlog dat niet had overwogen.

 

 

7. De laatste oorlogsweken

 

 7.1. Inleiding

 

Analoog aan het eerste hoofdstuk gaan we na wat Anseeles rol in de bijzondere dagen van het einde van de oorlog was. In eerste instantie is de lokale situatie te Gent van belang. Maar ook op het nationale niveau gebeurde er het een en ander. We denken daarbij vooral aan de besprekingen van Loppem, maar ook aan de explosieve situatie te Brussel.

 

 

 7.2. Te Gent

 

Toen op 8 augustus 1918 het Britse leger begon met de herovering van de gebieden die door het Duitse lenteoffensief verloren waren gegaan, was het nog niet duidelijk dat dit het startschot voor het einde van de oorlog zou zijn. Toch bleek al snel dat de weerstand van de Duitsers gebroken was. Onder de troepen heerste een soort feitelijke staking na de zoveelste slachting, en alle reserves waren voor het lenteoffensief al uit het achterland weggehaald. Voor de Gentse bevolking die naar het einde van de oorlog snakte, was de start en het verloop van het Belgische offensief op 28 september bijzonder goed nieuws. ’s Ochtends was het offensief tussen Ieper en Nieuwpoort begonnen, en tegen het einde van de dag was er al 8 km terreinwinst. Een enorme doorbraak. Een goede maand later, op 2 november, hadden de geallieerden de Leie nabij Drongen bereikt, en werden de voorbereidingen getroffen om nog verder door te stoten.[772]

 

Op diezelfde 2 november liet de Etappenkommandant von Blücher in Vooruit een bekendmaking publiceren, waarin de bevolking “ten sterkste” werd aangemoedigd om de rust en de orde in de stad in “alle omstandigheden” te bewaren en zich van “buitensporigheden” te onthouden.[773] In de editie van 4-7 november herhaalde de redactie van Vooruit dat in eigen naam. “Moed en Verstand!,” titelde het.[774] De situatie was dan ook explosief. Niet alleen was het einde van de oorlog in zicht en kreeg de volkswoede ten aanzien van de Duitsers en de activisten eindelijk kans om zich te uiten, maar daarenboven wist niemand hoe de situatie juist zat. Het enige wat bekend was, was dat er gevochten werd aan de rand van de stad. Bovendien zou elke daad gericht tegen de Duitsers bestraft worden. De onzekerheid knaagde.[775]

De Duitsers hadden het er ook niet gemakkelijker op gemaakt. Zij waren blijkbaar van zinnens de stad nog te verdedigen: het werd de stadsbevolking op 4 november verboden zich nog op straat te begeven. Dezelfde dag nog werden Anseele, Siffer, Vercoullie en kanunnik De Baets opgepikt door een militaire auto en bij het hoofdkwartier van de legerstaf ontboden. De Duitse overheid zag ook wel in dat de rol van de activisten was uitgespeeld, en greep niet toevallig terug naar de socialistische, katholieke en liberale voormannen die nog in de stad waren. Het werd hen duidelijk gemaakt dat zij als tussenpersonen tussen het leger en het stadsbestuur dienden te fungeren en verantwoordelijk waren voor de rust en orde in de stad. De vier weigerden de opdracht: omdat de bevolking zich niet op straat mocht begeven, was het onmogelijk om aan voedsel te geraken. In die omstandigheden kon het viertal om evidente redenen nooit instaan voor de veiligheid en orde in de stad. Pas na lang aandringen werd er een versoepeling bekomen: tussen 8u en 16u mocht men de straat op.[776] Ook om die reden verscheen er naast de redactionele oproep in Vooruit ook een mededeling die was ondertekend door Anseele, Siffer, Vercoullie en De Baets: “zooals gij gevoelt, dreigen groote gevaren onze stad. Die kunnen echter afgeweerd worden, wanneer elk zijn plicht doet. Die plicht is: RUST EN ORDE, ORDE EN RUST!”[777] Niet toevallig veroordeelde Vooruit in de editie van 8 november dan ook de aan gang zijnde plunderingen.[778] Zoals het aan het begin van de oorlog al het geval was, wilden Vooruit en het stadsbestuur opnieuw de stad voor rampen behoeden.

Anseele op zijn beurt begreep dat hij vooral voor de continuïteit in de bevoorrading moest zorgen, wilde hij de orde handhaven. Een deel van de stad was, als gevolg van de Duitse verdedigingsplannen, verstoken van het brood van de SM Vooruit. Anseele kon op zijn minst een gedeeltelijke oplossing bekomen na onderhandelingen met de Duitse overheid.[779]

 

Op 8 november vergaderden Coppieters, Siffer en Vercoullie. Zij waren ontboden bij de opperbevelhebber van het leger te Gent, en omdat de Duitse burgemeester Künzer en de Zivilverwaltung de stad hadden verlaten werd hen het voorlopige bestuur van de stad toevertrouwd. Het schepencollege en de gemeenteraad kregen machtiging opnieuw bijeen te komen.[780] Eigenlijk hoorde Anseele tot dat triumviraat (een term gebruikt door het Oorlogsdagboek van het Davidsfonds). Maar omdat hij naar Brussel werd geroepen, verving Coppieters hem bij zijn afwezigheid (ook als tussenpersoon tussen de Duitsers en het stadsbestuur). Anseele was verder als eerste schepen van de stad de plaatsvervangende burgemeester.[781]

De zaken gingen vervolgens snel. In de voormiddag van 9 november had er “officieus” overleg plaats tussen het triumviraat en de gemeenteraad, waarin werd besloten dat Heynderickx, Coppieters en Anseele hun schepenmandaat terug zouden opnemen en de liberalen Vanderstegen, Fraeys en Carpentier hen als nieuwe schepenen zouden bijstaan. Op die manier waren nieuwe verkiezingen niet nodig.[782] In de namiddag vond dan een eerste zitting van het nieuwe schepencollege plaats, ditmaal in de aanwezigheid van Anseele. Als dienstdoende burgemeester werden hem de ambtsbevoegdheden Politie, Algemene Zaken en Personeel toegewezen.[783] Ook de gemeenteraad kwam die namiddag opnieuw bijeen. Na lezing van drie stukken, waaronder oprechte goede wensen van Künzer, werden de nieuwe schepenen officieel benoemd. Bij monde van Casier verklaarden de katholieken dat zij uit eerbied geen mandaat wensten te aanvaarden. Vanderstegen bedankte hem in naam van het college: “het geldt hier volstrekt geene politieke kwestie.”[784]

Over het bestuur achter de schermen zijn we verder niet goed ingelicht. We nemen aan dat er weinig tijd was om te vergaderen, en veel om te regelen. Zo had het triumviraat van de Duitsers bekomen dat de bruggen over de Coupure, het Verbindingskanaal en de Opperschelde niet zouden worden opgeblazen.[785] Met de toestand die de Duitsers hadden geïnstalleerd, werd wel afgerekend. De verslagen van het schepencollege verschenen terug in het Frans, het Belgische uur werd weer ingevoerd,[786] en alle beslissingen van Künzer en zijn schepencollege zouden vervallen worden verklaard.[787]

 

De Duitse troepen hadden tijdens de nacht van 10 op 11 november de stad verlaten.[788] Om 18u de avond voordien was de Duitse vlag al van het stadshuis weggehaald.[789] Gent was bevrijd, al duurde het nog eventjes alvorens ook Belgische soldaten de stad binnentrokken.[790] In de voorgaande dagen was er nog hevig slag geleverd ter hoogte van Ledeberg, Gentbrugge en St. Amandsberg.[791] De vreugde was dan ook immens toen bleek dat de stad voor de derde maal van beschietingen werd gespaard. Baertsoen beschrijft in zijn dagboek de vreugde-uitbarsting onder de Gentenaars, die hard hadden geleden. Hij werd om 1u in de nacht gewekt door gezang: “de tous côtés , des personnes, éperdues de joie, sortent de leurs maisons au milieu de la nuit, s’abordent en riant et en chantant.”[792] En toen om 11 uur de officiële Wapenstilstand werd bekrachtigd door vier Belgische kanonschoten, was de vreugde compleet: “puis le silence! C’est l’armistice, s’écrie-t-on de toutes parts! […] C’est la fête générale, c’est du délire.”[793]

Ook Vooruit deelde in de vreugde, riep in een gigantische kop uit “Gent van den vijand bevrijd!”[794] en trok “met moed voorwaarts”: “Eindelijk, toch, na gedurende meer dan 4 jaren den knoet, de knellende greep van het ijzeren Pruisische militarisme te hebben gevoeld, kunnen we vrijer ademen.”[795] Er werd niet alleen afgerekend met de activisten (cfr. supra), ook de Duitsers (en haar censuur) moesten het ontgelden: “de vervloekte Pruisische militaire kaste heeft op roofzuchtige, lafhartige en gemeene wijze in ons land en in het Fransche bezette gebied huis gehouden. Niet ééne nijverheid, niet ééne fabriek werd bespaard van plunderingen. Kunststukken werden vernield of weggevoerd. Al deze daden, - en vooral de brutale werkersopeisching, - zullen steeds als eenen bloedigen vlek op de geschiedenis van Duitschland wegen.”[796] Daarnaast werd ook met gal gespuwd over de Vredesgroep, die “ZELFS VOOR EENE DUITSCHE VREDE” had geijverd, en De Waarheid. “Weerlegde onzin,” klonk het.[797] Kortom, van elke tegenwerking van tijdens de oorlog werd op bijzonder scherpe wijze afstand genomen. Enkel de katholieken werden gespaard, in de hernieuwde geest van Godsvrede.

 

Anseele liet als dienstdoende burgemeester een mededeling afficheren en verschijnen in de dagbladen. Ook hij deelde in de vreugde, en wierp de lof toe aan “onze jongens”, aan Braun en De Weert, en aan “BELGIË”. Dat laatste werd heel opvallend benadrukt.[798] In het algemeen was de hele aankondiging een bewijs voor de volledige integratie van Anseele en de socialistische arbeidersbeweging in het kapitalistische en democratische systeem. Misschien was het vooral dít dat Anseele een ministerpost opleverde. Het was ook Baertsoen opgevallen: “Mais les quatre années que nous venons de vivre ont changé bien des choses! Les socialistes les plus ardents ont défendu la patrie en danger comme les autres Belges, et cette union dans le devoir civique a rapproché les hommes ayant les conceptions politiques les plus opposées.”[799] Kortom, misschien nog meer dan aan het begin van de oorlog heerste nu een trots gevoel over het vaderland. Het Belgische vaderland.

Ook de officiële intrede van het Belgische leger en de koning aan Gent op 13 november, en de hartelijke ontvangst van die laatste door Anseele, wijzen op een verregaande integratie. België, de koning, het leger, …het had in de storm van emoties allemaal doorgang gevonden. En niet alleen bij Anseele, zoals blijkt uit Vooruit. Anseele kreeg ook de gelegenheid een toespraak te houden voor de koning en de uitzinnige bevolking. Hij bedankte uitvoerig het leger, het NHVC en alle andere voedingswerken, de “Civiele bevolking, met hare Burgemeesters, Schepenen, Raadsleden, Beambten en Bedienden” en alle anderen die weerstand hadden geboden “en daardoor het heldenwerk onzer soldaten hebben verlicht”. Hij eerde de gevangenen, gesneuvelden en de arbeiders, “die te midden van stijgenden nood en bijtenden koude pal bleven,” en wierp tot slot lof aan de koning toe. Zijn lofrede besloot hij met: “Leve België! Leve de Koning! Leve de Koningin en de Koninklijke familie!” Dan was het de beurt aan koning Albert om Anseele en de Gentse bevolking te bedanken. Opvallend was de tentoongespreide bereidwilligheid om het land samen herop te bouwen. Dus mét de socialisten.[800] Dat had uiteraard te maken met de ontmoetingen die Anseele en de koning al hadden in de aanloop van 13 november (cfr. infra).

 

Op 14 november keerde Braun terug in Gent. Hij bezocht meteen de vergadering van het schepencollege, dat nog steeds door Anseele werd voorgezeten, en werd heel hartelijk ontvangen.[801] De zitting van 16 november werd nog voorgezeten door Anseele, maar op 20 november had Braun zijn plaats weer ingenomen. Anseele zelf was op weg naar het ministerschap.[802]

 

 

 7.3. Op het Belgische niveau

 

7.3.1. Anseele president van de Belgische republiek?[803]

 

Met het einde van de oorlog in zicht, werd gevreesd voor een machtsvacuüm in België. Niet alleen de Belgische verantwoordelijken wilden de volkswoede intomen, plunderingen voorkomen, geweldsuitspattingen vermijden enz., maar ook de Duitse bezettingsautoriteiten zagen de voordelen in van een soepel verlopende machtsoverdracht. Michel Levie, katholiek en officieuze vertegenwoordiger van de Belgische regering in België, had net om een complete ontreddering van het land te voorkomen begin oktober aan de Belgische regering in Le Havre de toelating gevraagd om een officieuze en consultatieve regeringscommissie op te richten. De bedoeling was dat de commissie zich zou gaan bezighouden met alle problemen van de machtsoverdracht. Nadat het verzoek werd ingewilligd, stelde Levie de commissie samen, bestaande uit 4 katholieken, 2 liberalen en 2 socialisten. Voor de socialisten werd naast Wauters Anseele voorgesteld. Uiteindelijk werd Anseele vanwege zijn positie in het Etappengebied meer dan eens verhinderd en werd hij desgevallend vervangen door Hallet. Binnen de commissie hechtte men vooral veel belang aan het probleem van de voedselbevoorrading, maar ook het herbewapenen van een burgerwacht, het herinstalleren van het gerechtelijke apparaat, enz. kregen de nodige belangstelling.

Niet veel daarna kregen ook de Duitsers belangstelling voor de problemen van de ontruiming. In eerste instantie waren zij bezorgd om het vlotte verloop van de terugtrekking. Maar begin oktober begon men verder te denken. Op 9 en 10 oktober werd aan Francqui, voorzitter van het Uitvoerend Comité van het NHVC, voorgesteld om de macht in België tijdens de overgangsperiode waar te nemen. Enige strategische overwegingen voor wat betreft de naoorlogse invloed in België zullen daar niet vreemd aan geweest zijn. Wat minder bekend is, is dat de Duitsers, nadat het voorstel door Francqui was afgewezen, bij Anseele waren terechtgekomen. Enkele Duitsers - welke zijn niet bekend - hadden hem het presidentschap van de “Belgische Republiek” aangeboden, meteen een bewijs voor de verregaande strategische overwegingen achter het voorstel. Hij was daarvoor naar Brussel geroepen, wat meteen ook de reden was dat Coppieters en niet hij op 8 november deel uitmaakte van het Gentse triumviraat. Als Anseele er zelf nooit was over begonnen n.a.v. een interpellatie in de kamer in 1931[804], dan was dit Duitse manoeuvre verloren gegaan voor de annalen. Anseele antwoordde dat hij niet op eigen verantwoordelijkheid een besluit kon nemen, waarop hij meer dan waarschijnlijk naar de andere leden van de officieuze regeringscommissie ging om te overleggen. Daar werd het aanbod resoluut afgewezen. Dat, onder voorbehoud dat het verhaal klopt.[805]

 

Nu was de situatie in Brussel op dat moment bepaald explosief. Op 10 november grepen de Duitse soldaten de macht, en in navolging van de revolutie die op het thuisfront aan de gang was, werden Arbeiders- en Soldatenraden opgericht die het bestuur van de stad naar zich toetrokken. Bij de BWP werd aangeklopt voor hulp, maar die werd resoluut van de hand gewezen. Men wilde het herstel van België. Opnieuw een bewijs van de verregaande integratie van de BWP in het nationale bestel. Ook bij de officieuze regeringscommissie vingen de Duitse soldaten bot. Op welke manier Anseele in deze gebeurtenissen betrokken was, is niet duidelijk. Wat volgens Sieben wel zeker was, is dat hij op de hoogte was van de situatie.[806] Hoewel de “mythe van Loppem”, het gerucht dat Anseele bij de onderhandelingen had gedreigd met een revolutie indien het AES niet zou doorgevoerd worden, later door de koning zelf werd ontkracht, moet de Brusselse situatie een rol hebben gespeeld in de gesprekken. Niet noodzakelijk als pressiemiddel van Anseele, maar misschien wel als een gelegenheid waarbij Anseele het vertrouwen van de koning kon winnen. Uiteindelijk trokken de Duitse soldaten zich terug uit Brussel en werd de orde hersteld.

 

7.3.2. Anseele wordt minister

 

Als lid van de officieuze regeringscommissie en als grote socialistische voorman, was het niet onlogisch dat de koning beroep deed op Anseele om de naoorlogse situatie voor België te bespreken. Het verhaal begint op 11 november, ditmaal met Beernem en Loppem als reisbestemming. In Vooruit verscheen er op 12 november een verslag van het bezoek: Anseele werd door Emile Janson, liberaal, en Saura, consul-generaal van Spanje, opgepikt op weg naar het Belgische Algemeen Hoofdkwartier te Beernem. Saura ondernam de missie omdat de koning op de hoogte wilde gesteld worden van de toestand in Brussel, “feiten die misschien ernstige gevolgen voor de Belgische regeering konden hebben”, en deed daarvoor ook beroep op Janson en Anseele. Nadat het hoofdkwartier van de gebeurtenissen op de hoogte was gesteld, ging het verder naar Loppem waar de koning verbleef en waar ook Cooreman, premier, aanwezig was. Anseele én Janson deden er opnieuw verslag van de gebeurtenissen, en drukten de vorst erop dat er snel een programma moest opgemaakt worden voor de toekenning van het AES vanaf 21 jaar en 6 maanden verblijf. Ook enkele andere eisen, zoals de erkenning van de vakbonden, de snelle toepassing van de Vlaamse wetten, afschaffing van art. 130, het oprichten van een Nederlandstalige universiteit, verenigingsrecht, enz. werden overgemaakt. De gelijkenissen met de persoonlijke eisen van Anseele zoals hij die in Vooruit uit de doeken had gedaan in augustus 1918 zijn treffend.

De koning en de kabinetsmedewerkers zouden zich positief uitgelaten hebben over de eisen. Vóóral de koning bleek zeer positief, in het bijzonder over de toekenning van het AES, aldus Vooruit.[807] Over de goede verstandhouding tussen Albert en Anseele, lezen we bij De Meyer in zijn licentiaatsverhandeling over de koning en de socialistische leiders een anekdote. De koning zou aan Anseele hebben gevraagd hoe laat het aan de andere kant van het front was, waarop Anseele zou hebben geantwoord: “Voica ma montre, je vais la régler sur la vôtre. J’espère fermement qu’elles ne cesseront pas de marcher d’accord.” Ook De Meyer hecht geen belang aan de “mythe van Loppem.”[808] Het uiteindelijke resultaat van de besprekingen was dat er donderdag en vrijdag topoverleg zou plaatsvinden tussen de ministers en enkele genodigden. Voor de socialisten werden Anseele, Pastur, Wauters en Bertrand verwacht. Het plan dat Anseele en Janson verdedigden, was dat de Koning met een nieuwe regering, bereid om hun eisen uit te voeren, voor de Kamer zou verschijnen. Of, zoals Anseele had geopperd in augustus 1918, een nieuw samengestelde regering van nationale eenheid en de invoering van het AES zonder daarvoor de wettelijke procedure te doorlopen. Met het geplande tweedaagse overleg was er hoop op een goede afloop. Vooruit reageerde dan ook heel tevreden: “Allen waren verheugd omtrent den uitslag van dit onderhoud, onze kameraad Anseele niet in het minst en wij en onze duizenden partijgenooten zullen mede juichen, in de hoop eene oplossing te verkrijgen, de offering der onze moedige soldaten waardig, en de gansche bevolking voor haar doorgestane lijden vergeldend. ’t Is niets meer dan plicht! ’t Is niet meer dan recht!”[809]

 

Het uiteindelijke resultaat is bekend: de regering van nationale eenheid kwam er, Anseele nam de ministerpost van Openbare Werken op zich, en het AES werd op de verhoopte manier ingevoerd.[810] Ook Vandervelde en Wauters werden voor de socialisten ministers. Destrée en Bertrand grepen naast de post.[811]

In het socialistische kamp was de vreugde groot. Vooruit gaf aan natuurlijk “den laatsten te zijn om onze blijdschap te verbergen”[812] en in het middencomiteit werd Anseele van harte gefeliciteerd.[813] Maar ook in het schepencollege[814] en de gemeenteraad werd Anseele uitvoerig geloofd en bedankt. Braun nam in de gemeenteraad van 2 december het woord om zijn “oprechte gelukwenschen” over te brengen. Hij betreurde het een collega ontnomen te worden, “met wien hij steeds de beste betrekkingen had.” “Maar de plaats die hij gaat bekleden, kwam den Hr. Anseele toe als volksvertegenwoordiger der werkende klas en in zijne nieuwe bediening zal hij voorzeker zijne beste krachten wijden aan den voorspoed van het land en ook aan de belangen onzer geliefde stad, die hem zoowel bekend zijn,” besloot hij.[815] Als schepen van de stad werd Anseele vervangen door Lampens.[816]

 

 

 7.4. Besluit

 

Tijdens de laatste dagen van de oorlog kwam Anseele opnieuw op het Gentse voorplan. Eerst werd hij door de Duitsers ontboden om als garantie voor de veiligheid en als tussenpersoon tussen hen en de bevolking op te treden. Omdat het de bevolking aanvankelijk was verboden om zich op straat te geven, weigerde Anseele samen met De Baets, Siffer en Vercouillie. “Hongerigen redeneeren niet,” was de gedachte. Na lang aandringen bekwam het viertal dat het uitgaansverbod opgeheven werd. Anseele zette zich vervolgens in om de bevoorrading in voedsel te garanderen en de bevolking tot kalmte aan te manen. Enkele dagen later werd Anseele plaatsvervangend burgemeester, na de vlucht van burgemeester Künzer en zijn activistische schepencollege, en de facto lid van het “triumviraat” dat het bestuur van de stad op zich had genomen. Omdat Anseele naar Brussel werd geroepen, trad Coppieters op in zijn plaats. Met de Duitse bepalingen werd snel afgerekend.

 

Ondertussen was Anseele in oktober al door de Belgische regering aangeduid als lid van de officieuze regeringscommissie, die zich zou bezighouden met de problemen van de machtsoverdracht. Ook door de Duitsers werd hij benaderd. Althans, dat was wat Anseele in 1931 wist te vertellen in het parlement. Het presidentsschap van de Belgische Republiek dat hem werd aangeboden, had hij naar eigen zeggen geweigerd na overleg met enkele kameraden van de officieuze regeringscommissie.

 

Op 11 november werd Anseele ontvangen bij de koning. Onder druk van de gebeurtenissen in Brussel, waar de Duitse soldaten een mini-revolutie hadden ontketend, maakten hij en Janson de koning de eisen over die de Belgische bevolking zou willen doorgevoerd zien. De zogenaamde “mythe van Loppem” was meer dan waarschijnlijk nergens op gebaseerd, maar de gebeurtenissen in Brussel waren hoe dan ook een factor om rekening mee te houden. Het gewenste algemeen enkelvoudig stemrecht werd enkele dagen later doorgevoerd en Anseele werd als minister van Openbare Werken in de regering van nationale eenheid opgenomen. Als schepen werd hij in Gent vervangen door de teruggekeerde Jan Lampens.

 

Anseele had in deze dagen bewijs geleverd van een verregaande integratie in het Belgische nationale bestel. Zijn optreden tijdens de hele oorlog was nooit anders geweest, maar onder druk van de verhitte gebeurtenissen in het land toonde hij vooral op dit moment niet anders te denken dan in het Belgische kader. Niet alleen zijn optreden te Loppem en zijn mededeling als dienstdoende burgemeester naar aanleiding van de bevrijding van de stad, maar ook en vooral de hartelijke ontvangst van de koning en de Belgische troepen op 13 november te Gent waren een zoveelste bewijs daarvan. Hij was klaar voor een nieuw hoofdstuk in zijn leven. Dat van minister.

 

 

Algemeen Besluit

 

In de inleiding stelden we ons de vraag in welke mate Anseele pragmatisch bleef in de oorlogsomstandigheden. Wist hij wat hij wilde en probeerde hij dat op een verstandige manier te bereiken, zonder daarbij zichzelf buitenspel te zetten? Het antwoord op deze vraag is bevestigend voor de meeste facetten van zijn optreden.

 

Tijdens de eerste oorlogsmaanden, tot aan de bezetting van Gent, bleven de Gentse kameraden van Anseele via Vooruit alvast vrij genuanceerd. Anseele liet zich niet meeslepen in de oorlogsroes, voorzag de komende ellende en werkte hard door als schepen van de stad Gent aan onder meer de oprichting van een bevoorradingsdienst en voor de voeding en bevoorrading in kolen. Via Vooruit maande hij de bevolking tot kalmte aan, omdat hij boven alles Duitse geweldsontsporingen wou voorkomen. In oktober 1914 werd Gent uiteindelijk bezet, nadat burgemeester Braun dat in september nog had kunnen voorkomen. De bevolking bleef kalm. En geen enkel kanonschot werd op Gent afgevuurd. Anseele was belast met het verzamelen en overhandigen van de opgeëiste goederen en hij was als gijzelaar van de Duitsers ook verantwoordelijk voor de orde en veiligheid in Gent. Anseele stelde zich meteen verstandig op: hij gaf geen enkele aanleiding aan de Duitsers om zijn positie in vraag te stellen, en deed hetzelfde naar de Gentse bevolking toe door zich als een stabiele leider op te werpen. Hij bleek ook bijzonder scherpzinnig door (mede) te beslissen over het herverschijnen van Vooruit onder de censuur, wat tijdens de oorlog voor de socialisten een machtig wapen zou blijken.

 

De oorlog bracht veel ellende met zich mee. In de eerste plaats vielen veel arbeiders zonder werk, maar ook het voedsel werd bijzonder schaars en de prijzen schoten de hoogte in. De stad Gent deed enorm veel inspanningen om de nood te lenigen, en ook Anseele bleek heel actief. Het belangrijkste waarmee hij zich bezig hield, was de bevoorrading van de stad in kolen en aardappelen, waarvan de organisatie steeds vlotter liep naarmate het verloop van de oorlog. Daarnaast was Anseele ook nauw betrokken bij de openbare werken aan de darsen, bij de uitgave van het stadsgeld, bij de hulpcommissie voor de opgeëiste arbeiders, enz. Ook binnen de provinciale afdeling van het NHVC speelde hij een rol, maar dan eerder in de marge. Belangrijk was dat Anseele zich ook hier opwierp als de pragmaticus bij uitstek. Nemen we het voorbeeld van de bevoorrading: Anseele zag in dat een hogere verkoopprijs voor de boeren belangrijk was om de continuïteit van de (aardappel)bevoorrading te kunnen garanderen. Immers, de boeren zouden anders nog liever een deel van de oogst vernielen dan die aan de op dat moment heel nadelige prijzen te verkopen. Op het eerste gezicht leek die prijsverhoging voor de bevolking natuurlijk nadelig, en moeilijk verdedigbaar bij zijn eigen achterban, maar in se was dat heel rationeel omdat ze de bevoorrading garandeerde.

Anseele pleitte ook voor vrijhandel in de bevoorrading, en wilde zo de markt laten spelen. Pas toen het in 1917 echt niet meer anders kon, schaarde hij zich achter de integrale opeising van de oogst door de Duitsers.

Bovendien bleef Anseele ook heel constructief, zowel in het schepencollege en de gemeenteraad als tegenover de private sector en de Duitsers.

 

Toch mogen we niet de fout maken het politieke karakter van de hulpverlening te negeren. Er was dan wel een Godsvrede, maar de katholieken en de socialisten bekritiseerden elkaar respectievelijk over de stedelijke bevoorrading (in handen van de socialisten) en het NHVC (dat door de serieuze ondervertegenwoordiging van de socialisten in handen van katholieken en liberalen was). De SM Vooruit, waarvan Anseele de beheerder was, kreeg van het NHVC zelfs twee boetes aangesmeerd, waarop Vooruit hevig in het verweer ging. Het Stedelijk Werklozenfonds en de het noodbarema in 1916 waren ook twee hulpinitiatieven die onderwerp waren van het politieke steekspel. Zeker in de discussie over het Werklozenfonds stond Anseele op de voorste rijen om de syndicaten van de ondergang te redden en de socialistische belangen te verdedigen. Daarnaast - en waarschijnlijk nog veel belangrijker dan de retoriek over de hulpverlening - werd de beweging aan de basis sterk uitgebouwd. Eigenlijk boerde de socialistische federatie niet slecht, want het won bijvoorbeeld veel lezers van het dagblad Vooruit en leden voor de SM Vooruit. Via de verslagen van het socialistische middencomité zijn we heel goed ingelicht over de rol van Anseele hierbij. Hij was heel actief en gedreven, en liet meermaals blijken alle inspanningen in functie van de naoorlogse situatie te zien. Het doel was een socialistisch blok uit te bouwen, dat niet langer kon genegeerd worden. De belangrijkste eis voor na de oorlog was voor Anseele de invoering van het AES. Dat maakte hij bekend in een artikelenreeks in Vooruit in augustus 1918. Daarnaast wilde hij een grotere rol voor de overheid en de erkenning van de vakbonden door de staat en de patroons. Zijn politieke optreden was op twee manieren pragmatisch. Aan de ene kant zag hij bijzonder goed in dat de socialistische beweging aan de basis moest uitgebouwd worden, wilde men na de oorlog haar politieke eisen ingewilligd zien. Aan de andere kant voerde hij de politieke strijd van op een afstand. Zijn inzet en motivatie was duidelijk, maar omdat er officieel een Godsvrede was wilde hij zichzelf naar buiten toe niet compromitteren. Ook toen Anseele zelf in 1916 het onderwerp werd van een politieke strijd en lastercampagne uit katholieke hoek, nam hij niet openlijk de verdediging op. Hij liet het aan Vooruit over om - overigens bijzonder scherp - in het verweer te gaan.

 

Ook in de vredeskwestie was Anseele pragmatisch. Hij bleef voorstander van het bijeenkomen van de Internationale, ook al begon hij het in de eerste oorlogsmaanden Duitsland en de Duitse broedersocialisten bijzonder kwalijk te nemen dat België mee was gesleept in de oorlog. Zeker in de Stockholm-episode wierp Anseele zich op als pro, tegen zijn partijgenoten in die al de hele oorlog van geen enkel overleg met de Duitse socialisten wilden weten. De reden voor dat pro-standpunt was meer dan waarschijnlijk tactisch: we zien geen reden om het argument dat Anseele zelf gebruikte, namelijk het willen wegen op de vredesbesprekingen, niet voor waar aan te nemen. Daarnaast moet Anseele waarschijnlijk de grote waarde van de Internationale ingezien hebben, iets wat hij niet verloren wou laten gaan. Een derde mogelijke reden voor zijn pro-standpunt was al even pragmatisch: het regime in het Etappengebied was veel strenger dan elders en dus woog het verlangen naar een snelle vrede misschien meer door. Hoewel het standpunt van Anseele pro-Stockholm duidelijk was, bleef hij naar buiten toe zwijgen, ook al werd hij constant uitgedaagd door de Nieuwe Gazet van Gent. De reden daarvoor was al evenzeer pragmatisch: voor Anseele was het belangrijkste dat de eenheid in de BWP bewaard bleef. Over een kwestie als de Internationale of Stockholm mocht de socialistische beweging niet struikelen. Hij legde zich dan ook neer bij het uiteindelijk democratisch afwijzen van het sturen van een BWP-delegatie naar Stockholm. En eerder had hij om diezelfde reden van de partij-eenheid waarschijnlijk de BWP-nota van 12 december 1916 mee goedgekeurd. In dat geheim manifest werd elk overleg met de Duitse socialisten van de hand gewezen, werd het ijveren voor een vrede gevaarlijk genoemd en drukte de BWP de wens uit dat de geallieerden de oorlog zouden winnen. Het was al duidelijk gebleken dat Anseele daarmee principieel niet akkoord kon gaan.

 

Als we naar de relaties van Anseele met de Duitsers kijken, zien we opnieuw een pragmatische Anseele. Hij werkte verstandig mee, zeker en vast in de provinciale bevoorradingscommissie (waarvan de verslagen bewaard zijn gebleven en waarover we dus goed ingelicht zijn). Langs de andere kant durfde hij zeker en vast ook op tafel kloppen, als de belangen van de bevolking in het gedrang kwamen. Aanvankelijk liet hij ook een eventuele collaboratie met de Duitsers open. Eind 1915 gaf hij zelfs opportunistisch te kennen als Gentse vertegenwoordiger in de Rijksdag te willen zetelen, toen hij ervan overtuigd was dat Duitsland de oorlog zou winnen. De deportaties van de arbeiders en de Duitse steun aan het activisme waren voor Anseele dan weer te verregaand. Vanaf dan (1916) wees hij elke collaboratie van de hand en toonde hij zich vooral bezorgd over het lot van de bevolking. De scheidingslijn tussen niet collaboreren en het aanblijven om de bevolking het best van dienst te kunnen zijn was dun, maar we vonden vier voorbeelden om aan te tonen dat Anseele wel degelijk voor de laatste optie had gekozen. Niettemin bleef Anseele vermijden dat hij zichzelf buitenspel zette. Dat hij uiteindelijk in 1918 ontslag nam als schepen van de stad Gent, had te maken met de activistische schepenen die het schepencollege kwamen vervoegen. Het probleem bleek niet de Duitse burgemeester Künzer te zijn. Pas dan was het een stap te ver. Pas dan zou de stap naar collaboratie gezet zijn als hij was aangebleven. En pas dan wilde Anseele zichzelf opzij schuiven.

 

En dan was er het einde van de oorlog. In Gent werd Anseele plaatsvervangende burgemeester. Hij zou zich opnieuw inzetten om de rust en kalmte in de stad te bewaren. Maar vooral nationaal stond er veel op het spel. Eerst zouden de Duitsers Anseele het presidentschap van de Belgische Republiek aangeboden hebben, iets wat hij weigerde. En daarna werd Anseele lid van een officieuze regeringscommissie die zich bezighield met een vlotte overgang van een bezet naar een vrij België. De laatste oorlogsdagen overlegde Anseele met koning Albert over de toestand in bezet België en de eisen voor na de oorlog. Anseele zelf werd na de besprekingen van Loppem minister terwijl de voornaamste eisen van Anseele werden ingewilligd. Anseele liet in die laatste weken vooral een verregaande integratie in het nationale bestel blijken, hoewel hij steeds Vlaamsgezind was geweest. Hij distantieerde zich van de revolutie van de Duitse soldaten in Brussel, loofde (zowel in een artikel in Vooruit als bij de ontvangst van de koning en het leger in Gent) België, de koning en het leger en liet duidelijk blijken een intensieve medewerking aan het herstel van België te zien zitten.

 

Anseele bleef in al deze omstandigheden dus bijzonder pragmatisch. Hij wist wat hij wilde, hij wist hoe hij dat wilde bereiken en hij maakte zichzelf daarbij nooit onmogelijk. Hij bleek enerzijds oprecht bezorgd over de toestand van de bevolking, en anderzijds gedreven om de socialistische beweging verder uit te bouwen (lokaal, nationaal) of weer een nieuw elan te geven (internationaal). Maar zijn pragmatisme ging maar zo ver dat het ook voor hemzelf aanvaardbaar bleef. Zo is gebleken dat hij oppositie in zijn socialistische flank niet duldde, noch van de groepering rond “De Waarheid”, noch van de Socialistische Jonge Wachten - later de Vredesgroep - en… ook niet van de activisten.

Toen het activisme in 1916 een gezicht kreeg met de aankondiging van de vernederlandste universiteit, was Anseele nog niet echt betrokken. Hij ondertekende wel een protestmotie waarin hij de Duitsers het recht ontzegde zich te bemoeien in binnenlandse aangelegenheden, maar liet voor de rest de activisten hun gang gaan. In 1917 zou dat veranderen. Ten eerste was de bestuurlijke scheiding onder impuls van de Raad van Vlaanderen, een nieuwe, zichtbare - politieke - stap van de activisten. Ten tweede was er het activistische dagblad de Nieuwe Gazet van Gent van Frans Primo, dat heel duidelijk probeerde verdeeldheid in socialistische rangen te zaaien. En ten derde was er Stockholm. De activisten trachtten zich daar te profileren ten koste van de BWP en probeerden te verhinderen dat Anseele een pas zou krijgen voor de internationale conferentie. Waarschijnlijk was dat de druppel: in Vooruit verscheen kort erop “het ware standpunt” over de Vlaamse kwestie, wat het startschot was van een scheldtirade over en weer. Een pamflet rekende af met Anseeles houding t.a.v. het activisme. De breuk met de activisten was compleet, zeker toen op vraag van de activisten burgemeester Braun en schepen De Weert werden gedeporteerd. Zij waren de drijvende krachten achter een protestmotie van de Gentse gemeenteraad waaronder ook de handtekening van Anseele prijkte, tegen de geproclameerde “zelfstandigheid” van Vlaanderen. Toen bleek dat twee activistische schepenen het schepencollege zouden vervoegen ter vervanging, nam Anseele met zijn collega’s ontslag. De socialisten moeten razend zijn geweest, maar werden in Vooruit door de censuur de mond gesnoerd.

De machtspositie van Anseele was tegenover De Waarheid en de SJW/Vredesgroep natuurlijk veel groter. De Waarheid, van de vrije socialistenbond, werd op drie manieren tegengewerkt. Het meest effectieve bleek het doodzwijgen van de oppositie rond Verbauwen en De Witte. Veel harder ging het er aan toe tegen de SJW/Vredesgroep. Deze groep wilde Anseele en de Gentse socialisten ervan overtuigen voor een snelle vrede te ijveren. Ook al stelde men zich aanvankelijk helemaal niet op een Kienthal-standpunt en wilde men “hoegenaamd niet eene minderheid in de partij daar te stellen”, toch ging de oppositie te ver in de ogen van Anseele. Hij rekende ongemeen af met de groepering, en na de oorlog werden zij zonder verpinken uit de partij gestoten.

Op 11 november herverscheen het eerste nummer van Vooruit dat niet langer onder de Duitse censuur stond. Tegen de groep rond De Waarheid en de Vredesgroep werd met scherp geschoten, maar vooral de activistische beweging moest het ontgelden. Daarmee bleek meteen hoeveel zout zij in de socialistische wonde hadden weten te strooien tijdens de oorlog.

 

Als we alles in beschouwing nemen, kunnen we vier fases onderscheiden. Een eerste liep tot aan het begin van de deportaties van de arbeiders eind 1916. Die deportaties waren een breekpunt: er gingen in de stad praatjes de ronde dat hij en Braun er rechtstreeks mee te maken hadden, en het onrechtvaardige karakter ervan moet hem ook tegen de borst hebben gestoten. Van dan af moet het ook voor Anseele duidelijk geweest zijn dat er geen andere optie na te streven was dan het herstel van het vooroorlogse België. De tweede fase liep dan tot aan zijn ontslag als schepen van de stad Gent. Hij verdween daarmee in een derde fase volledig van het voorplan. Toen duidelijk was dat de oorlog haar einde naderde, zien we Anseele terug opduiken in het publieke leven (vierde fase). De integratie in het Belgische bestel was al tijdens de oorlog duidelijk, maar in deze fase liet hij dat pas echt duidelijk merken.

Als minister van Openbare Werken, zette hij een nieuwe grote stap in zijn carrière. Het feit dat hij opnieuw onder de eerste socialisten was die het zover hadden gebracht, markeerde hoe belangrijk de figuur is geweest in de Belgische politieke geschiedenis. Als we naar zijn verhaal tijdens de Eerste Wereldoorlog kijken, begrijpen we dat. Anseele was heel gedreven, wist waar hij naartoe wilde en hoe hij dat moest bereiken. De energie en scherpzinnigheid die hij daarbij aan de dag legde, was bijzonder groot. De oorlog betekende de definitieve erkenning van Anseele vanwege zijn grote inzet voor het verbeteren van het lot van de bevolking. Of, zoals Gaston Crommen in zijn herdenking van Anseele schreef: “Anseele had de sympathie en de erkentelijkheid gewonnen van elkeen, van al de tegenstrevers inbegrepen. Men erkende in hem een man van gezag en van uitzonderlijke waarde, wegens zijn verheven karakter, zijne stoute durf, zijn koppige energie, zijn grote kalmte.”[817] Met de basis die hij had gelegd voor de invoering van het AES, is het dan ook niet ten onrechte dat hij prijkt op het lijstje van Grootste Belgen.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[1] G. VANSCHOENBEEK, “Anseele, Edward (Eduardus Camillus), minister en socialistische politicus” in: Nationaal Biografisch Woordenboek, 13, Brussel, Paleis der Academieën, 1990, p. 37.

[2] P. KENIS, Het leven van Edward Anseele, Gent, De Vlam, [1930], pp. 68-69.

[3] G. DEBEUCKELAERE, Een bijdrage tot de biografie van Edward Anseele-tot 1894, Gent, Universiteit Gent, 1967, pp. 12-13. (Onuitgegeven licentiaatsverhandeling)

[4] T. LUYKX, Politieke geschiedenis van België, deel 1: van 1789 tot 1944, Amsterdam/Brussel, Elsevier, 1977, p. 183.

[5] G. DE BEUCKELAERE, op.cit., pp. 129-130

[6] M. DOMMANGET, Histoire du premier mai, Paris, Société universitaire d’éditions et de librairie, 1953, pp. 76-77.

[7] P. KENIS, op.cit., p. 200, pp. 207-212. De kern van de Cartouche & Cie-redevoering is terug te vinden in: Documenten van en over Edward Anseele, 1856-1938, deel 1, Gent, Het Licht, 1945-1946, pp 7-14. . De redevoering geeft een interessant beeld van Anseeles stijl.

[8] Tijdens de oorlog was Vandervelde al minister geworden in de regering in Le Havre.

[9] T. LUYKX, op.cit., pp. 275-276.

[10] W. GELDOLF, Stockholm 1917:Camille Huysmans in de schaduw van titanen, Antwerpen, Contact, 1996, p. 28.

[11] P. KENIS, op.cit., p. 214.

[12] ibid., pp. 255-256.

[13] G. DEBEUCKELAERE, op.cit., pp. 109-111. Het huidige links georiënteerde dagblad De Morgen is de opvolger van Vooruit.

[14] ibid., pp. 79-80, pp. 83-85

[15] P. KENIS, op.cit., pp. 249-252.

[16] H. DEFOORT, Werklieden bemint uw profijt! De Belgische sociaaldemocratie in Europa, Leuven, Lannoocampus/Amsab, 2006, pp. 128-495.

[17] G. VANSCHOENBEEK, De wortels van de sociaal-democratie in Vlaanderen. Le ‘monde socialiste gantois’ en de Gentse socialisten vóór de Eerste Wereldoorlog, Gent, Rijksuniversiteit Gent, 1992, pp. 846-847. (Onuitgegeven doctoraatsverhandeling)

[18] ibid., pp. 846-847.

[19] A. MOMMEN, De Belgische Werkliedenpartij 1880-1914, Gent, Masereelfonds, 1980, p. 48.

[20] G. VANSCHOENBEEK, op.cit., pp. 843-847.

[21] id., “Anseele, Edward ...”, p. 37.

[22] Zie daarvoor de online foto-collectie van www.amsab.be.

[23] G. CROMMEN, C. HUYSMANS, L. DE BROUCKÈRE (et al.), Edward Anseele ter ere, huldeboek ter gelegenheid van de inhuldiging van het Anseele-monument, Gent, s.n., 1948, s.p.

[24] Zo werden er grote herdenkingen gehouden bij de 20ste en 25ste verjaardag van de dood van Anseele, en een plechtigheid ter ere van een eeuw sinds zijn geboorte. In de socialistische dagbladen werd veel inkt gewijd aan deze herdenkingen. Een aantal van die artikels zijn terug te vinden in het archief van Camille Huysmans. AMVC, CHA, f/120/2-12.

[25] M. CLAEYS-VAN HAEGENDOREN, 25 jaar Belgisch socialisme: evolutie van de verhouding van de Belgische Werkliedenpartij tot de parlementaire democratie in België van 1914 tot 1940, Antwerpen, Standaard, 1967, 509 p.

[26] A. CAPITEYN, Gent & de Eerste Wereldoorlog. Het stadsleven in de jaren 1914-1918, Gent, Stad Gent, 1992, 127 p.

[27] V. MICHIELS, Het politiek-maatschappelijk leven te Gent (1914-1918): een permanente godsvrede?, Gent, Rijksuniversiteit Gent, 1986, 280 p. (Onuitgegeven licentiaatsverhandeling)

[28] W. GELDOLF, op.cit., 507 p.

[29] D. VANACKER, Het aktivistisch avontuur, Leuven, Kritak, 1991, 423 p.

[30] Y. PUISSANT, Genese en schipbreuk van de Vredesgroep der Socialistische partij 1908-1919 :een centristisch hervormingsprojekt binnen de Gentse BWP tijdens de eerste wereldoorlog, Gent, RUG, 1993, 209 p. (Onuitgegeven licentiaatsverhandeling)

[31] Al valt dat in vergelijking met andere steden nog goed mee.

[32] L. BERTRAND, Edouard Anseele. Sa Via – Son Oeuvre, Bruxelles, L’Églantine, 1925, 222 p.

[33] P. KENIS, op.cit., 285 p.

[34] Oorlogsdagboek van het Davidsfonds. Een en ander over de Duitschers in de omschrijving der afdeelingen. 1914-1918. II. Antwerpen, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Brugge, Houdmont-Carbonez, s.l.n.d., s.n., pp. 150-152. Het Belgische leger had zich na de inname van Brussel teruggetrokken in de fortengordel rond Antwerpen. Het bolwerk werd net als Luik onneembaar geacht, maar de modernste Duitse langeafstandskanonnen waren in staat om de forten aan flarden te schieten. Terwijl de Slag aan de Marne in volle hevigheid woedde, voerde het Belgische leger, versterkt met Britse soldaten, tegenaanvallen uit op de Duitse achterhoede. Uiteindelijk zouden de Duitsers zich concentreren op Antwerpen om de tegenstand daar te breken. In een volgende fase werd ook Gent en de rest van het land tot aan de Ijzer veroverd. M. FERRO, La Grande Guerre 1914-1918, [Paris], Gallimard, 1990, pp. 100-107.

[35] L. VON KÖHLER, Die Staatsverwaltung der besetzten Gebiete, Erster Band: Belgien, Stuttgart/Berlin/ Leipzig, Deutsche Verlags-Anstalt, 1927, pp. 18-19.

[36] ibid.,, p. 21.

[37] ibid., pp. 18-19.

[38] A. HENRY, Études sur l’occupation allemande en Belgique, Bruxelles, J. Lebègue & Cie, 1920, pp. 218-221.

[39] H. PIRENNE, La Belgique et la guerre mondiale, Paris/New Haven, Les presses universitaires de France/Yale University Press, 1929, p. 95.

[40] Oorlogsdagboek van …, 384 p.

[41] De volgende hoofdstukken spitsen zich vooral toe op de periode dat Gent daadwerkelijk bezet was.

[42] M. STEELS, “Te Gent tijdens de Eerste Wereldoorlog” in: Ghendtsche Tydinghen, 6, 1978, pp. 257-310.

[43] A. HENRY, Le ravitaillement de la Belgique pendant l’occupation allemande, Paris, Les presses universitaires de France, 1924, 210 p.

[44] M. BAERTSOEN, Notes d’un Gantois sur la guerre de 1914-1918, Gand, Imprimerie A. Vandeweghe, 1929, 367 p.

[45] L. STYNEN, S. VAN PETEGHEM , et al. (uitg.), V. LOVELING, In Oorlogsnood: Virginie Lovelings dagboek 1914 – 1918, Gent, Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1999, 791 p.

[46] P. DARIN, De Belgische socialisten verdeeld. De B.W.P. en de Belgische nationalismen in en om Wereldoorlog I 1910 - 1921, Leuven, Katholieke Universiteit Leuven, 1997, 146 p. (Onuitgegeven licentiaatsverhandeling)

[47] E. ANSEELE, Vooruit et le Mouvement Flamand, Gent, 1913, Volksdrukkerij, 49 p.

[48] M. VAN GINDERACHTER, Het rode vaderland:de vergeten geschiedenis van de communautaire spanningen in het Belgisch socialisme voor WO I, Gent, Amsab, 2005, 493 p.

[49] L. WILS, Flamenpolitik en aktivisme. Vlaanderen tegenover België in de eerste wereldoorlog, Leuven, Davidsfonds, 1974, 272 p.

[50] RUDIGER, Flamenpolitik. Het Duitsch annexionisme in België en het aktivistisch landverraad in hun waar daglicht. Aan de hand van dokumenten van de POLITIEKE AFDEELING van het Generaal-Goevernement, van het GROOT DUITSCH HOOFDKWARTIER en van het IVe DUITSCHE LEGER, Brussel, Rossel, s.d., 272 p.

[51] W. DOLDERER, Deutscher Imperialismus und belgischer Nationalitätenkonflikt: die Rezeption der Flamenfrage in der deutschen Öffentlichkeit und deutsch-flämische Kontakte 1890-1920, Melsungen, Verlag Kasseler Forschungen zur Zeitgeschichte, 1989, 387 p. (Kasseler Forschungen zur Zeitgeschichte, 7)

[52] L SIEBEN, “De novemberdagen van 1918 te Brussel: revolutie en ordehandhaving” in: P. LEFEVRE, P. DE GRYSE (uitg.), Van Brialmont tot de Westeuropese Unie, Brussel, Koninklijk Legermuseum, 1988, pp. 155-176.

[53] AMSAB, LX, Anseele sr., verschillende nummers.

[54] Waarvoor een welgemeende bedanking aan Michel Vermote. Pas na de dood van Anseele jr. in 1981 zou het Anseele-archief (sr. en jr.) worden overgebracht naar het Amsab (in 1985), nadat Anseele jr. jarenlang had geweigerd het archief voor onderzoek ter beschikking te stellen, en enkele jaren later zelfs het bestaan ervan had ontkend. Alles samen is het archiefbestand 50 lopende meter groot. De periodes zijn telkens analoog ingedeeld in briefwisseling, dossiers, gedrukt materiaal (tijdschriften, verslagen, monografieën) en beeldmateriaal. Interessant zijn de talrijke aantekeningen die Anseele zelf maakte op de documenten, wat één van de redenen was om het archiefbestand te inventariseren zoals het werd overgedragen. Op die manier ging de samenhang van het archief immers niet verloren.

[55] AMSAB, XXXII, Fonds Gent-Eeklo, verschillende nummers.

[56] AMSAB, XXIV, SM Vooruit Gent, 18/1, Bestuurszittingen van de SM Vooruit, 1914. AMSAB, XXIV, SM Vooruit Gent, 18/2, Zittingen van de Beheerraad van de SM Vooruit, 1918.

[57] AMSAB, XXXII, Fonds Gent-Eeklo, 107, Verslagboeken van het middencomiteit, 1914-1918.

[58] BELGISCHE WERKLIEDENPARTIJ – LANDELIJKE RAAD, Verslag opgemaakt door het Bureel van den Landelijken Raad over de werkzaamheid der Werkliedenpartij tijdens den oorlog (oogst 1914 – november 1918), Brussel, Établisslements généraux d’imprimerie, 1918, 202 p.

[59] AMSAB, CXVIII, Verslagen en notulen van het Bureau en de Algemene Raad van de BWP, 44-62, 1914-1918.

[60] AMSAB, XVIII, Archief van het Nationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (NISG), 146, 152-153, 170.

[61] Vooruit ontsnapte tot midden 1915 aan de controle van de te Brussel gevestigde Presse-Zentrale. Er was tot dan een persverantwoordelijke aangesteld voor de provincie, maar de censuur was nog niet zo scherp.

J. GOTOVITCH, Contribution à l’histoire de la presse censurée 1914-1918, Bruxelles, ULB, 1961, p. 106. (Onuitgegeven licentiaatsverhandeling)

[62] SAG, III, College- en Raadszittingen, 215-219, Zittingen van het schepencollege.

[63] SAG, III, College- en Raadszittingen, 232-235, Zittingen van de gemeenteraad.

[64] UG, N.F.W.O. – Wilhelmstrasse, reel 6-11.

[65] AMVC, CHA.

[66] Dit was om militaire redenen. Door Frankrijk in te sluiten, hoopte men de oorlog snel te kunnen beëindigen.

[67] Het werd uiteraard anders verpakt. Men stelde dat Duitsland bedreigd werd door het Franse leger, dat plannen zou hebben om door België op te rukken. Duitsland wilde hen voor zijn, bleek uit het ultimatum. België’s onafhankelijkheid zou gewaarborgd blijven, net als de volledige ontruiming van het land na het beëindigen van het conflict. S. DE SCHAEPDRIJVER, De groote oorlog: het koninkrijk België tijdens de Eerste Wereldoorlog, Amsterdam, Atlas, 1997, pp. 46-63.

[68] Wat ook gebeurde: alle parlementsleden keurden het ontwerp goed. T. LUYKX, op.cit., pp. 260-262.

[69] E. WITTE, J. CRAEYBECKX, A. MEYNEN, Politieke geschiedenis van België van 1830 tot heden. Spanningen in een burgerlijke democratie, Antwerpen, Standaard, 1985, p. 157.

[70] “Niemand is wezenlijk vrij die de volgende drij rechten niet bezit: stemrecht om de wetten te maken naar zijne behoeften, verzekerd bestaan, om door broodgebrek voor andermans wil niet te moeten onderdoen, en wapens om de twee vorige onschendbare mensenrechten te verdedigen tegen vreemde veroveraars of binnenlandse verdrukkers. De gewapende natie is de bewapening der werkers en ontwapening der rijken.” Geciteerd in: G. VANSCHOENBEEK, “Socialisten: gezellen zonder vaderland? De Belgische werkliedenpartij en haar verhouding tot het “vaderland België”, 1885-1940” in: Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, 1997, 3, pp. 248-249.

[71] M. BAERTSOEN, op.cit., p. 22.

[72] P. KENIS, op. cit., pp. 258-260. L. BERTRAND, op.cit., p. 161. Het “profetische inzicht” waarvan Kenis melding maakt, geeft Bertrand zelf echter ook weer. Het is vooral doorheen de rest van het hoofdstuk over de eerste wereldoorlog, dat Bertrand Anseele laat voorkomen als een (heftig) bestrijder van de bezetting.

[73] VO, 14.08.1914, 1ab.

[74] VO, 02.08.1914, 6bc. VO, 03.08.1914, 3ab.

[75] VO, 07.08.1914, 1abc. Over Duitsland: “’t Was de indringer die u verwittigt dat hij ’s nachts in uw huis zal treden, u verzoekend de deur open te laten en uw licht te laten branden. In die voorwaarden zou hij met gemak bij uwen buurman binnen vallen om hem te vermoorden en te bestelen. Zoo iets grenst aan het ongelooflijke.”

[76] VO, 05.08.1914, 3de.

[77] VO, 17.08.1914, 1ab.

[78] AMSAB, XXXII, Fonds Gent-Eeklo, 107, Zitting van het middenkomiteit, 12.08.1914.

[79] VO, 19.08.1914, 1ab. Op 26 september legde Vooruit wel de standpunten uit van de Duitse socialisten Liebknecht, Kautsky en Luxemburg, die zich tot de minderheidssocialisten rekenden. Die minderheidssocialisten voerden verzet tegen de oorlog, en het Duitse imperialisme (VO, 26.09.1914, 1cde). Men plaatste zich dus impliciet wel op de standpunten van de Duitse minderheidssocialisten, wat toch enig misprijzen voor de Duitse meerderheidssocialisten verraadt.

[80] M. BAERTSOEN, op.cit., p. 31.

[81] VO, 08.09.1914, 1a-e.

[82] SAG, III, College- en Raadszittingen, 232, Zitting van de gemeenteraad, 07.09.1914.

[83] H. WANDT, Etappenleven te Gent. Kantteekeningen bij de Duitsche ineenstorting. Deel 1, Gent, 1921, pp. 28-30. Heinrich Wandt was een Duitse journalist, die zich van aan het eind van de zomer 1915 tot oktober 1918 in Gent bevond als dienstplichtige soldaat. Het ‘Etappenleven te Gent’ is in de eerste plaats te beschouwen als een antimilitaristisch boek, voortkomend uit de sociaal-demokratische levensopvattingen van de auteur. Het bericht over de excessen van de Duitse officieren en het arrogante gedrag t.a.v. de Gentse bevolking. Het interessante document moet dan ook met een scherpe bril bekeken worden als de Duitse officieren door het slijk worden gehaald. C. DE BACKER, “Heinrich Wandt (1890-1965), auteur van het Etappenleven te Gent. Een proeve van bio-bibliografie” in: Handelingen van de Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheid te Gent, 39, 1985, pp. 223-224. Vergeten we ook niet dat het Duitse leger Gent voorlopig niet innam wegens het feit dat de troepen nodig waren om het geallieerde tegenoffensief aan de Marne te breken. Oorlogsdagboek van …, p. 151.

[84] Oorlogsdagboek van..., pp. 151-152.

[85] SAG, III, College- en Raadszittingen, 232, Zitting van de gemeenteraad, 08.09.1914.

[86] M. BAERTSOEN, op.cit., pp. 34-35.

[87] SAG, III, College- en Raadszittingen, 215, Zitting van het schepencollege, 09.10.1914. Anseele was niet aanwezig op deze zitting.

[88] bv. VO, 13.10.1914, 2cd; VO, 14.10.1914, 1e2a.

[89] VO, 13.10.1914, 1de.

[90] VO, 13.10.1914, 2a.

[91] Oorlogsdagboek van..., pp. 154-155.

[92] VO, 13.10.1914, 2a.

[93] VO, 14.10.1914, 2de.

[94] VO, 14.10.1914, 2e.

[95] VO, 15.10.1914,2e3a.

[96] VO, 28.10.1914, 1abcd.Van 16 tem. 27 oktober verscheen Vooruit niet.

[97] P. KENIS, op.cit., p. 262.

[98] In het land heerste bij het begin van de oorlog overigens een ware klopjacht op Duitse spionnen. We zouden het gerust een paranoia kunnen noemen, want van Duitse komaf zijn, stond al bijna synoniem voor spionage. In het dagblad Vooruit werd de bevolking herhaaldelijk tot kalmte aangemaand.

[99] A. HENRY, Études sur ..., pp. 247-251.

[100] ibid. pp. 257-258.

[101]ibid., pp. 258-261.

[102] id., Le ravitaillement..., pp. 31-32.

[103] id., Études sur..., pp. 263-264.

[104] ibid., p. 85.

[105] ibid., pp. 257-258.

[106] id., Le ravitaillement..., pp. 31-32.

[107] id., Études sur…, pp. 88-94.

[108] M. STEELS, art.cit., pp. 257-260.

[109] ibid., p. 262.

[110] A. HENRY, Études sur..., pp. 218-221.

[111] M. STEELS, art.cit., pp. 279-285.

[112] SAG, III, College- en Raadszittingen, 215, Zitting van het schepencollege, 05.08.1914.

[113] SAG, III, College- en Raadszittingen, 215, Zitting van het schepencollege, 06.08.1914.

[114] AMSAB, XXIV, SM Vooruit Gent, 18/1, Bestuurszitting van de SM Vooruit, 10.08.1914.

[115] VO, 11.08.1914, 3de.

[116] SAG, III, College- en Raadszittingen, 215, Zitting van het schepencollege, 15.08.1914.

[117] SAG, III, College- en Raadszittingen, 215, Zitting van het schepencollege, 31.08.1914.

[118] SAG, III, College- en Raadszittingen, 215, Zitting van het schepencollege, 14.09.1914.

[119] SAG, III, College- en Raadszittingen, 215,Zitting van het schepencollege, 11.08.1914.

[120] SAG, III, College- en Raadszittingen, 215, Zitting van het schepencollege, 14.08.1914. Verdere uitleg over de genomen maatregelen ontbreekt.

[121] Dat blijkt uit de notulen van het schepencollege.

[122] VO, 15.10.1914, 2ab.

[123] M. STEELS, art.cit., pp. 262-265. Er waren ook heel wat private organisaties, zoals bijvoorbeeld het Half Kluitjes Werk of de secour secree. ibid., pp. 272-273.

[124] VO, 12.08.1914, 1ab.

[125] VO, 02.08.1914, 3ab.

[126] VO, 27.08.1914, 3cde.

[127] Zie daarvoor o.m. L. STYNEN, S. VAN PETEGHEM, et al. (uitg.), V. LOVELING, op.cit., pp. 56-72.

[128] VO, 29.08.1914, 2de.

[129] VO, 08.10.1914, 3ab.

[130] M. STEELS, art.cit., p. 262.

[131] VO, 12.09.1914, 2e.

[132] AMSAB, XXXII, Fonds Gent-Eeklo, 107, Zitting van het middencomiteit, 12.08.1914.

[133] Met het NHVC wordt verder de hele organisatiestructuur bedoeld, en niet het NHVC in enge zin, namelijk het centrale comité te Brussel dat alles coördineert.

[134] Voor een omstandige uitleg over de structuur van het NHVC en onderafdelingen, zie A. HENRY, Études sur…, pp. 265-328.

[135] M. CLAEYS-VAN HAEGENDOREN, op.cit., p. 69.

[136] P. KENIS, op.cit., p. 263.

[137] L. BERTRAND, op.cit., p. 164.

[138] A. HENRY, Études sur…, p. 348.

[139] SAG, III, College- en Raadszittingen, 215, Zitting van het schepencollege, 15.10.1914.

[140] SAG, III, College- en Raadszittingen, 232, Zitting van de gemeenteraad, 19.10.1914.

[141] SAG, III, College- en Raadszittingen, 215, Zitting van het schepencollege, 30.10.1914.

[142] SAG, III, College- en Raadszittingen, 215, Zitting van het schepencollege, 07.11.1914.

[143] Na 7 november, nam Anseele enkel nog het woord op 29 november 1914 over deze materie.

[144] COMITÉ NATIONAL DE SECOURS ET D’ALIMENTATION. PROVINCE DE LA FLANDRE ORIENTALE, Rapport du comité provincial du 1er avril au 30 juin 1915, Gand, Buyck, 1915, p. 98. De naam van het comitéwas niet echt uniform. Andere varianten: “Gewestelijk Comiteit van onderstand aan behoeftige werkeloozen”, “Comiteit van onderstand aan Hulpbehoevenden werkloozen”, “Komiteit van Werkeloozensteun”.

[145] AMSAB, XXXII, Fonds Gent-Eeklo, 107, Zitting van het Middencomiteit, 24.04.1915.

[146] VO, 24.05.1915, 5abcde.

[147] AMSAB, XXXII, Fonds Gent-Eeklo, 107, Zitting van het middencomiteit, 07.04.1915.

[148] VO, 11.06.1915, 3e4a.

[149] VO, 22.04.1915, 3a.

[150] L. VAN LAETHEM, Doorheen het leven van Edward Anseele, Brussel, De Wilde Roos, 1931, p. 16.

[151] VO, 24.05.1915, 5abcde.

[152] In Vooruit luidde het: “De gentsche bevolking mag gerust zijn over de bevoorrading onzer stad. Het gemeentebestuur heeft de noodige maatregelen genomen. ’t Is Anseele die met die zaak is gelast. En men weet bij ondervinding dat hij nooit half werk doet.” VO, 12.09.1914, 2e.

[153] M. STEELS, art.cit., pp. 70-71.

[154] SAG, III, College- en Raadszittingen, 215, Zitting van het schepencollege, 30.10.1914.

[155] VO, 07.11.1914, 3de.

[156] VO, 08.11.1914, 3e.

[157] VO, 26.11.1914, 3bc.

[158] VO, 11.12.1914, 1cd.

[159] VO, 25.07.1915, 3c ; 04.08.1915, 3ab; 13.08.1915, 3ab. Dat dit vastleggen van de prijzen wel degelijk gebeurde na overleg met Anseele lezen we in de notulen van het schepencollege. SAG, III, College- en Raadszittingen, 215, Zitting van het schepencollege, 22.01.1915. Ook: SAG, III, College- en Raadszittingen, 215, Zitting van het schepencollege, 05.07.1915.

[160] VO, 30.07.1915, 3a. De bedanking ging verder als volgt: “Ik moest dikwijls bij de Heeren Ministers van Buitenlandsche Zaken, van Financiën en van Landbouw zijn en telkens ben ik door hen met de meeste welwillendheid en de oprechtste vriendschap ontvangen. De ontvangst was […] zoo gemakkelijk en natuurlijk alsof ik kind in den huize was. […] Maar de Nederlandsche Regeering en een deel zijner bevolking heeft veel, zeer veel voor België gedaan. Vergeten wij dit nooit! ’t Is in het ongeluk vooral, dat men zijne vrienden leert kennen, en in Den Haag, in de ministeries en de bureelen, heb ik slechts vrienden ontmoet.”

[161] SAG, III, College- en Raadszittingen, 216, Zitting van het schepencollege, 15.11.1915.

[162] VO, 14.02.1918, 2bc.

[163] A. HENRY, Le ravitaillement..., pp. 141-143. Ook in het Etappengebied bedroeg het rantsoen 190 gram. Gesetz- und Verordnungsblatt für die okkupierten Gebiete Belgiens, n° 394, p. 4443. Dat de aardappelen het verminderde aandeel van brood in het voedselpakket diende op te vangen, lezen we ook in Vooruit: “Om den buik te vullen blijven slechts de aardappelen, waarop de arbeidende klasse bij den overvloedigen oogst zóó gehoopt had. Wordt dien hoop den bodem ingeslagen dan zou het met de rust gedaan kunnen zijn.” VO, 28.10.1915, 1a-d.

[164] id., Études sur..., p. 185. De prijs van tarwe bedroeg in 1914 officieel 19 fr. per 100 kg. In 1918 was dat al gestegen naar 48 fr. Boter per kilogram verkocht steeg van 3 fr. naar 11,50; rogge per 100 kilogram van 17 fr. naar 48 fr.; gerst (per 100 kg) van 18 fr. naar 46 fr.; rogge (per 100 kg) van 17 fr. naar 48 fr.

[165] id., Le ravitaillement..., pp. 143-144. Een ander overzicht van redenen voor de prijsstijgingen geeft de niet altijd even neutrale Henry in zijn “Études sur l’occupation allemande en Belgique”. Vooral Duitse maatregelen en verordeningen verergerden volgens hem de prijsverhogingen. id., Études sur…, pp. 204-205.

[166] L. STYNEN, S. VAN PETEGHEM, et al. (uitg.), V. LOVELING, op.cit., p. 271.

[167] M. BAERTSOEN, op.cit., pp. 87-88.

[168] VO, 28.10.1914, 1a-d.

[169] Zie bv. L. STYNEN, S. VAN PETEGHEM, et al. (uitg.), V. LOVELING, op.cit., pp. 483-484, pp. 529-530, pp. 561-564, p. 568. Of M. BAERTSOEN, op.cit., p. 229. Baertsoen riep op 10-15 februari 1917 uit: “Pommes de terre de plus en plus rares et coûtant jusque 60 centimes le kilo! Et ne pas perdre de vue qu’à cette époque le franc avait encore son ancienne valeur-or! Tout le monde est d’accord qu’un nouvel hiver à passer ainsi est impossible et qu’il faut donc qu’à tout prix la guerre finisse pour la fin du prochain été.”

[170] Virginie Loveling verklaarde bijvoorbeeld op 27 oktober 1917 dat ze zich zorgen maakte over de bewaring van de “overvloed” aan aardappelen die ze had ontvangen. L. STYNEN, S. VAN PETEGHEM, et al. (uitg.), V. LOVELING, op.cit., p. 627-629. Dat was het gevolg van het feit dat het hele rantsoen aardappelen voor de winter in één keer werd uitgedeeld. De overvloed was dus eigenlijk maar schijn.

[171] SAG, III, College- en Raadszittingen, 216, Zitting van het schepencollege, 22.10.1915.

[172] VO, 28.10.1915, 1a-d.

[173] VO, 03.11.1915, 1a-e.

[174] VO, 12.11.1915, 3a.

[175] VO, 05.11.1915, 1a.

[176] SAG, III, College- en Raadszittingen, 232, Zitting van de gemeenteraad, 29.11.1915.

[177] VO, 04.12.1915, 3b.

[178] VO, 11.12.1915, 3ab.

[179] SAG, III, College- en Raadszittingen, 216, Zitting van het schepencollege, 15.12.1915.

[180] VO, 22.12.1915, 3ab.

[181] SAG, III, College- en Raadszittingen, 216, Zitting van het schepencollege, 21.01.1915. De grootte van het rantsoen was vermoedelijk 3 kg per 14 dagen en per persoon. Op 12 mei 1916 gaf Vooruit immers aan dat het rantsoen was gehalveerd naar 1,5 kg per 14 dagen. VO, 12.05.1916, 1de.

[182] SAG, III, College- en Raadszittingen, 216, Zitting van het schepencollege, 01.03.1916.

[183] VO, 11.01.1916, 3bc.

[184] VO, 24.01.1916, 3ab.

[185] VO, 17.02.1916, 1a.

[186] VO, 26.01.1916, 1bc.

[187] VO, 03.03.1916, 2b; 26.03.1916, 3a; 12.05.1916, 1de.

[188] VO, 30.04.1916, 1b-e; 01.05.1916, 3a-d.

[189] VO, 12.05.1916, 1de.

[190] VO, 26.01.1916, 1bc.

[191] SAG, III, College- en Raadszittingen, 216, Zitting van het schepencollege, 26.04.1916.

[192] SAG, III, College- en Raadszittingen, 216, Zitting van het schepencollege, 19.06.1916.

[193] Eind 1917 lag de prijs al op 1,25 fr. per kg, in de detailhandel. M. BAERTSOEN, op.cit., p.304.

[194] AMSAB, LX, Anseele sr., DII.4.C, Zitting van de Provinciale Bevoorradingscommissie, 11.08.1916.

[195] AMSAB, LX, Anseele sr., DII.4.C, Zitting van de Provinciale Bevoorradingscommissie, 24.08.1916.

[196] AMSAB, LX, Anseele sr., DII.4.C, Zitting van de Provinciale Bevoorradingscommissie, 11.08.1916.

[197] AMSAB, LX, Anseele sr., DII.4.C, Zitting van de Provinciale Bevoorradingscommissie, 30.01.1917; 16.02.1917 ; 09.03.1917.

[198] AMSAB, LX, Anseele sr., DII.4.C, Zitting van de Provinciale Bevoorradingscommissie, 22.06.1917.

[199] AMSAB, LX, Anseele sr., DII.4.C, Zitting van de Provinciale Bevoorradingscommissie, 29.06.1917.

[200] AMSAB, LX, Anseele sr., DII.4.C, Zitting van de Provinciale Bevoorradingscommissie, 06.07.1917.

[201] AMSAB, LX, Anseele sr., DII.4.C, Zitting van de Provinciale Bevoorradingscommissie, 03.08.1917. Caluwe stelde voor om het probleem voor Gent op te lossen door de aardappelen geoogst in de Gentse Kommandantur integraal ter beschikking te stellen van de stad Gent, en de noodzakelijke Duitse opeisingen ergens anders te doen. Op die manier konden er in oktober veel aardappelen naar Gent vervoerd worden met niets anders dan lichte vervoersmiddelen. Gribel beloofde dit praktische voorstel te onderzoeken op de haalbaarheid. In de Nieuwe Gazet van Gent lezen we dat dit voorstel er is doorgekomen. NG, 29.09.1917, 1a.

[202] AMSAB, LX, Anseele sr., DII.4.C, Zitting van de Provinciale Bevoorradingscommissie, 27.07.1917.

[203] AMSAB, LX, Anseele sr., DII.4.C, Zitting van de Provinciale Bevoorradingscommissie, 03.08.1917.

[204] AMSAB, LX, Anseele sr., DII.4.C, Zitting van de Provinciale Bevoorradingscommissie, 21.08.1917.

[205] AMSAB, LX, Anseele sr., DII.4.C, Zitting van de Provinciale Bevoorradingscommissie, 10.08.1917.

[206] AMSAB, LX, Anseele sr., DII.4.C, Zitting van schatters magazijniers, 21.10.1917. Anseele zat deze Gentse vergadering voor. Het is het enige verslag dat we konden terugvinden.