De Ambrosiaanse Gezangen. Liturgische muziek tussen autonomie en oprukkende uniformiteit. (Hans Smolderen)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

1 De ambrosiaanse ritus en gezangen

 

1.1 Historische situering

 

1.1.1 Milaan als wereldlijke metropool[1]

 

 Toen Milaan in 218 v.C. onder Romeins gezag kwam, was het een stad die gedomineerd werd door de Gallische cultuur en die als dusdanig ook werd opgenomen binnen het Romeinse rijk. Nadat het in 89 v.C. door Gnaius Pompeius Strabonus[2] tot Latijnse provincie benoemd werd,[3] kwam er een sterke vermenging van de oorspronkelijke Gallische en de nieuw geïmmigreerde Romeinse bevolking. Uiteindelijk zou Milaan steeds meer opgenomen worden in het rijk, een evolutie die zijn hoogtepunt kende in 42 v.C., met de erkenning van Gallia Cisalpina, waartoe Milaan behoorde, als deel van de Italiaanse provincie. Hierdoor was het niet langer een provincia,[4] maar kreeg het een aantal voorrechten die enkel aan inwoners van Italië voorbehouden waren,[5] en onder keizer Augustus verkreeg Milaan de positie van hoofdstad over de regio Transpandana. Milaan was echter ook van groot militair belang voor Rome. Bij hun veroveringen van Gallië en de verdediging van Italië had het rijk een centrum nodig dat dicht genoeg bij de Alpen lag, maar dat toch voldoende omvang had om de hele administratie te kunnen herbergen én de nodige commerciële activiteiten voor een dergelijke positie bezat. Op dit ogenblik was Milaan reeds een stad van ongeveer 40.000-50.000 inwoners, en had op economisch gebied een grote faam voor haar wol-, linnen- en leerindustrie.[6] De sterke positie van Milaan vertaalde zich onder andere in het belang dat Caesar aan deze streek hechtte, en ook in de mate waarin Milaan een cruciale rol speelde bij de verdediging van Italië in de latere eeuwen. Uiteindelijk zou in de komende eeuwen het keizerlijk hof een aantal keren naar Milaan verplaatst worden, en vooral in de 4e eeuw kreeg Milaan een zeer belangrijke politieke positie dankzij haar unieke geografische ligging; het lag immers op het snijpunt van de Italiaanse (westerse) en de oosterse as, waardoor beide regeringen probeerden om de stad onder hun invloed te krijgen. Vooral onder keizer Theodosius I de Grote (346-395) kende Milaan een grote bloei, die gepaard ging met een sterke toename van de culturele activiteit. Aan deze hoogbloei kwam echter een einde toen Onorius, de zoon van Theodosius, in 402 het hof definitief van Milaan naar Ravenna verplaatse.

 

 In 452 vielen de Hunnen Milaan binnen en plunderden zij de stad. Hierna werd de verwoeste kathedraal herbouwd en in oktober 453 ingewijd door bisschop Eusebius. De volgende decennia was er nog een aantal invasies, maar vanaf de zomer van 489 kwam er een nieuwe bloei door de Ostrogotische inval onder leiding van koning Theodrik. Deze slaagde erin om de Romeinse burgers en de Gothen te doen samenleven, waardoor de stad een centrum van intellectueel leven werd. Vanaf 535 begon er echter een nieuwe golf van invallen van achtereenvolgens de Byzantijnen (onder impuls van keizer Justinianus I, 535-538), de Gothen en de Burgonden (539) en uiteindelijk nogmaals de Byzantijnen onder leiding van de generaals Belisarius en Narses (553). Hierna brak er een periode van Byzantijnse overheersing aan (553-569), die gekenmerkt werd door armoede, ziekten en honger. Bij de verovering van de Po-vallei in 569 door het Longobardische stamhoofd Alboid, die niet de eerbied van Theodrik voor de bestaande cultuur bezat, verslechterde de situatie zo mogelijk nog.[7] In deze periode werd Milaan als hoofdstad van Noord-Italië vervangen door Pavia, waar het koninklijk hof zich ook ging vestigen. Uiteindelijk zou onder de regering van koning Liutprand (712-744) Milaan nieuw leven ingeblazen worden. Deze evolutie werd voortgezet onder de heerschappij van de Franken vanaf 774 waardoor de stad haar prominentie over de andere Noord-Italiaanse steden kon terugwinnen. Bij de dood van Karel de Dikke in 877 probeerde paus Johannes VIII om een Franse Karolinger op de troon te krijgen, een initiatief waartegen veel verzet kwam. Ook Milaan speelde hierin een belangrijke rol, onder leiding van bissschop Anspert, die tot missus benoemd was voor Noord-Italië. Naast zijn verzet tegen de paus zorgde hij er ook voor dat de positie van Milaan verstevigd werd ten voordele van Pavia, onder andere door een nieuwe bibliografie over Ambrosius te schrijven -die een grote verspreiding kende-, en de stadsmuren te laten herstellen.

 

 Onder de Ottoonse heerschappij vanaf 962[8] kende het bevolkingsaantal een sterke aangroei, werden er nieuwe gebouwen opgetrokken en oude gerestaureerd en kende het economisch leven een hoogbloei. De positie van Milaan wordt ook geïllustreerd door het feit dat het de Milanese bisschoppen Arnulf II en Aribert waren die respectievelijk Henry II en Koenraad II tot koning van Italië kroonden. In deze periode bereikte de wereldlijke macht van de bisschoppen van Milaan dan ook een hoogtepunt. In de 2e helft van de 11e eeuw was er in Milaan een voorval dat een grote invloed zou hebben op de politiek rond het jaar 1100: nadat de aartsbisschop Guido van Velate in 1067 verplicht werd om zijn ambt neer te leggen omwille van simonie, verkocht hij zijn positie aan Goffrede van Castiglione, een aanstelling die door keizer Henri IV bekrachtigd werd. De Milanese adel en geestelijken benoemden echter zelf een opvolger, Attone, een keuze die door de paus goedgekeurd werd. Deze gebeurtenis zou de aanleiding worden voor de kloof tussen kerk en staat op het einde van de 11e en het begin van de 12e eeuw. Tijdens deze investituurstrijd was de situatie in Milaan zeer onrustig en de machthebbers volgden elkaar bijzonder snel op. Hierdoor nam de macht van de aartsbisschoppen merkbaar af, en in 1097 richtten de Milanese burgers de commune civitatis op, een bestuursorgaan dat consuls koos.[9] Economisch kwam Milaan echter zeer sterk uit de strijd, en uit overmoed probeerden ze de omliggende gebieden aan zich te onderwerpen,[10] een ontwikkeling die echter niet in goede aarde viel bij keizer Frederik I Barbarossa. Deze viel Milaan binnen en in 1162 vernietigde hij de stad, een catastrofe die het enkel door de hulp van paus Alexander III te boven kwam. Toen in 1176 de Lombardische Liga opgericht werd, sloot Milaan zich hier dan ook onmiddellijk bij aan, waardoor de Milanese economie stilaan terug op gang kwam. [11]

 

 In 1258 brak er een strijd los tussen de burgers en de adel. Deze laatste werden gesteund door onder andere aartsbisschop Ottone Visconti, en na de nederlaag van de burgers in de slag van Desio (20 januari 1277) brak er een periode aan van 150 jaar waarin Milaan, en een groot deel van de rest van Noord-Italië, door de Visconti-familie bestuurd werd (1277-1535). Nadat het Visconti-leger in 1427 het onderspit had moeten delven tegen Venetiaanse en Florentijnse troepen, zag Filippo Maria Visconti zich genoodzaakt om de hulp van Francesco Sforza in te roepen en deze in ruil daarvoor de hand aan te bieden van zijn dochter Bianca Maria. Hierdoor kwam Milaan onder het gezag van de Sforza-familie, een situatie die stand zou houden tot 1535, en tijdens dewelke een nieuw hoogtepunt bereikt werd onder de 20 jaar regering van Ludovico Sforza (1478-1499). Milaan werd niet enkel een van de rijkste steden van Italië, maar ook cultureel was er een grote bloei. Zo huurde hij zowel Leonardo da Vinci als Donato Bramante in, en aan zijn hof verbleven ongeveer 100 artiesten, wetenschappers, musici, drukkers, historici en dichters.

Tijdens de Sforza-regering kende Milaan twee korte periodes onder Franse heerschappij, namelijk van 1500 tot 1512 en van 1515-1525. In 1553 nam Karel V de stad in, waardoor ze de volgende 200 jaar onder Spaans bewind kwam.

 

1.1.2 Milaan als kerkelijke metropool [12]

 

 Niet enkel de wereldlijke geschiedenis speelde een belang bij het ontstaan van een klimaat waarin de Milanese liturgische autonomie stand kon houden ten midden van het streven naar een eenheidsliturgie, dat geheel Europa in zijn greep had. Ook de belangrijke ecclesiastische positie van Milaan binnen het vroegchristelijke Europa, en in het bijzonder Noord-Italië, maakte dat aan de basisvoorwoorden voor het overleven van een locale kerkelijke traditie voldaan werd. In samenhang hiermee is ook de aanwezigheid van een aantal sterke persoonlijkheden op de episcopale zetel, met als belangrijkste Ambrosius van Milaan, van een doorslaggevend betekenis geweest.

Om deze geschiedenis in een juist perspectief te zien is het nodig om vooraf een korte situatieschets te geven van het ontstaan van de kerk en de uitbreiding ervan in het Oosten.

 

 Nadat Jeruzalem op het einde van de 1e eeuw zijn positie als de belangrijkste kerk verloor door het uitzwermen van de apostelen,[13] werd Rome, de kerk van Petrus en Paulus, het belangrijkste christelijke centrum.[14] Toch zullen de oosterse kerken in de eerste eeuwen veel belangrijker blijven dan om het even welk westers centrum, Rome uitgezonderd. Een van de belangrijkste redenen hiervoor is de aanwezigheid van zeer vele kleine, quasi gelijkwaardige kerkdistricten in het Westen, terwijl in het Oosten een aantal metropolen, zoals Antiochië, Alexandrië en Carthago, een duidelijke suprematie over de kleinere centra hadden.

Aanvankelijk was Antiochië het belangrijkste centrum in het Oosten, en dit zowel om wereldlijke als om godsdienstige redenen: enerzijds was het een van de belangrijkste commerciële centra en de zetel van de comes orientes,[15] anderzijds zorgde het bezoek van Barnabas en Paulus er in 43 voor dat het de belangrijkste christelijke stad werd.[16] Een belangrijk verschil met de westerse kerk is de grote inmenging van de staat in kerkelijke aangelegenheden. De eerste onomstootbare bewijzen hiervan zijn terug te vinden in het concilie van Antiochië uit 341, waarin de bisschoppen van de metropolen ook een zekere mate van wereldlijke macht kregen over de bisdommen die onder hun gezag vielen. Onder Diocletianus en Theodosius werd het kerkelijk bestuur in het Oosten gesystematiseerd volgens de wereldlijke indeling, waarbij elk van de 5 civiele diocesen gekoppeld werd aan een kerkelijk patriarchaat. Uiteindelijk zou Constantinopel de belangrijkste plaats gaan innemen ten koste van Antiochië.[17]

 

 Ook in het Westen was er een duidelijk parallellisme tussen de wereldlijke en de politieke macht, echter zonder de grote mate van seculiere politieke inmenging uit het Oosten. Italië omvatte twee van de 15 diocesen van het Romeinse Rijk, namelijk het 10e, Italia Suburbicaria en het 9e, Italia Annonaria. Het wereldlijk en kerkelijk centrum van Italia Suburbicaria was Rome, waarvan de bisschop reeds vanaf de 2e eeuw een duidelijke superioriteit had ten opzichte van de bisschoppen van de vele kleinere bisdommen uit Centraal- en Zuid-Italië. Dit deel van Italië werd verdeeld in 7 regio’s (regio I-VII).[18]

 

 

Tevens viel het hele 11e diocese (Afrika) onder de suprematie van de Romeinse bisschop, behalve Libië en Cirenaica, die onder de voogdij van Egypte behoorden.

 In Italia Annonaria, dat de regio’s VIII-XI omvatte,[19] waren er 3 belangrijke centra die aan elkaar gewaagd waren, en de hiërarchische verhouding tussen hen veranderde voortdurend gedurende de eerste eeuwen van het christendom. Deze 3, namelijk Ravenna, Milaan en Aquileia, zouden uiteindelijk de metropolen van Noord-Italië worden.

Ravenna zou steeds enge contacten blijven houden met het Oosten door zijn eigen haven en die van Classis. De plaatselijke christelijke gemeenschap was ook ontstaan binnen de kringen van christenen uit het Oosten die hier aankwamen per schip. De andere metropolen zouden een veel minder intens contact met het Oosten behouden, met als voornaamste oorzaak de bestuurlijke hervormingen van Constantinus, die de 6 westerse diocesen[20] groepeerde in een prefectuur, Illirico-Italia-Africa, zodat deze niet meer onder het rechtstreekse gezag van de keizer stonden, maar onder het gezag van de prefect van Italië. Als hoofdstad van Emilia-Flaminia[21] was Ravenna wat betreft kerkelijke organisatie vooral gericht op het noorden, namelijk Milaan. Het had echter ook intensieve banden met Picenum,[22] dat afhankelijk was van Rome, waardoor het kerkelijk-juridisch ook deels hiermee verbonden was. Dit is mogelijk een van de factoren die ertoe hebben bijgedragen dat Flaminia niet door de Longobarden bezet werd, in tegenstelling tot Noord-West-Italië, waarvan de naam nadien veranderd werd van Liguria in Longobardia-Lombardia.

Aquileia was de metropool van regio X en had ook veel invloed in Norico en Pannonia. Hierdoor bleef het ook een raakpunt tussen het Oosten en het Westen, echter zonder het onmiddellijk contact met de kern van het Oost-Romeinse rijk, zoals dat bij Ravenna wel het geval was.

Milaan had, als hoofdstad van regio XI en de stad met de grootste populatie in het Romeinse Rijk buiten Rome, een zeer grote invloed in Noord-Oost-Italië. Dit werd nog versterkt door de regelmatige aanwezigheid van het hof, waardoor het ook een economisch, militair en administratief knooppunt werd.

 

 Er is echter geen sluitend bewijs dat de bisschop van Milaan in de 1e helft van de 4e eeuw al een juridische suprematie bezat over Noord-Italië, maar er zijn wel een aantal mogelijke indicaties hiervoor te vinden.

Naar aanleiding van de Donatistische ketterij in Africa richtte Constantinus in 313 een gerechtelijke commissie op, die op haar beurt een concilie samenriep in Rome. Buiten de 3 gedelegeerden uit Gallië die toen reeds deel uitmaakten van de commissie, waren er nog 15 bisschoppen uit Italië aanwezig. In de akten wordt als eerste bisschop na de 3 uit Gallië Mirocles a Mediolano vermeld, en dit was tevens de enige bisschop uit Noord-Italië. In het concilie van Arles uit 314 was Mirocles,[23] samen met de bisschop van Aquileia en hun respectievelijke diakens, de enige afgevaardigde uit Italia Annonaria.

Ook in de concilies over het arianen-vraagstuk neemt Milaan een vooraanstaande positie in. Na een aanvankelijke veroordeling van St. Anastasius, een hevig tegenstander van het arianisme, op het concilie van Arles in 355 wordt ook Dionysius van Milaan om diezelfde reden veroordeeld tot verbanning tijdens het concilie van Milaan in datzelfde jaar, wat tot hevige onlusten leidt onder het Milanese volk, dat zijn bisschop wil verdedigen.

Van 355-374 bleef de Milanese kerk in handen van een marionet van keizer Constantinus, de arianerbisschop Aussenzius. Van de bisschoppen die wel trouw bleven aan de orthodoxe leer, valt vooral Valerianus van Aquileia op, waardoor een tijdelijk verval van de suprematie van Milaan ten voordele van Aquileia ontstond. Hierin zou echter terug verandering komen als in 374 St. Ambrosius bisschop wordt van Milaan.

 

 Ambrosius werd geboren in 340 te Trier als zoon van de Romeinse prefect van Gallië, en in 370 werd hij gouverneur van Emilia en Liguria. Bij de dood van Aussenzius in 374 barstte er een open strijd los tussen de arianen en de orthodoxen, waarna op 7 december de nog ongedoopte Ambrosius omwille van zijn sterke persoonlijkheid en diplomatisch talent tot bisschop gekozen werd, en in deze positie lukte het hem beide kampen te verzoenen. Hij kreeg ook feitelijk kerkelijk-juridisch zeggenschap over Raetia en Illyricum, waardoor de verbinding van deze gebieden met Noord-Italië niet enkel steunde op heirbanen en burgerlijke organisatie, maar ook op kerkelijke structuren. Ambrosius werd over een groot gebied beschouwd als een betrouwbare raadsman, zowel aangaande kerkelijke als wereldlijke aangelegenheden. Bij de dood van Germinius van Sirmio, de bisschop van Illyricum, in 376, braken er onlusten uit tussen arianen en orthodoxen, en ondanks het feit dat dit wereldlijk onder de voogdij van Aquileia viel, werd toch Ambrosius gevraagd om deze strubbelingen op te lossen. Hierbij kwam echter nog een bijkomend probleem, namelijk dat de toenmalige keizerin, Justiniana, een overtuigd ariane was, maar door zijn overredingskracht slaagde hij er toch in om de katholiek Anemio bisschop te wijden. Ook in regio X (Venetia en Histria) werd hij beschouwd als een autoriteit.[24] De aard van de problemen waarmee men bij Ambrosius te rade kwam, was zeer verscheiden, gaande van arianenproblemen tot de bepaling van de datum van Pasen.[25]

Het was echter vooral in de strijd tegen de arianen dat Ambrosius zich zeer nadrukkelijk op de voorgrond stelde. Zo riep hij in 381 een concilie bijeen te Aquileia om af te rekenen met de oosterse ketterijen, en vervolgens verkreeg hij ook de hulp van de keizers Grazianus, Valentinianus en Theodosius om de bisschoppen die tijdens dit concilie veroordeeld werden effectief van hun bisschopszetel te stoten.[26]

Hieruit kan dus besloten worden dat in de 4e eeuw Milaan de enige metropool in Noord-Italië was en ook internationaal een zeer belangrijke plaats innam.

 

 Vanaf de 5e eeuw nam het belang van Aquileia echter gestaag toe en werd het ook een echte metropool, wat natuurlijk nadelige gevolgen had voor de invloed van Milaan. Uiteindelijk kwam er rond 445 een definitieve afbakening tussen Milaan en Aquileia, waarbij Raetia verdeeld werd in 2 delen.[27]

 

 De situatie van Ravenna was veel complexer. Hoewel het in het begin van het christendom zonder enige twijfel de belangrijkste stad van het noorden van Italië was door haar contact met het Oosten, was het toch de laatste om een echte status als metropolis te krijgen. De belangrijkste reden hiervoor was waarschijnlijk de geografische ligging van Ravenna, die een binding met Rome bevorderde. Vanaf de 5e eeuw zou er echter ook een gestage uitbreiding plaatsvinden van de invloedssfeer van Ravenna, waardoor Emilia bijna volledig werd onttrokken aan het gezag van Milaan. In de annalen van de Romeinse synode uit 501 werden de Italiaanse bisschoppen verdeeld in vier groepen: diegene die onmiddellijk onder het gezag van Rome stonden, die van Liguria (onder Milaan), die van Venetia[28] (onder Aquileia) en die van Emilia (met als zwaartepunt Ravenna). In een brief aan bisschop Giovanni van Ravenna benadrukte paus Simplicius echter dat het hier handelde om een privilege, en niet om een metropolitaans recht.

De grote doorbraak kwam er na de dood van keizer Theoderik, een gebeurtenis die de oosterse keizer Iustinianus als het ideale moment zag om zijn plannen tot hereniging van het Romeinse Rijk door te voeren, en in 540 viel hij gewapenderhand Ravenna binnen. Ondanks het protest van het volk plaatste hij een van zijn vertrouwelingen, de diaken Maximianus, op de bisschopstroon, en uiteindelijk dwong hij zelfs paus Vigilius om naar het Oosten te komen en Maximianus als eerste westerse bisschop de titel van aartsbisschop[29] toe te kennen. Dit privilege werd door de volgende paus, Giovanni III, bekrachtigd en zelfs nog versterkt doordat hij Petrus III, de opvolger van Maximianus, in 570 het voorrecht verleende het pallium te mogen dragen. De positie van Ravenna blijkt ook uit een brief van Gregorius de Grote aan het Byzantijnse Ravenna met de vraag zorg te dragen voor een aantal bisdommen die eigenlijk onder Rome vielen, maar waarmee geen communicatie kon worden onderhouden pro interpositione hostium.[30] Het hoogtepunt van haar machtsbewustzijn bereikte Ravenna onder aartsbisschop Mauro (641-671) met de autocefalia.[31]

 

 In de 6e en het begin van de 7e eeuw bereikte de macht van Milaan een dieptepunt. Enerzijds was er het tricapitolijns schisma, waarbij Milaan zich als enige verzette tegen de veroordeling van de geschriften van Theodorus van Mopsuestia, Theodoretus van Cirus en Iba van Edessa. Deze waren zowel door de wereldlijke overheid als door de paus veroordeeld wegens ketterij, maar de bisschoppen van Milaan weigerden dit oordeel te bekrachtigen. Anderzijds waren er ook de invallen van de Burgonden en de Gothen in 539 en de bezetting van Milaan door de Longobarden vanaf 3 september 569. De toenmalig bisschop Onoratus vluchtte naar Genua en de volgende bisschop, Lorenzus, werd beschuldigd van simonie.

Het schisma dat ontstaan was door het tricapitolijns probleem bracht echter ook binnen het bisdom van Milaan vele gevolgen mee. Zo scheurde Como zich in het begin van de 7e eeuw af van Milaan, een scheiding die zou duren tot in de 18e eeuw. Ook een aantal andere streken aan de periferie van het Milanese gebied verklaarde zichzelf onafhankelijk van hun voormalige metropool. Dat de invloedssfeer van Milaan zienderogen afnam, valt ook af te lezen uit de vergelijking van de aanwezigheidslijsten uit de analen van het provinciaal concilie van 451 en dat van 679. Terwijl er in dit eerste gewag wordt gemaakt van 19 bisdommen die afhankelijk waren van Milaan, was dit aantal bij het laatste verminderd tot slechts 16. 13 hiervan komen in beide verslagen voor.[32] Aosta, Coira[33], Brescello, Como, Piacenza en Reggio behoorden omwille van politieke of kerkelijke redenen niet meer tot de invloedssfeer van Milaan. De drie bisdommen die zich onder het Milanees gezag plaatsten, waren Acqui, Vado Ligure en Ventimiglia. Deze verschillen zijn grotendeels ook te verklaren door het toenemend aantal Christenen waardoor er op natuurlijke wijze een opsplitsing in kleinere eenheden kwam. Feitelijk had dit echter wel tot gevolg dat Milaan niet meer de totale suprematie over Noord-Italië bezat. Door de definitieve bekering van de Longobarden tot het katholicisme, onder invloed van bisschop Anastasius, werden de laatste barsten die ontstaan waren door het tricapitolijns schisma weer gedicht.

Binnen het grondgebied van Milaan maakt een andere bisschopsstad in 7e-8e eeuw opgang, namelijk Pavia. Hier was het Longobardische hof immers een tijd gevestigd, en de bisschoppen van Pavia wendden zich ook steeds meer tot Rome, waardoor ze bepaalde privileges kregen en een tweede centrum binnen het Milanese territorium ging vormen. Ze zou echter nooit de status van metropool bereiken, maar ging wel een meer onafhankelijke koers varen, evenwel zonder de hiërarchische banden met haar metropolis volledig te doorbreken.

 

 Vanaf de Karolingische periode (774-887) kwam in Italië het feodalisme op, waardoor een grotere macht toekwam aan provinciale machthebbers, in tegenstelling tot de sterk centralistisch gerichte Romeinse samenleving. Ook de bisschoppen gingen zichzelf positioneren binnen dit systeem, en voor de keizers en de koningen was het voordeliger om een gebied toe te kennen aan een bisschop dan aan een leek. Op deze manier konden ze hun gebied immers recupereren bij de dood van de geestelijke, en waren er geen strubbelingen met eventuele erfgenamen. Voor Rome was deze evolutie echter nadelig, vermits de plaatselijke bisschoppen steeds meer bevoegdheden kregen, ten nadele van de pauselijk macht. Deze tegenstelling werd zeer scherp gesteld in de strijd tussen paus Giovanni VIII (872-882) en de metropoliet van Milaan, de aartsbisschop Ansperto (873-881). In mei 877 riep de paus een synode samen in Ravenna, waarin de vrijheden van de bisdommen, en vooral dan van de twee grote, Ravenna en Milaan, sterk werden beknot. Van nu af aan mochten de bisschoppen zich enkel nog met strikt kerkelijke zaken bezighouden, terwijl de paus zijn macht als een echte koning bleef uitoefenen. In de praktijk bleven de twee noordelijke metropolen evenwel onverminderd gebruik maken van hun feodale macht, waarop Giovanni VIII reageerde met een aantal synodes. De tactiek van de paus bestond erin om de bevoegdheden van Pavia, een bondgenoot, uit te breiden, om zo Milaan onrechtstreeks te treffen in zijn macht. Zo mocht de Paviaanse bisschop Giovanni II voortaan ook het pallium dragen, een privilege dat normalerwijze enkel voorbehouden was voor een metropoliet. Deze ontwikkeling kwam tot een hoogtepunt tijdens de Romeinse synode van maart 879, waarin Ansperto geëxcommuniceerd werd na het niet opvolgen van een bevel van paus Giovanni. Giovanni van Pavia moest toezicht houden op de komende verkiezing van een nieuwe bisschop. Nadat de rust was teruggekeerd in Noord-Italië kon Ansperto echter toch zijn positie behouden, waardoor de paus ervoor zorgde dat ook Pavia niet te veel macht kreeg.

Onder de Karolingische overheersing was er nog een belangrijke gebeurtenis, en deze zou desastreuze gevolgen met zich meebrengen voor de ambrosiaanse liturgie. Karel de Grote beval, in navolging van de houding van zijn vader, Pepijn de Korte, tegenover de Gallicaanse ritus, dat al de ambrosiaanse boeken vernietigd of over de bergen verbannen moesten worden, quasi in exilium.[34] Bisschop Eugenius smeekte hem echter om terug te komen op deze beslissing, en uiteindelijk werd er besloten tot een godsoordeel, wat volgens de overlevering als volgt verliep. Twee missalen, een Romeins en een ambrosiaans, werden gesloten neergelegd op het altaar van de St.-Pieterskerk in Rome, en de liturgie waarvan het boek na 3 dagen open zou liggen, zou als de ware ritus worden beschouwd. Toen men na deze periode de kerk echter binnenging, lagen beide boeken open, wat aanzien werd als een teken van God dat beide liturgieën gelijkwaardig waren.[35] Helaas was de vernietiging van de Milanese boeken al zo ver gevorderd, dat men nog slechts één missaal terugvond, namelijk bij een priester die het 6 weken verborgen had gehouden in een grot in de bergen. Hierna stelde men het Manuale op, aan de hand van de herinneringen van priesters en clerici. Nadien waren er in de 11e eeuw nog pogingen van paus Nicholaas II, samen met Petrus Damianus, en paus Gregorius VII om de ambrosiaanse liturgie te bannen, maar beide waren tevergeefs.[36]

 

 Het begin van het tweede millennium ging gepaard met een heropbloei van Milaan, onder de twee grote aartsbisschoppen Arnolfo II (998-1018)[37] en Ariberto (1018-1045).[38] Wanneer de bisschop van Asti, Pietro I, in 1008 afgezet werd en de koning van Duitsland, Olderico, een familielid van de graaf van Turijn, op de bisschopszetel plaatste, verzette Arnolfo zich hiertegen en weigerde hem in te zegenen. Terwijl Olderico probeerde om zich in Rome te laten zalven door de paus, verzamelde de aartsbisschop van Milaan genoeg medestanders om Olderico te laten excommuniceren. De krachtdadigheid van Ariberto blijkt onder andere uit zijn optreden tegen de ketterijen in het kasteel van Monforte, in het diocese van Asti[39]. Als feodaal heer behoorde hij tot de twee belangrijkste van Noord-Italië, samen met Bonifatius van Toscane, en ook op wereldlijk vlak liet hij zijn invloed duidelijk gelden, zoals bijvoorbeeld in het geven van steun aan keizer Koenraad II in 1033 in zijn strijd tegen Otto van Champagne.

Tijdens de 11e eeuw ontstond er ook een nieuw bisdom in Noord-Italië, Bobbio, dat in het begin onder het gezag van Milaan stond, maar in de 12e eeuw onder de voogdij van Genua kwam.

Tijdens de investituurstrijd die volgde op het aanstellen van de tegenpaus Clemens III door keizer Enrico IV, nam Milaan verschillende houdingen aan. In het begin steunde aartsbisschop Tedaldo de tegenpaus, maar zijn opvolgers Anselmo III, Arnolfo III en Anselmo IV gingen zich steeds meer kanten tegen deze onrechtmatige paus. Op 5 april 1098 riep Anselmo IV zelfs een concilie bijeen in Milaan van alle “katholieke” bisschoppen, om het schisma te veroordelen en een einde te stellen aan de verregaande simonie binnen de kerk. Hierbij werden de bisschoppen die aanhanger waren van de tegenpaus geëxcommuniceerd en werden er ook een groot aantal beslissingen genomen die het combineren van een kerkelijk met een wereldlijk ambt moesten tegengaan.

 

 In de 12e eeuw werd het bisdom Genua verheven tot metropool, en dit zowel om politieke en economische als om religieuze redenen. De onmiddellijke aanleiding hiervoor was het schisma, waarbij Milaan zich schaarde achter de tegenpaus Anacletius II, terwijl Genua zich aansloot bij paus Innocentius II en keizer Lotharius. Om de positie van Milaan te verzwakken zalfde Innocentius de bisschop van Genua, Sirius II, tot aartsbisschop.

Met het opkomen van de steden in de 12e-13e eeuw, veranderde de positie van de bisschop ook volledig. Daar waar hij voorheen een plaats had binnen het wereldlijk (feodaal) systeem, werd zijn macht nu meer en meer beperkt tot de pastorale sfeer. Ook bracht dit mee dat de bisschoppen zichzelf een grotere autonome macht toebedeelden en minder afhankelijk werden van hun metropoliet.[40]

In de 14e en 15e eeuw waren er weinig gebeurtenissen die een doorslaggevende invloed op de evolutie van de Milanese metropool hadden. Wel werden er nog drie nieuwe bisdommen opgericht die onder het gezag van Milaan vielen.[41] Hiernaast was er ook een poging van kardinaal Branda da Castiglione, die op dat ogenblik legaat was in Milaan, om de ambrosiaanse ritus te vervangen door de gregoriaanse. Het enige gevolg van zijn poging was echter dat hij prompt ontheven werd van zijn taak en teruggeroepen werd naar Rome.[42]

 

 De uitbreiding van het aantal metropolen zet zich ook in de 16e eeuw voort, met de promotie van Turijn.[43]

De gebeurtenis die het hele westerse Christendom in de 16e eeuw in haar ban hield was natuurlijk Luthers reformatie en het daaropvolgend concilie in Trente dat de aanzet was tot de contrareformatie. In dit klimaat kwam in Milaan echter een bisschop aan de macht die de metropool terug een bloeiperiode zou geven, namelijk St. Carolus Borromeus.[44] Een van de besluiten van het concilie van Trente was om een eenheidsliturgie op te leggen in heel Europa, wat ervoor zou zorgen dat Milaan zijn liturgische onafhankelijkheid ten opzichte van Rome zou verliezen. De standvastigheid van St.-Carolus en de steun die hij kreeg van de opvolger van Pius V, Gregorius XIII, zorgden er echter voor dat Milaan een zelfstandige ritus mocht handhaven, op voorwaarde dat er wel een aantal aanpassingen aangebracht zou worden. Samen met Petrus Galesinus nam St.-Carolus dit werk op zich. De veranderingen aan het missaal waren niet zeer ingrijpend, maar deze aan het breviarium[45] en de liturgische kalender wel, waardoor een aantal typisch ambrosiaanse elementen verloren gingen, zoals het Laus Angelorum Magna en het officium alleluiaticum van de zondag in capite quadragesimae.[46] Ook zijn taak als metropoliet vervulde hij zeer plichtsgetrouw. Gedurende de 19 jaar dat hij aartsbisschop was (1564-1583) riep hij niet minder dan zes provinciale concilies bijeen,[47] en bij zijn dood in 1583 had hij reeds de voorbereiding gemaakt voor een zevende in 1585, dat echter pas in 1609 onder zijn neef Frederico Borromeo zou plaatsvinden.[48] St.-Carolus was een van de grote voorvechters van de contrareformatie en paste de principes die in Trente waren vastgelegd ook verregaand toe in zijn eigen aartsbisdom. Deze hervormingen hadden ook een grote impact voor de ambrosiaanse muziek, vermits er een aantal nieuwe gezangen opgenomen werden, die meestal gekopieerd werden uit de gregoriaanse muziek. Hierdoor kwamen er meer gregoriaanse kenmerken in de Milanese gezangen, die soms ook in de oorspronkelijke gezangen regressief toegepast werden.

 

 Tussen het 7e provinciaal concilie uit 1609 onder kardinaal Frederico Borromeo en het 8e uit 1906 onder Carlo Andrea Ferrari gebeurde er niets dat enige blijvende invloed had op de positie van Milaan. In deze periode werd er zelfs geen provinciaal concilie meer bijeengeroepen. In verslagen van de aartsbisschoppen aan Rome worden hiervoor twee redenen aangehaald. Enerzijds de grondigheid van de 6 concilies onder St. Carolus en anderzijds de onrustige politieke toestand waardoor reizen een te groot onnodig risico inhield. In werkelijkheid ging het echter eerder om een verschuiving in de functie van een metropool van een duidelijke machtspositie naar een meer traditiegebonden en minder feitelijke invulling. Dit hing natuurlijk samen met de komst van de Verlichting. Belangrijk in dit opzicht waren ook keizerin Maria-Theresia en haar opvolger Jozef II, die beiden streefden naar een grotere macht van de staat over de kerk, onder andere door medezeggenschap bij het benoemen van de bisschoppen.

De Restaurazione na de dood van Napoleon bracht nogmaals een vermindering van het Milanese grondgebied met zich mee doordat een aantal parochies tot ander bisdommen ging behoren en Vercelli een autonome metropool werd. Een laatste aanpassing gebeurde in 1974, wanneer het bisdom Vigevano zich los maakte van Vercelli en onder Milaan kwam, een verschuiving die plaatsvond onder impuls van het 2e Vaticaans Concilie (1962-1965). Door dit concilie onderging de Milanese ritus helaas diezelfde wijzigingen die ook de gregoriaanse liturgie moest doormaken, waardoor een groot deel van haar eigenheid verloren ging in een poging om de liturgie dichter bij de leefwereld van de mensen te laten aansluiten.

 

1.1.3 Besluit geschiedenis

 

Als besluit kan gesteld worden dat de macht van Milaan over de eeuwen heen zeer sterk is ingekrompen, een evolutie die ook duidelijk af te leiden is uit het inkrimpen van haar invloedssfeer. Daar waar de metropool ten tijde van Ambrosius zeggingschap had over heel Noord-Italië, Rezia en een aantal regio’s in het Oosten, is het aantal bisdommen dat bij Milaan is aangesloten heden teruggebracht tot de negen Lombardische diocesen, Brescia, Bergamo, Como, Crema, Lodi, Mantua, Pavia en Vigevano. Parallel aan deze evolutie is er ook een steeds grotere invloed van de Romeinse ritus op de ambrosiaanse. Besluit geschiedenis

 

 Het is niet eenvoudig om uit de geschiedenis van Milaan de elementen te filteren die ervoor hebben gezorgd dat de ambrosiaanse ritus tot in onze eeuw heeft kunnen overleven. De positie van Milaan was immers niet echt uitzonderlijk in vergelijking met andere steden, die geen eigen liturgie meer hebben. Waarschijnlijk is het vooral een toevallige gunstige samenloop van omstandigheden die ervoor gezorgd heeft dat de stad zijn liturgische autonomie heeft kunnen behouden.

 

 Een zeer belangrijk element is zonder twijfel de aanwezigheid van een aantal krachtige persoonlijkheden op de juiste momenten in de geschiedenis.

Op het ogenblik dat de verschillende kerkelijke machtscentra zich in Noord-Italië begonnen te profileren, slaagde keizer Constantinus erin om de ariaan Aussenzius op de bisschopstroon te plaatsen. Indien de volgende bisschoppen ook pionnen van de keizer zouden zijn geweest, is het goed mogelijk dat Milaan ten onder zou zijn gegaan in het opkomende Aquileia. Net op dit cruciale moment komt echter een ware diplomaat, Ambrosius, aan de macht, waardoor de invloed van Milaan een nog nooit gezien hoogtepunt bereikt, en zijn uitstraling zal gedurende de hele geschiedenis aan de stad verbonden blijven.

Een andere invloedrijke gebeurtenis was natuurlijk het concilie van Trente. Nooit was de dreiging van het verdwijnen van de Milanese liturgie zo reëel geweest als toen. Het toeval wil echter dat ook op dit ogenblik een zeer sterke en standvastige bisschop aan de macht is, namelijk Carolus Borromeus, die erin slaagde om de dreiging af te wenden en Milaan als enige westerse stad officieel een eigen liturgie te geven.

 

 Het zijn echter niet enkel de persoonlijkheden die een belangrijke rol hebben gespeeld. Het toeval heeft er immers ook voor gezorgd dat op de vele momenten dat Milaan politiek, economisch en kerkelijk sterk verzwakt was, er nooit ernstige pogingen zijn geweest om deze autonomie te beknotten.

 

 Dat de andere liturgieën, zoals de Mozarabische en de Beneventijnse, niet hebben stand gehouden in tegenstelling tot Milaan is waarschijnlijk dus niet enkel te verklaren aan de hand van algemene tendensen en kerkelijk-historische achtergronden, maar ook het fatum heeft hier duidelijk zijn sporen nagelaten.

 

 

1.2 De liturgie [49]

 

 Er zijn een aantal significante verschillen tussen de ambrosiaanse en de gregoriaanse ritus, zowel op het vlak van de liturgische organisatie van het jaar, als van de verdeling van de psalmen in het officie en de structuur van het officie en de mis.

 

1.2.1 Het liturgisch jaar

 

 Het begin van het jaar valt, net als in de gregoriaanse ritus, samen met het begin van de advent. Deze periode duurt hier echter zes weken in plaats van vier, en het begin van de advent wordt dan ook niet bepaald op basis van het feest van St.-Andreas (30 november), maar als uitgangspunt wordt St.-Maarten (11 november) genomen. Ook de positie van de eerste zondag ten opzichte van dit heiligenfeest verschilt: daar waar in de gregoriaanse liturgie de eerste adventszondag valt op de zondag die het dichtste bij het feest valt,[50] waardoor hij kan variëren van 27 november tot 3 december, begint de advent in Milaan op de eerstvolgende zondag na St. Maarten,[51] wat een periode van 12 tot 18 november tot gevolg heeft. De feriae de Exceptato beginnen in de zesde week van de advent, tenzij Kerstmis op een dinsdag of een woensdag valt. In deze laatste twee gevallen vangen ze aan in de vijfde week van de advent.[52] Hierdoor zijn er minstens twee en maximaal zeven van deze dagen. Op de zesde zondag van de Advent wordt het feest van de Annunciatie gevierd. Dit valt eigenlijk op 25 maart, maar in de Vasten worden er geen vaste feesten gevierd, waardoor de liturgie hiervan verplaatst wordt. Wel is er op 25 maart een proprium-officie en ook op de kalender blijft het feest op die datum staan. Tijdens deze Adventszondag zijn er hierdoor twee verschillende missen, een voor de Advent en een voor de Annunciatie. De kersttijd verloopt in beide liturgieën op een gelijkaardige manier. De zondag na Epiphanie wordt in Milaan Christophoria gevierd, de terugkeer uit Egypte. Het aantal daaropvolgende zondagen varieert uiteraard, net als in de Romeinse ritus. Zoals reeds vermeld werden er tijdens de vastentijd geen vaste feesten gevierd. Daarom wordt de mis van twee belangrijke feesten, namelijk het feest van St.-Jozef en de eerder vermelde Annunciatie, verplaatst naar respectievelijk 12 december en de zesde vastenzondag. De ambrosiaanse liturgie kent geen Aswoensdag, en de Vastentijd begint pas de daaropvolgende maandag. De zondag hiervoor heet Dominica in Capite Quadragesimae.[53] De volgende zondagen werden genoemd naar het evangelie van die dag, namelijk De Samaritana, De Abraham, De Caeco, De Lazaro en In Ramis Palmarum.[54] De Passietijd begint pas in de Heilige Week, die hier Hebdomada Authentica genoemd wordt, en niet nog een week vroeger, zoals in de Romeinse ritus. Na Pinksteren volgen er ten hoogste 15 Dominicae post Pentecosten, tot 29 augustus, het feest van de Onthoofding van St.-Johannes de Doper. Vervolgens komen er vier of vijf Dominicae post Decollationem S. Ioannis Baptistae, gevolgd door drie Dominicae Octobris, waarvan de laatste het Kerkwijdingsfeest is.[55] De daaropvolgende zondagen zijn Dominicae post Dedicationem. De laatste zondag van oktober is het feest van Christus-koning.

 

 Wat betreft de heiligenkalender zijn er natuurlijk een groot aantal afwijkingen, maar deze hebben geen essentiële invloed op de liturgie. Als belangrijke Milanese heiligen vallen vooral de volgende op:

- St.-Ambrosius

- St.-Carolus Borromeus

-St.-Nazarius en Celsus, twee Milanese martelaren uit de eerste eeuw;

- St.-Protasius en Gervasius, de twee Milanese martelaren waarvan de lichamen in 386 door St.- Ambrosius ontdekt zijn, en die nu aan weerkanten van hem opgebaard liggen in de crypte van de basilica San’ Ambrosio in Milaan. Deze twee zijn steeds beschouwd als de beschermheiligen van Milaan, tezamen met St.-Ambrosius.

 

1.2.2 De verdeling van de psalmen over het officie[56]

 

 Men vermoedt dat de verdeling van de psalmen uit de regel van Benedictus vanaf de zesde eeuw in Rome en andere centra gangbaar was. In het 18e hoofdstuk uit deze regel komt de volgende beschrijving voor van de manier waarop men het psalter minimaal moest bidden:

 

ut, si cui forte haec distributio psalmorum disciplicuerit, ordinet, si melius aliter iudicaverit, dum omnimodis id attendat, ut omni hebdomada psalterium ex integro numero centum quinquaginta psalmorum psallatur et dominico die semper a caput reprendatur ad vigilias, quia nimis inertem devotionis suae servitium ostendunt monachi, qui minus a psalterio cum canticis consuetudinariis per septimanae circulum psallunt, dum quando legamus sanctos patres nostros uno die hoc strenue implesse, quod nos tepidi utinam septimana integra persolbamus.

 

Indien deze verdeling van het psalter misschien iemand zou mishagen, dat hij deze dan zelf rangschikt indien hij dat beter vindt. Men moet er echter steeds over waken dat het volledige psalter van 150 psalmen elke week gezongen wordt, en dat men steeds bij de metten van zondag terug aanvangt bij het begin. Monniken die minder dan het volledige psalter en de bijhorende cantica per week zingen, tonen een grote laksheid in toewijding ten aanzien van hun geloften. Moge wij, die lauw zijn, in een volledige week datgene vervullen waarvan we lezen dat de Heilige Vaders het zorgzaam op één dag vervulden.

 

In Milaan voldeed men zeker niet aan deze verordeningen. Een groot gedeelte van het psalter was immers opgebouwd in een twee-wekelijkse cursus. De psalmen 1 tot 108[57] werden verdeeld in tien decuriae, die overeen kwamen met de metten van de tien weekdagen uit twee weken. Een opmerkelijk verschil ten opzichte van de gregoriaanse praktijk is het gebruik van een zeer grote aaneensluitende cursus van psalmen, een fenomeen dat niet voorkomt in de Romeinse riten.

 

 

Tijdens de metten van zondag, Solemnitates Domini, feriae in de Paas- en Pinksterweken, en in het octaaf van Corpus Christi wordt er geen gebruik gemaakt van de decuriae, maar wel van drie cantica uit het Oude Testament, namelijk het Canticum Israelis (Jesaja, 26), het Canticum Annae (Samuel I, 2) en het Canticum Ionae (Iona, 2) of het Canticum uit het boek Habakuk (Habakuk, 3). Op zaterdag werd het Canticum Moysis (Exodus, 15) en de helft van psalm 118 gezongen.

De verdeling van de psalmen tijdens de vespers is volgens een wekelijks schema, waarbij de psalmen 109-147, uitgezonderd de psalmen 117, 118, 133 en 147, verdeeld worden over de zeven dagen. Hiernaast komt ook nog een zogenaamde “vier verzen van een psalm” voor, uitgezonderd op zondag.

 

 

Tijdens de lauden is er ook een enkele psalm die niet antifonaal, maar door beide koren tezamen gezongen wordt. Deze psalmus directus, varieert eveneens volgens een wekelijkse cyclus.

Voorts komen bepaalde psalmen vast voor in een officiedienst, maar deze zullen hieronder bij de structuur van het officie vermeld worden.

 

1.2.3 De structuur van het officie[58]

metten:

- Inleiding: Pater noster; Ave Maria; Deus in adiutorium; Alleluia of Laus tibi[59]

- hymne

- Responsorium post hymnum

- Canticum trium iuvenum (Daniël, 3)

- Kyrie

- drie groepen psalmen of drie cantica; een aantal feesten hebben eigen proprium-psalmen

- lezingen die beantwoord worden met responsoria inter lectiones en zegeningen

- op zondag en feesten, behalve in Advent en Vasten: Te Deum

 

lauden:

- zelfde inleiding als metten

- CanticumZacchariae (Lukas, 1), Canticum ionae of Canticum Deuteronomii (Deuteronomium, 32)

- driemaal Kyrie

- Antiphona ad Crucem: deze antifoon wordt vijf of zeven keer herhaald. Op feriae en in de Vasten komt ze niet voor. Dit werd gezongen tijdens een processie waarbij drie kruisen werden rondgedragen, waarvan één met kaarsen verlicht was. Er is nergens in de manuscripten een aanwijzing te vinden dat deze processie-antifoon afgewisseld zou worden met psalmodie.

- Oratio secreta I

- Canticum Moysis

- driemaal Kyrie

- Oratio secreta II

- Canticum trium iuvenum, psalm 117 of psalm 1.

- driemaal Kyrie

- Oratio I

- Laudate-psalmen (psalmen 148, 149, 150, 116) Deze laatste psalm werd pas later toegevoegd.

- Capitulum

- driemaal Kyrie

- Psalmus directus

- hymne, op feriae en tijdens de vasten werd hierna een gradualia gezegd.

- twaalfmaal Kyrie

- op feriae: antiphona in baptisterio. Na de dienst in de kathedraal was er een processie naar het baptisterium, waar de ceremonie werd verder gezet. Deze vorm van antifonale psalmodie bezat drie of vier psalmverzen, omkaderd door een antifoon en afgesloten met Gloria Patri.

- op feriae: responsorium in baptisterio; op andere dagen: psallenda en completorium. Deze laatste twee bestaan elk uit één vers, meestal genomen uit de psalmen.

- driemaal Kyrie

- Oratio II

- op feriae: psalmus IV versus en completorium; op andere dagen: psallenda II en completorium II

- driemaal Kyrie

- Oratio III

 

kleine Uren:

- inleiding zoals metten

- hymne

- psalm, de zeer lange psalm 118 wordt, net als in het gregoriaanse officie, verdeeld over de kleine uren.

- Epistolella, dit is de benaming voor een capitulum dat genomen is uit de brieven van de apostelen.

- Responsorium breve

- Capitulum, een korte lezing uit de schrift

- eventueel preces: tijdens het jaar bestaat de preces van de prime en de terts uit psalm 1, en diezelfde psalm wordt hiervoor ook gebruikt tijdens de none in de vasten. De preces in de sext is steeds psalm 53, en de none doorheen het jaar gebruikt psalm 85.

- tijdens de prime: drie orationes, tijdens de andere uren één.

- driemaal Kyrie

 

Vespers:

- inleiding zoals in metten[60].

- Lucernarium. Dit gezang, dat bestaat uit psalmteksten en eerder een responsoriaal karakter heeft, dient als begeleiding bij de lichtritus. Hierbij werden de kaarsen in de kerk ontstoken, een ritus waarvan ook in de Romeinse traditie nog een overblijfsel terug te vinden is in de Paaswake, het Benedictio luminis.

- op zondagen: antiphona in choro

- hymne

- Responsorium in choro. Deze groep gezangen zal het onderwerp uitmaken van het laatste deel van deze thesis. Voor grote feesten werd dit vervangen door een responsorium cum infantibus.

- vijf psalmen

- driemaal Kyrie

- Oratio I

- Magnificat

- op feriae: antiphona in baptisterium

- Oratio II

- op feriae: responsorium in baptisterio. Op andere dagen: psallenda I en twee completoria.

- driemaal Kyrie

- Oratio III

- op feriae: psalmus IV versus, op andere dagen: psallenda II en twee completoria

- driemaal Kyrie

- Oratio IV

 

completen:

- inleiding zoals in metten, met toevoeging van Converte nos

- hymne: Te lucis

- psalmen 4; 30, 1-7; 90, 132, 133, 116. Deze psalmen worden gezongen zonder antifoon.

- Epistolella

- responsorium

- Canticum Simeonis (Lukas, 2)

- Capitulum

- driemaal Kyrie

- eventueel preces

- Oratio I

- Oratio II

- Maria-antifoon

- Confiteor

 

1.2.4 De structuur van de mis

 

 De structuur van de mis komt grotendeels overeen met deze in de Romeinse ritus. We zullen ons dan ook beperken tot het vermelden van een aantal markante verschillen tussen de twee tradities.

 

 Een aantal gezangen heeft een andere naam. Zo wordt de introïtus ingressa, de tractus cantus en de communio transitorium genoemd. De overige gezangen dragen hetzelfde opschrift als in de Romeinse ritus. Op sommige feesten wordt de eenvoudige structuur van de alleluiazang, namelijk alleluia- vers- alleluia, sterk uitgebreid. Dit zal nog verder aan bod komen in het hoofdstuk muzikale kenmerken. Het graduaal wordt vervangen door een psalmellus met een vers, waarbij deze twee gecombineerd met het vers van de alleluia de structuur van een graduaal vormen, en vaak zijn ook hier concrete melodische parallellen terug te vinden. Er is ook een volledig nieuw gezang, namelijk het confractorium, dat na het breken van het brood gezongen werd. Het Agnus Dei is in de ambrosiaanse ritus enkel aanwezig in de missa pro defunctis.

 

 Verder zijn er nog een aantal typische gebruiken, waarvan een aantal helaas niet meer beoefend wordt sinds de veranderingen die zijn doorgevoerd na Vaticanum II (1962-1965). Jenner haalt de volgende zeven aan:[61]

- Wanneer de diaken en de subdiaken ook mede consacreerden, stonden zij tegenover elkaar aan de noord- en de zuidkant van het altaar.

- In de kathedraal van Milaan werden de lezingen gehouden vanuit de grote ambo aan de noordzijde van het koor, en een processie begeleidde de lectores daar naartoe.

- De offeranden werden aangebracht door tien oude mannen (vecchioni) en tien oude vrouwen, die behoorden tot de Scuola di S. Ambrogio en gekleed waren in een typisch ornaat.

- Tijdens de offeranden gingen de kapittel-clerici voorbij de noord-hoek van het altaar en kustten deze.

- Vlak voor de consecratie waste de priester in stilte zijn handen (het lavabo).

- Tijdens de elevatie werd er niet gerinkeld met een bel.

- Het breken van het brood gebeurde voor en niet na het Pater noster.

 

 Ook de andere sacramenten en ceremonies vertonen een aantal verschillen met de Romeinse, en er zijn een aantal speciale feesten die niet voorkomen in de gregoriaanse traditie. Zo is er bijvoorbeeld het feest op 14 september van de Exaltationis S. Crucis, waarbij met een grootse ceremonie de nagels waarmee Christus gekruisigd zou zijn en die bewaard worden in de nok van de Duomo, naar beneden worden gehaald,[62] en daar drie dagen ter aanbidding blijven, waarna ze teruggeplaatst worden.[63]

 

 Algemeen kan gesteld worden dat de ambrosiaanse liturgie een meer ceremonieel karakter heeft dan de gregoriaanse. Dit kenmerk is een logisch gevolg van de ontwikkeling van deze traditie die zich enkel heeft afgespeeld binnen een kathedraalcultuur, waarbij uiterlijk vertoon steeds een grotere rol heeft gespeeld dan in de monastieke leefwereld.

 

1.3 Bronnen[64]

 

 De vroegste diastematische ambrosiaanse handschriften zijn van een veel jongere datum dan de gregoriaanse, namelijk van de 12e eeuw. Dit wil echter niet zeggen dat er geen oudere bronnen met Milanese gezangen bestaan. We bezitten een klein aantal psalters en evangeliaria die mogelijk uit de 9e eeuw afkomstig zijn, en waarin bij bepaalde fragmenten melodische accenten staan. Het gaat hier echter niet om een uitgewerkt neumatisch systeem zoals dit voorkomt in de gregoriaanse manuscripten. Wel bevat een aantal gregoriaanse neumatische manuscripten vanaf de 11e eeuw gezangen die identiek zijn in de ambrosiaanse traditie. Naar deze oudste lagen van handschriften is helaas nog geen onderzoek gebeurd, zodat het tot op heden nog onmogelijk is om conclusies te trekken over het eerste millennium vanuit de contemporaine bronnen.

 

De vroegste boeken in diastematische notatie zijn vier antifonaria uit de 12e eeuw:

 

pars hiemalis: - Londen, British Museum, Add. 34209.[65]

 - Milaan, Biblioteca capitolare, F.2.2.

 - Milaan, privé bezit, Varese-Eredi Bianchi-manuscript.[66]

 

pars estiva: - Milaan, San Vittore, Bedero di Val Travaglia B.

 

De redenen waarom men de gezangen toen ging optekenen zijn niet bekend. Er was hier immers geen nood aan een middel om de gezangen over een groot gebied te verspreiden, zoals in de gregoriaanse traditie wel het geval was door het streven naar een zo groot mogelijke uniformiteit over het hele Westen. Mogelijk wilden de Milanese cantores op deze manier enkel hun taak vergemakkelijken.[67]

 

 Deze antifonaria bevatten zowel de gezangen voor de mis als deze voor het officie. In plaats van de typisch gregoriaanse liturgische opsplitsing verdeelde men in Milaan de gezangen op basis van een temporeel onderscheid, namelijk een winter- en een zomerliturgie (pars hiemalis en pars estiva). Deze onderverdeling was het gevolg van de specifieke situatie in Milaan, waarbij de liturgie verdeeld werd over twee kerken. De eerste sporen van een verdeelde liturgie zijn terug te vinden in een kopie van de evangeliën uit het begin van de 6e eeuw.[68] Hieraan zijn rond het jaar 700 een aantal aanvullingen toegevoegd, waarin wordt verwezen naar een ecclesia maior en een ecclesia minor. In latere handschriften zal men de termen ecclesia hiemalis en ecclesia estiva gebruiken. Bailey is tot de conclusie gekomen dat de winterkerk de Santa Maria Maggiore moet zijn geweest, een kathedraal die in 1378 werd afgebroken voor de bouw van de huidige Duomo. De zomerkerk zou dan de Santa Tecla zijn, die neergehaald werd in 1548 om het plein voor de Duomo te vergroten.[69] Elk van de twee kathedralen had ook een eigen, losstaand, baptisterium.

Later zouden de antifonaria soms ook in drie of vier volumes opgedeeld worden. De verschillende opdelingen gebeurden dan als volgt:

twee volumes: - pars hiemalis: Advent tot Paaszaterdag.

 - pars estiva: eerste vespers van Pasen tot aan de Advent

 

drie volumes: - Natalizio: Advent tot zesde zondag na Epifanie.

 - Quaresimale: Septuagesima tot Paaszaterdag.

 - pars estiva: eerste vespers van Pasen tot Advent.

 

vier volumes: - Natalizio: Advent to zesde zondag na Epifanie.

 - Quaresimale: Septuagesima tot Paaszaterdag.

 - pars estiva: eerste vespers van Pasen tot de Kerkwijding.

 - Sanctorale: commune Sanctorum en proprium Sanctorum.

 

 De structuur van de codices is dus sterk verbonden met de kathedraalliturgie in Milaan. Hierbij stelt zich de vraag of er nooit een Milanese kloosterliturgie heeft bestaan. Er zijn hier in ieder geval geen bronnen van overgeleverd. Waarschijnlijk werd, naar aanleiding van de Frankische verovering van Noord-Italië, de regel van Bendedictus aangenomen, een hypothese die gestaafd wordt door de overdracht van de Basilica Sant’ Ambrogio aan de Benedictijnermonniken door aartsbisschop Petrus in 784.[70]

Doordat er nooit een echte neumatische schriftcultuur is geweest in Milaan, zijn er veel minder nuances in het schrift te vinden. De vroegste manuscripten maken al gebruik van één tot drie notenbalken en uitvoeringsgerichte tekens zoals het quilisma en de oriscus ontbreken volledig. Andere speciale neumen, zoals de liquescens, worden dan weer zeer inconsequent toegepast. Daarbij komt nog dat er veel schrijffouten voorkomen.[71]

 

 Er is ook een beperkt aantal gezangen verschenen in moderne uitgave. Naast de facsimile en transcriptie van het Londen-manuscript zijn er ook nog de twee boeken van Suñol, het Antiphonale missarum juxta ritum sanctae ecclesiae Mediolanensis uit 1935 en het Liber vesperalis juxta ritum sanctae ecclesiae Mediolanensis uit 1939. Beide werken zijn zeer duidelijk gebaseerd op het Londen-manuscript. Ook zijn er nog kritische uitgaven van de alleluia’s, de cantus en de antifonen door Bailey (voor de antifonen in samenwerking met P. Merkley). Op dit ogenblik is er ook een facsimile-uitgave van het Vimercate B -handschrift in voorbereiding.[72]

Zeer grote delen van het repertoire, zoals de andere officiediensten buiten de vespers, blijven dus nog steeds enkel in manuscript toegankelijk.

 

 

1.4 Algemene muzikale kenmerken

 

 Het is op dit ogenblik nog onmogelijk om de karakteristieken van het ambrosiaans te vatten in een aantal overkoepelende principes en kenmerken, zoals dit bij het gregoriaans tot op zekere hoogte wel mogelijk is. Doordat het aantal diepgaande verhandelingen over deze zangstijl zeer beperkt is, blijven er grote hiaten in het totaalbeeld. Het gaat hier dan niet enkel over bepaalde types van gezangen die nog geen exhaustieve behandeling hebben gekregen, maar vooral ook om meer algemene en essentiële aspecten, zoals de modaliteit. Een aantal elementen kan dan ook slechts zeer oppervlakkig behandeld worden. De volgende onderwerpen zullen achtereenvolgens aan bod komen: allereerst de sterke polarisering van de melodieën in syllabische en melismatische delen, waarna het melismatische aspect verder uitgewerkt zal worden, zowel wat betreft het gebruik als de opbouw van de langere melismen. Hierna komen het systematisch gebruik van diatonische notenketens, het voorkomen van de tritonus en de typische cadensformule nog aan bod. Tenslotte zal er nog een bespreking volgen van de ambrosiaanse modaliteit en de overeenkomsten hiervan met het gregoriaans.

 

 In het volgende citaat uit de Micrologus van Guido van Arezzo komen een aantal elementen voor die betrekking hebben op de stijl van de Milanese muziek.

 

Rationabilis vero discretio est, si ita fit neumarum et distinctionum moderata varietas, ut tamen neumae neumis et distinctiones distinctionibus quadam semper similitudini sibi consonanter respondeant, id est, ut sit similitudo dissimilis, more perdulcis Ambrosii.

 

Diversiteit is redelijk als de variëteit van neumen en onderdelen georganiseerd is zodat neumen overeenkomen met neumen en onderdelen met onderdelen met steeds een gelijkenis, met andere woorden zodat er steeds een ongelijke gelijkenis is, volgens het gebruik van de “zeer zoete” Ambrosius.

 

Hij gebruikt deze beschrijving in een pleidooi voor het afwisselen van de neumen in een compositie volgens de regels voor de opeenvolging van de di