Kleur in meervoud. ‘Een exploratief onderzoek naar de notie van culturele diversiteit bij kunstproductie van allochtonen.’ (Bogaerts Bram)

 

home lijst scripties inhoud  

 

In het cultuurpolitieke debat in Vlaanderen is ‘culturele diversiteit’ de laatste vijftien jaar erg prominent geworden. Het besef groeide dat de aandacht voor culturele diversiteit zich niet mocht blindstaren op een partijpolitiek fenomeen, de strijd tegen extreem rechts, maar dat men vooral aandacht moest besteden aan de uitsluitingsmechanismen die in de cultuursector zelf werkzaam zijn. In februari 2006 krijgt dit gestalte in een heus Actieplan Culturele Diversiteit rond drie peilers: meer kansen tot participatie, een aanbod dat de diversiteit binnen onze samenleving weerspiegelt en het realiseren van een divers personeelsbestand. In het debat over culturele diversiteit in de podiumkunsten komen zelden de artiesten van allochtone origine aan het woord. Meestal wordt het gesprek in hun plaats gevoerd. Dit exploratief onderzoek, kleur in meervoud, wil een aantal knelpunten en kansen van culturele diversiteit bij theaterproductie blootleggen vanuit een allochtone bril. De aandacht die het beleid heeft voor culturele diversiteit kan een aansluiting betekenen bij de kunstproductie van andere etnische origine om op korte termijn kunstinstellingen en publiek te laten kennismaken met de enorme diversiteit die Vlaanderen kenmerkt. In de cultuursector heersen nog steeds hardnekkige mechanismen van in- en uitsluiting, zoals een al te etnische lezing van ‘allochtone’ kunstproductie, stijgend racisme, exotisme, paternalistische visies, stereotype casting, die een serieuze handicap betekenen voor de ‘allochtone’ theatermakers en acteurs. Daarnaast maakt een ‘allochtone’ theatermaker geen theater om op zijn zolderkamer te spelen en is ook hij verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van zijn kunstproduct. De tijd van de goede bedoelingen zijn voorbij – culturele diversiteit is nog teveel een zaak van goodwill en ondeskundigheid – waarbij het tijd wordt dat de kunstensector zijn verantwoordelijkheid opneemt en gerund wordt als een efficiënt bedrijf, waarbij men streeft naar een oase bestaande uit een heel kleurenpallet in plaats van een lange woestijn met één kleur. Kleur in meervoud!

 

 

INLEIDING

 

Zeggen dat onze samenleving multicultureel is, is vandaag een open deur intrappen. Rode draad doorheen huidige essays rond multiculturalisme, is de stelling dat multiculturalisme niet langer een ideaal of utopie is, maar een realiteit. Anderzijds trekt een groot deel van de Vlamingen zich nog steeds terug in een enggeestig ‘etnocentrisme’. Staat er dan werkelijk zoveel van onze identiteit op het spel? Heel wat bekende Vlamingen, zoals gouden schoen Vincent Kompany of ’s lands beste turnster Aagje Van Walleghem, hebben ‘vreemd’ bloed. Hun verhalen maken vanaf heden deel uit van het nationale verhaal. ‘Belg zijn’ of ‘Vlaming zijn’ betekent iets anders dan vroeger: nationale identiteiten zijn met hun tijd meegegaan en hebben zich geglobaliseerd. Allochtonen maken mee deel uit van het proces dat de identiteit van Vlaanderen mee vorm geeft, al wordt dit niet voldoende erkend. De vele discussies in de media over de multiculturele samenleving zijn, mede onder invloed van extreem-rechts, ja-nee debatten geworden, waardoor onze samenleving steeds verder polariseert. De discussie over de multiculturele samenleving lijkt zich toegespitst te hebben op de vraag naar de plaats van de islam en van moslims in de westerse samenleving. De multiculturele samenleving blijkt enkel nog vanuit het paradigma van fundamentalisme, criminaliteit en terrorisme besproken te kunnen worden. Deze ja-nee debatten, zo stelt Erwin Jans (2005: 5), geven de verkeerde indruk dat er over de ‘multiculturele samenleving’ nog een beslissing moet worden genomen, alsof ze alsnog afgewend kan worden. Eerste paradox: multiculturalisme is een onomkeerbaar historisch en demografisch feit, maar recente verkiezingsuitslagen tonen aan heel wat Vlamingen weigeren deze diversiteit te erkennen en met hun wens openlijk uiten om die diversiteit terug te schroeven.

 

Dat multiculturalisme een ‘hype’ is geworden, mag blijken uit het groeiend succes van multiculturele festivals, zoals Mano Mundo, Sfinks of Dranouter en de opmars van wereldmuziek binnen festivalprogrammaties die dit genre vroeger links lieten liggen. Affiches van rockconcerten en parkfeesten kleuren steeds kleurrijker richting wereldmuziek. Pitabars en hippe exotische restaurants groeien als paddestoelen uit de grond. Het ontbreekt ons dus niet aan contact met de ‘Ander’. Vanwaar die plotse interesse in de ‘Ander’? Heel wat allochtone schrijvers vragen zich af of al die niet-westerse cultuur alleen maar zo hip en zo populair is kunnen worden, omdat de westerse cultuur vermoeidheidsverschijnselen vertoont. In die zin is multiculturalisme een soort bloedtransfusie om de cultuur van het westen hip en springlevend te houden door er een vleugje ruwe, primitieve of zelfs wilde, oriëntaalse exotiek aan toe te voegen. Wordt de hele hype niet georkestreerd door slimme programmatoren en marketingmensen? Is multiculturalisme op deze manier doordrongen van een nieuw westerse neokoloniale bezitsdrang? Het schoentje wringt dus op de manier waarop we met de gedoodverfde Ander in contact komen, hoe de Ander wordt voorgesteld. Hier blijkt nog al te vaak een erg stereotype en westerse blik op de Ander. De Ander wordt bekeken vanuit het verschil met de Westerse cultuur, het verhaal is dikwijls een ‘wij’-versus ‘zij’-verhaal, waarbij de gemeenschappelijke kenmerken over het hoofd worden gezien. Dit wij/zij-denken is een leugen omdat het de werkelijkheid reduceert, omdat het blind blijft voor wat er werkelijk aan het gebeuren is. De Ander lijkt zijn/haar enige bestaanreden of legitimatie te vinden in de verschillen met ons, alsof de Ander maar echt waarde heeft voor ons voor zover hij/zij ons kan aanbieden wat wij niet hebben. Tweede paradox: de ‘Ander’ is ‘hot’ en ‘in’, maar tezelfdertijd is het beeld dat van die Ander wordt opgehangen vaak eenzijdig en sterk eurocentrisch gekleurd.

 

Naast deze ‘multiculturele hype’ wordt multiculturalisme tegelijkertijd steeds meer onderwerp van afwijzing en afgrijzen. De negatieve connotaties stapelen zich op: het ‘multiculturele drama’, de ‘multiculturele mislukking’, het ‘failliet van de integratie’, etc. Onder het mom ‘multiculturalisme, allemaal goed en wel, maar we moeten toch ook durven te praten over haar problematische aspecten’ lijkt de integratie mislukt. “Het progressieve front heeft multiculturalisme lang enkel als een hype gezien en zich afzijdig gehouden van haar scherpe kanten. Nu is dat soort ‘politiek correct denken’ ten einde; nu heet de ‘kritische’ omgang met de multiculturele samenleving politiek correct” (Fadil, 2005: 23).

Deze kritische omgang blijft de multiculturele realiteit vanuit een zekere ‘allochtone’ afstandelijkheid benaderen. Veel gehoorde (eenzijdige) termen bij deze discussies zijn: de anderen moeten zich ‘aanpassen’, ze moeten zich ‘integreren’, ze moeten zich ‘inburgeren’, etc. Vanuit deze visie is het aan de anderen om iets te doen. Tegelijkertijd wordt de Ander overbevraagd vanuit een bijna antropologische nieuwsgierigheid. Wat denkt de Ander? Wat wil hij/zij? Wat maakt hem/haar gelukkig? De Ander zit gevangen tussen deze nieuwsgierigheid enerzijds en een aantal diepgevroren clichés anderzijds. . Erwin Jans (2005a) ziet dit als het meest problematische van wat er aan de hand is: “Je zou voor minder zwijgen en onzichtbaar worden. (...) We hebben geen gesprekpartners” (p. 6).

Derde parodox: Een multiculturele hype, maar we voeren het debat in eigen kring …

 

Deze paradoxen tonen telkens een ander facet van een uiterst complexe en geladen materie die me uitdaagde tot onderzoek rond multiculturaliteit en culturele diversiteit op het vlak van podiumkunsten.

 

 

Probleemstelling

 

In een artikel van De Morgen van 4 maart 2005, “Anciaux koppelt subsidies voor sport-, cultuur- en jeugdverenigingen aan quota migranten”, wil Anciaux ‘enkele honderden keren meer’ allochtonen op terreinen waarvoor hij bevoegd is, zowel in bestuursraden als in beoordelingscommissies, wat het aantal 'allochtone' producties betreft en zelfs in het publiek wil hij meer kleur. Het lijkt duidelijk dat Anciaux meer ‘allochtone’ kunstproductie wil, maar momenteel wordt slechts één ‘allochtoon’ theatergezelschap, Union Suspect, structureel ondersteunt. Met het Actieplan Culturele Diversiteit zou hierin verandering moeten komen, want er blijkt een grote décalage te bestaan tussen de kleur van onze straten en de kleur in onze theaters, zowel op het podium als in de zaal. Maar elk beleid dat de etnisch-culturele diversiteit wil stimuleren, wordt met een aantal vragen en valkuilen geconfronteerd. Hoe moeten Vlaamse schouwburgen, culturele centra en theatergroepen hiermee omgaan? Moet culturele diversiteit bijvoorbeeld doorheen de hele podiumkunstensector voelbaar zijn? Kan men verwachten dat alle instellingen zich op allochtone groepen storten? Anderzijds hoor je die kunstensector wel eens klagen dat men cultureel divers wil programmeren, maar dat er te weinig allochtone kunstproducties bestaan om op te beroepen.

Het leek me interessant te onderzoeken hoe theatermakers en/of acteurs van allochtone origine tegenover deze kwesties staan. Welke redenen geven zij aan waarom kunstproductie van allochtone afkomst zo beperkt is binnen de reguliere kunstensector? Hoe gaan theatermakers van allochtone origine om met de toegankelijkheid van hun kunstproductie en hun zoektocht naar een cultureel divers publiek? Heeft de kunstenaar van allochtone origine als doel een divers publiek bij elkaar te brengen? Allochtone kunstmakers zijn op dit moment misschien ondervertegenwoordigd omdat het huidige kwaliteitsbegrip te eenzijdig wordt geïnterpreteerd vanuit westerse kaders? Zijn bijvoorbeeld ‘onze’ artistieke criteria nog van toepassing op uitingen uit andere culturen? Wordt kunstproductie van kunstenaars van allochtone origine op deze manier een exotisch verkoopsproduct dat het nodige ‘nieuwe’ en ‘Andere’ publiek moet trekken? Zijn artistieke prestaties daarbij minder belangrijk dan sociaal-culturele criteria? Verwordt de allochtone kunstenaar op deze manier tot een artistiek opbouwwerker?

 

Het debat over culturele diversiteit in de podiumkunsten in Vlaanderen wordt voornamelijk gevoerd door beleidsmakers, beleidsondersteuners, beleidsuitvoerders en deskundigen. Zelden komen de artiesten van allochtone origine zelf aan het woord. Meestal wordt het gesprek in hun plaats gevoerd. Dit verkennend onderzoek wil een aantal knelpunten en kansen van culturele diversiteit bij theaterproductie van allochtonen blootleggen vanuit een allochtone bril. Hierbij kom ik tot een dubbele probleemstelling:

 

Hoe gaan theatermakers en/of acteurs van allochtone origine om met het begrip ‘culturele diversiteit’? In hoeverre kan culturele diversiteit een aansluiting of belemmering betekenen bij hun kunstproductie en herkennen theatermakers en/of acteurs van allochtone origine zich in de beleidsinvulling van culturele diversiteit?

 

In hoeverre is een beleid dat culturele diversiteit bepleit vanuit een politiek maatschappelijke overweging – evenredige participatie voor alle bevolkingsgroepen, bevorderen van maatschappelijke integratie/cohesie door middel van kunst en cultuur, een belemmering of aansluiting op de uitoefening van theater of kunst van andere etnische origine?

 

Nadenken over culturele diversiteit betekent tevens je eigen westerse kijk en referentiekaders durven opzij schuiven. Het is een oefening in culturele diversiteit. Dat nadenken over culturele diversiteit erg complex is blijkt uit de hierboven beschreven paradoxen, die illustreren hoe men bij elke reflectie over culturele diversiteit rekening moet houden met verschillende (tegengestelde) realiteiten en de zaken zoveel mogelijk in perspectief moet zien.

 

 

Opbouw

 

Het eerste hoofdstuk zoomt in op het cultuurbeleid, waarbij een bondig historisch overzicht wordt gegeven van de groeiende beleidsaandacht voor culturele diversiteit. Daarnaast wordt nagegaan wat de intenties zijn inzake culturele diversiteit en wat de beleidsmakers daar precies mee willen omschrijven en welke meldingen hiervan worden gemaakt in allerhande beleidsdocumenten, zowel nationaal als internationaal.

Het tweede hoofdstuk schetst het methodologisch kader voor dit onderzoek, de motivaties bij de keuzes voor verkennend en kwalitatief onderzoek, de topicinterviews, de triangulatieaanpak en analysemethode volgens Baarda.

Het derde hoofdstuk beslaat de analyse van de interviews rond de thema’s: terminologie, de vraag naar kunstproductie van allochtonen, het aanbod van kunstproductie van allochtonen, het streven naar een (cultureel divers) publiek, de beoordeling van kunstproductie van allochtonen en ten slotte de beleidsaandacht rond culturele diversiteit. In het besluit doe ik een poging om een antwoord te bieden op de dubbele probleemstelling.

 

 

HOOFDSTUK 1: CULTURELE DIVERSITEIT OP DE POLITIEKE AGENDA

 

 

In dit hoofdstuk wil ik een bondig overzicht geven van de groeiende beleidsaandacht voor (culturele) diversiteit, vanuit het Vlaamse minderhedenbeleid naar culturele diversiteit binnen het Vlaamse cultuurbeleid. Een kort historisch overzicht van het Vlaamse minderhedenbeleid en het Vlaamse cultuurbeleid maakt al vlug duidelijk dat (culturele) diversiteit nog maar heel recent een belangrijk item is geworden op de politieke agenda. De weerbarstigheid waarmee ‘culturele diversiteit’ in beleidsstukken terugkeert, nodigt ons uit om na te gaan wat de beleidsmakers daar precies mee willen omschrijven en welke bedoelingen er achter het gebruik van die term schuilen. Bij het denken over culturele diversiteit gaat het grofweg om twee richtingen: wordt culturele diversiteit bepleit vanuit een politiek maatschappelijke overweging – evenredige participatie voor alle bevolkingsgroepen, bevorderen van maatschappelijke integratie/cohesie door middel van kunst en cultuur – of is dat vanuit een artistieke nieuwsgierigheid naar andere kunstvormen, waarmee kunst zich verjongt en vernieuwt? De politieke en bestuurlijke motivatie is de afgelopen jaren – met het toenemende besef van het maatschappelijk potentieel van kunst en cultuur – steeds belangrijker geworden. In welke beleidsteksten komt het thema (culturele) diversiteit ter sprake en wat wordt erover gezegd?

 

 

1. Van een uitsluitend welzijnsperspectief naar (culturele) diversiteit op alle domeinen

 

1.1. Van categoriaal welzijnszorgbeleid naar een horizontaal minderhedenbeleid

 

Het immigratiebeleid was aanvankelijk gericht op de tewerkstelling van migranten. De overheid heeft lang in dit gastarbeidersmodel blijven geloven, waardoor men relatief laat is begonnen met de uitbouw van een coherent migrantenbeleid. Na de immigratiestop van 1974 groeide in beleidskringen stilaan het besef dat de aanwezigheid van vreemdelingen een permanent gegeven is. Een categoriaal welzijnszorgbeleid kreeg vorm, waardoor de Vlaamse overheid ook oog kreeg voor de specifieke noden en behoeften van de hier aanwezige migrantenbevolking. Deze evolutie viel samen met de staatshervorming waardoor het beleid inzake onthaal en integratie van inwijkelingen werd overgeheveld naar de Gemeenschappen. Van het begeleiden van de tewerkstelling van geïmmigreerde arbeiders werd overgestapt naar de zorg voor integratie van migranten en hun gezinnen en was er voor het eerst sprake van een integratiebeleid dat zich toespitste op welzijnsmateries. Onder druk van een economische crisis werd openlijk gesproken over de terugkeer van migranten en werd deze hier en daar ook gestimuleerd. Met de komst van de beleidsnota Migrantenbeleid op het einde van de jaren ‘80 verruimde de blik van de overheid waarbij het migrantenthema niet enkel beperkt werd tot welzijn maar een volwaardig beleidsthema werd voor de voltallige regering. Het categoriaal welzijnsbeleid werd een geïntegreerd en gecoördineerd migrantenbeleid. De interesse voor de multiculturele samenleving liep in Vlaanderen parallel met de opmars van extreem rechts. Ook de relletjes met allochtone jongeren in Brussel speelden hierin een rol. Het was pas na de gemeenteraadsverkiezingen van 9 oktober 1988, de eerste zwarte zondag, dat het integratiedebat echt losbarstte.

Het belangrijkste gevolg van de verkiezingsoverwinning van het toenmalige Vlaams Blok, was de oprichting van het Koninklijk Commissariaat voor het Migrantenbeleid (KCM), de voorloper van het huidige Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding en het Interministerieel Comité Migranten (ICM), een overlegforum voor alle overheden die betrokken waren bij het migrantenbeleid. Het KCM had twee opdrachten, enerzijds de migrantenproblematiek onderzoeken en voorstellen formuleren en anderzijds het migrantenbeleid van de verschillende ministeriële departementen, gemeenschappen, gewesten en lokale overheden coördineren en ondersteunen. Het terugkeerbeleid werd steng veroordeeld. In die periode hebben zij getracht het integratieconcept te definiëren. Het hield het midden tussen ‘segregatie’ en ‘assimilatie’. Onder ‘integreren’ werd begrepen ‘assimileren’ waar de openbare orde dat vraagt, het eerbiedigen en naleven van ‘westerse waarden’ zoals ‘moderniteit’, ‘emancipatie’ en ‘volwaardig pluralisme’ en het ondubbelzinnig respecteren van ‘culturele diversiteit als wederzijdse verrijking op andere vlakken’ (ICEM, 1997:17). Integreren betekende, volgens hen, dat minderheden bij de activiteiten en de doelstellingen van de overheid moesten betrokken worden. Dat deze definitie problematisch was, leidde geen twijfel. Ondubbelzinnig respect voor culturele diversiteit rijmt moeilijk op het verplicht naleven van westerse waarden. Al snel kwam er scherpe kritiek op het integratieconcept van het KCM. In 1992 werd het ophefmakende onderzoek ‘het Belgische migrantendebat: de pragmatiek van de abnormalisering’ van Jan Blommaert en Jef Verschueren gepubliceerd, waarin de auteurs wilden aantonen dat de autochtone bevolking (ook de voorstanders van de multiculturele samenleving) de allochtone medeburger vanuit een racistische ideologie benadert. In hun boek suggereerden ze een griezelige vergelijking in het discours van het Vlaams Blok en het Koninklijk Commissariaat voor Migrantenbeleid met betrekking tot de positie van de migranten waarbij het zogenaamde homogeneïsme centraal staat. Het homogeneïsme is een ideologie die zegt dat een maatschappij ideaal is als ze zo gelijkvormig of homogeen mogelijk is. Beiden vertrokken vanuit een superioriteitspositie: de enen om de migranten als minderwaardig te verwerpen (de cultuurkloof is onoverbrugbaar), de andere om migranten te vragen zich in te passen in de Vlaamse cultuur (de cultuurkloof is overbrugbaar). Volgens de onderzoekers was in beide opvattingen geen plaats voor culturele diversiteit, een multiculturele samenleving.

 

De parlementsverkiezingen van 24 november 1991, de tweede zwarte zondag, bracht het migrantenthema, waaronder ook de thematiek van racisme en xenofobie, op een nog indringender wijze op de politieke agenda. Het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding (CGKR) werd opgericht. De Beleidsbrief Migrantenbeleid van 1993 ging uit van een tweesporenbeleid:

 

De eerste jaren ging de aandacht nog voornamelijk uit naar het wegwerken van de maatschappelijke achterstelling. Geleidelijk aan verruimde dus die aandacht naar de diverse beleidsterreinen, waaronder ook het cultuurbeleid met betrekking tot migranten en naar verschillende doelgroepen, waaronder vluchtelingen, trekkende bevolkingsgroepen, woonwagenbewoners en trekkende beroepsgroepen, anderstalige nieuwkomers en mensen zonder papieren. Het minderhedenbeleid werd geregeld door het minderhedendecreet van 28 april 1998 en een strategisch plan van de Vlaamse regering van 24 juli 1996 voor etnisch-culturele minderheden, dat een kader omschreef voor een doelgroepenbenadering, de doelstellingen en werkwijze. Stilaan groeide het geïntegreerd en gecoördineerd minderhedenbeleid naar het huidig horizontaal minderhedenbeleid waarbij verschillende sectoren betrokken zijn. Ondertussen duiken in het Vlaams integratiedebat naast termen als onthaalbeleid en inpassing ook de noties inburgering en burgerschap op. De opname van de burger in de samenleving en zijn deelname aan haar instellingen, met daaraan verbonden rechten en plichten, komen centraal te staan. Het inburgeringsdecreet van 28 februari 2003 creëert het recht op en de verplichting tot inburgering. Inburgering wordt gezien als een eerste, begeleide opstap naar volwaardige participatie aan de samenleving. Elke nieuwkomer die zich inschrijft in de gemeente, moet sinds 1 april 2004 een inburgeringstraject volgen.

Geconfronteerd met nieuwe impulsen werd door de Vlaamse regering op 26 maart 2004 een nieuw strategisch plan omtrent het minderhedenbeleid goedgekeurd. Het minderhedenbeleid is een inclusief beleid geworden, waarbij het beleid geacht wordt in al haar domeinen een degelijk minderhedenbeleid te voeren. Alle bij het minderhedenbeleid betrokken ministers, hun administraties en de Vlaamse Openbare Instellingen, binnen de eigen beleidsdomeinen, zijn verantwoordelijk voor het realiseren van de doelstellingen van het minderhedendecreet. Het beleid is ook gecoördineerd om de coherentie van het geheel te bewaken en overlappingen en contradicties te vermijden. De Vlaamse overheid heeft twee instrumenten om hierover te waken: een coördinerend minister en een interdepartementale commissie etnisch-culturele minderheden (ICEM), die samengesteld is uit ambtenaren van de bij het minderhedenbeleid betrokken administraties en Vlaamse Openbare Instellingen. Het inburgeringsbeleid naar nieuwkomers en het minderhedenbeleid zijn bij de vorming van de Vlaamse regering 2004-2009 samengebracht onder één minister van Inburgering, Marino Keulen.

 

Samenvattend: Het Vlaamse minderhedenbeleid evolueerde uit het migrantenbeleid dat op zijn beurt gegroeid is van een categoriaal welzijnszorgbeleid (jaren ’80) over een geïntegreerd en gecoördineerd migrantenbeleid (1989- 1996) tot een horizontaal minderhedenbeleid waarbij verschillende sectoren betrokken zijn. Het minderhedenbeleid mag dan voornamelijk een welzijnsaangelegenheid zijn, toch mag het belang van het beleidsdomein cultuur niet onderschat worden.

 

1.2. Naar een cultureel divers podiumkunstenbeleid

 

Om een beeld te schetsen van de groeiende aandacht vanuit het cultuurbeleid voor culturele diversiteit doorheen de jaren, baseer ik me op de bijdrage van Krist Biebauw en Pascal Nicolas (2001) in het Cahiers Culturele Diversiteit, “Witte raven, zwarte schapen.” Ondanks de lange migratiegeschiedenis ontstond dus pas in 1984 de eerste beleidsaandacht op cultureel vlak voor de nieuwe inwoners van Vlaanderen. ‘Culturen als buren’, een sensibiliseringscampagne van Karel Poma, toenmalig Vlaams minister van cultuur, was het eerste initiatief dat aandacht schonk aan migrantenculturen. Gaandeweg was er al een praktijk ontstaan van volkscultuur en feesten voor de eigen gemeenschappen, naast min of meer gemengde evenementen zoals het Antwerps Festival van de Immigrant en de Gentse Feesten. Naast de veelheid aan multiculturele muziekgroepen, was cultureel diverse theaterproductie haast onbestaande, op enkele producties na van bijvoorbeeld: Tie 3, theaterwerkgroep Kopspel en Belçikal & Shadows. Na afloop van de campagne ‘culturen als buren’, verviel de tijdelijke subsidieregeling voor optredens van immigrantengroepen. Slechts één theatergroep, De Zwarte Komedie, bleef consequent en op een inclusieve manier samenwerken met allochtone kunstenaars. Eind jaren tachtig groeiden slechts hier en daar enkele multiculturele initiatieven. Het bleef wachten tot februari 1992 vooraleer de Werkgroep Migranten van de Hoge Raad voor de Volksontwikkeling een eindrapport neerlegde met voorstellen tot een cultureel beleid voor migranten. In deze nota werd met geen woord gerept over podiumkunsten. Het Koninklijk Commissariaat voor het Migrantenbeleid kwam datzelfde jaar met voorstellen tot een verenigingsleven van en met migranten, door de overheid ondersteund, gebundeld in de nota ‘Culturele verscheidenheid als wederzijdse verrijking’, een pleidooi voor de oprichting van een Intercultureel Vormings- en Kunstencentrum. In 1993 realiseerde Vlaams minister van Cultuur Hugo Weckx de voorstellen van het Koninklijk Commissariaat in de oprichting van het Intercultureel Centrum voor Migranten, met de bedoeling het sociaal-cultureel werk voor en met migranten te begeleiden in zijn kunstzinnige, educatieve en sociale aspecten. Van een echt kunstenluik was geen sprake meer. De erkenning en subsidiëring van migrantenorganisaties werd zelfs toevertrouwd aan de Vlaamse minister van Welzijn. Sporadisch kwam het Intercultureel Centrum voor Migranten, in samenwerking met het Project Open Culturele Centra, toch tot enkele kunstinitiatieven, zoals de theaterproductie Kakkerlakken. Deze voorstelling vormde volgens recensenten een mijlpaal op het vlak van podiumkunsten en werd als eerste ‘echte’ interculturele theatervoorstelling in Vlaanderen naar voren geschoven, omdat er voor het eerst sprake was van een ‘allochtone’ stem die gehoord wil en kan worden. Tezelfdertijd groeide de wereldmuziek uit tot een hype. Dito’Dito en Victoria vormden een eerste grote stap naar een ademende podiumkunstenpraktijk voor allochtonen. Andere projecten zoals Hush Hush Hush werden geboren uit een kansarmoedebeleid op zoek naar instrumenten voor integratie. De bevordering van de toegankelijkheid van de sociaal-culturele infrastructuur voor minderheidsgroepen stond als enig project, onder de noemer Creatief Vlaanderen, in het Voorstel van strategisch plan voor het Vlaamse beleid ten aanzien van etnisch-culturele minderheden van juli 1996, opgesteld door de Interdepartementale Commissie Migranten. Slechts occasioneel werden enkele diverse projecten via de reguliere kanalen erkend en betoelaagd door de Vlaamse Gemeenschap. De adviezen van de verschillende beoordelingscommissies voor de Kunsten, begin 2000, gaven voor de eerste keer aanleiding tot een impliciet beleid op dit vlak.

Sinds het cultuurbeleid van minister Bert Anciaux wordt voor het eerst werk gemaakt van een integraal cultuurbeleid dat oog heeft voor de diversiteit aan culturen in onze samenleving. Hoewel het begrip culturele diversiteit nergens exact wordt omschreven, wordt zowel in beleidsnota’s als decreten verwezen naar dit begrip.

 

 

2. Beleidsintenties inzake (culturele) diversiteit

 

2.1. Vlaams Regeerakkoord 2004

 

Het Vlaams Regeerakkoord wijdt een volledig hoofdstuk aan ‘samenleven in diversiteit’. Terwijl dit geen bijzonder thema was in het vorige Regeerakkoord, vertrekt de Vlaamse regering van de vaststelling dat diversiteit in onze samenleving een onomkeerbare realiteit geworden is. Deze diversiteit vormt zowel een verrijking als een beproeving (botsende normen en waarden, inburgeringsproblemen, taalproblemen, overlast en criminaliteit, etc.). De overheid wil duidelijke afspraken maken over rechten en plichten die voor iedereen gelden ongeacht culturele eigenheid of etnische afkomst. Diversiteit wordt op een enge manier gedefinieerd. Het gaat om een etnische invulling van de term, zoals ook blijkt uit de thema’s waarrond het beleid zal worden gevoerd: inburgering, onderwijs (met islamopleidingen), emancipatie van allochtone vrouwen en meisjes, het verenigingsleven, aanpak van overlast, etc. De actiepunten voor de praktijk benaderen diversiteit eenzijdig vanuit een standpunt van probleemoplossend denken, de troef voor de samenleving komt niet aan bod. Daarnaast hanteert de regering een nieuwe terminologie: naast de oude opdeling allochtonen versus autochtonen, is er, binnen die groep allochtonen, nu ook sprake van nieuwkomers en oudkomers (allochtonen die al langer in Vlaanderen leven maar die nog geen Nederlands spreken en/of nog niet klaar zijn om te werken). De overheid wil voor deze groepen een aangepast beleid voeren.

 

2.2. Regeerbijdrage 2004 van de Administratie Cultuur, Jeugd, Sport, Media (CJSM)

 

Voor het eerst wordt door de Vlaamse Administratie CJSM expliciet aandacht besteed aan het thema diversiteit. De Regeerbijdrage van de Administratie stelt letterlijk dat het bevorderen van diversiteit een van de uitdagingen is voor het domein CJSM.

 

Uitdaging 2: Vlaanderen is een samenleving waarin de verscheidenheid aan culturen en culturele gebruiken als bron voor verrijking wordt erkend. De diversiteit van de Vlaamse samenleving is een verrijking en meerwaarde maar tegelijkertijd een uitdaging voor het domein CJSM. Kunstenaars, culturele en jeugdorganisaties, de sportwereld en de media proberen op diverse manieren dynamisch om te gaan met die verscheidenheid, zowel in het aanbod , de deelnemers of het publiek als in de omkadering. Het beleid voor CJSM wil samen met de actoren zoeken naar hefbomen voor interculturalisering. (Culturele) diversiteit is een maatschappelijk gegeven dat zich onvoldoende weerspiegelt in organisaties en diensten en ook in het (eigen)(personeels)beleid. (p.12)

 

De nadruk wordt gelegd op het vergroten van de participatie van maatschappelijk kwetsbare doelgroepen: niet alleen allochtonen, maar ook kansarmen, gehandicapten, laaggeschoolden, etc. Diversiteit wordt dus breed gedefinieerd en niet beperkt tot de tegenstelling allochtoon-autochtoon, die hier maar een onderdeel van is. Diversiteit moet verwezenlijkt worden binnen alle beleidsvelden: sociaal-cultureel volwassenenwerk, jeugd, lokaal cultuurbeleid, cultureel erfgoed, kunsten, sport en media.

In een tweede hoofdstuk van de Regeerbijdrage worden concrete voorstellen gedaan voor het domein CJSM; één ervan is het stimuleren van een diversiteitsbeleid.

 

Het beleidsdomein CJSM wil een beleid voeren voor alle groepen in de samenleving ongeacht opleiding, etnische afkomst, sociale achtergrond, leeftijd, handicap, enzovoort. Uitgangspunt vormt een inclusieve benadering waarbij het principe van gelijkheid voor iedereen centraal staat maar met een specifiek bewustzijn over en bewust omgaan met verschillen van groepen. Het huidige beleid wordt in hoofdzaak voor en door middengroepen gevoerd. Daarom is het noodzakelijk om in bepaalde gevallen maatregelen te nemen op maat van specifieke doelgroepen. Een diversiteitsbeleid komt tot uiting in een personeelsbeleid, een aanbodsbeleid en een participatiebeleid. (p. 20)

 

Diversiteit verruimen tot verschillende maatschappelijk kwetsbare groepen is noodzakelijk om per groep aparte en op maat gesneden maatregelen te kunnen nemen. Om diversiteit binnen het culturele landschap te verwezenlijken, onderstreept het beleid het belang van een heterogeen en divers personeelsbestand. Daarnaast moeten inspanningen geleverd worden om het aanbod zodanig te differentiëren dat zoveel mogelijk mensen in Vlaanderen er zich in kunnen herkennen. Specifiek voor de podiumkunsten wordt de nadruk gelegd op gelijke kansen tot cultuurparticipatie. Een evenwichtig spreidingsbeleid is daarbij noodzakelijk. Vooral kleine en experimentele producties of organisaties krijgen onvoldoende spreidingskansen. Dit zou verholpen kunnen worden door receptieve centra de financiële ademruimte te bieden om risico's te nemen, bijvoorbeeld door een tussenkomst te voorzien in de uitkoopsommen van dergelijke producties

 

2.3. Beleidsnota Cultuur 2004-2009

 

De beleidsnota Cultuur 2004-2009 is de eerste beleidsnota die een lans wil breken voor een integraal cultuurbeleid dat oog heeft voor de diversiteit aan culturen in onze samenleving. In de nota 2000-2004 was er al sprake van ‘interculturaliteit’ en ‘culturele diversiteit’ als een ‘verscheidenheid in standpunten, inzichten, perspectieven, stromingen, beelden en mensen’, maar in de beleidsnota van 2004 komt culturele diversiteit voor het eerst naar voren als een echt aandachtspunt en uitdaging, één van de strategische doelstellingen voor de periode 2004-2009, namelijk: ‘Naar een ontmoeting tussen culturen: interculturaliteit’. Uitgangspunt is dat interculturaliteit en culturele diversiteit een gewenste realiteit wordt, waarbij bewust omgaan met verscheidenheid centraal staat.

 

“We willen binnen het Vlaamse cultuurbeleid de diversiteit die onze samenleving kenmerkt niet als een probleem duiden, wel als een gewenste realiteit. Daarom schuiven wij het model van de interculturaliteit ook in het cultuurbeleid expliciet als doelstelling naar voren. Investeren in gemeenschapsvorming en (inter)culturele activering vormt een belangrijke aanzet tot een reëel en positief interculturele samenleving, waarin elke mens centraal staat.” (p.14)

 

Het streefdoel is te komen tot een volwaardig samenleven van mensen en culturen, een stap verder dan multiculturaliteit waar verschillende culturen ofwel in elkaar overvloeien tot een soort grijze middelmaat dan wel naast elkaar voortbestaan, min of meer gesegregeerd.

 

“Culturele diversiteit is geen tussenstadium naar iets ‘hogers’, maar een permanent en noodzakelijk gegeven om een moderne samenleving levend, dynamisch en rijk te maken en te houden.” (p.14)

 

Men spreekt in de beleidsnota niet louter over het versterken van culturele competentie maar tevens ook van ‘interculturele’ competentie, via bijvoorbeeld sociaal-artistieke projecten:

 

“We geloven dan ook dat het belangrijk is om voortdurend en op lange termijn te investeren in een internationaal én een lokaal cultuurbeleid. In dit verband is bijzondere aandacht voor mensen in hun stedelijke omgeving, bijvoorbeeld via sociaal-artistieke projecten, essentieel, net als breedsporige educatie. Culturele competentie moet in deze context ook staan voor interculturele competentie.”(p.15)

 

Deze culturele diversiteit moet gerealiseerd worden door:

Wat betreft het personeelsbeleid wordt nog kort verwezen naar het Cordoba-project, een initiatief van Cultuur Lokaal, dat een zestal allochtonen de kans biedt om hun opleiding sociaal-cultureel werk te combineren met het werken in een cultureel centrum, waarbij ze voornamelijk taken met verantwoordelijkheid krijgen.

De term culturele diversiteit vormt de rode draad doorheen de beleidsnota. Het is een belangrijk criterium bij het sociaal-cultureel werk, met een focus op kansendoelgroepen. Ook het hoofdstuk Brussel staat in het teken van interculturaliteit. Onder de transversale aandachtspunten verschijnt diversiteit opnieuw als streefdoel: de overheid moet diversiteit tot een evidente zaak maken voor alle sectoren en alle actoren, op vlak van personeel, aanbod en participatie.

Samen met de Administratie en alle steunpunten moet de beleidsnota leiden tot een Actieplan Culturele Diversiteit met concrete en realiseerbare stappen.

 

2.4. Naar een Actieplan Culturele Diversiteit voor Cultuur, Jeugd en Sport

 

Op 24 februari is een traject gelanceerd dat in februari 2006, als een eerste concretisering van het aandachtspunt culturele diversiteit uit de Beleidsnota Cultuur, moet uitmonden in een Actieplan Culturele Diversiteit voor de cultuur-, jeugd- en sportsector. Het actieplan focust op etnisch-culturele minderheden, wil een integrale visie uitdragen over culturele diversiteit en vooral ook concrete acties voorstellen omtrent de drie peilers van het diversiteitsbeleid: meer kansen tot participatie, een aanbod dat de diversiteit binnen onze samenleving weerspiegelt en het realiseren van een divers personeelsbestand (bij cultuurinstellingen, bestuursorganen en binnen adviesorganen of beoordelingscommissies). Daarnaast wil het actieplan goede praktijkvoorbeelden in de verf zetten om zodoende andere instellingen of organisaties instrumenten aan te reiken om de eigen werking, aanbod of participatiegraad te verbeteren op het vlak van culturele diversiteit. Om tot dit actieplan te komen, werken kabinet, de bevoegde administraties, de Vlaamse steunpunten en andere ondersteunende intermediairen nauw samen. Aangezien culturele diversiteit binnen elke sector verschillend is en een andere finaliteit kan hebben, wordt het traject uitgewerkt in veertien werkgroepen, één overkoepelende en dertien sectorale werkgroepen. Het actieplan heeft de bedoeling in 2006 te komen tot niet vrijblijvende acties, waarbij in bijvoorbeeld beheersovereenkomsten bepaalde afspraken worden gemaakt. In een artikel in De Morgen van 4 maart 2005 opperde minister Anciaux het voorstel subsidies voor sport-, cultuur- en jeugdverenigingen te koppelen aan quota voor migranten:

 

“We hebben doelstellingen nodig waarop de verenigingen uiteindelijk afgerekend kunnen worden. Ik wil de organistaties dwingen tot een resultaatsverbintenis, die gekoppeld zal worden aan hun subsidies.” (Lefevere, 2005)

 

Het aanvankelijk idee om met quota te werken, is ondertussen in de koelkast beland nadat VLD en CD&V brandhout had gemaakt van de voornemens van Anciaux. Achteraf verduidelijkte minister Anciaux de term ‘quota’ te interpreteren als ‘de belofte zich in te spannen om een reëel resultaat te behalen, zonder daarmee te willen ingrijpen op het concrete aanbod van instellingen’. De bedoeling blijkt echter resultaatsverbintenissen aan te gaan met verenigingen, organisaties of instellingen zonder sancties voorop te stellen. Heel wat stemmen zeggen dat culturele diversiteit niet opgelegd kan worden, maar eerder werk moet gemaakt worden van sensibilisering en stimulering. Anderen beroepen zich dan weer op de vrijheid van vereniging, waardoor nooit sprake kan zijn van enige resultaatsverbintenis. Op dit moment is het nog onduidelijk welke weg het actieplan wil bewandelen.

 

 

3. Recente Decreten

 

De decreten binnen het beleidsdomein Cultuur geven slechts weinig informatie over culturele diversiteit. Nergens staat expliciet een definitie van culturele diversiteit geformuleerd.

 

3.1. Decreet lokaal cultuurbeleid (2001)

 

De gemeenten die subsidiëring wensen te ontvangen in het kader van het decreet lokaal cultuurbeleid, krijgen van de Vlaamse overheid expliciet de opdracht om aandacht te hebben voor culturele diversiteit. Het lokaal cultuurbeleid is het veld bij uitstek waarbinnen gestreefd moet en kan worden naar culturele diversiteit. Het gemeenschapscentrum (en aansluitend het culltuurcentrum wordt gedefinieerd als een culturele infrastructuur “met bijzondere aandacht voor de culturele diversiteit” (Art.2). Eén van de parameters voor de toekenning van variabele subsidies bestaat uit: “de concretisering van de culturele diversiteit op het vlak van programmering, participatie, personeelsbeleid en bestuur” (Art.33). Een ruimere definiëring van culturele diversiteit vindt men terug onder de volgende parameter: “de gemeenschapsvorming: de manier waarop lokale gemeenschappen versterkt worden, met bijzondere aandacht voor moeilijk bereikbare doelgroepen” (Art. 33).

De omschrijving in de memorie van toelichtingover culturele diversiteit bij cultuurcentra (2001) gaat duidelijk in de richting van etnisch-culturele diversiteit:

 

“Het cultuurcentrum zal ook in de communicatie tussen verschillende cultureel diverse gemeenschappen bevorderen en het onthaal van etnisch-culturele minderheden in hun verzorgingsgebied waarmaken op cultureel vlak. Het cultuurcentrum zal op het vlak van programmering, publieksparticipatie, personeelsbeleid en bestuur de culturele diversiteit van de bevolking weerspiegelen.” (p.13)

 

In verband met het bevorderen van culturele competentie zegt het decreet het volgende:

 

“Er kan niet genoeg worden benadrukt hoe belangrijk gemeenschapscentra zijn in de ontwikkeling van de culturele competentie en in de bevordering van de cultuurparticipatie. Ze hebben een culturele ontwikkelingsfunctie, leiden mensen toe naar kunst en cultuur, leggen verbindingen tussen genres, werkvormen en uitingen. Cultuurcentra spelen op dit terrein een nog actievere rol. Zo moet het cultuurcentrum de nodige initiatieven nemen om de hele bevolking, o.m. deze doelgroepen die nu al te weinig participeren (bijv. migranten, laaggeschoolden, enz.) via gerichte inspanningen toe te leiden naar (sociaal-)artistieke en sociaal-culturele activiteiten, niet alleen omwille van de intrinsieke waarde van het aanbod, maar ook opdat ze zich maximaal kunnen integreren in de lokale gemeenschap.” (p.13)

 

Het decreet stelt duidelijk dat cultuurcentra moeten bijdragen tot de integratie van migranten in de lokale gemeenschap.

De confrontatie met een groot aantal ‘nieuwe’ thema’s en pionierswerk zorgde ervoor dat culturele diversiteit niet altijd bovenaan de agenda van het cultuurbeleid van steden en gemeenten stond. Weliswaar hebben heel wat steden en gemeenten aandacht voor culturele diversiteit in hun algemene cultuurbeleidsplannen en in de beleidsplannen van hun cultuurcentra, maar toch is er nog veel werk aan de winkel. Het is natuurlijk niet toevallig dat de focus op diversiteit het sterkst aanwezig is in de plaatsen waar grote allochtone gemeenschappen aanwezig zijn: de drie grote steden en plaatsen waar de arbeidsmigratie van de afgelopen 40 jaar een bepalende demografische factor is.

 

3.2. Decreet sociaal-cultureel volwassenenwerk (2003)

 

 

Een ander beleidsveld waarbinnen de culturele diversiteit een bijzonder aandachtspunt vormt, is het sociaal-cultureel volwassenenwerk. Sociaal-cultureel werk heeft als functie gemeenschapsvorming, gericht op “een democratisch, solidaire, open en cultureel diverse samenleving” (Art.2).

Het decreet noemt “de aandacht voor culturele diversiteit” als één van de negen beoordelingselementen van het beleidsplan van de erkende verenigingen (Art.6). Culturele diversiteit als één van de beoordelingselementen voor de sociaal-culturele werking van een vereniging kan een stimulans betekenen voor een grotere en nauwere samenwerking tussen autochtone en allochtone organisaties, en voor een intensere interactie tussen allochtonen en autochtonen binnen organisaties.

 

3.3. Kunstendecreet (2004)

 

 

Het decreet houdende de subsidiëring van kunstenorganisaties, kunstenaars, organisaties voor kunsteducatie en organisaties voor sociaal-artistieke werking, internationale initiatieven, publicaties en steunpunten dat ingaat vanaf 2006, maakt geen expliciete vermelding van culturele diversiteit. Extra aandacht wordt besteed aan publieksparticipatie en aan optionele functies die een kunstenorganisatie kan invullen, zoals internationalisering, het sociaal-artistieke en kunsteducatie. Het is een poging om culturele diversiteit naar voren te schuiven als één van de criteria bij kunstenorganisaties, zonder het expliciet te vernoemen. Op deze manier blijft het stimuleren van culturele diversiteit een vrijblijvende opdracht.

Als laatste punt onder Hoofdstuk VII over de subsidiëring van de steunpunten wordt culturele diversiteit vermeld als één van de kerntaken van de steunpunten.

 

“Alle steunpunten hebben binnen hun werking aandacht voor de bevordering van de culturele diversiteit.” (Art.74)

 

Noch in het decreet noch in de uitvoeringsbesluiten bij het decreet wordt toegelicht hoe deze kerntaak moet geïnterpreteerd worden of gerealiseerd.

 

 

4. Vlaams Theater Instituut (VTI)

 

Het VTI wil een degelijke werking uitbouwen rond culturele diversiteit en via de website Café Casa, diverse publicaties en internationale ontmoetingen, de podiumkunsten stimuleren meer werk te maken van culturele diversiteit. Eind 2003 is een delegatie van het VTI op studiereis vertrokken naar Marokko om kennis te vergaren rond Marokkaanse podiumkunsten, gevolgd door een tegenbezoek van een Marokkaanse delegatie en een afsluitend colloquium Vlaanderen – Marokko: vice/versa. Op deze manier wil het VTI tot een doorgedreven internationale culturele samenwerking komen met herkomstlanden. In de toekomst plant het VTI een gelijkaardige culturele uitwisseling met Turkije, als herkomstland van de tweede grootste groep allochtonen in België.

Ter voorbereiding van het actieplan Culturele Diversiteit voor de sectoren cultuur, jeugd en sport heeft het VTI een samenwerkingsverband opgestart met Kunst en democratie, CultuurNet Vlaanderen, het Sociaal Fonds voor Podiumkunsten, Initiatief Audiovisuele Kunsten, Initiatief Beeldende Kunsten, het Muziekcentrum, Stichting Lezen, de administratie Cultuur en de administratie Media, om te onderzoeken hoe het kunstenlandschap zich verhoudt tot de culturele diversiteit in onze samenleving. Vanuit praktijkgericht onderzoek wil het VTI concrete aanbevelingen en acties formuleren voor de kunstensector en het kunstenbeleid die de culturele diversiteit in de praktijk kunnen stimuleren of ondersteunen. Het onderzoek houdt een diepgaande analyse in van methodes, werkwijzen en strategieën, die kunstenaars en culturele organisaties op verschillende domeinen in hun werking inzetten, om de diversiteit in cultuur te weerspiegelen.

 

 

5. Internationaal beleid

 

Op internationale fora staat het thema‘culturele diversiteit’ hoog op de agenda, vaak onder de term ‘interculturele dialoog’. De teksten van internationale organisaties, zoals de Europese Unie (EU), UNESCO of de Verenigde Naties (VN), vullen diversiteit voornamelijk etnisch-cultureel in. De uitdaging bestaat erin om binnen een steeds meer globaliserende wereld te blijven vechten voor het behoud en voortbestaan van culturen en volkeren.

 

Binnen de UNESCO kwam op 2 november 2001 de ‘Algemene verklaring over culturele diversiteit’ tot stand. De tekst vormt de basis voor een nieuwe ethiek die UNESCO wil promotenbij het begin vande 21e eeuw. In twaalf artikels wordt culturele diversiteit gekoppeld aan identiteit, pluralisme, mensenrechten, creativiteit en internationale solidariteit.

In opvolging van deze verklaring wordt er gewerkt aan een juridisch bindend instrument ter bescherming en promotie van de diversiteit van culturele inhouden en artistieke expressies. In deze conventie gaat het vooral om de bevoegdheid van de lidstaten inzake cultuurbeleid te vrijwaren en maatregelen te nemen om de diversiteit van het cultureel aanbod te garanderen. Daar waar de conventie vooral draait rond diversiteit van het culturele aanbod en vooral economisch wordt ingevuld, heeft UNESCO ook aandacht voor de interculturele dialoog op wereldschaal.

 

In navolging van de verklaring van de UNESCO publiceerde de Europese commissie het document ‘Towards an international instrument on cultural diversity’. Hiermee wil de commissie de plannen van UNESCO ondersteunen met de bedoeling tot een legaal bindend instrument te komen dat aandacht voor culturele diversiteit kan afdwingen.

Ook het EU-verdrag draagt de Europese Unie op om bij de ontplooiing van de culturen de nationale en regionale verscheidenheid van culturen te eerbiedigen en in de uitoefening van al haar bevoegdheden de culturele verscheidenheid te eerbiedigen en te bevorderen. Het cultureel programma van de EU (Cultuur 2007-2013) buigt zich over interculturele dialoog als één van de drie peilers. De ministers van de Raad van Europa namen in 2000 de verklaring aan betreffende de culturele diversiteit. Ook de ministeriële verklaring van Opatija over de interculturele dialoog en conflictpreventie kadert in deze thematiek.

 

Verder buigen ook het International Network on Cultural Policy, een informeel netwerk op ministerieel niveau en het International Network for Cultural Diversity, een internationaal netwerk van kunstenaars, culturele industrieën, culturele NGO’s en professionele organisaties en academici zich over deze thematiek.

Heel wat internationale organisaties plaatsen diversiteit dus op hun agenda’s, maar toch blijven deze maatregelen bij aanbevelingen, suggesties, denkoefeningen of voornemens die vooralsnog niet afdwingbaar zijn.

 

 

Hoofdstuk 2: Methodologisch kader

 

1. De keuze voor verkennend onderzoek

 

Onderzoek naar de relatie tussen kunstenaars van allochtone origine en culturele diversiteit kent nauwelijks of geen precedenten. Daarom zal deze thesis in de eerste plaats een verkennend of exploratief onderzoek zijn, met de bedoeling een aantal belangrijke knelpunten of kansen uit de ervaringswereld van kunstenaars van allochtone origine aan de oppervlakte te brengen om zo mogelijkheden te openen voor verder diepgaand onderzoek. De keuze voor een verkennend onderzoek is gebaseerd op verschillende redenen die met elkaar verband houden. In de eerste plaats betreft het een zeer heterogene doelgroep, waardoor het onmogelijk werd, gezien de beperkte tijdspanne van het onderzoek, om uitspraken te doen die van toepassing zijn op alle kunstenaars met verschillende etnisch-culturele achtergrond en alle kunstdisciplines. Het was van primair belang om keuzes en prioriteiten te stellen. Ik heb me daarom gericht op die groep kunstenaars van allochtone origine die zich op (semi-) professionele manier bezigen met podiumkunsten, specifiek theater. Het was waarschijnlijk interessant geweest om ook kunstenaars van andere etnische origine uit verschillende kunstdisciplines of amateur, semi-professionele en professionele kunstenaars van allochtone afkomst met elkaar te laten confronteren. In de tweede plaats maakt de complexiteit van het thema het onmogelijk om tot een volledige benadering te komen van de problematiek. Culturele diversiteit in de kunst houdt verband met talloze factoren, van politieke, maatschappelijke, sociale, psychologische, filosofische of zelfs historische aard.

 

 

2. De keuze voor kwalitatief onderzoek

 

Er zijn verscheidene redenen aan te geven waarom voor dit onderzoek gekozen is voor een kwalitatieve benadering. De eerste reden is dat de betreffende onderzoeksproblematiek zo nieuw is, dat daarover nog weinig kennis bestaat. De tweede reden is dat het onderzoeksprobleem veel kwalitatieve vragen omvat en er dus ook kwalitatieve gegevens verzameld moeten worden. Tenslotte gaat het erom de betekenisgeving van de onderzochten te achterhalen en het is nodig de informanten te stimuleren om actief en creatief over bepaalde onderwerpen na te denken.

 

Het Basisboek Kwalitatief Onderzoek van Baarda e.a. (1995) geeft de volgende definiëring van kwalitatief onderzoek:

 

“Onderzoek waarbij je overwegend gebruik maakt van gegevens van kwalitatieve aard en dat als doel heeft onderzoeksproblemen in of van situaties, gebeurtenissen en personen te beschrijven en te interpreteren.” (p. 15)

 

Bij kwalitatief en kwantitatief onderzoek gaat het om twee verschillende benaderingen. Onder “gegevens van kwalitatieve aard” worden die gegevens verstaan die betrekking hebben op de aard, de beleving, de kenmerken en de waarden van het onderzoeksobject. Dit in tegenstelling tot kwantitatieve gegevens, die betrekking hebben op het aantal, de frequentie, de grootte, de duur, etc. van het onderzoeksobject.

 

De keuze voor kwalitatief onderzoek vloeit dus voort uit de aard van mijn probleemstelling. De dubbele vraagstelling van dit onderzoek peilt naar kwalitatieve gegevens: “Hoe gaan theatermakers en/of acteurs van allochtone origine om met het begrip ‘culturele diversiteit’? In hoeverre kan culturele diversiteit een aansluiting of belemmering betekenen bij hun kunstproductie en herkennen theatermakers en/of acteurs van allochtone origine zich in de beleidsinvulling van culturele diversiteit?” en “In hoeverre is een beleid dat culturele diversiteit bepleit vanuit een politiek maatschappelijke overweging – evenredige participatie voor alle bevolkingsgroepen, bevorderen van maatschappelijke integratie/cohesie door middel van kunst en cultuur, een belemmering of aansluiting op de uitoefening van theater of kunst van andere etnische origine?” Het is dus niet de bedoeling op zoek te gaan naar kwantitatieve gegevens zoals het aantal geprogrammeerde cultureel diverse voorstellingen, maar wel naar ervaringen, pijnpunten, gevoeligheden, spanningsvelden, kansen, etc. Daarnaast noopt de complexiteit van het onderzoeksonderwerp, de verwevenheid van verschillende factoren en de relatieve recentheid van het thema naar een kwalitatief onderzoek om een zo volledig en genuanceerd mogelijk beeld te krijgen van de gestelde vragen. Kwalitatief onderzoek laat ook, beter dan kwantitatief onderzoek, toe fenomenen te beschrijven en te interpreteren in hun onderlinge samenhang.

 

 

3. Dataverzamelingsmethoden

 

De meest gebruikte methoden van dataverzameling zijn voornamelijk: participerende observatie, (open) interview en verzamelen van documenten (Baarda, e.a., 1995: 15). Binnen dit onderzoek wordt gebruik gemaakt van de laatste twee methoden. De methode van de participerende observatie heeft in het kader van mijn onderzoeksonderwerp weinig zin.

 

3.1. Verzamelen van documenten

 

Hieronder verstaan Baarda e.a. het verzamelen en analyseren van tijdschriftartikels, krantenknipsels, interne nota’s, persconferenties, ect. Binnen dit onderzoek lag de nadruk vooral op explorerend literatuuronderzoek, waarbij zoveel mogelijk literatuur werd verzameld die verband houdt met de thematiek. Enerzijds gaat het om theoretische teksten over culturele diversiteit, het integratiedebat en de implicaties van de multiculturele samenleving, die me algemene, kaderende informatie opleverde. Daarnaast ben ik op zoek gegaan naar meer relevante en specifieke informatie over culturele diversiteit in de podiumkunsten en onderzoek naar de relatie tussen kunstenaars van allochtone origine en culturele diversiteit. Het aanbod in dit verband is heel beperkt en meestal van Nederlandse hand, specifiek voor de Nederlandse situatie en dus niet zomaar vertaalbaar naar de Vlaamse toestand. Heel wat vroeger onderzoek naar de aanwezigheid van allochtonen in de Vlaamse samenleving zijn voornamelijk van maatschappelijke aard. Onderzoek of literatuur naar de participatie van kunstenaars van allochtone origine aan Vlaamse kunsthuizen of cultuurbeleving van allochtonen in het algemeen zijn op één hand te tellen. Het cahiers “Witte raven, zwarte schapen”, uitgegeven door Hoofdstuk 27 vzw, en het themanummer van Courant (VTi) over culturele diversiteit vormden echter wel een goede insteek voor verdere reflectie en opzoekwerk.

 

Verder heb ik er verschillende beleidsnota’s en regeerakkoorden op nageslagen, waaronder ook een aantal teksten van internationale organisaties, om te hoe daar het thema culturele diversiteit wordt omschreven. Een bijkomend probleem stelde zich dat heel wat interne nota’s van onder andere de steunpunten, het kabinet en de administratie cultuur, niet werden vrijgegeven omwille van de recentheid en gevoeligheid van het onderwerp. Het actieplan culturele diversiteit is in volle ontwikkeling waardoor de uitvoerders erg beduusd zijn voor te vroege of verkeerde uitspraken. In een artikel van De Morgen van 4 maart 2005, “Anciaux koppelt subsidies voor sport-cultuur- en jeugdverenigingen aan quota migranten”, laat Anciaux weten met dit diversiteitsplan “niet het recht te hebben om te mislukken.” De druk ligt dus blijkbaar erg hoog.

 

3.2. Topicinterviews

 

In dit onderzoek is gekozen voor halfgestructureerde diepte-interviews of topicinterviews. Open- of topicinterviews zijn geschikt om ideeën, opvattingen en meningen van betrokkenen in het veld te achterhalen. In een open of halfgestructureerd interview wordt de formulering van vragen door de interviewer aangepast aan de individuele respondent en aan de situatie op dat moment (Baarda, e.a., 1995). Hierdoor ontstaan levendige gesprekken. Van te voren wordt een lijst gemaakt met gespreksonderwerpen of topics die tijdens het gesprek aan de orde zouden moeten komen. De topiclijst vormt enkel een rudimentaire leidraad, met de bedoeling het gesprek minimaal te structureren en geen belangrijke items over het hoofd te zien. Het hanteren van een topiclijst biedt een aantal voordelen. Het geeft de mogelijkheid aan geïnterviewden om zelf zaken aan te brengen waaraan de interviewer niet had gedacht, of om bepaalde accenten te leggen. Tegelijkertijd biedt een topiclijst een referentiekader voor de analyse van alle interviews, waardoor een vergelijking nadien mogelijk is, omdat iedere geïnterviewde wordt bevraagd over dezelfde topics.

 

De topiclijst voor dit onderzoek is opgebouwd rond een zevental hoofdthema’s, waaronder telkens een aantal mogelijke vragen vallen[1]. De thema’s behandelen: terminologie, inpassing culturele diversiteit binnen reguliere kunstensector, inhoud kunstproductie, cultureel divers publiek, Vlaams Beleid inzake culturele diversiteit, beoordelingscriteria, knelpunten en kansen van culturele diversiteit. Het laatste thema behelst een meer open, afsluitende en samenvattende vraag. De geïnterviewde krijgt er de kans om alles nog eens op een rijtje te zetten en extra onderwerpen aan te brengen die nog niet aan bod zijn gekomen tijdens het interview. Elk interview wordt aangevat met enkele vragen naar persoonlijke gegevens en kunstproductie, waaronder: afkomst, opleiding, kunstvorm (traditioneel, vernieuwend, hybride, etc.), graad van professionaliteit, etc.

 

Om de topiclijst te vervolledigen werd deze voorgelegd aan een aantal deskundigen op het vlak van culturele diversiteit, alvorens in gebruik te nemen. Voor het verhogen van de betrouwbaarheid van het interview is gebruik gemaakt van een cassetterecorder. De duur van de interviews varieerde van een uur tot twee uur.

 

3.3. Triangulatie-aanpak

 

Wegens de complexiteit van het onderzoek en het principe van holisme is het noodzakelijk om verschillende dataverzamelingsmethoden tegelijkertijd te gebruiken, de zogenaamde multimethode- of triangulatie-aanpak (Baarda e.a., 1995). Onder holisme verstaan Baarda e.a. dat het onderzoeksprobleem als een geheel wordt gezien, bestaande uit verschillende facetten die onderling met elkaar verbonden zijn. In dit onderzoek worden gegevens uit interviews vermengd met gegevens uit allerlei geschreven documenten, gaande van vakliteratuur, artikels tot beleidsnota’s.

 

 

4. De keuze van respondenten

 

Enerzijds wordt gepeild naar de omgang met culturele diversiteit bij de groep theatermakers en/of acteurs van allochtone origine, die min of meer (semi-) professioneel bezig zijn met podiumkunsten. Het betreft een zeer selecte en heterogene groep, naargelang: afkomst, nieuwkomer of tweede, derde generatie, de graad van professionaliteit, kunstvorm en een meer emancipatorische of eerder artistieke invulling van kunstproductie (of beide).

 

Anderzijds wordt de notie van culturele diversiteit bij de uitvoerders van het Actieplan Culturele Diversiteit onderzocht, waaronder een interview met een raadgeefster van het kabinet van minister Bert Anciaux en een medewerkster van de administratie Cultuur, Jeugd, sport en Media.

 

4.1. Mogelijke variabelen

 

4.1.1. Onderscheid amateur, semi-professioneel, professioneel

 

Het onderscheid tussen amateur-kunstenaars en (semi-) professionele kunstenaars heb ik als volgt gedefinieerd. Onder amateurs wordt verstaan diegenen die met hun kunstuitingen noch een significant (deel van hun) inkomsten verdienen, noch de wens of ambitie daartoe hebben. De (semi-) professionele kunstenaars daarentegen, verwerven wel (een deel van) hun inkomen uit de kunstbeoefening of hebben de wens dat in de toekomst te kunnen doen. Een ander onderscheid lijkt moeilijk te maken, aangezien voornamelijk de eerste generatie kunstenaars (of nieuwkomers) zelden een kunstvakopleiding heeft genoten. Dit soort opleidingen bestaan in het land van herkomst vaak niet en daarnaast vindt, in het geval van tweede en derde generatie kunstenaars, talentenontwikkeling veelal plaats op straat (rap, dans) of bij instellingen en sociaal-artistieke projecten als Sering vzw, Victoria Deluxe, Dito’Dito, etc. Scholing kan daarom geen criterium zijn. Daarnaast zijn er stemmen die professionaliteit verbinden met het afgelegde parcours van de kunstenaar in het professionele kunstencircuit. De graad van professionaliteit hangt dan af van het aantal gespeelde voorstellingen en het oordeel van kunstcritici. Dit is net waarmee kunstenaars van allochtone origine worden geconfronteerd, namelijk te westerse beoordelingscriteria en een beperkte vraag vanuit de professionele kunstensector en kan dus niet dienen als criterium voor professionaliteit. Wegens de beperkte tijdspanne en mogelijkheden van dit onderzoek werd enkel rekening gehouden met semi-professionele en professionele kunstenaars van allochtone origine. Daarnaast werd onlangs vanuit het Vlaams Centrum voor Amateurkunsten (2005b) een onderzoek afgerond naar de noden, verwachtingen en behoeften van allochtone amateur kunstenaars in Vlaanderen en Brussel, gepubliceerd in het themanummer “Tijd voor diversiteit!” van a-magazine.

 

4.1.2. Onderscheid naar kunstvorm

 

Om een onderscheid te kunnen maken naar mogelijke kunstvormen gebruik ik de indeling van Bart Top en Shervin Nekuee die zij hanteerden in hun zoektocht naar een redelijk objectieve beoordeling van kunst met grote verscheidenheid aan achtergronden, zonder daarbij terug te vallen op uitsluitend etnisch-culturele criteria. Nekuee en Top (2003) spreken, in de recente publicatie “Kwaliteit en diversiteit in de kunst”, over een driedeling van de kunst, waarbinnen de verhouding tot de gemeenschap een centrale rol speelt:

Binnen deze drie kunstvormen worden zowel traditie als vernieuwing onderscheiden, waardoor Top en Nekuee (2003) tot zes basisvormen van kunst komen: traditionele autonome kunst, vernieuwende autonome kunst, traditionele gemeenschapskunst, vernieuwende gemeenschapskunst, traditionele hybride kunst en vernieuwende hybride kunst.

 

4.1.3. allochtone afkomst

 

In de literatuur en discussies over dit onderwerp worden talloze bewoordingen gebruikt om de betreffende groep culturen en kunstenaars te duiden: allochtone kunstenaars, niet-westerse kunstenaars, kunstenaars met een dubbele culturele achtergrond, etc.

Hier wordt onderscheid gemaakt naar nieuwkomers, 2e of 3e generatie kunstenaars van allochtone origine.

 

4.2. Selectie respondenten

 

Om een selectie te maken uit mogelijke respondenten voor interviews, heb ik me gebaseerd op de brochure “kleurijk artistiek talent, een artistiek aanbod van allochtone (amateur) kunstenaars in Vlaanderen en Brussel” uitgegeven door het Vlaams Centrum voor Amateurkunsten (2005a). Bij de samenstelling van deze brochure werd gestreefd naar een zo compleet mogelijk overzicht van het aanbod, waarbij geen onderscheid werd gemaakt naar amateuristische of professionele kunstbeoefening. Onder de kunstdiscipline theater zijn dertien contactadressen opgenomen, waaronder theatergroepen, acteurs, regisseurs en auteurs. Na selectie werd het lijstje gereduceerd tot een vijftal bruikbare contacten. Daarnaast werd mijn lijstje contactpersonen verder aangevuld met adressen verkregen via het Vlaams Theater Instituut (VTI) en een aantal deskundigen. Zes theatermakers en/of acteurs werden bereid gevonden een interview toe te staan.

 

Daarnaast heb ik een aantal informele gesprekken[2] gehad met deskundigen uit de kunstensector, de steunpunten en de wereld van de sociaal artistieke praktijk die als klankbord fungeerden bij het opstellen van de topiclijst, het stellen van de probleemstelling of het formuleren van een aantal stellingen en hypothesen, waaronder:

 

5. Analysemethode

 

Bij de analyse van de interviews en de verzamelde documenten is gebruik gemaakt van de methode zoals beschreven in het Basisboek kwalitatief onderzoek (Baarda e.a. 1995: 167-196). De probleemstelling vormt het uitgangspunt voor de analyse. Het belangrijkste doel van de analyse van kwalitatieve gegevens is het aanbrengen van structuur in de hoeveelheid aan interview- en documentgegevens. De interviews werden volledig uitgeschreven en nagelezen door de respondenten[3]. Via e-mail werden nog een aantal bijkomende vragen gesteld omtrent onderwerpen die tijdens het gesprek niet aan bod waren gekomen of onduidelijk bleven na de verwerking van het interview. Hieronder zijn de verschillende analysestappen weergegeven en kort toegelicht:

 

HOOFDSTUK 3: ANALYSE INTERVIEWS

 

In dit hoofdstuk tracht ik de enorme hoeveelheid aan informatie, verkregen uit de afgenomen interviews en uit literatuurstudie, te structureren. De gehanteerde topics waaruit de interviews zijn opgezet vormen de leidraad voor de analyse. De volgende thema’s worden behandeld:

 

  1. Terminologie: begripsvaagheid

  2. Culturele diversiteit binnen de kunstensector: de vraag naar kunstproductie van allochtonen

  3. Aanbod kunstproductie: inhoud kunstproductie van allochtonen

  4. Streven naar een cultureel divers publiek

  5. Beoordeling kunstproductie van kunstenaars van allochtone afkomst

  6. Beleidsaandacht rond culturele diversiteit: spanning tussen beleid en praktijk

 

 

Het thema terminologie behandelt het willekeurige gebruik van termen en de gebrekkige definiëring van deze begrippen, waardoor de discussie rond culturele diversiteit niet helder kan gevoerd worden. De drie volgende thema’s naar vraag, aanbod en publiek komen min of meer overeen met de drie peilers van het diversiteitsbeleid uit de Beleidsnota Cultuur 2004-2009 en het Actieplan Culturele Diversiteit. Binnen deze thema’s wordt dieper ingegaan op de kansen voor kunstenaars van allochtone afkomst binnen de reguliere kunstensector, de toegankelijkheid van het kunstproduct, de rol van theater bij culturele diversiteit, het streven naar een cultureel divers publiek, etc. Het laatste thema behandelt de spanning tussen beleid en praktijk. Doorheen de analyse worden uitspraken van kunstenaars van allochtone origine vergeleken met uitspraken van de uitvoerders van het Actieplan en gelijkaardige of juist tegenstrijdige analyses uit het literatuuronderzoek.

 

In onderstaande tabel worden een aantal persoonlijke gegevens van de geïnterviewden weergegeven. Bij de citaten wordt verwezen naar de geïnterviewden aan de hand van hun initialen en een nummering die overeenkomt met de nummering van de antwoorden in de transcripties.