| De Ambrosiaanse Gezangen. Liturgische muziek tussen autonomie en oprukkende uniformiteit. (Hans Smolderen) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
3 Overzicht van het onderzoek naar de ambrosiaanse gezangen
3.1 Inleiding
Binnen de westerse katholieke kerk is er steeds een duidelijk streven geweest vanuit Rome naar een zo groot mogelijke uniformiteit, zowel op dogmatisch, structureel als liturgisch gebied. Het is dan ook verwonderlijk dat er in Milaan tot op de dag van vandaag een onafhankelijke katholieke liturgie heeft kunnen overleven, namelijk de ambrosiaanse ritus. Ook op muzikaal vlak heeft deze metropool steeds een eigen koers gevaren onafhankelijk van de overheersende gregoriaanse traditie.
Het onderzoek naar deze muzikale traditie is echter nog steeds relatief beperkt, ondanks het feit dat we beschikken over een rijk bronnenmateriaal van meer dan 300 muziekhandschriften. Bij het nader bekijken van de verschenen litteratuur valt ook onmiddellijk dat een aantal belangrijke aspecten nog niet onderzocht werden, terwijl bepaalde zeer specifieke elementen reeds uitvoerig geanalyseerd zijn. De bedoeling van deze scriptie is dan ook om enerzijds een beknopt overzicht te geven van de verschenen litteratuur en anderzijds aan te duiden welke aspecten nog niet of nauwelijks bestudeerd zijn.
Ik zal hierbij vertrekken van een algemeen overzicht van de verschillende domeinen in de studie van middeleeuwse monofone liturgische gezangen, om vervolgens na te gaan in hoeverre zij reeds bestudeerd zijn met betrekking tot het ambrosiaans.
Om een aanknopingspunt te hebben in het onderzoeken van de litteratuur over het ambrosiaans, zal ik eerst een globale ordening opstellen van de verschillende domeinen die aan bod komen in de studie van de verschillende vormen van cantus planus. Hierbij baseer ik mij op een aantal algemene overzichten van het gregoriaans.[231]
I. Liturgie
II. Historisch
III. Overlevering
- Bronnen
- Notatie
IV. Uitvoering en gebruik
V. Stilistisch
- Algemene kenmerken van de melodieën
- Melodische structuren
- Genres
- Modaliteit
VI. Muzikale evolutie
- vroege ME (vóór 8e eeuw)
- volle ME
- Ancien régime
- 19e – 20e eeuw
VII. Relatie tot de muziektheorie en de kerkelijke bepalingen
VIII. Relatie tot andere muzikaal-liturgische tradities
Uiteraard betreft het hier zeer algemene categorieën, die echter relevant zijn in elke cantus planus-traditie. Vertrekkende vanuit dit schema zal ik nagaan op welke vlakken er nog grote hiaten zijn in het onderzoek naar het ambrosiaans. De eerste twee domeinen, namelijk het liturgische en het historische, zullen hier niet behandeld worden, vermits zij niet specifiek het muzikale aspect betreffen.[232]
3.3.1 Bronnen
Zoals reeds vermeld, zijn er meer dan 300 manuscripten met ambrosiaanse gezangen overgeleverd. De vroegste diastematische bronnen dateren van de 12e eeuw, maar er zijn wel enkele oudere psalters en evangeliaria die een beperkt aantal melodische accenten bevatten. In 1956 maakt M. Huglo reeds een inventaris van de bronnen, met telkens een korte beschrijving erbij.[233] Hierop werd in 1976 nog een aanvulling gemaakt door E.T. Moneta-Caglio met een aantal manuscripten die in de tussentijd nog aan het licht gekomen zijn.[234] Beide werken zijn samengebracht in de magisterthesis van F. Calcaterra.[235] Het betreft hier echter steeds slechts een opsomming van de bestaande manuscripten met een summiere beschrijving ervan, die helaas niet steeds accuraat blijkt te zijn. Er is echter nood aan een degelijk codicologisch onderzoek, waarbij enerzijds de inhoud geïnventariseerd wordt en anderzijds nagegaan wordt wat de relaties zijn tussen de verschillende manuscripten. Tot hiertoe is nog slechts één handschrift uitvoerig geanalyseerd, namelijk het zogenaamde Londen-manuscript, dat zich bevind in de British library. Hiervan is ook een facsimile verschenen in de reeks Paléographie musicale, alsook een uitvoerige inleiding en een volledige transcriptie.[236] Het feit dat een dergelijk groot aantal bronnen nog niet ontsloten is, heeft uiteraard ook tot gevolg dat er waarschijnlijk nog heel wat gezangen bestaan die wij niet kennen, vermits ze niet voorkomen in latere gezangboeken.
3.3.2 Notatie
Ook het paleografisch aspect van het ambrosiaans is nog niet terdege onderzocht geweest. Suñol heeft weliswaar een klein aantal artikelen hierover geschreven, maar deze zijn vaak naast de kwestie en niet accuraat.[237] Traditioneel wordt er steeds vanuit gegaan dat de notatie in de ambrosiaanse manuscripten een zeer eenvoudige diastematische notatie is, waarin geen spoor te vinden is van de nuances die door neumen konden worden weergegeven. Elders heb ik er echter reeds op gewezen dat er toch regelmatig liquescensen voorkomen, die ons mogelijk een beter inzicht kunnen gunnen naar de evolutie van gezangen en de relaties tussen manuscripten.[238] Ook vind men zéér uitzonderlijk een teken dat een vorm van oriscus zou kunnen zijn, maar waarvan de functie volledig onduidelijk is. Het is zelfs mogelijk dat het hier gaat om onzorgvuldig geschreven noten. Uit een onderzoek van de notatie zouden we ook meer te weten kunnen komen over de oorsprong van de notatie in de ambrosiaanse handschriften. Het is immers zeer merkwaardig dat de vroegste manuscripten die we kennen pas uit de 12e eeuw stammen, en we van voorheen slechts een klein aantal melodische aanduidingen in psalters of evangeliaria aantreffen. Er zijn twee mogelijkheden om dit te verklaren: ofwel zijn alle volledige muziekmanuscripten van vóór 1100 verloren gegaan, ofwel is men in Milaan pas toen overgegaan tot het neerschrijven van de gezangen. Deze laatste hypothese zou verklaard kunnen worden door het feit dat de situatie van het gregoriaans fundamenteel verschillend was van die van het ambrosiaans. De vroege gregoriaanse manuscripten ontstonden immers allen binnen het kader van een klooster, terwijl de ambrosiaanse liturgie wezenlijk verbonden was met de Duomo in Milaan, en dus een seculier karakter had, waarbij het (over)schrijven van boeken niet onmiddellijk tot de taak van de kerkelijke ambtenaren behoorde. Een degelijke studie van de notatie in de manuscripten zou tot een oplossing van dit vraagstuk kunnen bijdragen.
Het is echter niet enkel de studie van de diastematische paleografie die kan leiden tot nieuwe inzichten, ook de muzikale accenten in oudere handschriften bevatten mogelijk nieuwe elementen, terwijl ze nog nooit bestudeerd zijn. Dit zijn immers de enige muzikale getuigenissen van het ambrosiaans in de vroege middeleeuwen en het is niet ondenkbaar dat zij ons een stap verder helpen in het vinden van de oorsprong van het ambrosiaans, een probleem dat ik verderop nog verder zal toelichten.
Dit element stelt niet veel problemen in de ambrosiaanse liturgie. Uiteraard zijn er wel een aantal specifieke praktijken, maar de meeste daarvan zijn duidelijk aangegeven in de manuscripten en vormen geen probleem.[239] Soms zijn er wel onzekerheden inzake de uitvoerders, maar ook hiervoor zijn er reeds een groot aantal oplossingen gevonden. Zo bijvoorbeeld bij de uitvoering van de zeer uitgebreide alleluia’s, waarvoor T. Bailey een zeer aannemelijke hypothese heeft geopperd.[240] Ook voor de typische responsoria cum infantibus[241] is er reeds duidelijkheid geschapen over de uitvoering.[242]
In verband met het gebruik van de ambrosiaanse gezangen blijft er wel een vraag, namelijk hoe de situatie was in de kloosters die zich bevonden in het bisdom van Milaan. Zo kwam de Basilica San’ Ambrogio in 784 in handen van de benedictijnenorde, maar het is nog niet onderzocht of zij volledig hun eigen ritus behielden, dan wel ambrosiaanse kenmerken overnamen.
3.5.1 Algemene kenmerken van de melodieën
Dit aspect is uiteraard van wezenlijk belang wat betreft het onderscheid tussen het gregoriaans en het ambrosiaans. Het gaat immers niet enkel om twee tradities met eigen gezangen, ook de typische kenmerken van de muziek zelf zijn verschillend. Het is dan ook verwonderlijk dat er nog slechts weinig onderzoek hiernaar is verricht. Meestal beperkt men zich ertoe om een aantal zeer algemene elementen aan te raken, zoals bijvoorbeeld de vaststelling dat er in Milaan een groter verschil is tussen melismatisch en syllabisch. In de praktijk kan men inderdaad vaststellen dat dit vaak het geval is, hoewel er ook heel wat gezangen zijn die een gemiddelde melismatiek bezitten, en waarbij er op dit vlak geen verschil is met het gregoriaans. De vraag die zich hier opdringt, is of er verdere conclusies getrokken kunnen worden uit dit gegeven. Is de graad van melismatiek verbonden aan het genre van het gezang? Is het zo dat latere gezangen, uit een periode dat de invloed van Rome al groter was, zich meer hebben aangepast aan het gregoriaanse gebruik? Het is mogelijk dat de excessieve melismen niet aanwezig waren in de oudste gezangen, maar dat ze naderhand zijn bijgevoegd.[243]
Ook aangaande andere stijlkenmerken, zoals de grote uniformiteit in de cadensen en het veelvuldig gebruik van de tritonus, kunnen we stellen dat ze meestal zonder meer aangenomen worden, hoewel er nog geen uitvoerig wetenschappelijk onderzoek naar verricht is.[244]
Tenslotte stelt zich ook de vraag of bepaalde mechanismen die in het gregoriaans in latere eeuwen werkzaam waren, zoals centonisatie of het componeren van nieuwe sequentia of heiligenofficies, ook in Milaan aanwezig waren. Om hier een antwoord op te krijgen zal het noodzakelijk zijn om ook aandacht te schenken aan de latere handschriften, wat tot hiertoe nog niet gebeurd is. Probleem hierbij is dat het onderzoek naar deze principes ook in het gregoriaans nog maar in zijn kinderschoenen staat, waardoor men op dit ogenblik slechts een zeer beperkte theoretische achtergrond heeft.
3.5.2 Melodische structuren
Het onderzoek naar de interne structurering van de melodieën is reeds in een verder gevorderd stadium. Het betreft hier wel telkens de studie van een beperkt corpus gezangen, maar desalniettemin zijn hieruit reeds een aantal interessante conclusies voortgekomen. In een eerste fase werd het onderzoek naar de melodieën vooral toegespitst op de tot de verbeelding sprekende responsoria cum infantibus. Moneta-Caglio ontdekte veertig dergelijke responsoria, die gebruik maakten van vijftien klassen van melodiae.[245] Bailey analyseerde deze verder, en ontdekte duidelijke structuren zowel binnen de melodieën zelf als tussen de melismen van de verschillende gezangen.[246] Ook de tien Milanese alleluia’s analyseerde Bailey op een gelijkaardige manier, en ook hier ontdekte hij aan duidelijke structurering, die wel van een ander aard was dan bij de responsoria.[247] Bij zijn studie van de cantus-melodieën[248] kwam hij tot de conclusie dat ze allen afgeleid waren van eenzelfde type-melodie, die op zijn beurt banden heeft met het Oudromeinse en het Beneventijnse repertoire. De structuren in de responsoria in choro zijn dan weer van een heel ander type, waarbij de verschillende melodieën onderverdeeld kunnen worden in een aantal verschillende klassen, op basis van hun modale structuur.[249] Ook in de psalmelli[250] zijn er terugkerende formules aanwezig, zoals Jesson kon aantonen, hoewel hij niet kwam tot een overkoepelende structuur.[251] Deze studies zijn echter steeds toegespitst op één bepaald gezangtype, en vele types blijven zijn nog niet geanalyseerd. Zeker de responsoria zijn in dit verband zeer interessant, vermits er binnen deze gezangen blijkbaar veel gebruik gemaakt wordt van type-melodieën en terugkerende formules. Via dergelijke gestandaardiseerde melodieën is het mogelijk om iets te weten te komen over oudere lagen van het ambrosiaans.
Door het beperktheid van het onderzoek is het tot op heden nog niet mogelijk om verregaande conclusies te trekken uit het verzamelde materiaal. Wel kunnen we nu en dan reeds een glimp opvangen van de mogelijke richtingen waarnaar de resultaten kunnen leiden. Regelmatig wordt er immers gewezen op bepaalde elementen, hetzij principes, hetzij melodische formules, die ook voorkomen in het Oudromeins of het Beneventijns. Of dit ook daadwerkelijk wijst op een gemeenschappelijke ontstaansgeschiedenis, valt echter nog niet te zeggen.
3.5.3 Genres
Een aantal gezangtypes zijn doorheen de jaren reeds uitvoerig geanalyseerd. De laatste twintig jaar is het vooral T. Bailey die hierin een belangrijke rol heeft gespeeld. Hij maakte uitvoerige studies van de alleluia’s[252], de cantus[253] en de antifonen[254]. In zijn behandeling van de antifonen richt hij zich wel meer op enerzijds de antifonie als systeem en anderzijds op een classificatie van de antifonen, en komt de muzikale analyse slechts op de tweede plaats. Tevens maakte hij een beknopte analyse van de recitatieformules, hoewel deze twee korte teksten eerder een aanzet zijn tot een verdere studie dan wel een afgesloten geheel.[255] Voorheen waren er ook reeds een klein aantal studies ondernomen van specifieke zangtypes. Naast de voorheen vermelde analyses van de responsoria in choro, werden ook de offertoria reeds onderworpen aan een nader onderzoek door Baroffio.[256] Een algemeen overzicht van de misgezangen werd door Jesson gemaakt,[257] terwijl de psalmelli geanalyseerd en vergelijken werden met hun Oudromeinse en gregoriaanse parallellen door Hucke.[258]
Naast deze uitvoerige studies, zijn er ook nog een aantal beperkte studies uitgevoerd naar kleinere zangtypes, zoals bijvoorbeeld de antiphona post evangelium en het Dominus vobiscum, maar het gaat hier meestal om zeer beperkte analyses, die niet steeds steunen op een uitgebreid wetenschappelijk onderzoek.[259]
We kunnen hieruit dus besluiten dat een groot aantal gezangtypes nog niet of nauwelijks onderzocht is, waaronder een deel van de misgezangen en bijna het volledige officierepertorium.
3.5.4 Modaliteit
Modaliteit is steeds een van de meest bediscussieerde aspecten van het cantus planus geweest. Het probleem hierbij is uiteraard dat het enerzijds gaat om structuren die aan de basis van de gezangen liggen, maar die anderzijds niet steeds duidelijk te vatten zijn. In het gregoriaans worden de problemen wat minder vanaf het ogenblik dat het modussysteem ingeburgerd geraakt, en vele gezangen hieraan aangepast worden. De oudere lagen zijn echter heel wat minder eenduidig, en over het ontstaan van het systeem blijft het tot hiertoe nog steeds gissen.[260]
In het ambrosiaans is de situatie nog onduidelijker. Van een vaststaand modussysteem is er geen sprake, en bijna elke toon lijkt structuurtoon van een melodie te kunnen zijn.[261] Uiteraard maakt het feit dat vele gezangen nog niet uitgegeven en dus niet voor iedereen bereikbaar zijn het onderzoek er niet eenvoudiger op.
De enige auteur die zich toch op dit vlak gewaagd heeft is Alberto Turco, met twee zeer degelijk artikel uit 1988.[262] Het staat echter buiten kijf dat er nood is aan een uitvoerige studie van deze component. Dit zou niet enkel de studie van het ambrosiaans ten goed komen, maar ook het onderzoek naar het algemene verschijnsel van modaliteit en de oorsprong ervan zou hiermee gebaat zijn.
De studies die reeds gemaakt zijn over de ambrosiaanse gezangen baseerden zich meestal op de hedendaagse uitgaven[263], of op het Londen-manuscript[264]. Hierdoor is het onderzoek echter steeds zeer horizontaal gebleven, waarbij de historische evoluties nauwelijks aan bod kwamen. Uiteraard stelt zich het probleem dat we slechts weinig muzikaal materiaal bezitten van vóór de 12e eeuw, maar toch zou het onderzoek van deze oudste manuscripten ons een veel beter inzicht kunnen geven in de ontwikkeling van het repertorium. Ook de zangboeken uit latere eeuwen kunnen echter heel wat nieuwe elementen aan de oppervlakte brengen. In de loop der eeuwen is de invloed van Rome op het kerkelijk leven in Milaan steeds groter geworden, maar er is nog geen studie ondernomen naar de impact hiervan op de ambrosiaanse muziek. Wel valt in de vroegste manuscripten reeds op dat er duidelijke links zijn tussen het gregoriaans en het ambrosiaans, maar we kunnen nog geen antwoord geven op de vraag op dit het gevolg is van een gemeenschappelijke oorsprong of van een beïnvloeding in latere eeuwen.[265] Hierbij stelt zich dan ook de fundamentele vraag naar de verhouding tussen de verschillende types van liturgische muziek in Italië, waar naast het gregoriaans en het ambrosiaans ook het Oudromeins en het beneventijns voorkomen,[266] en bij uitbreiding in Europa, waar onder andere het gallicaans en het mozarabisch een belangrijke rol speelde.[267] Er heerst nog steeds een zeer grote verwarring omtrent het ontstaan van deze repertoires. Aangenomen wordt dat de drie grootste Italiaanse stijlen wat betreft hun oorsprong duidelijk verweven zijn, maar de aard hiervan is nog niet zeer duidelijk.[268]
3.7 Relatie tot de muziektheorie en de kerkelijke bepalingen
Naar dit aspect is er nog nauwelijks onderzoek gedaan. De reden hiervoor is echter zeer eenvoudig: er is immers geen sprake van een specifieke ambrosiaanse muziektheorie, zoals die voor het gregoriaans wél bestaat. Uiteraard had dit ook een weerslag op de muziekproductie. Een duidelijke illustratie hiervoor is de problematiek rond de modaliteit: reeds in de 9e eeuw schreef Aurelianus Reomensis zijn Musica disciplina, waarin een aanzet gegeven werd tot de modale ordening van de gezangen. Rond het begin van het tweede millennium werd dit systeem nog verder uitgewerkt, en werd het ook daadwerkelijk toegepast in de gregoriaanse gezangen. In Milaan bestond een dergelijk uitgewerkte structurering niet, en het blijkt dan ook dat er steeds gebruik gemaakt werd van veel vrijere modale constructies.
De vraag blijft echter of de modaliteitstheorie zoals deze in bijna heel West-Europa bestond, ook in Milaan geen invloed heeft gehad. Het is immers niet ondenkbaar dat naarmate de invloed van Rome groter werd, ook de gregoriaanse muziektheorie een belangrijke rol ging vervullen. Om hier uitspraken over te kunnen doen, is er echter nood aan een grootschalig onderzoek naar de modaliteit, zoals dit reeds eerder vermeld is.
Belangrijk in verband met de unieke liturgische positie van Milaan zijn ook de kerkelijke bepalingen aangaande de ambrosiaanse liturgie en muziek. Alle andere muzikale tradities werden immers vervangen door het gregoriaans, enkel het ambrosiaans mocht noch onafhankelijk blijven bestaan. Uiteraard was deze situatie niet mogelijk zonder een kerkelijke wetgeving dienaangaande, wat naar alle waarschijnlijkheid kan teruggevonden worden in de besluiten van de verschillende concilies, hetzij provinciaal, hetzij algemeen. Ook pauselijke bullen zouden hiervoor belangrijk kunnen zijn.
3.8 Relatie tot andere muzikaal-liturgische tradities
De problematiek in verband met de verhoudingen tussen de verschillende westerse tradities heb ik hiervoor reeds behandeld.
Milaan bevond zich echter op het geografische snijpunt de oosterse en de westerse invloedssfeer. Omwille van deze ligging heeft de Milanese kerk steeds een sterke band gehad met het Oost-Romeinse rijk,[269] waarbij zich uiteraard dan de vraag stelt of deze relatie ook op muzikaal vlak gevolgen heeft gehad. Vroeger werd aangenomen dat er inderdaad Byzantijnse elementen aanwezig waren in de ambrosiaanse gezangen.[270] Tegenwoordig wordt deze stelling echter niet meer als vanzelfsprekend beschouwd, vermits er nooit een echt overtuigend bewijs geleverd is. Anderzijds is het wel duidelijk dat in de Milanese liturgie een aantal oosterse elementen aanwezig zijn.[271] Ook hierbij stelt zich het probleem naar de wijze waarop er eventueel beïnvloeding zou zijn geweest.
Zoals ook blijkt uit de hieropvolgende bibliografie, zijn een groot aantal kleine elementen van het ambrosiaans reeds in meerdere of mindere mate onderzocht. Binnen dit woud van studies naar zeer specifieke gezangen of gezangtypes ontbreekt echter elke samenhang en structuur. De overkoepelende aspecten, zoals bijvoorbeeld modaliteit en andere meer algemene kenmerken, zijn nog niet terdege onderzocht, en hierover worden maar al te vaak generaliserende uitspraken gedaan die niet wetenschappelijk getoetst zijn.
Een belangrijk probleem is ook dat de basis van elk degelijk onderzoek, namelijk de oorspronkelijke bronnen, nog maar amper geïnventariseerd zijn en dat er van een grondig onderzoek ervan al helemaal geen sprake is.
Tenslotte dient nog opgemerkt te worden dat heel wat artikels de toets van de wetenschappelijke kritiek niet kunnen doorstaan, en eerder geschreven zijn vanuit een meer “heemkundig” standpunt dan wel vanuit een academisch-wetenschappelijke achtergrond.
Officiële uitgaven en uitgaven van manuscripten
Antiphonarii ambrosiani pars hiemalis, pars aestiva, proprium et commune sanctorum, Milaan, 1898.
Antiphonario ambrosiano novissima editio appendix, Milaan, 1898.
Antiphonarium Ambrosianum du Musée Britannique (XIIème siècle), codex additional 34209, (Paléographie Musicale. Les principaux manuscrits de chant Gregorien, Ambrosien, Mozarabe, Gallican, publies en facsimiles photographique sous la direction de J. Gajard, uitg. dr Benediktijnen van Solesmes, 5+6), Solesmes, 1896-1900.
Antiphonale missarum juxta ritum sanctae ecclesiae Mediolanensis, uitg. dr G.M. SUÑOL, Rome, 1935.
BAS, G., Manuale di canto ambrosiano, Turijn, 1929.
Beroldus sive ecclesiae Ambrosianae Mediolanensis kalendarium et ordines saec. XII, uitg. dr M. MAGISTRETTI, Milaan, 1894.
Breviarium Ambrosianum, 1582.
Canti ambrosiani per il popolo, uitg. dr G.M. SUÑOL, Milaan, 1936.
Cantus liturgici in die Purificationis, uitg. dr A. PINI, Milaan, 1930.
Liber vesperalis juxta ritum sanctae ecclesiae Mediolanensis, uitg. dr G. M. SUÑOL, Rome, 1939.
MAGISTRETTI M., A. RATTI (PIUS XI) e.a., Missale ambrosianum duplex (proprium de tempore) editt. Puteobonellianae et typicae (1751-1902) cum critico commentario continuo ex manuscriptis schedis Ant. M. Ceriani, (Monumenta sacra et profana: operacollegii doctorum Bibliothecae Ambrosianae, 4), Milaan, 1913.
Manuale ambrosianum ex codice saic. XI olim in usum canonicae Vallis Travaliae, 2 vol., uit dr M. MAGISTRETTI, Milaan, 1904-1905.
Melodie ambrosiane, uitg. dr E. GARBAGNATI, Milaan, 1929.
Missale ambrosianum duplex, uitg. dr A.M. Ceriani, A. RATTI en M. MAGISTRETTI, Milaan, 1913.
Officium et missa pro defunctis cum exequiarum ordine, uitg. dr G.M. SUÑOL, Rome, 1936.
Praeconium pascchale ambrosianum ad codicum fidem restitutum, Rome, 1933.
Psalterium…Divinis Officiis Ritu Ambrosiano, Milaan, 1619.
Raccolta di responsori da cantarsi dai «pueri chorales» nella Metropolitana di Milano, uitg. dr A. PINI, Milaan, 1934.
La santa messa: Rito Ambrosiano, Milaan, 1961.
SMOLDEREN, H., De ambrosiaanse geangen. Liturgische muziek tussen autonomie en oprukkende uniformiteit. Deel II: transcripties van de responsoriae in choro, onuitgegeven licentiaatsthesis aan de Katholieke Universiteit Leuven, 1999.
SUÑOL, G.M., Notation du chant de la liturgie milanaise, (in Introduction à la paléographie musicale grégorienne), Rome, 1935, p.216 e.v. (facsimile).
Wetenschappelijke teksten
ADAMIS, M., A Reference to the Relation of Eastern and Western Chant, (in Studies in Eastern Chant, 4, uitg.dr M. VELIMIROVIE), Crestwood, 1979.
AGUSTONI, L., Il valore della note liquescente alla luce del “cephalicus” ed “epiphonus”, in Rivista Internazionale di Musica Sacra, 1, 1980.
-, Ein Vergleich zwischen dem Gregorianischen und dem Ambrosianischen Choral. Einige Aspekte, in Beiträge zur Gregorianik, 13-14, 1992, p. 13-28.
ALTISSSENT, M., L’accompagnamento del canto ambrosiano, in Ambrosius, 24, 1948, p. 31 e.v.
-, Il “tonus praefationis” ambrosiano, in Ambrosius, 17, 1941, p. 23 e.v.
Ambrosius, tijdschrift over de ambrosiaanse cultuur en liturgie, sinds 1925.
AMELLI, A.M., L’épigramme di Paolo Diacono intorno al canto gregoriano e ambrosiano, (in Memorie storiche forogiuliesi, 9), 1913, p. 153-175.
-, Paolo Diacono, Carlo Magno e Paolino d’Aquileia in un epigramme inedito intorno al canto gregoriano ed ambrosiano, Montecasino, 1899.
AMIET, R., La tradition manuscrite du missel ambrosien, Antwerpen, 1960.
ANDOYER, R., L’ancienne liturgie de Bénévent, in Revue du chant grégorien, 20, 1911-1912, p. 176 e.v.; 21, 1912-1913, p. 14 e.v., 44 e.v., 81 e.v., 112 e.v., 144 e.v., 169 e.v.; 22, 1913-1914, p. 8 e.v., 41 e.v., 80 e.v., 106 e.v., 141 e.v., 170 e.v.; 23, 1919-1920, p. 42 e.v., 116 e.v., 182 e.v.; 24, 1920-1921, p. 48 e.v., 87 e.v.
ANDREONI, A., Breve metodo teorico-pratico di canto fermo ambrosiano, Milaan, 1900.
ANGLÈS, H., Ambrosian Chant, in New Oxford History of Music, vol. II, Londen, 1954, p. 59 e.v.
APEL, W., Gregorian Chant, Bloomington, 1966.
AVERY, M., The Beneventan Lections for the Vigil of Easter and the Ambrosian Chant banned by Pope Stephan IX at Montecassino, in Studi gregoriani, 1, 1947, p. 433 e.v.
BAILEY, T., Accentual and cursive Cadences in Gregorian Psalmody, in Journal of the American Musicological Society, 29, 1976, p. 463-471.
-, Ambrosian Chant in Southern Italy, in Journal of the Plainsong and Mediaeval Music Society, 6, 1983, p. 1-7.
-, The Ambrosian Alleluias, Englefield Green, Sulley, 1983.
-, The Ambrosian Cantus, ed., (Wissenschaftlichen Abhandlungen- Musicological Studies, 47), Ottawa, 1987.
-, Ambrosian Choral psalmody: The Formulae, in Studies in music from the University of Western Ontario, 3, 1978, p. 72-96, en in Rivista internazionale di Musica sacra, I/1, 1980, p. 80-99.
-, Ambrosian double Antiphons, (in Dobszay Festschrift 1995 ), 1995, p.11-24.
-, Ambrosian Psalmody: an introduction, in Studies in Music from the University of Western Ontario, 2, 1977, p. 65-78, en in Rivista internazionale di Musica sacra, I/2, 1980, p. 300-28.
-, Ambrosianischer Gesang, ( in MGG, dl 1), 1994, kolom 521-546.
-, An ancient Psalmody without Antiphons in the ambrosian ferial Office, ( in Cantus Planus Madrid), 1992, p. 875-882.
-, Antiphon and Psalm in the Ambrosian Office, Ottawa, 1994.
-, The Antiphons of the Ambrosian Office, (Wissenschaftlichen Abhandlungen- Musicological Studies, 50), 1989.
-, The Intonation Formulas of Western Chant, Toronto, 1974.
-, Milanese melodic Tropes, in Journal of the Plainsong and Medieval Music Society, 11, 1988, p. 1-12.
-, The Processions of Sarum and the Western Church, Toronto, 1971.
BAILEY, T., P. MERKLEY, The melodic Tradition of the Ambrosian Office-Antiphons, Ottawa, 1990.
BAER, A., Enige kanttekeningen bij het vergelijken der oudromeinse en gregoriaanse introitus- en communiemelodieën en hun ambrosiaanse parallels, in Gregoriusblad, 84, 1963, p. 11 e.v.
BANNISTER, E., Ordine ambrosiano per venerdì e sabato santo, in (Miscellanea Ceriani), Milaan, 1904.
BAROFFIO, G., Der Ambrosianischer Gesang zwischen Ost und West, lezing ter gelegenheid van de ambrosiaanse dag op 9 december 1989 in Utrecht, tekst neergeschreven door I. DE LOOS, 1989.
-, Ambrosian Rite, Music of the, (in New Grove), 1980.
-, Benevent, artikel in MGG.
-, La liturgia e il canto ambrosiano: prospettivi di recerca, (in Atti del XIV congresso della società internazional di musicologia, Bologna, 1987, Transmisse e recezione
delle forme di cultura musicale), Torino, 1990, p. 65-68.
-, Die liturgische Gesänge im Abendland: ambrosianische Liturgie, ( in Fellerer 1972), 1972, p.191-204.
-, Die liturgische Gesänge im Abendland: Liturgie im beneventanischen Raum, ( in Fellerer 1972), 1972, p.204 e.v..
-, Die Mailändische Überlieferung des Offertoriums Sanctificavit, (in Festschrift Bruno Stäblein zum 70. Geburtstag), uitg. dr M. RUHNKE, Kassel, 1967, p. 1-8.
-, Die Offertorien der Ambrosianische Kirche. Vorstudie zur Kritischen Ausgabe der Mailändischen Gesänge, diss. Phil. Köln, 1964.
-, Osservazioni sui versetti degli offertori ambrosiani, in Ricerche storiche sulla chiesa ambrosiana, 3, 1972, p. 52 e.v.
BAS, G., Ambrosiano, canto, (in Enciclopedia Italiana, dl 2), 1929, p. 806 e.v.
BAUMSTARK, A., Ein frühchristliches Theotikon in mehrsprachlicher Überlieferung und verwandte Texte des ambrosianischen Ritus, in Oriens Christianus, nieuwe serie, 9, 1920, p. 36 e.v.
-, Nocturna laus: Typen frühchristlicher Vigilienfeier un ihr Fortleben, Munster, 1957.
BERNAREGGI, A., Ciò che certamente la liturgia ambrosiana deve a S. Ambrogio, in Ambrosius, 1, 1925, 130 e.v., 2, 1926, p. 8 e.v., 45 e.v., 99 e.v., 113 e.v., 3, 1927, p. 45 e.v., 231 e.v.
BARRINGTON-FOOTE, K., The Lesser Antiphons of the Milanese Office, onuitgegeven thesis, universiteit van Brits Colombia, 1973.
BISHOP, W. C., The Ambrosian Breviary, in The Chruch Quarterly Review, 23, 1887, p. 83-112.
-, The Mozarabic and Ambrosian Rites. Four Essays in Comparative Liturgiology, Nowbray, London, 1924.
BORELLA, P., L’antifona ante crucem, in Ambrosius, 8, 1932, p. 217 e.v.
-, L’antifona post Evangelium, in Ambrosius, 8, 1932, p. 97 e.v.
-, Il capitolare ed evangelario ambrosiano di S. Giovanni Battista in Busto Arsizio, in Ambrosius, 10, 1934, p. 15-20.
-, Il Capitulum delle lodi ambrosiano e il Versus ad repetendum romano, in Ambrosius, 9, 1933, p. 241 e.v.
-, L’ingressa della messa ambrosiana, in Ambrosius, 24, 1948, 83 e.v.
-, Note storiche circa l’antifona ad crucem alle laudi, in Ambrosius, 7, 1931, 225 e.v.
-, La processione stazionale alla messa nell’antica liturgia ambrosiana, in Ambrosius, 10, 1934, p. 43-56.
-, Il responsorio Tenebrae nel codice 123 dell’ Angelica e nella tradizione ambrosiana, (in Miscellanea liturgica... G. Lercaro, dl 1), Rome, 1966, p. 597 e.v.
-, Il rito ambrosiano, Brescia, 1964.
-, L’ufficiatura meridiana nell’ antico rito ambrosiano, in Ambrosius, 34, 1958,
p. 99 e.v.
BORELLA, P. en E. VILLA, Questioni e bibliografia ambrosiane, (Archivio ambrosiano, II), Milaan, 1950.
BROU, L., L’alleluia dans la liturgia mozarabe: étude liturgico-musicale d’après les manuscrits de chant, in Annuario musicale, 6, 1951, p. 3 e.v.
BUSTI, M., Un’ antica melodia ambrosiana del Gloria in excelsis, in Ambrosius, 2, 1926, p.12 e.v.
CALCATERRA, F., Catalogo ragionato della Fotoriproduzioni dei Codici di Canto Ambrosiano conservati presso la Biblioteca del Centro permanente Studi e Documentazione di Liturgia e Canto Ambrosiano, diss. aan Pontificio Istituto Ambrosiano di Musica Sacra Milaan, 1989-90.
CANTÙ, D., Il canto del «Dominus vobiscum» e le modulazioni ambrosiane delle orazioni, in Ambrosius, 6, 1930, p. 118 e.v.
-, Frederico Borromeo per il canto liturgico, in Ambrosius, 7, 1931, p. 345 e.v.
-, Le modulazione ambrosiane delle orazioni, in Ambrosius, 2, 1929, p. 202 e.v.
-, La modulazione salmodica ambrosiana: origina – sviluppo - critica, in Ambrosius, 1932, p. 23 e.v.
CAPITANI D’ARZAGO, A. DE, La chiesa maggiore di Milano, Milaan, 1952.
CATTANEO, E., Il breviario ambrosiano: note storich ed illustrative, Milaan, 1943.
-, I canti della frazione e communione nella liturgia ambrosiana, (in Mohlberg Festschrift, 1948), 1948, p. 147-174.
-, Il canto ambrosiano, ( in Storia di Milano, 4), Milaan, 1954, p. 575 e.v.
-, Franchino Gaffurio e il canto ambrosiano, in Ambrosius, 25, 1949, p. 8 e.v.
-, Note storiche sul canto ambrosiano, Milaan, 1950.
-, Rito ambrosiano e liturgia orientale, in (Questioni e bibliografia ambrosiane (Archivio ambrosiano, II), Milaan, 1950, p. 19 e.v.
-, Una scuola ed un trattato di canto nel 1400, in Ambrosius, 14, 1948, p. 106 e.v.
CATTIN, G., Music of the Middle Ages 1, vert. v. Il Medioevo 1, Turijn, 1979, Cambridge, 1984.
CERIANI, A., Notitia liturgiae ammbrosianae ant secolo XI med., Milaan, 1912.
CLAIRE, J., L’évolution modale dans les répertoires liturgiques occidentaux, in Revue grégorienne, 40, 1962, p. 196 e.v., 229 e.v.; 41, 1963, p. 49 e.v., 77 e.v., 127 e.v.
-, La psalmodie responsoriale antique, in Revue grégorienne, 41, 1963, p. 8 e.v.
COMOLLI, B., Un codice ambrosiano-monastico della Badia di Ganna, in Rivista della Società storica varesina, VIII, 1964, p. 64 e.v.
CORBIN, S., Ambrosiano, Canto, (in Dizionario enciclopedico, dl 1), 1983-88, p. 70-76.
-, The early christian Period, in F.W. STERNFIELD, Music from the Middle Ages to the Renaissance, (A History of Western Music, 1), N. Y., 1973.
CURRAN, M., The Hymns and Collects of the Antiphonary of Bangor and the monastic Office at Bangor: a Study of their Sources and Content, dissertatie aan het Pont Athen. Auselmianum, Rome, 1973-1974.
DELALANDE, D., Vers la version authentique du graduel grégorien: le graduel des Prêcheurs, Parijs, 1949.
DELL’ORO, Il sacramento di Ariberto, in Ephemerides Liturgicae, 1960.
Dictionnaire liturgique, historique et théorique du plain-chant et de musique de l’église, au moyen age et dans les temps modernes, uitg. dr M.J. D’ORTIGUE, Parijs, 1853.
Dizionario di Liturgia Ambrosiana, uitg. dr M. NAVONI, Milaan, 1996.
DREVES, G.M., Aurelius Ambrosius, der Vater des Kirchengesangs: eine hymnologische Studie, Amsterdam, 1968.
DUCHESNE, L., Origines du culte chrétien, Parijs, 1925.
DUCKETT, E.S., The Gateway to the Middle Ages: Italy, Michigan, 1966.
DUDDEN, The Life and Times of Saint Ambrose, Oxford, 1935.
Il Duomo di Milano. Dizionario storico artistico e religioso, Milaan, 1986.
DYER, J., Monastic Psalmody of the Middle Ages, in Revue Bénédictine, 99/1-2, 1989, p. 41-74.
- , The Singing of Psalms in the early medieval Office, in Speculum, 64/4, 1989, p. 535-578.
ERNETTI, P.M., La musica aquileiese, Udine 1967-1968.
FARMER, S.J., The Texts and Melodies of Gregorian Graduals and Milanese Psalmelli, Phd. Diss., University of Cambridge, 1992.
FERRETTI, P., Esthétique grégorienne où Traité des Formes musicals du Chant grégorien, Solesmes, 1938.
FRANZ, G., Die Tageszeitenliturgie der Mailändische Kirche im 4 Jahrhundert: Ein Beitrag zur Geschichte der Katholischen Kathedraloffiziums im Westen, in Archiv für Liturgiewissenschaft, 34, 1992, p. 23-83.
GAMBER, K., Codices liturgici latini antiquiores, Freiburg, 1963.
GARBAGNATI, E., Gloria, Credo, Sanctus, in Ambrosius, 6, 1930, p. 13 e.v.
-, Le modulazione ambrosiane per le orazioni, in Ambrosius, 3, 1927, p. 13 e.v.
-, Ancora della modulazione delle orazioni e del Dominus vobiscum nel rito ambrosiano, in Ambrosius, 6, 1930, p. 152 e.v.
-, L’opera di Camillo Perego, in Ambrosius, 2, p. 38-40.
-, Ricerche sull’antica salmodia ambrosiana, in Rassegna gregoriana, 10, 1911,
361 e.v.; en in Ambrosius, 4, 1928, p. 25 e.v., 131 e.v., 181 e.v.; 5, 1929, p. 33 e.v.
GASSER, S., Les antiennes O, in Etudes grégoriennes, 1993, p. 54-85.
GASTOUÉ, A., Le chant gallican, Grenoble, 1939.
-, Les chants du Credo, in Revue du chant grégorien, 38, 1934, p. 14 e.v.
-, Le graduel et l’antiphonaire romains, Lyon, 1913.
-, Les origines du chant romain, Parijs, 1907.
GATARD, A., Ambrosien (chant), (in Dictionnaire d’archéologie chrétienne et de liturgie), Parijs, 1905, kolom 1353-1373.
GERBERT, M., De Cantu et Musica Sacra a prima ecclesiae aetate usque ad praesens tempus, 2 dln, St.-Blasien, 1774, reproductie: Graz, 1968, met inleiding van O. Wessely.
GEROLD, Th., Les pères de l’église et la musique, Parijs, 1931.
-, Histoire de la musique. Dès origines à la fin du 14ème siecle, Parijs, 1936.
Geschichte der katholischen Kirchenmusik, dl 1, uitg. dr K.G. FELLERER, Kassel, 1976.
GHIGLIONE, N., Atti del primo congresso di canto ambrosiano, in Rivista internazionale di musica sacra, IX/2-3, 1988.
-, Il libro nel territorio ambrosiano dal VI al IX secolo, (in Il millenario ambrosiano. I: Milano, una capitale, da Ambrogio ai Carolingi, uitg. dr C. BERTELLI), Milaan, 1987,
p. 130-167.
-, (ed.), Il primo congresso di canto ambrosiana, in Rivista internazionale di musica sacra, VII/3, 1986, p. 307-14.
-, La formula sol-la-si-do-do e le sue varianti nel canto ambrosiano, diss. aan Pontificio Istituto Ambrosiano di Musica Sacra, Milaan, 1968.
-, Testimonianze di canto ambrosiano nel IX secolo: i salteri diacritici e il salterio Simeone, in Rivista internazionale di musica sacra, 9, 1988, p. 201-220.
GIULINI, G., Memorie spettanti alla storia al governo ed alla descrizione della città e della campagna di Milano ne’ secoli bassi, 9 dln, Milaan, 1760-1775 en 7 dln, Milaan, 1854-1857.
GOLOS, J., Antyfonarz ambrozjaÕski Biblioteki JagielloÕskiej w Krakowie, in Studia Hieronymo Feicht, Krakow, 1967, p.129 e.v.
GRIFFE, E., Aux origines de la liturgie gallicane, in Bulletin de littérature ecclésiastique, 52, 1951, p. 17 e.v.
HANDSCHIN, J., Trope, Sequence and Conductus, in New Oxford History of Music, dl 2, londen, 1954, p. 128 e.v.
-, Vestiges d’un ancien répertoire musical de Haute-Italie, (in 2. Internationaler Kongress für katholische Kirchenmusik: Wien 1954), Wenen, 1954, p. 142 e.v.
HALPERIN, D., Contributions to a Morphology of ambrosian Chant, diss. Phil. Tel Aviv, 1986.
HEERINGS, A., Het Responsorium cum Infantibus uit de ambrosiaanse Vespers, 1998.
HEIMING, O., Die ältesten ungedruckten Kalender der mailändischen Kirche, (in Festschrift A. Dold), Beuren, 1952.
-, Die altmailändische Heiligenvigil, (in Heilige Überlieferung, Ausschnitte aus der Geschichte des Mönchtums und des Heiliges Kultes), Munster, 1938.
-, Ein benediktinisch-ambrosianisches Gebetbuch des frühen XI. Jahrhunderts, British Museum Egerton 3736 (ehemals Dyson Perrins 48), in Archiv für Liturgiewissenschaft, 1964.
-, Das Corpus ambrosiano-liturgicum. Ein Bericht, in Ephemerides liturgicae, 92, 1978, p. 477-480.
-, Inizio o antifona completa prima dei salmi? , in Ambrosius, 23, 1947, p. 108 e.v.
-, Die Mailänder Messfeier, (deel van artikel Eucharistiefeiern in der Christenheit,
uitg. dr T. BOGLER), in Liturgie und Mönchtum, 1960.
-, Vorgregorianische römischen Offertorien in der mailändische Liturgie, in Liturgisches Leben, 5, 1938, p. 72.
HESBERT, R.-J., L’antiphonale missarum de l’ancien rit bénéventain, in Ephemerides liturgicae, 52, 1938, p. 28-66; 53, 1939, p. 168 e.v. ; 59, 1945, p. 69 e.v.; 60, 1946, p. 103-141; 51, 1947,
p. 153-210.
-, Le problème de la transfixion du Christ dans les traditions biblique, patrsitique, iconographique et musicale, Tours, 1940.
-, La tradition bénéventaine dans la tradition manuscrite, (Paléographie musicale, 14), 1931, p. 60-479.
HILEY, P., Western Plainchant: A Handbook, Oxford, 1993.
HOLTHAUS, M.J., Beneventan Notation in the Vatican Manuscripts, diss. aan de University of Southern California, p. 101 e.v.
HOPPIN, R.H., Medieval Music, N. Y.-Londen, 1978.
HOURLIER, DOM J., The musical Notation of latin liturgical Chants, 1992.
-, Notes sur l’antiphonie, in Gattungen der Musik in Einzeldarstellungen: Gedenkschrift für Leo Schraden Berne-Munchen, 1973, p. 116 e.v.
HUBERT, I., Les «cathédrales doubles» de la Gaule, (in Mélanges d’histoire et d»archéologie offerts en hommage à M.L. Blondel), Genève, 1963, p. 105 e.v.
-, Les «cathédrales doubles» et l’histoire de la liturgie, (in Atti del I congresso internazionale di studi langobardi), Spoleto, 1951, p. 167 e.v., en (in Arts et vie sociale de la fin du monde antique au moyen âge), Genève, 1977, p. 87 e.v.
HUCKE, H., Die gregorianische Gradualweise der 2. Tons und ihre ambrosianischen Parallelen. Ein Beitrag zur Erforschung des Ambrosianischen Gesangs, in Archiv für Musikwissenschaft, 13, 1956, p. 285-314.
-,Die Herkunft der Kirchentonarten und die fränkische Ueberlieferung des Gregorianische Gesangs, (in Bericht über den Internationalen Musikwissenschaftlichen Kongress Wien, uitg. dr H. KUEHN, P. NITSCHE), Kassel, 1980, p. 257-60.
-, Towards a new historical View of Gregorian Chant, in Journal of the American musicological Society, 33, 1980, p. 437-67.
HUGLO, M., L’annuncio pasquale della liturgia ambrosiana, in Ambrosius, 33, 1957, p. 88 e.v.
-, Une antienne ambrosienne diffusée hors de Milan, in Musica Sacra, 35, 1959,
p. 145 e.v.
-, Antifone antiche per la «fractio panis», in Ambrosius, 31, 1995, p.361-383.
- , Antiphon, (in New Grove, dl 1), p. 471-481.
-, A proposito di una nuova enciclopedia musicale, le melodie ambrosiane, in Ambrosius, 27, 1951, p. 114 e.v.
-, Fonti e paleografia del canto ambrosiano, (Archivio Ambrosiano), Milaan, 1956.
-, L’invito alla pace nelle antiche beneventana e ambrosiana, in Ambrosius, 30, 1954, p. 158 e.v.
-, Die liturgische Gesänge im Abendland: altgalikanische Liturgie, ( in Fellerer 1972), 1972, p. 219 e.v.
-, Relations musicals entre Byzance et l’Occident, in (Proceedings of the XIIIth International Congress of Byzantine Studies, Oxford, september 1966), Londen, 1967, p. 267- 280.
HURÉ, J., Saint Augustin musicien d’après le De Musica, Parijs, 1924.
HUSMAN, H., Alleluia, Sequenz und Prosa im altspanischen Choral, (in Miscellánea en homenaje a Monseñor Higinio Anglés, dl 1), Barcelona, 1958, p. 407 e.v.